|
|
|
| |
XXVII.
Lied der hulde. Wijze, Ps. CI.
A.
Groote Koning van 't Heel-al!
Troonen neigen tot den val;
Maar uw eeuwig koningrijk
Blijft bestendig U gelijk.
Noch beangstigd, noch vermetel,
Eeren wij, gebukt in 't stof,
Gandsch aanbidding, louter lof,
| | | |
Leef, o Koning, en regeer!
Alles buig' zig voor U neêr!
Aller blijdschap, aller roem
Zij, dat men U koning noem.
Nimmer moet de lust ontbranden,
Om uw hooge heerschappij,
Onbezonnen aan te randen.
Ach! dat aard' en hemel kniel!
Zijn vergrijp voor U beleed,
En uw scepter hulde deed!
Alles moet' U eeren, vreezen!
Liefde breng vertrouwen voord!
Maar, wat ooit de rust verstoort,
't Rijk zal eeuwig 't Uwe wezen.
| |
| | | |
B.
Wijze, Ps. LXXXVII.
Bij U is kragt! Bij U, mijn God! is leven.
Wat was en is, blijft enkel door uw magt.
Vraagt aan 't heel-al: wie is uw levenskragt?
En 't zal U; God alleen! ten antwoord geven.
Waar 't wormpje kruipt; daar moet men U verhogen.
De Seraf zelf, die voor uw troon mag staan,
Is maar een beek uit uwen Oceaan:
Gij geeft; zij stroomt! Gij neemt; zij moet verdrogen.
Aanbidt, mijn ziel! de sterke zal u dragen.
Rust bij die bron! ga heen in deez' uw kragt!
Uw zijn, en 't heil, dat gij in Jesus wagt,
Staan op de rots van 't magtig welbehagen.
| |
C.
Wijze, Ps. LXXI.
In U alleen, mijn God! is luister.
Bij 't ongenaakbaar licht,
Waar Gij Uw wooning stigt,
Zijn starren dof; en zonnen duister.
Geen schepsel, hoe verheven,
| | | |
Gij moet alleen die huld' ontvangen.
Beantwoord, Vader! ons verlangen;
En laat uw zagte straalen,
Dan zien wij, blinden, reeds op aarde
Dan krijgt de hemel grooter waarde.
Dan zullen w' eeuwigheden
| |
D.
Wijze, Ps. CXXXVI.
Eeuwig is, o God! uw rijk.
Die, met magt en majesteit,
Heerschen zal in eeuwigheid.
| | | |
Eeuwig is, o God! uw Naam.
Looft, verlosten! looft Hem t'saam!
Die, met magt en majesteit,
Vader blijft in eeuwigheid.
Looft Hem, die U Jesus gaf;
U eens oproept uit het graf;
En, met magt en majesteit,
't Leven geeft in eeuwigheid.
Looft Hem, zalig geestendom!
Looft Hem eeuwig en alom?
Hem, wiens magt en majesteit
Uw bestraalt in eeuwigheid.
Looft Hem, onbegrensd Heel-al!
Waar Hij eeuwig heerschen zal,
Die, met magt en majesteit,
Schepper blijft in eeuwigheid.
|
|
|