Louis Couperus. Een biografie


auteur: F.L. Bastet


bron: F.L. Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Em. Querido's Uitgeverij B.V., Amsterdam 1987  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

V [1923-latere tijd]

Het eerste wat Couperus in zijn mooie nieuwe kamer deed was het schrijven van een dankwoord, dat hij op 23 juni in de Haagsche Post liet afdrukken.1 Er staan interessante dingen in. Behalve betuigingen van erkente-

[p. 669]

lijkheid aan velen wier namen hierboven bij herhaling genoemd zijn, ging hij zoals te verwachten vooral wat dieper in op Van Deyssels feestrede.

Nooit heeft hij geweten hoe deze zijn leven lang geobsedeerd is geweest door het onnavolgbare fenomeen Couperus, wiens werkkracht en gemiddeld hoog niveau Van Deyssel jaar in jaar uit pijnlijke gevoelens van eigen inferioriteit hebben bezorgd. Couperus, hoewel in zijn jonge jaren soms fel tegen Thijm gekant, niet alleen wegens diens scheldpartijen maar vooral ook omdat de man nimmer op een hoofse en goedbedoelde, essentiële brief van hem had geantwoord, was zijnerzijds mettertijd milder over hem gaan denken. Daar de scherpe kantjes er bij Van Deyssel langza-merhand al danig van af waren gesleten, leek nu, na de eerste toenaderingen tijdens de lezing op 22 februari 1917 te Utrecht, waarbij Henri van Booven zoals wij zagen als entremetteur was opgetreden, de verzoening volkomen.

Zo kon Couperus in zijn dankwoord dan ook zeggen: ‘Toen Van Deyssel mij toesprak, ben ik in mijn innerste zeer bewogen geweest. Hij zeide mij gevoelens, die ik niet wist, dat zoo innig bestonden in de harten der Voormannen van '8o voor hun mede-broeder, die zich misschien steeds wat te ver van hen heeft afgehouden, om geen andere reden, dan dat hij eigenlijk, trots alle zijne reputaties, een stil mensch is, die geen strijder is vaninatuur als zij waren en die alleen wenschte onafhankelijk te arbeiden zooals hij verkoos. Ik herhaal, deze houding is misschien een fout geweest; innerlijk was ik toch van dezelfde mentaliteit als die daar in Amsterdam. Maar - het is vreemd - het scheen, dat Amsterdam in die dagen vér van Den Haag lag, en ik beken het eerlijk, dat is misschien jammer geweest.’ - Het heeft overigens minder aan Couperus gelegen dan aan ‘Amsterdam’.

Hij vervolgde: ‘Toch hebben wij elkander gevonden. Van Deyssel heeft mij werkelijk gelukkig gemaakt, door te verklaren, dat hij zelve, mij toesprekende, dien dag gelukkig was. En deze verbroedering gevoel ik als een wonderlijk innig oogenblik in de geschiedenis onzer moderne letteren. Wat zullen wij er nu eenmaal aan doen: het is niet anders, wij behooren. aan de geschiedenis, hoe bescheiden misschien ik in de ziel mijner ziel eigenlijk een geheel ander leven had willen leiden dan dat waartoe de onafweerbare machten mij dwongen: een leven van droomen, peinzing, stilte en bezonken liefde, zónder te schrijven, zonder roem. en mondaniteit en zonder zoo heel veel, dat onvermijdbaar is in een leven, aan publiciteit en overbekendheid gewijd. Want eigenlijk, lieve vrienden, ben ik zoo

[p. 670]

weinig als ik mij voordoe en kent ge mij niet, trots alle mijne auto-indis-creties.

Maar kom, dit zijn verteederingen, die het beter is te verzwijgen.’

Over de hem verleende onderscheiding wilde Couperus graag ook nog wat kwijt. Dat het commandeurschap in de Orde van Oranje Nassau te hoog voor hem was gebleken, deerde hem niet. Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw vond hij al meer dan prachtig: ook zijn vader en zijn broer John Ricus waren indertijd met deze versierselen getooid. Na zijn Intieme impressie van 11 maart 1923 voelde hij het zonder meer als een voldoening dat koningin Wilhelmina nu eens niet aan de literatuur was voorbijgegaan. ‘Ik sta misschien,’ schreef hij daarom, ‘van binnen-uit wat vreemd tegenover officicele onderscheidingen, hoewel ik zeer apprecieer de spontane sympathie, die van dien hoogen kant tot ons, arbeiders in den wijngaard der Nederlandsche Muze, komt. Maar dit gevoel was op het oogenblik, dat minister De Visser mij mededeelde, welke hooge eer mij te beurt viel, geheel verdrongen door een ander gevoel, namelijk door de groote vreugde, dat ons litteraire gilde - al was het dan ook in mijne persoon - ge-eerd werd van Hooger Hand.2 Lieve kunstbroeders, en -zusters, op dit oogenblik heb ik gedacht aan u allen. Op dit oogenblik heb ik dankbaar de zoo hooge onderscheiding aanvaard, maar niet anders dan als één van u allen. Wij allen te zamen, werken, door onze begaafdheden en talenten om Nederland groot te maken door zijne taal. Zonder taal, geen volk; wij allen, arbeiders van de Nederlandsche Taal, wij zijn, en ik zeg dit zonder eenige valsche nederigheid of dwazen hoogmoed, de onmisbare Instandhouders onzer nationaliteit. En dat dit begrepen werd ter plaatse waar het wel eens werd voorbijgezien, meer uit achteloosheid dan uit onbegrip, heeft mij op dat oogenblik van officieele hulde vreugdevol getroffen.’

Aan het slot van zijn dankwoord vroeg hij zich af, met een blik op alle bloemen, cadeaus, brieven en telegrammen, of hij wel in staat zou zijn. iedereen persoonlijk te bedanken zonder iemand te vergeten. Couperus heeft er het volgende op bedacht. Hij liet twee soorten kaarten maken met zijn foto. Op de ene zien wij hem aan zijn schrijftafe], op de andere in sportpak samen met Brinio en op de achtergrond zijn ‘Steegsche stulp’.3 Voorzien van zijn handtekening en een kort, persoonlijk woord, zond hij deze kaarten aan alle vrienden en belangstellenden die daar, zoals hij verklaarde, recht op hadden.

[p. 671]

Onder deze bevond zich een zekere K.J.L. Alberdingk Thijm, Oude Gracht, Haarlem... Want Couperus achtte het nu ook weer niet nodig de feestredenaar een uitvoerige, echt persoonlijke brief te schrijven: antwoord zou hij tóch niet krijgen! Eén regel vond hij voldoende. Op de achterkant van de foto waarop wij hem aan zijn bureau zien zitten, deelde hij Thijm minzaam mee:4 ‘Na Uw toespraak, die ik lees in Groot-Nederland, en die ik zoo bizonder waardeer, is het mij een innige behoefte aan Lodewijk van Deyssel te verzekeren, dat zijne medewerking aan Groot- Nederland, hoe sporadiesch ook, mij een groote vreugde is’. - Bij Couperus' crematie enkele weken later zou Van Deyssel het bitter laten afweten.

 

De junidagen waren niet gemakkelijk. Na de roes van de huldiging kwam de kater, die des te groter was omdat Couperus zich niet goed voelde. In De Steeg moest de, niet langer te vieren maar uitgevierde, schrijver een nieuwe fase beginnen: die van het senium. Wel troostte Couperus zich met de gedachte dat hij in de toekomst soms nog eens voor een paar maanden naar bij voorbeeld Florence zou kunnen gaan. Kleine reizen bleven altijd mogelijk. Maar zijn gezondheid moest eerst verbeteren. Helaas kon hij voorlopig nog niet zonder arts. Volgens Albert Vogel kwam de dokter hem regelmatig bezoeken.5

Couperus werkte echter niet erg mee aan diens behandeling. Hij zei tegen zijn nichtjes, Betty en Louise Wijnaendts van Resandt:6 ‘De dokter komt en wil gaan zeuren over mijn ziekte, maar ik zal ervoor zorgen dat hij daar niet de gelegenheid toe krijgt.’ - De nichtjes herinnerden zich jaren later nog:7 ‘Toen de dokter kwam met een flesje waarin een blauw drankje voor zijn patiënt zat, werd er niet over de lever gepraat, daar zorgde Couperus voor, maar wel over de inrichting van de kamer. Een briljant betoog van Couperus uitgaande van het feit dat de kleur van het drankje zo prachtig paste bij de rood-gouden achtergrond van de kamer.’ Liever laafde hij zich in die dagen aan gefrappeerde champagne.8 Heidsieck ongetwijfeld.

Afgezien van zijn kwalen van dit ogenblik had Couperus het altijd al moeilijk gehad met hei probleem van het ouder worden. Nu werd hij wérkelijk oud, meende hij. Merkwaardig is het feit dat hij langzamerhand zijn kleding begon te verwaarlozen. Het kon hem, zo diep in de provincie, niet veel meer schelen hoe hij er uitzag. De gewone dagelijkse verrichtingen beperkte hij tot een minimum. Dit is in overeenstemming met wat

[p. 672]

wij lezen in zijn laatste Intieme impressie,9 een fantasie over het thema ‘dat wij absoluut verkeerd leven’. Badinerend - maar in wezen meende hij het heel ernstig - schilderde Couperus het complex van nutteloze handelingen die een geciviliseerd (?) mens van de vroege ochtend tot de late avond meende te moeten verrichten om zich in deze zogenaamde beschaving in stand te houden. Sterker nog: onze gehele, gecompliceerde levenscarrière achtte hij een grote - maar helaas onontkoombare - vergissing. Even ongerijmd kwam hem in wezen de eigenschap voor die ons ondanks alles redden kan, en die hij als een groot, paradoxaal wonder ervoer:10 ‘... wij dwazen en onzinnigen, wij, die niet weten waarom wij leven, waarom wij geboren worden of sterven, wij kunnen tóch nog - o, al is het maar in de schaduw van een seconde - gelukkig zijn.’ De drijfkracht tot dit vermogen herkende hij in de ons ingeschapen liefde, naar wie of wien ook uitgaande. Dit godengeschenk bracht hem tot een uitspraak, geformuleerd in de laatste regel van dit laatste feuilleton, verschenen in Het Vaderland van zondag 8 juli 1923:11 ‘De goden hebben aan het einde medelijden met ons gehad!’

Door de schertsende formuleringen heen schemert voor de goede lezer een defaitisme dat wel niet nieuw was maar dat alle vreugdevolle dingen die hij sinds zijn thuiskomst uit Japan ervaren had in de ban van een noodlottige, steeds weer terugkerende treurigheid hield. Daarvan getuigen de Japanse verhalen, die, grotendeels nog op de Hoogewal geschreven, te zamen Het snoer der ontferming vormen. Als boek is de verzameling pas in 1924, dus na zijn dood, verschenen.

Zijn herhaaldelijk ziek zijn, op reis door Japan zelfs aan de rand van de dood, kan niet anders dan er toe bijgedragen hebben dat Couperus tijdens het schrijven van deze verhalen veel over de dood heeft nagedacht. Hij deed dat in Japan al, toen hij over Amida schreef:12 ‘Hij woont in een purperwolkig paradijs in het Westen of misschien in een goudwolkig paradijs in het Oosten. Dat weet ik niet meer. Maar hij heeft verklaard aan de goden, dat hij geen Boeddha-schap of rust in Nirwana verlangde, voordat hij zeker was, dat iedere sterveling hier beneden, na zijne zielsverhuizingen een zalige rust deelachtig zou worden... Hij bemint de menschheid en ik ben maar een mensch. Ik geloof, dat ik koorts heb. Maar koorts of geen koorts, ik geloof... ik geloof aan Amida! En in het binnenstroomende manelicht zie ik hem daar ijl, zilverig, mistende, maar héél duidelijk, zitten op zijn immense lotosbloem, één flonkeroog astraal midden in

[p. 673]

zijn voorhoofd. Zijne oogen daaronder hebben een blik van liefde; hij lacht. Nu rijst hij op, ontzaglijk; misschien gaat hij de lichtsluizen ontsluiten; misschien zendt hij mij één straal van zijn Grenzenlooze Licht... - Amida! bid ik. Amida! Neem weg van mij die pijnen...’

Bij deze herinnering sluit de opdracht aan Amida in het Voorspel van Het snoer der ontferming nauw aan:13 ‘Hij beurt het Snoer, dat hangt driedubbel hem rondom den hals, opdat allen, die stierven na dit nietig kleine maar smartvolle leven, het zullen grijpen en uitrusten aan zijn hart.’

Geen wonder dat de dood in dit boek telkens terugkeert. Nooit echter als een verschrikking. Zo is er de krekel, die aan het eind van de dag sterft in zijn kooitje:14 ‘Maar zelfs over een krekelziel erbarmt zich de ontzaglijke Amida.’ Dit korte verhaal is tevens een van de ontroerendste uit Couperus' gehele oeuvre. Hoezeer ook hij zich een krekel wist heeft hij hier, zonder over zichzelf te spreken, neergeschreven.

Het motief van de zelfdoding brengt hij eveneens ter sprake. Als het wanhopige meisje Nishiki er een eind aan wil maken, hangt zij desondanks nog aan het ellendige leven en aarzelt:15 ‘En dan, het is niet goed zijn leven zelve af te breken. Boeddha wil het niet.’ Zij komt er ten slotte toch toe, samen met Mikan van wie zij houdt. Amida vergeeft, want hun levensleed en zelfs al hun zonden hebben zij in de schoot van de erbarmende god Jizo gelegd. Vergeving en erbarming, van deze begrippen is Het snoer der ontferming doortrokken. Ontferming valt ook Umi-San ten deel, die de zee in loopt en daar Amida's glimlach ontmoet:16 ‘En greep Umi-San, uit de golven zich heffende en als geheven door Amida's eigene handen, het Snoer en lag hij in ontferming aan den eigen borst van den Zalige...’

Veel is, ook in deze verhalen weer, nauwelijks verhulde autobiografie. Zo ontmoeten wij de estheet, die zich gelukkig weet:17 ‘Den volgenden dag, deze nacht wellicht zoû zijn leven, zijn sierlijk kunstleven gedaan zijn, maar wat kwam er dit op aan? Of men leefde een eeuw, een dag of een uur... wat kwam er dat op aan, als dat enkele uur slechts uitgekozen ware! Als slechts de enkele eeuwigheidsseconde, die men leefde er eene was van zorgvuldig gekweekte schoonheid!’

Ook lezen wij over de bittere wijsgeer, met wie Couperus zich maar al te goed vereenzelvigen kon. Tot de god Jizo klaagt hij:18 ‘Weet gij [...], waarom goden bestaan en menschen? Weet gij, waarom wij geboren werden? Weet gij waarom wij lijden en arbeiden en ziek worden en

[p. 674]

sterven na de ons onverklaarbare nutteloosheid der aardsche bestanen? Weet gij, waarom de eeuwen wentelen? Waarom ik koelie-lasten getorst heb, rijst heb geplant, zijde en thee verkocht, aan kunst en wetenschap heb gedaan, gestreden heb op het slagveld en op een koningstroon heb gezeten? Waar ben ik vandaan gekomen, waarheen begeef ik mij? Weet ik iets, trots al mijn peinzen en zoeken en mediteeren? Weet gij iets en weet Boeddha iets? Wat is het Nirwâna?’ - Op al zijn vragen krijgt hij tenslotte het enige goddelijke antwoord dat hem tot werkelijke wijsheid brengt: ‘Laten wij echter onze daden slechts doèn, zooals wij meenen, dat zij het allerbeste te verrichten zijn en zonder te willen weten.’ - De bittere wijsgeer wordt terugverwezen naar zijn troon. Zo ook is Couperus tot zijn levenseinde toe elke dag opnieuw aan zijn schrijftafel gaan zitten.

Het laatste verhaal dat hij ons naliet is dat van de koelie: Kamo, de Wilde Eend, niet meer dan negentien jaar oud. Hij heeft een verhouding met Akari-no-Tera, die als jonge vrouw met de machtige Daimyo gehuwd is. Het komt uit dat deze man en Kamo in wezen broeders zijn. Ook de verboden liefde komt uit, en het verhaal eindigt ermee dat zij alle drie de dood zoeken door harakiri. De koelies die in de driedubbele lijkstoet de palankijnen torsen zingen aan het eind een lied waarin ons de regels treffen:19 ‘Niet zijwaarts, reiziger, kunt gij uw Noodlot ontvlieden [...] slechts tusschen's Levens rotsen steil brengt onvermijdelijk, onverbiddelijk Uw Noodlot den Slagboom u nader!’

Daarmee staat ook Het snoer der ontferming in de reeks van romans en verhalen waarin bij Couperus het noodlot zo een allesoverheersende rol speelt. De bundel is er als het ware het juwelen sluitstuk van. Intenser dani ooit tevoren besefte Couperus, ziek en verzwakt, dat hij niet werkelijk leefde maar in diepste wezen geleefd werd. Dit was zijn heilige overtuiging: ‘... toevallig Noodlot - maar is oòit dit toevallig?’ luidt een laatste citaat uit een van deze verhalen. Het boek is daarmee zijn eigen geestelijke testament geworden.

 

Ondanks dit alles blijft het twijfelachtig of Couperus in juni 1923 wel beseft heeft hóe dicht hij de dood al genaderd was. Een journalist van De Nieuwe Courant meldde naar aanleiding van zijn huldiging in Kleykamp:20 ‘Op den jubileumsdag zelf, tusschen al die vereerders en al die bloemen, zag hij bleek van vermoeienis en aandoening, maar op de vraag van een zijner vrienden of hij tevreden was, klonk een hartgrondig “ja

[p. 675]

zeker!” ten antwoord’. Hij was nog levenslustig genoeg. Albert Vogel weet te vertellen:21 ‘Aan het diner op die zaterdagavond 9 juni, werd hem een groot boeket orchideeën aangeboden. Toen als dessert een omelette Sibérienne - geflambeerde ijstaart-werd binnengedragen, juichte hij als een kind en stond erop om de kok te complimenteren. Hij gaf hem een hand, nam hem bij de arm en zei: “U hebt een kunstwerk gemaakt nog knapper dan literatuur, van binnen ijs en van buiten vuur”, en gaf de kok als dank de boeket orchideeën.’ - Couperus mag vermoeid zijn geweest, de indruk van een gebroken, afgeleefde man maakte hij toch niet. Rust zou hem goed doen. De neusinfectie bleef hem hinderen, maar een ingreep kon ook daar misschien wel verbetering in brengen.

Voor onze kennis van de korte periode tussen de huldiging en zijn dood beschikken wij hoofdzakelijk over gegevens van anekdotische aard, die even veel of weinig te betekenen hebben als de interpretatie die men eraan geven wil.22 Zo is er een getuigenis van de stationschef uit De Steeg, E.A.E. Libosan, die Couperus in die enkele weken bij herhaling ontmoet heeft en met hem heeft gepraat.23 Bij zijn eerste bezoek aan de man zou Couperus gezegd hebben: ‘Mijnheer Libosan, ik heb'n overeenkomst met Het Vaderland voor 't schrijven van een wekelijkse feuilleton. Dat bezorgt mij veel hoofdbrekens. Ik ben zoekende naar de stof, naar een onderwerp voor mijn eerstvolgend feuilleton; kan echter niets vinden. Ik weet 't niet. Ik weet 't waarachtig niet. En,... ik moet leven van mijn pen. Voor de toekomst van mijn vrouw, ja, heb ik middels een ruime lijfrenteverzekering gezorgd.’ Couperus was uitgeschreven, zo zouden we hier dan uit moeten afleiden, en besefte dat zijn vrouw hem spoedig zou overleven. Maar dit klopt niet met andere gegevens: op zijn schrijftafel zijn bij zijn dood voorstudies voor een boek over de tijd van de kruisvaarders gevonden, terwijl hij bovendien dacht over het schrijven van een Japanse roman. Dat hij, ietwat vertwijfeld, weer eens liep te zoeken naar een onderwerp voor zijn wekelijkste bijdrage aan de courant, zou hem dat nooit eerder zijn overkomen?

Een andere historie wist Simon Carmiggelt in 1972 te vertellen. Hij vernam het verhaal van iemand die zich als Couperus' buurman voorstelde:24 ‘Ik woonde twee huizen verderop,’ zou de man meegedeeld hebben. ‘We dronken wel eens een glas samen in het cafeetje van Hotel “De Engel”. Ik was een stuk jonger dan hij. En ik kon, als we samen praatten, wel bemerken dat de helderheid van zijn geest begon te vermin-

[p. 676]

deren. Trouwens - dat bleek niet alleen uit zijn aandeel in het gesprek.’

Volgens Carmiggelt zag de buurman op zekere dag Couperus bezig in de voortuin van zijn nieuwe huis: ‘Hij legde een aantal grote kiezelstenen in een schuin rijtje onder elkaar op de grond.

“Wat bent u aan het doen?” vroeg de buurman. Couperus antwoordde; “U weet dat ik nogal veel wandel in de bossen hier. [...] Als ik, in het bos, een steen van deze grootte op de grond zie liggen, dan raap ik'm op en dan neem ik'm mee naar huis.”

Op de vraag waarom hij dat deed, wees hij naar de aarde van zijn tuintje en sprak:

“Dáárvoor.” En somber vervolgde hij: “Ik heb veel geschreven in mijn leven. Erg veel. Maar de mensen lezen het niet meer. Lang zal ik niet meer leven. Dat voel ik. En na mijn dood zal niemand mijn werk meer lezen. Dat staat voor mij vast. Dit hier, wordt mijn laatste oeuvre.”

“Wat is het dan?” vroeg de buurman.

“Mijn afscheid van de wereld”, zei Couperus. “Dit is het begin van de letter v. Als ik klaar ben, zal hier staan: vale.”

Vale. Een uit het Latijn stammend woord, dat “vaarwel” betekent. In vroeger tijd schreven mensen het wel, in plaats van “met vriendelijke groeten”, onder hun brieven. Tot grote verbazing van de buurman zei Couperus:

“'t Is toch met één L, hè?”

“Ja, met één”, antwoordde hij.

“Ik moet het zeker weten”, zei Couperus. “In mijn afscheidsboodschap mag geen fout staan.”

Volgens mijn zegsman’, aldus nog steeds Carmiggelt, ‘vorderde het laatste oeuvre in het tuintje langzaam. En bleef onvoltooid. Toen Couperus stierf, had hij drie letters gereed. Aan de vierde was hij begonnen. Van onderen. Er lagen een paar stenen naast elkaar. Toen zijn kist het huisje uitgedragen werd, stond er: val-’

Aanmerkelijk minder melancholiek zijn daarentegen weer twee anekdotes die Albert Vogel uit de eerste hand heeft kunnen optekenen. De ene luidt als volgt:25 ‘Het was voor de meisjes Wijnaendts van Resandt (Betty en Louise) heerlijk om deze gezellige, plagerige, hartelijke oom Louis zo dichtbij te weten. Als er interviewers kwamen voor Couperus en de meisjes zich wilden terugtrekken, dan stond hij erop dat zijn nichtjes erbij mochten blijven. In die tijd kwam er een Amerikaanse uitgever om onder

[p. 677]

andere over de filmrechten van De Stille Kracht te onderhandelen, het dienstmeisje was ziek en met veel plezier verkleedden de nichtjes zich nu om met schortjes voor als dienstmeisje te fungeren. Tijdens het diner deed Couperus aanhalig tegen de meisjes, sloeg een arm om ze heen en gaf ze een zoen en de Amerikaanse gast, in de waan dat het werkelijk personeel was, keek er wat eigenaardig van op. Elisabeth speelde het spelletje mee, en zei op gegeneerde toon: “Maar Louis, dat kan je toch niet doen met het dienstmeisje en dan nog wel waar een gast bij is!”’

Men krijgt in dit geval niet bepaald de indruk met een stervende te doen te hebben, die zich zijn zeer nabije dood ook zeer bewust zou zijn. Dit geldt evenzo voor Couperus' gedrag ten opzichte van zijn zwager, de vader van zijn nichtjes en eveneens zijn buurman. Wat hem betreft weet Albert Vogel mee te delen:26 ‘Wijnaendts van Resandt, de oud-officier was een wat stijve, zeer militaire figuur. Hij was een man die zijn carrière in Indië had gemaakt, daar een leven lang gewoond had, maar nooit Indische gewoonten of zelfs Indisch eten geaccepteerd had. Rijsttafel dat was iets voor inlanders, hij at iedere dag biefstuk, sla en aardappelen. Een dergelijke, wat conformistische figuur vormde een schrille tegenstelling met Couperus die zich dan ook enkele plagerijen veroorloofde.

Couperus haalde zijn zwager eens van de trein af in De Steeg, op het perron zoende hij hem op beide wangen - de Italiaanse wijze - een begroeting waarvan de arme officier al meteen door de grond ging. Couperus liep gearmd met hem door het dorp waarbij de arm van Wijnaendts van Resandt hoe langer hoe strakker en stijver van zich af werd gehouden. Op weg naar huis ontmoetten ze de burgemeester en Couperus in zijn plaagzucht en in zijn totale onverschilligheid in die dagen voor opgehouden decorum, liet tijdens dat passeren een harde boer.

Wijnaendts van Resandt was genealoog; op verzoek zocht hij voor families stambomen na en moest daar nogal veel voor op reis. Een hobby oorspronkelijk, maar nu een welkome aanvulling van het kleine officiers-pensioen. Wanneer hij de krant las placht Couperus hem toe te voegen: “Wel, staan er weer interessante doden in de krant?”’

De interessantste dode zou hij weldra zelf zijn-spoediger dan hij heeft beseft. Dit laatste lijkt toch wel de enig toelaatbare gevolgtrekking uit dit alles te mogen zijn, afgezien dan van een zekere levensmoeheid meer in het algemeen. Vijf dagen voor zijn dood schreef Couperus aan Charles van Iersel dit briefje:27 ‘Beste vriend. Ik zal steeds, als ik Uw werk zie

[p. 678]

verschijnen, dat met belangstelling volgen. Maar eisch geene brieven van mij: ik mis absoluut de vrijheid te correspondeeren. Ik ben reeds overstelpt met werk en proeven. Houd goeden moed! Louis Couperus.’ Het adres is er door Elisabeth op gezet. Couperus heeft het kattebelletje geschreven vlak voor hij naar het ziekenhuis vertrok (poststempel 11 juli 1923). Het is weliswaar zeer kort, niet meer dan een tekst op een briefkaart, maar bevat geen woord dat op enig vermoeden van zijn imminente dood wijst.

 

De neusproblemen die hem begin juni, nog voor de huldiging, al hinderden, bleven hem kwellen. Het moet op 10 juli geweest zijn dat Couperus de stationschef van De Steeg, de heer Libosan, een presentexemplaar van Het zwevende schaakbord kwam brengen. Libosan herinnerde zich later:28 ‘Hij vertelde mij toen, dat hij de volgende dag zou vertrekken om te worden opgenomen in 't ziekenhuis te Velp wegens een ernstige neusontsteking.’ Deze infectie heeft dus een langdurig, chronisch verloop gehad.29 Ten slotte bleek behandeling in het hospitaal onvermijdelijk. Couperus liep er al meer dan een maand mee rond.

Op woensdag 11 juli werd hij's avonds opgenomen. De zondag daaraan voorafgaand was zijn laatste feuilleton in Het Vaderland verschenen. Daar men op de krant vervolgens geen nieuwe kopij ontving, seinde men op donderdag 12 juli waar deze bleef. Er werd teruggetelegrafeerd: ‘Wegens ziekte verhinderd. Couperus.’30

Een dag later was Couperus weer terug in De Steeg. Daaruit blijkt hoe merkwaardig kort hij maar in het ziekenhuis is gebleven. Libosan vertelt:31 ‘De dag vóór zijn terugkomst gaf ik een tuinman te De Steeg opdracht een ruiker mooie bloemen te bezorgen, aan het landhuis voor de zieke Couperus.’ Dit wekt de indruk dat er aan de neus van Couperus alleen maar een ingreep heeft plaatsgevonden, die thuis verder gecureerd kon worden. Op complicaties was kennelijk niet gerekend.

Albert Vogel vertelt het anders:32 ‘Ongeveer een maand na zijn huldiging kreeg hij in De Steeg longvliesontsteking, ditmaal gepaard aan een kleine bloedvergiftiging in zijn neus die aanvankelijk onschuldig leek, en dat maakte het noodzakelijk dat hij op 11 juli naar het ziekenhuis van Velp vervoerd moest worden. Na twee dagen in het ziekenhuis kon hij het daar niet langer volhouden, hij vond het er vreselijk, hij bleek bovendien wondroos te hebben gekregen die hem zeer veel pijn deed lijden. Men liet hem naar huis keren om daar te sterven, een dag-en een nachtverpleegster

[p. 679]

stonden Elisabeth bij. De 14 de juli geraakte hij in coma, nog twee dagen leefde Louis Couperus, bewusteloos en in ijlende koortsen en op 16 juli om één uur in de middag stierf hij. Een snelle dood op middaghoogte.’

Libosans bloemen hebben hem nog wat getroost. Later zei een der verpleegsters tegen de stationschef dat het aandoenlijk was om te zien en te horen hoe dankbaar hij er voor was, ‘en telkens als hij na een flauwte tot bewustzijn kwam, waren het die bloemen waarvoor hij alleen aandacht had. Die zijn, zoals de verpleegster mij vertelde, in de ziekenkamer gebleven, totdat Couperus werd uitgedragen naar zijn laatste rustplaats.’

Het blijft onduidelijk wat er nu precies gebeurd is. De medische beschrijving van zijn ziektegeschiedenis is niet bewaard gebleven. Longvliesontsteking lijkt twijfelachtig-Vogel nam dit over van Henri van Booven-daar deze al lang over heette te zijn. Het sterfuur klopt evenmin nauwkeurig. Op 16 juli meldde de Arnhemsche Courant de meest nabije bron, dat Couperus die dag om half twee was overleden: ‘Een infectie in het gelaat, gevolgd door een kwaadaardige bloedvergiftiging, heeft in een paar dagen een eind gemaakt aan dit rijke, voor de Nederlandse letterkunde van groote beteekenis geweest zijnde leven.’

Van medische zijde wordt een doodsoorzaak door bloedvergiftiging als zeer goed mogelijk beschouwd. Dr. M.V.A.M. Kroeks was zo vriendelijk mede te delen:33 ‘[Het is] bekend van ontstekingen van de neus en met name van de neuspunt, dat zij ten gevolge van de bijzondere anatomische verhoudingen aanleiding kunnen geven tot een snelle retrograde uitbreiding van de infectie naar de sinus cavernosus, met als gevolg een sinus cavernosus trombose. Dit leidt tot een snelle dood. Nog steeds zijn deze infecties berucht en dienen zeer zorgvuldig behandeld te worden met hoge doseringen antibiotica, met name erythromycine. In de tijd dat Couperus leefde waren deze geneesmiddelen zeker niet voorhanden en de snelle afloop hoeft daarom ook zeker niet verbazing wekkend genoemd te worden.’

Dr. J. Drukker, die de overgeleverde symptomen goed bestudeerd heeft, kwam tot de volgende hypothese:34 ‘Leed Couperus niet aan tuberculose en is hij niet aan een miliair tuberculose c.q. meningitis tuberculosa, d.w.z. een soort tuberculeuze bloedvergiftiging en/of hersenvliesontsteking, geactiveerd door een operatieve ingreep, overleden? Waarop baseer ik dit? Hij is vrij jong, 60 jaar oud, gestorven. De familie was gezond, zijn vader werd 86! Hij verbleef in talloze pensions ofpensionnetjes en kleine

[p. 680]

hotels, een zeer grote infectiekans dus. Tuberculose wordt vaak via beddegoed (ingedroogde bacillen) verspreid.

In 1922 kwam hij zeer ziek uit Japan terug. “Verkeerd behandeld door Japanse doktoren.” De diagnose “paratyphus” was zonder twijfel fout. Deze geeft geen subfebriele temperatuur (“verhoging”) maar of hoge of helemaal geen koorts. Tuberculose daarentegen juist wel!

“Abortive longontsteking” is onzin. Je hebt longontsteking of je hebt het niet en zo ja, is er weer hoge koorts bij. Het rode fluimpje opgeven is vrijwel pathognostiesch voor tuberculose (ook wel voor longkanker niet waarschijnlijk want ik geloof niet dat hij een zware sigarettenroker was). Of bronchiectasie, maar dan had hij zijn leven lang reusachtig gehoest. Ook het “zo moe” zijn klopt met tuberculose. Ook zou zelfs het wisselend uiterlijk hiermee kloppen: opgewonden, “springlevend” er uitzien met perioden van verval.

Van Booven spreekt van longvliesontsteking. Pleuritis dus en die is dus ook, in die tijd zeker, bijna altijd van tuberculeuze aard. “Een infectie in het gelaat, gevolgd door kwaadaardige bloedvergiftiging”, “wondroos”, allemaal een beetje ongeloofwaardig.

De operatie aan de neus, een week voor zijn dood, is waarschijnlijk het wegnemen van neuspoliepen geweest. De enige operatieve ingreep die vrijwel poliklinisch kan, zeker in 1923 nog. Daarna “wondroos”, “sepsis” en dan gewoon thuisblijven? Dat gelooft toch niemand. Sepsis zijn ze doodziek van en zeker binnen een week dood, toen er nog geen andbiotica waren. “Wondroos” - erysipelas zou niet om aan te zien geweest zijn en daarmee zou hij vast - na zo'n kno ingreep ook naar het ziekenhuis gebracht zijn.

Rest nog trombose in been of bekken bloedvat en losschieten daarvan na de operatieve ingreep bij een zestigjarige toentertijd een gevreesde complicatie, kan heel goed een plotselinge dood veroorzaakt hebben.

Maar nogmaals met de hele voorgeschiedenis lijkt me een peracute uitzaaiing van tuberculose toch het meest waarschijnlijk.’

Voor de volledigheid zij hier nog het volgende aan toegevoegd. Het Letterkundig Museum te Den Haag bewaart een brief, gericht aan mevrouw Joanna Funke en geschreven door mevrouw Campbell. De laatste had via een kennis enige bijzonderheden van Marie Vlielander Hein vernomen, en schreef: ‘Ik denk dat hij moreel wel veel moet geleden hebben, hoe kort dat proces dan ook was. Je weet hij kreeg een ontsteking in de

[p. 681]

neus. Op zichzelf al onaesthetisch en vooral voor hém. Er kwam wondroos bij. Dat is besmettelijk en toen moest hij naar een barak van het ziekenhuis in Arnhem [Velp], Na 2 dagen wou hij daar weg en hij wilde niet eau de Goulard gebruiken, wat voorschrift was. Hij spotte daar mee omdat “zijn Grootouders daar al mee werkten.” Alles zoo zielig! en dan had hij zeker heel veel minder weerstand na die vreeselijke leverziekte gevolgd door longontsteking. Nu mag 't dan een troost zijn voor Betty dat hij niet beleefd heeft de onttakeling door den ouderdom, maar ik vind dat toch een moeilijk te aanvaarden troost voor haar.’

De veronderstelling dat Couperus zelf in het laatste stadium tot een vorm van suicide door een overdosis van wat dan ook zou zijn overgegaan wordt door geen van de nog levende familieleden aangenomen. Het tegendeel is waar. In de kring van naaste verwanten bleek niemand hier ooit van gehoord te hebben. Algemeen is men van mening dat de gang van zaken zoals hierboven geschetst de werkelijke gebeurtenissen weergeeft, daargelaten natuurlijk in hoeverre indertijd de diagnose juist geweest is. Couperus was hoe dan ook ernstig verzwakt. Waarschijnlijk heeft men in het ziekenhuis voorzien dat hij ten dode opgeschreven was en men liet hem daarom maar rustig naar huis gaan, waar hij in zijn eigen bed en vertrouwde omgeving in alle vrede kon heengaan. ‘Ik heb mijn taak volbracht,’ zou hij tegen de arts gezegd hebben, en tegen zijn vrouw: ‘Het is goed.’

 

In Japan al had Couperus het besluit genomen zich in geval van overlijden aldaar te laten cremeren. Het is zijn vrouw in het verre land bespaard gebleven. Het werd, op donderdag 19 juli 1923 om 12 uur, een crematie op Westerveld.35 Van de letterkundigen waren er op die warme dag onder meer aanwezig Top Naeff, Annie Salomons, Ina Boudier-Bakker, Marie Kooy-van Zeggelen, Frans Netscher, Frans Coenen, Frits Lapidoth, Herman Robbers, Hein Boeken, Maurits Wagenvoort. De maker van Couperus' portret, Antoon van Welie, was er met zijn confrater G.D.Gratama. Theo van Reijn vertegenwoordigde de Nederlandse Kring van Beeldhouwers, Louis Landry de Haagse Kunstkring. Hoewel Couperus sinds 1897 geen lid meer was, tekende G.J.Boekenoogen de condoleanceregisters namens de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Voorts waren nog aanwezig de uitgever A.B. van Holkema, Jan Walch, Ernst Groenevelt, G.Hulsman en de burgemeester van Velzen,

[p. 682]

Rijken. Minister J.Th. de Visser liet zich representeren door mr. M.I. Duparc, administrateur van de afdeling Kunsten en Wetenschappen van het Departement van O.K. en W.

Dit alles veroorzaakte een hele oploop. Tijdens het wachten speelde het orgel in de aula uit Bachs Matthäus Passion ‘Komm, süsses Kreuz’. Een week later verzuchtte Annie Salomons:36 ‘Neen, aan Westerveld willen we liever niet meer terugdenken. [...] Beteekende het een plotselinge populariteit, dat gedrang van meneeren in lichte zomerpakken, fleurige meisjes in dunne blousjes en dikke moe's, die zich beklaagden dat ze niets zien konden?’ Boos schreef zij dat ‘alles wat fietsen bezat er een “gezellig dagje” van maakte [...] en toen we, rug aan rug, in de kleine ruimte samengedrongen stonden, overviel me een bitterheid, omdat deze aristocraat, die het decorum zoo lief en zoo noodig had, om zich aangenaam te voelen, op zoo weinig stijlvolle wijze tot het eindpunt van zijn verblijf op deze wereld werd vergezeld.’

Er waren veel bloemen. Het Vaderland had een krans gestuurd. Ook Willem en Jeanne Kloos hadden dat gedaan. Verder prijkten er kransen van Groot-Nederland, de Nederlandse Vereniging van Letterkundigen, naast een groot aantal bloemstukken. Op de linten van een daarvan stonden de titels van Couperus' bekendste romans.

De heer Duparc haalde in zijn toespraak Ovidius aan, en wel twee regels uit, diens Tristia (iv, x, 121-122): ‘Tu mihi quod rarum vivo sublime desprak Frans Coenen, die onder meer zei: ‘De overblijvenden in de redactie zullen bovendien zijn omgang missen, zijn geestige conversatie, zijn speelschen humor, als hij in onze vergadering, luchtig, ironiseerend, sprak over anderen en zich zelf.’

Hein Boeken, met wie Couperus nimmer ook maar enigerlei bijzondere relatie heeft gehad, onderhield het gezelschap met een hoeveelheid betreurenswaardig gerijmel, waarin onder meer de volgende ongelukkig gekozen regels opvielen37:

 
‘O Moeder Aard', waartoe hem niet herschapen
 
In boom of bloem, zooals gij deedt met knapen,
 
Weleer tot eeuwig boven-menschelijk lot
 
Verkozen door een ons goedgunstig god?’
[p. 683]

Na hem sprak Herman Robbers, ook niet bepaald Couperus' boezemvriend, maar de man was nu eenmaal vice-voorzitter van de Vereeniging van Nederlandsche Letterkundigen. Eindelijk kon toen de kist dalen. Dit gebeurde op de orgelende muziek van Bachs ‘Wenn ich einmal soll scheiden’. Men had op Westerveld nu eenmaal niet de beschikking over bij voorbeeld een gamelan.

Couperus' aangetrouwde neef Gustaaf P. van Hecking Colenbrandergepensioneerd vice-admiraa, gehuwd niet Geertruida Catharina Vlielander Hein-sprak het dankwoord uit. Als volgt vatte Het Vaderland dit samen:38 ‘Hij [Couperus] stelde tot in de kleinste dingen der familie het levendigst belang en het was hem een lust overal te steunen en te helpen, zooveel hij maar kon. Daarna wees spr. er op, hoe gemakkelijk Couperus zich ook onder de kleine luiden vrienden maakte, en hij wees daarbij in het bijzonder op zijn Indische reis, waarop de chauffeurs en de tolken en allen die met hem in aanraking kwamen zooveel liefde voor hem gingen voelen dat, hoewel ze hem nauwelijks of niet konden verstaan, ze voor hem door het vuur zouden zijn gegaan. Met een woord van diepen weemoed nam spr. ten slotte afscheid van zijn familielid en tevens zijn grootsten vriend.’ -Terwijl de organist nog een aria uit Händels Rinaldo ten beste gaf, verliet men de aula.

Tactvol verzweeg de courant de afwezigheid van een aantal prominente figuren die kennelijk die dag iets beters te doen hadden. Zo ontbrak bij voorbeeld Frederik van Eeden. Deze beweert zelf dat hij wel had willen komen, maar dat hij de crematie glad vergeten bleek te hebben toen die reeds goed en wel voorbij was.39 En dan was er ook nog Van Deyssel...40 Een antwoordstrook van de Arnhemse begrafenisondernemer Kramer, waarop hij had moeten vermelden of hij het voornemen had al dan niet naar Westerveld te gaan, verzuimde hij terug te sturen. Een door Elisabeth Couperus-Baud verzonden rouwbrief met daarop in handschrift toegevoegd ‘dienende deze tevens als uitnoodiging’ bleef eveneens zonder reactie zijnerzijds. In plaats van zelf te komen stuurde hij ter elfder ure dit telegram-waarschijnlijk had ook hij de plechtigheid glad vergeten: ‘Tot diep leedwezen door ongesteldheid verhinderd droevige plechtigheid bij te wonen.’ Het waren de laatste woorden die Elisabeth ooit nog van de heer Alberdingk Thijm uit Haarlem gehoord heeft.

[p. 684]

In de pers riep de dood van Louis Couperus zoals te verwachten even zovele als uiteenlopende reacties op. Johan C.P. Alberts publiceerde een curieus vervolg op zijn interview van 6 juni.41 Ineens gaf hij Couperus nu alsnog de woorden in de mond: ‘...als ik dan toch verder moet leven, dan verkies ik de rust van dit bekoorlijke dorpje, in een eigen home en temidden van mijn familie, boven dat rustelooze reizen en trekken, boven het eeuwige hotel-leven, dat ik nu wel ken en dat ik moe ben’. Zelf voegde hij daar aan toe: ‘Reeds toen, hoewel onder den indruk van zijn gulle gastvrijheid en de kinderlijke pogingen, die hij deed zijn moeheid achter een “façade” van jeugd en levensinteresse te verbergen, voelde ik achter dit alles de tragische waarheid: dat Louis Couperus zich in deze, hem ganschelijk on-eigen rust en bijna banale “poëzie” had teruggetrokken, om er te sterven.’ - Een vooruitziende blik!

Tien jaar later is ook Borel nog eens op Couperus' laatste levensfase, teruggekomen. Hij herinnerde zijn lezers toen aan het in hotel Bellevue met Couperus gevoerde gesprek, kort na diens terugkeer uit Japan. Ditmaal beweerde hij dat hij het eigenlijk allemaal wel voorzien had:42 ‘Ik voelde tijdens dit gesprek intuïtief, dat hij misschien niet ziek, maar eerder levensmoê was.’

Iets genuanceerder liet Couperus' vriend de ritmeester A.H.W. van Blijenburgh zich uit:43 ‘Eenerzijds wezen zijne uitingen wel op levensmoeheid, anderzijds genoot hij van mooie dingen, van feesten en diners, zooals gedurende zijn verblijf in Engeland en kon hij zich vroolijk laten gaan. En zou zijn opgewekte vraag onlangs aan zijne vrouw: “hadt je nu gedacht, dat ik zoo'n echte buitenjongen zou worden en zóó genieten zou van de natuur hier bij De Steeg, van mijn tuin en bloemen?” wel uitsluitend hartelijkheid zijn geweest van een zieke, gezegd ter wille van een zorgvolle vrouw? Een “moegeslagen” mensch was hij niet.’ - Hij sloot zich aan bij Van Oss, die in de Haagsche Post schreef:44 ‘Hoe schokkende ook voor haar die hem zoo na aan het groote hart lag, en voor zijn verwanten en vrienden-dit onverwachte heengaan, onmiddellijk na het bereiken der kruin, was in lijn met den man. Uit zijn eigen mond weetschrijver dezes, dat hij juist dit einde zoude hebben gewenscht, ware hij niet zoo gehecht geweest aan de trouwe levensgezellin die hem zoo volkomen begreep, en aan nabestaanden die hem liefhadden en vereerden.’

In zijn herinneringen heeft Van Oss daar later, in 1946, nog aan toegevoegd:45 ‘Persoonlijk had ik Couperus op zijn verjaardag een stuk vijp-

[p. 685]

tiend' eeuwsch gebrand glas in lood vereerd; een vrouwenkopje, fragment van een gothisch kerkraam. Het hing in mijn werkkamer voor het venster, en hij had het zoo vaak bewonderd dat ik er zeker van was hem een groot pleizier te doen door het hem te schenken ter opluistering van een der vensters in zijn nieuwe behuizing. Hij hield van mooie dingen, en was geboren kenner. Helaas, weinige maanden later bracht zijn weduwe mij het stuk glas in lood terug, “als aandenken aan Louis!” [...] Lieden die hem niet persoonlijk kenden lieten wel eens merken dat zij hem zich voorstelden als een ietwat tenger, precieus, eenigszins verwijfd dandy. Niets is verder van de waarheid. Hij was even forsch en mannelijk van geest als van gestalte. Hij was soepel en fijn, en natuurlijk een gevoelsmensch; een hard en nauwgezet werker, en in zakelijke dingen zakelijk en stipt. Zijn genie toonde de spreekwoordelijke infinite capacity for taking pains’. -Merkwaardig genoeg voert Van Oss tevens een nog niet eerder vernomen doodsoorzaak op: ‘tengevolge van een insectenbeet’.

Velen hebben in de dagen en weken na Couperus' heengaan herinneringen opgehaald. Deze artikelen zijn in enkele gevallen rijke bronnen van informatie, waar hier al dikwijls uit geput is. Soms reiken de memoires zeer ver terug, zoals die van Frits Lapidoth, die heugenis had aan Couperus' Parijse maanden in het eind van 1890:46 ‘Ik moet erkennen dat Couperus een tijdlang-vooral gedurende zijn verblijf in de Fransche hoofdstad-veel voor Bourget heeft gevoeld en spreek niet tegen dat er een zekere affiniteit bestaan heeft. Maar’, zo voegde Lapidoth eraan toe, ‘men kan niet voorzichtig genoeg zijn met dat koppelen van Couperus' naam aan dien van welk groot buitenlander ook.’ Hij legde terecht nadruk op Couperus' eclecticisme. Zeer goed heeft hij ook diens plichtsgetrouwheid begrepen, getuige zijn woorden: ‘Toen Couperus de laatste handteekening had gezet onder de laatste kaart, met een woord van dank aan hen, die hem op zijn zestigsten verjaardag een bewijs van hun vriendschap en hooge waardeering hadden gezonden, toen hij juist, nauwgezet beleefd als immer, ook aan déze “verplichting”, naar hij 't vond, had voldaan, is het huis, dat men hem had aangeboden, zijn sterfhuis geworden en heeft hij daar gevonden de rust, die hij in Gelderland was komen zoeken.’

Zijn typeringen worden aangevuld door een karakterschets van Herman Roelvink, die een goede vriend van Couperus is geweest, zoals wij zagen. Dat hij, zelf een harde werker, grote waardering voor Couperus koesterde, blijkt uit zijn woorden: ‘Zijn voorname geest haatte alle philis-

[p. 686]

terbekrompenheid, en, geboren grand seigneur, wist hij misplaatste familiariteit te weren-sfeer, vorm en afstand, waar noodig, te bepalen. Doch nooit klonk over anderen zijn oordeel hard of liet hij zich door conventie of vooroordeelen beïnvloeden. “Zet niet tusschen je zelf en een ander de fopspiegels van sympathie of antipathie! Het komt er per slot zoo weinig op aan hoe ik die medemensen vind als kunstenaar moet het mij oneindig meer interesseeren hoe die ander is.” Dezen raad heb ik hem eens een jongere hooren geven en als eenige vermaning er bijvoegen: “Werk geregelder-praat minder over werken-werk, werk, werk.”’47

Dat men van christelijke, katholieke en socialistische zijde na Couperus' dood ietwat anders over hem geoordeeld heeft, zal niemand verbazen die kennis heeft genomen van wat de vaderlandse pers nu al enige decennia lang telkens weer over hem en zijn werk te berde had gebracht. Enkele voorbeelden kunnen dit illustreren. Op de crematie was ook dominee G.Hulsman aanwezig, zo zagen wij. Deze had Couperus een maand eerder bij diens huldiging toegevoegd, terwijl hij hem de hand reikte:48 ‘Ik heb aan één van uw werken, Blanke Steden onder blauwe Lucht, veel gehad voor mijn geestelijke toespraken. Ik vond daar veel stof, die ik tot nieuwe beeldspraak kon verwerken.’ Couperus had vriendelijk geantwoord: ‘U zult daaruit gezien hebben, dat ik niet zoo ongeloovig ben als vele geloovigen wel eens gemeend hebben.’ Dit had Hulsman in zijn zak kunnen steken, maar hij wist het als dominee natuurlijk beter. Zo kon hij het nu dan ook niet laten Couperus postuum een betuttelend lesje mee te geven waarover deze in het hiernamaals nog maar eens moest nadenken. Namens God en het Nederlandse volk zalfde hij Couperus' totale oeuvre op even dubieuze als verwaten wijze als volgt:49 ‘Het is niet af. Er ontbreekt iets, wat de kroon had moeten worden. En,-ik dacht aan die kruisarmen, die zich bogen over de katafalk van den prins in de ridderzaal van Lipara [dominee was goed belezen in Majesteit!], en ik miste dit kruis, dit harde, dit wreede kruis, dat toch tot een symbool van overwinning geworden is. Toen koning Willem iii gestorven was, zeide de Hofprediker, de eerlijke en nobele Van Koetsveld: “De geschiedenis oordeelt den Koning, God oordeelt den mensch.” Dit woord is ook van toepassing op een man, die een koning op het gebied van Kunst en Letteren is geweest. Wij bewonderen dien koning, God alleen oordeele dien mensch. Hij ruste in vrede!’

Veel erger hebben vooral de katholieke couranten het gemaakt. Reeds

[p. 687]

een dag na Couperus' overlijden bestempelde De Maasbode50 zijn werken tot ‘zonder uitzondering voor katholieken ongeschikte lectuur. Vooral in zijn verhalen der Oudheid is de atmosfeer zwoel. Er is in de beschrijving van dikwijls verwilderd passie-leven een verholen, maar schuldig spelen met het kwaad... Gelukkig is er reden om aan te nemen, dat de mensch Couperus beter was dan de schrijver zou doen gelooven. Het is slechts te gissen hoeveel leed, armoede en bitterheid de glanzende “façade” verborg.’ - De Tijd bracht zelfs dit laatste, in al zijn bedenkelijkheid, nog niet op. In dat blad kon men slechts lezen51 over de ‘verderfelijke invloed, door den auteur van “De Berg des Lichts” [!] en andere onzedelijke werken uitgeoefend onder ons romanlezend publiek...’ Couperus zou zijn talenten als grootmeester van de moderne roman ethisch hebben misbruikt, en wat nog het ergste was: ‘Couperus heeft veel afgoden gekend en gemaakt, maar den waren God heeft hij niet aanbeden noch in Diens wetten verheerlijkt. [...] Nu is het woord aan God en God schrijft het laatste woord, en dit woord blijft in eeuwigheid!’ Dat vond De Tijd.

De Tilburgsche Courant heeft dit stukje blijkbaar aandachtig gelezen, om het commentaar twee dagen later als volgt te plagiëren:52 ‘Veel afgoden heeft Couperus gekend en gemaakt, maar den waren God heeft hij nog niet aanbeden, noch in diens wetten verheerlijkt. Zijn leven is “heel nutteloos” geweest. Hij heeft geschitterd en genoten, de sensueele en litteraire voldoening gevonden. Hij heeft zich soms dol geamuseerd in het “leven als.op een carnaval” als “in een schoenen droom” sensueel en voluptueus [sic], hij heeft eene macht van prachtige woorden geschreven om te schrijven; bijna plotseling is de dood gekomen ter afrekening. De eens zoo gevierde letterkunstenaar is niet meer. Nu is het woord aan God!’

Het Dagblad van Noord Brabant gooide het een dag later over nog weer een andere boeg, en meende:53 ‘Hij heeft den strijd niet lang vol behoeven te houden. Ware het anders geweest, misschien had de moede zwerver zijn laatste levensjaren al peinzend in het stille huisje daar in De Steeg leeren inzien, dat het niet mogelijk is te leven zonder een Iets te bezitten, dat bestand is tegen den dood.’ Tien dagen na zijn heengaan drong Couperus' overlijden ook tot België door. Eind juli kon De Standaard alsnog van leer trekken:54 ‘Couperus is, ondanks al zijn schittering, te bleek en te klein geweest om waarlijk duurzaam groot te zijn. In meer dan één opzicht was hij de decadent; en de vereering, die hem is toegebracht, was ook van die decadentie een uiting; een dwepen van de massa, die hij te klein

[p. 688]

vond voor de attentie, hetzij van den lof, hetzij van den blaam.’ Het artikel munt uit door treffende zinsneden, zoals: ‘De stad der menschen heeft hij alleen in een karos bewonderd.’ Of: ‘Hij heeft geen lepra gekust, doch aan bouquetten geroken.’ Aan het slot wordt de Haagse Antichrist nog eens verfoeilijk aan de kaak gesteld en als het ware gekruisigd met deze schier apocalyptische woorden: ‘Zijn “paganistische” ziel heeft Rome gezocht, Athene voorbij gezien en Jeruzalem gehaat.’

Een van de meest hypocriete artikelen echter is op Couperus' sterfdag uit de pen van zijn confrater A.M. de Jong gevloeid. Geleid door jaloezie en onverdraagzaamheid schreef deze man:55 ‘Typics burgelijk is Louis Couperus' gezamenlike oeuvre. [...] Heel de ondergaande burgerlijke beschaving weerspiegelt er zich in, zuiverder dan in welk ander werk zijner dagen in Holland ook. Het is niet groot en het is niet sterk. Maar het is fijn, het is elegant en veelal schitterend, van een ongewone, een wat ziekelike schittering. Het is ongezond in wezen, als de sfeer waaruit het steeg. [...] De haat, die sommigen onzer tegen Couperus bezielde, gold noch de persoon, noch etgenlik zijn werk op zichzelf: zij gold het princiep, dat hij trouw vertegenwoordigde en dat wij willen vernietigen, zelfs al moeten onze slagen daarbij menschen treffen als de kunstenaar Louis Couperus, die persoonlijk allicht beter verdiende.’ - Het op 17 juli gepubliceerde artikel stond, hoe kon het anders, in Het Volk.

De Heldersche Courant haalde de schouders op.56 Slechte invloed, ziekelijke schittering? Volk en vaderland konden gerust zijn. Men zou de persoon van de heer Couperus immers spoedig genoeg vergeten. En dat niet alleen: ‘Behalve misschien Eline Vere, dat nog altijd geldt als een der beste Nederlandsche romans, zal zijn werk ook spoedig vergeten zijn.’

Na dit alles krijgt men enige neiging zich definitief aan de kant van Louis Pierrard te scharen. Het Vaderland schreef:57 ‘Louis Pierrard, die tijdens den oorlog in Den Haag verbleef, laat in de Peuple een artikel verschijnen over Louis Couperus. [...] De meeste artisten in Nederland zien er wel heel anders uit, meent Pierrard en hij noemt Couperus een orchidee onder de uien.’

 

Voor Elisabeth brak nu een heel moeilijke tijd aan. Bij alle verdrietelijkheden waren er de financiële problemen. Hoe moest zij verder in haar onderhoud voorzien? Hoe stond zij er voor?

De redactie van Groot-Nederland had daar alle begrip voor. Men bood

[p. 689]

haar voorlopig de plaats van haar overleden echtgenoot aan, en hoewel zij er geen heel grote revenuen van mocht verwachten, aanvaardde zij die natuurlijk graag.

De overgebleven leden van de redactie betoonden zich verslagen. Vermoedelijk stamt van de hand van Frans Coenen, secretaris, een treffend In memoriam in het tijdschrift,58 met onder meer de regels: ‘Zijn oeuvre, het verwonderlijk veelzijdige, fantastische, gevoelige en menschelijke geheel zijner werken ligt nu vóór ons, als onvergankelijk bezit, een edelmoedige en rijke nalatenschap van een zeer bijzonderen geest. Maar hijzelf, de mensch Couperus, met zijn fijn en bewegelijk gezicht, waarin mond en oogen zoo verwonderlijk expressief waren; met zijn buigzame, gracelijke figuur en den weeken klank zijner stem, dien zullen wij nooit meer treffen. Niet meer hem's winters zien aanwandelen, letterlijk gedoken in zijn pels, waarboven zijn smal gezicht stond, grauw en dof van koû; of 's zomers hem joyeus begroeten in den zwierigen tooi van het lichtgrijs zomercostuum, met hel-kleurigen das en een bloem in het knoopsgat. Niet meer zijn stem hoeren, eerst wat moroos en klagend over klimaat en allerlei zorgen, dan, toenemend in warmte van klank, met half vleiende, half railleerende buigingen vertellend over zichzelf en zijn wedervaren met anderen, terwijl de doffe oogen opglansden en de star neergetrokken mondhoeken verlevendigden in de tinteling van zijn geest... Dit alles niet meer.’

Elisabeth kon verder beschikken over de baten van een bescheiden levensverzekering. Directe zorgen had zij dus niet. Er steekt een bittere ironie in het feit dat zich voor Couperus kort voor zijn dood betere financiële vooruitzichten waren gaan openen dan hij in jaren gekend had. Op 6 juli 1923 had hij aan zijn uitgever Van Holkema geschreven:59 ‘Ik ben erg moê; de dokter schrijft mij voor “complete rust”; dàt is moeilijk, maar over business te denken, kàn ik op het oogenblik niet. De Firma Dodd and Mead te New-York wenscht mijn heele oeuvre te hebben: ik zoek naar een vertaler, die tegen een honorarium zoû willen werken, zonder de ingewikkeldheid van tantièmes en ook zonder agenten en tusschenpersoonen. [...] Ik sloot dezer dagen een zéer mooie Amerikaansche filmtransactie af over De Stille Kracht. En bewaar liever (nu mijn trouwe Teixeira dood is, mijn Eng. vertaler) de primeur der Eng. vertalingen voor Amerika: dat is mij veel voordeeliger; het scheelt duizenden!’

Blijkens het bewaard gebleven contract, ondertekend door Anne Me-

[p. 690]

redith Bigelow en Walter Roosevelt Thompson, hadden de filmrechten van De stille kracht vooreerst tweeduizend dollar opgebracht. Dodd & Mead zijn overigens met hun plannen niet erg ver gekomen, daar kennelijk niemand er zich na 1923 meer voor inzette. Sinds 1914 hadden zij al een negental romans van Couperus gepubliceerd. Toen het echter vaststond dat het oeuvre door diens dood plotseling vrijwel afgesloten was- Elisabeth heeft nog wel twee van de drie delen Proza verzorgd, en Het snoer der ontferming en Japansche legenden moest nog verschijnen - moet hun interesse snel verflauwd zijn. Er was geen Teixeira de Mattos meer om Couperus' werk te verdedigen, hetzij in Engeland hetzij in Amerika.

Intussen levert Couperus' testament enkele belangwekkende, nog onbekende gegevens op.60 Het was het derde dat hij sinds de tijd van zijn ondertrouw had laten opstellen. Hij beriep zich steeds tevens op het oudste testament, dat Elisabeth tot universeel erfgenaam van al zijn bezittingen maakte. Deze laatste wilsbeschikking, gedateerd 19 juli 1919, bestaat voornamelijk uit drie hoofdpunten.

De akte is opgemaakt door de familienotaris P.C.L. Eikendal op het Noordeinde te Den Haag. Na een algemeen gedeelte volgt eerst deze tekst: ‘En als nu verder beschikkende, verklaar ik: - Primo: mijne echtgenoote Elisabeth Johanna Wilhelmina Baud te benoemen tot mijne eenige en algeheele erfgename en tot uitvoerster van mijne uiterste wilsbeschikkingen met het recht van inbezitneming van mijne geheele nalatenschap.’ - Couperus hield echter vanzelfsprekend terdege rekening met de mogelijkheid dat hij niet als eerste zou sterven, en daarom volgde er een Secundo, dat dus weliswaar door zijn eigen eerder overlijden niet van toepassing is geweest, maar dat toch merkwaardig genoeg is om hier te releveren.

In de eerste plaats hadden zijn beide nichtjes in De Steeg, Betty en Louky, elk duizend gulden moeten ontvangen. (Tot tweemaal toe liet Couperus overigens ook zijn notaris hun beider achternaam nog steeds verkeerd spellen, namelijk als Weynaendts van Resant, in plaats van Wijnaendts van Resandt! Toen al woonden zij in De Steeg, op de villa Nieuw Resande. Van hun twee jongere broertjes is geen sprake; de ene moest ook nog geboren worden.)

Dan volgt de belangrijkste beschikking: ‘Ik verklaar voorbovenbedoeld geval [bij eerder of gelijktijdig overlijden van Elisabeth] met het overige mijner nalatenschap op te richten eene stichting onder den naam van:

[p. 691]

“Stichting voor een Louis Couperus prijs.” welke stichting ik benoem tot mijne eenige en algeheele erfgename onder den last van uitkeering van de beide door mij besproken legaten en van betaling der van mijne nalatenschap en door mijn overlijden verschuldigde successierechten en aan welke stichting ik geef de volgende Statuten:

Artikel een

De Stichting voert den naam van “Stichting voor een Louis Couperus Prijs.”

Artikel twee

De zetel der stichting is gevestigd te Amsterdam, ter plaatse waar de Vereeniging van Letterkundigen gevestigd is (tegenwoordig adres: 29 Jan Willem Brouwersplein, den Heer A. Reyding, Directeur van het bureau van Auteursrecht). Zij vangt hare werking aan onmiddellijk na mijn overlijden.

Artikel drie

Het doel der stichting is om ieder jaar nà den eersten Januari-uiterlijk binnen eene maand nà de uitspraak van na te melden jury-uit de rente van haar kapitaal, overeenkomstig de beslissing van een jury van drie of vijf Nederlandsche letterkundigen die niet in aanmerking wenschen te komen voor nagenoemden prijs, tot dit doel jaarlijks aan te wijzen doord de Vereeniging van letterkundigen te Amsterdam, een prijs, onder den naam van “Louis Couperus prijs” ter beschikking te stellen van een Nederlandschen letterkundige (man of vrouw).

Bij de toekenning van dezen prijs worde niet alleen gelet op de voortreffelijkheid van eenig met den prijs te bekronen werk, maar zeer zeker ook op de meer of minder gunstige fmancieele omstandigheden van hem of haar die voor den prijs in aanmerking kan komen.

De jury trachte daarom tusschcn deze beide voorwaarden een middenweg te vinden, daarbij in aanmerking nemende, dat deze stichting is in het leven geroepen mede met het oog op den voortdurend weinig gunstigen financieelen toestand van de meeste Nederlandsche letterkundigen.

Indien in eenig jaar een prijs niet is toegewezen, wordt de daarvoor bestemde rente bij het kapitaal gevoegd.

Artikel vier

Het beheer over het kapitaal der stichting zal worden gevoerd door de tegenwoordige en toekomstige individueele leden van de te 's Gravenhage gevestigde Handelsvennootschap onder de firma “Scheurleer en Zoonen.”

[p. 692]

Jaarlijks, aan te vangen na afloop van het eerste kalenderjaar volgende op dat waarin mijn overlijden heeft plaats gehad, zal door de leden der firma “Scheurleer en Zoonen” rekening en verantwoording worden afgelegd; deze rekening zal aan het bestuur van de Vereeniging van letterkundigen te Amsterdam worden overgelegd en na accoordbevinding door den president en den secretaris worden geteekend.

De in dier voege goedgekeurde rekening strekt den leden der firma “Scheurleer en Zoonen” tot decharge.

De fondsen der stichting zullen worden bewaard in open bewaring bij de Nederlandsche Bank op twee namen, aan te geven door de firma Scheurleer en de Vereeniging voornoemd.

Artikel vijf

Indien de handelsvennootschap Scheurleer en Zoonen als zoodanig - ofwel als naamlooze vennootschap opgericht - heeft opgehouden te bestaan, zal in het beheer van het kapitaal der stichting worden voorzien op de wijze aan te geven door den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, die naar ik vertrouw deze aanwijzing wel zal willen doen.

Bij ontbinding van bovengenoemde vereeniging zal aan genoemde Minister mede worden gevraagd een ander Lichaam aan te wijzen, aan hetwelk kan worden opgedragen wat deze vereeniging van letterkundigen krachtens dezen stichtingsbrief tot taak heeft gehad.

Artikel zes

Het bestuur van de voormelde vereeniging zal, na gepleegd overleg met het oudste aanwezige lid der handelsvennootschap Scheurleer en Zoonen, een huishoudelijk reglement opstellen, teneinde meer in bijzonderheden de hoofdgedachte, welke aan deze stichting ten grondslag ligt, nader te regelen.’

Hiermee heeft Couperus echter niet willen volstaan. Elisabeth kreeg ook nog een Tertio te lezen, dat speciaal voor haar bestemd was: ‘Tertio Voor het geval dat mijne echtgenoote mij overleeft, en derhalve de hier-bovenbedoelde stichting van mijnentwege niet zal tot stand komen, beveel ik mijne echtgenoote aan, zonder intusschen eenigen moreelen drang dienaangaande op haar te willen uitoefenen, om de hierboven bedoelde. stichting in het leven te roepen.’ - Dat Elisabeth dit naliet, heeft een even eenvoudige als schrijnende verklaring. Bij haar dood in 1960 bezat zij vrijwel niets meer. De auteursrechten van een groot deel van zijn boeken

[p. 693]

had Couperus, zoals wij gezien hebben, zelf al aan Veen verkocht. Het kapitaal dat zij verder erfde is in de crisistijd en de navolgende jaren vrijwel geheel weggesmolten. Haar laatste dagen heeft Elisabeth, die al spoedig van De Steeg naar Den Haag is verhuisd (flatgebouw Arendsburg, Wassenaarseweg 136), waarna zij in de oorlog naar Arnhem geëvacueerd werd, in de grootst mogelijke eenvoud - een eufemisme voor fatsoenlijke armoede - doorgebracht op kamer 6 in het pension van de dames Teillers en Stracke, Prins Hendrikstraat 23 te Den Haag.61

Aanvankelijk woonde zij er samen met Marie Vlielander Hein, die echter vóór haar, in 1955, is heengegaan. Op 18 maart 1960 is Elisabeth Johanna Wilhelmina Baud daar, tweeënnegentig jaren oud, gestorven. Zij heeft haar echtgenoot Louis Marie Anne Couperus bijna zevenendertig jaar overleefd: langer zelfs dan haar huwelijk met hem geduurd heeft.

 

Gedurende deze laatste periode van haar leven is Elisabeth getuige geweest van wisselende belangstelling voor het werk van haar man. Na zijn dood verscheen nog in 1923 bij Dijkhoffsz een voorlopig overzicht van zijn boeken, in de vorm van een kleine catalogus. Gelezen werden die echter toen al weinig, en bestudeerd nog minder. Een aantal ervan raakte pas ten tijde van de tweede wereldoorlog uitverkocht. Veel werd niet meer herdrukt. Vooral Couperus' schetsen en korte verhalen hebben daardoor gedurende lange tijd niet de bekendheid gekregen die zij over de hele linie verdienen.

In 1927-'28 publiceerde P.H. Muller een uitgebreide bibliografie in drie delen, waarin tevens een overzicht werd opgenomen van de aan Couperus in de loop der jaren gewijde secundaire litteratuur.62 Even 'verheugend was de oprichting, op 17 december 1928 te Hilversum, van het ‘Genootschap Louis Couperus’, dat echter maar een betrekkelijk kort leven beschoren is geweest.63 Voorzitter van het Comité van Oprichting - en later ook van het Genootschap zelf - was Henri van Booven. Als vice-voorzitter trad prof. dr. P. Valkhoff op, terwijl onder de zevenendertig personen die samen het comité vormden de namen van Cyriel Buysse, Lodewijk van Deyssel, Willem Kloos, E. du Perron, Herman Robbers en nog een aantal andere prominente figuren de ernst van hun aller streven garandeerden. Vele lezingen en voordrachten zijn in de daar op volgende jaren dan ook over Couperus en zijn werk gehouden, zowel in Hilversum als in Den Haag. Het Genootschap heeft zich bovendien beijverd voor het

[p. 694]

aanbrengen van een gevelsteen naast de voordeur van Couperus' geboortehuis, Mauritskade 43, een door Theo van Reijn uitgevoerd reliëf met inscriptie, dat op 10 juni 1930 is onthuld.

Een jaar eerder, op 7 mei 1929. kreeg het Haags Gemeente Archief een belangrijke verzameling Couperiana ten geschenke. Vooral door bemoeienis van de archivaris dr. W.Moll is deze collectie steeds uitgebreid Later werd zij overgedaan aan het Letterkundig Museum te Den Haag, dat nog altijd onvermoeid voortgaat met verzamelen van handschriften foto's, knipsels en voorwerpen.

In 1931 wijdden enthousiaste Haagse scholieren een nummer van hun orgaan - De Schakelaar, veertiendaagse uitgave van Haagse instellingen voor voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs - in zijn geheel aan Louis Couperus en diens werk.64 Elisabeth zelf schreef een korte voorede. Behalve vele oude Couperusvrienden droegen ook letterkundigen als Menno ter Braak. Anthonie Donker. Jan Greshoff en E.du Perron artikelen bij waaruit hun bijzondere belangstelling voor hun zoveel oudere Haagse confrater duidelijk naar voren kwam.65 De Forumgroep erkende in Couperus als een der weinigen uit de recente Nederlandse litteratuur een schrijver van, zoals zij het noemden, Europees niveau, wat men hieronder dan ook moge verstaan. Dikwijls gereleveerd wordt ook de bewondering die H. Marsman voor althans een deel van Couperus werk koesterde.66

Op 16 juli 1933 organiseerde het Haags Gemeente Archief een herdenkingsngstentoonstelling ter herinnering aan Couperus' dood juist tien jaar tevoren. In dat zelfde jaar publiceerde Henri van Booven zijn grote biografie, monumentaal opgezet en nog altijd een rijke bron van informatie, zij het ook dat het boek door een tekort aan systematiek en vooral ook oor zijn gebrekkige verantwoording van documentatie reeds onmiddelijk aan niet steeds zachtzinnige kritiek heeft blootgestaan. Menno ter Braak publiceerde een zo scherpe beoordeling dat Van Booven nimmer meer een letter van hem heeft willen lezen.67

Door de bemoeienissen van het Genootschap werd in mei 1935 te Hilversum de Roeltjesweg, waar Couperus in Villa Minta een groot deel in Extaze schreef, omgedoopt in Couperusweg. Het belangrijkste doel van de vereniging, een uitgave van het volledige werk van Couperus, kon in die crisisjaren niet verwezenlijkt worden. Tot diepe teleurstelling van velen werd zelfs besloten het Genootschap dan maar te ontbinden. Op 12

[p. 695]

december 1936 viel het doek, ‘op voorstel van onze Eere-Voorzitster, Mevrouw Couperus-Baud, èn van den Voorzitter,’ zoals een rondschrijven meedeel de. De ‘vernietigende tijdsomstandigheden’ werden genoemd als voornaamste oorzaak en reden.

Aan de daarna duidelijk tanende belangstelling, die vooral blijkt uit het geringe aantal publikaties dat nog aan Louis Couperus werd gewijd, heeft ongetwijfeld niet alleen de tweede wereldoorlog schuld gehad. De aandacht ging in de eerste naoorlogse jaren vooral naar andere litteraire zaken uit. Desondanks zijn sommigen steeds blijven ijveren voor een complete Couperus. Toen in het begin van de jaren vijftig de tijd hier rijp voor was, is een dergelijke editie ook tot stand gekomen, zij het helaas in verminkte vorm.68 Een te gering besef van het feit dat van een schrijver van formaat ál diens schriftelijke uitingen van belang zijn voor een gedetailleerde kenis van zijn werk en persoonlijkheid in hun totaliteit, werd er oozaak van dat men een groot deel van Couperus' poëzie, zijn korte verhalen, schetsen en journalistieke opstellen achterwege heeft gelaten. Even betreurens-waardig was daarnaast dat zijn spelling ‘gemoderniseerd’ werd, ja dat men zelfs zijn interpunctie op tal van plaatsen meende te moeten ‘verbeteren’. Door het uit elkaar halen van op zichzelf samenhangende bundels werd aan een goed begrip van de chronologische ontwikkeling van Couperus' werk ernstige en ontoelaatbare schade berokkend. Dat de schrijver zelf bij het samenstellen van zijn bundels niet altijd scrupuleus te werk is gegaan is daarvoor geen verontschuldiging.

Des te verheugender moet daarom het recente initiatief genoemd worden om, meer dan zestig jaar na Couperus' dood, te trachten tot een kritische uitgave van al zijn werken te komen.69 Dit streven hangt duidelijk samen met een sinds de jaren vijftig gestadig groeiende interesse. Velen houden zich tegenwoordig met de inhoudelijke kanten bezig, terwijl tevens ook de nodige aandacht aan formele zaleen70 en aan Couperus' taalgebruik wordt besteed.71

Het onderzoek is langzamerhand goed op gang gekomen. Dat daarnaast het biografisch aspect een nieuwe impuls heeft gekregen ligt, bij een auteur wiens werk zo nauw met zijn levensontwikkeling verweven is, voor de hand. Terecht wordt tegenwoordig zijn zogenaamd dandyisme,72 dat nauw samenhangt met de ingewikkelde problematiek van de decadentie als cultuurfenomeen in het fin-de-siècle,73 nader onderzocht en beter geanalyseerd. Voor het eerst ook beginnen wij een scherper

[p. 696]

beeld te krijgen van de problematiek der homoseksualiteit in het Nederland van de late negentiende en de vroege twintigste eeuw.74 Op deze terreinen valt nog veel werk te verzetten. Aan de plaats van Couperus op dit draaitoneel is relatief nog te weinig aandacht besteed.

De biograaf kan deze dingen voorlopig misschien beter laten liggen. Nieuwe vondsten zullen ook in de toekomst zeker gedaan worden. Of ons ingrijpende veranderingen van het geschetste beeld te wachten staan dient te worden afgewacht. Hoe dan ook, elke nieuwe generatie zal ongetwijfeld haar eigen visie hebben. Het is het kenmerk van een groot en belangrijk kunstenaar, dat zijn diepste wezen ondoorgrondelijk blijft.