terug  begin  verderprepost
[p. 52]

aant.De familie Stastok

De aankomst

7In het kleine Stadje D - werd op een donderdag in de maand October, des 8 namiddags omtrent één ure, de steile ijzeren trede neergelaten van een gele 9 diligence, rijdende over D - van C - tot E - vice versa, en uit dezelve daalde, 10 tot groote bemoddering van dengenen die hem onmiddellijk volgde, en die 11 niemand anders was dan zijn eigen cloak, uw onderdanige dienaar Hilde-12brand. Hij had gereisd met een bleeke dame, die het rooken had verboden 13 en gedurig de kronkelbochten van haar boa had zitten te verschikken, dan 14 eens had gezucht, dan eens ingesluimerd was, dan eens eau de cologne geno-15men, dan weer eens geslapen had, en altijddoor leelijk was geweest. Op 16 dezelfde bank met deze had een jong juffertje gezeten, in een blauwen gerui-17ten mantel niet gedoken, het denkbeeld is te ruim, maar gestoken; een man-18tel, die, naar een langvergeten mode vatbaar was om van achteren te wor-19den ingehaald door een klein lapje van dezelfde stof, in den vorm van een 20 souspied, op twee paarlemoeren knoopjes uitgespannen; dezelfde juffer had 21 een stroohoed op met blauw gaas lint met bruine streepen, in groote lissen 22 met stevig soutien opgemaakt, en een hardgeel sjaaltje om den hals. Zij was 23 zeer bang voor de bleeke dame naast haar, en bleef op een schuwen afstand; 24 soms had zij den goeden wil haar in 't verschikken van haar boa te hulp te 25 komen, en eenmaal had zij er werkelijk een dikachtig roodvingerig handje, 26 met een ring, die bijzonder veel op tin geleek, voor ontbloot; maar de bleeke 27 dame had haar aangeblikt en toen had zij haar neus gesnoten, volgens een in 28 den omgang zeer deugdelijk stelsel, naar 't welk de neus alle mispassen, 29 voorbarigheden en malle figuren misgelden moet. Dit was het personeel van 30 de achterste bank geweest. Op de volgende had een jodin gezeten, als een 31 oostersche edelsteen gevat tusschen twee christenen; zij verborg onder een 32 groen nopjesgoed manteltje een klein kind, dat al haar trots uitmaakte 33 omdat het niet schreeuwde, zelfs niet toen zij het omstreeks halfweg een 34 schoone luier aandeed. Het kind nu was zeer klein, en had een zeer groote 35 dot in den mond. Van de christenen, waartusschen zij gevat was, had de een 36 een grooten rondglazigen zilveren bril, een zilveren sigaarkoker, een zilver 37 potlood, een zilver horloge, benevens zilveren broek- en schoengespen, 38 waaruit ik opmaakte dat hij een zilversmid was; en de andere een koperen 39 tabaksdoos, en een koperen guirlande op zijn buik, waaruit ik besloot dat 40 hij niet minder dan een banketbakkers meesterknecht zijn moest. De eerste 41 haalde, daar er niet gerookt mocht worden, den zilveren sigaarkoker een

[p. 53]

aant. 1 paar malen uit den zak, alleen om 't vermaak te hebben van hem open te 2 doen, er een zilveren sigarepijpje uit te halen, en er nog iets in te zoeken dat 3 er niet in was, maar dat, zoo 't er in was geweest, zeker beter te pas had kun-4nen komen dan het pijpje, en hem vervolgens weer dicht te sluiten, na alvo-5rens meergemeld pijpje, eerst met het voor- en daarna met het achtereinde 6 naar beneden, er in gepast te hebben; de laatste stak uit de koperen tabaks-7doos eene niet onaardige tijdpasseering in den mond. De zilveren man had 8 eene groote neiging tot spreken, de koperen scheen vast besloten te hebben, 9 geen mond open te doen. De jodin had natuurlijk veel meer achting voor 10 den zilveren; maar de zilveren was terughoudend voor de jodin. Vóór den 11 zilveren zat een knorrig, groot dik man, dien ikzelf niet toe dorst spreken, 12 want hij had twee jassen over elkaar aan, een dikken rotting in de hand, een 13 kleur als of hij zoo pas van een vechtpartij kwam, en een uitdrukking alsof 14 hij zich gereed maakte met den eersten die hem toesprak een vechtpartij te 15 beginnen; het was ongetwijfeld een commissaris van politie, of een plaats-16majoor in politiek. Aan zijne zijde sluimerde een jong mensch met geschei-17den haar, zoo glad gekamd alsof het uit één stuk was, hooge jukbeenderen, 18 een blauwe das, een turkooizen doekspeld, een roodgebloemd vest, heele 19 korte toegeknoopte mouwen aan een langlijvig bruin jasje, handschoenen 20 met bont, en overschoenen. 't Was een Duitsch kantoorreiziger. Daar naast 21 - maar wat heb ik er aan, mijn talent te toonen in 't beschrijven van een reis-22gezelschap, dat volstrekt niet pikant was, en dat ik aan het begin van dit 23 opstel reeds vaarwel had gezegd? Om korter te gaan: ik stapte van de trede, 24 viel eerst bijna in de armen van een geknevelden heer, met een stijf been en 25 gelen rotting, die de bleeke dame afwachtte en, bang zijnde dat iemand 26 anders haar de hand toesteken zou dan z ed., de zijne alvast uitstak, dook 27 onder de reeds tegen het dak van het voertuig, waarmee ik gekomen was, 28 opgezette ladder dóór, riep den knecht toe: ‘Die zwarte koffer met een H!’ 29 gaf den conducteur, die met de maal naar binnen ging, mijn vijfje, en keek 30 naar iemand om, die mijn goed zou kunnen dragen zonder in de verzoeking 31 te komen het aan zijn eigen adres te bezorgen.

32‘Is uwé meheer Willebram, als ik vragen mag?’ vroeg een zwak, piepe-33rig stemmetje, blijkbaar toebehoorende aan iemand, die nog nooit een 34 onbekende van de diligence gehaald had. De vraag was tot den commissaris 35 van politie gericht.

36‘Benje d... mal, kerel,’ zei de commissaris van politie.

37‘Moet hij uit dezen wagen komen?’ vroeg op hupschen toon de man van 38 het maagdelijk metaal.

39‘Dat zal ik wezen,’ zei ik, eene nadere beschouwing daarlatende van de 40 zorg, waarmee het (naar alle gedachten gezelschap-) juffertje voor haar hoe-41dendoos was aangedaan en die zich uitte in de gedurige verzuchting: ‘Is dat 42 met me goed leven, kondelteur!’

[p. 54]

aant.1Het mannetje, dat vóór mij stond, had zijn opvoeding waarschijnlijk in 2 een weeshuis begonnen en was nu bezig haar in een diaconiehuis te vol-3tooien. Hij was hoog in de schouders en stijf van knieën, droeg een langen 4 bruinen duffelschen jas, met het teeken zijner orde op de mouw, en had 5 onder den arm een versleten portefeuilletje, waarin de boeken van een of 6 ander leesgezelschap werden rondgebracht.

7‘Ik moest een boodschap voor meheer doen,’ zei het mannetje, dat ik 8 voor ongeveer achtenzestig aanzag, ‘en nu zei meheer, dat ik meteen reis na’ 9 de dullezan zou gaan, om te kijken of meheer gekommen was. Uwé mot niet 10 kwalijk nemen, dat ik uwé niet trekt kon.’

11Nu, daar men de alleronmenschelijkste beul zou moeten wezen, om 't 12 iemand kwalijk te nemen dat hij u niet kent, indien hij u nooit in zijn dagen 13 gezien heeft, schonk ik den goeden diaconieburger op dit punt eene volko-14mene vergiffenis, liet mijn koffertje, totdat het afgehaald worden zou, in de 15 ‘Rustende Moor’, en sukkelde met mijn nieuwe kennis naar het huis mijns 16 ooms; onder het faveur van onderweg vriendelijk door hem onderricht te 17 worden aangaande het doel van een groot gebouw met gotische deuren en 18 vensters, waarop een toren stond met ordentelijke omgangen, appel en 19 weerhaan, 't welk hij zeide ‘de kerk’ te wezen; als ook omtrent een breede 20 streep groenkleurig vocht tusschen twee hooge gemetselde wallen, 't welk 21 hij verklaarde ‘de gracht’ te zijn.

22‘En dit is het huis,’ zeide hij, zijne oude beenen op een stoep zettende en 23 een goeden ruk aan een lange schel gevende, met die uitdrukking van gelaat, 24 die bij een oud man te kennen geeft: ik kan het toch niet hooren of ze zacht 25 of hard overgaat.

De ontvangst

30Het duurde een minuut of wat alvorens een eigenaardig sloffen in het voor-31huis de aankomst eener bejaarde keukenmeid verried, die eerst natuurlijk 32 den aardappel waaraan zij bezig was, had moeten afschillen, daarna den 33 bak van haar schoot en haar beide voeten van haar stoof zetten, om vervol-34gens haar roode muilen aan te trekken, haar neus met het buitenste van haar 35 hand af te vegen, haar eva in de schuinte op te slaan, en den langen weg te 36 aanvaarden, die van de keukendeur tot bij den barometer twintig, en van 37 den barometer tot de mat, zes stappen vergde. In dien tusschentijd bekeek ik 38 den voorgevel van de woning.

39Het huis was, als mijn oom, burgerlijk, en ofschoon het huis ouder was, 40 was ook deze, zoowel als zijn huis, van een vroeger eeuw. Het had een trap-41gevel, en de bovenste verdieping was met kruiskozijnen in het lood. Het had

[p. 55]

aant. 1 slechts ééne zijkamer, met twee schuiframen met middelsoort ruiten, ver-2sierd door groene gazen gordijntjes op breede koperen roeden, in het mid-3den een weinigje opengeschoven om het licht vriendelijk uit te noodigen wel 4 te willen beschijnen twee bloempotten van mijn tante, onder streng verbod 5 van iets anders in het vertrek òf op te luisteren òf te verbleeken. Ik was 6 nieuwsgierig of ik ooit in die kamer zou toegelaten worden. In allen gevalle 7 werd ik alvast in 't voorhuis gelaten, en kwam ik spoedig in een achterka-8mer met een hoog licht, in de onmiddellijke tegenwoordigheid van mijn 9 oom en tante.

10De ontvangst was recht hartelijk, en de goede menschen die mij nog 11 nooit in mijn leven gezien hadden, schenen zeer verheugd dat genoegen te 12 smaken, ofschoon gemeld genoegen bij den eersten eenigszins scheen ver-13bitterd te worden door de omstandigheid, dat ik juist op een donderdag 14 gekomen was, als wanneer de voorkamer ‘gedaan werd’, zoodat men nu 15 achter zat; waarop mijne moei aanmerkte, dat neef het wel zoo voor lief zou 16 nemen en dat hij zeker in zijn ouders huis ook wel eens in een achterkamer 17 gezeten had; waarop neef zei, dat deze een heele lieve achterkamer was, en 18 dat hij wel van een achterkamer hield; waarop oom zei, dat hij er, al zei hij 't 19 zelf, niet van hield, en tante het met neef eens was dat zij er wèl van hield, 20 waarop oom wat bijkwam met te zeggen, dat hij er 's avonds nogal van 21 hield; waarop tante en neef zeiden, dat zij er ook 's avonds het meest van 22 hielden; zoodat er met eenparigheid van stemmen besloten werd, dat een 23 achterkamer met een hoog licht des avonds op haar voordeeligst is. Ik ben 24 verplicht hier bij te voegen dat de geheele redewisseling op de goelijkste en 25 vriendelijkste wijze gevoerd werd, terwijl oom zijn ingebrande pijp met een 26 zwavelstok weer op de wijs bracht, en tante de kopjes van 't koffiegoed met 27 een minzaam lachjen en een bonten theedoek zat af te drogen. Zij schikte 28 juist de stapeltjes in orde op het blad, toen zij vroeg: ‘Wel heeremijntijd, Hil-29debrand, hadje nou niet nog koffie willen hebben?’

30Nu was er op dit oogenblik inderdaad niets waar ik vuriger naar ver-31langde dan naar een kop koffie; maar daar ik mijn tante verdacht dat zij het 32 middel om koffie te vermeerderen zou zoeken in de kunst om ze te verdun-33nen, bedankte ik edelmoedig, en zei dat ik straks met oom een bittertje zou 34 nemen, waarop oom verklaarde dat hij dat altijd gebruikte als de wagen van 35 tweeën voorbijkwam.

36Met dit vooruitzicht schikte ik mijn stoel wat dichter bij den haard, 37 waarbij mijn oom altijd zat als hij achter zat, ofschoon er nooit in gestookt 38 werd vóór den eersten November en er dus ook nu geen vuur aanlag, en 39 begon met naar mijn neef Pieter te vragen.

40Mijn neef Pieter studeerde te Utrecht in de rechten; maar hoewel ik bij 41 onderscheidene gelegenheden aan onderscheidene studenten van onder-

[p. 56]

aant.1scheidene faculteiten gevraagd had of zij mijn neef Pieter Stastok ook ken-2den, had ik daarop te geenen tijde een voldoend antwoord ontvangen, 3 zoodat ik, in de onzekerheid der oorzaken, waaraan deze onbekendheid 4 wellicht moest worden toegeschreven, eindelijk begonnen was met niet 5 meer naar mijn neef Pieter Stastok, maar naar een zekeren student Stastok 6 navraag te doen.

7‘Gij moest hem al gezien hebben, neef Hildebrand,’ zei de oudere Sta-8stok, ‘want hij is uitgegaan om u op te wachten.’

9‘Om u op te wachten,’ herhaalde mijn tante, haar breiwerk in haar 10 schoot latende vallen en over haar bril heenziende: ‘hij moet u zeker misge-11loopen zijn; maar hij zal wel spoedig hier wezen. Hij is tegenwoordig zoo 12 druk aan zijn examen! Ik ben eigenlijk bang dat hij te veel werkt; hij is zoo 13 vlug, weet u!’

14En nog nauwelijks had ik den tijd mijn vurig verlangen te uiten om die 15 zeldzame vereeniging van vlugheid en arbeidzaamheid, den jongeren Sta-16stok, te aanschouwen of de schel ging over, de muilen van de keukenmeid 17 sloften, en de stap van den Utrechtschen student werd gehoord.

18Had ik tot nog toe niet de minste notie van mijn heer en neef gehad, 19 zooras hij de kamer binnenkwam kende ik hem door en door. Zijn geheele 20 voorkomen sprak collegehouden uit; zijn geheele lichaam dicteerde dicta-21ten. De bleeke kleur, het gebogen hoofd, de stalen bril, de theedoekige das, 22 de sluitjas met dubbele borst, de horlogesleutel, de niet nauwe en niet wijde 23 pantalon, de verschoende laarzen, de floretten handschoenen, de zwarte 24 kapelaansrotting met twee nuffige kwastjes - alles deed den student zien, 25 die van het academieleven niets kent dan de collegekamers en de thé's der 26 professoren; van de studenten, geen andere dan zijn stadgenooten en de 27 senatoren, die hem ontgroend hebben; van de burgers, niemand dan zijn 28 hospita; den student, die een kleur krijgt als hij twee, en een straat omloopt 29 als hij een partijtje van zes studenten tegenkomt; den student, die er over 30 klaagt dat er zoo weinig studenten-broederschap is, en niet weet dat er stu-31denten-vreugd bestaat; den student, die een dispuut zou willen oprichten, 32 waarvan niemand lid zou willen wezen; die van den kok dagelijks vijf bor-33den eten krijgt: één, gesneden vleesch, één, ingemaakte postelein, één, dito 34 andijvie, één, opgekookte aardappels, en één, rijst met bessennat, omdat hij 35 den moed niet heeft zich aan een tafel te doen voorstellen; den student, die 36 in de sociëteit duizend angsten uitstaat dat iemand om de courant zal vra-37gen, waar hij zich achter verbergt, en wiens naam de andere studenten voor 38 't eerst hooren, als zij toevallig op 't college zijn daar hij afgeroepen wordt 39 om te respondeeren. - Zulk een student was zonder twijfel mijn onbekende 40 neef Pieter Stastok.

41‘Hoe komt het, Piet! dat je neef Hildebrand misgeloopen bent?’ vroeg 42 tante verwonderd.

[p. 57]

aant.1De student Pieter Stastok keerde zich om, ten einde zijn rotting in een 2 hoek te zetten, en zei dat de diligence verwonderlijk vroeg aangekomen 3 was; eene omstandigheid, die zeer zeker verwonderlijk was, aangezien wij 4 op weg een oponthoud gehad hadden van een half uur, door 't storten van 5 een der paarden. ‘Hij was eerst nog effen bij den boekverkooper geweest, 6 die zijne Instituten inbinden moest, en was toen regelrecht naar de diligence 7 gegaan, maar had tot zijne verbazing gehoord dat die al lang aan was, en dat 8 ik met den knecht was opgewandeld’, enz. enz.

9De zaak was dat hij een singeltje had omgeloopen, totdat hij zeker wist 10 dat ik reeds lang onder zijn vaders dak goed en wel zou gevestigd zijn, uit 11 vrees van den verkeerden persoon voor mij aan te spreken. Nu, indien hij 12 den commissaris van politie getroffen had - hij was voor zes weken een be-13dorven man geweest!

14‘De neven moeten nu maar eens goed kennismaken,’ zei mijn tante, die 15 tot de minzaamste aller schommelige huismoeders behoorde; ‘zij zijn toch 16 allebei student.’

17‘Ja maar,’ zei Pieter, nog lang niet gemeenzaam met het denkbeeld van 18 eene kennismaking,‘in verschillende vakken.’

19Dat was waar, en zelfs op verschillende academiën. Maar ik ben nooit 20 zoo zeer Leidsch student geweest, dat ik niet altijd gaarne dronk op de har-21monie tusschen de zusteracademiën, een toost, die immer gedronken wordt, 22 waar Utrechtsche en Leidsche studenten bijeen zijn, maar die men evenwel 23 niet te druk moet herhalen om geen twist te krijgen. Wat ons betreft, er 24 kwam al spoedig gelegenheid voor een toost; want na nog een woord of wat 25 met Pieter Stastok, ter informatie wáár hij te Utrecht woonde, waarop het 26 antwoord was, ten huize van een catechiseermeester in de Lijsbethstraat, en 27 na een kort gesprek met mijn oom over het nieuws dat er niet was, en een 28 dito met mijn tante over het goudleeren behangsel in de kamer, waarvoor zij 29 ook wel had hooren zeggen dat de muilenmakers te Waalwijk, vóór dat zij 30 door den brand geruïneerd waren, groote sommen zouden hebben willen 31 geven, kwam het diakoniemannetje (dat ik bij deze gelegenheid met den 32 naam van Keesje hoorde versieren) binnen met de boodschap, dat de wagen 33 van tweeën net voorbijging; waarop tante, na alvorens haar bril te hebben 34 afgezet, opstond, een kastje opende en daaruit te voorschijn bracht een 35 fleschje met Van der Veen's elixer, een fleschje met ‘Erger dan de cholera’, en 36 drie glaasjes. Oom wenschte mij frisschen morgen.

37De verdere afloop van dien dag was als gewoonlijk bij een eerste ken-38nismaking. Wij bevielen elkander onderling, en ik werd dikke vrinden met 39 Pieter. 's Middags stal ik het hart van mijn tante nog eens door van schor-40seneren te houden, en bewoog mijn oom bijna tot tranen door met opge-41wondenheid van een gestoofden kabeljauwshom te spreken. Om Pieter ook 42 een genoegen te doen wist ik eenige kennis van zijn vak te verraden, door de

[p. 58]

aant. 1 begripsbepaling van Justitia en van Ususfructus te pas te brengen. Na den 2 middag nam mijn oom een slaapje bij den kouden haard, en ging mijn tante 3 eens naar boven. Daarna dronken wij te zamen recht gezellig thee, zagen de 4 achterkamer op haar voordeeligst, en wat dies meer zij.

5Mijn oom was iemand, wiens grootvader en vader een zeer bloeiende, 6 en die zelf een vrij bloeiende lintweverij gehad had; om de strikte waarheid 7 te zeggen, moet ik bekennen, dat hij ze nog had, maar er werd volstrekt niet 8 meer in gewerkt, en op de zolders lag nog een aanzienlijke partij oortjes-9band, die hij liever ‘daar zag verrotten dan haar onder de markt te ver-10koopen’. Hij behoorde alzoo tot die menschen, die hun zaken aan kant 11 gedaan hebben en, het uitzicht op verdere winsten opgevende, zich met een 12 vrij aardig inkomen, een onverzettelijken afkeer van stoommachines, en de 13 Haarlemsche courant tevredenstellen. In den loop van den avond kwam het 14 uit dat hij een bijzondere genegenheid had voor het stopwoord ‘al zeg ik het 15 zelf’, alleen overtroffen door de verslingerdheid van zijne echtgenoot aan 16 den uitroep ‘wel heeremijntijd!’ welke termen dit echtpaar buitengemeen 17 beminde; ofschoon ik zeggen moet dat zij ze somtijds afwisselden met de 18 bevallige tusschenvoegsels van, ‘wat hamer’, ‘goede genadigheid’, ‘och grut’ 19 en andere dergelijke vloeken meer, die een balk in hun wapenschild voeren. 20 De student Petrus Stastokius Jun. had daarentegen niets in te leggen dan zijn 21 geliefkoosde verzekering ‘waaratje’, waarvan ik evenwel, om billijk te zijn, 22 erkennen moet, dat hij in 't geheel geen misbruik maakte.

Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te spelen

28Ik werd des anderen daags om zeven uren wakker, en toen ik de groene 29 saaien gordijnen openschoof om te zien wat voor weer het was, - welke was 30 mijne ontzetting, te bemerken dat (wij sliepen op dezelfde kamer) Pieter 31 zich reeds geperpendiculariseerd had en bezig was om, met den bril op, een 32 paar schoone kousen aan te trekken, waarin zijne moeder den vorigen 33 avond plichtmatig hieltjes gemaakt had.

34De oudere Stastok was een man van de klok en stond diensvolgens om 35 zes uren op, ten einde om half acht aan het ontbijt te zijn; en daar hij vol-36strekt niets te doen had, vulde hij dien tusschentijd met pijpjesrooken aan. 37 Opmerkelijk is het, dat naarmate men minder bezigheid heeft, men des te 38 bekrompener over den tijd denkt. Indien men den goeden Pieter Stastok 39 Senior het moeielijke vraagstuk omtrent de zetelplaats van den wil had 40 voorgelegd, zou hij, indien hij daartoe genoegzame tegenwoordigheid van 41 geest had gehad, zijn wijsvinger op twee duim afstand van zijn maag hebben

[p. 59]

aant. 1 moeten leggen, door die beweging datgene zijner ingewanden aanwijzende, 2 't welk hij zijn ‘goud horloge’ noemde. En inderdaad, indien ik mij door een 3 goud horloge moest laten regeeren, ik zou van zulk een geregeerd willen 4 worden; want een goed, groot, dik en vet uurwerk was het, met twee kasten 5 over elkaar; en daar het iederen morgen, klokke negen, met de torenklok 6 werd gelijkgezet, liep het doorgaans volmaakt.

7Ik vond mijn oom in de voorkamer (die zulk een heiligdom niet scheen 8 te wezen als ik mij wel voorgesteld had) juist daar hij van onder de handen 9 van zijn barbier kwam. Hij had zijn slaapmuts nog op het kale hoofd, daar 10 hij gewoon was die niet vóór elf uren voor zijn pruik te verwisselen.

11‘Mooi weertje, neef Hildebrand,’ riep hij mij toe; ‘mooi weertje, al zeg 12 ik 't zelf.’

13Tante, die reeds zat te breien, zette, tengevolge eener zeer oneigenaar-14dige gewoonte, haar bril af, om te beter mijne robe de chambre te bekijken, 15 en na een ‘heeremijntijd! zijn die dingen weer in de mode?’ (het was in 1836) 16 begon zij een optelling van al de japonnen met sjerpen, die haar vader en 17 haar man in vroeger eeuwen gedragen hadden en die, naar haar voorgeven, 18 nog boven in een kast hingen.

19Oom vond dat het veel te gemakkelijk was voor een jong mensch, en in 20 de oogen van Petrus geleek ik in dit ochtendgewaad zoo volmaakt op de 21 grootste Jannen der Utrechtsche academie, dat hij mij, geloof ik, voor een 22 overgegeven lichtmis begon te houden.

23De bijbel werd opengeslagen, en mijn oom las er uit voor. Eerwaardige 24 gewoonte! Waarom is zij zoo bijna uitsluitend tot de burgerlijke huishou-25dens bepaald, en raakt zij ook zelfs daar meer en meer in onbruik? Mijn 26 oom las niet welsprekend, niet mooi, zelfs niet goed op sommige plaatsen - 27 maar het was stichtelijk, want hij las den bijbel; het was goed, want hij las 28 met eenvoudigheid; het was schoon, want het was hem aan te zien dat hij 29 geloofde. Hij las Luc. x, en bijzonder trof mij, in dezen kring en uit dien 30 mond, het 21ste vers: ‘Ik danke u, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat 31 gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze 32 den kinderkens geopenbaard.’

 

34Na den ontbijt ging Pieter ‘aan zijn examen werken’, 't welk bestond in zeer 35 breedvoerige tabellen van de Instituten te fabriceeren, met rooden, blauwen 36 en zwarten inkt geschreven, en ik volgde hem naar zijn kamer, waar ik mij 37 tot koffietijd met een paar boeken bezighield.

38En nu was het oogenblik daar, dat mijn neef mij aan de stad en de stad 39 aan mij vertoonen zou. Wij gingen dus samen uit, en daar hij een rotting 40 had, liet ik den mijnen thuis. Wij zagen dan: eerst de gracht, daarna de 41 korenbeurs, en vervolgens twee kerken, waarin praalgraven en kosters die

[p. 60]

aant. 1 een fooi begeerden, als ook in een dier kerken een orgel dat, op het Haar-2lemsche na, het mooiste der wereld was; eene eer, die ik te Gouda, aan het 3 Goudsche, te Leiden, aan het Leidsche, te Alkmaar, aan het Alkmaarsche, 4 en nu weder te D. aan het Deesche hoorde toeëigenen; zoodat het de zaak 5 van de 4de klasse des Koninklijken Nederlandschen Instituuts worden zal, 6 daaromtrent een prijsvraag uit te schrijven. Wij beklommen zelfs met 7 levensgevaar den toren van een dier kerken, en maakten de opmerking dat 8 het er woei, en dat er rondom de stad veel weiland, veel water, en veel 9 molens waren. Daarop begaven wij ons naar het stadhuis, en bevonden dat 10 onze voorvaderen nòg beter schilderden en er nòg gezonder uitzagen dan 11 wij; ook had ik tegelijk gelegenheid het manlijk voorkomen der Deesche 12 dienders te bewonderen. In zijn ijver om mij alles te laten zien, bracht Pieter 13 mij zelfs naar de vleeschhal, en over de vischmarkt, en eindelijk aan een 14 groote vierkante eendekom, die hij ‘de haven’ noemde. Al voortgaande 15 informeerde hij zich zeer sterk, hoeveel colleges de juristen te Leiden op één 16 dag hadden en of het bij prof. A. fideel was op de thé's; als ook welke colle-17ges gemelde hooggeleerde in 't Hollandsch gaf en hoeveel prof. B. dicteerde; 18 of iedereen bij prof. C. zoo maar een testimonium krijgen kon; of prof. D. 19 liefhebberij-colleges hield; en of ik Smallenburg wel eens gezien had; tegen 20 welke berichten hij de zijnen omtrent de Uitertsche Juris professores met 21 eene eerlijkheid inwisselde, eene betere zaak waardig. Hij verzuimde niet 22 den billijken Utrechtschen trots op prof. van Heusde en op de moeilijkheid 23 van een mathesis-examen in 't Latijn te pas te brengen; en toen ik 't gesprek 24 voor de afwisseling op lichtvaardiger onderwerpen wendde, kwam het uit, 25 dat hij, Pieter Stastok, zonder evenwel hartstocht voor die spelen te koeste-26ren, wel eens domino speelde, ja zelfs wel eens biljartte, en daar wij juist 27 vóór een koffiehuis stonden, noodigde ik hem uit zich in laatstgenoemde 28 kunst met mij te meten.

29Pieter Stastok had noch den moed, noch den slag mij iets aan te bieden, 30 daarom bestelde ik een bittertje voor mij zelven, en hij insgelijks voor zich. 31 Op dat oogenblik sloeg de klok boven 't buffet twee uren, en zag ik aan den 32 overkant der straat de diligence afrijden, die mijn oom in staat zou stellen 33 ons voorbeeld te volgen.

34Er waren vrij wat menschen in het koffiehuis, maar daar wij met nie-35mand dan met het biljart te maken hadden en geen hunner speelde, hinder-36den zij ons volstrekt niet. Pieter sloeg de mouwen van zijn sluitjas op, en ver-37toonde de groote gesteven boorden van wat zijn moeder, hoe algemeen 38 Europeesch die dracht ook geworden was, nog altijd een Engelsch hemd 39 noemde; daarop verzocht hij den jongen zeer beleefd om eene ‘goede keu’. 40 De jongen gaf hem natuurlijk de beste die in het rek was, en wij trokken wie 41 vóór zou spelen. Die eer viel mij te beurt, en de partij begon.

[p. 61]

aant.1Wij hadden evenwel nog nauwelijks eenige punten gemaakt, toen een 2 luidruchtig geroep van ‘pot, jongen!’ al onze zaligheden verstoorde.

3Het geroep kwam van een winderigen jongen advocaat, die pas voor de 4 studentensociëteit te Utrecht bedankt had, en nu nog voorhing op de parti-5culiere sociëteit te D., en van dit interregnum gebruik maakte, om alledag in 6 het koffiehuis ‘de Noordstar’ pot te maken.

7‘Vierentwintig uit, menheeren!’ riep de jongen ons toe, en tegelijk het 8 korfje schuddende, waarin hij de potballen had, bood hij ze ons aan.

9Ik trok er een; en met een gezicht waarover een kleine stuiptrekking 10 scheen te gaan, stak Pieter, dien ik ondertusschen als geen grooten Mingaud 11 had leeren kennen, zijn hand almede manmoedig in den korf. Daarop kwa-12men al de habitués van den pot uit hunne hoeken en vroegen dopjes voor 13 hunne pijpen; de jongen deelde eigen keuen rond, en de jonge advocaat nam 14 in persoon het krijt om op te schrijven.

15‘Wie van de heeren heeft het aas?’

16‘Ik,’ riep een barsche stem, die aan niemand anders toebehoorde dan 17 aan den heer met de twee jassen over elkaar, dien ik in de diligence voor een 18 commissaris van politie gehouden had; het bleek mij echter dat hij volstrekt 19 geen commissaris van politie was, maar wel pikeur der kleine manege, die te 20 D. aanwezig was, en tevens eigenaar van de kleine comedie, die aldaar ins-21gelijks bestond.

22‘Wie van de heeren de twee?’

23Pieter Stastok ging zelf naar de lei om den jongen advocaat in te fluiste-24ren dat hij het was.

25‘Zoo! zal jij ook pot spelen?’ vroeg de jonge advocaat, die als stadge-26noot mijn neef wel kende.

27Pieter werd bleek.

28De drie had ik. De vier had een bejaard tweede luitenant van de infante-29rie, met de medaille van twaalfjarigen dienst. De vijf had een chirurgijns-30leerling, die te veel tijd had. De zes, een kort, dik man met stoppelig grijs 31 haar, die een graankooper scheen te zijn. De zeven, een jong mensch van 32 drieëntwintig jaar, die student geweest was, maar om slecht gedrag thuisge-33haald, voor wien Pieter bang was, te meer daar hij hem zeer gemeenzaam 34 behandelde. Deze scheen de boezemvriend van den bejaarden luitenant der 35 infanterie met de medaille van twaalfjarigen dienst te wezen. De advocaat 36 zelf had de acht, en de negen was in handen van een jongeling van drieën-37dertig jaren, in een leverkleurigen pantalon, die op zijn moeders zak leefde, 38 een hond hield, nooit iets had uitgevoerd, en in groote achting stond bij den 39 kastelein van het koffiehuis ‘de Noordstar’.

40Toen de jonge advocaat de namen van al deze heeren netjes had opge-41schreven, nam de biljartjongen het krijt in de eene en den kleinen bok in de

[p. 62]

aant. 1 andere hand, en gilde met al de kracht, die een kind van veertien jaren over 2 kan houden, als hij den geheelen dag en den halven nacht op één been staat, 3 te midden van de uitwaseming van menschen en pijpen: ‘Aas acquit, twee 4 speelt!’

5Petrus Stastokius Junior moest alzoo op het acquit spelen, en hij maak-6te zich werkelijk tot dien arbeid gereed. Te dien einde lei Petrus Stastokius 7 Junior zijn pijp neer; maakte de punt van zijn keu wel een halven voet ver 8 wit; plaatste zijn bal met de linkerhand op drie vierden; drukte de vier vin-9gers van zijn linkerhand op een handbreed afstands van denzelven bal op 't 10 biljart; krulde den duim bevallig om, zoodat hij aan 't geheele gezelschap 11 zijn tot op 't leven afgesneden nagel vertoonde, en begon met de rechter-12hand de keu tusschen duim en vinger heen en weder te bewegen op eene 13 wijze, die deskundigen ‘zagen’ noemen.

14Tot zoover ging Petri Stastokiï wetenschap om op het acquit te spelen. 15 Ja, hij had zelfs een flauwe notie van de theorie van halfbal raken; maar 16 daar het hem aan praktijk in het edele potspel haperde, was hij bijna zoo wit 17 als zijn bal, en stiet hem eindelijk krampachtig er op los, met dit gevolg dat 18hij klotste en ‘à faire’ lag voor den rechter hoekzak.

19Het zou onmenschelijk geweest zijn hem ‘te maken’ en daarom, mijn 20 eigen bal stevig ‘houdende’, bracht ik den zijnen naar onderen, een goed 21 eind voorbij den millieu. Daarop nam de bejaarde luitenant der infanterie 22 zijn pijp tusschen zijn grauwe knevels en speelde met de linkerhand op 23 goedaf, maar werd niettemin met ‘een beest’ gesneden door den chirurgijns-24leerling; waarop de verloopen student, die onder ons gezegd een grappen-25maker was, zeide dat die chirurgijns niet leefden of zij moesten wat te snij-26den hebben. De graankooper verzocht daarop den jongen om acquit voor 27 hem te zetten en bleef met een wijs gezicht en onder het genot van zeker 28 mengsel geestrijk vocht en suiker, 't welk in 't gemeene leven een sneeuwbal-29letje genoemd wordt, in 't Handelsblad turen, en de verloopen student, zijn 30 sigaar op den rand van 't biljart neergelegd hebbende, stiet met veel noncha-31lance en verschrikkelijk hard op 't acquit, welk voorbeeld van spelen door 32 den advocaat met gelijke woede werd opgevolgd. Nu was de beurt aan den 33 jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon, die, van 34 het beginsel uitgaande dat hij zijn bal voordeelig moest trachten te ver-35koopen, nooit op goedaf speelde, als hij zeker wist dat hij een bal maken 36 kon. Hij maakte; en zoo gebeurde het dat Petrus Stastokius andermaal op 37 het acquit spelen moest.

38Hij was nu zoo ver dat het zweet hem in groote parels op het voorhoofd 39 stond.

40‘Dat wordt een collé, mijnheer;’ riep de barsche stem van den pikeur.

41Pieter sprak niet, maar in zijne desperate poging om den geduchten

[p. 63]

aant. 1 spreker eens niet te logenstraffen, en in een van die dwaze inblazingen van 2 hoop, waaraan slechte spelers somtijds gehoor geven, dat namelijk het goed 3 geluk voor hen zal doen wat hunne kunst niet vermag, raakte hij den acquit-4bal zoo fijn, dat hij hem, tegen alle etiquette aan, in den linker hoekzak 5 ‘sneed’.

6‘Dat doet men niet, mijnheer!’ riep de pikeur, hevig met de keu op den 7 grond stampende.

8‘Het was een ongeluk;’ stamelde Pieter, die nu zoodanig transpireerde, 9 dat ik vreesde dat zijn bril op den vloed zou afdrijven.

10‘Het was een lompigheid,’ brulde de pikeur.

11‘Leve het snijen!’ riep de chirurgijnsleerling.

12‘Die menheer is gevaarlijk!’ schertste de bejaarde luitenant.

13‘Aas één appèl, drie acquit, vier speelt!’ riep de biljartjongen.

14Ik geloof dat mijn neef poogde in een onverschillige houding zijn neus 15 te snuiten, maar het had er niets van.

16Het derde toertje liep goed voor Petrus af, maar het vierde was geschikt 17 om hem er gansch onder te werken. De pikeur lag voor den middelzak; het 18 was een gemakkelijke bal; een kind kon hem maken.

19‘Je kunt hem best sauveeren,’ zei de pikeur, ‘en goed afkomen ook.’

20Dit was volmaakt overeenkomstig de gezindheden van Pieter, die, uit 21 aanmerking van den snijbal, voor geen geld ter wereld hem maken wilde, 22 zelfs al moest hij er slecht op afkomen. Maar daar de pikeur een gevaarlijk 23 potspeler was en, sedert onheuglijke jaren, van de drie potjes die gespeeld 24 werden, er twee in zijn zak stak, riepen natuurlijk al de anderen: ‘Stop weg; 25 stop weg!’

26Pieter stootte niettemin met het voornemen om hem stellig niet weg te 27 stoppen; en toch scheelde het zoo weinig of hij had hem weggestopt, dat de 28 winderige advocaat, die in 't gewoel was opgestaan, uitriep: ‘Hij zit!’ waar-29op de verloopen student, die als gezegd is, een grappenmaker was, geestig 30 antwoordde: ‘Als hij een stoel had;’ waarop allen lachten.

31‘Wacht wat!’ riep de chirurgijnsleerling, die voor 't snijen was; ‘hier is 32 nòg een zak!’

33En inderdaad! Petrus Stastokius had geheel buiten zijn eigen voorken-34nis of medeweten een doublé gemaakt, waarop allen juichten, behalve de 35 pikeur, die op een grimmige wijze nog een glas bitter bestelde en de Goud-36sche courant opnam, alleen om haar hard weer neer te smijten.

37Men speelde voort en, na al de wederwaardigheden die hij had doorge-38staan, werd mijn vriend Pieter weder vrij kalm, waartoe vooral machtig 39 medewerkte dat hij een paar malen acquit moest leggen. Maar op eens werd 40 zijn rust akelig verstoord door den uitroep van den jongen: ‘Vier driemaal, 41 zes acquit, zeven speelt! mijnheer Hastok (de St was onduidelijk geschre-42ven) de Vlag!’

[p. 64]

aant.1Nu was er geen eind aan de kortswijl en de grappen van den chirur-2gijnsleerling, en den verloopen student, en den advocaat, en den jongeling 3 van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon. De een noemde 4 hem een Mingaud, de ander een blauwbaard, de derde een boa constrictor, 5 allen te zamen: ‘den mijnheer van de vlag’. De bejaarde luitenant, die op 6 drie stond en met den verloopen student geassureerd was, wilde zich dood-7stooten en hem voor een daalder koopen; de graankooper, die tegen die ma-8noeuvre was, zei dat Pieter veel te sterk speelde om het aan te nemen; de chi-9rurgijnsleerling bestelde de bokaal voor mijnheer ‘Hastok’, die den pot ‘op 10 schoon dacht te winnen’; - het was een leven als een oordeel. En onder dit 11 alles stond, met verwilderden blik, het onschuldig voorwerp van al dit ru-12moer altijd maar krijt aan zijn keu te strijken. De beurt kwam weer aan hem.

13‘Welke bal?’ vroeg hij verlegen.

14‘Die witte!’ riep de verloopen student, die een grappenmaker was.

15‘Die ronde!’ zei de chirurgijnsleerling, niet minder aardig.

16‘De beste,’ zei de leverkleurige pantalon, die ook iets zeggen wou.

17‘De benedenste,’ zei de dikke graankooper, die medelijden kreeg.

18Nu was het zoo gelegen, dat het vrij onverschillig was met welken bal 19 de arme Pieter, die geen drogen draad meer aan 't lijf had, op dat merkwaar-20dig oogenblik spelen zou, aangezien beide ballen, de een boven, de ander 21 beneden, stijf en allerstijfst collé lagen; ik herinner mij niet in al den tijd dat 22 ik mee gebiljart heb - nu slaapt mijn keu voor immer in haar zelfkanten graf 23 - ooit zulk een stijven collé gezien te hebben. De verloopen student bood 24 mijn neef den bok aan. Pieter zag hem aan met een blik van machteloozen 25 haat en stootte een voet of drie mis.

26‘Strijk de vlag!’ riep de chirurgijnsleerling.

27Zij was alreede gestreken. De pikeur had zich bij voorbaat gewroken.

28Van dat oogenblik aan bood de luitenant Pieter een gulden; maar hij 29 was te zeer van zijn stuk om te verkoopen. In den volgenden toer maakte ik 30 hem, uit medelijden; den daarop volgenden verliep hij en smaakte de vol-31doening dat de luitenant hem een beschuitje voor zijn bal bood; met een 32 mispunt besloot hij, in den voor hem laatsten toer, zijn carrière in het edele 33 ballenspel; en daar hij zeer veel haast scheen te hebben om te vertrekken, 34 brak ik, die nog een enkel appèl te verliezen had, mijn bal op, vooral ook om 35 een einde te maken aan de dringende aanzoeken van den jongeling met den 36 leverkleurigen pantalon, die nu zichzelven voor een achtentwintig aan 37 ‘Hastok’ verkoopen wilde, in welk aanbod hem al de vroolijke jongelui 38 ondersteunden.

39Op straat gekomen scheen de frissche octoberlucht Pieter weer moed en 40 verwaandheid toe te waaien.

41‘Daar zijn goede spelers onder,’ zei hij, ‘maar toch waaràtje geen een,

[p. 65]

aant. 1 die eigenlijk uitmunt. Ik had een kromme keu,’ voegde hij er bij; ‘en hebje 2 wel gezien hoe de hoekzakken trokken?’

3Ik had alles gezien, en wist dat de graankooper het potje zou gewonnen 4 hebben eer wij thuis waren.

5Het eten stond reeds op tafel. Pieter had geen honger.

Het diakenhuismannetje vertelt zijn historie

10Drie dagen had ik bij de familie Stastok vertoefd, en in dien tijd was ik 11 groote vrienden met Keesje geworden. Een paar malen had hij mij door de 12 stad vergezeld om mij den weg te wijzen, als ik boodschappen te doen had; 13 en daar hij, als vele oude lieden, praatziek was, en ik in dat gebrek soms met 14 vele oude lieden deel, hadden wij dikwijls te zamen vrij wat afgehandeld. 15 Keesje was een eenvoudig, braaf, goedaardig mannetje. Hij had een flauwe 16 herinnering van zijn vader, die borstelmaker geweest was en groote ‘zulve-17ren’ gespen op zijn schoenen had gedragen. Behalve de gespen, herinnerde 18 hij zich niets meer van hem dan zijn dood, en hoe hij met een groote huile-19balk en lange witte das achter zijn lijk gegaan was; en hoe er toen hij thuis 20 kwam, een zwarte doek over den spiegel had ‘gehongen’; en hoe hij, bij die 21 gelegenheid, zoo veel geraspte broodjes had mogen eten als hij maar wilde; 22 en dat daar een lange moei was bijgeweest, die zóóveel witten wijn gedron-23ken had, dat een dikke oom gezegd had: ‘Je krijgt niet meer.’ Zijne moeder 24 had hij nooit gekend. De dikke oom had hem naar 't Weeshuis gebracht; hij 25 had er leeren spellen, en toen was hij op timmeren gedaan, maar hij was te 26 zwak voor dat werk, weshalve men hem bij een apotheker besteld had, om 27 fleschjes te spoelen, en te stampen: een baantje dat juist niet rijk is aan schit-28terende vooruitzichten. Vijftien jaar had hij er gediend, maar daar hij maar 29 heel weinig lezen kon, en hij dikwijls tegelijk twee halfpintsflesschen, drie 30 kinderglazen, een amplet, een likkepot en een pakje poeiers weg moest 31 brengen, was 't hem eindelijk eens gebeurd dat hij een salebdrank gebracht 32 had bij iemand die obstructies had, en daarentegen de poeiers met jalappe-33harst bij eene dame die aan diarrhee leed, waarop hij, als niet genoeg gelet-34terd, ontslagen werd. Sedert was hij looper voor een kantoor, en daarna 35 huisknecht bij onderscheidene lieden geweest, waarvan sommige dood en 36 andere geruïneerd waren; en daar hij, bij de groote opruiming, te oud was 37 geweest om naar Frederiksoord te worden gezonden, had eindelijk het 38 Weeshuis hem overgedaan aan het Diakoniehuis. En nu werd hij op zijn 39 ouden dag nog door mijn oom en een paar lieden van diens slag gebruikt tot 40 het smeren van schoenen, uitkloppen van kleeren, wegbrengen van de cou-41rant en, in één woord, tot het doen van min gewichtige boodschappen. Het-

[p. 66]

aant.1geen, volgens de inlichtingen van mijn oom, 's mans carrière het meest had 2 gedwarsboomd, was zijn verregaande onnoozelheid en daaraan geëvenre-3digde menschenvrees.

4Behalve de achterkamer met het hooge licht, die om het huis van den 5 buurman heensprong en waarachter de keuken lag, was er aan het huis van 6 Petrus Stastok Senior nòg een achterkamer, waarin ik u nader denk binnen 7 te leiden, naar een kleinen tuin, waarop zij uitzag, niet oneigenaardig de 8 tuinkamer geheeten. Als men de plaatsdeur uittrad, had men eerst een soort 9 van trottoir van gele klinkers, van omstreeks drie passen breed, en als men 10 dan over eene hooge rollaag van blauwe klinkers1 heenstapte, waarvóór 11 aan de overzijde drie voetschrabbers waren geplaatst, was men eensklaps in 12 het kleine elyseüm van mijn tante. Men zag er een grooten appelboom, 13 waaraan soms meer dan een dozijn reinetten groen werden, verscheidene 14 rozeperken, waaromheen in 't voorjaar een kring gele krokussen bloeien 15 moest, meer dan één seringeboom, twee goudenregens, een dubbele kers en, 16 tegen den muur aan den eenen kant een wingerd, en aan den anderen een 17 moerbeiboom. De paden waren niet met gewoon gras, maar met roode en 18 witte madelieven en z.g. zeegras omzoomd. Omtrent dezen tijd stonden er 19 verscheidene potten met asters en twee of drie dahlia's in bloei; en achterin 20 was een groen geschilderd priëeltje met vijfblad, kamperfoelie, rupsen en 21 spinnen. Daaraan belendde de fabriek, waaraan, tegenover 't priëel, eene 22 kleine loods was uitgebouwd met een klein plaatsje, waarop Keesje zijn 23 huiswerk verrichtte, en daaromheen een klein hekje.

24In dit priëeltje zocht ik, op zaterdag morgen na den ontbijt, met een 25 boek onder den arm het zonnetje. Waarom ik het boek niet opensloeg zal 26 terstond blijken.

 

28Ik had nog nauwelijks met mijn zakdoek het stof van de bank in 't priëeltje 29 geslagen, en was bezig, op mijn gemak nedergezeten, met de oogen op het 30 loodsje, het plaatsje en het hekje gericht, mij te verlustigen in het denkbeeld, 31 hoe goed alles bij mijn oom en tante in de verf was, als de plaatsdeur open-32ging en Keesje verscheen. Daar hij den geheelen tuin doormoest om ter 33 plaatse zijner bestemming te komen, en hij bijna zeventig jaar op de schou-34ders torste, had ik tijds genoeg om op te merken, dat er iets aan scheelde. Hij 35 strompelde eerst bijna tegen de rollaag aan, waarop hij niet scheen verdacht 36 te wezen, schoon hij er sedert jaren alle morgens om halftien uren overheen 37 moest stappen; hij liet den zondagschen rok van mijn oom, dien hij over den 38 arm had, in het zand slepen en, eer hij den appelboom voorbij was, den bor-

[p. 67]

1stel, dien hij in de hand hield, tweemaal vallen. Als hij nader kwam, zag ik 2 dat zijn wangen zeer bleek en flets waren, onder zijn niet zeer net onderhou-3den baard; zijn geheele gelaat was betrokken, zijn oogen stonden dof; en 4 toen hij mij voorbijging was het niet als anders: ‘Lief weertje, meheer!’ maar 5 hij nam zijn hoed stilzwijgend af, en strompelde naar het plaatsje. Met een 6 diepen zucht trok hij daarop zijn jas uit, zoodat hij mij in zijn eng zwart vest 7 met mouwen, al het magere en gebogene van zijn gestalte zien liet. De roode 8 blikken tabaksdoos, die half uit den eenen vestzak stak, bleef onaange-9roerd, en met wederom een diepen zucht hing hij den rok van mijn oom over 10 den knaap. Met een nog dieper zucht greep hij den borstel op, stond eenige 11 oogenblikken in gedachten tegen de haren op te strijken, en begon toen den 12 rok te borstelen, beginnende met de panden.

13‘Hoe is 't Keesje! Gaan de zaken niet goed?’ riep ik hem toe. Keesje bor-14stelde altijd door. Hij was wat doof.

15Wanneer men den volzin herhalen moet, dien men op eenigszins mee-16warigen toon heeft uitgesproken, is 't glad onmogelijk het met dezelfde 17 woorden te doen. Ik stond op, kwam een stapje nader, en zei wat luider:

18‘Wat scheelt er aan, Kees?’

19Kees ontstelde, zag mij aan, en bleef mij een oogenblik met strakke 20 oogen aanzien; daarop vatte hij weer een mouw van mijn ooms zondag-21schen rok en begon op nieuw te borstelen. Er liep een traan over zijn wan-22gen.

23‘Foei, Kees!’ zei ik, ‘dat moet niet wezen; ik zie waterlanders, dunkt me.’

24Keesje veegde zijn oogen met de mouw van zijn vest af en zei: ‘'t Is een 25 schrale wind, meheer Hildebrand.’

26‘Ei wat, Keesje;’ zei ik, ‘de wind is niemendal schraal. Maar daar schort 27 iets aan, man! Hebje een courant verloren?’

28Keesje schudde het hoofd en ging hardnekkiger dan ooit aan het schuie-29ren.

30‘Kees!’ zei ik: ‘je bent te oud om verdriet te hebben. Is er niets aan te 31 doen, vrind?’

32De oude man zag vreemd op bij het hooren van het woord ‘vrind’. 33 Helaas, misschien was 't hem op zijn negenenzestigste jaar nog geheel 34 nieuw. Een zenuwachtige glimlach, die iets verschrikkelijks had, kwam over 35 zijn mager gezicht; zijne grijze oogen luisterden eerst op, werden toen weer 36 dof, en schoten vol tranen. Zijn gansche gelaat zeide: ik zal u vertrouwen. 37 Zijn lippen zeiden:

38‘Hoor reis meheer! Kent uwe Klein Klaasje?’

39Hoewel ik nu een zeer bijzonderen vriend heb, die Nicolaas gedoopt is, 40 en van wien 't niet ondenkbaar was dat Keesje hem wel eens gezien had, zoo 41 kon ik echter onmogelijk op gemelden Nicolaas den naam van Klein

[p. 68]

aant. 1 Klaasje toepassen, aangezien hij een zeer ‘lange blonde jongen’ is, en nooit 2 zou ik hebben willen gelooven dat gemelde Nicolaas, hoe onaardig hij som-3tijds ook wezen kan, de oorzaak zou kunnen zijn van ouden Keesjes tranen. 4 Ik antwoordde dus dat ik Klein Klaasje niet kende.

5‘Heeft meheer Pieter hem uwe dan niet gewezen? De heele stad kent 6 Klein Klaasje. Hij krijgt centen genoeg;’ ging Keesje voort.

7‘Maar wat is het dan voor een man?’ vroeg ik.

8‘Het is,’ zei Keesje, ‘in 't geheel geen man. 't Is een dwerg, meheer! een 9 dwerg, zoo waar as ik hier voor je sta. Je kent er mee in een spul reizen. 10 Maar 't is een kwaad kreng. Ik ken hem goed.’

11Ik wenschte hartelijk naar wat meer orde in de berichten van Keesje.

12‘Hij is uit het Huis,’ hernam hij na een oogenblik zwijgens: ‘hij loopt 13 over straat as 'en gek. Hij wint geld met zen bochel. Als er 'en school uit-14gaat, leggen de jongens centen bij mekaar, en laten Klein Klaasje dansen. Dan 15 springt ie om een stok net as zoo'n aap, en dan maakt ie zijn bochel wel eens 16 zoo groot. Ik heb geen bochel, meheer!’ liet hij er met een zucht op volgen.

17Terecht begreep ik dat Keesje minder jaloersch was van den bochel dan 18 van diens geldige vrucht.

19‘Ik wou,’ ging hij op een treurigen toon voort, den rok een veel harder 20 streek met den schuier gevende, dan voor laken van negen gulden dienstig 21 was; ‘ik wou dat ik een bochel had. Ik zou nies uitvoeren; ik zou centen krij-22gen; ze zouen om me lachen... Maar ik zou niet drinken,’ zei hij, eensklaps 23 van toon veranderende. En den volzin omkeerende, voegde hij er, zeer 24 bedaard den rok van den knaap nemende en hem opvouwende, nog eens 25 bij: ‘Drinken zou ik niet.’

26‘Keesje,’ zei ik, ‘toen je den tuin doorkwaamt, en toen ik je aansprak, 27 was je bedroefd, en nu lijk je wel wat boos te zijn; ik zie je liever bedroefd!’

28De oude oogen schoten weer vol tranen; hij stak zijn dorre handen naar 29 mij uit; ik vatte ze, toen hij ze, beschaamd over zijn gemeenzaamheid, terug 30 wilde trekken, en liet ze niet dan na een bemoedigend drukje varen.

31‘Och,’ zei hij - ‘och meheer weet dat zoo niet; - maar ik ben - ik ben 32 veel bedroefder dan boos. Maar Klein Klaasje het me mishandeld. Klein 33 Klaasje is slecht. De menschen,’ ging hij voort, naar het schoensmeer buk-34kende, ‘de menschen denken soms dat ie gek is; maar hij is slecht.’

35‘Hoor eens, Keesje!’ zei ik, een klaptafeltje op een ijzeren poot opslaan-36de; ‘ga hier eens wat zitten en vertel me reis geregeld, wat heeft Klein Klaasje 37 je gedaan?’

38‘Het zel niet helpen,’ zei Keesje, ‘maar ik zel et doen, as u 't niemand 39 zegt. Kent meheer et Huis?’

40‘Welk huis?’

41‘Van de Diakenie.’

[p. 69]

aant.1‘Ik heb het in 't voorbijgaan gezien.’

2‘Goed. Et is een leelijk huis, is et niet? een leelijk huis; met rooie deuren 3 en vensters; en van binnen alles rood en alles donker. Nou; meheer weet wel 4 dat we daar allemaal arm zijn, allemaal even arm; ik kan 't niet anders zeg-5gen, net precies, denk ik wel, as op 't kerkhof. Ik en een ander verdienen iets, 6 maar et helpt niet. We brengen et in bij den Vader; en de Vader geeft ons alle 7 weken zakduiten. Dat is goed, meheer; dat is heel goed. Als ik oud wor, ver-8dien ik geen kopere' cent meer; maar ik krijg toch de' zakduit. Hier,’ zeide 9 hij, een bonten katoenen zakdoek uithalende, ‘deuze, en,’ op zijn tabaks-10doos kloppende, ‘en deuze, heb ik van me zakduit gekocht.’

11Het was aandoenlijk een man van bij de negenenzestig te hooren spre-12ken van ‘als ik oud word’!

13‘Klaas,’ - ging hij voort - ‘zoo as meheer wel begrijpt, krijgt ook een 14 zakduit. Maar wat doet Klaas? Klaas doet niets dan nou en dan de straat 15 voor iemand wieden. Klaas houdt zich gek; Klaas danst met zen bochel; en 16 as ie centen krijgt van de lui en van de kinderen, dan wandelt Klaas de poort 17 uit. Kent meheer de Vette Vadoek?’

18‘Neen Keesje.’

19‘Et is een herberg in de Hazelaan, daar drinkt Klaas 'en borrel, en wel-20reis twee, en welreis drie borrels.’

21‘En als hij dan in 't Huis komt?’

22‘o Hij heeft allerlei kunsten. Hij neemt een groote pruim tabak. Hij 23 haalt 'en oranjeschilletje bij de' drogist. Soms merkt de Vader et. Dan krijgt 24 hij 'en blok an zen been, want hij is te oud om op den bok gelegd te worden, 25 en men kan em ook niet op zen bochel slaan; maar wat is 't as ie met het blok 26 loopt? Dan zeit ie teugen de kinderen: St... jongens! Klaas is ondeugend 27 geweest; Klaas het 'en graantje gepikt; en de Vader het Klaas al zen centen 28 afgenomen. Je begrijpt wel, meheer, dat ie dan nog meer opdoet.’

29Ik begreep het volkomen.

30‘Maar dat zijn zijn zaken,’ ging Keesje voort, een schoen van mijn oom 31 opnemende, dien hij smeren moest en onmiddellijk weer neerzette; ‘maar 32 wat hoeft ie mijn ongelukkig te maken? Weet u wat et is. Ik zel et u vertellen. 33 Ik had geld, - ik had veul geld, - ik had twaalf gulden!’

34‘En hoe kwam je daaraan, Keesje?’

35‘Met God en met eere. Ik had et gespaard toen ik in de apteek was. Som-36wijlen, als ik 'en drankje buiten de stad brocht, op een buitenplaas of in een 37 theetuin, zei de meheer of de mevrouw: geef de' looper een dubbeltje; 't is 38 slecht weer. Zoo had ik twaalf gulden bij mekaar. Ik mocht die in 't Huis niet 39 hebben. Maar ik bewaarde ze; op me hart.’

40‘En waartoe bewaarde je die? Hadje dat geld noodig; of deeje 't alleen 41 om het plezier van het te hebben?’

[p. 70]

aant.1‘Och, meheer!’ zei het diakenhuismannetje, het hoofd schuddende: ‘as 2 ik et zeggen mag, de rijke lui weten dat zoo niet; de Regenten weten 't ook 3 niet; want zij hebben er geen zorg voor. 't Gaat alles goed bij zulke men-4schen; bij leven en sterven. Hoor reis; we hebben 't goed in et Huis; de 5 Regenten zijn goed; op vastelavond krijgen we bollen met botter; over drie 6 weken, as de slacht is, krijgt 't Huis 'en os, ik weet niet van wat voor groot 7 heer die lang dood is. Dan eten we allemaal gehakt; en de heeren hebben 'en 8 partij en eten de tong. We hebben 't er heel goed; maar 'en mensch, meheer, 9 denkt altijd om zen dood.’

10‘Ik denk nogal dat je 't na je dood ook heel goed zult hebben, Keesje!’ 11 zei ik.

12‘Ik hoop et, meheer: in den Hemel is alles goed; maar dat meen ik niet. 13 Ik wou me lijk verbeteren, weet u?’

14‘Wat is dat, Kees?’

15‘Hoor reis, as we dood zijn, dan leit men ons op strooi en we krijgen 't 16 goed an van 't Huis, net as wanneer we leven, en dan gaan we na 't kerkhof, 17 in de put; dat wou ik niet. Ik wou, als ik dood was, geen diakenhuisgoed 18 anhebben...’

19Hij zweeg een oogenblik; en weder kwamen de tranen.

20‘Ik wou in me kist leggen, ik weet niet, ik zel maar zeggen, zoo as ik er 21 mijn vader in heb zien leggen, met eigen goed; ik heb nooit een eigen hemd 22 gehad; één eigen doodhemd wou ik hebben.’

23Ik was aangedaan. Spreek mij niet van vooroordeelen. De rijken der 24 aarde hebben er duizend. Deze arme man kon alles verdragen: schrale spijs, 25 een hard bed en, naar de mate zijner jaren, harden arbeid. Hij had geen 26 eigen huis, hij zou geen eigen graf hebben: o had hij dan ten minste de zeker-27heid dat zijn allerlaatste gewaad het zijne wezen zou!

28‘Meheer begrijpt wel!’ ging hij, eenigszins schor, voort, ‘dat daar die 29 twaalf gulden voor was. Het was veuls te veul. Maar ik wou nog meer; ik 30 wou fassoendelek begraven worden. Ik heb geen verstand van die dingen; 31 maar ik had gerekend vier gulden voor et linnen, en dan twee gulden voor 32 de menschen, die me zouen ofleggen, en tien stuivers voor een draagplaas an 33 twaalf dragers. Was dat niet knap geweest? De bediende van den apteker 34 had het zoo beschreven; het geld was in et pampiertje; en alles in een leeren 35 zakkie: dat heb ik dertig jaar op me hart gehad... en nou is het wèg...’

36‘Heeft Klaas het gestolen?’ vroeg ik.

37‘Neen!’ - zei hij, uit het droef gepeins, waarin zijn eigen laatste woord 38 hem gestort had, oplevende: ‘maar hij is er achter gekommen dat ik et had. 39 Zijn kreb staat naast mijn kreb. Of ie et gezien het as ik me uitkleedde, of as 40 ik me ankleedde, of toen ik ziek was, of dat ik er hardop van gedroomd heb, 41 ik weet et niet. Ik zou wel haast zeggen dat ik er van gedroomd had; want ik

[p. 71]

aant. 1 denk er altijd om. - Verleden dinsdag had et den heelen voormiddag gere-2gend, as meheer wel weten zel. Klaas had geen cent opgedaan. Het was te 3 slecht weer; de jongens hielden zich niet met hem op. Zen zakduiten waren 4 ook weg, en hij had razenden trek om na de Vette Vadoek te gaan. “Kees,” 5 zeid'ie na den eten, “leen me zes centen.” “Klaas,” zeg ik “dat doei ik niet; 6 want je verzuipt ze toch maar.” “Kees,” zeid'ie, “ik mot ze hebben,” zeid'ie. 7 Ik zeg: “Nou je krijgt ze niet, hoor!” “Weetje wat,” zeid'ie, “Kees,” zeid'ie, 8 “as je ze me niet geeft, zei ik an de' Vader zeggen, wat je onder je hemd hebt, 9 hoor!” Ik besturf as 'en doek, en gaf 'em de zes centen. Maar ik zeid'er bij: 10 “Klaas, je bent een schurk!” Dat zei ik. Of ie daar toen toch kwaad om 11 geworden is, kan ik niet zeggen; maar gisteren mot ie dronken geweest zijn, 12 en toen de suppoosten 'em 't blok andoen lieten, het ie as 'en gek ge-13schreeuwd en gezongen: “Kees het geld! Kees het geld! Onder zen hemmetje 14 het ie geld!” de broers vertelden 't me, toen ik in 't Huis kwam. Ik was as 'en 15 dooie. We gingen na' de mannezaal en kleedden ons uit. Klaas lag er al en 16 snurkte as 'en os. Toen ze allemaal sliepen, stak ik me hand onder me hemd 17 om et zakkie weg te nemen en, as ik kon, in 't strooi van me bulster te ver-18stoppen. Maar eer ik et los had, daar ging de deur ope', en de Vader kwam 19 op de zaal met 'en lantaren. Ik viel achterover op me kussen met et geld in 20 me hand, en tuurde as 'en gek mensch na' de lantaren. Ieder stap, die de 21 Vader dee, voelde ik op me hart. “Kees,” zeid'ie, over me heen bukkend: “je 22 heb geld; je weet wel dat je dat hier in 't Huis niet verstoppen mag;” en 23 meteen trok ie 't uit me hand. - “'t Is voor een doodhemd,” stotterde ik, en 24 viel op me knieën in de krib - maar 't holp niet. “We zellen 't voor je bewa-25ren,” zei de Vader, en maakte het zakkie ope', en telde het geld bedaard. 26 Mijn eigen oogen hadden et niet gezien sunt ik et er in genaaid had; dat was 27 dertig jaar geleden; et was mijn, eigen, lief, begrafenisgeldje. “Ik zweer je 28 dat ik er niets voor doen zel,” huilde ik, “dan me eerlek laten begraven.” - 29 “Daar zellen we zelf wel voor zorgen,” zei de Vader; en weg ging ie met et 30 geld en met de lantaren. “Klaas,” riep ik hem na, “het et je verteld, omdat 31 ie...” maar wat holp het of ik gezeid had, omdat ie 'en lap is! wat holp et of 32 ik hem verteld had dat Klaas alle dag na' de Vette Vadoek ging? Ik had er me 33 geld niet mee weerom. Den heelen nacht heb ik geen oog toegedaan. - Et is 34 wat te zeggen!’

35‘Zou er bij de Regenten niets aan te doen zijn, Keesje?’ vroeg ik ver-36troostend.

37‘Neen! neen!’ snikte hij, de hand op zijn borst rondwrijvende, als zocht 38 hij er het geld nog; ‘het geld most weg; dat is 'en wet zoo oud as et Huis, en 39 et Huis is zoo oud - zoo oud as de wereld!’

40‘Dat's wat kras, Keesje,’ zei ik; ‘en wanneer...’

41Hij liet mij niet uitspreken.

[p. 72]

aant.1‘Wat kras? Het is niemendal kras. Zijn er dan niet altijd armelui 2 geweest zoo as ik, die an de Diakenie kwammen, en van de Diakenie mosten 3 eten en drinken, en bed en leger hebben, en begraven worden? - Maar ik 4 wou begraven worden van mijn, eigen, geld, - en ik wou zeker weten dat ik 5 van mijn, eigen, geld begraven zou worden; en dat was mijn grootste troost; 6 en daarom droeg ik et vlak op me hart. - O, as Klaas kon weten dat ie me 7 dood maakte!’

8‘Hoor eens, Keesje,’ zei ik, ‘je zult en moet je geld weerom hebben; ik 9 beloof het je: ik zal mijn oom er over spreken; hij kent zeker de Regenten 10 wel; wij zullen zien of zij de wet, voor een oud, braaf, oppassend man, als gij 11 zijt, niet eens zullen willen overtreden. Maak er staat op, Kees, je zult je geld 12 weerom hebben.’

13‘Zel ik?’ zei de arme man, door mijn stelligen toon bemoedigd. ‘Zel ik 14 wezenlijk?’

15En zijn oogen afvegende met een blij gelaat, gaf hij mij de hand.

16In zijn behoefte om ook mij iets aangenaams te zeggen vroeg hij:

17‘Smeer ik uw laarzen netjes genoeg?’

18‘Overheerlijk,’ was mijn antwoord.

19‘En is uw jassie goed genoeg geborsteld?’ vroeg hij verder; ‘as er ies an 20 mankeert, mot meheer 't maar zeggen.’

21Dat beloofde ik hem en ging in huis. Maar hij kwam mij achterop, met 22 den linkerarm in een laars van Pieter en den schoenborstel in de rechter-23hand. ‘Vraag escuus, meheer, dat ik zoo vrijpostig ben,’ zei hij, ‘maar mag ik 24 u nog wel iets verzoeken?’

25‘Wel ja Kees!’

26‘As meheer na' de Regenten gaat,’ hernam hij, ‘mot meheer maar net 27 doen as of ie van nies weet.’

28‘Ik beloof het u, Keesje!’

29Ik ging naar mijn oom en wist dien te bewegen naar de Regenten te 30 gaan. De president liet den Vader bij zich komen, en daarna den Vader 31 rondgaan bij de andere Regenten, om ze tot een extra vergadering te convo-32ceeren. Op die vergadering moest eerst Keesje binnenkomen, en vervolgens 33 buitenstaan; daarna moest ook de Vader binnenkomen, en vervolgens bui-34tenstaan. Daarop werd een uur gedelibereerd, hetwelk hoofdzakelijk daar-35mee werd doorgebracht dat de president gedurig zei dat hij de zaak aan de 36 heeren overliet, en de heeren gedurig zeiden dat zij de zaak aan den presi-37dent overlieten.

38Daar het zóó niet blijven kon, bracht eindelijk de president het advies 39 uit, ‘dat het, aan den eenen kant, wel doenlijk was Keesje zijn geld terug te 40 geven, daar Keesje een man was van voorbeeldig gedrag, die het geld zeker 41 tot aan zijn dood toe zoo goed bewaren zou als de ijverige thesaurierzelve’,

[p. 73]

aant. 1 - waarop de ‘ijverige thesaurierzelve’ boog - ‘maar dat, aan den anderen 2 kant, de ijverige thesaurier het weder even zoo goed bewaren zou als Keesje, 3 en dat het dus volstrekt niet noodig was Keesje in het vooroordeel te stijven 4 dat zijn geld beter bewaard zou worden en zekerder tot deszelfs, d.i. Kees-5jes, doel zou worden aangewend, indien hij, Keesje, het zelf bewaarde, dan 6 indien de ijverige thesaurier het bewaarde; en dat dit zijn advies was.’

7De secretaris meende echter met eenig recht dat dit advies den knoop 8 niet genoeg doorhakte, en stelde dus onder verbetering voor, tot een van de 9 beide maatregelen over te gaan; - waarop ‘de ijverige thesaurierzelve’ de 10 edelmoedigheid had afstand te doen van het ‘custodiëeren der penningen in 11 quaestie’, en men eenparig besloot aan Keesje zijn twaalf gulden, weder 12 behoorlijk in een zeemlederen zakje vastgenaaid, terug te geven.

13Keesje heeft nog twee jaren zijn geld ‘vlak op zijn hart’ gedragen. En 14 toen ik in 't verleden jaar het kerkhof te D. zag, was 't mij zoet te mogen den-15ken, dat aldaar in het algemeene graf der armen één man sluimerde, die er 16 eerbiedig was heengedragen door twaalf broeders van zijne eigene keuze, 17 na dat hij, ook eenigszins door mijn toedoen, in de gerustheid was ontslapen 18 dat hij in zijn eigen doodskleed zou worden gewikkeld.

19Had hij misschien in zijn laatste oogenblikken nog aan Hildebrand 20 gedacht?

Er komen menschen op een kopje thee, om verder het avondje te passeeren

26Des zondagavonds was de tuinkamer in haar schitterendste pracht. Ik zal 27 pogen er u een flauw denkbeeld van te geven.

28Verbeeld u een ruim vierkant vertrek, met een vierkante tafel in het 29 midden, waar het vierkante groene kleed van is afgenomen en vervangen 30 door een vierkant zilveren theeblad, waarop een degelijk ouderwetsch por-31selein theeservies prijkt, lange lijzen met zes merken. Daaromheen staan vijf 32 stoelen geschikt met hooge ruggen en zittingen van groen gebloemd trijp. 33 Men maakt dat tegenwoordig zoo goed niet meer. Als men onder de tafel 34 kijkt, ziet men als twintig vurige oogen, van wege vier stoven; de vijfde von-35kelt niet, het is een steenen. Daaraan, en aan de plaatsing van het theegoed, 36 en aan den verlakten ketel, die naast den stoel staat, ken ik de plaats mijner 37 eerzame moei. Midden op de tafel staat een dierbaar pronkstuk. Het is een 38 verbazend groote bronzen lamp, die door een olifant getorst wordt, in 39 wiens voetstuk een speelwerk verborgen zit. Bij deze bijzondere gelegenheid 40 ligt er, reeds vóór November, een netgebouwd turfvuurtje in den helder 41 gepolijsten haard; het is alleen maar opdat er met schik stoelen omheen zou-

[p. 74]

aant.1den kunnen worden gezet, voor de heeren. De smalle marmeren schoor-2steenmantel is versierd met een pendule, voorstellende een negerslaaf met 3 witte oogen, roode neusgaten, en gouden voorschoot, die op een onge-4dwongen wijze den arm om een wijzerplaat slaat; en aan de beide kanten, 5 met twee vaasjes met gekleurde bloempjes onder stolpjes, zoo poppigjes en 6 zoo kleintjes, dat men ze voor de pasgeboren kindertjes houden zou van die 7 groote stolp met opgezette vogels, die tegenover den schoorsteen, op een 8 bruinhouten tafeltje met ééne lade, pronkt. Het schoorsteenstuk vertoont in 9 stukadoorwerk eene aangename partij weverskammen, weversspoelen en 10 weversklossen, in een luchtigen strik bijeengehouden en halfbegraven 11 onder witsellagen van onderscheidene formatie.

12Maar wat de feestelijke zaal, niet alleen nu, maar altijd den meesten 13 luister bijzet, is zonder twijfel, boven een hooge grijze lambrizeering, op 14 snee verguld, het prachtig behangsel, beschilderd met niet onaardige berg-15achtige landschappen, met op- en ondergaande zonnen, zandwegen met 16 diepe sporen, en waterplassen met riet en zwanen; voorts gestoffeerd met 17 vrouwen met manden op den rug, waar boven uit een bos stroo steekt; man-18nen aan den waterkant, die aan lange hengels visschen opslaan; kinderen 19 met bloote hoofden en bloote voeten, die bij een geit in 't gras liggen; reizi-20gers op bruine paarden, met den rug naar u toe om het valies te laten zien, en 21 op witte paarden, die een dunne rijzweep zeer rechtop houden; wandelaars 22 met enorme wandelstokken en driekante... Wat ga ik zeggen? Ja, zij hadden 23 driekante hoeden opgehad, maar die tijd was voorbij; de kamer was voor 24 een paar jaar ‘opgeknapt’, en de heer Petrus Stastokius Sen., hoe ouder-25wetsch ook in vele opzichten, had in dezen gemeend een proeve te moeten 26 geven, dat hij met zijn tijd was vooruitgegaan. Hij had al wat kleedij was 27 laten modernizeeren. Een geestig schilder had op zijn gebod al de hoeden 28 veranderd, naar het toen nieuwste model, bij den hoedemaker gehaald, en 29 al de wandelaars hadden bruine, gele of gestreepte pantalons aangekregen 30 met souspieds en naar de nieuwste snede. Al de pruiken waren verbannen. 31 De dames, die tot hiertoe de openlijke bewijzen hadden gegeven dat onze 32 grootmoeders veel meer gedecolleteerd waren op hare wandelingen dan 33 onze zusters op hare bals, hadden hooge japonnen met stukken, wijde mou-34wen, en lange lijven ontvangen, en zelfs het haar der halfnaakte kinderen 35 was in naam der beschaving geknipt.

36't Is waar, dat deze vernieuwerwetsching in vele opzichten nog veel te 37 wenschen overliet, vooral ten opzichte van de rottingen, regen- en zonne-38schermen, die hunne vorige gestalte hadden behouden; maar de waaiers 39 waren allen in bloemruikers veranderd, en dus bestond er van dien kant vol-40strekt geen tijdsverwarring meer.

41Toen mijn oom en tante dit alzoo met wijsheid hadden laten in orde

[p. 75]

aant. 1 brengen, meenden zij zich van hun plicht gekweten te hebben, en een offer 2 aan den Moloch der negentiende eeuw te hebben gebracht, groot genoeg 3 om hun te vergunnen, voor hun persoon, die eeuw op velerlei wijze te 4 hoonen en weg te cijferen; want om de waarheid te zeggen: de heeren en 5 dames op 't behangsel waren mijnheer en juffrouw Stastok een goed eind 6 vooruit; en daar zij op dezen heuglijken avond op hun mooist gekleed zijn, 7 vooreerst omdat het zondag is, en ten anderen omdat zij ‘menschen wach-8ten’, wil ik deze gelegenheid waarnemen om u eene tot hiertoe verzuimde 9 beschrijving van hun persoon en voorkomen te geven.

10Het is nog doodstil in de tuinkamer; ‘diezelfde tuinkamer’ zou een rede-11naar zeggen, ‘die zoo aanstonds weergalmen zal van het luidruchtig gesnap 12 eener vroolijke menigte!’ Ik verneem er niets dan het gezellig gezang van het 13 theewater, dat door de tuit stoomt, en het spinnen van de cyprische poes, die 14 voor den haard zit, verwonderd van hier zoo vroeg in 't jaar vuur aan te 15 zien. Ik ruik er niets dan den theeketel, die nog lang niet dikwijls genoeg 16 gebruikt is om niet te stinken, en ik zie er, behalve de voormelde poes, nie-17mand anders dan mijn deftigen oom, die met den rug naar het vuur gekeerd, 18 en met de handen op dien rug, beschenen wordt door de vier waskaarsen op 19 de vergulde lustres aan zijn schoorsteen, en wiens beeld zich weerkaatst in 20 den spiegel tegenover hem. Een heerlijk oogenblik om zijn portret te 21 maken! Mijn oom, schoon in de zestig jaren oud, is hetgeen men voor dien 22 ouderdom, nog ‘een kras ventje’ noemt. Hij heeft geen grijs hoofd, vermits 23 hij een bruine pruik draagt, die over zijn ooren gaat, en waar hij bijgevolg 24 door heen moet hooren; hij heeft een rond, blozend gezicht, volstrekt geen 25 bakkebaarden, een niet onaardig bruin oog, en een onderkin. Hij is niet 26 groot van postuur, en heeft, om hem recht te doen, geen ander lichaamsge-27brek dan zijn hooge linnen halsboorden. Deze zijn heden, wegens het feest 28 van den dag, nog ééns zoo hoog, zoodat ze zelfs de uiteinden van zijne ooren 29 in eenige ongelegenheid brengen. Voor het overige draagt hij een wit 30 stropje, een overhemd met jabot, een wijden zwarten rok, die van achteren 31 gezien wel wat van een jas heeft, en nog altijd een korte broek, zoodat men 32 in de gelegenheid is de welgevormde kuiten te bewonderen, die in fijne flo-33retten kousen steken. Op dit oogenblik treedt mijne tante binnen, die het 34 toilet van mijn oom volmaakt, door hem een grooten, schoonen linnen zak-35doek met breede zoomen aan te bieden. Gij hebt lang gemerkt dat zij een 36 neepjes-mutsje draagt. Zij heeft van avond het beste op, met een net wit 37 satijn lintje met tandjes; - het heugt mij hoe ik mijn grootmoeder zulke lint-38jes op haar verjaardag gaf! - Zij draagt het haar gepoeierd, althans er komt 39 een weinigje van dat wit, met een mesje gelijkgestreken, op haar voorhoofd; 40 en dat staat heel wel bij haar helder, welgedaan gezicht, en bij de goelijke 41 kuilen, die, als zij spreekt, in haar wangen komen. Zij heeft om haar hals

[p. 76]

aant. 1 een aardig snoertje kleine paarlen met een juweelen bootje, en een hoogen 2 dikgeplooiden kamerijkschen doek in haar lage japon van weerschijnende 3 zijde met ruim lijf.

4Wij laten haar, eenigszins vermoeid van al de bereddering, plaats 5 nemen om thee te zetten, en slaan terwijl onze oogen op Pieter Jr., die juist 6 binnentreedt. Ook hij ligt onder zijn, wat de zeelieden noemen, beste tuig. 7 Hij is (ik moet het zeggen) volmaakt naar de mode gekleed; een zwarte pan-8talon met souspieds, een zwart satijn vest, een blauwe rok met glimmende 9 knoopen; en toch ziet hij er infaam ouderwetsch uit. Want de pantalon is 10 zoo kort, en de souspieds zijn zoo lang, en het vest is zoo laag uitgesneden, 11 en zoo wijd om het midden; en de rok is zoo smal van kraag en zoo breed 12 van rug; en waarom verstokt hij zich nu om zich met een bruine stropdas te 13 willen uitzonderen, in plaats van een zwarte om te hebben, als alle fatsoen-14lijke menschen?

15Oom kijkt een paar malen op zijn horloge, om aan te merken dat Ds. S. 16 het geweldig lang moet maken. Dit is, in 't voorbijgaan gezegd, de eenige 17 reden, waarom Petrus Stastokius Sen. nooit diaken of ouderling heeft willen 18 worden, omdat hij alsdan genoodzaakt zou zijn geweest, op zijn beurt, ook 19 bij de predikanten te kerk te gaan, die niet als hij, lieden van de klok waren.

20Het duurt evenwel niet lang of een bescheiden belletje kondigt de aan-21komst van den eerstverschijnenden gast aan. Wij zullen hem en al de ver-22dere hun jassen en mantels laten afdoen en in handen stellen van Keesje, die 23 van avond bijzonder verlof heeft om later in 't Huis te komen; hun vervol-24gens pijpen laten stoppen, en complimenten maken over ‘de zorg’; hen 25 daarna een uurtje laten praten over 't weer, over de kou in de kerk, over het 26 verkieselijke van een open haard boven een ‘toe kachel’, over den stand der 27 fondsen, over het werk van de dames, en over de laatste verkooping van 28 huizen en het laatste plan van den stedelijken raad om een brug te leggen 29 over een water, waarover reeds voor tien jaren een brug is noodig geweest; 30 om u daarna op eens midden in 't gezelschap binnen te leiden en u al zijne 31 leden in hunne grootheid te laten aanschouwen. Gij kunt ondertusschen zelf 32 een versche pijp stoppen.

33De man, dien gij bij den haard ziet, met mijn oom in druk gesprek 34 gewikkeld over de meerdere voortreffelijkheid van de inrichting der gilden, 35 zoo als die vroeger bestond, boven die van de patenten, onder het ministerie 36 Gogel ingevoerd, is een oude kennis, en niemand anders dan de zilveren 37 man uit de diligence. Hij is evenwel zoo min een zilversmid, als de pikeur 38 een commissaris van politie was. Ik ben ongelukkig in mijne waanwijze gis-39singen geweest. Hij is alleen maar oudste commies ter secretarie van de stad 40 D. Hij behoort tot die menschen, die jaar en dag in Wagenaar en in de Ver-41volgen op Wagenaar, alsmede in de boeken van Le Francq van Berkhey, en

[p. 77]

aant. 1 in Tuinmans ‘Nederduytsche Spreekwoorden’ studeeren, terwijl hun ver-2dere lectuur bestaat in onbeschrijfelijk veel Preeken, en Reizen rondom de 3 wereld. Hij kan met wijsheid op zijn snuifdoos kloppen, en verklaren hoe 4 een snuiter heette in den tijd, toen de kaarsen nog niet gesnoten werden, en 5 voor hoeveel geld men een huis kon huren, in een jaar, waarvan hij in de 6 stoffige papieren der secretarie een rekening gezien heeft. Hij heeft groot 7 gezag in het beoordeelen der talenten aller predikanten; en in 't geheel, als er 8 iets is in de familie dat duister voorkomt, richt men zich tot den heer van 9 Naslaan, ‘die onbegrijpelijk veel gelezen’ heeft. Het is echter waar, dat in de 10 laatste jaren de hooge wijsheid van den jongen Pieter 's mans gezag veel 11 kwaad heeft gedaan, vooral omdat gemelde Pieter het alle voorrechten ver-12zekerend Latijn verstaat.

13Pieter en ik worden beziggehouden door een langwerpig man van een 14 groote dertig jaren, met een kaalachtig hoofd en in een langen sluitjas, die 15 den naam draagt van den heer Dorbeen, en den naam heeft van droogko-16miek te zijn. Behalve dit, oefent hij het ambt van makelaar uit. Hij vraagt 17 ons naar studentengrappen, die sedert de oprichting der academiën, aan alle 18 academiën eenmaal 's jaars gebeurd moeten zijn, die hij gehoord heeft in 19 zijn jeugd, die aan mij en aan Pieter verteld zijn als onder onze laatste voor-20gangers aan de hoogeschool vertoond, en die waarschijnlijk nooit hebben 21 plaats gehad, en nooit zullen plaats hebben; en als hij er een heeft opgehaald 22 die heel aardig is, dan vraagt hij terstond een baleintje en steekt zijn pijp 23 door, met een gezicht zoo lang en zoo akelig, dat hij duidelijk toont hoe 24 droogkomiek hij is. Pieter is onder zijn verhalen verstrooid, rookt wanho-25pig door, grinnikt als er een vertelsel, en stopt een nieuwe als er een pijp uit 26 is. Ik sta op heete kolen om eens nader kennis met de dames te maken.

27‘De heeren zullen zeker liever bij den wijnstok blijven?’ zegt mijn welge-28dane tante, vriendelijk omkijkende, en een ruimen witten ketel opbeurende; 29 ‘Pieter wil misschien wel een kopje slemp?’

30‘Dat wil ik óók wel tantelief!’ zei ik, en trad naar haar toe, om haar den 31 grooten ketel vooreerst wat lichter te maken, daar zij hem onmogelijk tillen 32 kon. Weet gij voor wie ik inschonk?

33Voor een deftige dame, die, als mijn tante, zat te breien, maar toch meer 34 naar de mode gekleed was en de wettige echtgenoot van den commies, ech-35ter veel jaren jonger dan hij; voor een jeugdige zuster van dezen haren man, 36 van een veertig jaar, met kalfsoogen, die bij haar inwoonde met het voor-37recht van de wasch voor haar te doen, haar kousen te mazen, haar hoeden te 38 vermaken, en haar japonnen af te dragen; als ook voor haar dochtertje 39 Koosje, een meisje van ik denk zeventien jaren, die er met haar gescheiden 40 bruin haar en rozerood japonnetje allerliefst uitzag; en behalve voor mijn 41 tante en mijzelven, voor de zeer modieuze gade van den makelaar, die de

[p. 78]

aant. 1 eenige ‘mevrouw’ van de partij was, een enorme muts met vuurrood lint 2 droeg, en een niet minder enorme gouden gesp aan haar ceintuur.

3Mejuffrouw van Naslaan was een zeer wijze dame, die zeer verstandige 4 bevindingen had. Zoo vond zij bijv. een kouden tocht altijd erger dan een 5 koude lucht; zoo vond zij altijd, dat het op een heeten dag nog al eens wat 6 helpt als er wat wind is; zoo merkte zij op, dat als men veel verloor, het altijd 7 nog een troost was als men iets behield; zoo had zij ontdekt dat, als men 8 ergens aan gewende, zoo iets gemakkelijker viel dan als men er volstrekt 9 niet aan gewoon was; zoo was zij er zelfs, door vlijtige en innige nasporin-10gen op het gebied der zielkunde, toe gekomen, een wezenlijk onderscheid 11 tusschen menschen en menschen waar te nemen en met grond te kunnen 12 verklaren, dat de eene mensch de andere niet was; en dergelijke verstandige