Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde


auteur: D.M. Bakker en G.R.W. Dibbets


bron: D.M. Bakker en G.R.W. Dibbets, Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde. 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 195]

Afdeling 2
Lexicografie

[p. 197]

7. De lexicografie in de middeleeuwen
P.G.J. van Sterkenburg

7.0. Inleiding

Onder invloed van het standaardwerk van Elias Steinmeyer en Eduard Sievers: Die althochdeutschen Glossen (Berlijn 1879) verschenen aan het eind van de vorige en het begin van deze eeuw in Nederland de eerste synthetische studies over onze oudste lexicografische geschriften. Buitenrust Hettema 1889 en 1914, die meende dat onze oudste woordverzamelingen aan kleinere verzamelingen waren ontleend, en Bellaard 1904, die ze als vertalingen uit Latijns-Latijnse glossaria beschouwde, bestreden elkaar inzake de wordingsgeschiedenis van de Middelnederlandse lexicografie. Een nieuwe kijk op de wordingsgeschiedenis van onze oudste, althans als zodanig bekende, alfabetische woordverzamelingen is gegeven in Van Sterkenburg 1975a wiens visie hier zal worden weergegeven.

 

Wij dienen onze oudste lexicografische produkten door een andere bril te bekijken dan de eigentijdse. Een woordenboek bevat in onze tijd voor zover dat mogelijk is, en onafhankelijk van het publiek waarop het gericht is, de ‘volledige’ woordenschat van de taal, in casu de Nederlandse. Woordenboeken hebben vooral een pedagogisch doel en geven tot lering strekkende antwoorden op vragen die gesteld worden; ze beogen de afstand tussen lezers en een van tevoren gedefinieerde linguistische en culturele norm te slechten. In een woordenboek van het Nederlands herkennen de leden van een taalgemeenschap, voor zover zij Nederlands spreken en aan de Nederlandse cultuur deelnemen, elkaar. Niet voor niets kan men in standaardwerken over lexicografie dan ook lezen dat het bezit van een woordenboek getuigt van een bepaald sociaal niveau; het woordenboek is het concrete en tastbare bewijs dat de bezitter ervan deel heeft aan het culturele erfgoed van de gemeenschap.

Niet alleen door de wijze van vermenigvuldiging verschillen onze oudste lexicografische werkjes van de hedendaagse woordenboeken. Met name het doel dat ze beoogden was anders: ze dienden het ‘vreemde-talenonderwijs’. De eenvoudige inhoud van de oudste woordverzamelingen wijst er overduidelijk op dat ze van belang waren bij het onderwijs in het Latijn en vooral bij het lezen van de Bijbel, de kerkvaders, enz. De woordenschat die wij er vinden, is die van het elementair Latijn, hier en daar uitgebreid met enige moeilijke woorden uit Latijnse woordenboeken. Er is nog geen sprake van een streven naar een volledige inventaris van het Nederlands.

[p. 198]

7.1. Alfabetische lexicografie

7.1.1. Eerste fase: de glossaria

De oudste bekende verzamelingen van woorden noemen we glossaria. Dit zijn verzamelingen van glossen, van verklaringen van moeilijke woorden en uitdrukkingen, die meestal technisch van aard zijn. Deze glossen vinden we in de marge (marginale glossen) of tussen de regels (interlineaire glossen) van meestal Latijnse, maar soms ook in de volkstaal geschreven middeleeuwse teksten. Door deze marginale en interlineaire glossen werd de oorspronkelijke doorlopende tekst niet verstoord, wat wel het geval is door zogenaamde contextglossen, waarbij de glossen tussen de tekst staan. Bij het samenstellen van een glossarium werden de glossen uit een of meer teksten al dan niet alfabetisch op een lijst verzameld.

Als de oudste verzamelingen Nederlandstalige glossen, waarin de woorden alfabetisch zijn gerangschikt, werden beschouwd: het Glossarium Bernense (hs. 641 Burgerbibliothek Bern), het Glossarium Trevirense (hs. 1125 [2059] Stadtbibliothek Trier) en het Glossarium Harlemense (codex 183 D2 stadsbibliotheek Haarlem); ze stammen uit de veertiende en de vijftiende eeuw.

Door de onderzoekingen in Van Sterkenburg 1975a is aangetoond dat deze glossaria geen autonome verzamelingen vormen van marginale en interlineaire glossen en contextglossen in Latijnse teksten zoals Buitenrust Hettema 1889 en 1914 meende, noch van vertalingen van Latijns-Latijnse glossaria die ontstaan zijn uit alfabetische, contextgebonden glossen waarvan de lemmata verschijnen in dezelfde gedaante als waarin ze in de tekst voorkomen en die door hun vertalingen hun contextgebondenheid verraden.

Op grond van het fragmentarisch overgeleverde grammaticale siglensysteem in het Glossarium Bernense, op grond van de benoeming van woordsoorten en de aan de dag gelegde belangstelling voor taalvergelijking en etymologie in het Glossarium Harlemense, wegens het herhaaldelijk voorkomen van aanduidingen betreffende de verbuiging van zelfstandige naamwoorden en de vervoeging van de werkwoorden, op grond van de allesbehalve primitieve wijze van alfabetiseren en van de uitvoerige Latijnse betekenisomschrijvingen, interpretamenten genaamd, en op grond van de opbouw van de lemmata komt Van Sterkenburg door vergelijking met de chronologisch na de glossaria komende vocabularia veeleer tot de conclusie dat het Glossarium Harlemense en de beide andere daaraan verwante glossaria zeer nauw aansluiten bij de lexicografische traditie zoals die zich manifesteert in de hieronder nog te noemen Conflatus, Vocabularius Ex quo, Gemmula en Gemma, bij woordenboeken dus die, zoals met evenveel woorden in hun voorwoorden vermeld staat, geënt zijn op de grote Middellatijnse woorden-

[p. 199]



illustratie

Bladzijde 12 vo (editie De Man - Van Sterkenburg) uit het Latijns-Middellimburgs Glossarium Bernense (ca. 1290-1310), gefotografeerd onder ultraviolette belichting.


[p. 200]

boeken van Papias, Johannes de Janua, Osbern van Gloucester, Uguccione, de Brevilogus, en dergelijke. De zaken die de glossaria ondanks evidente verschillen ermee gemeenschappelijk hebben, zijn onloochenbaar en moeten voortvloeien uit een bewust geconstrueerd systeem. Omwille van deze feiten is het juister te spreken van een glossografische en een lexicografische periode in de wordingsgeschiedenis van onze lexicografie. Glossografische geschriften, die slechts terminologisch commentaar willen zijn, zijn niet alleen gebonden aan de literaire teksten waarbij zij primair als commentaar dienden, maar ze zijn ook uit een directe confrontatie daarmee ontstaan. Een alfabetisch tweetalig glossografisch produkt is te onzent niet bekend. Als er sprake moet zijn van een bepaalde begrenzing, mag men beweren dat de lexicografische periode ontkiemt, wanneer de burgerij zich rond 1200 gaat roeren. Deze burgerij wil elementaire kennis van het Latijn verkrijgen. Het onderwijs is niet op kennis van het exceptionele, maar op het nuttige gericht. De naam glossarium in de zin van: een verzameling glossen die oorspronkelijk geschreven zijn bij Latijnse woorden in teksten en woordenboeken die in handschrift zijn overgeleverd, is dus eigenlijk onjuist voor onze oudste woordenlijsten.

Het Glossarium Harlemense en zijn verwanten laten zien dat er al een duidelijke lexicografische evolutie heeft plaatsgevonden. Hierop wijzen een streng doorgevoerd alfabetiseringssysteem, de uitvoerige lemmata waarin hier en daar reeds aandacht besteed wordt aan de ‘eigenlijke’ betekenis, aan homonymie, aan afleiding, enz.

Onze oudste tweetalige alfabetische Latijns-Middelnederlandse woordenboekjes, de drie genoemde glossaria, zijn geen buitenbeentjes in de geschiedenis van onze lexicografie. De verschillen met hun lexicografische opvolgers bestaan hierin, dat ze aanzienlijk beknopter zijn en dat ze het grammaticale karakter, zoals dat in die jongere woordenboeken verschijnt, slechts in eerste aanzet in zich bergen. Dat er in die oude verzamelingen elementaire fouten schuilen, is onvermijdelijk. Onbegrepen Latijnse woorden, verouderde woordvormen, verschoven interpretamenten, verlezingen, enz. moet men beschouwen als lexicografische kinderziekten, die mede verklaard worden doordat we met handschriften te maken hebben. In de volgende periode, in de zestiende eeuw, zullen de boekdrukkunst en het papier de ontwikkeling van woordenboeken sterk bevorderen.

7.1.2. Tweede fase: de vocabularii, etc.

In Van Sterkenburg 1973a is aannemelijk gemaakt dat de Vocabularius copiosus, een woordenboek dat naar het eerste woord van zijn slotzin ook wel als Conflatus wordt aangeduid, dateert van nog vóór 1400. Dit grote Latijns-Middelnederlandse (Brabants-Limburgse) lexicon is bestemd voor

[p. 201]

hen die beginnen te vorderen met hun studie in de schone letteren of reeds gevorderd zijn. Het is, gezien zijn omvang, zijn uitvoering en zijn inhoud, stellig geen woordenboek geweest voor arme scholieren, de pauperes scolares. De samensteller van de Vocabularius copiosus, waarvan een prachtig exemplaar wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage, wilde een evengoed naslagwerk geven voor het Latijn als voor de volkstaal.

De Vocabularius Ex quo, zo geheten naar de aanvangswoorden van het voorwoord, beleefde sedert 1410 een ongekende bloei in de Duitse landen in de vorm van afschriften, waarnaast sedert 1467 tal van drukken verschenen. In onze gewesten is het boekje minder bekend geweest: we kennen slechts één druk, die van 1479 in Zwolle. Het doel van dit elementaire leerboek blijkt duidelijk in het voorwoord: het wil een hulpmiddel zijn voor behoeftige scholieren bij het leren lezen van Latijnse teksten en het verstaan van de Bijbel. Als bronnen ervan wees Grubmüller 1967 de Middellatijnse gezaghebbende woordenboeken aan, die vereenvoudigd werden; de moeilijkste Latijnse woorden bleven achterwege en de Latijnse verklaringen werden omgezet in de volkstaal.

In 1477 kwam bij de Keulse drukker Arnoldus Therheurnen een woordenboek van de pers dat beschouwd mag worden als een hoogtepunt van Middeleeuwse lexicografie; het droeg als titel: Vocabularius qui intitulatur Teuthonista vulgariter dicendo der Duytschlender, en werd, naar men algemeen aanneemt, samengesteld door de Kleefse kanselier Gert van der Schueren. Het werk bestaat uit twee delen: 1. een Nederrijns-Latijnse woordenlijst (de volkstaal staat dus voorop!) en 2. een Latijns-Nederrijnse. Het was bedoeld voor klerken die hun moedertaal beter kenden dan het Latijn; in tegenstelling tot bijvoorbeeld de auteur van de Vocabularius Ex quo schreef Van der Schueren dus niet ten behoeve van de schoolgaande jeugd, maar van mensen die een ambt vervulden waarvoor voortzetting van studie was vereist. De Teuthonista was zo voor de vijftiende-eeuwer een hulpmiddel bij zijn voortgezette studie, of bij het schrijven. Het eerste deel diende om Latijn te leren, het tweede om Latijn te kunnen vertalen in Nederrijns.

De Gemmula vocabulorum beleefde in de Bourgondische gewesten dezelfde grote populariteit als de Vocabularius Ex quo in Duitsland en behoorde ongetwijfeld tot de normale studie-uitrusting van een student uit die dagen. Ook wat inhoud en opzet betreft komen Vocabularius Ex quo en Gemmula vocabulorum sterk met elkaar overeen. De oudste druk die bekend is, dateert van 18 september 1484 en is gedrukt door Geraert Leeu te Antwerpen. Naast deze Antwerpse zijn er nog edities bekend uit 's-Hertogenbosch, Deventer, Zwolle en Delft, waarin de omschrijving in de volkstaal bij de Latijnse lemmata herhaaldelijk regionale varianten bevat, aangepast aan de plaats en het vermoedelijke verspreidingsgebied van de verschillende uitgaven. Het spreekt vanzelf dat de twaalf achterhaalde in de Nederlanden

[p. 202]

gedrukte Gemmulae daarom voor de historische woordgeografie van groot belang zijn.

Wat opzet, inhoud en bronnen aangaat, hangen met de genoemde Vocabularius Ex quo en de Gemmulae nauw samen de Gemma vocabulorum (o.a. Antwerpen 1494), de Vocabularius optimus Gemma vocabulorum merito dictus (o.a. Deventer 1495) en het Dictionarium quod Gemma gemmarum vocant (o.a. Antwerpen 1511), die echter minder regionale varianten bevatten.

Een viertal belangrijke woordenlijsten in handschrift verdient nader onderzocht te worden, omdat ze een belangrijke schakel vormen in de Westeuropese keten van middeleeuwse woordenboeken. Het zijn:

1.handschrift 15 uit de bibliotheek van het Kruisherenklooster Sint Agatha bij Cuyk, afkomstig uit het voormalige klooster Frenswegen bij Oldenzaal;
2.handschrift 10.886 van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, dat afkomstig is uit het klooster Sint Laurentius bij Luik;
3.handschrift 603 uit de Stadtbibliothek te Mainz, dat uit de omgeving van Zutphen afkomstig schijnt te zijn;
4.handschrift 19.590 van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.

De eerste drie vertonen een grote verwantschap; het laatste is belangrijk, omdat het een tussenstadium laat zien in de ontwikkeling van de oudste glossaria (die uit Bern, Trier en Haarlem) naar uitvoerige lexica als de Vocabularius Ex quo, de Gemmula, enz.

7.2. Systematische lexicografie

Onder systematische glossaria verstaan we woordenlijsten die niet alfabetisch, maar zakelijk ingedeeld zijn; daarmee wordt bedoeld dat in die werken termen uit dezelfde sfeer, bijvoorbeeld de benamingen van dieren of die van ziekten, groepsgewijs bijeengebracht zijn. Dergelijke glossaria, ook wel Vocabularia rerum genoemd, berusten op grote middeleeuwse encyclopedieën, waaronder die van de Westgootse bisschop Isidorus (± 570-636) een belangrijke plaats inneemt. De systematische glossaria worden wel ingedeeld in twee categorieën: het De Deo-type, dat woorden uit de sfeer van de godsdienstige traditie bevat en terugwijst naar het bijbelse scheppingsverhaal, en het De homine-type, waarin de mens centraal staat en waarin de wereld van de mens wordt beschreven.

De eerste belangrijke representant van deze categorie glossaria waarin ook Nederlands voorkomt, is de Pappa puerorum van de humanistische pedagoog Johannes Murmellius, geboortig van Roermond. Dit boek verscheen echter aan het begin van de zestiende eeuw, en komt om die reden in het volgend hoofdstuk aan de orde.

[p. 203]

Bibliografische aantekeningen bij hoofdstuk 7

Verschillende vooral kleinere woordenlijsten of fragmenten daarvan zijn in de voorafgaande tekst niet aan de orde geweest. Door middel van de volgende literatuur kan men zijn weg verder vinden.

Bellaard 1904, Buitenrust Hettema 1914, Claes 1967-1968, 1970b en Van Sterkenburg 1975a, 1975b geven overzichten betreffende de ontwikkelingsgeschiedenis van de lexicografie. Bellaard en Buitenrust Hettema staan diametraal tegenover elkaar, en Van Sterkenburg 1975a maakt duidelijk dat de visie van Bellaard noch die van Buitenrust Hettema stand kan houden. Claes geeft een compilatie tot 1500.

De Man 1964 schetst niet alleen de geschiedenis van de systematische glossaria, maar bezorgt ons ook drie tekstuitgaven van dit genre. Rooth 1960-1965 verrichtte met zijn woordstudie baanbrekend werk voor de woordgeografische methode en bestudeerde vooral de woordenschat van het Glossarium Trevirense. De Smet 1970 is eveneens vanuit woordgeografisch standpunt belangwekkend. Grubmüller 1967 geeft niet alleen een zeer omstandige inleiding op een bepaald genre (zoals ook Buitenrust Hettema 1889 en Van Sterkenburg 1973b), maar is vooral belangrijk wegens zijn uitputtende overzicht van de Latijnse lexicografische traditie tot het einde van de veertiende eeuw. Uitvoeriger over de Vocabularius copiosus kan men bij Van Sterkenburg 1973a lezen. Voor meer gegevens over de in dit hoofdstuk niet besproken woordenboekjes en voor een historisch-dialectgeografische methode vergelijke men Van Sterkenburg 1975a.