|
|
|
| |
Gysseling, M.
Gysseling, Maurits * 7 september 1919 Oudenburg; † 24 november 1997 Gent,
taalgeleerde en archivaris. Als eminent naamkundige publiceerde hij onder meer een
verklarend plaatsnaamkundig woordenboek met de oudste vormen van toponiemen voor een
gebied dat de Lage Landen, Luxemburg en aangrenzende delen van Duitsland en Frankrijk
omvat. Als zeer ervaren neerlandicus gaf hij alle in het Nederlands gestelde teksten tot 1300
uit. Zijn derde magnum opus is de inventaris van het gigantische archief van de Gentse Sint-Baafsabdij.

Tot zijn 14de jaar genoot Maurits Gysseling lager onderwijs in het West-Vlaamse Oudenburg,
waar zijn moeder een schoenwinkel hield. Na een stage als schoenmaker bij zijn oom Omer
Verlinde te Oostende, verhuisde hij met zijn ouders naar Oostakker bij Gent. In 1939 behaalde
hij het diploma van Wetenschappelijke én ook dat van Grieks-Latijnse humaniora, toentertijd
vereist voor de faculteit Letteren en Wijsbegeerte, de richting waarin hij gestuwd was door
Jozef Goossenaerts, zijn leraar Nederlands op het Atheneum te Gent. Aan de Gentse
Rijksuniversiteit, waar hij in 1939 Germaanse Filologie aanvatte, oefende naast Frank Baur,
vooral Edgard Blancquaert een grote invloed op hem uit. Na licentiaat in 1943, werd hij
summa cum laude doctor in de Germaanse Filologie met een proefschrift dat in 1950
verscheen onder de titel Toponymie van Oudenburg. Met Blancquaert als NFWO-patroon
werden in 1944 de krijtlijnen getekend van een leven in dienst van de wetenschap. Toch
diende Gysseling, die intussen ook het diploma van archivaris-paleograaf had behaald, in
1949 tijdelijk uit te wijken naar het Rijksarchief, eerst te Brussel en daarna te Gent. Met de
briljante Synthese bij zijn Toponymisch Woordenboek behaalde hij in 1960 de titel van
geaggregeerde van het Hoger Onderwijs en daardoor kon hij definitief als
faculteitsgeaggregeerde verbonden worden aan de leerstoel Nederlandse Taalkunde van de
Gentse Rijksuniversiteit, waar hij later Nederlandse toponymie en antroponymie zou doceren.
Zijn wetenschappelijke productie was fenomenaal, zowel kwalitatief als kwantitatief, en
lauweren lieten niet lang op zich wachten: het lidmaatschap van de Maatschappij der
Nederlandse Letterkunde te Leiden (1953) (die hem in 1969 ook de Meesterschapsprijs
toekende), van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie (1961) en van de
Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (1965), verder de vijfjaarlijkse
Baron Holvoetprijs van het NFWO (1970), een feestbundel bij gelegenheid van zijn 65ste
verjaardag (1984), een reeks Belgische eretekens en ten slotte het commandeurschap in de
Orde van Oranje-Nassau en de Matthias de Vriespenning van het Instituut voor Nederlandse
Lexicologie te Leiden (1988).
In 1950 trad Maurits Gysseling in het huwelijk met Monique Lybaert, die hem twee kinderen
schonk: Geertrui (1951) en Arnolf (1954). Samen met haar hield Maurits Gysseling zich als
voorzitter van de heemkundige kring De Oost-Oudburg en van het Documentatiecentrum voor
Streekgeschiedenis te Sint-Amandsberg bij Gent intens bezig met het verzamelen en
inventariseren van waardevol heemkundig materiaal en met het historisch onderzoek van de
streek ten noordoosten van Gent.
| | Ontwikkeling en karakterisering
Tijdens zijn verblijf op het Duivelsteen, het Gentse Rijksarchief, inventariseerde M. Gysseling
heel wat archief. Door zijn bemoeiingen verhuisde ook veel kerkelijk archief naar het
rijksarchief, zo het omvangrijke en chaotische oud archief van Sint-Baafs en Bisdom Gent,
lopend van 819 tot 1801, dat hij in zijn levensavond en ten koste van zijn gezondheid nog
helemaal inventariseerde: Inventaris van het archief van Sint-Baafs en Bisdom Gent tot eind
1801. I-V (1997-2000; een index volgt nog). M. Gysseling was een volleerd archivaris, maar
in de eerste plaats was hij linguïst. Bij de publicatie van archivalia bleef het ontsluiten van
taalkundig, met name naamkundig materiaal zijn hoofdbekommernis. In dat licht begrijpe
men de Diplomata Belgica ante annum millesimum centesimum scripta, samen met Anton
Koch (1950) en zijn vele tekstuitgaven samen met historici zoals Paul Bougard, Jan Buntinx,
Adriaan Verhulst en Carlos Wyffels.
Het Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk
en West-Duitsland (vóór 1226) (1960) verhief Gysseling tot de rang van groten zoals Adolf
Bach, Albert Dauzat, Eilert Ekwall, Ernst Förstemann en Auguste Vincent. Hiervoor had
Gysseling van 1946 tot 1948 eigenhandig materiaal verzameld in binnen- en buitenland.
Net als Hans Kuhn - maar helemaal onafhankelijk van deze laatste - kwam Gysseling,
die een bijzonder diepgaande kennis van het Indo-europees bezat, in de Nederlanden en
aansluitende delen van Duitsland en Noord-Frankrijk een verdwenen Indo-europese taal op
het spoor, die hij met name meende te onderkennen in oud plaatsnamengoed en in
substraatwoorden. Deze archaïsche prehistorische taal die noch als Keltisch noch als
Germaans kan worden bestempeld (getuige het bewaren van Indo-europese p, die in het
Keltisch tot h en in het Germaans tot f evolueert), noemde hij het Belgisch. Ondanks het feit
dat hij die taal in de loop der jaren beter geïdentificeerd en gestructureerd heeft, blijven
sommige onderzoekers, met name uit de keltologische hoek, sceptisch tegenover haar reële
bestaan. Ook Gysselings visie op de oorsprong van de taal, waarbij de begrippen ‘energiek’ en
‘niet energiek’ primeren, blijft voor sommigen wat visionair. Minder weerstand ondervonden
zijn theorieën over de germanisering van een groot deel van de Nederlanden en Noord-Frankrijk in de tweede eeuw vóór onze jaartelling. Gysselings inzichten betreffende het
Belgisch en dat prehistorische Germaans zijn bevattelijk uiteengezet in de bijdrage
Germanisering en taalgrens in deel 1 van de Algemene Geschiedenis der Nederlanden (1981).
Van de centrale plaats van de naamkunde in het oeuvre van Gysseling getuigen voorts,
naast talloze korte bijdragen over afzonderlijke plaatsnamen en naast diverse
dorpsmonografische schetsen, zijn vele studiën over het oude toponymische landschap van
Vlaamse en Nederlandse regio's en provincies.
Een aantal van zijn geschriften zijn tegelijk taalgrensstudiën. Hiervan kan men zich
een goed beeld vormen aan de hand van de al geciteerde bijdrage Germanisering en taalgrens.
Op het vlak van de antroponymie blijkt Gysselings meesterschap onder meer uit
Noordwesteuropese persoonsnaambestanddelen (1982).
Gysseling maakte de naamkunde bijzonder schatplichtig, wat overigens geldt voor de
neerlandistiek in het algemeen. Dat komt ten eerste door baanbrekende studiën zoals Proeve
van een Oudnederlandse grammatica I en II (1961, 1964), Hoofdlijnen in de evolutie van het
Nederlandse vocalensysteem (1975) en Germaanse woorden in de Lex Salica (1976). Ten
tweede door de gigantische onderneming waaraan Jozef Van Cleemput in 1948 begonnen was
en die Gysseling door Van Cleemputs plotse dood overnam en zelfs uitbreidde: het Corpus
van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300) m.m.v. en van woordindices
voorzien door Willy Pijnenburg (1977-1987), als gezamenlijke uitgave van het Belgisch en het
Nederlands Interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek en van het Instituut voor
Nederlandse Lexicologie te Leiden. Het werd gefinancierd door het NFWO, het ZWO en het
genoemde Instituut en het omvat twee reeksen, een over de ambtelijke bescheiden (9 banden
met de editie van circa 2.000 oorkonden, keuren, rekeningen, goederenlijsten en dergelijke,
veelal nooit eerder naar het origineel uitgegeven) en een over de literaire handschriften (6
banden).
| | Invloed
Hoewel de Gentse professoren onder wie hij werkte zijn loopbaan als navorser steeds hebben
gesteund, vond Gysseling zijn grootste bewonderaars vooral in de Leuvense school met als
spil het toenmalige Instituut voor Naamkunde. Hij werd er de hemel ingeprezen om zijn
bekwaamheid en zijn legendarische werkkracht en hij vond er ook zijn trouwste vrienden in
geleerden als Henri Draye, Karel Roelandts en Jan Goossens. Zijn aanzienlijke verdiensten als
tekstuitgever lieten hem desgelijks in kringen van historici rekenen op ontzag en sympathie
vanwege de grootsten. Zoals hierboven blijkt, publiceerden ze graag samen met hem. In het
buitenland genoot hij bijzondere faam als de erudiete Vlaamse naamkundige die op
internationale congressen vaak als enige het Nederlandse taalgebied vertegenwoordigde.
Gysseling stond op een eenzame hoogte en formuleerde zijn inzichten vaak in
apodictische stijl, wat door sommigen minder gesmaakt werd. Hij deinsde er evenwel niet
voor terug vroegere opvattingen te herzien, want op de progressie en verdieping van zijn
onderzoek stonden nooit remmen.
Gysseling heeft de wetenschap vooruitgeholpen op tweeërlei wijze: door het
terbeschikkingstellen van materiaal en door de bestudering ervan.
Vele auteurs van alle slag maakten inmiddels gebruik van het Toponymisch
Woordenboek. Tientallen vorsers, zowel neerlandici als mediëvisten, haastten zich om de
bouwstoffen te verwerken die de Inventaris van het archief van Sint-Baafs en Bisdom en het
Corpus van Middelnederlandse teksten voor hun onderzoek te bieden hadden. Voorbeelden
van de aanwending van het laatstgenoemde zijn de studies van A. Berteloot (1984), M.A.
Mooijaart (1992) en A. Marynissen (1996) over het 13de-eeuwse Middelnederlands en nu ook
het Vroegmiddelnederlands Woordenboek.
Gysselings eigenlijke studiën mogen zonder overdrijven grenzenverleggend worden
genoemd. Zo onderscheidt men in het naamkundige onderzoek van ons taalgebied en er zelfs
ver buiten terecht een periode vóór en vanaf Gysseling.
Hij legateerde zijn schriftelijke nalatenschap aan de Koninklijke Academie voor
Nederlandse Taal- en Letterkunde te Gent, zijn wetenschappelijke thuishaven. Hierbij drukte
hij de wens uit dat die instelling zijn onafgewerkte projecten naar hun voltooiing zou voeren:
het Antroponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en
West-Duitsland (tot 1226), het Toponymisch Woordenboek van Oost- en Zeeuws-Vlaanderen
en de herordening van Pokorny's Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch.
L. van Durme
[20 augustus 2003]
| | Voornaamste geschriften
| (in samenw. met A.C.F. Koch): Diplomata Belgica ante annum millesimum centesimum
scripta. 2 dln. Brussel, 1950. Bouwstoffen en Studiën voor de geschiedenis en de lexicografie
van het Nederlands 1. |
| Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226). 2 dln. Brussel, 1960. Bouwstoffen en Studiën voor de geschiedenis en
de lexicografie van het Nederlands 6. |
| ‘Proeve van een Oudnederlandse grammatica’. In: Studia Germanica Gandensia 3 (1961), p.
9-52 en 6 (1964), p. 9-43. (Herdrukt in North-Western European Language Evolution
Supplement 7 (1992)). |
| ‘Hoofdlijnen in de evolutie van het Nederlandse vocalensysteem’. In: Handelingen van de
Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie / Bulletin de la Commission Royale
de Toponymie et Dialectologie 49 (1975), p. 25-59. |
| ‘De Germaanse woorden in de Lex Salica’. In: Verslagen en Medede(e)lingen van de
Koninklijke Vlaams(ch)e Academie voor Taal en Letterkunde 1976, p. 60-109. |
| (met medew. van Willy Pijnenburg): Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het
jaar 1300). Reeks I: Ambtelijke bescheiden. Reeks II: Literaire handschriften. 's-Gravenhage,
Leiden, 1977-1987. |
| ‘Germanisering en taalgrens’. In: Algemene Geschiedenis der Nederlanden I. Haarlem, 1981, p.
100-115. |
| ‘Prehistorische waternamen’. In: Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en
Dialectologie / Bulletin de la Commission Royale de Toponymie et Dialectologie 56 (1982), p. 35-58 en 57 (1983), p. 163-187. |
| ‘Noordwesteuropese persoonsnaambestanddelen’. In: Naamkunde14 (1982), p. 80-102. |
| Inventaris van het archief van Sint-Baafs en Bisdom Gent tot eind 1801. 5 dln. Brussel, 1997-2000. |
| | Belangrijkste secundaire literatuur
| Uitvoerige bibliografie in Van Durme 1998a. |
| K. Roelandts: ‘Ten geleide’ en ‘Bio-bibliografie van Maurits Gysseling’. In: Feestbundel voor
Maurits Gysseling. I. Leuven, 1984, p. 1-2 en p. 3-22 (= Naamkunde 16 (1984)). |
| Kr. Hoedemakers: Het toponymisch werk van dr. Maurits Gysseling. Verhandeling tot het
verkrijgen van de graad van licentiaat in de Germaanse Filologie. I-II. Katholieke
Universiteit Leuven, 1984. |
| L. van Durme: ‘In memoriam dr. Maurits Gysseling (1919-1997)’. In: Handelingen van de
Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 70 (1998), p. 63-117 (= Van Durme
1998a). |
| L. van Durme: ‘Maurits Gysseling, 7 september 1919 - 24 november 1997’. In: Jaarboek van
de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 1998, p. 118-125. |
| | Locatie archief en brievencollectie
Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Koningstraat 18 9000 Gent
(België). Men kan er raadplegen: L. van Durme: Wetenschappelijke nalatenschap van dr.
Maurits Gysseling. Voorlopige inventaris. Gent, 2000.
|
|