|
|
|
| |
| | | |
Liederen des gebeds.
XX.
Eerste lied. Wijze, Ps.
Monarch der schepping! eenig God!
Wij brengen, op uw Zoons gebod,
U 't reukwerk der gebeden.
Gij geeft, als Vader, in dien Zoon
Ons 't kinder-regt, om tot Uw troon
Vertrouwend toe te treden.
Door U, die 't Niet te voorschijn riep,
Wiens adem ons tot menschen schiep,
Zijn wij op nieuw geboren.
Gij naamt ons op in uw verbond;
En wilt, uit onzen zwakken mond,
Het: abba, vader! hooren.
| | | |
Wat is de naam van Vader zoet
Voor hem, die, met een stil gemoed
Die U, als 't regtgeäarte kind,
Uit liefde vreest, en blijdschap vindt
In 't houden van uw wetten!
Wat mag men van een God, zo rijk,
En zo mildadig te gelijk,
Naar ziel en ligchaam vragen!
Gij, Vader! geeft van goeder hart.
Uw liefde leert, in vreugd en smart,
Ons 't juk des levens dragen.
Waarheen wij ook onz' oogen slaan,
Daar straalt uw majesteit ons aan,
Al wat uw wil heeft voordgebragt,
Getuigt, dat wijsheid, liefd' en magt
Zig in de schepping paarden.
Wij loven U, als onzen. God;
Den onderhouder van ons lot;
Wij zijn uw maaksel; Gij ons deel;
Wij geven ons aan U geheel;
| | | |
De hemel is en blijft uw troon.
Uw voetbank werdt den mensch ten woon
Hier wilt Gij, dat w' in nedrigheid,
Terwijl uw Zoon ons plaats bereidt,
U met vertrouwen vreezen;
Voor God en mensch in ootmoed staan;
Uw werken biddend gadeslaan;
Maar op een' aarde, die vergaat,
Geen rijkdom, eer of hoogen staat,
|
|
|