|
|
|
| | | | | |
Turks-Nederlandse codewisseling. Universele en taalspecifieke aspecten van taalcontact
Ad Backus
*
| |
Abstract
This article provides a summary of the outcomes of the author's
dissertation research on Turkish-Dutch codeswitching (Backus 1996). It attempts
to trace the research questions asked to what has historically been assumed
important in codeswitching research. The place of the mixed lect in the
repertoire of the bilingual is discussed, followed by an overview of the
structures found. Instances of codeswitching are classified according to a
classification scheme combining the strenghts of several current models of the
phenomenon. Added to this is a component addressing the question of selection:
which Dutch elements get targeted for use in Turkish and why? Finally, the
results of a case study in grammaticalization are briefly discussed. This
section concerns the Turkish auxiliary verb yapmak, which has undergone
some semantic extension in the contact setting due to its role in nativizing
Dutch verbs.
| |
1 Inleiding
In dit artikel geef ik een samenvatting van mijn
dissertatie-onderzoek, zoals dat zijn weerslag heeft gevonden in
Backus (1996). Ik zal aan de ene kant de hoofdpunten die
daar zijn behandeld de revue laten passeren, maar aan de andere kant bij een
paar punten die mijn bijzondere interesse hebben wat langer stilstaan.
Mijn onderzoek komt voort uit de zogenaamde
‘codeswitching’ traditie. Deze term, in het Nederlands meestal met
‘codewisseling’ (CW) vertaald, slaat op het afwisselend gebruik van
twee talen, een verschijnsel dat wijdverbreid is in twee- of meertalige
gemeenschappen in de hele wereld. Mijn onderzoek legt de nadruk op de
interactie tussen het Turks en het Nederlands in de Turkse
immigrantenge-meenschap in Nederland en past in een
onderzoekstraditie die aan de ene kant afzonderlijke taalparen onderzoekt maar
aan de andere kant cross-linguïstische vergelijking hoog op de agenda
heeft staan, om uiteindelijk tot universeel geldende conclusies te kunnen
komen.
Het volgende voorbeeld dient als indicatie van de typische data
waarmee men in dit soort onderzoek te maken krijgt.
(1)
- Ilk yapan kişi mesela sen, ben önce terras'a
gidiyorum mesela nou, als ik alleen ga, ilk ben olsaydιm,
alleen terras'a giden Türk kιzι, ben kötü
olurdum. Peşimden gelenler iyi olurdu. Dan is niet meer erg
… (F) | | | |
- …iyi olmazsada yani …. (M)
- …dan is het niet meer erg, çok
yapιncι dan is het niet meer erg. Ama birincisini yapan
die is gewoon de kötüsü … (F)
- ‘Als je bijvoorbeeld de eerste bent die 't doet, als ik de
eerste ben die alleen naar het terras gaat, bijvoorbeeld, nou, als ik
alleen ga, als ik de eerste ben, [het eerste] Turkse meisje dat
alleen naar het terras gaat, dan zou ik slecht zijn. Degenen die
na mij komen zijn OK, dan is het niet meer erg… (F)
- ja, en als't niet goed is … (M)
- dan is het niet meer erg, als iedereen het doet, dan is
het niet meer erg. Maar de eerste van hen die het doet, die is gewoon
de slechtheid zelve.(F)’
Het voorbeeld bevat verschillende soorten CW: M. gaat verder in het
Turks hoewel F. in het Nederlands eindigde, er is veel afwisseling op zins- en
bijzinsgrenzen, er worden Nederlandse woordjes in Turkse zinnen gebruikt, en
een enkel Turks woord (kötüsü) in een Nederlandse zin.
Eén van de voornaamste taken van CW-onderzoek is het in kaart brengen
van de verschillende soorten CW en het zoeken naar een verklaring van hun
voorkomen en hun distributie.
Ik wil beginnen met de onderzoekstraditie een beetje in kaart te
brengen, zodoende de achtergrond schetsend waar mijn onderzoeksvragen al of
niet logisch uit zijn voortgevloeid. Principes die algemeen van belang worden
geacht zijn met name:
| (2) | i | spontane data vormen de basis van het werk; |
| | ii | die data worden zo volledig mogelijk beschreven (alsof het een
nieuw te beschrijven dialect of taal betreft); |
| | iii | die beschrijving is zowel kwantitatief (hoeveel switches) als
kwalitatief (welke patronen, d.w.z.: ‘wat is grammaticaal?’). |
Wat je hier als onderzoeker vervolgens mee doet, wordt uiteraard
voor een groot deel gedicteerd door je eigen affiniteiten. De meest gestelde
onderzoeksvragen zijn de eerste twee van de lijst in (3). De derde vraag heeft
zich de laatste jaren in een toenemende populariteit mogen verheugen.
| (3) | i | welke redenen hebben mensen om van taal te wisselen?; |
| | ii | welke taalkundige regelmatigheden zijn er te ontdekken? |
| | iii | wat voor invloed heeft het verschijnsel op de structuur van de betrokken talen? |
De eerste vraag gaat traditioneel gepaard met een sterke focus op CW
tussen twee zinnen, het type dat door het leven gaat als intersententiële
CW en tegenwoordig ook vaak alternatie wordt genoemd. De tweede vraag beperkt
zich typisch tot CW binnen de zin: intrasententiële CW of insertie. De
derde vraag heeft het meest te maken met insertie, maar niet alleen maar (zie
Maschler 1997).
Ik zal nu ingaan op de vorm waarin deze vragen in mijn proefschrift
terecht zijn gekomen. Daar ik ten tijde van het promotie-onderzoek weinig
affiniteit had met | | | | gespreksanalyse, is de eerste vraag op een
wellicht enigszins onverwachte manier vertaald. De vraag is op twee fronten
gesteld (vraag i en iii hieronder). De andere vragen zijn meer rechtstreeks
herleidbaar uit de hoofdvragen in (3).
| (4) | i | hoe kunnen we het verschijnsel situeren in het linguistisch
repertoire van een tweeetalige gemeenschap en in hoeverre verschilt dit op een
essentiële manier van monolinguale taalgemeenschappen?; |
| | ii | wat voor beschrijvingsmodel kunnen we het best hanteren voor
CW?; |
| | iii | wat motiveert de selectie van de vreemde elementen in
insertionele CW?; |
| | iv | welke typen CW komen voor en wat is hun distributie in de Turkse
gemeenschap? |
| | v | is er een structuur in het Turks van de immigranten die verandert
door toedoen van de contactsituatie? |
Deze aspecten zal ik nu om de beurt en enigszins in vogelvlucht aan
de orde laten komen. Uiteraard zullen daarbij veel details onbesproken moeten
blijven, maar het lijkt in het kader van deze bijdrage beter om een algemene
indruk te geven van het taalgebruik waar het om draait en de implicaties die
bestudering ervan kan hebben voor de taalkunde in het algemeen. Doel van de
bijdrage is om collega's in andere richtingen van de taalkunde ervan te
overtuigen dat CW tot interessante inzichten kan leiden over allerhande
aspecten van taal.
De voorbeelden waarmee het een en ander zal worden geillustreerd
komen uit mijn eigen Turks-Nederlandse data. Het is echter belangrijk in het
achterhoofd te houden dat wat voor Turks-Nederlandse CW geldt, in grote lijnen
overeenkomt met wat uit de literatuur over het verschijnsel bekend is. Wat
geldt voor Nederlandse woorden die in het Turks worden ingepast, geldt ook voor
bijvoorbeeld Engelse woorden die in het Swahili worden ingepast. Een van de
voornaamste ambities van CW-onderzoek is namelijk om van alle taalspecifieke en
contextspecifieke details te kunnen abstraheren en de universalia van
taalcontact op te sporen. De consensus op het moment is dat de principes die CW
beregelen, en dit zal geen verbazing wekken, voor een gedeelte universeel en
voor een gedeelte taal- en situatiespecifiek zijn.
| |
2 Codewisseling in de gemeenschap
Ik heb geprobeerd afstand te nemen van de letterlijke betekenis van
de term ‘codewisseling’. Oorspronkelijk was die bedoeld als
synoniem van ‘de knop omdraaien’: eerst spreek je taal A en even
later ga je taal B spreken. Gaandeweg is vooral de syntactische studie van CW
zich gaan beperken tot ‘intrasententiële CW’. De originele
betekenis kwam hiermee nogal in het gedrang, want om een zin als ‘Ik heb
het net op tijd gesaved’ nu voor te stellen als een sequentie van
een stuk Nederlands, een stuk Engels van één morfeem (het
inhoudswoord save) en dan nog een heel klein stukje Nederlands (het
verleden-tijdssuffix), is wat vergezocht. Niettemin heeft de oorspronkelijke
definitie van CW nog lang doorgewerkt, in die zin dat tot een paar jaar geleden
de meeste analyses sequentieel van aard waren. In de jaren tachtig echter begon
het begrip matrixtaal, of basistaal, gemeengoed te worden. Een zin als de
bovengenoemde wordt nu, meer in overeenstemming met onze intuities, voorgesteld
als een Nederlandse zin (het Nederlands is de matrixtaal), waarin een Engels | | | | woordje is ingepast. Typisch voor CW is verder a) dat dat woordje een
inhoudswoord is en b) dat het volledig aan het Nederlandse morfosyntactische
systeem is aangepast. Deze twee aspecten hebben te maken met de vragen ii-iv in
(4) hierboven en zullen verderop worden behandeld.
Eerst wil ik de aandacht vestigen op de plaats die CW inneemt in het
taalgebruik van een tweetalige gemeenschap in het algemeen. Als zo'n zin als
‘Ik heb het net op tijd gesaved’, een typisch CS-voorbeeld
is, dan gebruiken zelfs monolinguale Nederlandse academici om de haverklap een
codeswitch. Wanneer noemen we nou iets een switch? De definitie-kwestie is
eigenlijk niet zo interessant op dit algemene niveau. Er is een nog immer
woedende strijd gaande in de literatuur over tweetaligheid met als inzet de
afbakening van éénwoordswitches en leenwoorden. De strijd is nog
niet beslist en is volgens mij zelfs onbeslisbaar omdat het één
een synchroon begrip is en het ander een diachroon. Belangrijk is wel dat
onderzoekers duidelijk maken wat zij zelf onder CW verstaan, omdat dat de
interpretatie van hun data door anderen mogelijk maakt. De discussie over wat
wel en wat geen CW is, kan eigenlijk pas goed gevoerd worden als we weten welke
contactfenomenen er allemaal zijn en vooral hoe die met elkaar samenhangen.
Zo'n gestructureerde typologie hebben we nog niet. Omdat ik mijn definitie van
wat een taalcontact-fenomeen is, en dus wat legitieme data zijn, zo breed
mogelijk wilde houden, ben ik ervan uitgegaan dat alles wat ik in het Turks van
mijn informanten tegenkwam en dat iets met het Nederlands te maken had,
bestudeerd moest worden. Merk op dat dat een logische keuze is in een
immigratie-context, waar het leenwoord-probleem nauwelijks opspeelt. Vrijwel
alles wat Nederlands is, wordt door mensen in de Turkse gemeenschap
onmiddellijk herkend als Nederlands. Afbakening van CW en leenwoorden in
bijvoorbeeld het Fries is een stuk lastiger, zowel vanwege de langere
contactperiode als vanwege de grotere gelijkenis.
Een andere valkuil die de CW-literatuur heeft gelegd voor de
argeloze lezer is dat we vaak volstaan met simpelweg melden dat er zoiets
bestaat als CW in een bepaalde gemeenschap en vervolgens overgaan tot het
bespreken van uit hun context gehaalde voorbeelden. Welke spreker nou precies
verantwoordelijk was voor een bepaalde zin die als voorbeeld wordt gebruikt,
wordt vaak niet belangrijk gevonden. Dit heeft geleid tot een cultuur waarin
bepaalde patronen worden voorgesteld als typisch voor, zeg, Spaans-Engelse CS.
Deze nadruk op het taalpaar als basisdomein van onderzoek heeft geleid tot het
negeren van variatie binnen de gemeenschap, alsmede tot een mijns inziens
overdreven zoektocht naar de beperkingen die door eigenschappen van specifieke
talen worden opgelegd aan de switches.
Idealiter geeft iedere beschrijving van CW-patronen tevens een
fatsoenlijke beschrijving van de sociale context van de data. Een beschrijving
van de taalgemeenschap moet bijvoorbeeld duidelijk maken wat het linguistisch
repertoire is: welke talen en variëteiten daarvan worden gesproken door
welke subgroepen? Deze informatie is essentieel om te kunnen begrijpen waarom
sprekers van een bepaalde subgroep spreken zoals ze spreken.
Dit is een minimale eis die we aan iedere beschrijving mogen stellen
en voor structureel georienteerd werk waarschijnlijk ook meestal het enige dat
direct relevant genoeg is om in artikelen op te nemen. Maar het is belangrijk
in te zien dat een diepere analyse van de sociolinguïstische context ook
nog andere zaken bloot kan leggen waar zulke structurele benaderingen hun
voordeel mee kunnen doen. Taalkundigen die CW bestuderen hebben een uitgelezen
kans om aan te tonen dat een | | | | kruisbestuiving tussen structurele en
sociolinguïstische benaderingen tot beider voordeel kan strekken. Dit is
niet de juiste plaats om de argumenten volledig uit te werken, maar het
belangrijke punt is dat CW ons met de neus op de feiten drukt wat betreft de
afbakening van verschillende lecten binnen wat we normaliter een
‘taal’ noemen. Alleen bij een combinatie van voldoende
standaardizering (zodat we kunnen spreken van ‘het Nederlands’) en
een voldoende abstracte vraagstelling (zoals ‘wat is de woordvolgorde
binnen genitief-constructies in het Nederlands?’) kan van een
beschrijving van de taalgemeenschap worden afgezien. Bij vragen over CW zijn we
over het algemeen nog niet aan zo'n graad van abstractie toe en we hebben geen
flauw idee of er überhaupt sprake is van enige standaardizering. We weten
niet of er native speakers zijn van gemengde variëteiten, zoals er
duidelijk native speakers van het Nederlands zijn, waardoor we ook niet weten
hoe we intuities over CW, zo die er al zijn, moeten interpreteren. Sterker nog,
we beginnen er pas recentelijk achter te komen wat er allemaal wel en niet kan
in CW. Wat dat betreft, is een beschrijving van Turks-Nederlandse CW van
dezelfde orde als een beschrijving van een net ontdekte taal.
De werkwijze is als volgt: we stellen de hypothese op dat er een
‘taal’ is, een lect binnen het grotere Turkse repertoire. Dat lect
kan gekarakteriseerd worden als ‘Nederlands Turks’, omdat er veel
Nederlandse elementen in zitten. We bekijken in detail wat sprekers van deze
gepostuleerde taal allemaal zeggen en als het structureel, lexicaal en
functioneel allemaal redelijk met elkaar overeenkomt, kunnen we zeggen dat er
blijkbaar inderdaad zo'n taal is, want er zijn in ieder geval een aantal
sprekers wier taalgebruik zoveel op elkaar lijkt dat het geen toeval kan zijn.
Dan beschrijven we de details zodat we de grammatica van de ‘taal’
kunnen vastleggen (hierboven aan gerefeerd als ‘wat er allemaal wel en
niet kan’). Daarmee hebben we dan laten zien dat Turks-Nederlandse CW een
wezenlijk onderdeel is van een nieuw dialect van het Turks. Gezien het jonge
karakter van de contactsituatie hebben we zicht gekregen op de
ontstaansgeschiedenis van zo'n dialect, iets wat niet meer mogelijk is voor
vele oudere dialecten van het Turks. Het Turks van Macedonië
wordt bijvoorbeeld ook gekenmerkt door lexicale en structurele invloeden van
het Macedonisch, naast de nodige zelfstandige ontwikkelingen. Kennis over hoe
het Turks zich gedraagt in een moderne contactsetting vergroot ons inzicht in
wat mogelijkerwijs gebeurd is in oudere situaties.
Dat contactvariëteiten beduidend afwijken van hun voorouder
valt af te leiden uit het feit dat mensen attitudes hebben over dergelijk
taalgebruik. Blijkbaar is het dus anders genoeg om op te vallen. Deze attitudes
zijn meestal negatief. Typisch voor de houding ten opzichte van het met woorden
en eventueel klanken en structuren van een andere taal doorspekte taalgebruik
van immigrantengemeenschappen is het volgende door
Haugen opgetekende citaat. Over het Amerikaans Noors in
de twintiger jaren van deze eeuw schreef een uit het moederland opgetrommelde
pastoor: ‘Our Norwegian language is so mixed with American words that
I was quite disgusted at what I heard when I first came here’.
Misschien valt immigrantentalen in het bijzonder vaak deze behandeling te
beurt, maar ook andere ‘niet-pure’ talen, zoals het verfranste
Elzassisch van sommige buurten in Strasbourg, het verspaanste Nahuatl van
Mexicaanse boeren en het verengelste Swahili van stedelijke Kenianen kunnen er
op rekenen, en niet alleen maar van de zijde van niet-taalkundigen.
De hypothese is dus dat het Turks in Nederland
gaandeweg door contact is omgevormd tot een nieuw dialect van het Turks, niet
zo heel erg verschillend van het | | | | Turks in Turkije, maar
wel een beetje. Als we de enigszins beladen term ‘dialect’ willen
vermijden, kunnen we spreken van het neutralere ‘lect’. Synchroon
kunnen we onze gepostuleerde taal beschrijven als een tweetalig lect. Of het
echt een nieuwe variëteit is, met de diachrone status van dialect van het
Turks, hangt af van een aantal factoren, zoals stabiliteit per spreker en de
bovengenoemde mate van conventionaliteit in de gemeenschap, allemaal factoren
die we nog moeten bestuderen en die uiteindelijk tot een antwooord moeten
leiden op de vraag of we met een nieuw, geconventionaliseerd dialect te maken
hebben of met een continuum, in een setting van voortschrijdende
taalverschuiving.
Uiteraard zijn er twee talen nodig voor een tweetalig lect. Over hoe
elk daar precies aan bijdraagt, gaat de volgende paragraaf.
| |
3 Beschrijving van de data
Hieronder volgt eerst een korte beschrijving van de gevolgde
onderzoeksmethode. Voor het merendeel gaat deze paragraaf over het
beschrijvingsmodel voor vooral insertionele CW en in hoeverre de verzamelde
data dat model rechtvaardigen. Aan het eind wordt kort ingegaan op
intergenerationele verschillen die werden gevonden.
Informanten
Aan het proefschrift werd door 27 informanten bijgedragen. Die
spraken met elkaar in kleine groepjes (minimaal 2 en maximaal 8), op dezelfde
manier als ze dat altijd doen. Dat laatste werd in de hand gewerkt door te
zorgen dat alle deelnemers aan een opname-sessie steeds uit één
en hetzelfde sociale netwerk kwamen. In totaal werden zeven netwerken
onderzocht, vier uit Tilburg, twee uit Hilversum en
eentje uit Maastricht. Opnames werden getranscribeerd en alle
vormen van CW die erin optraden werden, ‘voor verdere analyse’,
speciaal gecodeerd op een aantal karakteristieken. Beschrijving van de
verkregen data was de volgende stap.
In mijn onderzoek naar CW heeft tot nu toe de nadruk sterk op
intrasententiële CW gelegen. Daar zijn twee redenen voor te geven: ten
eerste was in eerder onderzoek naar Turks-Nederlandse CW duidelijk geworden dat
dit het soort was dat vaak voorkwam. Ten tweede zat ik sinds het schrijven van
Backus (1992) zelf vooral in de morfosyntactische
onderzoekstraditie, die naar universele beperkingen op het fenomeen zocht, en
niet in de gespreksanalyse-traditie, die naar de redenen van de spreker zocht.
Aangezien de CW-wereld nogal strikt verdeeld is in structuralisten en
discourse-analysten, kwam het nauwelijks in me op om bijvoorbeeld ook een
discourse-analyse van mijn data te maken. Later bleek dat ik data had verzameld
die vooral intersententiële CW lieten zien, het soort dat traditioneel
door structuralisten wordt genegeerd en door discourse-analysten juist wordt
benadrukt. Gezien het in mijn inleiding genoemde feit dat CW-onderzoek geneigd
is alle data te beschrijven, doemde daarmee dus een probleem op. Een groot deel
van de switches in de data is als gevolg daarvan nog nauwelijks beschreven,
laat staan geanalyseerd. Dat wil niet zeggen dat er nergens in het proefschrift
wordt gerept over de redenen van tweetaligen om te codewisselen, integendeel,
maar zoals gezegd gaat het dan veelal om de motivatie voor afzonderlijke
inserties van Nederlandse woorden. | | | |
Beschrijvingsmodel
Het nu volgende beschrijvingsmodel heeft dus een sterk
morfosyntactische bias. Er wordt in detail gekeken naar insertie en slechts
oppervlakkig naar alternatie. Tevens gaat alle aandacht uit naar vreemde
woorden: structurele invloed van de ene taal op de andere komt niet aan de
orde. Uit het voorgaande moge duidelijk zijn waarom dat zo is, maar het moge
even duidelijk zijn dat deze lacunes betekenen dat het nodige werk nog gedaan
moet worden om het model descriptief adequaat te maken. Met deze twee lacunes
in het achterhoofd, kunnen we ons concentreren op de twee vragen die wel aan de
orde komen: selectie en morfosyntactische inbedding. De eerste vraag is
relatief weinig gesteld in de literatuur, naar mijn idee ten onrechte omdat het
ons in staat stelt het verschijnsel beter te verklaren. De tweede vraag is met
afstand het best bestudeerde aspect van CW. Ik zal hieronder daarom meer
aandacht besteden aan de eerste vraag. We beginnen echter met morfosyntactische
inbedding.
Er zijn drie belangijke beschrijvingsmodellen in omloop en ik heb
geprobeerd ze in één model te combineren. Dat model wordt
hieronder impliciet gepresenteerd door middel van een beschrijving van de
Turks-Nederlandse data. Mijns inziens worden de verschillen tussen de drie
modellen gewoonlijk nogal overdreven ten koste van de overeenkomsten. Overigens
hangt ook niet elke onderzoeker één van de drie modellen aan; de
meesten van ons gaan gewoon uit van de traditionele lexicale en syntactische
categorieën zoals we die allemaal uit de schoolgrammatica kennen. De drie
modellen gaan eveneens grotendeels van die categorieën uit. Ze voegen er
echter ook enige assumpties over taal en taalcontact aan toe, wat genoeg reden
is voor velen om de modellen te laten voor wat ze zijn. Aan de andere kant is
het mogelijk om door combinatie van deze modellen, die immers stoelen op
uitgebreide dataverzamelingen, en verwijdering van onnodige assumpties, tot een
hogere graad van descriptieve adequaatheid te komen, d.w.z. tot een model dat
in principe voor alle CW-data bruikbaar is.
De drie modellen zijn de volgende:
| - | het variationeel model van
Poplack (zie
Sankoff, Poplack &
Vanniarajan 1990); |
| - | het Matrix Language Frame (MLF) model van
Myers-Scotton (zie Myers-Scotton 1993); en |
| - | het Code Copy model van Johanson (zie Johanson 1992). |
De eerste twee zijn alom bekend in CW-kringen (en hebben daar zelfs
voor een heus schisma gezorgd). Johanson's model echter is nauwelijks bekend
buiten de wereld van de Turkologie; het is in eerste instantie ontwikkeld om
taalcontactfeiten in de Turkse taalfamilie te modelleren, maar het heeft nogal
wat toe te voegen aan de andere twee en is daarom ook relevant buiten de
Turkologie. Ik zal de modellen op deze plek niet minitieus gaan vergelijken
(zie hoofdstuk 3 in Backus 1996), maar in plaats daarvan een korte schets geven
van hun gemeenschappelijke basis. Theoretisch lopen de modellen nogal uiteen
(vandaar het genoemde schisma), maar descriptief doen ze voor een groot deel
hetzelfde.
Dit kan het simpelst worden samengevat met te zeggen dat er in CW
een basis-taal is die woorden uit de andere taal gebruikt alsof ze van haarzelf
waren. Gezien de gememoreerde morfosyntactische bias van CW-onderzoek vertaalt
dit zich | | | | meestal als: vreemde woorden worden morfologisch,
morfosyntactisch en syntactisch volledig aangepast aan het ontvangende systeem.
Poplack concentreert zich dan vooral op de volledigheid
van deze aanpassing (en daarmee impliciet op de onbeïnvloedbaarheid van
het syntactische systeem),
Myers-Scotton op de verschillende mechanismes die worden
gebruikt (en daarmee impliciet op het eigene van CW), en
Johanson op de implicaties voor het ontvangende systeem
(daarmee zich expliciet tegen de opvatting van Poplack kerend, alsmede een
diachrone dimensie toevoegend die uiteindelijk een essentiële verbinding
met taalverandering mogelijk maakt). De volgende voorbeelden illustreren
verschillende mechanismes van morfosyntactische inpassing.
(5)
a Laborant olacaktιm işte.
laborant zijn-FUT-PRET-1sg INTERJ
‘Ik zou toch laborant worden.’
b ik heb het wel van die kιna gecesi gezegd
(een kιna gecesi is een Turkse ceremonie)
c iki gün önce işte bioscoop-a,
vragen yaptιydιm
twee dag eerder INTERJ bioscoop-DAT vragen doen-PLUPF-1sg
‘maar twee dagen daarvoor had ik haar meegevraagd naar de
bioscoop!’
d ben Türkiye'de daha vrij-dim diyorlar
ik Turkije-LOC meer vrij-PRET-1sg zeggen-PROG-3pl
‘ze zeggen dat ze in Turkije vrijer waren.’
e Hollandalιlar echt spontaan alιyorlar on-u
el-in-e, tamam, deze wordt het
Nederlanders echt spontaan nemen-PROG-3pl het-ACC hand-hun-DAT, OK,
…
‘Nederlanders nemen het echt spontaan in hun handen en
zeggen ‘OK, deze wordt het.’’
f Dus, yani din ile hiç ilgisi yok
‘Dus, weet je, met religie heeft het helemaal niks te
maken.’
Het is de moeite waard morfologische aanpassing los te
koppelen van morfosyntactische aanpassing. Sommige talen maken sommige woorden
eerst acceptabel voor inpassing in het systeem. Dit ‘acceptabel
maken’ kan het best ‘morfologische aanpassing’ worden
genoemd, daar het meestal via affixatie of in ieder geval met behulp van
functiewoorden plaatsvindt. Morfologische aanpassing vindt alleen plaats bij
werkwoorden in Turks-Nederlandse CW. Het Turks heeft geen
naamwoordcategorieën en hoewel er woordvormingssuffixen zijn om
adjectieven en adverbia te vormen, worden die zelden achter Nederlandse woorden
geplakt. Werkwoorden echter moeten in het Turks expliciet worden gemarkeerd als
een werkwoord als ze niet toevallig tot de gesloten klasse van Turkse
werkwoordsstammen behoren (zie
Backus &
Boeschoten 1996). Dat geldt voor alle nieuw te vormen
werkwoorden in het Turks, dus ook voor leenwoorden uit het Nederlands, zoals
vragen in (5c). Verschillende procedés staan hiervoor ter
beschikking; toevoeging van | | | |
yap- (‘doen’) aan de
Nederlandse infinitief is vrijwel zonder uitzondering de uitverkorene.
In het Nederlands is het proces van morfologische aanpassing wat
interessanter, daar bijvoorbeeld naamwoorden aan de ‘de’ - of de
‘het’-klasse moeten worden toegewezen. Het Turkse kιna gecesi in (5b) lijkt bijvoorbeeld door de informanten als een
‘de’-woord te zijn gecategoriseerd.
Als een woord morfologisch ‘gereed’ is, kan het
morfosyntactisch worden ingepast. Zo worden Nederlandse naamwoorden in
de Turkse NP-structuur opgenomen. Zo is laborant in (5a), conform de
regels, een nominatief complement van het koppelwerkwoord. Het met yap-
morfologisch aangepaste werkwoord wordt van finiete inflectie voorzien (zie 5c)
en adjectieven en adverbia worden op de juiste plaats in de Turkse zin
gepositioneerd, zoals in (5d en e). In (5d) is het adjectief opgenomen in een
predikatieve koppelwerkwoord-constructie en volgens Turkse regels voorzien van
het verleden-tijdssuffix. Geswitchte adjectieven zijn overigens bijna altijd
predikatief gebruikt; attributieve adjectieven zijn zelden te vinden als CW.
Bij conjuncties dient te worden opgemerkt dat er in een combinatie van talen
als het Turks en het Nederlands, die de conjunctie op verschillende plaatsen
zetten, eigenlijk nooit sprake kan zijn van totale morfosyntactische
aanpassing. Aan de andere kant vervullen conjuncties, zeker in CW, vaak een rol
als discourse marker, wat ze in zekere zin buiten de zin plaatst (zie
de Rooij 1996). Dit geldt zeker voor dus in
(5f).
Tot dusver hebben we naar prototypische inserties gekeken. Het gros
van deTurks-Nederlandse insertionele data kan met alle drie de modellen
redelijk tot goed worden beschreven. Niettemin, het variationeel model sluit
teveel uit dat de structuur van de betrokken matrixtaal veranderingen kan
ondergaan als gevolg van CW. Om een voorbeeld te geven: de zin in (6a) doet
nogal on-Turks aan, door de plaatsing van het predikaat vóór de
relatieve bijzin en de nevenschikking erachter. Deze volgorde is waarschijnlijk
toe te schrijven aan de canonieke woordvolgorde van het Nederlands. Het feit
dat de zin een switch bevat zal echter geen toeval zijn. De Nederlandse
nevengeschikte bijzin heeft zijn Nederlandse structuur als het ware
‘meegenomen’. Nu kan dat een verschijnsel zijn wat maar weinig
optreedt, en dan kan het onder het variationele tapijt worden geschoven, maar
dan nog geeft het aan dat het geheel niet onder totale controle van de
matrixtaal staat. Omdat CW-onder-zoek, het mijne incluis, zich nauwelijks met
dit soort structurele invloed heeft beziggehouden, is hier nog niet veel over
bekend, maar er zijn genoeg incidentele voorbeelden bekend om aan te nemen dat
het veelvuldig voorkomt, ook in mijn data (zie bv.
Clyne 1987, voor voorbeelden uit de Nederlandse
gemeenschap in Australië). Eén van de bestaansredenen
van Johanson's model is de noodzaak meer mogelijkheden te hebben om dit soort
complicaties te bespreken.
Het MLF Model tenslotte biedt de mogelijkheid om een tweetal
afwijkingen van bovengenoemd prototype goed in te passen: de ‘bare
form’ en de dubbele markering. Deze verschijnselen verdienen een
diepgaander bespreking dan ik hier kan geven, maar een voorbeeld van elk is wel
op zijn plaats, vooral omdat ze zo typisch zijn voor CW. Ze komen niet vaak
voor, maar aan de andere kant zijn er voorbeelden te vinden in vrijwel ieder
artikel over het onderwerp. Een bare form is een insertie die enigszins
onaangepast blijft, bijvoorbeeld omdat een naamvalsmarkering is weggelaten. Een
voorbeeld is Jolanda in (6b). Aangezien Jolanda bepaald is
(zijnde | | | | een naam) èn als direct object van pakken yap-
fungeert, had er een accusatief-markeerder aan vast moeten zitten:
Jolanda'yι pakken yapacak. Ons synchroon beschrijvingsmodel
concentreert zich op de nul-markering, maar merk op dat verschuiving naar een
diachroon perspectief het accent automatisch zou verleggen naar
taalverandering: blijkbaar zjjn de regels voor accusatief-markering enigszins
aan verandering onderhevig in de Nederlandse contactsetting.
(6)
a …ve de çok mutluyum yani böyle olduǧuma en
niet anders
en en erg gelukkig-1sg INTERJ zo zijn-REL-1sg-DAT
‘en ik ben erg blij dat ik zo ben en niet anders’
b Jolanda pakken yapacak
‘Hij gaat Jolanda pakken’
c Abi, zaten leden-ler-in yarιsι…
broer toch leden-PL-GEN helft-POSS
‘Broeder, de helft van de leden [heeft] toch
…’
d Mesela o şeyde düǧün bittikten sonra je
moet toch weer oppassen voor gelin-nen
güve-ye
voor bruid-met bruidegom-DAT
‘bijvoorbeeld, nadat de bruiloft is afgelopen, moet je
toch weer oppassen [= letten op] op de bruid en
bruidegom’
e Ja, verkorte opleiding 'de var van één
jaar, twee jaar
-CONJ er.is
‘Ja, en er is een verkorte opleiding van
één of twee jaar.’
Dubbele markering is het gemakkelijkst te illustreren met
meervoudsmarkering. In (6c) komt bijvoorbeeld insertie voor van het
Nederlandse leden in een Turkse zin. Het woord wordt daar ook van het
Turkse meervoudssuffix -ler voorzien, zodat het meervoud tweemaal
gemarkeerd is. Een ander typisch geval is markering met zowel een Nederlands
voorzetsel als een Turkse naamval, zoals in (6d).
Dubbele markering is eigenlijk een subtype van de vierde
beschrijvingscategorie, die ik EL marking heb genoemd. Dit betreft
insertie van grotere stukken, in ieder geval langer dan één
woord. Meestal betreft dit een collocatie van inhoudswoorden of een
constituent. Soms wordt bijvoorbeeld een Nederlandse
Adjectief-Naamwoord-combinatie of een Nederlandse PP in een Turkse zin
geplaatst. Beide komen voor in (6e).
Theoretisch is het mogelijk dat één en dezelfde switch
onder al deze categorieën moet worden beschreven. Iedere categorie
beschrijft simpelweg een ander aspect van de switch. Drie van de vier
categorieën zijn relevant voor het volgende voorbeeld, waarin
overschrijden morfologisch is aangepast, grenzen overschrijden
morfosyntactisch is aangepast en de collocatie zelf uit verschillende
Nederlandse morfemen bestaat, inclusief het meervoudssuffix (dat door het Turks
niet wordt vereist hier).
(7)
. …tamam, işte yani bu mesela bir kişi evli
olsun, ailesi haddini grenz-i | | | | gecsin. Sen demin grens
diyordun ya, belli bir grenzen overschrijden yapιnca, erkeǧe de
bugün Türkler de bilmiyor. … Anlatabilebiliyorum
mu…
‘OK, zie je, het zit zo, als iemand trouwt bijvoorbeeld, dan
moet haar familie over bepaalde grenzen heen. Je had het net toch over
een grens, misschien dat Turken het vandaag de dag niet meer weten omdat
ze die grenzen overschrijden naar mannen toe, begrijp je?’
Er is één type insertionele CW waar alle drie de
modellen een beetje moeite mee hebben: het fenomeen dat sinds kort dankzij
Pieter Muysken als ‘congruent
lexicalization’ door het leven gaat. In de Turkse data komt dit niet zo
erg vaak voor, dus ik zal het er verder niet over hebben. Het verschijnsel
wordt echter geïllustreerd door voorbeeld (6e), waar er sprake is van
insertie (de Turkse samenstelling gelin'nen güve) en van
alternatie: de zin gaat verder in het Turks. Iets soortgelijks zien we als een
Turks werkwoord wordt ingevuld in een Nederlandse hulpwerkwoord-constructie,
zoals in (8a). Deze mix van insertie en alternatie komt veelvuldig voor als
taalcontact plaatsvindt tussen systemen die veel op elkaar lijken, zowel in
lexicon als in structuur. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het contact tussen
standaardtaal en dialect (zie Giesbers 1989). In het synthese-model dat hier
wordt voorgesteld, is dit gewoon een subcategorie van ‘EL Marking’,
maar het geeft aan dat het wellicht noodzakelijk zal blijken insertie en
alternatie als een continuum te zien, niet als twee volstrekt verschillende
resultaten van taalcontact.
Echte alternationele CW tenslotte, zoals in (8b) is
geïllustreerd, is gemakkelijker te beschrijven. Relevante punten zijn
onder andere of de switch op zins- of bijzinsgrens plaatsvindt en in het
laatste geval of de geswitchte zin de matrixzin of de ingebedde zin is en of de
conjunctie in de taal van de ingebedde zin is of niet. Ook relevant is het type
bijzin dat in het geding is (bv. conditionaal versus adverbiaal), maar
discussie hiervan zou ons teveel op het terrein van de gespreksanalyse brengen,
waarvan ik, zoals al eerder vermeld, te weinig weet.
(8)
a sadece je hoeft yanιnda oturuyorsun, weet je
wel?
alleen je hoeft naast zitten-PROG-2sg
‘je hoeft alleen maar naast hun te zitten, weet je
wel?’
b düşünmüyorlar acaba of ik dat leuk vind
of zo
denken-NEG-PROG-3pl misschien
‘ze denken er niet eens aan of ik dat leuk vind of
zo’
Samenvattend kunnen we zeggen dat een combinatie van drie
beschrijvende modellen van insertionele CW heeft geleid tot een model waarin
iedere switch op vier niveau's wordt beschreven: morfologische aanpassing,
morfosyntactische aanpassing, het al of niet voorkomen van een bare form en het
al of niet meenemen van elementen (andere morfemen of structuur) uit de andere
taal (EL marking).
1
| | | |
Intergenerationele verschillen
De data bleken één grote verrassing op te leveren:
variatie binnen de gemeenschap. De verschillende generaties deden weliswaar
allemaal aan CW, maar ze deden dat ieder op hun eigen manier. Dit verandert
weinig aan het bovenbeschreven beeld van structurele aanpassing aan het ML
systeem en het voorkomen van speciale CW-mechanismes als bare forms en EL
marking, maar het is natuurlijk wel van belang voor een sociolinguïstische
interpretatie van de rol van CW in deze gemeenschap.
Sprekers uit de eerste generatie codewisselen vrij weinig. Af en toe
gebruiken ze een Nederlands naamwoord, meestal eentje dat een lexical gap vult
in het Turks, en passen dat in op de hierboven beschreven manier. Een typisch
Nederlands woord als terras komt wel voor in een Turkse zin, maar niet
zoiets algemeens als vriendin. Langere switches, zoals voor een
Nederlandse bijzin, komen helemaal niet voor.
De tussengeneratie (naar Nederland gekomen op
lagere-school-leeftijd) gebruikt wel alle soorten CW die hierboven werden
vermeld. Eenwoordswitches van allerlei pluimage, Nederlandse zinsdelen, al of
niet in centrale of perifere posities, stukjes van zinsdelen, Nederlandse
bijzinnen, hele stukken Nederlandse tekst, het komt allemaal voor.
De tweede generatie leverde de verrassing. Toen het onderzoek begon
verwachtte ik meer van hetzelfde, maar het bleek dat de CW die deze sprekers
produceerden voornamelijk alternationeel was. Er vond regelmatig afwisseling
van Turkse en Nederlandse zinnen plaats, maar insertie was relatief zeldzaam.
Bovendien was insertionele CW niet meer beperkt tot Turkse zinnen: er
verschenen nu ook af en toe Turkse woordjes in Nederlandse zinnen.
Uiteraard heeft dit patroon van intergenerationele verschillen veel
te maken met verschillen tussen de generaties in de taalvaardigheid in beide
talen. Eerste-generatieleden spreken nauwelijks Nederlands en zullen dus ook
weinig Nederlandse zinnen produceren. Aan de andere kant is het echter niet zo
dat tweede-generatieleden nauwelijks Turks spreken: ze hebben contacten met
monolinguale Turken (zoals veel ouders) en functioneren daarin prima. Bovendien
produceren ze ook op de bandjes genoeg Turkse zinnen om te laten zien dat ze
Turks spreken. Het patroon is dus niet alleen maar in termen van
taalvaardigheid te verklaren. Het heeft bijvoorbeeld ook te maken met zaken als
taalvoorkeur, de rol die taal speelt in verhoudingen tussen de sprekers en de
manier waarop taal als een wapen wordt gebruikt in conversaties en discussies.
Het zou te ver voeren daar hier diep op in te gaan, en in Backus (1996) valt er
ook weinig over te lezen. Vermeldenswaard is wel dat CW en taaiverschuiving
ongetwijfeld iets met elkaar te maken hebben, maar dat ze niet in zo'n directe
causale relatie staan als sommige onderzoekers wel hebben beweerd als ze CW
voorstellen als het laatste stadium vóór taalverlies.
| |
4 Selectie: waarom codewisselen?
Een aspect van het verschijnsel dat nauwelijks wordt aangeroerd door
de beschikbare modellen is de motivatie voor het verschijnsel. Waarom vindt
insertionele CW überhaupt plaats? De morfosyntactische component
beschrijft wat er gebeurt als de spreker eenmaal heeft besloten om een element
uit de andere taal te gebruiken. Maar de vraag hoe hij tot die beslissing is
gekomen, is in het CW-onderzoek nog nauwelijks aan de orde geweest, althans
voor intrasententiële CW. Er bestaat natuurlijk wel een bloeiende
literatuur over afwisseling op zinsgrenzen. Hoewel de | | | | motivaties
voor de twee typen CW wel enigszins overlappen, vereist het over het algemeen
toch een andere aanpak om de motivaties achter inserties te onderzoeken dan die
achter alternatie. In het laatste geval werpt een discourse-benadering de
meeste vruchten af, terwijl we bij insertie meer aan lexicale selectie moeten
denken.
Ik heb geprobeerd om op dit punt een eerste aanzet tot een
analysemodel te geven. Daarvoor zijn twee constructen in het leven geroepen:
semantische specificiteit en mate van monitoring. Ik zal ze allebei kort
beschrijven (zie
Backus 1996, hoofdstuk 3 voor meer details).
Specificiteit verwijst naar de mate van precisie waarmee een woord
naar een concept verwijst. Eik is specifieker dan boom,
bijvoorbeeld. Hoewel het onmogelijk is te voorspellen welke Nederlandse woorden
door een willekeurige Turkse immigrant zullen worden gebruikt in een Turkse
zin, gaat het te ver om te stellen dat de selectie van Nederlandse woorden
volstrekt willekeurig is. Het is eerder te verwachten dat zij eik zal
gebruiken dan boom. Mijn werkhypothese was dat dit soort effecten te
vinden moesten zijn in mijn data; het zou te ver voeren om te zeggen dat dit
aspect van het onderzoek zich al in de modelvormingsfase bevindt.
De notie specificiteit bleek wel degelijk nuttig. De meeste
Nederlandse inserties waren van het type waarvan je als onderzoeker denkt
‘ja, tuurlijk gebruiken ze dat woord’. Vaak is dat omdat het woord
zo typisch Nederlands is dat het Turks er geen equivalent voor heeft. Maar ook
binnen de semantische velden die in aanmerking komen voor selectie van
Nederlandse woorden, wordt toevlucht tot CW over het algemeen gezocht voor
woorden met een hoog-specifieke betekenis. Om een voorbeeld te geven, het
woordje opleiding komt herhaaldelijk voor in een Turkse zin, maar altijd
als deel van een groter geheel: verkorte opleiding, administratieve
opleiding, HBO-opleiding. Als de spreker in een Turkse zin verwijst naar
een opleiding in het algemeen, dan wordt altijd een Turks woord gebruikt,
meestal okul (‘school’).
Op zijn best verklaart dit waarom sommige concepten zich goed lenen
voor CW, maar het is slechts één aspect van de verklaring van de
feitelijke selectie. Daarvoor komt het andere construct om de hoek kijken. Ik
heb als hypothese gepostuleerd dat CW gemakkelijker zal voorkomen op die
plaatsen in een zin waar de spreker zich het actiefst met lexicale selectie
bezighoudt. Dit verklaart waarom CW vooral inhoudswoorden betreft (je denkt
meer na over welke naamwoorden je wil gebruiken dan over welke
werkwoordsinflectie). Als deze redeneerwijze juist is, dan zou het ook zo
moeten zijn dat CW vooral plaatsvindt in focusposities. In het proefschrift is
dit onderdeel nog relatief onderontwikkeld, maar er zijn aanwijzingen dat dit
een veelbelovende hypothese voor verder onderzoek kan zijn. De
complementspositie van het koppelwerkwoord is bijvoorbeeld een populaire plaats
om te codewisselen, net als de direct object-positie, terwijl geswitchte
subjecten juist zelden zijn.
| |
5 Een case study van taalverandering: semantische extensie van
het hulpwerkwoord ‘yapmak’
Tenslotte wil ik het nog kort hebben over vraag (4,v). Voor een
studie van taalverandering moeten we een specifieke structuur in het Turks gaan
bekijken. Een van de meest in het oog springende kenmerken van het
Immigranten-Turks is het al geschetste gebruik van het hulpwerkwoord
yapmak (‘doen, maken’) om Nederlandse werkwoorden te
‘verturksen’. | | | |
Als we aannemen dat CW tot taalverandering kan leiden, dan kunnen we
niet langer volstaan met een synchrone beschrijving van de aangetroffen
structuren. Die structuren zullen dan op bepaalde punten afwijken van de
grammatica van de ontvangende taal zoals we die kenden vóór de
contactsituatie begon. Als de data dat beeld bevestigen, moeten we op zoek naar
een verklaring voor de aangetroffen afwijkingen.
Specifiek heb ik in mijn onderzoek op dit punt, grotendeels in
samenwerking met
Rik Boeschoten, de volgende vraag onderzocht:
Heeft het veelvuldige gebruik van yapmak met Nederlandse
werkwoorden geleid tot semantische erosie van het woord zelf?
Twee typische gebruikscontexten zijn N + yapmak (zie
voorbeeld 9a), wat de creatieve betekenis van ‘maken’ oproept, en
Voornaamwoord/Nul + yapmak, wat het algemene werkwoord
‘doen’ kenmerkt (zoals in 9b). In deze laatste betekenis kan
yapmak natuurlijk voor van alles staan: het meer specifieke werkwoord
dat het vervangt in (9b) hoeft absoluut niet de transitiviteit en
volitionaliteit te hebben die yapmak in zijn meer specifieke betekenis
heeft.
(9)
a hergün Türk gece-si yap-ιyor-uz da
iedere.dag Turks avond-POSS doen-PROG-1pl en
‘en we organizeren iedere dag een Turkse avond’
b o her zaman öyle yap-ar biz-e
hij iedere tijd zo doen-AOR.3sg ons-DAT
‘hij doet altijd zo tegen ons’
c ja, maar toch, millet kijken yap9yor
mensen kijken doen-PROG.3sg
‘ja, maar toch, de mensen letten op
je’
De algemene betekenis van yapmak maakt het woord uiterst
geschikt voor de Turkse manier van werkwoordsontlening, waarbij een
hulpwerkwoord achter een non-finiete vorm van het vreemde werkwoord wordt
geplaatst, in het Nederlandse geval dus een infinitief, zoals in (9c). Wat deze
systematiek betreft, is het Turks zoals het in Nederland wordt
gesproken niet anders dan het Turks dat in Turkije wordt
gesproken: ook daar is het mogelijk om een vreemd werkwoord te
‘verturksen’ door er yapmak achter te zetten. Wat wel
veranderd is, is de distributie: de constructie [Vreemd Werkwoord +
yapmak] is ineens veel frequenter geworden, daar er in een
contactvariëteit nou eenmaal meer te ontlenen valt. Dit maakt de hypothese
plausibel dat in de grammatica's van de immigranten yapmak sterker wordt
geassocieerd met de gebruiksfunctie waarin het een heel algemene betekenis
heeft dan met de functie waarin het iets aan de inhoud van de totale
uitdrukking toevoegt, zoals in kahve yapmak. Zo'n sterkere associatie
zou uiteindelijk kunnen leiden tot een situatie waarin yapmak niet meer
perfectief genoeg wordt geacht om de betekenis ‘maken’ uit te
kunnen drukken en dus in die functie door een ander werkwoord wordt vervangen.
Het gebruik van yapmak wordt dan beperkt tot het tamelijk betekenisloze
algemene werkwoord ‘doen’, in extremis zelfs tot een derivationeel
affix | | | | dat dient om nieuwe werkwoorden te vormen uit vreemde
stammen.
Dit scenario is in hoge mate speculatief. De data wijzen slechts uit
dat yapmak in een flink aantal gevallen wordt gebruikt als
‘affix’, maar dat de perfectieve betekenis van ‘maken’
ook nog stevig overeind staat. Er is dus (nog) geen sprake van semantische
erosie, wel van een uitgebreider gebruik van de functies waarin het werkwoord
weinig semantiek toevoegt aan het grotere geheel. Het semantisch continuum is
uitgebreid aan de ‘semantisch lege’ of algemene kant, maar het is
(nog?) niet gekortwiekt aan de semantisch specifieke kant.
Ik heb uitvoeriger stilgestaan bij de speculatie dan bij de data om
op de link te wijzen tussen CW en taalverandering. Dat de data nog weinig
uitsluitsel geven laat mijns inziens zien dat ten eerste structurele
verandering een langzaam proces is en ten tweede dat we nog nauwelijks over een
geschikte methodologie beschikken om de link tussen CW en taalverandering, die
volgens de meeste onderzoekers wel degelijk bestaat, daadwerkelijk aan te
tonen.
| |
6 Slot
Ik geloof dat we inmiddels een redelijke mate van descriptieve
adequaatheid hebben bereikt bij het beschrijven van CW-data. De ontwikkelde
modellen, met name het MLF en het Code Copying-model, bieden voldoende kader om
vrijwel alle voorkomende data te kunnen vatten. Aan verklaringen voor het
verschijnsel zijn we echter in mijn ogen nog weinig toegekomen. Ik heb
geprobeerd hiertoe een aanzet te geven, door middel van een tweetal
constructen. Op psycholinguïstisch niveau, lijkt het de moeite waard CW te
beschouwen als een logische manifestatie van het algemene proces van lexicale
insertie in een tweetalige situatie. De mate van semantische specificiteit van
afzonderlijke elementen lijkt daarnaast een grote rol te spelen bij de selectie
van vreemde elementen. Empirische toetsing van een dergelijk verklaringsmodel
is de volgende stap en zal hopelijk de komende jaren hoog op de
onderzoeksagenda prijken.
| |
Bibliografie
| Backus, A. (1992). Patterns of language mixing. A study in
Turkish-Dutch bilingualism. Wiesbaden: Otto Harrassowitz. |
| Backus, A. (1996). Two in one. Bilingual speech of Turkish
immigrants in the Netherlands. Tilburg: Tilburg University Press |
| Backus, A. & H. Boeschoten (1996). Turkish-Dutch
codeswitching and levels of lexical structure. Paper gepresenteerd op
Linguistic Society of America Annual Conference, San Diego. |
| Clyne, M. (1987). Constraints on code-switching. How
universal are they? Linguistics 25, 739-764. |
| Giesbers, H. (1989). Code-switching tussen dialect en
standaardtaal. Amsterdam: P.J. Meertens-Instituut voor Dialectologie,
Volkskunde en Naamkunde. |
| Johanson, L. (1992). Strukturelle Faktoren in
Türkischen Sprachkontakten. Stuttgart: Franz Steiner Verlag. |
| Maschler, Y. (1997). Emergent bilingual grammar: the case of
contrast. Journal of Pragmatics 28, 279-313. |
| | | |
| Myers-Scotton, C. (1993). Duelling languages. Grammatical
structure in codeswitching. Oxford: Clarendon Press. |
| Rooij, V. de (1996). Cohesion through contrast:
discourse structure in Shaba Swahili/French conversations. Amsterdam:
IFOTT. |
| Sankoff, D., S. Poplack & S. Vanniarajan (1990). The case
of the nonce loan in Tamil. Language Variation and Change 2, 71-101. |
|
*Katholieke Universiteit Brabant te Tilburg,
Werkverband Taal en Minderheden, Postbus 90153, 5000 LE Tilburg; e-mail:
A.M.Backus@kub.nl (tot augustus 1998: backus@ling.ucsd.edu). Het
promotie-onderzoek werd mogelijk gemaakt door financiële steun van
NWO.
1In Backus (1996) is er nog een vijfde
categorie: het al of niet vergezeld laten gaan van de een of andere manier van
‘flagging’: het buiten de basiszin of argumentstructuur plaatsen
van de betreffende switch door middel van discourse-fenomenen als dislocatie,
aarzeling, pauzeren, etc. Over dit aspect zal ik het hier verder niet
hebben.
|
|