Dispereert niet. Deel 4


auteur: A. Algra en H. Algra


bron: A. Algra en H. Algra, Dispereert niet. Twintig eeuwen historie van de Nederlanden. Deel 4. Uitgeverij T. Wever, Franeker 1978 (achtste druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 126]

7. Een florissante eeuwe

Maetsuycker.

Coens beide opvolgers, we zagen het in het vijfde hoofdstuk, betekenden niet veel. Van Diemen was de man, die het werk van zijn beschermer voortzette. De twee landvoogden, die na hem kwamen, hebben ook geen grote daden verricht. Van der Lijn werd er zelfs van beticht, de Compagnie voor grote bedragen te hebben bestolen. Al was dit niet waar, toch is het aan zijn slapheid te wijten, dat een zijner vrienden flinke sommen in de wacht sleepte. ‘In somma, wy beleven, Godt loff, in Batavia een florissante eeuwe’, schreef hij aan zijn gebieders, maar deze vonden zijn bewind niet bepaald florissant en riepen hem terug. Zijn opvolger Reiniersz. ‘heeft geen levens-tyd gehad, om groote zaken te konnen verrichten, behalve dat hij ook door zeker gebrek daar in zeer verhinderd is’, schreef Valentijn. Het enige belangrijke, dat onder zijn bewind voorviel, was de stichting van de Kaapkolonie, waaraan hij echter part noch deel had.

Onder Maetsuycker valt het glorietijdperk van de Compagnie. Dan kunnen we van de ‘florissante eeuwe’ spreken. Geen landvoogd heeft zolang het bewind gevoerd als hij. Op enkele maanden na heeft hij 25 jaren zijn hoge post bekleed.1) ‘De wijste en grootste oppergebieder van Indiën’, noemt Valentijn hem en dat zegt wat. Want de dominee-geschiedschrijver had het met de persoon van Maetsuycker niet bepaald op. Hij verdacht hem n.l. van Jezuitisme. Nu zagen we reeds, dat de Heren XVII geen papisten, bankroetiers en eerlozen naar Indië wensten te laten gaan. De Heren hebben hem dan ook voor zijn vertrek in het stuk van de godsdienst geëxamineerd. Maetsuycker erkende, in de roomse godsdienst te zijn opgevoed, maar die te hebben laten varen. Hij beloofde in Indië belijdenis van de gereformeerde religie te zullen afleggen. Daartoe is het echter nimmer gekomen in de 41 jaar, dat hij er vertoefde. Vandaar dan ook, dat de dominee hem niet vertrouwde en schrijft:

‘En hoewel hem al de verstandigen(!) van Indiën in die tyd voor een volslagen Jesuit gehouden hebben, heeft hij dit

[p. 127]

egter te aller tyd zoo meesterlyk weten te ontveinzen, dat noit iemand hem daaraf heeft konnen overtuigen.’

Dichter bij de waarheid zullen we zijn, als we Maetsuycker rekenen bij de rekkelijken in godsdienstig opzicht.

Ds. Valentijn heeft heel wat over Maetsuycker in Batavia gehoord. En hij kan er smakelijk van vertellen. Zo had de Landvoogd een verrekijker, die hem in staat stelde, om alles te zien, wat er in de kamer der klerken voorviel. Haalde een der pennisten wat uit, dan werd hij dadelijk ter verantwoording geroepen. Zodoende ontstond het praatje, dat de Gouverneur-Generaal toveren kon. Maar een paar kwanten ontdekten de buis en plakten er een papiertje voor. Daarna haalden zij enige dolle streken uit, die ditmaal niet werden ontdekt. De overigen stelden nu vast, ‘dat deze borsten nog beter dan zijn Ed. tooveren konden, dog die borsten droegen wel zorg, dat dit papier er 's avonds af was, waardoor Bestevaer in langen tyd daarna niet bedenken kon, wat er aan zijn kyker scheelde’.

Zo zou hij eens in de Raad van Indië zijn verschenen in een hemd met één mouw. De naaister had vergeten de andere er in te zetten. Het wambuis had open mouwen, zodat het verzuim voor ieder zichtbaar was. Na verloop van de zitting verscheen hij op een receptie, die zijn vrouw voor de dames van Batavia hield, ‘als een wonderlijke Griek (gelijk hij was)’. Nieuwe verbazing! Hare Edelheid vroeg, wat dit moest betekenen, maar toen begon hij uit te varen: of zij zich niet schaamde, ‘om een man, daar gansch Indiën op rustte, te laten loopen, of hij geen hemd aan zyn lyf krygen konde, en zich met een hemd met één mouw, als de oolykste bedelaar behelpen moest; of zij zich zoo weinig aan hem gelegen liet!’

Het baatte niet, dat zij zich verdedigde, dat er genoeg andere hemden geweest waren, hij bleef er bij: zij had hem voor schandaal naar de Raad laten gaan. Valentijn voegt er aan toe, dat de schuldige slavin van haar meesteres wel zo gekregen zal hebben, dat haar baadje aan flarden was!

Johan van Dam, gouverneur van Ambon, had een oogje op een rijke weduwe. Hij zond ze naar Batavia en beval ze zijn vriend, de Gouverneur-Generaal, in diens hoede aan, tot tijd en wijle hij met haar trouwen kon. Maar Maetsuycker, zelf juist weduwnaar, wist het hart van het weeuwtje te winnen en zo vond Van Dam haar al getrouwd, toen hij te Batavia arriveerde.

[p. 128]

Hij schold Maetsuycker uit voor al wat lelijk was. Dit werd de Gouverneur-Generaal overgebracht, maar die was als Gallio en zei: ‘Die man heeft al wat gelijk, laat hem er dat ten minste af hebben, want dat is het dog al; hij zal in het toekomende wel wyzer zijn van weer zijn bruid en zulk een fraai weeuwtje, eenen weduwnaar zoo ernstig aan te bevelen.’

Ware er echter niet meer dan deze en andere anekdoten, die Valentijn van Maetsuycker vertelt, hij zou niet ‘de wyste en grootste oppergebieder van Oost-Indiën’ zijn geworden.

Reeds onder Van Diemen betoonde hij zich een bekwaam jurist, die een groot aandeel had in de samenstelling van de Bataviase Statuten; als diplomaat had hij ook grote gaven. Meermalen werd hij er op uitgezonden, om met grillige Oosterse vorsten te onderhandelen.

Als Gouverneur-Generaal had hij het geluk bekwame medewerkers te vinden, onder wie Speelman en Van Goens uitblonken.

Ceylon.

Allereerst wenden we ons weer naar Ceylon. We zagen, dat onder Van Diemen het Zuiden van dat eiland met de helft van de kaneellanden in onze handen bleef, toen de wapenstilstand in Indië van kracht werd. In 1652 brak de oorlog weer uit. De Portugezen heroverden Brazilië op de Westindische Compagnie. Maar tegenover dit verlies van haar zuster stond een groot voordeel voor de Oostindische Compagnie.

Een lid van de Raad van Indië merkte op, dat het garnizoen ter stede extra talrijk was. Er konden best een paar duizend man gemist worden, om iets groots te ondernemen. Daarom werd er besloten, de Portugezen op Ceylon en in Voor-Indië aan te vallen.

De eerste expeditie ging naar Colombo, de grote Portugese vesting op Ceylon. De ‘keyser’ van Ceylon beloofde zijn medewerking. De 12de mei 1656 gaven de Portugezen de stad aan de Compagnie over, die ze liet bezetten en de radja er buiten hield. ‘Hij vertrouwde ons beter, dan wij hem’, schreef Pieter van Dam, de historieschrijver van de Compagnie. De leiding van de zaken kwam in handen van Rijklof van Goens, die in de volgende jaren vrijwel heel Ceylon veroverde en tevens de westkust van Voor-Indië. Toen in 1661 de vrede met Portugal tot stand kwam, had dit land van zijn vroeger zo groot bezit in het Oosten slechts een paar havensteden in Voor-Indië, de helft van Timor en de stad Macao in China over.

[p. *25]



illustratie

40. Jan van Riebeeck, naar een schilderij van Dirck Craey (Rijksmuseum, A'dam).




illustratie

41. Maria de Queillerie, echtgenote van Jan van Riebeeck, naar een schilderij van Dirck Craey (Rijksmuseum, A'dam).




illustratie

42. De landing van Jan van Riebeeck aan de Kaap, 1652. Dit schilderij, eigendom van de Zuidafrikaanse Bibliotheek te Kaapstad, toont Van Riebeecks eerste ontmoeting met de Boesmans (Bosjesmannen), de oorspronkelijke bewoners van het land. Op de achtergrond Duivelspiek. (Foto Dep. van Inl., Pretoria).


[p. *26]



illustratie

43 De Wolvendaalse Kerk te Colombo, voor en na de restauratie, in 1969 uitgevoerd initiatief van de Stichting C.N.O. (Cultuurgeschiedenis van de Nederlanders Overzee). Zie pag. 129 en 130.




illustratie

43 De Wolvendaalse Kerk te Colombo, voor en na de restauratie, in 1969 uitgevoerd initiatief van de Stichting C.N.O. (Cultuurgeschiedenis van de Nederlanders Overzee). Zie pag. 129 en 130.


[p. *27]



illustratie

44. De fraai gerestaureerde voorgevel van de Wolvendaalse Kerk te Colombo (Foto Stichting C.N.O.).




illustratie

45. Interieur van de Wolvendaalse Kerk te Colombo na de restauratie. In het midden de regeringsbank met daarvoor zes Compagniesstoelen; links de lezenaar met opengeslagen Statenbijbel. (Foto C.N.O.).


[p. *28-*29]



illustratie

46. Het scheepgaan van Compagniestroepen bij de Montelbaenstoren te Amsterdam. De manschappen worden op kleine schuiten naar het IJ geboomd, waar de oorlogsschepen gemeerd liggen. Naar een schilderij van Abr. Storck (Rijksmuseum, A'dam).


[p. *30]



illustratie

47. De ‘Salemander’, de bewapende Oostindiëvaarder die in 1641 het bericht van de vrede met Portugal naar Indië bracht. Een model van dit schip bevindt zich in het Rijksmuseum te A'dam.




illustratie

48. De rede van Japara op Java. (Repr. Kon. Inst. v.d. Tropen).


[p. *31]



illustratie

49. Gezicht op Batavia, naar een prent van C. Decker uit W. Schoutens ‘Reistogt naar en door Oost Indien’, deel 2 (Repr. Rijksprentenkabinet, A'dam).




illustratie

50. Het stadhuis van Batavia, de Portugese Stadskerk en de Portugese Buitenkerk, naar een gravure van Fr. Valentijn. Het stadhuis bestaat nog, hoewel het sedert de 17e eeuw enige malen is verbouwd (zie ook afb. 137). De Portugese Stadskerk is in 1808 afgebrand. De Buitenkerk is het enige kerkgebouw uit de Compagniestijd van Batavia dat gespaard bleef.


[p. *32]



illustratie

51. Een originele ‘Compagnieskist’, eigendom van de Stichting C.N.O. (Cultuurgeshiedenis van de Nederlanders Overzee) te Amsterdam. Deze fraaie bergmeubels, die gedurende de 17e en 18e eeuw in vrijwel elk Nederlands woninginterieur in de tropen voorkwamen, zijn ontstaan uit de eenvoudige scheepskisten, waarin zij die in dienst van de Compagnie naar de Oost gingen, hun reisgoed plachten mee te nemen. Grote aantallen van het hier afgebeelde type werden later vervaardigd in de werkplaatsen der Compagnie te Batavia, nog later geïmiteerd door ondernemende, veelal Chinese meubelmakers.


[p. 129]

Van Goens werd gouverneur van Ceylon en had grote plannen. Men kon spreken van het probleem van Ceylon. Van Goens wilde ook het binnenland van Ceylon onderwerpen, evenals de vorsten van Voor-Indië. Kortom hij wilde een Voorindische staat stichten met Ceylon als centrum.

Heftige correspondentie is over deze zaak met de Heren te Batavia gevoerd. Van Goens voelde zich sterk, doordat de Heren XVII hem aanvankelijk steunden. Totdat zij ontdekten, dat het systeem van Van Goens nog al duur was. Want het eiste veel forten en sterke garnizoenen. Feitelijk wilde Van Goens Ceylon maken tot het Indische centrum in de plaats van Java. Het was een ‘beknopt eylandt’, gelegen in het gebied, waar de Compagnie handel dreef, waarom sommige schrijvers het de navel van Indië hebben genoemd.

Pieter van Dam zegt, wat het eigenlijke verschil was. De plannen van Van Goens waren het ‘werck van een groot en ambitieus koninck, en niet van koopluyden, die alleen op haar gewin sien’.

Daarom veroordeelt Pieter van Dam het werk van Van Goens en was hij het met zijn meesters eens, dat het werk van de Compagnie moest blijven het werk van kooplieden. Dáárom is tenslotte VoorIndië geen Nederlands gebied geworden.

Maar Ceylon is toch anderhalve eeuw Nederlands bezit geweest en Colombo was een Nederlandse stad.

De Wolvendaalse kerk.

Wanneer men op de mailboot de havens van Colombo naderde, zag men reeds van verre de Wolvendaalse kerk verrijzen, ‘alsof ze er trots op was, dat ze zo'n overheersende plaats inneemt’. En bijna zonder uitzondering maakten de Nederlandse passagiers van het korte oponthoud in de haven van Colombo gebruik, om een bezoek te brengen aan de kerk der vaderen. Want de Wolvendaalse kerk, die eens als baken voor de zeelui dienst deed, is door de Nederlanders tijdens hun bewind gebouwd.

De bezoeker werd met eerbied vervuld, wanneer hij stond in dit oude bedehuis, met zijn geweldige bogen, zijn kristallen luchters, zijn echt oud-Hollandse preekstoel, de eenvoudige doch stijlvolle banken. Nog staat er de rijkversierde gouverneursbank. Op de lezenaar ligt opengeslagen de Statenbijbel, rijk met platen verlucht.

Men wandelde op de graven. Men las op de grafzerken de namen van Jacomine Rosegaard en Esther de Sollemne, de vrouwen met wie Rijklof van Goens achtereenvolgens is getrouwd geweest. Het

[p. 130]

archief van de kerk bestaat uit 86 delen, waaronder tal van trouwen doopregisters, minuut- en brievenboeken.

‘Ende dese steen, dien ick tot een opgerecht teecken geset hebbe, sal een huys Godts wesen.’

Dit was de inwijdingstekst van de Wolvendaalse kerk. Dit gebouw is voor elke Nederlander, die het betreedt, ‘een opgerecht teecken’, een teken ‘van vroomheid en moed’ der vaderen.

Nederlandse invloed.

Het was de enige kerk niet op Ceylon. Nog staan er drie oud-Hollandse bedehuizen, maar er zijn er meer dan 100 geweest.

Evenals op Formosa heeft de Compagnie geijverd voor de uitbreiding van het Christendom op Ceylon. Er zijn tijden geweest, dat de scholen, in deze kwartieren opgericht, 90.000 leerlingen telden. En het onderwijs, we zagen het, werd in de eerste plaats gebruikt, om ‘de jeucht de vreese des Heeren in te prenten’.

Te Colombo en ook een tijd lang te Jaffna bestond een seminarium voor inheemse predikanten. In 1723 telde de Gereformeerde Kerk op Ceylon 235.908 leden!

Overal op Ceylon en de kusten van Voor-Indië treft men de herinneringen aan de Compagnie aan. Kerkgebouwen, ruïnes, oude poorten met het compagnieswapen er op en niet het minst de zerken, die de eeuwen hebben verduurd. De oud-kolonel der genie F. Dekker heeft een serie artikelen geschreven in het maandblad van het Alg. Nederlands Verbond. Deze artikelen zijn later gebundeld en uitgegeven onder de titel: Voortrekkers van Oud-Nederland. Hij deelt daarin heel wat mee over de ‘stoffelijke overblijfselen’ uit de compagniestijd in deze streken. Verschillende grafstenen worden er in beschreven. Er zijn er bij met heel eigenaardige opschriften, b.v. in Voor-Indië.

Catharina van den Briel en haar verloofde Johannes Kruyff overleden in 1678 vlak na elkaar. Eén zerk dekt hun graf met het volgende gedicht:

 
Een vrijer en een maegd bedeckt deese eene steen;
 
Haer beider meening was van twee te worden één,
 
Maar de overwrede Dood belette het vergaren;
 
Eerst gaf den Briel het op, en doe wierd Kruyff een lijk.
 
Haer lyven rotten hier, maer in des hemels rijck
 
Zal God de zielen van de twee gelieven paren.
[p. 131]

Erger maakten het de vrienden van Frederik Braun, die op hoge leeftijd stierf. Op zijn zerk staat te lezen:

 
Den ongelukkigen en ouden Frederik
 
Rust onder dese Zarck en wordt tot stof en slik.
 
Hij was een drollig man en vol van snaakse kuren,
 
Hier in de wandeling geheten Vader Frits.
 
De dood ontsag hem niet, maar nam een pijl seer spits
 
En ging zijn lijf in d'aard, syn siel naar boven sturen.

Maar niet alleen bij de doden is de herinnering aan het Nederlandse tijdperk te vinden. In Colombo bestaat de ‘Dutch Burgher Union’. Ieder volwassene van Nederlandse afkomst en onbesproken levensgedrag is verkiesbaar tot lid van deze Unie. Doel is het verlevendigen en in stand houden van zegenrijke en nuttige gebruiken onder de leden en het bevorderen van de studie der Nederlandse taal onder hen. Een bibliotheek is opgericht, waarin ook de beste producten der Nederlandse letterkunde werden opgenomen. Het ‘eerste nuttige en zegenrijke gebruik’, dat werd hersteld, was de viering van het Sint-Nicolaasfeest. De vereniging geeft een tijdschrift uit, dat zeer lezenswaardige artikelen bevat. De namen der Dutch Burghers spreken voor zichzelf: Albrecht, Aldons, Altendorf, Andree, Anthonisz., Arndt, Bartholomeusz., Beling, Blaze, Beeckmeyer, De Boer, De Breard, Brohier, Van Buren, Buultjens, Caspersz., Christoffelsz., Claasz., Claessen, Van Cuylenburg, Daniëls, Deutrom, Van Dort, Drieberg, Ebert, Ernst, Felsinger, Foenander, Fryer, Van Geyzel, Gratiaen, Grenier, De Heer, De Hoedt, Huybertsz., Honter, Van Houten, Jan, Jansen, Jansz., De Jong, Jonklaas, Joseph, Keegel, Kelaart, Keller, Keuneman, Koch, Koelmeyer, Kriekenbeek, De Kretser, La Brooy, Van Langenberg, Leembruggen, Lourens, Loos, Ludekens, Ludovici, Mack, Maartensz., Meurling, Meyer, Meyners, Modder, Nell, De Niese, Ohlmus, Oorloff, Paulusz., Piachaud, Potger, Poulier, Prins, Raffel, Reimers, Rode, Roelofsz., Roosmale, De Rooy, Van der Smaght, Spaar, Siebel, Speldeweinde, Spittel, Stor, Van der Straaten, Toissant, Van Twest, Vollenhoven, De Vos, Van der Wall, De Waas, Wambeek, Wendt, Werkweister, Wittensleger, Woutersz., Van Zijl.

Makassar.

Van Goens was de man, die op Ceylon en Voor-Indië het Nederlandse gezag definitief vestigde en de Portugese concurrent voor-

[p. 132]

goed onschadelijk maakte. In de Archipel was het Speelman, die de autoriteit van de Compagnie belangrijk versterkte. De sultan van Makassar was geen vriend van de Nederlanders. Het monopolie in de Molukken ergerde hem niet weinig. Omgekeerd beschuldigden de onzen de Makassaren van zeeroof.

Engelsen en Portugezen kochten te Makassar geregeld specerijen, die uit de Molukken werden gesmokkeld. Op de klachten van de Regering te Batavia antwoordde de sultan, dat God de wereld geschapen had, opdat alle mensen daarvan het genot zouden hebben. De Hollanders moesten niet menen, dat God de eilanden, zover van hun land gelegen, alleen voor hun handel had gereserveerd. Niet kwaad gezegd. Maar de Heren in Batavia hielden zich met het natuurrecht niet op, als het ging om handelsbelangen. Sedert 1616 leefden zij voortdurend op voet van oorlog met Makassar. Onder Maetsuycker werd het echter menens. In 1665 was weer een Nederlands schip, dat op de Makassaarse kust was gestrand, beroofd. Vijftien leden van de bemanning werden daarbij vermoord.

Een grote expeditie werd nu uitgerust. Het bevel werd opgedragen aan Speelman, die in 1666 uit Batavia vertrok. Hij regelde eerst de zaken in de Molukken en tastte toen de vijand aan. Steun ontving hij van de vorst van Boni, Aroe Palakka, een doodsvijand van de sultan van Makassar, die voor zijn ogen heel zijn familie had vermoord.

De Makassaar dacht er af te komen met een paar zakjes goud voor de vermoorde leden van de bemanning van het beroofde schip. Maar zo kon volgens Speelman het Nederlandse bloed niet worden vergoed. Hassan Oedin had zich te onderwerpen. Natuurlijk dacht deze er niet aan en nu ontstond een verbitterde strijd. Speelman had slechts 600 soldaten, maar de hulptroepen van Aroe Palakka en andere inlandse vorsten vormden een gewaardeerde hulp. Hassan Oedin moest het aanzien, dat sterkte na sterkte viel en tenslotte bleek hij bereid tot onderhandelen. Bij het vredesverdrag van Bongaai werd de 13de november 1667 bepaald, dat Engelsen en Portugezen uit Makassar zouden worden verwijderd, de Compagnie het recht van alleenhandel te Makassar kreeg en de sultan 400.000 rijksdaalders oorlogsschatting zou betalen. Groot was de vreugde te Batavia. De Gouverneur-Generaal en de leden van de Raad van Indië gingen met hun gemalinnen(!) na het avondeten een wandeling door de feestelijk verlichte stad maken. Onderweg dronken ze voor of in de huizen van de voornaamste bur-

[p. 133]

gers ‘een roemer’ op de gelukkige afloop van de expeditie. Eerst tegen de morgen arriveerde het gezelschap weer in het kasteel. Er zal wel eens een bij geweest zijn, die niet al te stevig meer op zijn benen stond.

Hassan Oedin hield zijn woord niet. Een jaar later was het al weer hommeles, maar nu werd hem Makassar eenvoudig afgenomen. Hij behield slechts een onbetekenend rijkje. In de stad Makassar bouwde Speelman een kasteel, dat hij naar zijn geboortestad Rotterdam noemde. Het staat er nog. In deze zelfde tijd verdwenen de Spanjaarden uit Noord-Celebes, de Molukken en van de Sanghi-eilanden, zodat ook deze concurrenten voortaan onschadelijk waren.

Java.

Na de verovering van Malaka in 1641 verwachtte Van Diemen - we zagen het in het vijfde hoofdstuk - dat de sultan van Mataram het hoofd in de schoot zou leggen. Hij kreeg gelijk, al duurde het langer dan hij gedacht had. In 1645 stierf Van Diemen en in hetzelfde jaar overleed ook Soenan Ageng, de grote vijand van de Compagnie. Zijn zoon en opvolger Amangkoerat I sloot reeds het volgende jaar vrede met de Compagnie. De gevangenen werden losgelaten. Velen hadden jaren in Mataram doorgebracht.

Amangkoerat was overigens een rare potentaat. Er waren wel meer grillige despoten geweest, maar deze Amangkoerat sloeg hen met vele bootlengten. Hij richtte een waar bloedbad onder zijn verwanten aan. Ook de Mohammedaanse geestelijken waren niet veilig voor hem. Honderden priesters werden vermoord. Toen de favoriete onder 's keizers vrouwen stierf, liet de onmens honderd van zijn andere vrouwen in een kooi boven haar graf verhongeren. Niemand was veilig voor de tiran. Geregeld dreven in de rivier, die door de kraton liep, lijken van aanzienlijken, op zijn bevel afgemaakt.

Er waren dan ook wel Nederlanders, die er niet veel voor voelden, als gezant naar dit monster te worden afgezonden. Van Goens wist er echter wel raad op. Toen hij er eens heen moest, nam hij een draaiorgeltje mee, dat de vorst voortaan steeds voor zich uit liet dragen. En om hem nog meer in zijn humeur te brengen liet hij twee zijner soldaten goochelen. Een van hen ‘at naer schijn wel ses pond capock en spooch gedurich vuur ende eyndelijck veel gecoleurde linten, naelden, spelden ende gelt uyt syn hals. Dit alles

[p. 134]

behaegde den Sousouhounan soo, dat hij dickmael seer hartelijck daerom lachte’.

Tenslotte raakte de vorst, die verslaafd was aan drank en opium, in een staat van verdwazing. Als een geitenhoeder liep hij met een stok achter een stuk of wat geiten op het kratonplein.

Het Javaanse volk kon veel verdragen, maar eindelijk was de maat vol. Een Madoerese prins, Troenodjojo, wiens hele familie ook het slachtoffer van het Mataramse vorstenhuis was geworden, plantte de vaan van het oproer. Makassaarse vluchtelingen stonden hem bij.

De Compagnie was volgens traktaat verplicht de soenan bij te staan. In het begin waren de Heren te Batavia er niet zo happig op steun te verlenen, maar de toestand werd gevaarlijk, ook voor Batavia. Troenodjojo noemde zich de enige wettige vorst van Java. Van onderhandelingen wilde hij niet weten. ‘Al ware het, dat ik nog zoo moede was, ja mijn handen verloren hadde in den strijd tegen de orang kafir (de ongelovigen, Nederlanders), zoo zoude Taroeno Djojo daarom niet wijken’. (Colenbrander)

Hij behaalde verschillende successen. De oude sultan moest vluchten. Zijn hoofdstad en rijkssieraden, zelfs de hele harem, vielen in handen van de opstandelingen. Troenodjojo tooide zich met de kroon van het oude Modjopahit.

Amangkoerat begaf zich op weg naar Batavia. Onderweg stierf hij dicht bij Tegal. Te Tegalwangi is zijn graf tot op de huidige dag en het wordt als heilig vereerd. Amangkoerat een Sint! Wel een heel rare heilige. Stapel zegt: De grond van zodanige verering is, in het kort samengevat, de overtuiging: goede geesten zijn ons vanzelf gunstig gezind; de boze moeten wij door verering voor ons trachten te winnen.

Amangkoerat II volgde zijn vader op, maar was voorlopig een vorst zonder land, geheel afhankelijk van de Compagnie. Speelman, die ook nu weer de leiding had, liet hem een overeenkomst tekenen, waarbij hij een groot deel van zijn gebied op West-Java aan de Compagnie afstond. Verder verbond hij zich, voor de te betonen hulp alle onkosten te betalen en zolang deze schuld bestaan mocht, verschillende havenplaatsen als pandsteden in handen der Compagnie te stellen. Voorts zou ook in zijn gebied de Compagnie het handelsmonopolie hebben.

Voor de onkosten werd later de stad Semarang met het omliggende land in volle eigendom afgestaan.

Er werd nu aangepakt. Speelman moest naar Batavia terugkeren,

[p. 135]

daar hij benoemd werd tot Directeur-Generaal van de handel. Antonie Hurdt zette zijn taak voort. Troenodjojo werd gevangen genomen. De rijkssieraden werden teruggevonden. De soldaten maakten bovendien een grote buit, zodat ze volgens Valentijn het goud en zilver bij hoedvollen uitdeelden.

Amangkoerat kreeg de kroon zijner vaderen, maar uit handen van Hurdt. Een symbool! Voortaan regeerde de soenan bij de gratie van de Compagnie. Er wordt verteld, dat Tack, een der bekwaamste officieren, voor de aardigheid even de kroon paste. Het is hem duur te staan gekomen. Te Mataram werd hem deze euveldaad niet vergeven en toen men er de kans schoon zag, hebben de dienaren van de soenan hem vermoord. Troenodjojo had zich op belofte van lijfsbehoud overgegeven. Amangkoerat toonde echter een aardje naar zijn vaartje te hebben. Hij doodde met eigen hand de onderworpen prins, toen deze aan het hof verscheen.

Maetsuycker heeft de definitieve overwinning niet meer beleefd. Hij overleed in 1678 en Van Goens volgde hem op. Zijn sporen heeft deze landvoogd verdiend vóór hij landvoogd was. In zijn hoge positie heeft hij niet veel meer uitgericht. Reeds in 1681 vroeg hij ontslag en keerde naar het vaderland terug. Speelman was nu aan de beurt, maar ook hij ‘had te lang moeten wachten op de hoogste post’. Na 2 jaar overleed hij. Onder zijn bewind werd echter nog een belangrijk succes behaald.

Bantam.

Gedurende de hele 17de eeuw stond de Compagnie op gespannen voet met de vorsten van Bantam. Verdragen werden wel gesloten, maar volgens de Compagnie door de Bantammers alleen om ze te kunnen verbreken.

Nu braken echter ook in dit rijk woelingen uit. Vader en zoon stonden tegenover elkaar. De oude sultan, Ageng, kreeg het aan de stok met zijn zoon, die wegens een bedevaart naar Mekka, door de bevolking sultan Hadji werd genoemd. De Compagnie koos partij voor de zoon. De vader sleet zijn verder leven als gevangene te Batavia. Sultan Hadji stond al zijn gebied ten Oosten van de Tjisedane aan de Compagnie af en beloofde zijn havens alleen voor de Nederlanders open te zullen stellen. Ook hier werd het monopolie verkregen. Van de beide, eens zo machtige Javaanse rijken was niets meer te duchten. De sultan van Cheribon onderwierp zich ook aan de Regering te Batavia.

[p. 136]

Het handelsgebied.

Economisch beheerste de Compagnie heel het verre Oosten. Haar kantoor had ze op Decima in Japan. In Indië had ze de voornaamste kusten bezet. Ceylon was in haar handen, evenals Malaka. Met de Chinezen werd handel gedreven, met Siam werden betrekkingen onderhouden. In Perzië verschenen de Nederlanders als graag geziene kooplieden. De kust van Voor-Indië was voor een groot deel in handen van de Compagnie. Suratte was een handelsplaats van betekenis. In Arabië verschenen de schepen van de V.O.C. reeds in het begin van de 17de eeuw. Van den Broecke, de tijdgenoot van Coen, zag er voor het eerst de koffie, ‘een specie van swarte boontjes, daer sy swart water van maken ende warm indrincken’. Later is de cultuur uit deze streken naar Java overgebracht en heeft er millioenen opgeleverd.

De vorst van Bengalen gaf de Nederlanders een vrijbrief, om in zijn land te handelen. Zelfs met de keizer van Abessinië maakte de Compagnie kennis. Gezanten van die vorst verschenen in Batavia tijdens Maetsuycker, later onder het bewind van Johannes Camphuys.

Aan de laatste zond de ‘heerlijke keizer en groote sultan, keizer over den nek der volkeren, de schaduwe Gods, de heerlijkste der groote Vorsten van de Wet van den Messias, hoogste monarch van de Habyssinen, bekleed met het harnas van David, ingedompeld in het water des Doops, gesproten van David en Salomon, de pilaar des geloofs, afkomstig uit de stam van Juda enz. enz.’, een schone groetenis.

Had de keizer vele schone epitheta, de gewezen zilversmidsleerling Johannes Camphuys kwam er ook niet slecht af. De aanhef van de groetenis luidde:

‘Ten andermaal zend ik een groetenis, schoonder als een bloejende lusthof en edeler dan het licht van de Zon, en de volle Maan, wiens aangename reuken geurig, en wiens paden klaar zijn, en wiens opgang aangenaam is by de gene, die is de glorie, de edelste Sulthan van de Sulthans der Hollanderen, en de grootste koning der Koningen van 't land Batavia, den Generaal Jan ......’

Een geschenk van 5 paarden, 20 slaven en 2 struisvogels vergezelden deze groetenis aan de Koning der Koningen van Batavia.

[p. 137]

‘Wilt het niet versmaden, gy zyt de beste van allen, toe wien ik dat kan zenden.’

Van Afrika tot Japan beheerste de Compagnie de zeeën. De vrachtvaart in deze streken was in haar handen. Schatten werden daar verdiend. Het is onjuist te menen, dat de Compagnie bestond van de handel op Europa. Wat de twee vloten, die jaarlijks naar het moederland voeren, meebrachten en wat er op verdiend werd, viel in het niet bij de geweldige omzet in het Oosten.

Leest men het werk van Pieter van Dam met zijn uitgebreide staten na, dan wordt men getroffen door de grote menigte waren, waarin de Compagnie handel dreef. Zij kocht en verkocht: hout, kruidnagelen, muskaatnoten, foelie, peper, kaneel, katoenen en zijden stoffen, pek, kwik, tin, ivoor, galnoten, lak, porcelein, alluin, schildpad, diamanten, parels, damast, naaizijde, indigo, gom, zeep, lijnolie, olifanten...... Van de prijs der laatsten werd zelfs een heel reglement opgemaakt, ‘waarna de elifanten werden verkoft’. Gelet moest worden op de tanden, de grootte en op eventuele gebreken. Geneesmiddelen voor zieke dikhuiden werden per ‘ordre’ voorgeschreven. Op één dag werden er 18 verkocht voor 6.544 rijksdaalders! Ik heb slechts een greep gedaan uit de bonte massa van producten, de hele lijst zou vele bladzijden beslaan.

De Sperwer.

In Korea alleen kwamen de Nederlanders niet. Ze waren er ook niet welkom. Dat ondervonden de mannen van het jacht ‘De Sperwer’, dat in 1653 uitvoer naar Japan. Door storm dreven ze af en strandden op de kust van Korea. Een deel der opvarenden wist de kust te bereiken. Zij werden gevangen genomen en naar de gouverneur gevoerd. Daar troffen zij een man met een lange, rode baard aan. Het bleek een Hollander te zijn. Sedert 1626 vertoefde hij in dit land. Hij kon eerst nauwelijks zijn moedertaal spreken, maar toen hij zich wat geoefend had, ging het vrij spoedig weer aardig vlot. Hij heette Jan Jansz. Weltevree, was afkomstig uit De Rijp en was 27 jaar geleden ook op de kust van Korea terecht gekomen. Wat hij vertelde gaf de schepelingen niet veel moed. Uit Korea werd nooit ofte nimmer een vreemdeling weer losgelaten. Zelf had hij het vaak gevraagd, maar steeds vergeefs. Zes van de Sperwermannen wisten een bootje te bemachtigen en trachtten naar Japan te ontvluchten. Het bekwam hun slecht. Zij werden gepakt en naar de gouverneur gebracht; deze onderzocht de zaak ‘en dede haer ieder met een stock, omtrent een vadem langh, on-

[p. 138]

der een hant breet en een vinger dick, 25 slagen op haer naeckte billen geven, waerdoor sy bijna een maant de kooy hadden moeten houden’. Erg best hadden ze het in Korea ook niet. Vaak moesten zij met bedelen aan de kost komen. Eerst in 1666 gelukte het 6 mannen weer een bootje te bemachtigen. Deze keer slaagde de ontvluchting. Zij wisten Decima te bereiken, waar hun komst een grote opschudding verwekte.

Door tussenkomst van de Japanse regering werden enkele jaren later ook de overige gevangenen losgelaten, op één na, de kok Jan Claesz. van Dordt. Deze was in Korea getrouwd en wilde er blijven. Hij ‘gaf voor, geen hair aen zijn lijff meer te hebben, dat na een Christen of Nederlander geleek’ (noot van Stapel bij Pieter van Dam).

In dit ongastvrij oord waagde de Compagnie zich niet, maar overigens moest het al een heel ontoegankelijk gebied zijn, opende zij er niet haar kantoren.

Camphuys.

Speelman stierf in 1684. De keuze van zijn opvolger was heel vermakelijk. De leden van de Raad van Indië, die de voorlopige Gouverneur-Generaal mochten aanwijzen, waren, mag men Valentijn geloven, vrijwel allen op het baantje gebrand. Daar zij hun stem niet aan een ernstige candidaat wilden geven, omdat hun stem dan de beslissing kon brengen, brachten zij hem uit op Camphuys, ‘gissende, dat niemand anders hem die geven zou’. Omdat ze echter, zonder het van elkander te weten, voor het merendeel zo ‘slim’ waren, kreeg Camphuys de meerderheid. En hij nam de benoeming aan. Men kan begrijpen, hoe de ‘ernstige candidaten’ op hun neus keken. Camphuys was niet erg in tel. Maar eenmaal Landvoogd, toonde hij, dat hij er wezen kon. De Heren XVII approbeerden de benoeming en zo moesten de leden van de Raad zich wel bij hun eigen keuze neerleggen. Wel probeerden ze het hun oud-collega lastig te maken en een van hen durfde zelfs te zeggen: ‘Hebben wij u Opperlandvoogd van Indiën gemaakt, wij konnen u dat wel weer afmaken, en u afzetten.’

Waarop Camphuys antwoordde: ‘Hebben de Heeren zoo groote magt, om my te konnen afzetten, dan valt hier voor my niet meer te doen, en ik wensche de Heeren goede dag.’

Hij regeerde nu eenvoudig zonder de Raad, totdat de leden zoete broodjes bakten.

[p. 139]

De tijd van de grote ondernemingen was voorbij. Camphuys was geen vechtjas als Van Goens en Speelman. Maar hij was koopman en dat stond de Heren in het vaderland wel aan. Onder zijn bestier kwam het voor, dat er weer flinke winsten werden gemaakt, in 1690 en 1691 respectievelijk 1½ en 2 millioen. Het dividend steeg tot 40 %!

Verder was Camphuys een geleerde. Hij verzamelde vele curiositeiten, stelde een geschiedenis over de stichting van Batavia samen en steunde allerlei wetenschappelijke uitgaven, zoals het onovertroffen werk van Rumphius over de fauna en flora van Ambon.

Al gaf de keizer van Abessinië hem nog zulke hoge titels, hij bleef een heel eenvoudig en beminnelijk man. In zijn jeugd was hij zilversmidsknecht geweest. Als Gouverneur-Generaal bestelde hij bij zijn vroegere baas enig tafelgerei. De zilversmid hoorde vreemd op, dat zijn vroegere knecht oppergebieder in Indië was geworden, en zei: ‘Het is verre gebragt; maar hij heeft die top van eere door zijn zilversmidshamer echter niet bereikt en ik zie nu wel, hoewel te laat voor mij, dat men door de pen veel verder dan door dien hamer geraken kan.’

In 1691 legde hij zijn ambt neer en gaf de sleutels over aan zijn opvolger met de opmerking, dat zij zwaar waren. Het antwoord luidde: ‘'t Is na men daar aan tild.’

De woorden zijn karakteristiek. Zij luiden een nieuw tijdperk in: dat van voldaanheid, van slapte. De Compagnie begint, zegt Stapel, het beeld te vertonen van de welgedane burger met lange pijp en embonpoint.

Camphuys bleef in Indië en stierf er in 1695. Op de penning, bij zijn begrafenis uitgereikt (een gewoonte in die tijd), stond volgens zijn eigen begeerte:

 
Mijn aardze Camphuys was vergaan,
 
Mijn Tabernakel kon niet staan;
 
Doch ik zag op een vast gebouw,
 
Dat eeuwig zijn, en duuren zou,
 
Een plaats, door Jesus toegezeit,
 
En in zijn's Vaders huis bereid.
 
Welzalig is dien man zijn lot,
 
Die heeft een timmering by God.

Wij hebben de geschiedenis van de Nederlanders in het verre Oosten in de 17de eeuw nagegaan. Het waren geen heiligen. Er is menige zwarte bladzijde in deze historie, maar wij zien met be-

[p. 140]

wondering op naar mannen als Coen, Maetsuycker, Van Diemen, Speelman, Van Goens, Camphuys en zo vele anderen, die in de gouden eeuw, duizenden mijlen van het vaderland, waarlijk groot zijn geweest. Zij hebben getoond, dat een klein volk tot iets groots in staat is, mits het weet van geloven en strijden, van bidden en werken.