terug  begin  verderprepost

Muller, J.W.

Muller, Jacob Wijbrand * 14 juni 1858 Amsterdam; † 18 maart 1945 Leiden, lexicograaf en filoloog, Reynaert-specialist

 



illustratie

Jacob Muller stamt uit een doopsgezind milieu waarin cultuur en wetenschap een voorname rol speelden. Aanvankelijk voorbestemd om zijn vader Frederik Muller in de boekhandel op te volgen, mocht Jacob toch Nederlands studeren aan de Leidse universiteit. Hij legde zijn doctoraal examen af in 1881, tevens het jaar waarin hij trouwde. Vanaf 1882 werkte hij enige jaren als leraar op een Haarlems gymnasium. In deze periode is hij in Leiden bij Matthias de Vries gepromoveerd op het proefschrift De oude en de jongere bewerking van den Reinaert. Bijdrage tot de critiek der beide Reinaert-gedichten (1884). In 1888 werd Muller benoemd als redacteur bij het Woordenboek der Nederlandsche taal. In deze Leidse betrekking heeft hij veertien jaar gewerkt. In 1902 aanvaardde Muller aan de Utrechtse universiteit de leerstoel Nederlandse taal- en letterkunde. Het academisch onderwijs legde in de daarop volgende jaren - vanwege de uitgebreidheid van de leeropdracht - een groot beslag op zijn werkkracht. Na de dood van zijn vrouw (in 1911) en jongste dochter, solliciteerde hij in 1915 met succes naar de in Leiden vrijgekomen leerstoel voor Nederlandse taalkunde. Als opvolger van Verdam (met wiens dochter hij hertrouwde) had Muller meer tijd voor wetenschappelijk onderzoek, dat vooral historisch taalkundig en filologisch van aard was. Toen hij steeds meer last kreeg met zijn gezondheid besloot hij in 1924, vier jaar voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd (toen nog 70), zijn hoogleraarsambt neer te leggen. Toch heeft de emeritus in de twintig jaren die hem nog restten meer dan honderd artikelen gepubliceerd, ongeveer evenveel als tijdens zijn hele carrière als lexicograaf en hoogleraar tezamen. In het voorjaar van 1945 stierf Muller na een korte ziekte, zesentachtig jaar oud.

Ontwikkeling en karakterisering

Jacob Muller was een historisch taalkundige uit de filologische school van De Vries. Bij het WNT werkte hij aan de delen III-V. Een bekende woordstudie van zijn hand is die over ‘toneel’, een zestiende-eeuwse wisselvorm (met bijgedachte aan ‘tonen’) van het substantief ‘tanneel’: ‘estrade, tribune, getimmerte’ dat ontleend is aan het Oudfranse ‘tinel’: ‘plechtige bijeenkomst, hof, staatsie, receptie’ (1899). Veel waardering oogstte Muller met zijn bijdrage ‘Spreektaal en schrijftaal in het Nederlandsch’ (1891), waarin hij de (toenmalige) grote verschillen tussen beide verklaart met de hypothese dat de algemene schrijftaal in de Republiek geworteld bleef in de gevestigde schrijftraditie die van oudsher sterk gedomineerd werd door het Vlaams en Brabants, terwijl de beschaafde spreektaal zich gericht heeft naar het Hollandse dialect. Tot Mullers taalkundige studies uit de periode van zijn Leidse hoogleraarschap en emeritaat behoren onder meer: ‘Over ware en schijnbare gallicismen in het Middelnederlandsch’ (1920); ‘De uitbreiding van ons taalgebied in de zeventiende eeuw’ (1921; 19392); ‘Bijdragen tot de geschiedenis onzer Nieuwnederlandsche aanspreekvormen’ en ‘De herkomst van je en jij’ (1926).

Met de Middelnederlandse dierenroman Van den vos Reynaerde heeft hij zich als filoloog zestig jaar beziggehouden. Zijn academisch proefschrift behandelde de tekstkritiek van Van den vos Reynaerde en de jongere omwerking en continuatie Reynaerts historie (1884). Na een omvangrijke studie over de taalvormen van beide gedichten (1887) en een uitgave van de op Reynaerts historie teruggaande Goudse prozadruk uit 1479 (1892), bezorgde hij samen met F. Buitenrust Hettema in 1903 een editie van Van den vos Reynaerde naar de enige complete redactie van de tekst uit het Comburgse handschrift van ca. 1400 (A). Maar Muller, die graag een kritisch gezuiverde tekst in het licht had willen geven, moest zich neerleggen bij de visie van Buitenrust Hettema, die een voorstander van een zo dicht mogelijk bij het afschrift blijvende, diplomatische tekstuitgave was. Het commentaardeel werd in 1910 door Buitenrust Hettema alleen bezorgd. Muller had in 1908, met wederzijds goedvinden, de medewerking beëindigd. Dat had te maken met de sensationele ontdekking van een veertiende-eeuws Reynaert-handschrift in de bibliotheek van Schloss Dyck bij Neuss in Rheinland-Westfalen (F). Reeds in 1889 was er in Duitsland een dubbelblad van een dertiende-eeuws handschrift van Van den vos Reynaerde boven water gekomen (E), maar met deze tweede complete redactie kreeg Muller een waardevol instrument in handen om de oorspronkelijke tekst van Van den vos Reynaerde te reconstrueren. Een kritische editie verscheen in 1914, de zogeheten Critische Commentaar in 1917. Enerzijds zijn, volgens Muller, hs. A waarschijnlijk en E vrij zeker nauwer verwant met F. Anderzijds zijn L (een bekortende Latijnse vertaling van Van den vos Reynaerde, vóór 1280 vervaardigd) en B (het handschrift met Reynaerts historie) waarschijnlijk onderling nauwer verwant. In de stamboom zijn er derhalve twee families AF(E) tegenover LB. Wanneer nu de varianten uit de diverse bronnen gedistribueerd zijn in dichotomieën als AFL x B, AFB x L, A x FBL of F x ABL, kan de stamboom de oorspronkelijke lezing objectief scheiden van de jongere. Bij dichotomieën als A x F - (LB zwijgen) of AF x LB is dat evenwel onmogelijk, en moet (subjectieve) interpretatie de doorslag geven. Muller weegt daartoe de onzekere varianten vers voor vers uitvoerig en expliciet. Om deze interpretatie zoveel mogelijk te kunnen objectiveren, en om de taalvormen afkomstig uit diverse bronnen te kunnen normaliseren, onderwerpt Muller klinkers, medeklinkers, vervoeging, verbuiging, eigennamen, wisselvormen, enclise, proclise, lexicologische verschillen, versbouw etc. aan een kwantitatieve analyse. Muller bleef in de jaren erna overigens aan zijn kritische tekst schaven, tot in de derde druk van Van den vos Reynaerde (1944).

Invloed

Mullers lexicografische werk aan het WNT is uiteraard van blijvende betekenis. Een deel van zijn taalkundige publicaties wordt nog met vrucht geraadpleegd, ofschoon de historische taalkunde tegenwoordig een veel kleiner segment van de neerlandistiek beslaat dan in Mullers tijd. In het Reynaert-onderzoek vinden Mullers tekstgenetische hypotheses (o.a. over het dubbel auteurschap) niet veel medestanders meer. Niettemin is zijn Critische commentaar (1917) van groot methodologisch belang voor de tekstkritiek van Middelnederlandse werken, herbergt zijn Exegetische commentaar (1942) een schat aan subtiele taalkundige, literaire en historische verklaringen, en vormen zijn kritische edities van Van den vos Reynaerde in samenhang hiermee een filologisch monument.

 

A.Th. Bouwman
[oktober 2003]

Belangrijkste geschriften

‘Tooneel en Houweel’. In: TNTL 18 (1899), p. 219-237.
‘Eischen en bezwaren der wetenschappelijke lexicographie’. In: Taal en Letteren 9 (1899), p. 193-220.
Critische commentaar op Van den vos Reinaerde naar de thans bekende handschriften en bewerkingen. Utrecht, 1917.
Van den vos Reinaerde. Exegetische commentaar. Leiden, 1942.
Van den vos Reinaerde. Critisch uitgegeven. Derde opnieuw herz. en verm. dr. Leiden, 1944.

Belangrijkste secundaire literatuur

Uitvoerige bibliografie in Van Lessen 1945-1946.
J.H. van Lessen: levensbericht in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1945-1946, p. 27-56.
G. Karsten: 100 jaar Nederlandsche philologie. M. de Vries en zijn school. Leiden, 1949, p. 207-215.
A.Th. Bouwman: ‘Zestig jaar filologie. Jacob Wijbrand Muller (1858-1945)’. In: Der vaderen boek. Beoefenaren van de studie der Middelnederlandse letterkunde. Red. W. van Anrooij, D. Hogenelst & G. Warnar. Amsterdam, 2003, p. 137-149, p. 274-275, 307-309.

Locatie archief

De Universiteitsbibliotheek Leiden bezit delen van Mullers nalatenschap: in de negen banden tellende Opuscula varia (1507 B 19-27) verzamelde hij zijn overdrukken en verrijkte ze met correcties en aanvullingen in handschrift, krantenknipsels en ingevoegde brieven; stukken van en over Muller berusten onder signatuur LTK 2025, brieven van en aan Muller onder signatuur LTK 2018.

Locatie brievencollecties

Zie onder Locatie archief en vooral 289 brieven uit de jaren 1890-1937 aan W.L. de Vreese (Leiden, Universiteitsbibliotheek, BPL 2998), en verder 113 brieven uit de jaren 1888-1920 aan F. Buitenrust Hettema (Leeuwarden, Prov. Bibl. Friesland, Hs. F.B.H. - Br.) alsmede 113 brieven uit de jaren 1888-1937 aan J. te Winkel (Den Haag, KB, 77 E 17-18).

prepostterug  begin  verder