terug  begin  verderprepost

Bolhuis, L. van

Bolhuis, Lambertus van *Groningen 20 november 1741; † Groningen 16 augustus 1826, predikant-taalkundige en dialectoloog

 



illustratie

Lambertus van Bolhuis studeerde theologie aan de universiteit in zijn geboorteplaats en was vanaf 1766 hervormd predikant in een aantal plaatsen in het noorden des lands. Van 1786 tot en met 1823 was zijn standplaats Groningen. Als erudiet kanselheer was hij op velerlei gebied actief, onder meer als editeur van een beknopte spraakkunst van de overleden onderwijzer Klaas Stijl (1724-1774), en als schrijver van een eigen grammatica. In 1780 werd hij lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Hij was een van de oprichters van de Kweekschool voor onderwijzers te Groningen (1797). Gedurende enige jaren trad hij op als docent voor Groningse studenten. Zoals Siegenbeek memoreerde, gaf Van Bolhuis ‘door zucht voor de eer der vaderlandsche taal gedreven, aan onderscheidene kweekelingen der Hoogeschool in dezelve onderwijs, 't welk hij later aan zijnen vriend den Hoogleeraar ruardi overliet, die, op zijne aansporing, opzettelijk daartoe ingerigte lessen hield’, aldus Siegenbeek. Deze Johannes Ruardi (1746-1815), hoogleraar klassieke talen te Groningen, verzorgde waarschijnlijk vanaf 1795 een ‘Dicteer-Collegie over de Nederduitsche Taal’. In 1809 werd Van Bolhuis nog corresponderend lid van de Tweede Klasse van het Koninklijk Nederlands Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten, de voorloper van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen.

Ontwikkeling en karakterisering

Van Bolhuis heeft zich op taalkundig gebied in eerste instantie verdienstelijk gemaakt door in 1776 een uitgave te bezorgen van een beknopte spraakkunst van Klaas Stijl, onder de titel Beknopte aanleiding tot de kennis der spelling, spraakdeelen, en zinteekenen van de Nederduitsche taal; ten dienste van mingevorderden, naar den nieuweren smaak, ter uitgave opgesteld door Klaas Stijl, na des schrijvers tusscheninvallenden dood uitgegeven, aangeprezen in eene Voorrede, en voor de helft vermeerderd met bijgevoegde aanmerkingen, die den weg openen tot dieper en uitgestrekter onderzoek, door Lambertus van Bolhuis [...]. Dit werk werd herdrukt in 1778, 1787 en 1802.

Bolhuis' uitgave van de spraakkunst van Stijl is vooral interessant vanwege de talrijke geleerde annotaties, die laten zien dat Van Bolhuis grondig studie had gemaakt van hetgeen er op het gebied van de Nederlandse taalkunde was verschenen. Verder geeft Van Bolhuis ook een groot aantal dialectologische waarnemingen inzake het Gronings. Zijn excursies op dit gebied zijn weliswaar fragmentarisch, maar in principe toch systematisch en zuiver. Aan de Beknopte aanleiding voegde Van Bolhuis ook een aanhangsel toe, namelijk een verhandeling over de ‘geslachten der zelfstandige naamwoorden’ en een steeds uitgebreide ‘Geslachtlijst’, die gebaseerd was op het werk van Lambert ten Kate (1674-1731) en op de bekende geslachtslijst van David van Hoogstraten (1658-1724) in de opeenvolgende edities van Adriaan Kluit (1735-1807).

Na zijn verkiezing tot lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden in 1780 - hij werd voorgedragen als ‘eenen Taalkundigen, die zich reeds eenigen roem verworven heeft, door deszelfs aanteekeningen op de Spraakkunst van R. [sic] Stijl’ - leverde hij enkele jaren later, in 1783, een lijstje met Groninger dialectwoorden, waarschijnlijk bedoeld als bijdrage aan het woordenboek van de Maatschappij, die hem met het lidmaatschap had geëerd. In de eerste decennia van haar bestaan namelijk had de Maatschappij, opgericht in 1766, nogal wat dialectmateriaal bijeengebracht ten behoeve van een belangrijk project, te weten de samenstelling van een ‘Algemeen Omschrijvend Woordenboek der Nederduitsche Taal’. In dat verband waren ook de streektaalvormen van belang. ‘Hopende de Maatschappij’, aldus de Handelingen van 1778, ‘met den tijd, van ieder onzer Provintien, een Idioticon te verzamelen, zoo volkomen, als het door de samenwerkende poogingen van de Taalkundige Leden onzer Maatschappye, zal kunnen gemaakt worden.’

In 1793 publiceerde Van Bolhuis een Beknopte Nederduitsche Spraakkunst, als antwoord op een ten tweede male door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen uitgeschreven prijsvraag inzake ‘een beknopte en telkens met voorbeelden opgehelderde, Nederduitsche Spraakkunst’. Het boekje, met ‘de gouden eerprijs bekroond’, werd in 1799, 1803 en 1804 herdrukt.

Deze spraakkunst was in eerste instantie bedoeld voor de onderwijzer. Het boek is vooral een handzame normatieve schrijftaalgrammatica van zo'n honderd bladzijden. Het startpunt is niet de spelling, zoals bij Stijl, maar het ‘verstaan’ van ‘wat een ander meent’; vandaar komt Van Bolhuis uit bij onderdelen als lezen, het begrijpen van de zin der woorden, en het spreken en schrijven. De spraakkunst heeft verder grotendeels een klassieke opbouw: letters, klanken, woordsoorten, en bevat in feite geen zinsleer. Er wordt ingegaan op de betekenis en in het laatste gedeelte wordt veel aandacht besteed aan spelling en interpunctie als onderdelen van het schrijven.

Ten onrechte werd aan Van Bolhuis ook wel het auteurschap van een eveneens door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen uitgegeven Grammatica (1814) en een Syntaxis (1810) toegeschreven. Deze werken zijn echter samengesteld door de Leidse hoogleraar Matthijs Siegenbeek (1774-1854).

Invloed

Op grond van het gegeven dat de spraakkunsten van Stijl en Van Bolhuis meerdere malen herdrukt zijn, mag men aannemen dat ze in ruime kring bekend zijn geweest. Met regelmaat wordt door tijdgenoten in positieve zin naar de werken van Stijl en Van Bolhuis verwezen. Een contemporain recensent karakteriseerde in 1804 de spraakkunst van Van Bolhuis als ‘het beste en volkomenste voorzeker, 't welk wij in dit vak bezitten’.

De Beknopte Nederduitsche Spraakkunst werd ook gebruikt bij het academisch onderwijs in de Nederlandse taalkunde dat Everwinus Wassenbergh (1742-1826) vanaf 1797 aan de universiteit van Franeker heeft verzorgd. Het decreet ‘tot herstel der Academie’ te Franeker van 9 juni 1797 had bepaald dat Wassenbergh naast zijn oorspronkelijke opdracht als hoogleraar Grieks ook als hoogleraar ‘in de Nederduitsche Taalkunde’ werkzaam zou zijn; Van Bolhuis' spraakkunst fungeerde in de colleges als tekstboek. Zo heeft het werk van ‘dezen logicistischen verlichtingsmensch’, zoals H.J. de Vos dominee Van Bolhuis ooit karakteriseerde, ook onder studenten de nodige bekendheid gehad.

 

Jan Noordegraaf
[november 2003]

Voornaamste geschriften

Beknopte aanleiding tot de kennis der spelling, spraakdeelen, en zinteekenen van de Nederduitsche taal; ten dienste van mingevorderden, naar den nieuweren smaak, ter uitgave opgesteld door Klaas Stijl, na des schrijvers tusscheninvallenden dood uitgegeven, aangeprezen in eene Voorrede, en voor de helft vermeerderd met bijgevoegde aanmerkingen, die den weg openen tot dieper en uitgestrekter onderzoek, door Lambertus van Bolhuis [...]. Groningen: J. Oomkens, 1776. (Herdrukken in 1778, 1787, 1802).
‘1e Verzameling van Groninger-landsche Woorden welke men in de gemeene landstale van Groningen, en deszelfs omliggende Landen gebruikt, en die in Halma's Woordenboek niet voorkomen, door Lambertus van Bolhuis, Predikant te Oostwold in den Oldambte, overgegeven aan de Maatschappy der Nederl. Letterk. te Leyden [...] d. 28 Mai 1783’. Ms., 1783. Gedrukt als bijlage bij Heeroma 1967, 126-130.
Beknopte Nederduitsche Spraakkunst opgesteld door Lambertus van Bolhuis, predikant te Groningen en lid van de Leydsche Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde; in het jaar 1792. Met den gouden eerprijs bekroond; en uitgegeven door de Maatschappij tot 't Nut van 't Algemeen. Leiden, Deventer & Groningen: Du Mortier, De Lange & Oomkens, 1793. (Herdrukken in 1799, 1803, 1804).

Belangrijkste secundaire literatuur

Matthijs Siegenbeek: ‘Lambertus van Bolhuis’. In: Handelingen van de jaarlijksche vergadering der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leyden, 1827, p. 4-11.
H.J. de Vos: Moedertaalonderwijs in de Nederlanden. Twee delen. Turnhout, 1939.
K. Heeroma: ‘Lambertus van Bolhuis als 18de-eeuws Groninger dialectoloog’. In: Driemaandelijkse bladen. N.S. 19 (1967), p. 98-130.
Cita Gemser-Jurna: Het Nut en het moedertaal-onderwijs. Doctoraalscriptie Nederlandse Taalkunde, Vrije Universiteit Amsterdam. Ongepubl., Amsterdam 1983.
Jan Noordegraaf: Norm, geest en geschiedenis. Nederlandse taalkunde in de negentiende eeuw. Dordrecht & Cinnaminson, 1985.

Locatie archief

niet bekend

Locatie brievencollecties

zie CEN

prepostterug  begin  verder