Bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek


auteur: Karina van Dalen-Oskam, Ingrid Biesheuvel, Wim van Anrooij en Jan Noordegraaf


bron: Het Bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek werd speciaal opgezet voor digitale publicatie en verscheen niet eerder in druk.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Kluit, A.

Kluit, Adriaan * 9 februari 1735 Dordrecht; † 12 januari 1807 Leiden, gezaghebbend historicus en taalkundige die vooral de reglementering van het Nederlands ter hand heeft genomen. Vooral de spelling en het genusonderscheid hadden zijn aandacht; door zijn invloed op Siegenbeek en Weiland speelden zijn opvattingen daarover een belangrijke rol in de codificatie van het Nederlands.

 



illustratie

Adriaan Kluit was het achtste kind van de apotheker Willem Kluit en Cornelia Louise de la Coste, dochter van een Waals predikant. Van 1755 tot 1760 studeerde hij geschiedenis en klassieke talen in Utrecht. Bovendien legde hij zich intensief toe op het Nederlands en vanaf de oprichting in 1759 was hij actief lid van het Utrechtse studentengenootschap Dulces ante omnia Musae. Van 1760 tot 1764 werkte hij als leraar klassieke talen in Dordrecht en Den Haag. In 1764 werd hij rector aan de Latijnse school in Alkmaar. In 1769 vertrok hij naar Middelburg, waar hij rector werd van het stedelijk gymnasium en lector, vanaf 1776 professor, aan het Atheneum Illustre. In 1779 werd hij hoogleraar in Leiden, waar hij als eerste een afzonderlijke leerstoel in de geschiedenis bezette. Kluit was zeer Oranjegezind; hij gebruikte de geschiedenis om er contemporaine politiek mee te bedrijven en dat leidde tot een flink aantal conflicten. In 1795 werd hij ontslagen; in 1802 volgde eerherstel en werd hij opnieuw benoemd tot hoogleraar. Kluit overleed op maandag 12 januari 1807. Samen met zijn vrouw werd hij bij de kruitramp in Leiden bedolven onder het puin van zijn huis aan het Rapenburg.

Kluit dankt zijn grootste faam aan zijn activiteiten als historicus, maar hij heeft zich ook intensief met uiteenlopende taalkundige onderwerpen beziggehouden. Hij had grote belangstelling voor de activiteiten van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde, waarvan hij in 1766 mede-oprichter was, en werkte veelvuldig mee aan het beoordelen en uitwerken van bij de Maatschappij ingediende verhandelingen. Zijn gezag op het gebied van de neerlandistiek was zo groot, dat het Staatsbestuur hem raadpleegde alvorens een besluit te nemen over de spellingsregeling van Siegenbeek (1804) en de spraakkunst van Weiland (1805).

Ontwikkeling en karakterisering

Al vanaf zijn studententijd was Kluit een vooraanstaand lid van enkele letterkundige genootschappen. In hun streven naar verbetering van de moedertaal legden de genootschappers sterk de nadruk op verzorgd taalgebruik. Het beschaven van de taal was een maatschappelijke noodzaak. Vooral de reglementering van taal en spelling stond in de belangstelling en het ontbreken van een uniforme regeling op het gebied van spelling en spraakkunst werd als een groot gemis ervaren. Kluit heeft het onderwerp van de taalreglementering met succes aangepakt. Zijn bijdragen hebben vooral betrekking op het genusonderscheid en de spelling, en ook voor het Nederduitsch Woordenboek, het ambitieuze project dat de Maatschappij bijna fataal werd, heeft hij zich ingezet.

Grondidee in de opvattingen van Kluit is dat de taal in oorsprong een grote regelmaat kende en hiermee sluit hij aan bij de inzichten omtrent analogie van de Schola Hemsterhusiana, Adriaen Verwer (c.1654-1717), Lambert ten Kate (1674-1731) en Balthazar Huydecoper (1695-1778). Voor Kluit is analogie de grondslag van alle talen en taalregels moeten dan ook op die regelmaat gebaseerd worden. Door het gebruik is echter van de oorspronkelijke regelmaat afgeweken en de regels zijn daardoor moeilijk te vinden. Bij het opsporen van de taalwetten hanteert Kluit een empirisch-inductieve werkwijze: de regels moeten uit de verschijnselen worden afgeleid en niet worden bedacht om een (kunstmatige) regelmaat aan te brengen.

Aanvankelijk was Kluit van mening dat de oorspronkelijke analogie in het Middelnederlands gezocht moest worden. Hij laat zich hierbij leiden door de opvattingen van Verwer, wiens Linguae belgicae idea grammatica, poetica, rhetorica hij omstreeks 1759 uit het Latijn vertaalde, en, vooral, Huydecoper. De taal boekt vooruitgang als de regelmaat wordt achterhaald en evenals Huydecoper probeert hij de verloren gegane regelmaat te herstellen. In zijn latere publicaties komt Kluit tot het inzicht dat taalontwikkeling niet uitsluitend op te vatten is als een verbastering van de Middelnederlandse analogie. Hij sluit zich aan bij de inzichten van Ten Kate; deze veronderstelde weliswaar ook een periode van volmaakte analogie, maar zocht die in een veel verder verleden dan Verwer en Huydecoper. De taal moet beschouwd worden als een product van de rede; het zicht op de taalregels is in de loop der tijden verloren gegaan en de taalkundige dient ze met behulp van zijn ratio op te sporen in de taalverschijnselen. Kluit kiest hierbij nadrukkelijk voor Ten Kates methode van historische taalvergelijking. Aan het daadwerkelijk beoefenen van de historisch-vergelijkende taalwetenschap is Kluit overigens niet toegekomen, wellicht omdat hij teveel in beslag werd genomen door zijn werk als historicus.

Kluit onderschrijft de sociale taalconceptie van de letterkundige genootschappen, waarmee de taalstudie in een nationalistisch perspectief wordt geplaatst: beschaving van de taal is belangrijk voor het welzijn van de maatschappij. Beschaving van de taal staat gelijk aan herstel van de regelmaat en van verbetering is sprake als onregelmatigheden zoveel mogelijk worden voorkomen. Zolang de taalkundige de regelmaat echter nog niet heeft achterhaald, kiest Kluit, net als Ten Kate, voor het ‘achtbare gebruik’ als leidraad. Het is de verdienste van Kluit geweest, dat hij dat achtbare gebruik vastlegde wat het genusonderscheid en een aantal spellingproblemen betreft, en daarmee de weg vrijmaakte voor codificatie van die onderwerpen.

Adriaan Kluit is te beschouwen als een overgangsfiguur. De overgang van de achttiende-eeuwse historische taalstudie naar de negentiende-eeuwse, heeft in het werk van Kluit letterlijk gestalte gekregen. Aanvankelijk baseert hij zich op de methode van Huydecoper, die in de achttiende eeuw zeer gezaghebbend was maar in de negentiende eeuw gaandeweg aan invloed inboette. Later kiest hij voor de benadering van Lambert ten Kate, die in de achttiende eeuw weliswaar zeer werd geprezen, maar nauwelijks werd nagevolgd. Pas in de negentiende eeuw zou de historisch-vergelijkende methode tot grote bloei komen. In zijn waardering voor de methode van Ten Kate loopt Kluit vooruit op ontwikkelingen in de negentiende eeuw en is hij verbonden met de historisch-vergelijkende taalwetenschap. Het sterkst is hij echter verbonden met de normatief-kritische traditie. Zijn taalkundige activiteiten hadden vooral een normatieve bedoeling: de taalwetten moesten worden opgespoord, opdat daaruit de voorschriften voor het juiste taalgebruik konden worden afgeleid.

Invloed

Kluit heeft zijn opvattingen over het genusonderscheid en de spelling verwoord in een beperkt aantal publicaties. In 1759 trad hij voor het eerst in de openbaarheid met de door hem bezorgde, flink vermeerderde vijfde druk van David van Hoogstratens Lijst der gebruikelijkste zelfstandige naamwoorden, de meest gezaghebbende geslachtslijst van de achttiende eeuw. In 1783 volgde de zesde, opnieuw sterk uitgebreide druk van deze Lijst. Hierin formuleerde hij een aantal regels om het geslacht van zelfstandige naamwoorden te bepalen. Deze regels heeft Pieter Weiland in zijn Nederduitsche Spraakkunst (1805) grotendeels overgenomen en ook in vrijwel alle negentiende-eeuwse schrijftaalgrammatica's zijn ze terug te vinden. Over de spelling gaf Kluit twee artikelen in het licht, in 1763 en 1777; de inzichten die hij daarin naar voren bracht zijn vrijwel onveranderd overgenomen door Matthijs Siegenbeek in diens Verhandeling over de Nederduitsche spelling (1804), de eerste officiële spelling van het Nederlands. Vastgesteld kan worden dat de invloed van Kluit duidelijk zichtbaar is in de schrijftaalregeling van 1804/5 en dat het gezag van die regeling voor de betreffende onderwerpen terug te voeren is op de autoriteit van Kluit.

 

Igor van de Bilt
[30 juli 2003]

Voornaamste geschriften

D. van Hoogstratens Lijst der gebruikelijkste zelfstandige naamwoorden. Amsterdam, 1759 (5e druk) en 1783 (6e druk).
‘Eerste vertoog over de tegenwoordige spelling der Nederduitsche taal, vergeleken met de spelling der ouden, en uit dezelve ene soort van evenredigheit opgemaakt’. In: Nieuwe Bydragen tot de opbouw der vaderlandsche letterkunde. Eerste deel, derde stuk, p. 281-352. Leiden, 1763.
‘Vertoog over de spelling der Nederduitsche taal, vergeleken met de spelling der ouden, en uit dezelve ene soort van evenredigheid opgemaakt’. In: Werken van de Maetschappy der Nederlandsche letterkunde te Leyden. Derde deel, p. 1-42. Leiden, 1777.

Belangrijkste secundaire literatuur

G.A Boutelje: Bijdrage tot de kennis van A. Kluits opvattingen over onze oudere vaderlandsche geschiedenis. Groningen, 1920.
F.W.N. Hugenholz: ‘Adriaan Kluit en het onderwijs in de mediaevistiek’. In: Geschiedschrijving in Nederland. Deel I: Geschiedschrijvers, p. 143-165. 's-Gravenhage, 1981.
I. Schöffer: ‘Adriaan Kluit, een voorganger’. In: Tijdschrift voor geschiedenis 101 (1988), p. 3-16.
Igor van de Bilt: ‘Adriaan Kluit (1735-1807) en de spelling van het Nederlands’. In: Voortgang. Jaarboek voor de Neerlandistiek XIX (2000), p. 95-142.
Igor van de Bilt: ‘Adriaan Kluit (1735-1807) en het genus: over analogie en usus’. In: Voortgang. Jaarboek voor de Neerlandistiek XX (2001), p. 73-116.

Locatie archief

Geen Kluit-archief bekend.

Locatie brievencollecties

Van Kluit bestaat een flinke collectie brieven in de Universiteitsbibliotheek Leiden en de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag (zie CEN).