De grammatische functie


auteur: Frida Balk-Smit Duyzentkunst


bron: Frida Balk-Smit Duyzentkunst, De grammatische functie. Methode van grammaticale analyse, aan het Nederlands gedemonstreerd. J.B. Wolters, Groningen 1963  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 181]

Zaakregister

aangesproken persoon: 161-164.
aantonende wijs: 135-136.
aanvoegende wijs: 135-136.
aanwijzend voornaamwoord: 89-91.
abstracte genoemdheid: 137-141.
afhankelijk: - ‘noemen’: 55; - ‘noemen’ bij Reichling: 58.
begrip: - in onderscheid met grammatische functie: 124.
betekenis: - in taal en taalgebruik: 14-15; - als object van onderzoek: 26; - zelfstandig en onzelfstandig toegepast: 57-65; - van een semanteemcombinatie: 76; - tegenover functie: 91; - van een eigennaam: 107; - tegenover ‘vorm’ in taalgebruik en taalbeschouwing: 146-148.
betekenisbeschrijving: 28; voorwaarden voor de -: 97-98.
betekenisstructuur: 79-81.
bezittelijk voornaamwoord: 91.
bijvoegelijk naamwoord: - in de gangbare grammatica: 90; - tegenover bijvoegelijke bepaling: 160-161.
bijvoegelijke bepaling: 160-161.
bijwoord: 90.
bijzin: 171.
concrete genoemdheid: 137-141.
denken: 88, 92-94.
diminutief: 152, 154.
disjuncte toepassing: - van de betekenis: 48, noot 2; - van een functie: 107-108.
distinctieve functie: 113-114.
distinctivum: 115.
durend kenmerk: 118; - tegenover ‘soortelijk’ kenmerk: 119-121.
eigennaam: - als term voor verschillende verschijnselen: 102-108; vastlegging van de term -: 109; - tegenover aangesproken persoon: 161-164.
feit: 121-122.
fonologie: 146.
formeel aspect: 144-148.
formele grammatica: 148.
functie: - in onderscheid met betekenis: 74, 75, 91; - als moment van taal en taalgebruik: 77; - in onderscheid met teken: 88; markerende -; 89; potentiële -: 89, 90; feitelijke -: 89, 90; gebonden -: 154-155; vrije -: 154-155.
functiebeschrijving: 96-98, 111-112.
functiemogelijkheid: - als semanteemeigenschap: 77; - als criterium voor semanteemklassen: 79-82.
functieverhouding: 85-86.
functioneel aspect: 144-146.
genoemdheid: 52.
gezegde: - tegenover persoonsvorm: 159-160.
grammatica: het gangbare begrip -: 89; - op school: 93; - met betrekking tot ‘vorm’ en ‘betekenis’: 142-148.
grammaticaal: - in onderscheid met ‘grammatisch’: 175.
grammaticale kennis: 95.
[p. 182]
grammaticale traditie: plaats der grammatische functies in de -: 143; plaats van ‘vorm’ en ‘betekenis’ in de -: 143-145.
grammatisch: - in onderscheid met ‘grammaticaal’: 175.
grammatische betekenis: 144-146.
grammatische functie: vastlegging van de term -: 98; - tegenover ‘begrip’: 124; - in correlatie met formele verschijnselen: 143-146.
grammatische vorm: 144-146.
hetero-realis: 131, 135-136.
hiërarchie: - der genoemdheden: 57; - der functies: 75, 88; - als bepalend voor functiebeschrijving: 99.
homoniem, homonymie: - als factor bij ontleedbaarheid: 32-33; 36-41; - tegenover synoniem (synonymie): 71; - bij eigennamen: 102-103.
hoofdwerkwoord: 118.
hoofdzin: 171.
hulpwerkwoord: 118.
imperatief: 111-112.
individueel aspect (individuele kenmerken): 102-105.
irrealis: 131.
kenmerk: - van genoemdheden: 66-68; de term - nader gepreciseerd: 115-118.
leesteken: 20, 21.
lemmateken: 21.
lemmavorm: 20.
lichaam: - als grammaticale term: 140.
lidwoord: 91, 114.
linguale ervaring: 83-85.
lokaliseerbaar(-heid): 140-142.
massa: als grammaticale term: 140.
methode: - van grammaticale analyse, samengevat: 174-175.
morfeem: - in verhouding tot een ander functionerend semanteem: 152-155; - als semanteem onder het ‘werkelijkheid’-constituerend aspect: 168, 172.
morfeemfunctie: - onder het afhankelijkheidsaspect: 151-155; - onder het ‘werkelijkheid’-constituerend aspect: 167-168; 172.
Nederlands: ‘het’ -, als af te bakenen object: 7-9.
niet-linguale ervaring (niet-linguale kenmerken): 83-85; 107; - in onderscheid met grammatische functies: 124.
noemen: 50, noot 1; anomaal -: 78; impliciet -: 112, 122.
nominale functie: 124.
onderwerp: - in samenhang met de persoonsvorm: 116; - tegenover zelfstandig voornaamwoord: 158; - tegenover lijdend voorwerp:158-159, 163.
(on-)ontleedbaar: zie taalteken.
onvoltooid: 132-134.
onvoltooid verleden tijd: analyse van de term -: 128.
onzelfstandige betekenis: - getoetst bij Reichling: 60-65.
oppositie: - als controlemiddel bij synoniemen: 66-70; - gehanteerd als principe bij betekenis- en functiebeschrijving: 97-98, 135-136.
optimalezaak’ (optimale genoemdheid): 29-30.
originalis: 152, 154.
persoonsvorm: - in de gangbare grammatica: 115-117; - in oppositie tot bijvoege-
[p. 183]
lijk naamwoord: 119-121; vastlegging van de term -: 142; - tegenover gezegde: 159-160.
praesens: 126-136.
praesens historicum: 127.
praeteritum: 126-136.
realis: 131, 135-136.
ruimte: - in oppositie tot ‘tijd’: 120, 122-124; - in eenheid met ‘tijd’: 123; - als grammaticale term: 138-142.
schoolgrammatica: 1, 156.
semanteem: vastlegging van de term -: 35; - tegenover ‘woord’: 46-47.
semanteemcombinatie: 71-76.
semanteemklasse: 82.
semantische benadering: - van grammaticale verschijnselen: 146-148.
soort: 48; - als linguïstisch begrip: 53-55.
soortelijk(e)’ kenmerk(en): 100-102; - tegenover durend kenmerk: 119-121.
soortelijkplus-kenmerk: 57.
stofnamen: 138-139.
subject: zie onderwerp.
sub-semanteemklassen: 87.
substitueren (substitutie): - bij het vaststellen van synonymie: 70; - bij het vaststellen van functies: 79; - bij het vaststellen van semanteemklassen: 82-83.
synoniem (synonymie): analyse van het gangbare begrip: 67-70.
syntactische functie: - tegenover woordsoort(-elijke)-functie: 158-165; vastlegging van de term -: 165; - onder het ‘werkelijkheid’-constituerend aspect: 167-168; 172-173.
syntagma: 168, 172-173.
syntaxis: 174.
systeem: 81-82.
systematiek: - van ‘het Nederlands’: 81 (noot 1), 82.
taal’: - als linguïstische vakterm: 175-176.
taalbeheerser: - als individu: 8, 19; - als representant: 22-23.
taalbeschouwer: 18.
taalbezit: - en grammaticale kennis: 156.
taaleenheid: 11, 19.
taalgebruik: 8; noodzakelijke voorwaarde voor -: 15; - actief en passief: 24-28.
taaltechnisch woord: 77.
taaltechnische functie: 167.
taalteken: 19; vastlegging van de term -: 31; ontleedbaar - tegenover onontleedbaar -: 31, 34-35.
taalverwerving: 25, 30.
tegenwoordige tijd’: 126; - getoetst aan de reële tijdservaring: zie praesens.
teken (niet-taalteken): 17-18; - tegenover functie: 88.
terminologie: verantwoording van de -: 109-111.
toekomende tijd’: 126.
toevoegingsfunctie: 78.
tijd: - van de persoonsvorm: 115-118; - in oppositie tot ‘ruimte’: 120-124; analyse van het grammaticale begrip: 124; toetsing aan het gangbare begrip: 125-130.
uniek aspect (unieke kenmerken): 101-102.
[p. 184]
verleden tijd: 126; - getoetst aan de reële tijdservaring: zie praeteritum.
voltooid: 132-134.
voornaamwoord: zie: aanwijzend-, bezittelijk- en zelfstandig voornaamwoord.
vorm: 13, 14; - in ‘taal’ en ‘taalgebruik’ als moment van een teken: 32; - tegenover betekenis in taalgebruik en taalbeschouwing: 146-148.
vormexemplaar: 14; 143.
vormmoment: - als criterium bij het ontleden: 94.
werkelijkheid: - in de reële ervaring: 130; - als eenheid van ruimte-en-tijd in de werkwoordelijke functie: 131-136.
werkwoord: 115-117.
werkwoordelijke functie: 124.
weten: gebruiks-, onderscheidend- en analytisch -: 93-95.
woord: - als gangbare notie: 9, 10; - niet identiek met semanteem: 46-47; 149; - als semanteem in verhouding tot een ander functionerend semanteem: 149-154; - als semanteem onder het ‘werkelijkheid’-constituerend aspect: 168; - de primaire taaleenheid: 172-173.
woordbenoeming: - in verhouding tot analyse van semanteemfuncties: 149-156; - tegenover zinsontleding: 157-158.
woordcombinatie: 171.
woordfunctie: - onder het afhankelijkheidsaspect: 153-155; - onder het ‘werkelijkheid’-constituerend aspect: 166-167, 172-173.
woordgroep: 170, 172.
woordgroepfunctie: 170, 172.
woordleer: 174.
woordsoort: 157.
woordsoortfunctie: - tegenover syntactische functie: 158-165; vastlegging van de term -: 165, 168.
zaak: - bij Reichling: 47-51; - onderscheiden van andere genoemdheden: 52-53; - onder verschillend aspect ‘genoemd’: 101-102; - in oppositie tot ‘feit’: 120-122; - als ruimtelijk te kennen gegeven: 142; - als specifiek woordsoortelijk begrip: 163.
zaakbeschrijving: 97, 98.
zelfstandignoemen: 52.
zelfstandige functie: 99.
zelfstandigheid: 96.
zelfstandig naamwoord: - in de gangbare grammatica: 91, 92, 96; vastlegging van de term -: 102; - tegenover ‘onderwerp’: 158-159, 163.
zelfstandig voornaamwoord: 100-102.
zin: - in de gangbare grammatica: 170-172; vastlegging van de term -: 172-173.
zinsfunctie: 171-173.
zinsontleding: 157-158.