Elslander, Antonin Henri François van * 10 september 1921 Gent; † 17 juni 1999 Heusden, literatuurhistoricus, vanaf 1957 docent en van 1962 tot 1986 gewoon hoogleraar Nederlandse Letterkunde aan de Rijksuniversiteit (nu: Universiteit) Gent. Zijn onderzoek richtte zich vooral op de rederijkers en op de Zuid-Nederlandse literatuur van de negentiende eeuw tot en met Van Nu en Straks.

Van Elslander studeerde van 1938 tot 1942 Germaanse Filologie aan de universiteit van zijn geboortestad, waar zijn vader, zoals voordien ook zijn grootvader, als basculemaker bedrijvig was. Zijn culturele interesse en meer in 't bijzonder zijn muzikale belangstelling en aanleg, had hij vooral van zijn moeder geërfd.
Na zijn studie werd Van Elslander eerst wetenschappelijk assistent aan de Centrale Bibliotheek van de Gentse universiteit, daarna vorser bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en ten slotte assistent voor Nederlandse literatuurgeschiedenis bij zijn leermeester Frank Baur, bij wie hij in 1950 promoveerde op een proefschrift over Het refrein in de Nederlanden tot 1600. Deze studie werd in 1953 uitgegeven. Van 1948 tot 1953 was Van Elslander tevens lector Nederlands aan de Staatsuniversiteit van Rijsel. In 1953 behaalde hij aan de Koninklijke Bibliotheek te Brussel het diploma van bibliothecaris-bibliograaf en van 1955 tot 1957 was hij bibliothecaris aan de Gentse Universiteitsbibliotheek. Eind 1957 volgde hij prof. Baur op, als docent. In 1962 werd hij tot gewoon hoogleraar benoemd. In 1967 werd hij verkozen tot lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (nu: Kon. Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde), waar hij van 1990 tot 1997 de functie van waarnemend vast secretaris uitoefende.
Node verliet Van Elslander zijn vertrouwde Gent. Daar was hij echter ook in bredere kring een opvallende verschijning, die met zijn verfijnde nonchalance, relativerende humor en typerende anekdotes menig publiek of gezelschap wist te charmeren. Van Elslander is vrijgezel gebleven, tot hij in zijn laatste levensjaar getrouwd is met Yolande de Backer, zijn nicht en trouwe vriendin.
In zijn inleiding tot een keuze van Scripta minora uit het werk van professor Baur (1969), omschreef Van Elslander de literatuurbeschouwing van zijn leermeester als een ‘die in de eerste plaats wenst uit te gaan van de eerbiedwaardigheid van het literaire feit. Huiverig tegenover stoute gedachtenconstructies streeft ze... naar een harmonische verbinding van filologische nauwgezetheid en literair-historisch inzicht, van intuïtief inlevingsvermogen en genuanceerde waardeschatting’. De hier gegeven karakteristiek is evengoed op het werk van de inleider zelf van toepassing. Alleen richtte Van Elslanders aandacht zich op andere periodes en figuren.
De rederijkers waren zijn eerste ‘liefde’. Hij is hen steeds trouw gebleven, maar ook de Middelnederlandse letterkunde, met Ruusbroec, Hadewych en, vooral, Maerlant, is hem zijn hele loopbaan lang blijven interesseren. In 1952 bezorgde hij een uitgave van de Elckerlijc, die acht drukken beleefde. Toch ging zijn aandacht binnen de rederijkersstudie niet in de eerste plaats naar gecanoniseerde teksten of figuren uit. Veeleer was het zijn bedoeling het onbekende in het licht te stellen en de grote verscheidenheid van de retoricale literatuur, met name binnen de refreinproductie, te laten zien. Geïnspireerd door J.A.N. Knuttels artikel ‘Rederijkers eerherstel’ (De Gids 1910), was Van Elslanders filologische activiteit erop gericht om vanuit de totaliteit en diversiteit van het overgeleverde tot een ‘genuanceerde waardeschatting’ te komen. Belangrijke noties binnen de daarbij gehanteerde esthetica waren ‘levendigheid’, ‘frisheid’ en ‘innige oprechtheid’.
Sterker nog dan in de rederijkersstudie komt Van Elslanders waardering van teksten als ‘document humain’ tot uiting in zijn onderzoek van negentiende- en twintigste-eeuwse literaire figuren. Dit onderzoek is vooral tijdens zijn docent- en hoogleraarschap op gang gekomen. Hier hebben zijn belangrijkste bijdragen betrekking op de gezusters Loveling, August Vermeylen, Karel van de Woestijne en, vooral, Cyriel Buysse. Van Elslanders baanbrekende Buysse-onderzoek begon met de vlotte biografie Cyriel Buysse. Uit zijn Leven en zijn Werk (2 dln.: Antwerpen, 1960-1961) en vond een blijvende bekroning in de uitgave, samen met A.M. Musschoot, van het Verzameld Werk (7 dln.: Brussel, 1974-1982).
Van Elslanders publicaties, onderwijs en andere activiteiten werkten bijzonder stimulerend. Honderden studenten hebben in Gent door hem hun afstudeerscriptie (‘licentiaatsverhandeling’) aan een retoricaal onderwerp, meestal een tekstuitgave, gewijd. Onder zijn leiding werd promotie-onderzoek verricht over Matthijs de Castelein, Cornelis van Ghistele, refreinen en het tafelspel, maar ook over Hadewych en Jan van der Noot. Onder zijn redacteurschap groeide het Jaarboek van de Gentse kamer De Fonteine uit tot een gewaardeerd instrument voor de rederijkersstudie. Zijn in dit Jaarboek (1968) verschenen ‘Lijst van Nederlandse Rederijkerskamers uit de XVe en XVIe eeuw’ effende de weg voor de geschiedenis van de institutionele rederijkerij. Van Elslander stimuleerde de ontginning van de in de Gentse Universiteitsbibliotheek bewaarde brievencollecties als bouwstenen voor de geschiedenis van de negentiende-eeuwse literatuur en de Vlaamse Beweging. Met zijn Buysse-onderzoek heeft hij een unieke rol gespeeld in het morele en literaire ‘eerherstel’ van Buysse bij het Vlaamse publiek, een herwaardering die hij na de uitgave van het Verzameld Werk als voorzitter van het Cyriel Buysse Genootschap en als redacteur van de Mededelingen van dit Genootschap wist te bestendigen en uit te breiden.
D. Coigneau
[december 2003]
| Het Volksboek Vanden X Esels (editie). Antwerpen, 1946. |
| Den spyeghel der salicheyt van Elckerlijc. Amsterdam, Antwerpen, 1952. Klassieke galerij 61. |
| Het refrein in de Nederlanden tot 1600. Gent, 1953. |
| Pelgrim Pullen, Die Navolghinghe Christi (editie). Gent, 1958. |
| Cyriel Buysse. Uit zijn Leven en zijn Werk. 2 dln. Antwerpen, 1960-1961. |
| ‘De “biografie” van Virginie Loveling’. In: Studia Germanica Gandensia 5 (1963), p. 77-126. |
| Terugblik. Opstellen en toespraken van A. van Elslander. Gent, 1986. |
| ‘Paul de Keyser. Mijn herinneringen aan Willem de Vreese, gevolgd door de correspondentie De Keyser-De Vreese’. In: Verslagen en Mededelingen van de Kon. Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 1992, p. 163-194 en 1993, p. 105-106, 113-114. |
| Een volledig overzicht van zijn publicaties in Terugblik (tot 1986), p. 269-281, en in Versl. en Meded. Kon. Ac. Nedl. Taal- en Lett. 1989, p. 99-100; 1994, p. 79-81; 1995, p. 76. |
| Jaarboek De Fonteine 1980-1981, deel II: Opstellen voor A. van Elslander. |
| A.M. Musschoot: ‘In memoriam Antonin van Elslander’. In: Mededelingen van het Cyriel Buysse Genootschap 15 (1999), p. 227-229. |
| D. Coigneau: ‘In memoriam prof. Antonin van Elslander’. In: Jaarboek De Fonteine 1999-2000, p. 151-155. |
| A. Deprez: ‘In memoriam Antonin van Elslander’ en ‘A. van Elslander, o 10 september 1921, † 17 juni 1999’. In: Versl. en Meded. Kon. Ac. Nedl. Taal- en Lett. 2000, p. 57-63 en 146-158. |
| A.M. Musschoot: ‘Antonin van Elslander. Gent 10 september 1921 - Heusden 17 juni 1999’. In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 2000-2001, p. 72-76. |
Van Elslander legateerde zijn aanzienlijke bibliotheek en daaraan evenwaardige discotheek aan de Gentse Universiteitsbibliotheek (signatuur: Els).