|
|
|
| |
| |
| | | |
Vyfde bedryf.
Arcos. Anjello in een kleet van Staat. Aartshartogin. Marionet. Majombe. Genovino. Arapaia. Math. d'Amalfi. Medina. Spinelli. Anaclerio. Tiberio. Filomarino Aartsbisschop van Napels.
Zyt wellekoom, mijn Heer, en wijl ik u bejeegen,
Zoo schenkt den hemel u genadelijk zijn zeegen,
1855
En al u doen dat werdt gehanthaaft door zijn handt,
Terwijl wy zien den Staat, het volk en 't vaderlant
Hersteldt door u gezach in een gewenste vreede.
Anjello met zijn gevolg werpen zig alle voor des Onderkonings voeten.
Wy werpen ons ter neêr. Zoo u Doorlughtigheede
Zich wreeken wil, wy zijn al t'zamen in zijn magt.
1860
Zijt wel gemoedt, mijn Zoon, al 't geen 'er is volbragt,
Dat keuren wy voor goedt als quaam 't uyt onze ordre,
En stont het noch te doen +, wy zouden 't zelfs bevordre.
Dies hebt gy aan dat werk een goeden gront geleyt,
Zoo werdt het regt des volks en d'eer der Majesteyt,
1865
Te regt gehanthaaft, lang veraardt in quade zeeden,
Dies vaar maar vlijrigh voort, en uw Eerweerdigheden,
Die zy voor al dees eer +, die door zijn hoogh gezach,
Uyt zoo veel duysternis, ons schept dien blijden dach,
Waar in wy Staat en volk zien beyde triomfeeren.
1870
Dies rijst, mijn zoon, ay rijst, en gy, doorlugte heeren,
Gy zijt mijn wellekoom op wien zich elk verlaat.
Gy die nu stijlen strekt om dit gebouw van staat
Door uwe wijsheydt en bestiering t'onderschraagen,
Om 't recht der heerschappy te vordren 't volk behagen +,
1875
Volhart slegs in u doen, en ik verheugh my dat
Ik zie dien man, die zoo een wijtvermaarde stadt
En Rijk gebracht heeft in zoo goeden stant der zaaken.
Mijn lief, ay wilt Mevrouw Anjello wat vermaaken
En zijn Vrou moeder met haar gantsche sleep en stoet.
| | | |
1880
Mevrouwe zijt gegroet, die ons nu d'eere doet
Dat ik haar d'handen kus. Indien 't u lust te wandlen
Met my naar onzen hof, terwijl de heeren handlen
De zaaken van den Staat, gy zult u lust daar voên
En 't oogh doen weyen in orangjen en cytroen
1885
En andre wellust, 't geen de zinnen best kan streelen.
Of in 't Cypresse bos, in digte lustpriëelen,
En koele schaduwen voor 't braaden van de zon,
Of in 't fonteynhof by een aangenaame bron,
Niet die door leydingen van onderaartze buyzen,
1890
Maar die van onderen al levend op komt bruyzen,
En daar natuur haar op het wonderlijkst vertoont.
Haar Hoogheyt zy gedankt, wy bidden u verschoont
Ons doch voor deeze reys van zoo veel eers t'ontfangen.
Wy + zijn slegs in ons doen en daaglijks ommegangen
1895
Gewoon te voegen ons by ons en ons gelijk.
Ik eer u heeden voor de grootste vrouw van 't Rijk.
Dies hebt gy billijk u ook naar dien staat te voegen.
Ik en mijn kindt, Mevrouw, die hebben ons genoegen
Als of wy d'eer alree genooten hadden.
Gelieft Mevrouw aldus te duyden.
Verschil + hebt gy Mevrouw, waar toe dit wederstreven?
Mijn Heer Anjello die gelief zijn stem te geven,
Op dat de vrouwen toch geraaken op het spoor +.
Gaat, gaat, maar draagt u zoo, dat ik geen klagten hoor.
1905
Hout u ordentlijk, zoo in 't komen als in 't scheyde.
| | | |
Mevrouw, met u verlof, dar ik u dan geleyde
Tot aan de poort van 't Hof. Mijn Lief, doet alles dan
't Geen al de zinnen t'zaam en elk vernoegen kan,
Wy zullen tijdelijk u weder hier verwagten. Vrouwen bin.
1910
Nu staat, mijn Heeren, ons al t'zamen te betragten
Het regt der Heerschappy, op dat zijn Majesteyt
Voor eeuwigh Konink zy. 't Geen zijn Eerweerdigheyt
Met u mijn Heer (als hooft des volks) nu heeft beslooten.
Dat keuren wy, als ook al andre Rijksgenooten,
1915
Voor een uytsteekent werk en nut voor dezen Staat.
't Gemene best, het geen ons meest ter harten gaat,
Zijn wy altoos geweest geneegen te bevord'ren,
En ons voor al gehoedt om scheuring en onord'ren
Te voeden, wijl wy zijn geweest van dat verstandt +,
1920
Dat door de rust des volks bestont de kragt van 't landt.
Gelijk 't noch by ons leyt en 't welk wy noch op heeden
Betragten heyliglijk en uw Eerweerdigheden
Die zy hier van getuyg', hoe dat wy door de smart
Des volks ons vonden zelfs getroffen in het hart,
1925
En wat wy wenden aan om dit verderf te weeren.
Uw Hoogheyt zy bekent, en gy, doorlugte Heeren, 1
Hoe dat van tijt tot tijt des volks geregtigheên
En keuren hun vergunt, zijn met de voet getreên,
En hoe voorts alles is verwijdert en verloopen.
1930
Dat ook quaa zeeden zijn bedektlijk ingesloopen
En dat den Adeldom, door gierigheyt verrukt +,
Het volk tot noch toe heeft als slaven onderdrukt.
En dat zy + niet, indien men slegs hier op wil letten,
Te regt gehandthaaft zijn naar hun beschreve wetten
1935
En voorregten, voor heen by Princen hun verleent.
Des Vorsten achtbaarheyt bestaat in zijn gemeent:
Zy zijn de peerelen, die zijne kroon vercieren.
Een wettigh vorst, in 't regt der volkren te bestieren, 2
| | | |
Heerst door bepaalde magt naar 't regt der heerschappy.
1940
En zoo hy dan bestaat, het volk door dwinglandy
Te drukken, los is hy, onwettigh, en zijn erven,
En wet het wettigh swaart alleen tor zijn bederven,
Van welken ons zoo nu en dan zijn voorgegaan.
Wy hebben, het is waar, ons derven onderstaan
1945
Her Hof te dwingen, om hun driften in te toomen,
En zijn, naar wens, daar in zoo verre ook gekoomen
Dat wy den standt des volks zien t'enemaal hersteldt,
En hoe dat dwinglandy, bedroch en ook geweldt,
Dry pesten in een Staat, zijn met de voet getreeden.
1950
Wy hebben nooyt getragt dan 's volks geregtigheeden
En 's Konings agtbaarheyt te vordren te gelijk,
Om door de rust van dien de welstandt van het Rijk
Te vordren, en hier toe zoo zijn wy aangedreven
Om zulks te voeren uyt. Wy sterven dan of leeven.
1955
Den hemel die zy hier voor eeuwigh lof en prijs.
Eens sterven is mijn lot, maar hoe en op wat wijs,
Zijn wy het noodlot als tot noch toe onderworpen.
En is 'er bloedt gestordt, daar is geen bloedt geslorpen,
Maar ons alleen geredt van al 't gelede leet.
1960
Niet als die van het Hof +, die 't bloet gemengt met sweet
Opslorpten om daar meê hun zelven vet te mesten,
Maar om te roeyen uyt die vuyl' vervloekte pesten,
Het welk het volk door my was heylighlijk belooft.
Nu koom ik zelfs, mijn heer, en offer u mijn hooft.
1965
Uw Hoogheyt doe met my zoo als hy vindt geraaden.
U zal geen leet geschiên, veel min verderf noch schaade,
Het welk u zy van my op trouwe toegezeydt.
En op dat gy moogt zien hoe zijne Majesteyt
U doen veraangenaamt, dat zuilen wy doen blijken
1970
Met u gezach en Staat door tyt'len te verrijken.
Anjello wert van d'Onder-koning vereert met een goude keting en 's Koninks beeltenis.
Ontfangt hier op van ons, dit borst- en hals-cieraat.
Daar by de waardigheydt van opperhooft van Staat,
't Geen wy uyt 's Koninks naam u neffens dit vereeren
Om 't volk uyt kragt van dien nu voortaan te regeeren.
1975
En dat u naam alleen en rytel werdt gemeldt,
| | | |
Dat alle keuren nu tot noch toe ingesteldt,
Indien + gy die verstaat, in zoo een stant te blijven,
Of die te kreuken of door u gezach te stijven,
Dat staat aan u, zoo gy ten besten vindt geraân.
1980
Dies hebben wy, nu gy de handt aan 't roer zult slaan,
En alles werdt bestierdt op uwe naam en ordre,
Alleen te hopen dat gy 't beste zult bevordre,
't Geen strekken mach tot rust des volks en Heerschappy.
Dat ieder u in als + dan onderdanigh zy
1985
Om 't werk door u beleyt in zoo een stant te trekken.
Al 't geen tot rust en nut des volks en 't Rijk kan strekken,
Daar in zal ieder doen zoo veel als elk vermach,
Doch niet dan onder uw behoorelijk gezach,
Wien wy alleen in 't Rijk voor Opperhooft erkenne.
1990
't Zy verr' van ons, mijn Heer, u achtbaarheyt te schenne,
En iet te doen, het geen nadeeligh was u Staat.
Dat waar in al ons doen een zeer verdoemlijk quaat,
Indien wy, op die wijs, uw Hoogheyt zouden krenken.
Te meer alzoo wy zijn nu vry van nabedenken +,
1995
En alles is gevest nu op een goeden grondt,
Bekragtigt door de bandt van 't heyligh vreêverbont,
Waar meê men 't volk en ons vernoeging heeft gegeven.
Wy hebben u mijn Heer tot dezen staat verheven,
Op dat het volk zou zien ons toegenegentheyt.
2000
O rustelooze wraak! Geef my maar dapperheyt,
Dat ik die pest verdelg', die ons dus houdt beneepen.
Dat gaa zoo 't wil, het mes is echter al gesleepen,
Dat hem (schoon 't eerst niet heeft gelukt) noch treffen zal.
| | | |
Wy zagen, lang voor heen, ons al aan lager wal
2005
Gezet, en toen men u tot reeden zogt te dwingen,
Toen sloegh men 't in de windt.
Nu leert men kleender zingen,
En wijl wy ons nu zien van al dat heyl berooft,
Zoo druypt dit allen uw regtvaardighlijk op 't hooft,
En uwe smaatheyt staat noch daaglijks te vermeeren.
Aartshartogin. Majombe. Marionet.
2010
Mevrouw, ay wilt de gonst en niet de gaaf waardeeren.
't Zijn teekenen alleen van mijn eerbiedigheyt.
En gy, vrouw moeder, wien wy hebben toegeleyt
Dit zuyver borstjuweel, ontfangt dit dan op heden
Ter liefde van mijn jonst en mijn opregtigheden.
2015
't Zal u getuygen doen hoe lief en waardt ons is,
De nauw vereeninge van dees verbintenis.
Terwijl haar Hoogheyt dan gelieft dat wy die waarden
Eerbiedigh van haar handt vrymoedighlijk aanvaarden,
Wy volgen haar daar in en doen her dankbaarlijk.
2020
De pligt gebiedt ons, als de minsten van het Rijk,
Haar Hoogheyt eeuwighlijk te houden in gedagten.
Mijn Heeren, laat ons nu ook heylighlijk betragten,
Den hemel op een meer dan ongewone wijs
Voor zoo een heylzaam werk te geven lof en prijs,
2025
En dat nu 't hoogste lof door godtgewijde tongen
In alle Kerken werdt eerbiedigh opgezongen,
Terwijl ons deze zaak van boven is bestierdt.
Dat deezen dach ook zy gezeegent en gevierdt
En uytgezondert uyt al andre blijde daagen.
2030
Men doe ook feestelijk, godtvrugtigh ommedraagen
| | | |
Het heyligh overschot en 't bloedt van Sint Ingnaar 3,
Gestort om 't Rooms Geloof wel eer op 't kruys altaar,
Doen hy gemoedigt door het martelpark dorst streeven.
Mijn Heer Anjello die gelief dan last te geven,
2035
Op dat het volk zich ook tot deeze pligt bereydt.
Mijn Heer, dat zal hun straks ook werden aangezeydt.
Met uw verlof wy gaan om derwaarts heen te treeden.
Den hemel zy met uw, mijn zoone, gaat in vreeden.
alle binnen.
santinelli, met eenige gewaapende voor de poort van 't hof.
Al wie de hofpoort komt te naadren, dien zult gy
2040
Doen deynzen voor te rugh, hy zy ook wie hy zy.
Barandino. Pacevino. Rey van Napolitanen. Santinelli, met gewapende.
't Lang wagten, entlijk, doet de zorge boven komen.
Hy is gewis by hun moorddadigh omgekomen,
Terwijl hy zich, veel min, of iemandt van den Raadt,
Tot noch toe heeft vertoont in 't venster hier aan straat,
2045
Het welk ik houde voor een zeer rampzaligh teeken,
Zoo dat ik hem niet min als nu voor doodt en reeken.
Men voegh zich dan naar 't Slot.
Maar zagt... wie staat 'er voor?
| | | |
Staa af! Noch eens: staa af, of niet, dat gaat 'er door +.
Wy laten ons door u noch geen gerugt vervaaren +.
2050
Ik zegh noch eens, staa af! Wat hebt gy hier te waaren?
Het geen ons daar toe port, is ons alleen bekendt.
Dat elk zijns weegs dan gaat, wat doet gy hier ontrent?
Men open ons de poort, of niet + het zal uw rouwen.
Daar zullen wy u voor dees tijt wel buyten houwen.
2055
Hoe buyten houwen? Kom, t'za spitsbroêrs, val maar aan.
Hoe Barandin, wat 's dit? Hoe zal ik dit verstaan?
Zijt gy 't? Wat hebt gy voor ons dus te wederstreven?
Den heer Anjello +, die zich heeft naar 't slot begeven
Nu voor een wijl geleên, verzelschapt met zijn raadt,
2060
Om met d'Aartshartogh daar, als hooft des gantschen Staat,
Ten besten van het volk in een besprek te treeden,
En wy bedugt dat zy door hun arglistigheeden
Hem hebben met de rest geholpen aan een kant.
Vertrout gy dit mijn Heer, zoo hebt gy misverstandt.
2065
Hy is met pragt van hier en wel vernoegt gescheyden:
D'Aartshartogh zelfs, die hem tot aan de poort geleyden,
Betoonde hem alle eer, gezach en achtbaarheydt.
Zoo deed ook 't gansche Hof en zijn Eerweerdigheyt
| | | |
Zach hem, als hooft des volks, in top van staat verheven.
2070
Gy hebt (indien 't zoo is) vernoeging ons gegeven,
En zullen 't zelve ook zoo straks doen onderstaan +.
En is 't zoo niet, ik sweer 't, het zal u slegt vergaan.
Kom gaan wy dan zoo voort.
Het zal zich zelfs ontdekken +.
Gy Heren moogt hier op gerust en vry vertrekken.
alle binnen.
Anjello met een geladen roer+, in zijn venster. Arapaia. Genovino. Elise. Math. d'Amalfi.
2075
Is alles nu, gelijk ik heb belast, volbragt?
Een ieder heeft zijn pligt ten besten wel betragt,
Zoo dat wy nu geheel zijn buyten alle vreezen.
Mijn Heer, gelieve dit verzoekschrift eens te leezen. 4
Dees zoude garen, doch niet zonder u verlof
2080
Vertrekken uyt dit Rijk tot naar het Roomse hof;
En op dat hy zijn reys op 't spoedigst mogt vervordren,
Verzoekt hy u geley als ook bevel en ordre
Om onverhindert zich te spoeden derwaarts aan.
Men bootschap hem 't verzoek dat werdt hem toegestaan.
2085
Och och! Waar bergh ik my! Och och! Waar wil dit heenen?
Och och, ik klaagh vergeefs! Vergeefs is al mijn weenen!
Erbarm u toch, mijn Heer, ô bitter ongeval,
| | | |
't Geen my het herte drukt en eeuwigh drukken zal.
Wat wil dit kermen hier en janken voor mijn oogen?
2090
Dees arme dochter, Heer, van droefheyt overtoogen,
Die is haar vader + in geschil en hevigheyt
Door eenen Caraciool 5 handdadigh neêrgeleyt,
Het welkze erbarmlijk u te kennen komt te geeven.
En dit 's den broeder van die geen die 't heeft bedreven,
2095
Dees steldt zich zelven in tot zoening van de zaak
En biedt haar aan, indien zy afstandt doet van wraak
Te vordre - 't geen hy noch voor u hier standt zal houwen + -
Haar wettelijken voor zijn eygen vrouw te trouwen,
Mits dat de broeder zy bevrijt van straf en doodt. 6
2100
Doch zy, te walgelijk + van zulken bedgenoot,
Is schuw voor deze bandt en denkt het stuk wat nader,
Te koestren in haar schoot de broeder die de vader
Heeft omgebragt, en kan in 't minst daar toe verstaan +.
Daar gruw ik zelve van en vind het niet geraân.
2105
Doch wijl de zaak zoo leyt, zoo zal men die verschonen,
Mits dat haar wert vereert in geldt twee duyzent kronen
Tot bruytschat, en hy zy voort balling uyt dit Rijk.
Gaat, gaat, gy hebt gedaan.
Een daadt zoo euvel, die geen Rechter ooyt verschoonde.
2110
Een vrouw, die dach op dach haar man met horens kroonde,
Heeft met haar byzit nu in dees voorleeden nacht,
Een daadt zoo hels als ooyt de hel ook heeft bedacht,
Bestaan en uytgevoerdt - nooyt diergelijk men hoorden -
En heeft hem door haar boel elendigh doen vermoorden,
| | | |
2115
Op welk gerugt, 't geen zich verspreyde door de stadt,
Zoo zijn zy beyd' by ons dus op der daadt gevat.
War zalm'er leeren? Wijl zy bey zijn u gevangen.
Hem rabraaken en haar die zult gy voort doen hangen;
En dat dit in der yl ook straks werd uytgevoert.
binnen.
Barandino. Pacevino, met twee in monnikke kleedren, en beyde gebonden, uyt.
2120
Voort voort, of't werdt u beurt, voort zegh ik, voort, en snoert
De bek, al lang genoegh dus binnens monts gepreevelt.
Wien brengt gy daar zoo vast gebonden en gekneevelt?
Wat gasten zijn 't dus in dit geestelijk gewaadt?
Vermomde schelmen, bey handdadigh aan verraadt,
2125
't Welk deeze brieven u noch klaarder zullen tonen.
Het zijn verraders by den hartogh Matalone
Hier toe gekogt om u door heymelijk verstant
Op 't aller-onverzienst te helpen aan een kant.
Wat zalm' 'er doen, op dat zy meê haar lot ontfangen?
2130
'k Zegh hangen, hangen, hangen;
Verstaat gy 't niet? Hou daar! Ik zal 't u doen verstaan.
Vertrek, noch eens, vertrek, bedaar.
binnen met de gevangenen.
| | | |
Gy reekels, zult gy my op deeze wijs ontmoeten +?
santinelli, met eenige prezenten aan de vrouw van Anjello.
Myn Heer, d'Aartshartogh doet uw uyt zijn naam begroeten;
2135
Zoo doet ook, neffens hem, eerbiedigh d'Hartogin.
Dees zent my aan Mevrouw, mijn Heer zijn gemaalin,
Aan wien zy zich verpligt en eeuwig houdt verbonden
Voor uw vervarssing + hun naar 't nieuwe slot gezonden,
Waar voor zy eeuwiglijk u zullen dankbaar zijn.
2140
Ik koom u by mijn Heer. Marionet.
Marionet uyt.
Wat zal ik? Is 'er iet mijn Heer, wat 's u begeeren?
D'Aartshartogin, Mevrouw, doet u door my vereeren,
Het geen u uyt haar naam hier aangeboden werdt.
De gaaf is kleen, Mevrouw, maar groot de drift van 't hart,
2145
't Geen zig tot uwaarts strekt, dies wiltze niet versmaden.
Zy zent u, neffens dit, dees feest- en praalgewaden
Voor veel genooten deugdt en eere, dies erkendt
Waar van dit teek'nen zijn.
'k Aanvaarde het prezent,
Mevrouw, om u dit te beschrijven,
2150
't Werdt om uw gunst gedaan en om daar in te blijven,
Dien zy zeer hoogh waardeert, en dit 's het enigh wit
Het geenze hier meê beoogt.
| | | |
Haar Hoogheyt, als verhit
en door haar driften als te spoedigh aangedreeven,
Tragt my op deze wijs geheel voorby te streven,
2155
Waar door zy my veel meer dan oyt voorheen verpligt.
Mijn Heer d'Aartshartog werd uyt mijnen naam berigt,
Dat ik hem, om zijn deugdt en heusheyt te beloonen,
Vereer in baren goudt, met honderdt duyzendt kroonen,
Ten dienste van dit Rijk, om Guize +, die met kragt
2160
Dit Rijk vast naadren komt, te stuyten zijne macht.
Mijn Heer, hebt gy ook iets of naders te belasten?
Niets dan ik meen hem haast eens komen te vergasten.
santinelli en Marionet binnen.
Filomarino Aartsbisschop. Anjello. Genovino. Arapaia. Math. d'Amalfi.
Myn Heer, veel heyls in uw gezach met uwe Raaden.
Heer Cardinaal, gy komt al eens al is 't wat spaade,
2165
Doch egter uwe komst die is ons lief en waardt.
Ik dacht mijn Heer, of gy wel ligt verhindert waardt
Met zaaken van den Staat of andre bezigheden.
Gy zijt verschoont mijn Heer en uw Eerweerdighede
Gebiede slegs aan ons het geen gy keurdt voor goedt.
2170
Dat staat aan u mijn Heer. 'k Heb herwaarts my gespoet,
Om dat d'Aartshartoch als godtvrugtigh aangedreven
| | | |
Hem heeft met zijne sleep + zoo naar de Kerk + begeven
Van Carminee, alwaar hy u ook teffens wagt
Om dan gelijkerhandt met staatzy en met pragt
2175
Beneffen u gevolgh hen naar het Hof te leyden.
Wy zullen ons hier toe gewillighlijk bereyden
En ieder vaardigen + te spoeden derwaarts aan.
Met u verlof dan Heer, dat ik u voor mach gaan
Om deze staatzy als te helpen meê bekleede.
Filomar. bin.
Caffarelli Aartsbisschop in Calabrien7. Anjello. Genovino. Arapaia. Math. d'Amalfi.
My geve zijn verlof, op dat ik zeeker mach
Door uw bescherming Heer en opperste gezach,
't Geen my op heeden als een borstweer kan verstrekken,
Om naar mijn Kerke in Kalabrien te trekken,
2185
Door iet noodtzaakelijks, aangaande mijnen Staat,
Mijn Heer Aartsbisschop, gaat
In vreede, en op dat gh'u op ons moogt verlaaten:
Hou daar, dry hondert al gewaapende soldaaten
Tot uwen dienst om u te leyden derwaarts aan.
2190
De meening is, mijn Heer, te water heen te gaan.
| | | |
Te water Heer? Zeer wel, men doe terstondt bestellen
Tien paar Felukken +8, wel bemandt met bootsgezellen,
Om zijn Doorlugtigheyt te volgen op de reys.
Wy zijn verzien, mijn Heer, alleen slegs naar den eys
2195
Van ons en ons gezin +; dus hebben wy op heeden
Mijn Heer te danken van zijn toegenegentheeden
En eere die aan ons in dit geval geschiet.
Indien ik u dan volgh en weygert my dan niet,
Mijn Heer, noch wilt my niet ten derdenmaal verzetten,
2200
Dit zakxken waar in zijn twee duyzent pistoletten +
T'aanvaarden willighlijk op heeden van mijn handt.
Mijn Heer verschoon ons doch dit aan te neemen, want
Uw gunst is meer dan goudt, waar op wy ons vertrouwen.
Aanvaardt dit Heer, noch eens, wilt gy mijn gunst behouwen
2205
En wederstreeft ons niet, want wy 't alzoo verstaan +.
Terwijl gy 't dan zoo wildt, wy neemen 't dankbaar aan.
Met uw verlof dan Heer, dat wy hier meede scheyden.
Den hemel zy met u, en wil u voorts geleyden
Ter plaatze, 't zy waar heen dat uwe reyze strekt.
Caffarelli bin.
Medina. Anjello. Genovino. Arapaia. Math. d'Amalfi.
| | | |
Als ook door anderen wel ernstlijk aangedreven,
Om volgens uw bevel aan ieder een gegeven
Waar by gy wildt dat elk, hoe hoogh van staat en bloedt,
Zigh onderwerpe en eerbiedighlijk u groet
2215
Voor 't hooft des ganschen volks, en om u niet te hoonen,
Koom ik voor af, mijn Heer, aan u mijn pligt te toonen,
En my geheel en al te stellen in uw macht.
Een Ridder van 't geslacht
En uyt 't doorlugtig bloedt der eedele Anversen 9
2220
Verbasterdt heyloos zaat! Meent gy hier door te lessen
De brant die u noch dreygt, of waant gy datghe my
Bedriegen zult door uw vervloekte veynzery?
Dat 's mis en ook vergeefs uw breyn daar op te scherpen.
Wy komen u, mijn Heer, ons zelven onderwerpen,
2225
Als ook om u verlof te gaan 10, gelieft u dan?...
Gaat gaat, gy beed'ler, gaat, ik maak u Prince van
Hy geeft hem een schop in 't gat.
Anverzen, gaat en melt dit vry uw Rijksgenooten.
medina bin.
Dit mogt dus doende ons wel voor de scheenen stooten.
| | | |
Gy gaat wat scherp +, mijn Heer, en varen wy zoo voort
2230
Zoo raakt dit schip ligt in de gront, wy buyten boort.
Want zoo men hun bestaat door zulke trotzigheden
En andre smaatheyt meer dus op den nek te treden,
Zoo zal (gedenkt my vry) ons Rijk niet lang bestaan.
2235
Gy ouden schelm, zult gy dus mijn gezach waardeeren?
En gy verraader, derft gy my ook hier braveeren
En stemmen toe het geen dien ouden hontsvot zeyt?
Hy dreygt haar+ te doorschieten.
Ik sweer dat uw vermeetelheyt
Het leven kosten zal. Voort, zegh ik, uyt mijn oogen,
Vertrek, noch eens vertrek.
Gen. Arap. binnen.
2240
Waar toe dus opgetoogen? +
Bezaadigt u en duydt dit juyst ten quaatsten niet.
Ik zeg laat my begaan, waart gy mijn broeder niet,
Gy zoud ook daadelijk al meê uw straf ontfangen.
En ik gebied u straks, gy zultze beyd doen hangen,
2245
En doet gy 't niet, ik sweer u heyliglijk, dat gy
Daar zelfs voor lijden zult. Wel hoe, of meenen zy
My dus, op deeze wijs, naar hunne handt te zetten?
Dat 's mis, ik wil dat elk gehoorzaamt mijne wetten,
Hy zy ook wie hy zy, en wie dat wederstreeft,
2250
Maakt staat dat hy zijn tijt ten eynde heeft geleeft.
Vertrek dan elk en doe gelijk ik heb beschreeven.
't Zal tijt zijn, dat wy ons zoo naar de Kerk begeeven.
Alle binnen.
| | | |
Medina. Arcos. Filomarino Aartsbisschop van Napels. Anaclerio. Tiberio. Spinelli.
Geen snooder monster heeft de hel oyt uytgebraakt.
Dien Rijkstyran, die pest, van gruwlen saam gemaakt,
2255
Van wien ons zoo veel smaats en wreetheyt staat te lijden,
Dat het onlijd'lijk is. Wy stellen noch ter zijden,
Die trots en spijt aan ons op heeden aangedaan,
Het welk ons 't hart doorknaagt, doch 't zal haast anders gaan.
Ik sweer, ik zal hem dat ten diersten weêr vergelden.
2260
Hier toe heb ik alree vier gasten, die als helden
Om 't werk te voeren uyt, gekreegen op mijn handt,
Om hem noch dezen dach te helpen aan een kant.
Waar toe wy ons geheel met allen yver spoeden.
En als dien aanslach mist, zal hy te feller woeden.
2265
Daar toe is alles al te vast en wel beleyt +.
Medina bin.
Genovino. Arapaia. Arcos. Filomarino Aartsbisschop. Medina. Anaclerio. Tiberio met gevolgh. Spinelli.
Wy komen ons, mijn Heer, aan u Doorlugtigheyt
Uyt eygen driften zelfs vrywilligh overgeven.
Wy offren te gelijk ons beyder lijf en leven,
Terwijl + wy dien tyran in zijn gezach en staat
2270
Gehandthaaft hebben en gestijft met onzen raadt,
Wien wy op heden, om zijn wreetheyt, nu verlaaten.
Indien wy naar het recht en voorbeelt aller Staaten
Regt pleegden, uyt de naam der Oppermajesteyt,
Gy waart (indien de gunst, en goedertierenheyt
2275
Van ons, in dit geval, u niet geheel bevrijde)
Alree gevonnist om uw straf daar voor te lijde.
Doch om de rust des volks en dat wy zien het endt
| | | |
Van zijne tyranny, zoo werdt gy vry gekent +,
Mits dat men u een wijl noch in verzeek'ring houwe.
2280
Dies rijst dan beyde. Doch is by u iets gebrouwe
Waar aan gy schuldigh zijt tot nadeel van den Staat,
Om ons bedektelijk door weegen van verraadt
Te drukken, zoo hebt gy de swaarste straf te draagen.
Vertrek dan, tot men u zal scherper ondervragen.
Genovino. Arapaia binnen.
2285
Men vier hem noch den toom door konst van veynzery.
En volgt men dit, gy zult gewis haast zien hoe hy,
Gelijk een Faëton 11 aan 't hollen zal geraaken.
Anjello in kostelijk gewaadt, en blooten degen in zijn handt.
Nu wy ten dienst des volks en d'algemene zaaken
Ons zelven hebben als voor elk ten doel gesteldt,
2290
Zoo zoekt men ons mijn Heer door lagen en geweldt
Op een barbaarze wijs daar voor den hals te breeken.
Maar om my nu aan dien ondankbren hoop te wreeken,
Zoo heb ik voor om hun als noch van dezen dach
Te doen gevoelen wat mijn achtbaarheyt vermach.
2295
Al waar hy noch zoo groot of hoogh of laagh geboren,
Wy laten ons voortaan van niemandt ringeloren.
Daar toe zoo hebben wy 't alreê te ver gebragt.
Doch uwe Hoogheyt, wien wy nu by overdragt
't Bestier des ganschen volks vrywilligh overdragen,
2300
En laat hem dit van ons in 't minste niet mishagen,
Terwijl het alles werdt weêr in uw magt gesteldt.
Hier op verwerpen wy dit kleet van staat, verzeldt
Met zoo veel pragts, waar door men ons voorheen begroete
Hy treet zijn opperkleet met voeten.
Daar leyt het; ieder trap het neffens my met voeten
2305
Als iet veragtelijks, by my altoos gehaat.
| | | |
Dat ieder u alleen erken als hooft van Staat
En van het gantsche volk; wy zullen ons weêr voegen
Tot onzen eersten staat + en laten ons genoegen +
Dat alles is herstelt in goede rust en vreê.
2310
Doch uwe Hoogheyt staa ons toe noch deze beê:
Dat wy op heden ons wat mogen t'zaam vermaaken,
Naar Posilippo 12 Heer, alzoo wy door het blaaken
Der zon wat zijn verhit; gy zult dan zien hoe dat
Het volk op mijne wenk by duyzenden de stadt
2315
Verlaten zullen om ons derwaarts te geleyden.
Mijn Heer, voor dees tijt nier, alzoo wy zijn bescheyden +
Met zijn Eerweerdigheyt te gaan naar zijn Paleys.
Wel hoe mijn Heer, wat 's dit? Ontzegt gy my dien eys?
'k Herroep dan alles weer en wil voortaan volherden
2320
In mijn gezach en staat; 't is best dan dat wy werden
Van u gevreest dan u te smeeken met gedult.
Wy gaan dan en ik wil dat gy my volgen zult,
Of niet +, ziet toe wie 't zich van beyde zal beklaagen.
Anjello binnen.
Die smaatheyt staat ons nu niet langer om te draagen.
2325
Elk raam slegs middelen tot demping van die pest.
Hy heeft zijn wortelen alree te diep gevest.
Die moet men snoeyen eer zy verder zich verspreyen.
Men laat door hevigheyt zich niet te ligt verleyen.
Men laat zich ook zoo niet trotseeren van die kant.
2330
Hy heeft de meeste macht des volks noch op zijn handt.
| | | |
Elk walgt van al zijn doen en wrede tyrannye.
Zijn ondergang, dat is de rust der heerschappye,
Wie die niet vordert, is een vyandt van 't gemeen.
Zoo doet het en dit komt met my ook over een.
2335
Elk tragt dan, hooft voor hooft, ook meê de handt te houwen
Aan 't geen Medina heeft tot zijnen val gebrouwen.
Wy gaan en wagten iet door hem tot heyl van 't Rijk.
Alle binnen. Filomarino blijft.
De tyranny: 't verderf van Heerschappy en Staaten.
Anjello half gekleet, zonder hoedt, met een schoen, en blooten degen uyt.
2340
Myn Heer, 't ondankbre volk heeft my geheel verlaaten.
Ik ben als radeloos. Hoe radeloos? O neen.
Ik ben de mondt van 't regt, een voorspraak van 't gemeen.
'k Ben meer als Cesar 13 in het geven van mijn wetten.
Staa bloedthondt, staa, mijn volk wilt hem de kop verpletten.
2345
Voort beulen, help my straks die schelmen aan een kant,
Don Karlo Caraciool, Medina en Ferrant,
Helhonden, heyloos zaat en vuyl vervloekte pesten,
Die 't volk tot op 't gebeent, om zich met bloedt te mesten,
Geknaagt hebt, jaagt 'er door! Zoo dat gaat wel, ik zal
2350
Elk hooft tot mijn vermaak gebruyken voor een bal
Om dagelijks daar meê te dart'len en te speelen.
Ik wil dat ieder dan op 't scharpste mijn beveelen
Uytvoeren zal en dat men uyt mijn naam en last
Den eenen door het swaart en d'andre met de bast +
| | | |
2355
Doen sneuv'len zal om ons gezaglijk zoo te maaken.
Zoo vaar maar voort, mijn volk, in 't plond'ren, branden, blaaken.
Zoo werdt met vuur het vuur van onze wraak geblust.
Bedaar mijn zoon, bedaar, en geef u tot de rust.
Te rust mijn Heer? O neen, ik wil my niet bedaaren.
2360
Ik gaa, eer my iet quaats van hem mogt wedervaren.
Het breyn dat kookt en al zijn zinnen zijn ontsteldt.
Aartsbisschop binnen.
Mijn Heer, verlaat gy my? O wreetheyt! O geweldt!
Ik volgh u naa, op hoop dat u Eerweerdigheeden
My magh gedagtich zijn wanneer gy in gebeeden
2365
U buyght voor 't hoog Autaar ootmoedelijk ter neêr.
Medina met de saamgeswoorene.
Pas op, gy kent de leus +: wanneer ik stamp. Mijn Heer
Anjello, met verlof dat wy u hier genaaken...
Wat wilt gy? Zegt mijn volk.
Dat gy u ziel zult braaken,
Tyran en pest van 't Rijk en van den ganschen Staat.
2370
Ondankbre schellemen, o goddeloos verraadt!
Daar leyt dat monster nu, men sleep het heen en weder
Veragtlijk als een hondt de straten op en needer,
Op dat den Adeldom met vreugdt anschouwen mach
Hun vyandt nêergevelde door ons op dezen dach.
all. bin.
| | | |
Arcos. Medina. Spinelli. Filomarino Aartsbisschop. Aartshartogin. Anaclerio. Tiberio. Santinelli.
2375
't Gerugt van zijne doodt quam nauw'lijks ons ter ooren,
Of 't gansche Hof dat scheen gelijk op nieuw herbooren,
Men liep elkanderen al juygendt te gemoet,
De regimenten, zoo te paarde als te voet,
Voorheen een weinigh wat ter zijde afgeweeken,
2380
Betoonden ieder hun bezondre vreugde teeken;
Den Adeldom, die zich een wijl verborgen hadt,
Die zach men veyligh weêr by troepen door de stadt
Hun zelfs vertonen, elk had nu de vrees verbannen.
Medina met het hooft van Anjello op een spies, met gevolgh.
Hier ziet men nu het hooft van 't Hooft der Rijkstyrannen,
2385
Dien bloedthondt, die het Rijk met zoo veel leet en smaat
Gedrukt heeft, en van ons als tot 'er doodt gehaat,
Die 't alles dwong met magt door kragt van zijne wetten.
Men doe zoo dadelijk en in der yl bezetten
De markt, 's Rijks magezijn en toegang tot het slot
2390
Sint Elmo, en het volk by openbaar gebodt
Aanzeggen van ons doen in 't minst te wederstreven +
En dat hun alles werdt uyt 's Koninks naam vergeven,
Mits dat zich ieder voort ontwaapene en stel
Zich nu gewilligh in te volgen ons bevel.
2395
Ook is het nodigh om de vordre rust te vordre
Als dat men spoediglijk nu geve last en ordre
Om zijnen broeder, die zich daad'lijk op 't gerugt
Met al zijn aanhang heeft begeven op de vlugt,
't Zy door wat middelen te mogen agterhaalen.
2400
Terwijl den hemel nu door zijn genadestralen,
En 't opperste geregt door een geregte wraak,
Zich endtlijk heeft erbarmt en hanthaaft uwe zaak,
En dat wy hem als zien van 's hemels vuur geslagen,
En als een Faëton + gesmeeten uyt zijn wagen,
| | | |
2405
Zoo hebben wy als nu veel rijkelijker stof
Als ooyt voorheen om hem te geven prys en lof.
Wy gaan u dan zoo voor om 't zelve te betragten,
En zullen u aldaar terzelver stont verwagten.
Filomarino binnen.
Zoo rijst de zon van Staat weêr heden in dit Rijk.
2410
Zoo heft de Majesteyt zijn kroon weêr uyt het slijk.
Zoo werdt het paard getemt, dat nu als aan de handt draaft +.
Zoo bloeyt een Staat, daar 't regt der volkren werdt gehandthaaft.
UYT
|
+En [...] doen: en als het nog moest gebeuren, dan...
+Die [...] eer: die kome deze eer vooral roe
+'t volk behagen: tot genoegen van het volk
+Wy [...] gelijk: wij zijn slechts gewend om ons onder gelijken te begeven
+geraaken op het spoor: op de te volgen weg raken (m.a.w. meegaan naar de tuin)
+dat verstandt: die opvatting
1Uw Hoogheyt [etc.]: de belangrijkste argumenten uit Anjello's redevoering zijn genoemd in de Inleiding, p. 5.
+door gierigheyt verrukt: door hebzucht meegesleept
+zy: nl. de privileges van het volk (1926, 27)
2Een wettigh vorst [...] bestieren: hier wijst Anjello in algemene termen op het onderscheid tussen een ware vorst en een tiran zoals dat ook tijdens de Opstand tegen Spanje werd gemaakt. Zijn formulering gaat terug op de zogenaamde contractgedachte, volgens welke de vorst slechts soeverein was omdat het volk hem de soevereiniteit had opgedragen. Als hij het volk ging onderdrukken (bijvoorbeeld door privileges te schenden of af te schaffen), verbrak hij het contract; daarmee verloren hij en zijn erfgenamen hun rechten en dan scherpte hij als het ware zelf het wettig zwaard tot zijn ondergang.
+Niet [...] Hof: (lees:) wij hebben niet gehandeld als de hovelingen, die...
+Indien [...] stijven: (dat alle tot nu toe ingestelde handvesten, zie 1976) indien gij ermee instemt, ongewijzigd blijven, of veranderd worden, of door uw gezag bevestigd worden
3Sint Ingnaar: volgens de overlevering berusten de relieken van Ignatius van Antiochië (in 110 te Rome voor de leeuwen geworpen en de marteldood gestorven) niet in Napels maar in Rome.
+Staa af [...] door: (lees:) ga weg, en doe je dar niet, dan word je hardhandig aangepakt
+Den heer Anjello: (lees:) het gaat om de heer Anjello
+onderstaan: informeren, uitzoeken
4Mijn Heer [etc.]: in deze scène zien we Anjello zijn pas verkregen macht aanwenden om recht te spreken. Hij beslist over een verzoek van iemand die naar Rome wil reizen (2078-2084), over een straf voor de moord op de vader van Elise (2085-2107), over een overspelige vrouw die samen met haar ‘boel’ (minnaar) haar echtgenoot vermoord heeft (2109-2119) en over twee als monnik verklede huurmoordenaars (2120-2130).
+Die is haar vader: die d'r vader is...
5Caraciool: een telg uit de Caraccioli-familie, een van de adellijke clans in Napels.
+'t geen [...] houwen: wat hij hier zelf voor u zal verdedigen
6den broeder [etc.]: de broer van de moordenaar van Elises vader heeft aangeboden met haar te zullen trouwen als zij afziet van vervolging van de moordenaar.
+en [...] verstaan: is het laatste waarmee zij kan instemmen
+vervarssing: verse voedingswaren
+de Kerk [...] Van Carminee: zie 1766
7(regie-aanwijzing) Calabrien: Calabrië, de zuidelijkste provincie van het koninkrijk Napels.
8Felukken: feloeken waren zeilschepen die op de Middellandse Zee gebruikt werden.
+pistoletten: gouden munten
+En [...] verstaan: ga dan niet tegen mij in, want zo vat ik het (nl. uw weigeringen van mijn geschenken) op
9Anversen: blijkbaar gebruikt Asselijn deze naam hier voor een adellijk geslacht, maar Aversa is een plaatsnaam; in de bron staat dan ook ‘een Ridder van Aversa uyt het huys van Tufo’ (Van den Bosch 1652, 220).
10verlof te gaan: Medina vraagt toestemming om (naar Aversa, zie 2219) te gaan, zoals in de vorige scène de aartsbischop van Calabrïë toestemming kwam vragen om naar Calabrië af te reizen.
+Gy gaat wat scherp: u doet wat vijandig
+(regie-aanwijzing) haar: hen
+opgetoogen: buiten u zelf
+vry gekent: vrijgesproken
11Faëton: Phaëton mocht van zijn vader, de zonnegod Helios, voor een dag de zonnewagen besturen. De paarden sloegen echter op hol en sterren en aarde dreigden vernietigd te worden. Oppergod Zeus zag zich toen genoodzaakt zijn bliksem te slingeren. De paarden werden vernietigd en Phaëton viel dood. In de zeventiende-eeuwse literatuur stond Phaëton bekend als exemplum van overmoed en roekeloosheid, wat ook staatkundig toegepast kon worden. Zo had Vondel in 1663 het treurspel Faëton Of Reuckeloze Stoutheit gepubliceerd, dat leerde ‘dat de heerschappy van hooge staeten (= het besturen in hoge ambten) alleen aen wijzen en voorzichtigen, en niet aan wulpen (= jonge mensen) en onbeslepene harssens (= ongeschoolden), te betrouwen staet’.
+Tot onzen eersten staat: in mijn vroegere status (Anjello wil dus weer visser zijn)
+en [...] genoegen: en nemen er genoegen mee
12Posilippo: heuvel buiten de stad
+Of niet: en doet u dat niet...
13Cesar: de Romeinse alleenheerser Julius Caesar; zie de opdracht.
+met de bast: met de strop
+van [...] wederstreven: dat men ons handelen niet in het minst weerstreeft
+als een Faëton: zie 2287
+Zoo [...] draaft: zie 430-432
|
|