Gomperts, Henri Albert *26 december 1915 Amsterdam; † 18 september 1998, dichter, essayist, literair criticus. Als universitair letterkundige schreef hij een afgewogen betoog over een literatuurwetenschap die leesbaar én controleerbaar is.

Hans Gomperts was de zoon van een advocaat en leek voorbestemd om ook jurist te worden. Hij deed Gymnasium Alfa op het Amsterdamse Vossius Gymnasium en ging in diezelfde stad rechten studeren. Al spoedig bleek zijn literaire belangstelling. Hij zat in de redactie van Propria Cures (1936-1938), schreef een vrijmoedige bewerking van Romeo en Julia (1938) en publiceerde een dichtbundel (Dingtaal; 1939). Hij legde nog wel het eerste deel van zijn doctoraal examen af, maar moest, door de inval van de Duitsers, in 1940 zijn studie afbreken. Hij stak over naar Engeland en meldde zich aan bij het leger. Na een korte tijd als soldaat, werd hij als regeringsambtenaar onder meer gedetacheerd in Washington en New York.
Na de bevrijding was Gomperts voor Het Parool correspondent te Parijs en later redacteur letterkunde. Hij volgde Simon Carmiggelt op als toneelcriticus (1952-1965). Hij was betrokken bij een aantal literaire tijdschriften: Libertinage (dat hij in 1948 oprichtte, samen met Huyck van Leeuwen), De Vrije bladen, Criterium, Hollands Weekblad, Tirade. Landelijk bekend werd hij als presentator en interviewer op TV, onder meer in ‘Literaire Ontmoetingen’, in 1963 bekroond met een Nipkov-schijf.
In 1965 volgde zijn benoeming tot buitengewoon en in 1970 tot gewoon hoogleraar in Leiden. Gomperts' aanstelling paste in de Leidse traditie, die met Verwey begonnen was, om mensen te benoemen uit de literaire praktijk, niet allereerst vakgeleerden. Gomperts heeft zich met een zeker idealisme gestort in zijn nieuwe werkkring. Tijdens colleges maar ook daarbuiten, in informele bijeenkomsten, trachtte hij zijn liefde voor literatuur over te dragen. In de loop der jaren voelde hij zich steeds minder thuis in het universitaire klimaat van toenemend bezuinigen en administreren. In 1981 ging hij met emeritaat, verhuisde naar Grimaud in Zuid-Frankrijk en werkte daar tot zijn plotselinge dood verder aan een groot opgezette, onvoltooid gebleven studie over het antisemitisme bij intellectuelen.
Gomperts was essayist van nature. Zijn stijl is beeldend, meestal serieus, soms vlijmscherp en ironisch. Hij werd alom bewonderd om zijn ruime internationale belezenheid en de meeste van zijn essaybundels zijn bekroond.
Jagen om te leven, zijn eerste essaybundel (1949), bevat opstellen over T.S. Eliot en over een aantal Nederlandse auteurs. Het oudste is ‘Uzzeltje’ uit 1937, een kritisch-bewonderend stuk over Ter Braak. We vinden in deze bundel al meteen zijn afkeer van grote woorden en dogma's die zijn hele oeuvre zal kenmerken.
De Schok der herkenning (1959) gaat over het lezen als een proces van deels vruchtbaar misverstand. Gomperts laat bijv. zien hoe Baudelaire zich in werk van Poe meent te herkennen en Ter Braak in Nietzsche, waarbij onvermijdelijk een zekere blindheid voor het werk van de ander optreedt die het eigen denkproces verdiept.
In zijn universitaire publicaties bleef het de essayist die sprak, zij het nu vaker in meer abstracte en principiële uiteenzettingen. Zijn eerste stelling is: ‘literatuur kan alleen begrijpelijk worden gemaakt in de samenhang van schrijver, maatschappij en lezers’ (Inleiding van Intenties; 1981). Net als voor Ter Braak is de persoonlijkheid van de auteur voor hem van belang. Bij Gomperts is deze persoonlijkheid echter geen ‘eerste en laatste criterium’ voor het bepalen van de waarde van een werk, maar basis voor begrip.
De objectiviteit nastrevende onderzoeker moet zich beperken tot een ‘minimale interpretatie’, met als norm ‘de uitgedrukte bedoeling van de auteur, voor zover reconstrueerbaar door de interpretator, met inachtneming zo nodig, van de contemporaine poëtica's en retorica's die voor het beoefende genre gegolden hebben’ (Grandeur en misère van de literatuurwetenschap; 1979, p.84). Destijds al, als toneelcriticus, legde hij niet de nadruk op wat de regisseur en de spelers hadden gedaan, maar op de tekst van het stuk zélf. Met zijn minimale tegenover vrije interpretatie zat Gomperts op één lijn met ‘meaning’ tegenover ‘significance’ bij Hirsch, waarbij meaning de door de auteur uitgedrukte bedoeling is en significance elke mogelijke interpretatie die latere lezers aan de tekst kunnen toekennen. Gomperts wilde tolk zijn van de intentie van de auteur, zoals die uit de tekst spreekt. In zijn inaugurele rede De twee wegen der kritiek (1966) verzette hij zich dan ook tegen het ‘close reading’ van het tijdschrift Merlyn waar de literaire tekst als ‘autonoom’ gezien werd en daarmee z.i. te veel los van de schrijver. In Grandeur presenteerde Gomperts de literatuurwetenschap als een naar objectiviteit strevende discipline en sprak hij zijn afschuw uit van overdreven systeemdwang en schermen met geleerd aandoende termen.
Na zijn emeritaat werkte Gomperts aanvankelijk aan De jodenhaat van de weldenkenden, een omvangrijke studie over complexe schrijverspersoonlijkheden als Erasmus, Voltaire, Nietzsche en Dostojewski. Na verloop van tijd heeft hij zich geconcentreerd op de gespletenheid bij Ter Braak, die in het antisemitisme ‘een kern van waarheid’ zei te zien, terwijl hij het antisemitisme toch ook bestreden heeft. Net als in De schok der herkenning worstelt Gomperts hier met het ingrijpende probleem van de blindheid bij lezers, ook bij zichzelf, als hij zich realiseert over welke dubieuze passages hij jarenlang argeloos heeft heengelezen.
In zijn essays, zijn wetenschappelijk werk en ook in zijn colleges heeft Gomperts ongetwijfeld diepe indruk gemaakt door zijn kritische visie op literatuur en zijn voortreffelijke manier van formuleren, zowel mondeling als in geschrifte. Aan schoolvorming heeft hij echter niet gedaan. Daar verzette hij zich eerder tegen, zoals hij zich verzette tegen elke vorm van verstard, formalistisch denken, door hem ‘jurisme’ genoemd.
P.F. Schmitz
[1 oktober 2003]
| Dingtaal; gedichten. Den Haag, 1939. 2e vermeerderde druk. Amsterdam, 1948. |
| Van verlies en dood; gedichten. Amsterdam, 1946. |
| Jagen om te leven. Amsterdam, 1949. 4e dr. 1967 (Stoa-reeks). |
| De schok der herkenning; acht causerieën over de invloed van invloed in de literatuur. Amsterdam, 1959. (Stoa-reeks). 5e dr. 1981.Amsterdam, met nieuwe inleiding. |
| De geheime tuin. Amsterdam, 1963. (Stoa-reeks) (essays). 2e druk 1972. |
| De eend op zolder, toneelkritieken uit de jaren 1952-1965; klassiek en romantisch repertoire. Amsterdam,1970. |
| Wachten op niets; toneelkritieken uit de jaren 1952-1965; modern repertoire. Amsterdam, 1970. |
| Grandeur en misère van de literatuurwetenschap. Amsterdam, 1979. |
| Intenties 1; kritieken en over kritiek. Amsterdam, 1981. |
| Intenties 2; terug tot Simon Vestdijk en andere essays. Amsterdam, 1981. |
| Een kern van waarheid. Amsterdam, 2000. Bezorging en nawoord: Eep Francken en Herman Verhaar. |
| Intenties 1/2/3; essays en kritieken. Amsterdam, 2003. Bezorging: Eep Francken en Herman Verhaar. |
| G.F.H. Raat: ‘H.A. Gomperts’. In: Kritisch lexicon van de Nederlandstalige literatuur vanaf 1945. 1993 |
| Peter Schmitz: ‘De koele emotie van H.A. Gomperts’. In: Jan Campertprijzen 1982 en het daarbij gevoegde uitvoerige overzicht van publicaties van en over H.A. Gomperts. |
| Peter Schmitz: ‘Levensbericht’ over H.A. Gomperts. In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden. 2003. |