Ontwikkeling en karakterisering
Zwaan, opgeleid als historisch taalkundige, had bijzondere belangstelling voor de wijze
waarop het denken over spraakkunstige problemen in het Nederlandse taalgebied zich
ontwikkelde. In zijn dissertatie wordt de worsteling zichtbaar van P.C. Hooft en andere in
grammatica geïnteresseerde zeventiende-eeuwers met de problemen van de nog niet
gestandaardiseerde Nederlandse schrijftaal. Na zijn benoeming aan de opleidingen voor
middelbare akten Nederlands van de Vrije Leergangen te Amsterdam wordt zijn werk
gekenmerkt door twee aandachtsgebieden: de vernieuwing van de traditionele grammatica en
de grammaticale eigenschappen van oudere taal, het zeventiende-eeuws in het bijzonder.
Beide aandachtsgebieden komen samen in de indrukwekkende reeks tekstuitgaven die hij
tussen 1960 en 1984 alleen of in samenwerking met anderen verzorgde. Om de oude teksten
voor de moderne lezer toegankelijker te maken, gebruikte hij in zijn taalkundig commentaar
eigentijdse grammaticale begrippen.
De taalkundige publicaties van Zwaan hebben een polemisch karakter. Zij getuigen van
zijn grote betrokkenheid bij de discussies over de vernieuwde inzichten in de grammatica van
het Nederlands die kenmerkend zijn voor de groep taalonderzoekers rond A.W. de Groot. Het werk van Zwaan is daardoor te karakteriseren als gematigd structuralistisch.
Typerend voor hem zijn de scherpzinnige taalanalyses en het zoeken naar criteria om het
voorzetselvoorwerp als zinsdeel te definiëren. Van groot belang is zijn inzet om in aansluiting
bij het werk van H.F.A. Van der Lubbe het problematische begrip ‘bepaling van
gesteldheid’ grammaticaal te funderen en de bijbehorende terminologie te vernieuwen.
Tussen 1960 en 1968 werkte Zwaan mee aan de twee delen Proeven van tekst en
commentaar voor de uitgave van Hoofts lyriek, voorbereidende tekstuitgaven voor een
onderdeel van de grote Hooft-editie. Het project stond onder leiding van W. Gs Hellinga. De tekstuitgave van de lyrische poëzie van Hooft moest de opvolger worden van
de eerste uitgave naar de handschriften van Leendertz-Stoett aan het eind van de
negentiende-eeuw. De bedoelde uitgave zag echter pas in 1994 het licht in een editie
verzorgd door P. Tuinman en G.P. van der Stroom.
In aansluiting op het project verzorgde Zwaan ook de commentaren bij de brieven van
Hooft die H.W. van Tricht uitgaf tussen 1976 en 1979.
Het grootste deel van Zwaans filologische oeuvre wordt echter gevormd door de
tekstuitgaven van vrijwel alle belangrijke grote gedichten van Huygens. Hij trad bovendien
veelvuldig in discussie met anderen, hetzij over de interpretatie van een woord, hetzij over
een gedicht, zoals: Op de dood van Sterre (zie Zwaanzinningheden p. 59-62).
Alle teksten van Huygens zijn uitgegeven naar het handschrift en nauwgezet van
commentaar voorzien. De commentaren omvatten woordverklaringen, syntactische informatie
en waar nodig voor het tekstbegrip, de volledige vertaling van een zin of passage. In de
inleiding van Voet-maet, Rijm en Reden (19692) motiveert Zwaan zijn wijze van commentaar
leveren uit de behoefte zijn lezing te verantwoorden met het doel het de lezer mogelijk te
maken diep in de tekst door te dringen.