terug  begin  verderprepost

Brom, G.B.

Brom, Gerardus Bartholomeus *17 april 1882 Utrecht; † 30 november 1959 Nijmegen, literatuurwetenschapper, kunst- en cultuurhistoricus, voorman in de eindfase der culturele katholieke emancipatie.

 



illustratie

Gerard Brom was de jongste uit een groot katholiek gezin in het centrum van Utrecht. Zijn vader had een edelsmidse; hij overleed vóór Gerards geboorte. Gerard studeerde in zijn geboortestad korte tijd medicijnen, schakelde over naar Nederlandse taal- en letterkunde en promoveerde in 1907 bij zijn leermeester J.W. Muller. In hetzelfde jaar trouwde hij met de oorspronkelijk protestantse, maar katholiek geworden Willemien Struick, ijveraarster voor het goede lied, reidansen en dergelijke. Hun huwelijk bleef kinderloos. Het leraarschap aan enkele gymnasia (1907 - 1920, twee jaar onderbroken door een studieverblijf in Italië) bevredigde hem niet. Hij was daarna bezoldigd secretaris van de mede door hem opgerichte Unie van Katholieke Studentenverenigingen, tot hij in 1923 benoemd werd tot hoogleraar aan de in dat jaar gestichte katholieke universiteit te Nijmegen, aan de totstandkoming waarvan hij belangrijke bijdragen had geleverd. De oudere, internationaal bekende geleerde pater J. van Ginneken s.j., die een Amsterdamse leerstoel door weigering van de gemeenteraad misgelopen was, kon in Nijmegen niet gepasseerd worden. Omdat die geen opsplitsing in taal- en letterkunde gedoogde, kreeg Brom kunstgeschiedenis en schoonheidsleer als leeropdracht. In 1945 werd deze alsnog: Nederlandse en algemene letterkunde. Na zijn pensionering in 1952 leidde hij een teruggetrokken maar werkzaam leven in Wijchen.

Ontwikkeling en karakterisering

Vóór zijn professoraat wijdde Brom zich vooral aan andere zaken dan pure wetenschap. Als gedreven lekenapostel en wereldverbeteraar zette hij zich in voor idealen als geheelonthouding, liturgische vernieuwing en de bekering van Nederland tot wat hij steeds ‘de Moederkerk’ noemde. Hij riep de katholieke studenten op zich af te keren van de oude studentenmores, en zuurdesem te worden van een betere, christelijke maatschappij (De omkering van 't Studentenleven, 1923, tevens een studie van het negentiende-eeuwse studentenleven in de literatuur). Een zekere naïviteit was hem bij dit alles niet vreemd en zijn hoge vlucht voerde hem vaak in ijle luchten. Nog vóór hij hoogleraar werd verloor hij het contact met de jongere generatie. In een rede, getiteld Jongeren en Ouderen, voor de Amsterdamse katholieke studentenvereniging Thomas Aquinas in 1933 (tekst alleen te vinden in De Maasbode van 18 mei, avondblad blz. 9-10) las hij de jongeren de les. Hij verweet hun lichtzinnig omspringen met katholieke waarden en de erfenis van oudere generaties. Hij keerde zich speciaal tegen Pieter van der Meer de Walcheren en tegen het tijdschrift De Gemeenschap. Zelf leidde Brom het tijdschrift De Beiaard (1916-1925), dat voor de culturele emancipatie van de katholieken belangrijk is geweest.

Na zijn benoeming tot hoogleraar richtte hij zich meer op de wetenschap, maar ook in zijn wetenschappelijke publicaties was de lekenapostel niet afwezig. Waarschijnlijk leidde deze profilering ertoe, dat hij twee maal, hoewel nummer één op de voordracht, werd gepasseerd voor een ordinariaat in de Nederlandse literatuur (Leiden 1935; Amsterdam 1936). In 1907 was Brom met zijn dissertatie als een enfant terrible de neerlandistiek binnengevallen. Het boek, Vondels Bekering, was geschreven in praatachtige taal zonder jargon, bevatte krasse formuleringen en verklaarde Vondel katholiek allang vóór zijn feitelijke overgang (Vondels Geloof, 1935, is een uitgebreide, rustiger versie). In de inleiding noemt de promovendus zich ‘de jongste telg uit de school van Jozef Alberdingk Thijm’, wat zijn levensprogram inhield. Hij hield zich ook later bezig met Vondel en andere zeventiende-eeuwers, maar toch het meest met de negentiende eeuw, met Thijm, Broere, Schaepman, Multatuli, Gezelle en vele anderen. Van de Middeleeuwen, de achttiende en de twintigste eeuw heeft hij nauwelijks werk gemaakt; van de achttiende eeuw alleen met zijn ‘Wolff en Deken en de Katholieken’ (in Vijf Studies,1957), een goed voorbeeld van Broms diachronische aanpak van een bepaald thema. De Dominee in onze literatuur (1924; ook in Vijf Studies) is een ander voorbeeld. Brom koos heel eigen onderwerpen en had een zeer persoonlijke aanpak en stijl, soms snaaks, vaak scherp of sarcastisch. Hij behandelde zijn stof graag door voortdurend vergelijkingen te trekken of, sterker, personen of werk tegen elkaar af te zetten, waardoor de contouren scherper werden. Hij was nooit uit op literaire schoonheid op zichzelf - hij moest van de meeste Tachtigers dan ook niets hebben - maar bracht stijl en vooral inhoud van literair werk in verband met geestelijke stromingen van de ontstaanstijd. Dit geldt ook voor zijn studies op kunsthistorisch gebied, die overigens tegelijkertijd literair-historische studies zijn: Java in onze Kunst (1931), Schilderkunst en Litteratuur in de 16e en 17e eeuw (1957) en Schilderkunst en Litteratuur in de 19de eeuw (1959). Het procédé van vergelijken en afzetten werd soms harde confrontatie. Schaepman, van wie hij eerder een evenwichtige biografie had gepubliceerd (Schaepman, 1936), gebruikte hij in zijn biografie Alfons Ariëns (1941), die op een hagiografie lijkt, als bête noire. In de biografie Alberdingk Thijm (1956) deed hij iets dergelijks met Thijms zoon Karel, de tachtiger Lodewijk van Deyssel. In zijn Multatuli (1958) trad vooral de auteur zélf in het strijdperk. Hij bewonderde Multatuli om zijn stijl en temperament, maar liet van alles na de Max Havelaar niet veel heel. Deze sterk persoonlijke aanpak verbaast niet bij deze man, die wars was van het negentiende-eeuwse positivisme en historisme. Al in zijn proefschrift poneerde hij dat geschiedschrijvers behalve de feiten vooral de geesten dienden te kennen. G. Kurth en G. Goyau waren in dezen zijn voorbeelden.

Als katholiek emancipator komt Brom het meest direct naar voren met en in zijn tijdschrift De Beiaard, zijn bijdragen aan de totstandkoming van de katholieke universiteit (over deze totstandkoming: Dies Natalis, 1955), zijn activiteiten en functies in het Thijmgenootschap (aanvankelijk geheten ‘Vereeniging tot het bevorderen van de beoefening der Wetenschap onder de Katholieken van Nederland’) en in zijn biografieën. Cornelis Broere en de katholieke emancipatie (1955) is wellicht zijn beste biografie, rijk van inhoud en evenwichtig.

In zijn levensavond, waarin een leven lang studeren en notities maken een rijke na-oogst aan boeken opleverde, publiceerde hij ook een lijvige roman: Het Hoofd van Johannes (onder het pseudoniem Bartel Drager; z.j.), waarvan de laatste woorden luiden: ‘liefhebben, dienen!’

Invloed

Van Brom is zeker inspiratie en invloed uitgegaan, vooral op geloofsgenoten, maar snelle maatschappelijke en kerkelijke ontwikkelingen maakten hieraan nog vóór zijn dood een einde. In zijn wetenschappelijk werk hinderden zijn getuigende instelling, zijn vaak confronterend-polemische benadering en neiging tot apodictische uitspraken altijd al de niet-geloofsgenoten. Dat doen ze zeker ook elke hedendaagse lezer, die immers rustiger objectiviteit verlangt. Zijn Geschiedschrijvers van onze Letterkunde (1944) bijvoorbeeld moet door die eigenschappen, ondanks zijn rijkdom aan gegevens, mislukt heten. Er komt nog bij, dat een vernuftige stijl, vol woordspelingen en aforismen, wel boeit maar ook vermoeit. Zijn werken worden nu weinig meer gelezen, hoewel ze (soms overladen) schatkamers van gegevens en citaten zijn en onvermoede verbanden en perspectieven bieden. Als promotor liet hij sporen na in dertig dissertaties, de meeste met literaire onderwerpen. Zijn verdiensten voor de wetenschap werden erkend door zijn benoeming tot lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (1940).

 

M.C.A. van der Heijden
[maart 2004]

Voornaamste geschriften

Barok en Romantiek. Groningen, 1923.
Romantiek en Katholicisme in Nederland. 2 delen. Groningen, 1926.
Vondels Geloof. Amsterdam / Mechelen, 1935.
Geschiedschrijvers van onze Letterkunde. Amsterdam, 1944.
Boekentaal. Amsterdam, 1955. Verhandelingen Koninklijke Nederl. Akademie van Wetenschappen, afdeling Letterkunde.
Cornelis Broere en de katholieke emancipatie. Utrecht / Antwerpen, 1955.
Vijf Studies. Zwolle, 1957. Zwolse Reeks van Taal- en Letterkundige Studies 7.
Schilderkunst en Litteratuur in de 16e en 17e eeuw. Utrecht / Antwerpen, 1957. Aula-Boeken 2.
Multatuli. Utrecht / Antwerpen, 1958.
Schilderkunst en Litteratuur in de 19e eeuw. Utrecht / Antwerpen, 1959. Aula-Boeken 26.

Belangrijkste secundaire literatuur

Voor een volledige bibliografie zie Studies aangeboden aan prof. dr. Gerard Brom (1952), p. IX-XX, aangevuld door L.J. Rogier: ‘Herdenking van Gerard Brom (17 april 1882-30 november 1959). Uitgesproken in de vergadering van 9 mei 1960’. In: Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1959-1960. Amsterdam, 1960, p. 528 (nr. 23).
K. Meeuwese: ‘Gerard Brom’. In: Dietsche Warande & Belfort 105 (1960), p. 155-163.
K. Smits: ‘Gerard Brom (Utrecht, 17 april 1882 - Wychen, 30 november 1959)’. In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde te Leiden 1960-1961. Leiden, 1961, p. 42-49.
A.H.M. van Schaik: ‘Brom, Gerardus Bartholomeus’. In: J. Charité (eindred.): Biografisch Woordenboek van Nederland, deel 2. Amsterdam, 1985, p. 68-71.
P. Luykx en J. Roes (ed.): Gerard Brom. Een katholiek leven. Autobiografische aantekeningen. Baarn, 1987.

Locatie archief

Katholiek Documentatie-Centrum, Nijmegen (Radboud-Universiteit).

prepostterug  begin  verder