auteur: Harry Bekkering, Aukje Holtrop en Kees Fens
bron:
Harry Bekkering, Aukje Holtrop en Kees Fens, ‘De eeuw van Sien en
Otje. De twintigste eeuw’. In: Harry Bekkering e.a. (red.), De
hele Bibelebontse berg. De geschiedenis van het kinderboek in Nederland &
Vlaanderen van de Middeleeuwen tot heden. Em. Querido's Uitgeverij,
Amsterdam 1989, p. 294-467, p. 637-638, p. 650-653 en p. 661-663
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2004 dbnl / Harry Bekkering / Aukje Holtrop / Kees Fens

|
|
| |
| | | |
| |

[1] ‘En de pret werd nog groter, toen zij
met kolossale stappen midden door de kring op Ite aanstapten.’ Tijden van
weleer, perfect in beeld gebracht door Rie Reinderhoff, uit Het slot op
den Hoef. Een verhaal uit de tijd van Ada van Holland van C. Joh.
Kieviet.
| | | |
| |
Harry Bekkering, Aukje Holtrop en Kees Fens
De eeuw van Sien en Otje
De
twintigste eeuw
Harry Bekkering
*
Onvoltooid
verleden tijd - Het historische jeugdboek
In 1974 schrijft
Jan Blokker in zijn ietwat
provocatief gestelde column ‘Het kinderboek bestaat niet’ het volgende: ‘Het
merkwaardige aan twee eeuwen kinderlectuur is [...], dat ze niets nieuws heeft
opgeleverd - dat er in al die tijd voor de “eigen belevingswereld” van het kind
geen genres, geen thema's en geen literaire gezichtspunten zijn ontwikkeld die
niet al lang, of in ieder geval eerder, bestonden in de lectuur van de zgn.
volwassenen’ (Blokker, 1974). Als voorbeeld noemt hij onder andere een bepaald
soort jongensboeken: ‘De in de 19de eeuw begonnen en tot op deze dag nog niet
opgedroogde stroom van jongensboeken zijn, zonder uitzondering, “kinderlijke”
pastiches op achtereenvolgens de Walter Scott-romantiek, de avonturenroman en
de detectivecultuur’.
Kees Fens lijkt er een soortgelijke mening
op na te houden: ‘Het kinderboek blijft [...] in de meeste gevallen achter op
de officiële literatuur,’ waaraan hij vervolgens deze toekomstverwachting
verbindt: ‘Het zou boeiend zijn, een geschiedenis te schrijven van het
kinderboek als schaduwloper’ (Fens, 1974). Met andere woorden: de
jeugdliteratuur hult zich in de afgedragen kleren van de literatuur.
Hebben de beide Volkskrant-scribenten het gelijk
aan hun zijde? Zij gaan, zo lijkt het, kennelijk uit van het (mogelijk) bestaan
van het ‘autonome’ kinderboek. Daarmee begaan zij de fout de jeugdliteratuur
los te maken uit het grotere verband van de literatuur. In feite beschouwen zij
haar op deze wijze als een vorm van lectuur, van triviaalliteratuur. Een
opmerking van Blokker is in dit verband veelzeggend: ‘Tegenwerpingen van
esthetisch-literaire aard lijken me [...] weinig opportuun - het aardige van
kinderen is o.a. dat ze geen smaak hebben in onze volwassen zin van het woord,
en niet eerder dan halverwege de puberteit de enigszins geperverteerde neiging
overnemen om een onderscheid te maken tussen Kitsch en Kunst.’
Het mag inderdaad zo zijn dat er noch op het gebied van de genres
noch op het | | | | terrein van de thematiek essentiële verschillen
bestaan, toch valt er nog wel iets meer over te zeggen. Beide ‘literaturen’
zijn vormen van esthetische (in de meest ruime zin) communicatie, geven op
specifieke wijze een beeld van de werkelijkheid, maar kenmerkend voor de
jeugdliteratuur is dat het een esthetische communicatie betreft tussen
volwassenen en kinderen, dat zij primair de
werkelijkheid toont (of althans trácht te tonen) onder een kinderlijk
gezichtspunt en dat ze functioneert in de socialisatie van kinderen.
Jeugdliteratuur kan in mijn visie dan ook het beste worden beschouwd als een
variant binnen het totaal van de literatuur.
De gegeven inleidende beschouwing is te meer op zijn plaats omdat in
deze paragraaf historische jeugdboeken centraal staan. Juist de geschiedenis
van het historische jeugdverhaal kan niet los gezien worden van de geschiedenis
van de historische roman voor volwassenen zoals die zich vanaf het begin van de
negentiende eeuw heeft ontwikkeld. Ik hoef in dit verband maar te wijzen op
Nederlandse navolgers van Scott als
Jacob van Lennep met zijn
Ferdinand Huyck (1840) en
J.F. Oltmans met
De Schaapherder (1838). (Het nauwe
verband tussen beide literaire vormen blijkt overigens ook uit het feit dat
genoemde werken later in bekende series als ‘Oud Goud’ en De Gulden
Sporen-serie in bewerkte vorm voor de jeugd gepubliceerd werden.) In een
overzichtsartikel wijst
Toke Hofman (1983) er terecht op dat de
historische avonturenroman, zoals Scott die heeft ontwikkeld, in de
geschiedenis van de literatuur, althans in Nederland, een hevige doch korte
bloeiperiode heeft gekend: ‘Al rond 1840 accentueerden Nederlandse schrijvers
van historische romans meer de historische idee die zij wilden uitwerken dan de
avonturen’ (Hofman, 1983). Als voorbeeld van een dergelijk auteur wordt veelal
A.L.G. Bosboom-Toussaint genoemd, die tussen
1840 en 1850 de Leycester-cyclus schreef, waarin zij haar
idee van het evangelisch christendom literair gestalte gaf. En men kan
inderdaad met Hofman vaststellen dat juist de meer psychologische, ideematige
historische roman in de twintigste eeuw is uitgegroeid tot een bijna apart
literair genre, dat, door
Simon Vestdijk en
Hella Haasse, om de belangrijksten te
noemen, met een zekere voorkeur werd (en wordt) beoefend.
En reeds in de negentiende eeuw grepen auteurs voor kinderen het
genre aan om hun ideeën te verkondigen. Want in het bijzonder een auteur als
P.J. Andriessen (1815-1874, zie ook p.
270), van huis uit onderwijzer, schreef zijn boeken ‘tot vermeerdering van echt
historische kennis onder het opkomend geslacht’. Zoals veel van zijn
collega-auteurs voor volwassenen koos hij zijn stof dikwijls uit de periode van
de Gouden Eeuw. Het ging Andriessen vooral om kennis, waarbij
hij dan vooral doelde op kennis van de staatkundige geschiedenis: de
geschiedenis van oorlogen en wapenstilstanden, van trouw en ontrouw aan het
vaderland en de rol die koningen, prinsen, stadhouders, generaals en admiraals
speelden. Andriessen blijft in zijn boeken de onderwijzer die hij van origine
was. Zijn verhalen staan vol met precieze data, voor- en achternamen worden
volledig vermeld en in noten worden bepaalde begrippen toegelicht. ‘Het
aanbrengen van spanning,’ zegt
Anton Hofman (1988), ‘en het
karakteriseren van hoofdpersonen ging [hem] duidelijk minder goed af dan het
nazoeken van kronieken.’ Volgens getuigenissen van tijdgenoten werd het werk
van Andriessen veel gelezen. Als verklaring hiervoor wordt gegeven dat er in
die tijd kennelijk behoefte bestond aan boeken | | | | waarin historische
informatie gecombineerd werd met een spannend verhaal, al is er bij
Andriessen toch vaak eerder sprake van
feiten dan van (spannende) fictie.
De andere grote en minstens zoveel schrijvende auteur van
historische verhalen in de negentiende eeuw is
P. Louwerse (1840-1908, zie p. 271),
eveneens, en het zal bijna een topos worden, onderwijzer. Deze achtergrond is
wellicht bepalend geweest voor wat hij zelf zijn beste werk noemde,
Geïllustreerde vaderlandsche geschiedenis voor jong
en oud (1886). Via dit werk hoopte hij, zoals de titel al
aangeeft, niet alleen de jeugd te bereiken, maar ook ‘de eenvoudigen in den
lande, die hetgeen zij in hunne jeugd van de Vaderlandsche Geschiedenis geleerd
hebben, zoo goed als geheel vergeten zijn’. (Geciteerd naar Hofman, 1987.)
Evenals voor Andriessen was voor Louwerse, de ‘
Van Lennep voor kinderen’, zoals
Theun de Vries hem noemt in
Dát was nog eens lezen! 2,
geschiedenis vooral staatkundige geschiedenis: reeksen van oorlogen en de rol
die bepaalde invloedrijke personen hierin speelden. Subjectiever dan Andriessen
- Louwerse wordt beschreven als een ‘vurig vaderlander’ en fervent aanhanger
van het Huis van Oranje - en daardoor wellicht een groter verteller, kreeg hij
ook meer kritiek te verduren. Zo schreef
J.W. Gerhard (1905) dat ‘voor
Louwerse die geschiedenis slechts [bestond]
uit een verheerlijking van 't Oranjehuis en wat daarmee samenhangt: veldslagen,
zeeslagen, generaals en admiraals. Hij is de oppervlakkigste veelschrijver die
we hebben’. Daar staat dan de getuigenis van
Cornelis Veth tegenover: ‘In mijn tijd
hadden we voor oorspronkelijk Hollandsche boeken de historische verhalen van
Louwerse en Andriessen. De eersten waren het best, er zat geest en leven in,
ook werden wij niet zoo voortdurend toegesproken als “lieve lezer”.’ (Geciteerd
naar Hofman, 1987).
Niet zonder opzet is enige aandacht besteed aan het optreden van
Andriessen en Louwerse, want de auteur, met wie ik - binnen dit genre - de
twintigste eeuw wil laten beginnen, zet zich expliciet af tegen het werk van in
elk geval een van deze twee voorgangers.
C. Johan Kieviet (1858-1931), wederom
onderwijzer, noemt in een interview (Het Vaderland,
18-3-1928) twee auteurs die in zijn ogen niet aan de criteria van de ware
jeugdboekenschrijver voldoen: ‘Ik wilde een nieuwe geest brengen in de
kinderliteratuur. Niet alleen in de geschiedkundige verhalen, maar ook in de
kinderromans [hij doelt dan uiteraard op
Dik Trom]. Tot nu toe - dat hebben
b.v. Andriessen en Gerdes [i.e. Eduard Gerdes, 1821-1898, eveneens een auteur
van historische - sterk anti-katholieke - jeugdverhalen, zich voornamelijk
afspelend in de Gouden Eeuw] zo voortreffelijk gedaan, worden in de
kinderliteratuur alle jongens en meisjes als hele brave wezentjes voorgesteld.’
En op een andere plaats zegt hij over Andriessen: ‘Kijk, deze schrijver, hoe
hoog ik hem ook schat, begreep de kinderziel niet. Zijn boeken berusten hierop,
dat hij het romantische scheidt van het geschiedkundige, met het gevolg dat zij
hier en daar erg saai zijn. Vooral voor kinderen.’ Hij wilde in tegenstelling
tot zijn voorgangers in veel sterkere mate feiten en fantasie door elkaar laten
lopen: ‘Ik heb daarentegen altijd getracht het romantische en geschiedkundige
dooreen te weven. In geen van mijn boeken zult ge bijvoorbeeld een lange
verhandeling lezen over het stadhouderloze tijdperk of iets dergelijks.’
Opgemerkt moet worden dat Kieviet zich overigens wel degelijk documenteerde,
hierbij gesteund door zijn broer Laurens Kieviet, die leraar aardrijkskunde en
geschiedenis was. | | | |
Heeft Kieviet die nieuwe geest gebracht? Gezien de vele drukken die
zijn historische jeugdboeken, tot in deze tijd, hebben bereikt, mag het
antwoord, dunkt me, bevestigend zijn.
Kieviet wordt nog steeds gelezen,
Andriessen en
Louwerse bij mijn weten nauwelijks.
Kieviet is er in zijn eerste historische roman,
Fulco de minstreel (1892), in
geslaagd, in de eerste plaats door de levendige verteltrant, en verder ook door
de betrekkelijk simpele compositie, de niet diepgravende karaktertekening en de
veelheid aan spannende gebeurtenissen, vele lezers voor zich te winnen, waarbij
het misschien niet onmogelijk is dat de canonisering van dit werk zich
voornamelijk heeft voltrokken van ouder op kind, zoals dat vermoedelijk voor meer ‘klassieke’ jeugdboeken
geldt.
Hoewel het niet is na te gaan in hoeverre de leeservaring van
Fens (1982) voor meer lezers opgaat, mag
misschien toch aangenomen worden dat Kieviets stijl en taal de indruk wekten
dat men met iets bijzonders te maken had. Want Fens is inderdaad niet de enige
die er zo over denkt. In
Dát was nog eens lezen! (1972) vinden
we bij diverse auteurs Fulco de minstreel als het begin van
hun leescarrière (
Willem Brakman,
Han G. Hoekstra,
Alfred Kossmann). Brakman wijdt er zelfs
zijn gehele artikel aan, al speelt de meester die het verhaal voorlas, een
minstens zo grote rol. Zijn voorstelling van het boek is te aardig om hier
onvermeld te laten: ‘Uit het binnenste van de meester welde het verhaal, en al
vertellend vertelde eigenlijk alles en iedereen mee. Het ging om een minstreel
die wat rondzwierf, dat wil zeggen voortdurend in de buurt was van het kasteel
IJsselstein en de witte edelvrouwe daarbovenin. Dan zwierf hij wat verder weg,
dan weer wat dichterbij, maar steeds werd hij gevolgd, steeds bekeken, steeds
aan de hand rondgeleid, en er kon niets gebeuren of de hele klas wist ervan.
Wel vrij, wel even aan de aandacht ontsnappend, waren de verrader Peer, Peer
met de leren kap, [...] en ook de ellendeling Van Vianen. Zij onttrokken zich
nu en dan aan het oog en deden dan toornig, maar kneukelend, het
onvoorstelbare. Ondanks het geroep van “voor IJsselstein en Bertha” drongen zij
door de muren heen, de trappen op, en in de hoge vertrekken legden zij de hand
op de vrouwe. De rest verloor zich dan in vaag kerkerwerk en vochtig stro te
Dordrecht.’
In elk geval is het zo dat de eerste zinnen van het boek de lezer
onmiskenbaar in een andere, oudere wereld binnenleiden: ‘Het was een schone
augustusavond van het jaar onzes Heeren 1297 dat drie ruiters in gestrekte draf
langs de heirweg reden die naar het slot van de Heer van Heukelom voerde.
Ongetwijfeld hadden zij een warme rit achter de rug, want een wit schuim liep
de edele dieren langs de zijden en de klederen der ruiters waren met stof
bedekt. Het was een liete dag geweest, zo heet als het in de hondsdagen maar
zijn kan. Het zonnetje had de ganse dag als een gloeiende bol aan de wolkeloze
hemel geschitterd en hare verzengende stralen naar het aardrijk geschoten. Nu
daalde het langzaam ter kimme en stond op het punt om onder te gaan. Toch bleef
het nog warm, zelfs drukkend in de lucht, en er bestond grond voor de
veronderstelling dat er wel eens een donderbui zou kunnen volgen.’
Het effect van deze beginzinnen brengt Fens vooral terug tot de
taal: ‘Waarom vond ik dit nu een echt boek? Ten eerste, geloof ik, vanwege de
taal. De gemeenplaatsen [...] vond ik schitterend, want zeer “literair” [...].
Maar die gemeenplaatsen | | | | maakten het voor mij juist zeer echt: ze
maakten het tot “schrijfwerk”. [...] Maar u zult het met me eens zijn dat in
dit stuk vooral de beste gemeenplaatsen gebruikt worden die dan denkbaar zijn.
Ik noem als voorbeelden: “Het schuim liep de edele dieren -
dus niet de “paarden” - langs de zijde. “De ruiters waren met stof bedekt”; of:
“de zon gaat als een gloeiende bol langs de hemel” en zo hoort het ook. [...]
Voor mij was de oude taal waarin dit geschreven is juist de taal van de
dertiende eeuw. En dat maakte voor mij misschien de allergrootste bekoring uit.
Het is een bekoring die ik nu nog in vele opzichten herken en als een leidraad,
zou ik bijna willen zeggen, in lezen herken, nl. de bekoring van wat ver weg
is, naar plaats eventueel, maar het liefst eigenlijk naar tijd’ (Fens, 1982).
Het valt dan ook te betreuren, dat de vijftiende druk een herziene druk is. De
uitgever heeft gemeend er goed aan te doen de taal aan te passen, zoals dat wel
met meer klassieke jeugdboeken - ik doel op het werk van
J.B. Schuil - het geval is geweest. Veel
van het bovengenoemde effect gaat dan verloren. Ook de illustraties zijn
herzien, kennelijk vanuit dezelfde ‘moderne’ overwegingen. De schitterende
tekeningen van
Rie Reinderhoff zijn vervangen door
illustraties van de hand van
Rien Poortvliet, waarbij blijkens de
voorplaat in één (moderne) moeite door van Fulco een ongeveer vijftienjarige
jongen gemaakt is.
Kieviets (oorspronkelijke) stijl kan dus als historiserend
gekenschetst worden. Vergelijkt men deze stijl met een werk uit deze tijd, met
het eveneens veelgelezen werk van
Thea Beckman,
Kruistocht in spijkerbroek, dan
springt het verschil direct in het oog. Beckmans taal is modern, althans niet
bewust historiserend: ‘Dolf zuchtte en wendde zich af. In het ziekenkamp
inspecteerde hij de strobedden, maar bijna zonder iets te zien. Hij keek niet
naar Hilde, nauwelijks naar de priester die bij een stervende knielde. Morgen
moesten ze opbreken... morgen zou al zijn werk van de laatste week teniet
worden gedaan door de ellendige haast van Anselmus. Hoe kon je zo'n man een
beetje gezond verstand instampen?’
Het wekt dan ook nauwelijks verbazing dat dezelfde
Fens voor dit werk weinig goede woorden
over heeft: ‘...de taal [springt] nergens van levendigheid uit de bladzijden.
Misschien is kleurloosheid nog de beste karakterisering. Die kleurloosheid
treft te meer, daar er in dit boek nogal wat kleurigheden beschreven dienden te
worden: aan gebeurtenissen, natuurpanorama's, spanningen, personages, steden en
dorpen. [...] En daar haar schrijfwijze weinig reliëfrijk en gevarieerd is,
wordt lezing op den duur vermoeiend: alle beschrijvingen, van de natuur
bijvoorbeeld, lijken op elkaar en alle steden hebben grote kerken en nauwe
straten. De schrijfster heeft niets gezien, is althans niet
in staat dat geziene in taal over te brengen’ (Fens, 1974). Fens voelt zich als
lezer van een historische roman bedrogen.
In wat volgt wordt aan de hand van een aantal vragen de vergelijking
tussen beide werken voortgezet, opdat op deze wijze wellicht een beeld kan
worden gegeven van de ontwikkeling binnen dit genre. Een korte inhoud van beide
werken zal deze vergelijking verduidelijken.
Fulco de minstreel speelt in 1297,
direct na de moord op Floris de Vijfde. Fulco is de dienaar, schildknaap van
ridder Gijsbrecht van IJsselstein. Als de vijandige Heer van Vianen
Gijsbrechtopsluit in zijn kerkers - vooral omdat de eerste in een toernooi een
smadelijke nederlaag | | | | tegen ridder Gijsbrecht heeft geleden -,
lukt het Fulco, vermomd als minstreel, zijn heer te bevrijden. Aan het eind van
het boek wordt Fulco tot ridder geslagen.
Kruistocht in spijkerbroek vergt, mede
door de omvang, een iets uitgebreidere samenvatting. Dolf Wega is een scholier
van vijftien jaar en de zoon van dr. Wega. In de kerstvakantie mag hij een
kijkje nemen in het laboratorium van dr. Simiak en dr. Kneveltoer, twee
collega's van zijn vader, die experimenteren met een apparaat waarmee dingen of
personen naar het verleden geflitst kunnen worden. Dolf haalt de geleerde over
hem als eerste proefpersoon te gebruiken. Hij komt in Duitsland terecht, in
1202, waar hij kennis maakt met Leonardo, een student op weg naar Bologna. Deze
was in gevecht met struikrovers en Dolf redt hem. Wanneer Dolf terug wil naar
de plaats van aankomst om teruggeflitst te worden naar de twintigste eeuw,
wordt hem de weg versperd door een enorme stoet kinderen. Dolf komt te laat en
moet dus in de middeleeuwen blijven. Hij wordt aangegrepen door de ellende die
er onder de kinderen heerst; Leonardo vertelt hem dat dit een kinderkruistocht
is. De beide jongens gaan met de kruistocht mee. Dolf werpt zich op als leider
en brengt organisatie in het leger, waardoor er minder kinderen omkomen. Hij
biedt een groot aantal gevaren het hoofd: een roodvonkepidemie; tochten door de
Alpen; kinderrovende ridders; een veldslag tussen ridders en boeren waar de
kinderen als buffer worden gebruikt. De kruistocht blijkt opgezet te zijn door
de monniken Anselmus en Johannis, die de kinderen in Genua aan slavenhandelaars
willen verkopen. Aan de kinderen hebben zij verteld dat in Genua de zee voor
hen zal opengaan, zodat ze naar Jeruzalem kunnen trekken, waar de Saracenen
voor hen op de vlucht zullen slaan. Anselmus voelt zich bedreigd door Dolf en
beschuldigt hem ervan een afgezant van de duivel te zijn. Dolf eist berechting
en wordt ten slotte vrijgesproken. Bij aankomst in Genua blijkt de valse opzet
van de beide monniken, maar Dolf weet te voorkomen dat de kinderen verkocht
worden. Anselmus wordt op gruwelijke wijze vermoord door de kinderen en
Johannis, die spijt had gekregen en Dolf van het plan van Anselmus verteld had,
keert met een groot gedeelte van het leger terug. Dolf trekt met een ander deel
verder: de kinderen hebben de vrijheid geproefd en willen die behouden. Wanneer
ze Brindisi bereiken, kunnen ze terug noch verder: achter nadert de winter en
voor hen ligt de zee die ze niet over kunnen. Op het laatst ontstaat de
mogelijkheid om naar Venetië te gaan. Inmiddels hebben dr. Simiak en zijn
collega boodschappen gestuurd naar de middeleeuwen, op de route van de
kruistocht. Dolf vindt er een van. Als hij ziet dat het kinderleger goed
terecht kan in Venetië, laat hij zich terugflitsen. Het boek eindigt met de
terugkomst van Dolf in de twintigste eeuw, in het laboratorium van Simiak en
Kneveltoer (Walraven, 1980).
In hoeverre wordt bij voorbeeld het historische als voorbeeldig
gezien? In Kruistocht in spijkerbroek wordt een vergelijking
getrokken tussen het heden en verleden, waarbij zowel de negatieve als de
positieve aspecten van elke periode aan het licht komen: tegenover het
afschuiven van verantwoordelijkheid (moderne tijd) staat de trouw
(middeleeuwen), tegenover de vervuilde natuur staat de technologische kennis
van de twintigste eeuw. Maar ook: tegenover de lieflijke natuur van de
middeleeuwen plaatst
Beckman de wrede dood door niet-weten.
Sommige zaken stelt ze voor als van alle tijden: machtswellust en egoïsme.
| | | |

[2] Dolf Wega - met een materie-transmitter
teruggeflitst naar 1212 - te midden van de kinderen die de Alpen overtrekken op
weg naar Genua, en verder, om het Heilige Land te bevrijden van de Saracenen.
Omslagillustratie van F. van Vliet voor Kruistocht in spijkerbroek
van Thea Beckman.
| | | |
In
Fulco de minstreel is die letterlijke
verbinding met het heden er niet; het blijft in alle opzichten een historische
roman, die ons niets, ook metaforisch niet, over het heden wil mededelen. In
Kieviets werk domineert het positieve het negatieve: het armoedige bestaan van
de horigen, de vele ziekten die er heersten,
Kieviet schrijft er niet over. Hoe slecht de
hoofdfiguren er ook voorstaan, er bestaat geen twijfel over dat het recht toch
zal zegevieren. De ‘good guys’ bundelen hun krachten tegenover de ‘bad guys’,
ze staan elkaar bij tot in de dood. Psychische problemen bestaan er niet: er is
goed en kwaad. De scheiding hiertussen is aangebracht door de collectieve
moraal: de geboden van de kerk, de regels van het feodale stelsel, de geloften
van de riddereed.
Het is duidelijk dat de lezer van
Kruistocht in spijkerbroek geacht
wordt iets van het boek ‘mee te nemen’. Door twee tijdperken, de twintigste
eeuw en de middeleeuwen, met elkaar in aanraking te brengen, wordt de jonge
lezer de gelegenheid gegeven een kritische blik te ontwikkelen: met ‘ogen van
nu’ naar toen en met ‘ogen van toen’ naar het heden. Zo worden bedriegers
ontmaskerd en de noodzaak van een (min of meer) democratisch leiderschap aan de
orde gesteld. In Fulco de minstreel gaat het in feite in de
allereerste plaats om het romantische, het avontuurlijke van de riddertijd.
Kritiek op bepaalde handelingen en omstandigheden zal men er niet in vinden. In
tegenstelling tot Kieviet ook heeft Beckman bewust gekozen voor de geschiedenis
van het volk en niet voor die van de ‘hoge heren’, waardoor de eerste eerder in
de traditie van Andriessen en Louwerse te plaatsen is dan hijzelf wellicht
veronderstelde.
Betrekkelijk gemakkelijk laat zich uit Kruistocht in
spijkerbroek een moraal destilleren: opkomen voor de medemens,
solidariteit, trouw, gezond verstand in plaats van geweld. Kwaliteiten die
duidelijk met het oog op het heden beschreven zijn. Iets dergelijks is veel
moeilijker in Fulco de minstreel aan te tonen, de waarden en
normen blijven daar ‘middeleeuwse’ waarden en normen. De middeleeuwse ideologie
wordt niet gekritiseerd, is ondergeschikt aan het avontuur.
De lijn is duidelijk: Kieviet heeft allereerst een spannend verhaal
geschreven, Beckman kiest voor een spannend verhaal, maar minstens zoveel voor
wat men zou kunnen noemen actuele relevantie. Een
constatering die wellicht mogelijkheden biedt, ontwikkelingen in de twintigste
eeuw te beschrijven.
Naast Fulco de minstreel heeft Kieviet nog een
aantal historische jeugdboeken op zijn naam staan, waarvan de bekendste wel
zijn
In woelige dagen (1894),
Het slot op den hoef (1897),
In ‘Den Otter’ (1908) en
De duinheks (1913). De opbouw van deze
verhalen verschilt niet wezenlijk van die van Fulco de
minstreel: een goede ridder en een dappere onbaatzuchtige dienstman worden
geplaatst tegenover een kwade ridder met een even boosaardige en vaak nog laffe
handlanger en het goede overwint altijd. Daalder (1950) doet een poging het
geheim van Kieviets populariteit te verklaren en zijn uitspraken brengen hem in
de buurt van
Fens: ‘Er is in de historische verhalen -
hij wist hoe
Andriessen en
Louwerse werkten en werden verslonden - een
zekere forsheid van lijn, een typische zwierigheid van behandeling, die ze
onmiddellijk plaatsen naast de romans van volwassenen. Er is iets in hem van de
échte romanticus - zoals
Oltmans er een was en
Schimmel als hij zichzelf en zijn
formidabele historiekennis vergat - die sfeer en geheimzinnigheid | | | |

[3] De trossen los, op weg naar avontuur.
Paddeltje (1908) werd geïllustreerd door J.H. Isings
jr.
| | | | weet te bewaren en in dat bekoorlijk halfdonker
de conflicten van edelaardige en demonische figuren tot ontwikkeling en
oplossing brengt. Wie de stemming van het theater kan oproepen, is van succes
verzekerd. [...] de man [...] had de warmte en de kracht van een artist en het
plezier in zijn schrijverij, dat zich aan de lezer meedeelt, wanneer hij zich
niet-critisch laat leiden.’
Joh. H. Been (1859-1930), onderwijzer en
archivaris, mag qua bekendheid bijna op één lijn geplaatst worden met
Kieviet. Ook hem zien we immers in
‘literaire’ herinneringen veelvuldig terugkeren (
Willem Brakman,
Han G. Hoekstra,
Elisabeth Keesing,
Alfred Kossmann). Eén zin uit
Paddeltje is Keesing in het bijzonder
bijgebleven: ‘Winnen van een machthebber, dat kon Paddeltje ook. Als de listige
handlanger van een grote zeerover probeert Paddeltje te brainwashen met
spitsvondigheden plus dreigementen, antwoordt de jongen: “...dood kun je me
maken; dat is ook al geen heel erg kunstje. Maar als ik dood ben, heb je m'n
leven toch niet. [...] En zolang ik 't heb kan daar trouwens maar één de baas
over spelen en dat is die ouwe van me.” Onafhankelijkheid en trouw naar eigen
keuze, dat was een verklaring van vrijheid die me nog een kriebel over de rug
bezorgt, nu ik het opzoek en het werkelijk zie staan.’ (Dát was
nog eens lezen! 2.) Afkomstig uit
Den Briel schreef hij vrijwel uitsluitend
zeeverhalen. Ook Been is eerder een exponent van de negentiende-eeuwse traditie
dan een vertegenwoordiger van een nieuwe richting. Ook hij mag een romanticus
genoemd worden. De inhoud van zijn verhalen is immers doortrokken van de
verheerlijking van de Hollanders in de zeventiende eeuw. Zeehelden als De
Ruyter en Tromp staan bij hem in zeer hoog aanzien en spelen in veel van zijn
boeken een niet onaanzienlijke rol. Meer dan bij Kieviet heeft zijn werk een
didactisch karakter, wat wellicht samenhangt met zijn christelijke achtergrond
(Zeeland) en zijn trouw aan het Oranjehuis. Bijlsma (1983) vermeldt dat zijn
Dagen en dagen van admiraal Dubbel Wit
(1899), een boek voor volwassenen, om de roerende beschrijving van liefde voor
het land en het vorstenhuis, verspreid werd onder de manschappen van leger en
vloot.
Gestimuleerd door zijn uitgever Kluitman probeert Been zijn verhalen
voor de jeugd wat meer avontuur en spanning te geven. Gezien het succes - zijn
werk werd vele malen herdrukt - is hij daarin geslaagd. Zijn bekendste werken
zijn de volgende:
De drie matrozen van Michiel de Ruyter
(1906),
Paddeltje, de scheepsjongen van Michiel de
Ruyter (1908),
Om de schatten van Il Tigretto (1921).
De blijvende bekendheid is waarschijnlijk mede te danken aan het feit dat Been
zich verzekerd wist van de medewerking van beroemde illustratoren als
Joh. Braakensiek,
J.H. Isings jr.,
Tjeerd Bottema en
Louis Raemaekers. De drie genoemde boeken
vormen in zekere zin een trilogie, volgen op elkaar, al kunnen ze goed
afzonderlijk gelezen worden. De inhoud ervan kan als volgt samengevat worden
(ik volg Bijlsma, 1983): in het eerste boek worden de lotgevallen van drie
jongemannen beschreven die in handen gevallen zijn van Algerijnse piraten en in
Algerije als slaven worden verkocht. Paddeltje, zijn
beroemdste werk, is misschien het meest een jongensboek, waarbij de lezers zich
het gemakkelijkst kunnen identificeren met de hoofdpersoon, wanneer ook deze in
handen valt van Il Tigretto, de beruchte zeerover, maar zich door zijn
handigheid en doorzettingsvermogen - hij is tenslotte een scheepsjongen van
Michiel de Ruyter - weet te bevrijden. In het laatste boek | | | | wordt
strijd geleverd om de schatten van Il Tigretto na diens dood in handen te
krijgen, waardoor het in een aantal opzichten reminiscenties oproept aan
Stevensons Treasure Island, niet toevallig ook een roman die
voor de jeugd bewerkt is. De meer didactische intenties van Been komen goed uit
in het waardeoordeel van Bijlsma: ‘De stijl van Been is voor deze tijd wat
plechtig en dramatisch, maar door zijn boeiende verteltrant en geestig
woordgebruik, speciaal in Paddeltje, blijven deze boeken
behoren tot de goede historische zeeverhalen voor de jeugd, die een beeld geven
van de strijd van onze zeelieden in de 17de eeuw en de gevaren waarin zij
verkeerden.’
Een, qua verteltrant, eerder bij
Kieviet dan bij
Been aansluitend auteur is
Johan Fabricius (1899-1981), nu eens geen
onderwijzer, maar journalist. Zijn eerste jeugdboek, ook door hemzelf
geïllustreerd, is
Eiko van den Reigershof (1922), een
werk dat inderdaad beïnvloed lijkt door de ridderverhalen van Kieviet. De
waarheidsgetrouwheid van de gebeurtenissen is ondergeschikt aan spanning en
avontuur. Het verschil met bij voorbeeld
Fulco de minstreel is wel dat hier een
veertienjarige jongen de hoofdrol speelt. Maar ook in dit boek, spelend
omstreeks 1387 in de omgeving van
Coevorden, gaat het om een ruzie tussen twee
ridders, Otto en Egbert. De laatste behandelt zijn pachters dermate onmenselijk
dat ze weglopen. Zelfs het verhaalverloop vertoont overeenkomsten met Kieviets
beroemdste boek: Eiko speelt met Bouke, een marskramer (vergelijk Fulco's
eerste vermomming) een hoofdrol bij het bevrijden van de zoon van Otto, die
door Egbert gevangen genomen is. Egbert wordt ten slotte in de beslissende slag
door zijn eigen mensen afgemaakt.
Wel, qua onderwerp, in de trant van Been is Fabricius' beroemdste
werk,
De scheepsjongens van Bontekoe (1924),
een dikke avonturenroman over drie jongens uit
Hoorn die het ruime sop kiezen, richting
Indië. Het verhaal gaat terug op het
Journael ofte gedenckwaardige Beschrijvinghe van de
Oost-Indische Reyze van
Willem Ysbrantsz. Bontekoe uit Hoorn, ook in
de zeventiende en achttiende eeuw een groot succes. Volgens
Van Gelder (1987) moeten er tegen de honderd
edities van Bontekoes reizen zijn verschenen. De gevarieerdheid van de
hoofdpersonen, Hajo, Rolf en Padde, biedt diverse soorten lezers
identificatiemogelijkheden te over. Padde, onhandig, dik, opvliegend, vaak
mikpunt van spot, is er de oorzaak van dat het schip in de lucht vliegt, na een
brand in het kruitmagazijn. De overlevenden spoelen aan op Sumatra. De jongens
raken hun schipper, bestevaer Bontekoe, kwijt en trekken, het nodige aan
avonturen belevend (er is zelfs sprake van enige erotiek in de figuur van het
Maleise meisje Dolimah. Zo wordt ze vanuit de visie van Padde beschreven: ‘Het
kopje vormde een prachtig ovaal; de oortjes, de lipjes, het neusje waren fijner
dan Padde ze ooit gezien had; de sierlijk gebogen, smalle wenkbrauwen, de
donker-glanzende ogen, half versluierd achter de lange wimpers, de prachtige
haarval, waarin een zilveren gesp en een paar sneeuwwitte bloempjes waren
gestoken, de tengere armen, handjes en vingertjes.’), door de binnenlanden naar
Straat Soenda, waar zij ten slotte opgenomen worden in de bemanning van een hun
niet onbekend schip, de ‘Nieuw-Hoorn’ van de als rivaal van Bontekoe bekend
staande kapitein ‘Bruinvis’. Even later ontmoeten zij de overgebleven
opvarenden en schipper Bontekoe. Rolf blijft bij Bontekoe, het is | | | |
tenslotte zijn oom, de anderen blijven bij ‘Bruinvis’, die op weg is naar
Holland. De reis verloopt voorspoedig en op 28 december 1620 leggen ze in
Vlissingen aan. Maar zelfs dan blijven de
gebeurtenissen avontuurlijk: ze gaan met een jol naar
Dordrecht, schaatsen naar
Amsterdam en met een paard en wagen bereiken
ze eindelijk
Hoorn, net op tijd om het nieuwe jaar in te
luiden.
Ekkers (1983) is positief in zijn oordeel:
‘Hajo is het toonbeeld van de Hollandse jongen die verre landen wil ontdekken.
Padde moet er niks van hebben, maar hij volgt zijn vriend door dik en dun. Rolf
is verstandig en kalm; vaak worden de vrienden door zijn kennis gered.
Fabricius is erin geslaagd het drietal tot leven te brengen. Humor, vaart en
spanning hebben het boek populair gemaakt. De vele jonge lezers waarderen ook
de historische en geografische echtheid. Dat het scheepsleven in werkelijkheid
heel wat minder romantisch was - vervelender én harder - zal hun in eerste
instantie een zorg zijn.’ Dit mag waar zijn, misschien gaat de betekenis van
het boek nog iets verder, als we het voorwoord van Fabricius in ogenschouw
nemen, gericht aan de Hollandse jongens, want het is toch vooral een boek over
Hóllandse ondernemingslust, moed en volharding: ‘Het leven van een mán,
jongens, gaat nooit zonder stormen voorbij. Hoe verder het land dat je bezeilen
wilt, hoe moeilijker en gevaarlijker de reis. Verlaat je schip niet, voor het
onder je bezwijkt! Dan zal men later zeggen: “Hij voer door vele stormen, maar
zijn reis werd een reis van Bontekoe.”’ Daarmee geeft
Fabricius de gedachte achter het boek
weer: het zeemansleven wordt gebruikt als voorbeeld voor en als metafoor van
het volwassen worden.
Willem van Toorn geeft waarschijnlijk
precies aan op grond waarvan ook dit boek in de rijen der ‘klassieke’
jeugdboeken - want menig auteur noemt het (
Willem Brakman,
Rob Nieuwenhuys,
Annie M.G. Schmidt,
Adriaan van der Veen,
Belcampo) - is terechtgekomen. Hij noemt
argumenten, die fraai aansluiten bij wat eerder gezegd is: ‘Eén van de
belangrijkste eigenschappen van
De scheepsjongens van Bontekoe is dat
het een dik boek is. De meeste andere boeken waren veel te
gauw uit... [...] Een tweede zeer belangrijke eigenschap van De
scheepsjongens is dat het echt gebeurd was. [...] Je
hoefde dus niet, zoals bij andere boeken, te twijfelen of het allemaal wel kon.
Het was gebeurd. Ten overvloede bleek dat ook nog, zeer wetenschappelijk, uit
een enkele voetnoot. [...] De twee genoemde eigenschappen [...] dienden wat mij
betreft vooral ter versterking van de belangrijkste boodschap van De scheepsjongens: Holland was het centrum van de wereld, alles
buiten Holland was een soort bizar prentenboek vol dreigende schoonheid,
monsters, bodemloze zeeën en oerwouden vol slangen, gluiperige Spanjaarden en
trouweloze heidenen. Maar hoe angstaanjagend dat allemaal ook mocht zijn, alles
kwam goed.’ (Dát was nog eens lezen!, 1972.)
Voor de volledigheid vermeld ik nog het op hoge leeftijd geschreven
en ook niet zonder succes gebleven
Toontje Poland, een Alkmaarse jongen in de dagen
van Napoleon (1977), gevolgd door
Toontje Poland onder de tropenzon
(1978), waarvan
Ekkers (1983) de volgende karakteristiek
geeft: ‘Het eerste deel zit vol actie en avontuur. De snel op elkaar volgende
gebeurtenissen worden levendig beschreven, zodat de lezer een helder beeld
krijgt van het leven in het begin van de vorige eeuw. De liefde van de
schrijver voor zijn geboorteland komt duidelijk naar voren | | | |

[4] Peter Hajo, Rolf en Padde, drie ‘Hollandse’
jongens uit Hoorn, kiezen het ruime sop, richting Indië, in het voetspoor van
Willem Ysbrantsz. Bontekoe. Omslagillustratie van Johan Fabricius voor De
scheepsjongens van Bontekoe.
| | | |

[5] Willem Wijcherts, een onmiskenbaar
strijdlustige held van calvinistischen huize.
[6] ‘Ze zaten niet op een paard, al deden ze
ook juist alsof ze een vurig ros onder zich hadden [...]; ze
zaten op een muurtje.’ Tekening van J.H. Isings jr. uit
Willem Wijcherts van W.G. van de Hulst.
| | | | in de beschrijvingen van het landschap, en
vooral de tekening van Fien, de njai van Toontje: zijn ongetrouwde Javaanse
vrouw, de moeder van zijn kinderen. Haar liefde, trouw, kracht en
bescheidenheid zorgen voor ontroerende gebeurtenissen.’
De volgende auteurs bespreek ik gezamenlijk, omdat zij in zekere zin
dezelfde ‘zuil’ vertegenwoordigen. Hoewel
W.G. van de Hulst sr. (1879-1963),
onderwijzer, vooral bekend is geworden als schrijver van realistische verhalen
voor jongens en meisjes van acht tot twaalf jaar met een sterk godsdienstige
(hervormde) inslag, was zijn eerste jeugdboek een historische roman,
Willem Wijcherts (1907), waarvan de
invloed in gereformeerde kringen niet onderschat moet worden, als we
Maarten 't Hart (toen nog Martin Hart) mogen
geloven: ‘en Willem Wijcherts, over een dappere Alkmaarder
jongen tijdens de Tachtigjarige Oorlog, greep me zo aan, dat ik nu nog als ik
iemand ontmoet die rooms-katholiek is, onmiddellijk moet denken aan “Schele
Ebben”, vooral als de rooms-katholiek loenst, wat merkwaardig vaak het geval
is. Ja, Schele Ebben zal ik nooit vergeten; hij wierp ketters, vastgebonden in
een met stenen verzwaarde jutezak, in een gracht vanuit de gevangenis.’ (Dát was nog eens lezen!, 1972.)
Het verhaal begint vlak voor de Tachtigjarige Oorlog en eindigt in
1573 na het beleg van
Alkmaar, de overwinning op de Spanjaarden.
Gezien de godsdiensttegenstellingen die deze oorlog beheersten, ontbreekt ook
hier het religieuze element niet, waardoor het boek in die zin te vergelijken
valt met het werk van Gerdes uit de vorige eeuw: de (calvinistische) geuzen
zijn goed, de (katholieke) Spanjaarden en hun aanhangers zijn slecht. De
onmiskenbare (christelijke) held is Willem Wijcherts, die op de eerste pagina's
ook direct als zodanig gekenschetst wordt: ‘Baas Wijcherts keek zijn zoon strak
en lang in de eerlijke, heldere bruine kijkers. Hij was trots op zijn ferme,
nauwelijks vijftienjarige jongen, die zo sprekend op zijn vader geleek, met de
krachtige, vierkante schouders, zijn stevige knuisten en zijn moedige
oogopslag.’ Dit geldt in feite voor alle geuzen, in het bijzonder voor hun met
veel vuur beschreven aanvoerder Lumey: ‘Die hoge, brede, fiere gestalte, met
die woest-verwilderde haren en de wilde, ruige baard, met die vlammende donkere
ogen, dat dreigende voorhoofd.’ Opvallend is dat dergelijke uiterlijke
beschrijvingen van de Spanjaarden niet of nauwelijks voorkomen. Naast het geven
van een spannend verhaal, waarin Van de Hulst ontegenzeglijk is geslaagd - het
boek kent ook nu nog vele lezers -, is de intentie van de auteur duidelijk:
leid een christelijk leven en maak je dienstbaar aan volk en vaderland. Willem
Wijcherts wordt ten voorbeeld gesteld aan de jonge lezers, een vroom en moedig
leven zal beloond worden met roem en geluk.
De tweede auteur in dit kader is
Siebe van Aangium, pseudoniem van
Hendrik Steen (1895-1953), gereformeerd
predikant. Constanten in zijn werk zijn: het protestants-christelijke karakter,
de verwerking van vele geschiedkundige feiten en de locatie
Noordoost-Friesland. Zijn wetenschappelijke achtergrond plaatst hem eerder in
de traditie van Andriessen dan in de rijen der pure avonturenvertellers. Vaak
geeft hij in een woord vooraf verantwoording van het door hem gebruikte
historische feitenmateriaal. Enkele citaten spreken in dit verband voor
zichzelf: ‘Ik hoop dat de jongens door dit verhaal belangstelling voor de
geschiedenis krijgen.’ (
De smokkelaars van de Schans); ‘Van de
storm die Moddergat en | | | | Paesens' vloot teisterde en haar manschap
deed omkomen, wil dit verhaal vertellen. De namen, althans die der
hoofdpersonen, de data en de feiten zijn historisch. Zoals het hier verteld
wordt, is het gebeurd.’ (
Der zee ontrukt, 1948.)
Als gezegd zijn vrijwel al zijn verhalen doordrenkt van het
protestants-christelijke geloof. De hoofdpersonen zijn reeds gelovig of ze
worden bekeerd, zoals het geval is met de ruwe bolster-blanke pit-held Hotse
Hiddes, die getuigt: ‘Ik dank U, Vader, dat Gij mij hebt aangenomen tot Uw
kind. Mij, onwaardige, hebt Gij genade bewezen.’ (Geciteerd naar Wijma,
1985.)
De derde auteur in dit rijtje,
P. de Zeeuw (1890-1965) onderwijzer, noem
ik niet zozeer vanwege zijn eigen produktie - zijn boeken zijn vrijwel alle in
de vergetelheid geraakt -, als wel vanwege zijn bemoeienissen met een serie
historische jeugdboeken. Hij stond namelijk aan de basis van de reeks ‘Oud
Goud’, waarin hij tal van klassieken (Don Quichot, De negerhut van
oom Tom, Gullivers reizen, Reinaert de Vos, Ben Hur, De historie van de vier
Heemskinderen) bewerkte, maar ook enkele historische figuren of
gebeurtenissen in een (bewerkt) jeugdig jasje stak (De reis van
Marco Polo, Willem de Zwijger, De overwintering op Nova-Zembla, Michiel
Adriaanszoon de Ruyter).
Hiervoor, in de vergelijking tussen Kieviet en Beckman, viel het
begrip ‘actuele relevantie’, dat van toepassing werd geacht op werk van
laatstgenoemde. Staat zij daarin alleen, of mag gesteld worden, dat de
‘moderne’ jeugdboekenschrijvers met hun historische jeugdboeken ernaar streven
meer te geven dan alleen een spannend avonturenverhaal?
Toke Hofman merkt in haar eerder genoemd
overzichtsartikel op dat de ingrijpende veranderingen in de samenleving vanaf
1960 ook het historische verhaal veranderd hebben. Zij noemt in dat verband een
aantal criteria, waaraan een goed historisch verhaal moet voldoen. Aangenomen
mag worden dat Hofman zich hierbij op een artikel van Bertlein (1975) beroept,
die vaststelt dat de waarde van het geschiedverhaal voor de intellectuele en
emotionele opvoeding toegenomen is door een aantal veranderingen dat in deze
verhalen is opgetreden. Minder dan vroeger staat de grote bekende held
centraal; meer dan vroeger gaat het om gewone mensen in hun dagelijkse doen en
laten. Daarbij signaleert Bertlein ook de trend meer het innerlijk van de
mensen te benaderen (‘wie es dazu kam’). Tevens bestaat de neiging zo exact
mogelijk te werken: door aan de fictie veel feiten ‘toe te voegen’ trachten de
schrijvers subjectieve willekeur weg te nemen. Hij voegt er, wellicht ten
overvloede, aan toe dat alleen goede schrijvers erin slagen een goed evenwicht
te vinden tussen feit en fictie: te veel feiten maken van het verhaal een tekst
die te zeer op ‘Belehrung’ is gericht (vergelijk Vos, 1976). Hofman komt dan
tot de volgende criteria:
| - | het historische tijdperk dat beschreven wordt moet organisch
verbonden zijn met het verhaal; |
| - | de historische feiten moeten juist zijn: er mag geen sprake zijn
van subjectieve willekeur; |
| - | het hoofdthema van het verhaal moet een algemeen geldende diepere
waarheid bevatten; |
| - | het leven van gewone mensen moet meer centraal komen te staan dan
de avonturen van een held; |
| | | |
| - | de centrale figuur moet een goede identificatiemogelijkheid
bezitten; |
| - | het historische verhaal moet ertoe bijdragen dat vooroordelen en
stereotypen doorbroken worden. |
Zij stelt dan vast dat ‘de historische verhalen die na 1960 zijn
verschenen, in veel opzichten aan deze eisen beantwoorden. Auteurs als
Thea Beckman,
Miep Diekmann,
Alet Schouten,
Henk van Kerkwijk,
Tonny Vos,
Willem Wilmink,
An Rutgers van der Loeff bestuderen het
verleden kritisch en trekken vergelijkingen tussen de tegenwoordige tijd en het
verleden dat zij beschrijven. Hun hoofdfiguren kennen hun onzekerheden, angsten
en twijfels. Ze hebben meer aandacht voor de tragiek van het verleden dan voor
de verrichte heldendaden. Wel blijven de auteurs van nu een moraal uitdragen,
maar een andere dan de schrijvers van historische verhalen uit de vorige en het
begin van de twintigste eeuw’ (Hofman, 1983). Enige aandacht voor de hier
genoemde auteurs lijkt derhalve op zijn plaats. Willem Wilmink (
Moord in het moeras, 1979) en An
Rutgers van der Loeff (
De kinderkaravaan, 1949) laat ik
buiten beschouwing. Hun betekenis ligt eerder binnen andere genres.
De duidelijkste vertegenwoordiger van de nieuwe richting lijkt mij
Miep Diekmann met haar
Marijn bij de lorredraaiers (1965).
Het door mij gehanteerde begrip ‘actuele relevantie’ is geheel en al op haar
intenties van toepassing, Diekmanns voorwoord laat daar geen misverstand over
bestaan; ‘Al is Marijn even oud als jullie (14-17 jaar in dit verhaal), hij
leefde in een andere tijd, in de 17de eeuw. En al hebben mensen van alle
volkeren bepaalde karakteristieken gemeen, er zíjn verschillen.
In de tijd van Marijn bijvoorbeeld werden de mensen niet oud. Iedere
dag kon er een eind aan je leven komen door een verschrikkelijke epidemie, door
oorlog, door honger, gebrek, door slavernij. De mensen en ook de kinderen dus
moesten iedere dag véchten om in leven te blijven, en velen hielden die harde
strijd om het bestaan maar enkele tientallen jaren vol. Daarom was iemand van
30 al “oud”. Daarom konden jonge van 15-18 jaar belangrijke functies bekleden,
want dan waren ze immers al op de helft van hun leven! [...]
Mensen als Marijn en Oeba, die hun eigen hart en verstand volgden,
hebben de stoot gegeven tot het afschaffen van de slavernij. Mensen, zoals
Knikkertje, het slavinnetje, hebben geprobeerd te geloven in de goede wil van
hun meesters en te vertrouwen in hun beloften, ook al kwamen ze meestal
bedrogen uit. Is de slavernij nu zo belangrijk in onze tijd dat een schrijver
er 20 jaar van zijn leven aan besteedt en nog eens 2 speciale studiejaren
(zoals ik) om er achter te komen wat de achtergronden van de slavernij zijn?
Hoe precies slaven en meesters tegenover elkaar stonden?
Het ís belangrijk, juist in onze tijd met zijn rassendiscriminatie.
Om daar een eind aan te maken moet je allereerst weten hoe zo'n situatie
gegroeid is en met welke verouderde opvattingen we vaak opgescheept zitten.
[...]
Misschien lijkt de geschiedenis van Marijn, die als slavenarts zijn
eiland Curaçao ontvlucht en ook zijn uitzichtloze liefde voor Knikkertje,
zomaar een soms schokkend avonturenverhaal. Maar alle beschreven gebeurtenissen
berusten op historische feiten, die ik in boeken en brieven van slavenartsen,
zeelui en ontdekkings- | | | | reizigers ben tegengekomen. Feiten, welke
meer thuishoren in een roman voor volwassenen. Maar omdat het gaat om jullie
leeftijdgenoten, die zulke moeilijke beslissingen moesten nemen, is het relaas
over Marijn, Oeba en haar aanstaande man Floris, en Knikkertje toch meer een
boek voor de oudere jeugd.’
Miep Diekmann is in dit boek niet in de
goede bedoelingen blijven steken, zoals dat nog wel eens wil gebeuren bij
andere schrijvers. Zij is ook de beste schrijfster onder de
moderne auteurs van historische jeugdboeken, maar in de eerste plaats - en daar
gaat het kinderen toch vooral om - is het inderdaad óók een spannend avonturen-
en liefdesverhaal. Een samenvatting kan wellicht een indruk geven.
Op 20 oktober 1681 treft een orkaan Willemstad. De ouders van de
hoofdpersonen Marijn en Oeba de By komen hierbij om het leven. Voor Marijn en
Oeba verandert het leven op slag. Ze moeten volwassen worden. Voor Oeba houdt
dit in dat ze samen met Aletta, haar oudste zus, Aletta's man Jan Frederik en
hun ‘boezem’slavin Knikkertje naar de slavenplantage Chinchoor zullen
vertrekken. Marijn blijft in Willemstad en gaat in de leer bij heelmeester
Schagen.
Na een paar maanden ziet Marijn kans weg te komen van
Curaçao en moet daarbij Knikkertje, op wie
hij verliefd is, achterlaten. Een onmogelijke liefde, want Knikkertje is zwart.
Na zelf slaaf geweest te zijn op een afgelegen plantage komt Marijn terecht op
een zogenaamde slavenhaler, een schip, als chirurgijn. In die functie belandt
hij in Afrika, waar hij slaven moet keuren die voor de koop bestemd zijn. Als
hij, na een jaar weg geweest te zijn, terugkeert op Curaçao, verneemt hij dat
Knikkertje ontvoerd is en naar Berbice (Suriname) is verscheept, de vrees van
iedere slaaf.
In de periode dat hij op Curaçao is, weet hij de problemen tussen
Aletta en Oeba, die alle voortkomen uit Oeba's vrije houding tegenover de
zwarten en in het bijzonder Knikkertje, tot een oplossing te brengen. De beide
zussen worden weer met elkaar verzoend.
Met behulp van Floris Pletsz., de ‘verloofde’ van Oeba, lukt het
Marijn naar Berbice te reizen. Onderweg waagt hij zijn leven om slaven te
bevrijden uit een brandend schip. Met de paar geredde slaven komt ook de
stuurman van het verbrande schip aan boord, Sneebel. In Berbice aangekomen weet
Marijn Knikkertje op te sporen. Ze is er niet best aan toe en heeft een kind
van haar meester, die haar eerst verkracht heeft. Dit en het feit dat de
maatschappij een huwelijk tussen Marijn en Knikkertje nooit zal gedogen, maken
het vrijwel onmogelijk uiting te geven aan de gevoelens voor elkaar.
Op de terugweg komt het bijna tot muiterij. Sneebel en zijn
trawanten, die Knikkertje op hun beurt willen verkrachten - het is immers maar
een zwarte-, dwingen haar hierdoor zelfmoord te plegen: ze springt overboord.
Marijn, gewond, wordt met andere schepelingen in een roeibootje gezet. Ze
bereiken een eiland en komen een tijd later aan boord van een schip terug op
Curaçao.
Een minder begenadigd schrijver dan
Miep Diekmann is
Henk van Kerkwijk (1940). Ook hij heeft
een aanzienlijk oeuvre op zijn naam staan. Van huis uit onderwijzer, koos hij
uiteindelijk niet voor het onderwijs maar voor het schrijverschap. Hij begon,
zoals wel meer jeugdboekenschrijvers (vergelijk Kuijer), met het schrijven van
boeken voor volwassenen, waarin wat men zou kunnen noemen | | | | een
moderne problematiek centraal staat: de hoofdfiguren verkeren in een
identiteitscrisis als gevolg van sociaal isolement, angsten en seksuele
frustraties, die vaak veroorzaakt zijn door ongelukkige jeugdervaringen.
In schrille tegenstelling tot deze visie staat die van zijn
jeugdboeken. De (optimistische) hoofdpersonen van tien à twaalf jaar kijken
heel anders tegen het leven aan. Zij worden, zegt
Verbeek (1985), slechts geplaagd door
problemen van buitenaf, die gelukkig wel oplosbaar blijken. Of zijn
fantasiekinderen zich nu bevinden in het verleden, of in het roerige
Amsterdam, of in ongewisse
science-fictionsituaties, steeds hebben ze te kampen met onbetrouwbare, vaak
domme volwassenen, die hen bedreigen of wier problemen zij moeten oplossen.
Zijn belangrijkste historische jeugdboeken zijn
De ontvoering uit ‘De Swaen’ (1967),
Komplot op volle zee (1968) en
Meindert Swarteziel en het bloed van de
duivel (1973), zich alle afspelend in de zeventiende eeuw. Het
ouwerwetse, traditionele eraan is, dat het toch in de eerste plaats spannende
avonturenverhalen zijn met bekende ingrediënten als muiterij, zee- en
struikrovers, heksenjacht en zwarte magie. Het moderne is hierin gelegen dat
Van Kerkwijk via de keuze van zijn
verhaalfiguren laat zien welke maatschappelijke wantoestanden er in het
Nederland van de zeventiende eeuw heersten, onder andere als gevolg van de
grote verschillen tussen arm en rijk en godsdiensttwisten.
Verbeek (1985) noemt Komplot op zee Van Kerkwijks
best geslaagde historische roman, waarvan hij, om een beeld te geven, de
volgende karakteristiek geeft: ‘Aan het begin van de zeventiende eeuw beleven
twee jongens, Isaac, de zoon van een rijke Amsterdamse reder van
Portugees-Joodse afkomst, en Derck, de zoon van een arme Brabantse boer, een
ruig zeemansavontuur op een reis naar Afrika. Samen verijdelen zij een komplot
van muitende zeelui en ze lossen ook nog ver van huis een in Amsterdam
gepleegde diefstal op. Het verhaal zit goed in elkaar, is met vaart geschreven
en voorzien van veel historische informatie. Een belangrijk motief is de
betrekkelijkheid van uiterlijke kenmerken.’
Ook
Alet Schouten (1917) is vooral bekend
vanwege haar historische verhalen. De historische achtergrond is bij haar
echter van minder belang dan bij de genoemde auteurs, zoals ook blijkt uit de
constatering van de Griffeljury (1971) met betrekking tot
De mare van de witte toren (1970):
‘Het verhaal is geplaatst in een gefingeerde historische periode, legt meer
nadruk op de mythische verbeelding dan op het juiste weergeven van de
historische feiten.’ Haar positie als jeugdliterair auteur is
niet onomstreden, want in hetzelfde juryrapport wordt opgemerkt dat taal en
stijl geenszins literair te noemen zijn. Als een soort goedmakertje wordt er
dan nog aan toegevoegd: ‘... maar met weinig middelen wordt een
verstaanbaarheid bereikt welke zowel humoristisch als ernstig de wonderlijke
gebeurtenissen keurig verbeeldt.’
Ik meen te kunnen volstaan met enkele algemene opmerkingen,
opgetekend uit de mond van haar pleitbezorger
Vos (1984), die een aardig overzicht geeft
van de aard en inhoud van haar werk: ‘...drie periodes hebben haar bijzondere
belangstelling: Europa tot ongeveer het jaar 1000, de zeventiende eeuw [bij wie
komen we die niet tegen? H.B.] en de tweede helft van de negentiende eeuw. Haar
vroegere werk speelt zich vooral af in de tijd waarover weinig geschreven
bronnen bestaan. | | | | [...] De keuze voor die wat mistige tijd wordt
waarschijnlijk mede veroorzaakt door haar belangstelling voor mythen en sagen.
Geloof en bijgeloof spelen hierdoor in deze boeken een belangrijke rol. [...]
Het feit dat over de vroege periode van onze historie weinig bronnen bestaan,
maakt dat
Alet Schouten deze periode moet
verbeelden, waarbij zij gebruik maakt van een aantal vaste punten: historische
feiten zoals het bestaan van Dorestad (
Het teken van Wichart, 1969) en het
optreden van de Friese koning Radboud (
Het vege kolkje, 1976). In
Het pad van de wildeman (1980) wordt
dit vaste punt gevormd door de schat die in een prehistorisch graf bij het
Franse dorpje Vix is gevonden.’ In de boeken over de negentiende eeuw schenkt
zij aandacht aan de sociale omstandigheden, waarin veel mensen toen moesten
leven - en in dit opzicht kan zij dus wel weer een echte ‘moderne’ genoemd
worden. In
De tinnen huzaar (1975) bij
voorbeeld schetst zij de sociale verschillen tussen de zoon van een
fabrieksarbeider en de zoon van een koetsier, al acht Vos (1984) het
waarschijnlijk dat de lezer eerder benieuwd is naar de afloop van het verhaal
dan naar de oplossing van het sociale conflict.
Tonny Vos-Dahmen von Buchholz (1923) is de
enige auteur die vrijwel uitsluitend historische jeugdboeken heeft geschreven.
Haar achtergrond (amateur-archeologe) zal er wel toe bijgedragen hebben dat
haar werk een nogal didactische inslag heeft - een ‘Andriessen’-opvolgster dus.
Dat de feiten kloppen lijkt vaak belangrijker dan het verhaal. Dit is in sterke
mate het geval in het eerste deel van de Vikingen-trilogie,
De Wiking van Walacra (1971). Dit
verhaal is doordrenkt van gegevens over materialen, woningcultuur, godsdienst
en levenswijze van een zeekustvolk uit de negentiende eeuw. Een kaartje van de
streek en een naamregister dragen er verder toe bij het leerrijke en
informatieve te intensiveren. Sommige passages lijken zo uit een gewoon
geschiedenis(leer)boek te komen: ‘Kooplieden uit verre landen deden Walacra aan
en brachten er hun goederen. Langs de Rijn werden metalen en wijn aangevoerd.
Uit Engeland kwam koper, tin en ijzer. Handelaars uit het hoge noorden voerden
pelswerk aan. Een Friese koopman bracht aardewerk uit Vechten en uit Keulen
kwamen prachtige zwaarden, waarvoor graaf Godebert veel belangstelling had...’
Op deze wijze wordt men er voortdurend met de neus op gedrukt met een
(verantwoord) historisch verhaal van doen te hebben. In de twee andere delen,
Arenden vliegen alleen (1974) en
De nieuwe vrijheid (1977) slaagt Vos
erin dit bezwaar enigermate weg te nemen, getuige ook het feit dat het tweede
deel bekroond werd door een (Leidse) kinderjury, al blijft de stijl van Vos wat
aan de ‘leerboekerige’ kant: ‘De man kwam naar Walacra in het kader van een
grootscheeps verdedigingsplan dat keizer Karel langs alle kusten van zijn
geweldige rijk ten uitvoer wilde laten brengen.’ In ‘leerzaam’ opzicht is het
belangrijkste dat zij een nieuw beeld verschaft van de tijd van de Noormannen.
Haar boeken laten volgens Vos/Meijer (1985) zien dat wij door het oude
geschiedenisonderwijs een vertekend beeld hebben gekregen van deze periode. Het
woord ‘vikingen’ pleegt immers vrijwel uitsluitend associaties op te roepen in
negatieve zin: brandstichters, moordenaars en plunderaars. Door haar grondige
documentatie weet Vos dit beeld op zijn minst te nuanceren.
Heel dikwijls blijken archeologische vondsten of ervaringen de basis
voor haar verhalen. Dat was reeds het geval bij haar eerste historische werk
Divico (1964), dat | | | |

[7] Dit omslag van een modern jeugdboek laat er
geen misverstand over bestaan hos de machtsverhoudingen liggen.
Omslagillustratie van Dick de Wilde.
[8] De jongen Hari, als baby van zijn moeder
geroofd en als slaaf opgegroeid aan het hof van de Saksenkoning in Wales,
vlucht samen met de hond Lufra naar Dorestad in de Lage Landen.
Omslagillustratie van Rien Poortvliet voor Het teken van Wichart
van Alet Schouten.
| | | | gebaseerd is op de archeologische vondsten
dicht bij haar woonplaats
Vlissingen. Het blijkt ook bij twee recentere
boeken,
Van rendierjager tot roofridder (1983)
en
Het monster van de vuurmijn (1984). In
het voorwoord van het eerste boek, vijftien verhalen over beroemde
archeologische vondsten en wat daarmee gebeurd had kúnnen zijn, geeft de
schrijfster aan hoe dergelijke vondsten haar inspiratiebron vormen: ‘Als ik een
voorwerp in handen houd, dat na honderden of zelfs na duizenden jaren uit de
grond komt, zie ik het met de ogen van de fantasie, daarvoor ben ik
schrijfster. Er gebeurt iets met dat voorwerp. De mensen die het in lang
vervlogen tijden hebben gemaakt, ermee hebben gewerkt, komen tot leven. Ik zie
wat er met dit voorwerp gebeurd zou kunnen zijn.’ (Geciteerd naar Vos/Meijer,
1985.)
De ongekroonde koningin van het genre is toch
Thea Beckman (1923), die haar grootste
successen inderdaad heeft behaald met haar historische jeugdboeken, vooral met
het hier reeds besproken
Kruistocht in spijkerbroek. Het meeste
succes, maar ook de meeste kritiek, vooral van de zijde van de (‘volwassen’)
critici - men vergelijke de kritiek van
Fens hiervoor. Ik volg
Verbeek (1982) in zijn beschrijving van de
receptie van Beckmans historische jeugdromans. Over het algemeen werd er door
lezers en critici positief gereageerd, hetgeen mag blijken uit de vele
enthousiaste recensies, de Griffels en bekroningen door kinderjury's. Men
waardeert vooral drie aspecten: (1) de verhalen zijn spannend verteld; (2) de
verhaalfiguren bieden de mogelijkheid tot identificatie; (3) de inhoud is
leerzaam, informatief.
Enkele recensenten zijn minder enthousiast, wat vooral te herleiden
is tot het meten met op volwassen literatuur toegepaste literaire maatstaven. Men vergelijkt bij voorbeeld Beckmans
historische romans met die van
Vestdijk en
Hella Haasse en een dergelijke
vergelijking valt onvermijdelijk in het nadeel uit van eerstgenoemde. Zoals in
de inleiding van deze paragraaf reeds werd aangegeven, wordt haar werk dan tot
de lectuur, de triviaalliteratuur gerekend. In tegenstelling tot bovengenoemde
pluspunten worden juist bekritiseerd: (1) haar stijl (clichématige (vergelijk
Fens), onhandige woordkeuze); (2) haar verhaalfiguren (die missen
psychologische diepgang); (3) de manier waarop Beckman de informatie doseert
(ze wil te veel expliciet vertellen; ze beheerst de techniek niet de informatie
ongemerkt, op natuurlijke wijze in het verhaal te verwerken). Ook uit
literatuursociologische hoek komen bezwaren: zij zou met haar historische
romans de lezer slechts de gelegenheid bieden aan de werkelijkheid te
ontsnappen in een droomwereld in plaats van een kritische leeshouding van hem
te vragen. Kortom: ook deze kritiek verwijst haar naar de lectuur.
Beckman acht zulke kritiek onrechtvaardig: men mag in haar visie
jeugdliteratuur niet met dezelfde criteria te lijf gaan als de literatuur voor
volwassenen, het zijn onvergelijkbare grootheden.
Genoemde kritiek heeft zich vooral toegespitst op Kruistocht in spijkerbroek; over haar latere boeken oordeelt men
over het algemeen iets milder, al blijft vooral haar stijl, ook bij de
jeugdliteraire critici, mikpunt van kritiek.
Naast haar meest bekroonde boek heeft haar trilogie over de
Honderdjarige Oorlog in Frankrijk het meeste succes:
Geef me de ruimte (1976),
Triomf van de
| | | |
verschroeide aarde (1977) en
Het rad van fortuin (1978). De inhoud
van deze trilogie laat zien dat
Beckman grotendeels beantwoordt aan de
hiervoorgenoemde criteria voor een goed ‘modern’ jeugdverhaal.
In het eerste boek is de vijftienjarige Marije de hoofdpersoon.
Voornamelijk uit haar gezichtspunt (en dat van de alwetende verteller; bij
Beckman is bijna altijd óók sprake van een alwetende verteller, al was het
alleen maar om de benodigde historische informatie te geven) wordt het verhaal
verteld. Zij vlucht wegens onenigheid met haar ouders uit Vlaanderen naar
Frankrijk en belandt zo midden in de gevechten tussen de Engelse en Franse
legers. Ze raakt bevriend met een troubadour, een jongleur en Matthis. Samen
reizen ze door het geteisterde Frankrijk.
Het tweede boek is politieker van aard. Nu is de inmiddels
zestienjarige Matthis de hoofdpersoon. Hij moet namens de Franse
legeraanvoerder Bertrand de Guesclin naar Parijs om geld te halen voor het
verzet tegen de Engelsen. In Parijs wordt hij geconfronteerd met de eerste
burgerlijke revolutie. Het boek eindigt met een geweldige orkaan die het
Engelse leger vernietigt.
Het derde boek kent niet één duidelijke hoofdpersoon, lijkt ook
minder hecht van structuur. Meer dan in de eerste twee delen is er sprake van
vele amoureuze ontwikkelingen, oorlogsstrategieën en veldtochten en een (een
bekende fout in dit soort werken) overvloed van informatie.
Naar eigen zeggen heeft Beckman met deze drie romans het mondig
worden van het gewone volk, de geboorte van de revolutie tegen de hoge heren
naar voren willen brengen. Daarnaast - en dat komt men ook tegen in haar latere
werk (
Hasse Simonsdochter) - vormt het
mondig worden van de vrouw in een wereld die door mannen wordt beheerst, een
belangrijk motief. Aangenomen mag worden, dat de trilogie juist door de
identificatiemogelijkheid zo geliefd is: kinderen van twaalf tot veertien jaar
zouden ook graag als troubadour door Frankrijk zwerven, al zou men in dit geval
misschien beter van projectie kunnen spreken. Literatuursociologisch
georiënteerde critici meenden overigens enige afbreuk te kunnen doen aan
Beckmans ‘revolutionaire’ claim: zij betwijfelen of er wel één centraal thema
in de trilogie aanwezig is en bovendien vragen zij zich af of het ‘gewone volk’
wel mondig wordt, in hun visie is er eerder sprake van de ‘gegoede
burgerij’.
Beckman blijft toch vooral de auteur van historische jeugdboeken -
zij publiceerde nog
De stad in de storm (1979),
De Gouden Dolk (1982) en
De val van de Vredenborch (1988) -, al
heeft ze zich ook niet zonder succes met andere genres beziggehouden.
In het voorgaande is nauwelijks aandacht besteed aan de eventuele
pedagogische of didactische waarde van dit onverwoestbare genre, het betreft
hier immers eerst en vooral een beschrijving van een literaire traditie. Dat
neemt natuurlijk niet weg dat juist dit genre veelal ontstaan is vanuit een
dergelijke invalshoek; de grote hoeveelheid schrijvende onderwijzers spreekt in
dit opzicht boekdelen. Het is dan ook niet toevallig dat
Lea Dasberg in
Het kinderboek als opvoeder: Twee eeuwen
pedagogische normen en waarden in het historische kinderboek in
Nederland, dit soort werken het aangewezen genre achtte om
onderzoek naar te verrichten. Een van haar overwegingen lijkt me een passend
besluit voor deze paragraaf: ‘De zesde | | | | overweging [...] was dat
het historische kinderboek het meest direct duidelijk kan maken dat in
kinderboeken een 4de opvoedingsmilieu besloten ligt. Het historische kinderboek
heeft meer mogelijkheden dan welk ander genre ook kinderen te confronteren met
en aan het denken zetten over zaken en problemen en toestanden, waarmee ze via
de drie andere opvoedingsmilieus - gezin, school en peergroep - niet in
aanraking komen. Wel hebben we gezegd dat de school via geschiedenis- en
aardrijkskundeles het kind in kennis brengt met andere tijden en andere
volkeren, maar kennis nemen van is iets anders dan meeleven met, inleven in.
Het fictieve ontspanningsboek maakt het de lezer mogelijk de vernederingen van
Spartacus, de tweestrijd van een Hugenoot, de voldoening van Madame Curie, de
verscheurdheid van een Surinaamse Nederlander bij het onafhankelijk worden van
Suriname tussen zijn vaderland en zijn moederland, als persoonlijke ervaringen
te beleven en tot een stukje levenswijsheid te verwerken. Het historische
jeugdboek is bij uitstek grensverleggend, en, zoals we reeds eerder hebben
betoogd, is dat volgens ons van grote pedagogische waarde’ (Dasberg, 1981). Al
kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat deze overweging toch vooral een
moderne zienswijze is.
| |
Heldhaftig en vastberaden - Het
avonturenboek
Men kan zich afvragen of
avonturenverhalen thuishoren in een literatuurgeschiedenis als deze. Nog
sterker dan bij het historische jeugdboek dringt zich de vraag op of dit genre
niet bij uitstek een triviaal genre is en derhalve niet waard om genoemd te
worden, al ben ik me ervan bewust dat de kwestie van het onderscheid tussen
literatuur en lectuur binnen het domein van de jeugdliteratuur gecompliceerder
ligt dan bij literatuur voor volwassenen. Het is immers zo dat veel volwassen
beoordelaars nogal wat kinder- en jeugdboeken als triviaal bestempelen, en dan
vooral op grond van taal- en structuurelementen. Inderdaad is met behulp van
romantheoretische begrippen als ‘perspectief’, ‘tijd’, ‘ruimte’, ‘figuren’
betrekkelijk gemakkelijk aan te tonen dat in jeugdliteraire teksten dit soort
categorieën in hun eenvoudigste vorm verschijnen. Maar hoe rigide moet en kan
men dit onderscheid hanteren, als het om jeugdboeken gaat? Aan de andere kant
kan men zeggen dat de moeilijkheidsgraad van teksten, als criterium, ook weer
de nodige problemen met zich mee brengt. Enerzijds bestaan er, vooral recente,
jeugdliteraire teksten, die in structureel opzicht tamelijk complex zijn - er
kan gedacht worden aan
Krabat (Otfried Preussler) of
De dagen van olim (
Miep Diekmann) -, anderzijds is dat criterium
van de moeilijkheidsgraad weinig exact. Er bestaat immers literatuur voor
volwassenen die voor de jeugd ‘leesbaar’ is (
Carmiggelt,
Bomans,
Biesheuvel,
Mensje van Keulen), terwijl er daartegenover
teksten bestaan die weliswaar voor volwassenen bestemd zijn, doch ook door hen
te moeilijk worden bevonden (
Ivo Michiels,
Jacq Firmin Vogelaar). In dit soort tegenspraken
kan men verzeild raken, wanneer uitsluitend de moeilijkheidsgraad van teksten
als uitgangspunt genomen wordt. | | | |
Ook in pedagogisch-didactisch opzicht - als het om jeugdliteratuur gaat
is deze zienswijze onvermijdelijk, dáárom is het ook een literaire variant -
speelt de kwestie van literatuur versus lectuur een niet onaanzienlijke rol.
Vooral stripverhalen, detectives én avonturenverhalen worden door volwassenen
al snel als ‘leesvoer’, ‘clichéliteratuur’ of met andere benamingen van een
zelfde negatieve gevoelswaarde aangeduid.
Nu is de veroordeling van dit soort lectuur binnen het gebied van de
jeugdliteratuur niet van recente datum. Aan het einde van de vorige eeuw hield
Wolgast (1896) reeds een vurig pleidooi voor kwaliteit met zijn betoog over
Das Elend unserer Jungendliteratur. In Nederland waarschuwden
in het begin van de twintigste eeuw
Van Hichtum,
Stamperius en
Gerhard tegen wat zij noemden
‘sensatie-literatuur’, omdat ze van mening waren dat dit soort teksten de
jeugdige lezer ongeschikt zou maken voor het lezen van goede (= literair en
pedagogisch verantwoorde) boeken. Zeer bekend is de in de jaren vijftig
woedende hetze tegen strips, met het werk van
Wertham (1954), Seduction of the
innocent, als belangrijkste exponent daarvan; hij veroordeelde vooral
(seks en) geweld in deze tekstsoort, die hij verantwoordelijk achtte voor de
door hem geconstateerde morele aftakeling van de jeugd. Als kenmerken van
‘Schundliteratuur’ gelden het clichématige karakter van de verbeelde
werkelijkheid, de zwart-wittekening van de personages (stereotypering), een
gebrek aan consistentie en waarschijnlijkheid in de ‘plot’, een sterke voorkeur
voor sensatie. Men komt, net als in de lectuur voor volwassenen overigens,
steeds hetzelfde verhaalverloop tegen: inleiding-verwikkeling-gelukkige afloop,
waarbij de verwikkeling veelal uitsluitend tot doel heeft de spanning te
verhogen. Welke personages de handeling dragen, doet er nauwelijks iets toe, de
afloop staat vast, er is geen open einde, er is nauwelijks plaats voor
verrassingen.
Kruithof (1974) geeft dit schrijfprocédé een
illustratieve afkorting mee: DGAV (De Gelukkige Afloop Vertragen). Vooral in
series - ik kom er nog over te spreken - als Arendsoog, De
kameleon, Inspecteur Arglistig vindt men deze kenmerken terug. En de
herhaling daarvan is kennelijk een van de belangrijkste factoren voor het
formidabele succes van dit soort series.
Ghesquiere (19862) duidt
het succes van reeksen als de genoemde vooral in psychologische zin. Ze bieden
projectie- en compensatiemogelijkheden, ‘De Vijf’ of de jongens uit
De Kameleon slagen waar anderen, meestal volwassenen,
mislukken. Ook de volgende verklaring is (ontwikkelings)psychologisch van aard.
Doordat elk avonturenverhaal in feite hetzelfde verhaal (DGAV) vertelt, krijgen
kinderen sneller vat op het geheel en genieten ze er meer van: het lezen van
gelijksoortige teksten geeft, zo is de gedachte, de jeugdige lezer de illusie
dat hij in staat is een tekst met succes te recipiëren, met andere woorden dat
hij over leesvaardigheid beschikt. Dezelfde Ghesquiere geeft daarom het lezen
van series een plaats in de leesontwikkeling van het kind: ‘Als we ermee
rekening houden dat kinderen bij de evaluatie van teksten hun vroegere
leeservaring niet echt benutten en nog niet over een overkoepelende structuur
beschikken, dan hoeft het ons niet te verwonderen dat het serielezen voor de
meeste kinderen een vast stadium vormt in de leesontwikkeling. Gelijksoortige
teksten lijken haast een noodzaak voor het verwerven van inzicht in
tekststructuren en -strategieën.’ | | | |
In het voorgaande is nogal de nadruk gelegd op de tegenstanders van
avonturenverhalen, vooral in pedagogische zin. Inderdaad is het zo dat iemand
als
Stamperius boeken van Gustave Aimard
(1818-1883, auteur van veel gelezen Indianenverhalen) beschouwde als ware
sensatieromans voor de jeugd. Het verbaast hem dat ouders en onderwijzers hun
kinderen Indianenboeken van Aimard in handen konden geven: ‘Want of men ontkent
den invloed op de zedelijke vorming van het kind - en 't zou een stout beweren
zijn dit te doen - óf men moet toegeven, dat die bloederige, de fantasie in
hooge mate prikkelende Indianenverhalen, waarin een moord, zoo 't slechts een
roodhuid geldt, niet geteld, ja zelfs toegejuicht wordt, allesbehalve geschikt
zijn om edele gezindheid te wekken en gezonde begrippen van naastenliefde en
verdraagzaamheid aan te kweken’ (Stamperius, 1910). Ook Met een
kwartje de wereld rond van Paul d'Ivoi (1856-1915, auteur van
reisverhalen), zegt hij, lezen kinderen alleen om de avonturen. Dezelfde Aimard
moet het ook ontgelden bij
Gerhard; diens boeken acht hij verderfelijk
voor kinderen: ‘Deze wereld van bandieten, zeeschuimers is [...] niet een
wereld, waarin men de jeugd brengen mag, en daarom moet Aimard [...] ook uit de
kinderbibliotheek verdwijnen’ (Gerhard, 1905).
Daar staan echter getuigenissen van tijdgenoten tegenover. Zo oordeelt
Cornelis Veth buitengewoon mild over de boeken
van Aimard, die hij ‘niet gansch onstichtelijk’ noemt; de liefde voor de
natuur, voor vreemde volkeren en voor de vrijheid weegt ruimschoots op tegen
‘het beetje bloeddorst’ en ‘de vele onzin’ (Veth, 1912).
Theo Thijssen gaat nog veel verder in zijn
tijdschrijft De Nieuwe School: ‘Erger nog, ik heb de stellige
overtuiging, dat die heerlijke boeken van Aimard machtig veel hebben
bijgedragen tot mijn geestelijke groei; ik weet zeker, dat ik veel minner soort
mens geweest zou zijn, als Aimard niet had meegedaan aan m'n opvoeding. En als
het waar is, dat de tegenwoordige jeugd als gevolg van kwasi-pedagogische
kletscampagnes tegen de avonturenboeken, minder Aimard en minder Marryat
[Captain Marryat, 1792-1848, auteur van spannende zee-avonturenverhalen] [...]
te lezen krijgt dan vroeger, dan beweer ik, dat ie bij ons vergeleken,
heel wat te kort komt.’ (Geciteerd naar De Vries, 1989).
Jaren later houdt
Godfried Bomans soortgelijke betogen, en, al
zijn zijn voorbeelden andere auteurs (James Fenimore Cooper, Karl May), het
gaat in wezen om hetzelfde. De avonturenroman dankt in Bomans' visie zijn
succes aan het feit dat de hoofdpersoon een held is, met wie de lezer zich nu
eenmaal graag identificeert. Het thema is altijd: de held die wint. Hij legt,
net als Blokker (1974), maar dan in positieve zin, verband met de ‘grote’
literatuur: of de held nu Odysseus heet of Buffalo Bill, Aeneas of Sherlock
Holmes, dat doet niet terzake. Waar het om gaat, is dat hij alle gevaren
trotseert en eindigt als overwinnaar. Volgens Bomans is er maar één manier om
minderwaardige avonturenverhalen - hij doelt dan op kioskromans als
Lord Lister en Dick Bos - te bestrijden:
met goede avonturenverhalen. Daarom moet men kinderen het werk van, en daar
verschijnen ze weer, Karl May, James Fenimore Cooper en Paul d'Ivoi in handen
geven. Het is onzin om te denken dat men hun ooit zou kunnen verbieden
avonturenverhalen te lezen en er is ook niets op tegen: ‘Nog nooit is er een
jongen gesignaleerd, die zijn vriendinnetje op een spoorrail vastbond en met
een mes doorstak, omdat hij dat | | | |

[9] De beroving van de postkoets. De wetten van
het genre schrijven het voor. Omslagillustratie van J. Huizinga.
[10] Raadsels zijn er om door Pim Pandoer
opgelost te worden. Omslagillustratie Frans Lammers.
| | | | ergens in een Indianenverhaal gelezen had. Een
jongen die dat doet, is niet wijs. Een andere verklaring is er niet’ (
Bomans, 1948).
Opvallend is dat geen van de geciteerde auteurs in zijn voorbeelden
refereert aan al of niet jeugdliteraire geschriften - want de schrijvers die
genoemd worden, schreven niet primair voor kinderen - van Nederlandse makelij.
Slaat men de beide deeltjes Dát was nog eens lezen! op, dan
doet zich daar (bijna) hetzelfde verschijnsel voor.
Geert van Beek adoreert Winnetou;
A. den Doolaard spreekt over legendarische
Indianenbevechters als Old Shatterhand en Old Firehand;
Rinus Ferdinandusse treurt nu nog om Winnetous
dood; ook
Han G. Hoekstra las natuurlijk alle Karl Mays
en noemt eveneens Aimard; en zelfs een vrouwelijk auteur als
An Rutgers van der Loeff wilde niets liever
dan Winnetous sporen drukken;
J.C. van Schagen vermeldt het zo langzamerhand
bijna bekende rijtje, Karl May, Gustave Aimard en Paul d'Ivoi;
Bob den Uyl kon niet loskomen van Dumas'
De drie musketiers;
Adriaan van der Veen las en herlas alles van
Karl May en vermeed De dood van Winnetou, voor hem mócht
Winnetou niet dood, maar vond ook de werken van Paul d'Ivoi en Captain Marryat
opwindende lectuur; Winnetou en de zeerovers acht
Leo Vroman het schitterendste boek uit zijn
jeugd;
Hans Berghuis wijdt een gedicht aan Winnetou
en Karl May blijkt voor
F. van den Bosch vooral een magistraal
verteller te zijn;
Rein Bloem bewierookt Steubens Tecumseh (‘de
Bergleeuw’ voor insiders).
Er zijn slechts twee auteurs die jeugdliteraire voorbeelden uit de
Nederlandse literatuur casu quo lectuur noemen.
T. van Deel, maar in feite in negatieve zin,
want hij zet ze af tegen voor hem belangrijkere verhalen van
W.G. van de Hulst: ‘Op dit ogenblik zijn al
deze verhalen niet meer zo wérkelijk als toen. Maar ze blijven toch iets zeggen
dat voor mij belangrijker is dan alle Bob Eversen, Arendsogen en dierenverhalen
uit de wildernis die daarna kwamen.’ (Dát was nog eens
lezen!, 1972.) De tweede is
Wiel Kusters, die in een ietwat ironisch
getoonzette beschouwing zijn jeugdliefde voor Arendsoog (De bende
van de blauwe bergen) belijdt (Dát was nog eens lezen!
2, 1987).
Wat staat mij, met deze gegevens als achtergrond, nu te doen? Valt er
eigenlijk wel iets te behandelen, literair-historisch gesproken? Kennelijk is
het zo dat Nederlandse jeugdboekenauteurs, als ze al avonturenverhalen
schreven, toch liever historische avonturen beschreven (zie
p. 268). Deze omstandigheid heeft er ook toe geleid dat hierna een subgenre van
het avonturenverhaal (of van het historische verhaal, het hangt er maar van af
waar men de nadruk op legt), het oorlogsboek, behandeld zal worden vanuit
dezelfde visie als bij het historische jeugdboek (‘avonturen’ versus ‘actuele
relevantie’). Maar voordat daartoe overgegaan wordt, iets anders. Ik kan er
niet omheen, al was het alleen maar vanwege uitspraken als die van
Thijssen en
Bomans, enige aandacht te besteden aan
avonturenboeken in de meer strikte zin van het woord, en onvermijdelijk komt
men dan uit bij series, teksten die als triviaal bestempeld
worden dus. Als een soort exemplum van het genus zal ik één serie betrekkelijk
uitputtend bespreken. De keuze is daarbij gevallen op de Bob Evers-serie van
Willy van der Heide. Om een aantal redenen. In
de eerste plaats nemen detective-verhalen een belangrijke
plaats in in - laten we | | | |

[11] Tegenwind ontmoet de Kameleon zelden.
Bandtekening van Gerard van Straaten.
| | | | het zo maar noemen - de ontspanningslectuur (men
kan denken aan De Kameleon, De Diskus, Inspecteur Arglistig,
Commissaris Achterberg (alle bij Kluitman uitgegeven), Bas
Banning, Pim Pandoer, en eigenlijk ook Arendsoog). In de
tweede plaats is het bij de Bob Evers-serie mogelijk iets van een historische
dimensie in te bouwen. De reeks is immers een met name in de jaren vijftig en
zestig populaire jeugddetectiveserie en daardoor geschikt als exemplum, door
zijn toenmalige populariteit en door het feit dat hij is afgerond, er komen
geen nieuwe delen meer uit. In de derde plaats is er bij mijn weten nog
nauwelijks aandacht aan besteed, al geldt dit wellicht voor meer van de
hierboven genoemde reeksen (vergelijk Wijma, 1976).
Net als in vroeger tijden blijken in de weinige - symptomatisch voor dit
soort geschriften - contemporaine besprekingen van de delen van de serie de
meningen nogal verdeeld over de inhoudelijke en pedagogische kwaliteiten ervan.
Bij opvoeders is duidelijk de angst aanwezig dat de negatieve invloed van een
hele serie avonturenboeken op de jeugd wel eens groot zou kunnen zijn, veel
groter dan bij één enkel avonturenboek: ‘Geld, avontuur, toeval en branie zijn
ook hier uit voorraad leverbaar. De schurken worden deskundig ontmaskerd en de
ondeugd hevig aan de kaak gesteld. Het ziet er dus best wel pedagogisch uit en
in één boek kan het ook best, maar vermenigvuldigd met 30 doet het je je hart
toch vasthouden voor Bob, Jan en Arie en... hun enthousiaste lezers.’ (Uit een
bespreking van het dertigste Bob Evers-boek,
Heibel in Honoloeloe, Idilgids oktober 1960.)
Zoals gezegd is de oogst aan receptiegegevens betrekkelijk mager.
Periodieken als de Idilgids en Ons eigen
blad besteedden aandacht aan de serie, maar ook enkele dag- en weekbladen
als de NRC, Nieuwsblad van het Noorden en Vrij
Nederland maken melding van het verschijnen van nieuwe delen. Zoals te
verwachten viel, lopen de meningen nogal uiteen. Sommige recensenten zijn mild
negatief, bij voorbeeld die van de Provinciale Overijselse en
Zwolse Courant (17-12-1954), die bij het verschijnen van het vijftiende en
zestiende deel verzucht: ‘Ook nu weer vergast de auteur zijn jeugdige lezers op
tal van avonturen, hij weet steeds weer voor afwisseling en meestentijds
ongevaarlijke sensatie te zorgen en toch bezorgen deze boeken ons heimwee naar
de successen van een vorige periode, naar dat prachtige
De Scheepsjongens van Bontekoe. [...] Die
boeken hadden sfeer, de lezer werd opgenomen in het verhaal, de jeugdige
hoofdpersonen waren jongens van vlees en bloed.’ Dat de Idilgids er niet veel van moet hebben, spreekt vanzelf. Over
Een meesterstunt in Mexico meldt zij:
‘Weer een gooi- en smijtboek uit de Bob Evers-serie. [...] Er wordt aan één
stuk door in gerevolverd, met dynamiet gesmeten, ontvoerd, gedood en allerlei
ander akelig opwindend werk gedaan en soms op de meest sinistere manier
gesproken over dood, electrische stoel, enz. Een beeldverhaal kan er
verfrissend bij zijn!’ (november 1955). Maar ook Vrij
Nederland (17-7-1954) schrijft in soortgelijke termen over enkele
deeltjes, slotformuleringen als in het volgende citaat zouden in
jeugdboekenrecensies (in De Blauw Geruite Kiel) van nu
ondenkbaar zijn: ‘
Willy van der Heide schrijft zijn jongensboeken
[...] aan de lopende band. En ze worden aan de lopende band gedrukt en herdrukt
ook! Waarom? We hebben ook in de drie pas verschenen delen,
Een motorboot voor een drijvend flesje,
Een klopjacht op een kapitein,
Kabaal om een varkensleren koffer, alleen maar
lach-of-ik-schiet geestigheden gevonden en kunnen, bij alle verbazing voor
| | | | de vindingrijkheid van de schrijver, zijn boeken vol gebral en
kwasi-flinkheid onmogelijk aanbevelen.’
Pedagogische bezwaren voeren nog steeds de boventoon, net als vroeger:
‘De ongemanierde ruwheid die uit deze serieverhalen spreekt, de leugens, die
als “smoesjes” zo vanzelfsprekend worden gevonden, het altijd maar weer
neerrammeien van tegenstanders met revolverbutts, het aspect van Amerika op
zijn slechtst... dit alles maakt ze onbruikbaar voor onze jeugd.’ (Idilgids, januari/februari 1958.)
Maar het Nieuwblad van het Noorden (12-8-1961) ziet
wel wat in de reeks. Over
Heibel in Honoloeloe schrijft de
recensent: ‘Ook dit nieuwe boek is humoristisch geschreven, het is spannend en
avontuurlijk, kortom kostelijke lectuur voor jong en oud.’ En ook een
eerbiedwaardig dagblad als Het Vaderland (26-11-1955) laat
zich in lovende zin uit over de serie (naar aanleiding van
Vreemd krakeel in Californië): ‘Voor
oudere jongens een interessant boek, het verhaal is vlot geschreven en bevat
alle elementen die nodig zijn om te boeien.’
Bijna alle recensenten - ook de negatieve - erkennen de
schrijverskwaliteiten van
Van der Heide. De NRC (8-6-1955): ‘Handig is
Van der Heide, schrijven kan hij ook, en hij weet van dingen die jongens
interesseren.’ Zelfs de Idilgids (oktober 1961) vindt dat
‘het boek veel positiefs te bieden [heeft]: scherpe waarneming van alledaagse
eigenaardigheden; summiere en rake karaktertekening; goede taalvoering en
vooral een frisse dialoog, op het filmische af’.
Het is duidelijk, de opvoeders uit de jaren vijftig en zestig waren het
over het algemeen met elkaar eens: de boeken waren voor jongens heel
aantrekkelijk - over meisjes wordt bij dit genre zelden of nooit gesproken -
maar (daarom?) pedagogisch niet verantwoord door de ruwheid, leugenachtigheid
en het geweld dat erin werd gepresenteerd als hoorde het bij het dagelijks
leven. De boekjes werden echter, zoals dat bijna bij elke serie gaat, door de
jeugd verslonden en beleefden herdruk op herdruk.
In 1975 blijkt de (dan reeds volwassen) journalist
Henk Bergman zich nog steeds in de ban van
Willy van der Heide te bevinden: ‘Willy van
der Heide. De man die mij zoveel onvergetelijke uren had bezorgd met zijn
verhalen over Arie Roos, Jan Prins en Bob Evers. De man die er voor gezorgd had
dat ziek-zijn ook altijd zijn plezierige kanten had, want dan was het zo lekker
om weer over Arie Roos te lezen (lekker Roossen noemden we
dat).’ (Vrij Nederland, 16-8-1975.) Hij probeert ook een
verklaring te vinden voor de attractiviteit van de serie: ‘Wat maakt de Arie
Roos-boeken nou zo aantrekkelijk? De meest simpele (en niet de slechtste)
verklaring lijkt me dat ze gewoon leuk, spannend en goed geschreven zijn. De
uit den treure herhaalde grappen over Arie's uiterlijk en Jan's zuinigheid
vervelen eigenlijk nooit; in elk avontuur zijn er steeds wisselende kansen en
het geheel wordt opgediend met een ondertoon van nonchalance, die het lezen er
nog plezieriger op maakt.’ Bergman waagt zich ook aan een historische
verklaring: ‘Toch is er misschien nog een andere reden, namelijk dat de boeken
geschreven zijn dwars tegen alle pedagogische principes van de jaren vijftig
in.’ Het is aardig om te lezen dat Bergman, in 1975, een andere tijd met andere
opvoedingsidealen, wel ziet waar de problemen van de opvoeders anno 1975 met de
serie in gelegen | | | | zullen zijn. In de bezwaren van recensenten uit
de jaren vijftig en zestig wordt met geen woord gerept over stereotypering van
bepaalde groepen. Bergman: ‘Belgen, vrouwen en negers behoren niet tot de
slimsten der aarde.
Willy van der Heide lijkt vooral geen
negervriend. Onze zwarte broeders worden regelmatig aangeduid als aapmens of
chimpansee. In de eerste drukken van Drie jongens op een onbewoond
eiland komt zelfs de term nikkers voor, maar die is in
latere drukken vervangen door wilden.’ Geen bezwaar voor
Bergman, want hij sluit zijn artikel af met de
geruststellende mededeling dat hij er geen haat tegen Belgen, vrouwen en negers
aan heeft overgehouden.
Dan nu de boeken zelf. Enkele feitelijke gegevens. Willy van der Heide
is het pseudoniem van
Willem van den Hout (1916-1985). Bij zijn dood
had hij 34 delen van de Bob Evers-serie op zijn naam staan.
Aan de hand van persoonsbeschrijvingen en enkele andere verhaalelementen
zal ik proberen een beeld te schetsen van de reeks. Als inleiding op dat beeld
geef ik een samenvatting van één deeltje (
Arie Roos als ruilmatroos), waarbij
gebruik gemaakt is van de achterflap. Zo wordt tegelijkertijd een indruk
gegeven van het taalgebruik van de auteur en de sfeer van de serie: ‘Nauwelijks
bijgekomen van het schatgraversavontuur in de verlaten smaragdmijnen van
Columbia rolt ons drieste drietal, Bob Evers, Jan Prins en dikke Arie Roos
alweer in een andere, zo mogelijk nog gevaarlijker affaire: door een stom
toeval blijken zij en de aan lager wal geraakte ingenieur Rikkers in bezit te
zijn van zéér geheime papieren van aartsschurk Juan Cabral, die hij voor grof
geld verkocht heeft aan een zekere Czappa, een niet minder te duchten
collega-schurk. Zijn zij nu de enige die beschikken over de exacte gegevens
inzake de vindplaats van een aantal in de beruchte Bermuda-driehoek gezonken
Spaanse goudgaljoenen? Uit de snel volgende reeks regelrechte aanslagen op hun
leven moeten onze vrienden wel concluderen dat de bende van Czappa om
veiligheidsredenen zo snel mogelijk uitgeschakeld dient te worden. Onder schier
onmogelijke omstandigheden voeren zij een plan uit, waarbij Arie Roos invalt
voor een Chinese scheepskok. Alsof dat nog niet avontuurlijk genoeg is, moet
daarna het met hoogspanningsbedrading en bullterriers bewaakte hoofdkwartier
van Czappa nog overmeesterd worden. Zal de aan gierigheid grenzende zuinigheid
van Jan Prins nu eindelijk eens in hun voordeel werken?’
De reeks is genoemd naar Bob Evers, maar in feite speelt deze in vrijwel
elk deel een betrekkelijk ondergeschikte rol. Dat de serie toch naar hem
genoemd is, kan misschien verklaard worden vanuit het feit dat in de jaren
vijftig alles wat uit Amerika kwam per definitie opwindend was. Hoe hij
eruitziet wordt nergens duidelijk en ook worden hem nergens markante
karaktertrekken meegegeven. Hij wordt omschreven als een gezonde Amerikaanse
knul, zoon van een miljonair (‘Bob had een sterk gestel en een maag als een
struisvogel’). Hij heeft aanleg voor techniek, is graag met machines bezig en
vooral houdt hij van actie: ‘...ik wil trammelant, voor de drommel, dat is
alles wat ik vraag. Geen privébadkamers en al die pret. Alleen maar wat droog
brood en wat gezellige herrie.’ Hij houdt er een soort ‘padvinderseer’ op na:
‘Het was misschien gerechtvaardigd de muiters van | | | |

[12 a] Het artistieke niveau van het voorplat is
in overeenstemming met de inhoud. Omslagillustratie Moriën.
[12 b] Van der Heides stereotypie is door R. van
Giffen perfect geïllustreerd!
[12 c] Arie Roos, hun belachelijk dikke en
schijnbaar zotte, sproetige en roodharige vriend als redder in de nood.
Omslagillustratie Moriën.
| | | | boven af een schot door de ribben te geven. Maar
dat vond hij toch ook wel een beetje bar... zo zonder waarschuwing.’ De
gekleurde medemens acht hij inderdaad van weinig waarde, hetgeen duidelijk
blijkt uit de wijze waarop hij spreekt over enkele Kanaken, in een gevecht met
muiters: ‘“Twee man versterking,” [i.e. de Kanaken] besloot Bob, “maar ik denk
niet dat we er veel aan zullen hebben. Schuif ze eens opzij, in een kooi, en
laten we die deur eens bekijken.”’
De ware hoofdfiguur van de reeks is Arie Roos, zoon van een niet
onbemiddelde reder, geïntroduceerd in het eerste deel als ‘de dikke roodharige,
sproetige Arie’. Maar dat is nog niet alles, dit weinig flatteuze beeld wordt
door de verteller nog verder aangedikt met de mededeling dat hij beroemd is ‘om
de hoeveelheden die hij verslinden kon. Arie's leven was vol van mensen die in
zijn dikke benen knepen en vroegen of die soms hol waren en of hij een gat in
zijn maag had. Hoeveel Arie ook at, hij had kort daarna weer honger. Hij had
allang zo dik moeten zijn dat er wel zeventien Aries uit hadden gekund, maar no
Sir! Hij bleef precies even rond, werd niet magerder en niet dikker en lette
steeds op of niet iemand een boterham over had.’
Zijn kracht als detective ligt - onder andere - in zijn onnozele
uiterlijk, waardoor mensen hem onderschatten en hij, dus, gemakkelijker dingen
aan de weet kan komen. Zo zien zijn vrienden hem: ‘... hun belachelijk dikke en
schijnbaar zotte, sproetige en roodharige vriend [die] beschikte over een brein
dat meer opmerkte, scherper opmerkte en maar al te vaak ook sneller werkte dan
het hunne. Nog steeds waren zij op zoek naar het geheim van het
Roos-brein.’
Een ander pluspunt als detective is Aries fabuleervermogen. Zijn
specialiteit is verhalen verzinnen (en hij kan ze nog vertellen ook). Daarnaast
wordt hem een welhaast wonderbaarlijke listigheid toegedicht. Hij maakt er
bijna een sport van anders en slimmer te denken dan anderen: ‘Hij had lol, hij
had altijd plezier als hij, door zijn hersens te gebruiken, zijn tegenstanders
een paar zetten voor raakte.’
Dat hij altijd over veel geld beschikt, zal de jeugdige lezers niet
onaangenaam zijn voorgekomen - het bekende projectieverschijnsel -, hij geeft
het nog graag uit ook, bij voorkeur aan taxi's, hotels en dergelijke. Bij Arie
dient het geld voortdurend te rollen.
De Dritte im Bunde is Jan Prins, omschreven als ‘de
kwieke kolonelszoon’, en buitengewoon leergierig. Hij kent hele stukken uit de
Encyclopaedia Britannica uit zijn hoofd en is in het bezit
van een wiskundeknobbel. Net als Arie is hij hbs'er. Jan is het meest
‘padvinder’ van de drie. Met het doden van anderen, uit wraak, heeft hij
moeite, meer dan de anderen. Zijn moraal spreekt het duidelijkst uit deze
uitspraak: ‘Je mag een mens neerschieten in geval van harde noodzakelijkheid,
[...] als zelfverdediging. Maar als je je doel kunt bereiken door hem een klap
op zijn kop te geven en vast te binden, vind ik het niet in orde om hem zonder
waarschuwing neer te schieten. Dat is geen kinderachtigheid, dat is een kwestie
van sportiviteit.’ In nog een ander opzicht wijkt hij sterk af van de andere
twee, vooral van Arie Roos. Hij is buitengewoon zuinig, in de hele reeks blijft
dat zijn meest geprononceerde kenmerk. Dat is te meer opvallend, aangezien er
over het algemeen niet op een dubbeltje gekeken wordt; de statussymbolen liegen
er niet om, bootreizen, dure auto's, dure hotels, dure kleding, en ook de
ruimtes waar de | | | | verhalen zich afspelen, kunnen gerust als
exotisch betiteld worden. Men vergelijke in dit verband enkele titels:
Avontuur in de Stille Zuidzee,
Een speurtocht door Noord-Afrika,
Een meesterstunt in Mexico,
Trammelant op Trinidad,
Pyamarel in Panama,
Hoog spel in Hongkong,
Heibel in Honoloeloe,
Cnall-effecten in Casablanca.
Hoe is het gesteld met de tegenstanders van Willy van der Heides
illustere drietal? Uit de beschrijving van hun hoedanigheden zal duidelijk
worden waarom er van pedagogische zijde, nu misschien meer dan vroeger, nogal
wat bezwaren mogelijk zijn.
De tegenstanders hebben uiterlijk het een en ander met elkaar gemeen. Ze
zijn ofwel uitzonderlijk klein van stuk ofwel erg uit de kluiten gewassen. Ze
zijn - bekend gegeven in series van deze aard - onmiddellijk herkenbaar als
bandiet met ‘hun tronies als losgelaten gevangenisboeven’ en ze hebben bijna
onveranderlijk zwart haar.
Vrijwel elke ‘bad guy’ heeft één of meer kenmerkende uiterlijke
misvormingen, die steeds, door de gehele reeks heen, in enkele variaties
terugkeren. Soms missen ze een oor, nogal wat slechteriken zijn in het bezit
van een bulldogkaak of ‘een onderkaak als de schepemmer van een baggermachine’,
littekens zijn aan de orde van de dag. Maar het zijn toch vooral onsmákelijke
lieden, met overal bossen haar (op vingerkootjes, borst en armen); sommigen van
hen worden dan ook door Van der Heide geclassificeerd als ‘gorilla's’. Ze lopen
veelal ongeschoren rond en hun kleding wordt als vies omschreven.
De gedragingen van de bandieten stemmen in de meeste gevallen overeen
met hun uiterlijk. Ze praten niet gewoon maar ‘grauwen’, ‘snauwen’, ‘grommen’,
‘spugen’ en ‘tieren’. Ze hebben rauwe stemmen en hun taalgebruik wijkt
doorgaans af van het Algemeen Beschaafd Nederlands (dat uiteraard door de ‘good
guys’ wordt gebezigd): ‘hebbe’, ‘zitte’ et cetera.
De bandieten maken vrijwel altijd deel uit van een grotere bende en
opereren nimmer individueel; daar zijn ze - zo lijkt het - niet intelligent
genoeg voor. Over de achtergrond van hun handelen wordt niet meer verteld dan
dat ze op eigen gewin uit zijn. Over hun sociale achtergrond wordt de lezer
niets meegedeeld.
Opvallend is ook dat de jongens zelden of nooit een duidelijk standpunt
innemen tegenover (de aard van) de gepleegde misdaden (muiterij, moord,
valsemunterij, kunstdiefstal, afpersing en ontvoering). Als ze het al doen,
tonen zij zich slechts persóónlijk geraakt; in morele of ethische zin laten zij
zich niet uit.
Een duidelijk standpunt valt er wel te distilleren waar het om
(stereotiepe) vooroordelen van bepaalde groeperingen gaat. Dat gebeurt niet
impliciet, maar expliciet. Ik geef enkele (onomwonden) voorbeelden van Van der
Heides (voor)oordeel over negers:
| - | ‘Maar overtuigd van de noodzakelijkheid om negers te vangen, want
zonder die zwarten werden er geen kolen geschept.’ |
| - | Over de halfbloed Muriloff, met een Russische vader en Polynesische
moeder: ‘Het kind had de kracht, de slimheid en de moed van zijn vader en de
luiheid en de trouw van zijn inlandse moeder.’ |
| - | ‘Negers zijn ongelooflijk handig in alle primitieve klusjes, zoals
vuren stoken, vlechten en door bossen sjouwen.’ |
| | | |
| - | Twee Kanaken vinden blikjes vruchten en worstjes in een kajuit:
‘Blikjes waren hen vertrouwd. [...] Het probleem was: hoe die dingen open te
krijgen. Een blanke zou dat vermoedelijk binnen een minuut hebben
klaargespeeld, door gebruik te maken van een roestige vijl die op de grond
rondslingerde, maar daar hadden deze primitieve lieden met voldoende technische
kennis en combinatievermogen voor.’ |
| - | Negers blijken niet gewoon te kunnen praten, zij ‘snateren’,
‘kakelen’, ‘krijsen’ en ‘kwetteren’. Zij communiceren met elkaar door ‘kwekken,
in een natuurlijk onverstaanbaar taaltje’. |
Het is duidelijk: de waarden en normen van de eigen (westerse) cultuur
zijn superieur. Opvallend is wel dat er in de latere delen iets doorbreekt van
veranderde sociaal-culturele inzichten, de eigen cultuur wordt iets kritischer
bekeken. De vooruitgang en toenemende welvaart brengt (dan) volgens de
schrijver ook nadelen met zich mee. In het bijzonder in het laatste boek vindt
men deze (lichte) kritiek aanwezig: ‘...uit een door de Spanjaarden (in naam
van het fijne Christendom) verwoeste beschavingsperiode’ en ‘de vervloekte
Amerikaanse welvaart heeft dat allemaal goed en grondig verziekt’ en heel
duidelijk in deze uitspraak van Jan Prins: ‘geld veroorzaakte tenminste geen
milieuvervuiling’.
Het is denkbaar dat de Bob Evers-serie - behalve door de ‘normale’
aantrekkelijkheid van een detectiveserie - om een aantal andere redenen in de
jaren vijftig en zestig zo'n groot succes heeft gekend. De wat afwijkende held
Arie Roos, de financiële mogelijkheden van de jongens, de exotische plaatsen
waar hun avonturen zich afspelen en de in sommige opzichten extreme
verdorvenheid van hun tegenstanders plaatsen de Bob Evers-serie wellicht buiten
het gebruikelijke - misschien wel kinderachtig te noemen - patroon van de
jeugddetective uit die jaren. Men vergelijke in dit verband deze kwalificatie
van de Arendsoog-serie door Frits Abrahams: ‘Qua taalgebruik zijn de boeken
allerminst een wonder van vernuft, maar de clichés horen bij het genre, ze
bepalen mede die onontbeerlijke uitstraling van gezellige
gevaarlijkheid die dergelijke boeken eigen is. Het gevaar mag nog zo
dreigend zijn, zolang Arendsoog “verbijsterd tussen zijn tanden fluit” en de
tegenstanders “verwensingen brommen”, weet elke lezer onbewust dat het toch
weer goed zal aflopen. [...] Het mag versleten taalgebruik zijn, maar ik kan me
als de dag van gisteren herinneren hoe ik huiverde van genot bij zinnen als:
“Als blikken inderdaad konden doden, zou onze vriend nu al niet meer in het
land der levenden zijn geweest.” (Abrahams, 1980.) Het zijn, lijkt me, de
genoemde (graduele) afwijkingen van het patroon, die de boeken van Van der
Heide zo populair gemaakt hebben en misschien waren ze daardoor, meer dan
andere vergelijkbare series, opvoeders een doorn in het oog.
Aan een definiëring van het genre ‘avonturenboek’ heb ik me tot nu toe
niet gewaagd. Impliciet is natuurlijk wel uitgegaan van een bepaalde
omschrijving ervan. Uit het voorgaande bleek in elk geval dat
‘kwajongensavonturen’ zoals beschreven door auteurs als
De Vletter (
Zeven jongens en 'n ouwe schuit),
Van Abkoude (
Pietje Bell,
Kruimeltje),
Kieviet (
Dik Trom) en
Schuil (
De Katjangs) er niet toe gerekend werden.
Toch is het misschien goed, als een soort inleiding op de | | | |

[13] Kruimeltje, de bijna klassieke Rotterdamse
straatjongen.
| | | | bespreking van de boeken van
Norel en
Terlouw, er enige aandacht aan te wijden. Ik
baseer me bij de volgende uiteenzetting op een Duits artikel van Pleticha
(1974).
Ondanks het feit dat het begrip ‘avontuur’ in diverse perioden
verschillende invullingen kreeg, acht Pleticha het mogelijk enkele
grondelementen aan te wijzen. Zo horen in zijn visie avontuur en waaghalzerij
bij elkaar, waarbij waaghalzerij zowel positief als negatief bedoeld kan zijn.
In samenhang met het avontuur duikt altijd het begrip ‘held’ op, met de
eigenschappen ‘dapper’ en ‘grootmoedig’. Voorts heeft het begrip ‘avontuur’
altijd te maken met het ongewone, het onverwachte, het bijna-niet-mogelijke. De
kern van elk avonturenboek is volgens hem dat het bijzondere, het
niet-alledaagse overheerst.
In het avonturenverhaal staat het handelen voorop: er gebéúrt, mag men
rustig stellen, veel. Pleticha voegt hier ten overvloede aan toe dat, als de
veelheid aan gebeurtenissen overdreven wordt en de sensatie voorop komt te
staan, de vertelling afzakt naar het triviale.
Hij schetst de volgende historische ontwikkeling van het genre. Al in de
oudste verhalen uit de geschiedenis van de mensheid (voorbeeld: het
Gilgamesj-epos) zijn grondelementen van het avonturenverhaal aan te wijzen:
onder andere de tweekamp, het vechten tegen monsters. Ook komen we in die oude
verhalen het bekende motief tegen van de vlucht vol gevaren en het reizen in
onbekende, geheimzinnige landen, veelal verbonden met de aanwezigheid van de
ervaren vechtersbaas, die wint door zijn geestelijke (en lichamelijke)
superioriteit (voorbeelden: de Oudegyptische Sinuhe-roman en het Jozef-verhaal
uit het Oude Testament). De Griekse mythologie biedt eveneens tal van
voorbeelden (de Odyssee). De te trotseren gevaren worden hier
niet met kracht overwonnen, maar met slimheid en dapperheid. Dit maakt, aldus
Pleticha, Odysseus tot een positief prototype van de avonturier.
In het Duitse taalgebied - maar niet alleen daar - krijgen de
middeleeuwse verhalen een nieuwe vorm. Terwijl in het Odysseus-verhaal het
avontuur aan de held wordt opgedrongen, zoeken de middeleeuwse ridders het
avontuur bewust. Bestond het gevaar aanvankelijk uit natuurgeweld en de
ontzagwekkende kracht (en macht) van de goden, in de middeleeuwse verhalen gaat
het bij de tegenstrevers veelal om andere ridders, gelijkwaardigen binnen het
feodale systeem, al verdwijnt het natuurgeweld niet helemaal uit het
gezicht.
Pleticha schrijft de Spaanse schelmenroman, in de zestiende eeuw, een
grote invloed toe. De held - hij spreekt mijns inziens ten onrechte hier van
een antiheld - bekommert zich om het lot van de zwakkeren. De schelmen strijden
voor het volk en tégen de gevestigde orde en het gezag. Tegelijk met dit type
held komt nog een type op, dat eveneens onder de ‘sociale buitenstaanders’
valt, namelijk de vrijbuiter en de piraat. Als voorbeeld hiervan noemt hij,
hoewel uit een latere periode, Schateiland van Stevenson.
In de achttiende eeuw ontstaat, naast de overige, een ander grondtype
van het avonturenverhaal, namelijk de robinsonade, met als dominant motief de
schipbreukeling, die aanspoelt op een eiland en daar geheel op zichzelf is
aangewezen.
Pas honderd jaar later - we komen nu op min of meer bekend terrein -
krijgt het | | | | avonturenverhaal nieuwe impulsen, komend uit twee
richtingen: de historische romans van Walter Scott en de Indianenverhalen van
James Fenimore Cooper. En bijna tegelijk met de bloeitijd van de historische
romans begint de ontwikkeling van het avontuurlijke toekomstverhaal (Jules
Verne).
Uit dit overzicht blijkt wel - zoals ook al eerder aangegeven - dat,
vergeleken met andere genres, min of meer klassieke (buitenlandse) boeken,
meestal in eerste instantie geschreven voor volwassenen, bij het
avonturenverhaal een grote rol spelen. Vaak worden deze dan ook in bewerkte of
aangepaste vorm voor kinderen gepubliceerd.
Het oorlogsboek wordt nogal eens - ook door Pleticha - ondergebracht
bij, en als subcategorie beschouwd van avonturenboeken. Omdat, zoals we gezien
hebben, er weinig pure avonturenboeken van Nederlandse makelij bestaan, kies ik
voor een literairhistorische beschouwing aan de hand van dit genre.
Het blijkt dat binnen de avonturenboeken oorlogsboeken zich in een grote
populariteit onder de jeugd mogen verheugen. Uit een leesenquête onder jongeren
uit 1970, gehouden door het echtpaar Daalder (1973)2, komt
naar voren dat het oorlogsboek - na de strip - de lijst aanvoert. En aan het
begin van de twintigste eeuw ligt dat al niet veel anders: de uitkomst van een
soortgelijk onderzoek uit 1928 toont aan dat het avontuurlijke en
geschiedkundige verhaal het meest in trek waren. Immers op de vraag ‘hoe moet
een boek zijn volgens jou?’ antwoordde 92 procent van de jongens en 84 procent
van de meisjes ‘spannend’. Een uitkomst die bevestigd wordt door een recenter
onderzoek van Wijma (1983). En ‘spanning’ is, zo mag aangenomen worden,
eveneens een belangrijk, zo niet allesbepalend element in oorlogsboeken.
Voor auteurs is ‘oorlog’ in zoverre een dankbaar onderwerp, dat de
conflict-situatie tussen en in de personages of groepen met het onderwerp
gegeven is. Bovendien kan hij/zij in een oorlogsboek alle gewenste emoties
oproepen: wanhoop, angst, spanning, verdriet, vriendschap, vertrouwen én
gelukkige afloop, want de vijandelijke tegenpartij legt onvermijdelijk het
loodje. Wanneer de nood het hoogst is, is de redding nabij. In elk geval geldt
dit voor de twee hierna te behandelen werken.
Verhaaltechnisch biedt de tweede wereldoorlog uitstekende
aanknopingspunten: een overzichtelijke periode van vijf jaar, met een
dramatisch begin en de bevrijding als happy ending. In de tussentijd spelen
verzet en verraad (de ondergrondse en de NSB) en menselijk leed (razzia's,
onderduiken, honger) een rol. Het is aan de auteur op welke elementen hij de
meeste nadruk wil leggen.
Norels trilogie Engelandvaarders, verschenen vlak na
de bevrijding, staat te boek als een bijna klassiek oorlogsverhaal. Geschreven
in Norels onderduikperiode worden de drie boeken gekenmerkt door een heroïsche
en chauvinistische manier van denken. In het werk staan ‘God, Nederland en
Oranje’ centraal, zoals nog zal blijken.
In tegenstelling tot de boeken die kort na de oorlog - of zoals de
trilogie van Norel in de oorlog - geschreven zijn, zijn de oorlogsboeken uit
een latere periode veelal minder chauvinistisch van aard. De afstand tot de
gebeurtenissen leidt tot | | | | een meer genuanceerd beeld. Schrijvers
van jeugdboeken - en men ziet soortgelijke verschijnselen in de literatuur voor
volwassenen - willen kennelijk onder woorden brengen wat er precíés gebeurd is
in de oorlog. Veel meer dan vroeger kenmerken de oorlogsboeken van de laatste
paar decennia zich door wat men zou kunnen noemen een pedagogisch-didactisch
aspect: de auteurs wijzen op het nutteloze van oorlogen.
Oorlogswinter van
Terlouw is een voorbeeld van dit nieuwe type
oorlogsboek, omdat hierin duidelijk gemaakt wordt - althans dat is des
schrijvers intentie - dat oorlog juist niet spannend, of niet alléén spannend,
is. De hoofdpersoon Michiel bij voorbeeld voldoet al veel minder aan het
klassieke beeld van de held in een avonturenverhaal dan Evert uit
Vogelvrij (het eerste deel van Norels
trilogie). Opvallend is wel dat in bijna alle oorlogsboeken, ook in genoemde
twee, de hoofdpersoon een jongen is, vrouwen spelen doorgaans alleen op de
achtergrond mee.
Het verhaalverloop is meestal als volgt; de hoofdpersoon raakt op de een
of andere manier betrokken bij de oorlog of bij situaties die zijdelings met de
oorlog te maken hebben, hij bezit een (gezonde) vaderlandslievende geest en
bindt in zijn eentje (of met behulp van een vriend of een vriendin) de strijd
aan tegen de vijand. Naarmate het verhaal vordert, groeien zijn belevenissen
uit tot avonturen en aan het eind van het verhaal wordt hij als een held
ingehaald. Een voorbeeld van een dergelijke verhaalopbouw biedt de trilogie van
Norel; Terlouws Oorlogswinter verschilt hiermee voornamelijk wat betreft het
inhalen van de held.
Aan de hand van een meer gedetailleerde bespreking van beide werken -
Vogelvrij en Oorlogswinter - is het
wellicht mogelijk iets van de ontwikkeling, zoals hierboven geschetst, te laten
zien.
Vogelvrij is het eerste deel van de trilogie
Engelandvaarders, de andere twee delen
heten
Vuur en vlam en
Verzet en victorie. Het werd in 1942
geschreven.
Norel leefde - toen nog - in de veronderstelling
dat het einde van de oorlog nabij was. Het boek kreeg nog twee vervolgdelen
voor het zover was. In 1945 verscheen de trilogie, die nadien tientallen
herdrukken beleefde.
Het boek verhaalt hoe de jonge Urker Evert Gnodde niet wil bukken onder
het slavenjuk van de Duitse bezetters. Als christen en vurig vaderlander
probeert hij hen zo veel mogelijk dwars te zitten. Nadat hij ternauwernood aan
een razzia is ontsnapt, moet hij onderduiken. Om de mogelijkheid te krijgen
naar Engeland te vluchten, besluit Evert samen met een vriend dienst te nemen
bij de Duitse marine. Zijn vader verstoot hem hierom, maar zijn meisje blijft
in hem geloven. De vluchtpoging is beschreven als een spannend avontuur. Een
NSB'er wordt uitgeschakeld, een dominee wordt bevrijd uit de strafgevangenis en
aan boord gebracht, de bemanning krijgt slaappoeders, de geweren worden
overboord gegooid, de Hollandse driekleur wordt gehesen en de Engelse kust
doemt op. (Samenvatting naar Wijma 1986.)
Het verhaal wordt verteld, zoals meestal, en vooral in wat oudere
jeugdliteraire verhalen, door een boven het verhaal staande verteller, die de
gebeurtenissen van het nodige commentaar voorziet. De toelichtingen van deze
commentator hebben voornamelijk betrekking op het geloof en op het soms
onredelijke gedrag van | | | |

[14] Dreiging en avontuur broederlijk vereend.
Bandtekening van Jan Wesseling.
| | | | Evert tegenover zijn vader. De lezer krijgt op
deze manier kleine pedagogische lessen opgediend. Vooral als Evert boos wordt
op volwassenen en hen ‘toespreekt op een wijze die niet voegt’, plaatst de
verteller - ongetwijfeld hiermee Norels opvattingen vertegenwoordigend - dit
soort opmerkingen. Naast deze verteller is het met name Evert, wiens denken,
maar vooral handelen centraal staat. De functie van dit om zo te zeggen dubbele
perspectief is tweeledig: via Evert bewerkstelligt de auteur identificatie casu
quo projectie, waardoor de lezer de gebeurtenissen meebeleeft en ze als
spannend ervaart, via de verteller verkondigt Norel zijn opvattingen omtrent
vaderland en geloof.
De volgende elementen domineren in
Vogelvrij: oorlog (uiteraard), liefde voor
de zee (Evert Gnodde komt uit Urk), vriendschap (met zijn ongelovige vriend
Jan), vaderlandsliefde en daarmee samenhangend een felle anti-Duitse
gezindheid, en het calvinistische geloof. De laatste twee vormen de
belangrijkste motieven van het verhaal, de andere worden heel dikwijls
verbonden met vaderlandsliefde en geloof.
Everts beweegredenen: hij wil vechten voor de koningin. Hij vindt te
weinig voldoening in het kleine verzet dat hij in
Urk pleegt en daarom wil hij naar Engeland om
van daaruit iets voor koningin en vaderland te doen. De liefde voor het
vaderland blijkt niet alleen uit de lovende manier waarop er over de koningin
wordt gesproken, maar ook uit opmerkingen als deze: ‘Vroeger konden de
Hollanders vechten, nou! De geuzen werden de Spanjaarden de baas. Hitler zal
ondervinden dat de Nederlandse jongens nu ook vechten kunnen!’ Vaak wordt dus
beschreven ‘hoe kostelijk de Nederlanders de Duitsers er tussen nemen’. In het
boek wemelt het van dergelijke loftuitingen op de Nederlanders, terwijl de
Duitsers vrijwel uitsluitend negatief in beeld komen, NSB'ers zo mogelijk nog
slechter.
De grote rol die het (calvinistische) geloof in het boek speelt, kan het
beste aangegeven worden in de houding van Evert en zijn vriend Jan. De laatste,
afkomstig uit een niet-christelijk, socialistisch milieu, heeft vaker last van
moedeloze buien en twijfels dan Evert; oorzaak: het ontbreken van een
christelijke opvoeding: ‘Jan bijt op zijn lippen, met zichzelf verlegen. “Ik
wou dat ik zo was opgevoed als jij”, barst hij eensklaps radeloos uit. [...]
Jij kent maar één weg. Die de dominees je wijzen. En je weet vast dat dat de
goede weg is. Maar ik... Mijn vader was socialist. [...] Ik weet het niet
langer... ik weet het niet.” Hij steunt zijn hoofd met zijn handen en snikt.
Evert staat er verlegen bij. Deze bekentenis overrompelt hem. Hij is er zich
nooit van bewust geweest dat zijn opvoeding hem meer stevigheid heeft gegeven
dan een ander. Het Christendom, dat is het.’ Evert leest Jan soms voor uit de
bijbel. In het begin luistert Jan met tegenzin, maar later vraagt hij er zelf
om; ‘zo beurt Evert zijn vriend op’. De vriendschap tussen Evert en Jan staat,
bij wijze van spreken, in functie van het geloof.
Weinig aandacht wordt besteed aan Everts leven vóór zijn negentiende
jaar. Het jaar waarin hij negentien wordt, daar gaat het om, dan begint het
grote avontuur, de oorlog. Met deze constatering is in feite al aangegeven dat
er van enige psychologische ontwikkeling geen sprake is. Zijn manier van denken
(over bij voorbeeld de Engelsen en de Duitsers) blijft het hele boek door
hetzelfde. Het lijkt er ook op dat Evert nauwelijks líjdt door de
gebeurtenissen van de oorlog. | | | | Hij is een held, hij weet wat hij
wil en wat hij kan. Hoewel zijn vader zich van hem afkeert als hij in dienst
gaat bij de Duitsers, hij zijn moeder verdriet doet en zijn vriendin hem niet
begrijpt (ook omdat hij haar niet uitlegt wáárom hij iets doet), toch is hij in
staat dit, vanwege het grote doel, te doorstaan. Het is een heldendom van een
wat primitieve - maar daarom misschien zo aantrekkelijke - aard. Zijn
vaderlandsliefde wordt aldus beschreven: zijn lippen trillen regelmatig van
woede als iemand iets negatiefs zegt over de koningin, hij wordt rood van drift
als hij de vlag van Hitler op een Nederlands schip ziet of hij trekt wit weg
van woede als iemand in zijn ogen ‘de Duitsers in de zak kruipt’.
In het oog springend - maar wellicht kenmerkend voor het genre, zeker
voor het wat oudere boek - is de rol, of eigenlijk is het nauwelijks een rol te
noemen, van de vrouwelijke personages. Zij spelen, als gezegd, alleen op de
achtergrond mee. De wereld in Vogelvrij is een mannenwereld,
de verantwoordelijkheid berust bij hen. Zo móét Evert zwijgen over de
eigenlijke reden van zijn in dienst treden bij de Duitse marine, want ‘ze [=
Ali, zijn vriendin] zou er niet van kunnen zwijgen tegen zijn moeder. En moeder
zou het aan zijn vader zeggen, en die zou, als de mensen hem zwijgend
misschien, maar met onmiskenbare verachting, verweten dat zijn zoon een
verrader was, het uitschreeuwen: Neen, neen, neen, Evert is een vaderlander.
Hij moet dit zwaar geheim bewaren totdat hij straks uit Engeland zal kunnen
schrijven’. Ali wordt zoetgehouden met brave briefjes en geruststellende
woorden en Everts moeder mag hem niet schrijven van haar man. Mannen maken in
Vogelvrij de dienst uit.
Het is duidelijk,
Norel voldoet met
Vogelvrij aan wat hij zelf als
belangrijkste eis aan een jeugdboek stelt: ‘Ze moeten vertèllen. Er moet actie
in zijn. Aan veel beschouwing zijn kinderen nog niet toe. Ik geef aan kinderen
graag wat mee, zonder ze te beleren. Spelenderwijs moet dat gaan. Als “helden”
van een boek zie ik graag frisse, gezonde (geestelijk gezonde) jongens en
meisjes, géén brave Hendrikken en zoete Maria's, en ook geen stoere knapen; ze
mogen best hun zorgen en gebreken hebben. Maar de lezers mogen wel eens een
beetje op hun tenen staan om zich aan hun “helden” op te trekken.’ (Geciteerd
naar Wijma, 1986.)
Oorlogswinter verscheen in 1972 en werd in
1973 bekroond met een Gouden Griffel. Binnen enkele jaren was het boek al meer
dan twintigmaal herdrukt. Kinderjury's beoordeelden het positief vanwege de
spanning en het avontuur en - beïnvloed door volwassenen? - om het informatieve
karakter. Oorlogswinter werd met succes als televisieserie
vertoond en in acht talen vertaald.
Het boek is op Terlouws eigen beleving van de tweede wereldoorlog
gebaseerd. De bijna zestienjarige Michiel raakt aan het eind van de oorlog bij
toeval betrokken bij het verzet. Met redelijk succes doet hij zeer
verantwoordelijk werk: hij houdt een Engelse piloot verborgen en helpt twee
joden ontsnappen. Michiel leert genuanceerd te oordelen over vriend en vijand:
een Duitse soldaat redt zijn broertje en zijn beste vriend blijkt een verrader
te zijn. (Samenvatting naar Verbeek, 1984.)
Net als in Vogelvrij is ook hier sprake van een
verteller, die commentaar, uitleg geeft. Alleen is hier het commentaar wel van
een andere orde. Het is didactischer | | | | en (soms) humoristischer.
Verzetsstrijder Dirk vertelt dat hij het distributiekantoor gaat overvallen. De
verteller spreekt vervolgens de lezer aan: ‘Je moet weten dat je bijna niets
kon kopen, als je geen bonnen had. Alles was op de bon zoals dat heette.’ Als
Michiels vader wordt opgepakt, wordt het woord ‘gijzeling’ uitgelegd:
‘Gijzeling heette dat. Iemand die gepakt wordt als een ander iets doet, heet
een gijzelaar.’ Ironisch commentaar vinden we, wanneer Michiel boeken,
waaronder een medisch werk, naar de gewonde Engelse piloot brengt: ‘(daar zaten
plaatjes in, medisch verantwoord, van die delen van het lichaam, waaraan je
kunt vaststellen of je nieuwe baby een jongetje is of een meisje - tja, een
boek uit 1860)’.
Veel meer dan in
Vogelvrij gaat het bij
Terlouw, náást de avonturen, om Michiels groei
naar volwassenheid, een element dat ook in ander werk van Terlouw naar voren
komt. Hij beschrijft hoe Michiel, door de oorlog in een versneld tempo, naar
die volwassenheid toe groeit: van een jongen die alleen maar zijn moeder helpt
om aan eten te komen tot iemand die als een (bijna) volwassen man de zorg op
zich neemt voor een neergeschoten piloot en de verantwoordelijke positie van
zijn vader overneemt. Michiel zelf besluit ook zich volwassen te gaan gedragen
vanaf het moment dat hij ‘in het grote mensenwerk verwikkeld raakt’: ‘Welnu,
hij had er altijd een hekel aan gehad als kind te worden behandeld - hij zou
zich als een man gedragen. En daarom zei hij niets.’ Maar niet alleen hijzelf
beschouwt zich als zodanig, ook zijn omgeving ziet hem zo, zijn moeder bij
voorbeeld zelfs heel nadrukkelijk: ‘Maar, in oorlogstijd is een jongen van
vijftien, zestien jaar een man. [...] En daarom, mijn zoon, geef ik je graag
toestemming... nee, in een tijd als deze geeft een moeder een zoon van zestien
jaar geen toestemming. Ik stem ermee in.’
Het geloofsmotief is in
Oorlogswinter veel minder dominant dan in
Vogelvrij. Voor Evert is het geloof van levensbelang in de
moeilijke oorlogstijd, voor Michiel zeker niet. Een enkele maal wordt er
gebeden, vooral door Michiels moeder, maar bij Michiel leidt het bidden tot de
volgende reflectie, die in Vogelvrij ondenkbaar zou zijn:
‘Eerlijk gezegd had hij aan bidden nog niet gedacht.[...] Bidden? Hij wilde
liever iets doen! Was bidden iets doen of was het dat niet?’ En ook de dominee
speelt een veel minder overheersende rol in de gebeurtenissen: ‘Dikwijls ging
Michiel iets vroeger om naar de dominee te luisteren. Naar de kerk ging hij
nooit, maar in het lokaaltje [een noodhospitaal], dat was anders. Daar sprak de
dominee niet over de mensen heen, maar tégen ze. Gek, het was net alsof de
mensen iets terugzeiden met hun geadem en geritsel.’
De vrouwen spelen in Oorlogswinter weliswaar geen
hoofdrol, maar hun plaats is bepaald niet alleen op de achtergrond. De barones
moet haar verzetswerk met de dood bekopen, de moeder van Michiel en de moeder
van Dick kunnen door hun gedrag en houding moeilijk als leden van het zwakke
geslacht bestempeld worden. De enige die hier in zeker opzicht een uitzondering
vormt, is Michiels zusje Erica, in haar houding ten opzichte van de Engelse
piloot: deze wil weer de oorlog in, terwijl zij hem daarvan probeert te
weerhouden.
Het belangrijkste verschilpunt vormen uiteraard de bespiegelingen over
de oorlog; in dat opzicht is Oorlogswinter op en top een
modern boek, omdat de ‘actuele relevantie’ van (recente historische)
gebeurtenissen aangegeven wordt. In | | | |

[15] ‘Je ziet de kop van een jood met heel gemene
ogen. Met een mond waaruit één tand steekt. [...] In namaak-Hebreeuwse letters
staat boven het hoofd: “De eeuwige jood” en onder de plaat: “Ook u moet deze
film zien”.’ Paul Menses maakte de omslagillustratie voor Ida Vos Wie niet
weg is wordt gezien.
| | | | het begin van het verhaal heeft Michiel nog de
naïeve opvatting dat oorlog vooral iets spannends is (een opvatting die Evert
Gnodde er het gehele boek op na houdt), maar de verteller, ook hier
ongetwijfeld Terlouws denken weerspiegelend, geeft vrijwel onmidellijk
commentaar: ‘Michiel had toen bij zichzelf besloten, dat oorlog een heerlijke,
opwindende gebeurtenis was en hij hoopte dat het lang zou duren. Nou, dat heeft
hij geweten. De eerste twijfel kwam al na vijf dagen.’ Michiel raakt er al snel
van overtuigd dat oorlog niets met opwinding te maken heeft. Dit wordt goed
weergegeven in zijn overdenking naar aanleiding van een verhaal van
medeverzetsstrijder Dirk: ‘Dus die dingen, die vreselijke dingen, gebeurden
echt. Hij moest steeds denken aan zijn vader, die eens had gezegd: “In iedere
oorlog gebeuren afgrijselijke dingen. Denk niet dat alleen de Duitsers ze doen.
Ook Nederlanders, Engelsen, Fransen, ieder volk heeft in
tijden van oorlog rauwelings gemoord en gemarteld, op een manier waar in tijden
van vrede je verstand bij stilstaat. En, daarom, Michiel, laat je niet
misleiden door de romantiek van de oorlog, de romantiek van heldenmoed,
opoffering, spanning, avontuur. Oorlog betekent verwondingen, verdriet,
gemartel, gevangenissen, honger, ontberingen, onrecht. Niks geen romantisch
aan.”’ Een dergelijk citaat zal men in
Vogelvrij beslist niet aantreffen.
Terlouws intenties verschillen ook nogal van die van
Norel, hoewel ze een soortgelijke
(protestantse) achtergrond hebben. Hij heeft naar eigen zeggen
Oorlogswinter geschreven vanuit de
behoefte van zijn kinderen en hun vrienden, die in 1971 een jaar of twaalf
waren. Deze waren erg nieuwsgierig naar hoe hun ouders (die in de oorlog net zo
oud waren als zij) de oorlog hadden meegemaakt. Terlouw vertelt (dus) hoe híj
de oorlog heeft beleefd, gefictionaliseerd uiteraard; hij wil de kinderen
begrip bijbrengen van wat oorlog kan zijn.
Hij beschouwt het kinderboek klaarblijkelijk als een instrument in de
opvoeding; dat neemt niet weg dat het ideale kinderboek in zijn visie aan de
volgende voorwaarden moet voldoen:
| - | spanning; het boek moet boeien; |
| - | humor; dit aspect draagt bij tot het inzicht dat elke medaille twee
kanten heeft; |
| - | de spanning en de humor moeten voorkomen in een verhaal dat geen vals
beeld van de werkelijkheid geeft; |
| - | ten slotte is niet onbelangrijk dat kinderen iets via het boek léren;
de goede en de slechte kanten van de maatschappij moeten in het boek tot uiting
komen; |
Zijn schrijverschap ziet
Terlouw als een manier om kinderen informatie
te bieden in een leesbare taal om hun zo enig (maatschappij)kritisch inzicht
bij te brengen. De taak die hij zich met Oorlogswinter
stelde, was derhalve deze: ‘Je mag geen boek schrijven, waarin oorlog als iets
begerenswaardigs overkomt; 't is afgrijselijk. Toch heeft oorlog iets
geweldigs: gemeenschapszin.’
De twee vergeleken boeken hebben eigenlijk als enige overeenkomst dat
het verhaal zich in de tweede wereldoorlog afspeelt. Voor de rest zijn ze zeer
verschillend en de reden hiervoor is voornamelijk in de schrijversintentie
gelegen. Tot in titel en band is dit verschil aan te tonen: de band van
Vogelvrij (een jongen die je vrolijk toezwaait, getekend in
felle kleuren) en die van Oorlogswinter (een er slecht
| | | | uitziende jongen tegen een dreigende, donkere achtergrond) zijn
representatief voor de inhoud. Het woord ‘oorlogswinter’ suggereert - in
combinatie met de tekening - honger, kou en andere oorlogsellende. Hoewel bij
‘vogelvrij’ gedacht kan worden aan de betekenis ‘vogelvrij verklaard zijn’
denkt men - mede door de tekening - toch eerder aan bevrijding, vliegen, zo
vrij als een vogel.
Norels boeken werden direct na de oorlog gezien als een ‘monumentje voor
de dappere daden van de Nederlanders’. Maar dertig jaar later zijn (goede)
kinderboeken met de strekking als die van
Vogelvrij vrijwel ondenkbaar geworden.
Oorlogswinter is een typisch
jaren-zeventig boek wat betreft het denken over de oorlog.
Terlouw laat Michiel aan het einde niet voor
niets zeggen: ‘Eén ding heeft maar zin. [...] Nooit meer in
een oorlog vechten, alleen nog tegen oorlog.’ En zelfs deze
uitspraak wordt in een nawoord nog weer genuanceerd: er zijn sinds de tweede
wereldoorlog nog vele oorlogen gevoerd.
Met dit alles kan men zich natuurlijk wel afvragen in hoeverre we met
Terlouws werk - en dat van een aantal van zijn tijdgenoten die dezelfde oorlog
als onderwerp gekozen hebben (
En een tijd van vrede (
Imme Dros),
Oorlog zonder vrienden (
Evert Hartman),
Wie niet weg is wordt gezien,
Anna is er nog (
Ida Vos),
Toen niet nu niet nooit (
Truus Menger),
De kinderen van het Achtste Woud (
Els Pelgrom) - nog kunnen spreken van
‘avonturenboeken’ in de strikte zin van het woord. Met deze boeken zijn we wel
heel ver verwijderd van de eigenschappen die van oudsher aan het genre worden
toegeschreven. Misschien is het inderdaad zo, dat de echte avonturenverhalen
nog uitsluitend te vinden zijn in de triviaalliteratuur, in de zogenaamde
ontspanningslectuur. In de hedendaagse jeugdliteraire fondsen zal men ze
tevergeefs zoeken.
| |
Van poesie tot poëzie - Het
kindervers
Bestaat er eigenlijk wel zo iets
als kinderpoëzie, met de nadruk op poëzie? Is er niet alleen maar poëzie, even
begrijpelijk (of onbegrijpelijk, in de zin van mysterieus) voor kinderen als
voor volwassenen? En welke criteria worden er gehanteerd? Is het niet zo, dat
gedichten voor kinderen meestal als ‘versjes’ betiteld worden en niet als
poëzie? Als we
Kees Fens mogen geloven, toch iemand met een
voorkeur voor nogal complexe poëtische teksten, bestaat dat verschil tussen
versje en gedicht niet echt. In zijn bloemlezing
Goedemorgen, welterusten met de
veelzeggende ondertitel ‘gedichten voor kinderen en andere volwassenen’
schrijft hij: ‘Gedichten heten vaak moeilijk - ze kunnen er op scholen de
raarste vragen over stellen - ze zijn ook heel moeilijk te maken. Versjes niet,
zeggen ze, die zijn makkelijk en dat kan bijna iedereen. Vergeet het maar. We
moeten geen onderscheid maken tussen een “versje” en een “gedicht”. Zou een
dichter dan niet spelen met woorden? En zou hij zijn lezers soms geen plezier
willen bezorgen? En is een goed spel verzinnen soms gemakkelijk? Een vervelend
spel kan iedereen wel uitdenken, daar komt meestal geen einde aan.’ Zijn
conclusie is dan ook: ‘Goed, een versje is dus hetzelfde als een gedicht’
(Fens, 1975). Het tekent er overigens wel bij aan dat ook voor kinderen de één
een beter gedicht/versje kan schrijven | | | | dan de ander. Criteria die
door Fens en anderen voor poëzie aangelegd lijken te worden, komen veelal
hierop neer: het taalgebruik moet verantwoord, verrassend, knap zijn, zowel op
woordniveau als op het niveau van de syntaxis. Vóór alles, zo lijkt het, moeten
de voor poëzie wezenlijk geachte elementen als rijm, metrum en ritme goed tot
hun recht komen.
Opvallend mag heten dat
Fens zijn aangehaalde bewering doet naar
aanleiding van een tekst uit een boek met de titel
Rijmpjes en versjes uit de oude doos,
waarin dus met geen woord gerept wordt over ‘gedicht’ of ‘poëzie’. En toch is
het niet zo maar een particuliere opvatting van de criticus Fens, de teksten
‘uit de oude doos’ als poëzie te bestempelen. Ook
Boonstra (1989) huldigt een soortgelijk
standpunt in een bespreking van de zoveelste herdruk van ‘de rijmpjes en
versjes’: ‘Spelend, zingend en wiegend raken ongemerkt de smaakpapillen voor de
literatuur geprikkeld. Op de Bibelebontse berg wordt het met de regel
Bibelebontser en op het “zwik-zwak bruggetje” ontbrandt de onaangename, maar
ritmische strijd tussen “vrouw Biba, vrouw Biba de Binka en vrouw Sina Snikna
Knikker de Knikna.’
Op meer dan één plaats heeft Fens geprobeerd het poëtische geheim - want
daar gaat het natuurlijk om - van deze versjes te omschrijven. In Goedemorgen, welterusten is ‘Zwarte zwanen, witte zwanen’ het
voorbeeld en uit het commentaar hierop kunnen we al het een en ander
afleiden.
Eerst de tekst zoals Fens die geeft, want er bestaan meer versies
van:
Zwarte zwanen, witte zwanen -
wie wil er mee naar Engeland varen?
In Engeland daar stuift het zand,
daar luiden de klokjes van boem.
Hij noemt het gedichtje al heel oud - vandaar ook de verschillende
versies - en we weten niet wie het gemaakt heeft, maar het moet wel een speelse
man of vrouw geweest zijn: ‘Kom maar eens op de gedachte dat je een land met
een sleutel kunt afsluiten. Wie zou er naar toe willen? Het zand stuift er
altijd en alle klokken zijn van slag’ (
Fens, 1975). Maar eigenlijk is er zo al te
veel gezegd, want iedereen kan er zijn eigen plezier aan beleven. Het kent
waarschijnlijk een zeer lange traditie: het is altijd overgeschreven en door
vaders en moeders voorgelezen, omdat iedereen het spel met die woorden en die
maat leuk vindt, maar in de visie van Fens vooral omdat er van die ongewone
mededelingen in staan. Wat ze precies betekenen, weten we niet en hoeven we ook
niet te weten. Het gaat kennelijk om het spel, het taalspel én het raadsel, het
geheim. Laten we Fens nogmaals aan het woord laten over een ander versje, casu
quo gedichtje (dat voor hem wel een soort oergedichtje moet zijn, want op
verschillende plaatsen heeft hij zijn liefde ervoor betuigd) en de
poëzie-opvatting die eraan ten grondslag ligt zal duidelijk worden:
‘Geheimzinnig van de eerste tot de laatste regel vond ik ooit en vind ik nog
dit versje dat met vele andere in Nederland in een oude doos gevonden is:
| | | |

[16] Ook in de tekening van Jan Sluijters is
sprake van een ‘onaangename, maar ritmische strijd van drie
oude wijfjes’. Uit Rijmpjes en versjes uit de oude doos, verzameld door S. Abramsz.
| | | |
Hoe laat is het? Twaalf uren.
Voor de kleine poppedeine.
Het is mij voorgelezen en het gaf mij toen in de laatste regel iets
verlossends, na al die vragen, die mysterieus bleven ondanks de antwoorden.
[...]. Misschien is het wel het aardige van die versjes, dat je ermee kon doen
wat je wilde; vele soorten verbeelding konden ermee aan de gang’ (Fens, 1985).
Om dat laatste gaat het kennelijk: ‘Wat maakt de bekoring van die gedichtjes
uit? Hun schijnbare helderheid; maar de onderdelen ervan rijmen vaak op elkaar
als gebeurtenissen in dromen. Er schemert een duidelijke tekst achter, naar het
lijkt. Dan zijn er soms regels als uitgesleten plekken of stenen, met alle
charme daarvan. De versjes zijn niet gemaakt, de woorden lijken zichzelf
vermenigvuldigd te hebben of vanzelf in elkaar gegroeid te zijn. Bakerversjes,
zoals ze soms in het Nederlands genoemd worden, zijn de gevonden voorwerpen in
de literatuur, en weer en wind hebben hun sporen nagelaten’ (Fens, 1985).
Inderdaad blijven de versjes geheimzinnig, ook al zou je op de hoogte
zijn van de historische achtergronden waaruit ze zijn ontstaan. Wordt ‘Altijd
is Kortjakje ziek’ bij voorbeeld minder geheimzinnig als we weten dat het
gedichtje aanvankelijk de beschrijving is geweest van het wel en wee van een
smerig oud wijf, dat omstreeks 1700 onder een van de Amsterdamse bruggen de
publieke sekreten (toiletten) schoonhield? Het schijnt ontleend te zijn aan
‘Een nieuw lied van Kortjackje, oft leve en bedrijf van ene Secrete Vrou in
dese Stad, die so gaere de Borrel had’. Daarvan luidt de tekst van regel 3 en 4
aldus: ‘Daer gaat zij haer hert versterken/Midden in de week wil zij niet
werken’ (informatie ontleend aan Boekenoogen, 1893). Ik vraag het me af.
Willem Wilmink bij voorbeeld interpreteert,
nadat hij ‘Zwarte zwanen, witte zwanen’ seksueel heeft geduid (‘met een
“gebroken” sleutel kun je niet in het “Enge”, dat is nauwe land komen' en “van
achteren en van voren” komt er ook nog in’) ook ‘Kortjakje’ in seksuele zin:
‘Ook “Altijd is Kortjakje ziek” kan over seks gaan: het meisje met haar sexy
jakje ligt elke weekdag in bed, en op zondag pronkt ze met de bijbel met
zilveren beslag die ze in bed verdiend heeft’ (Wilmink, 1987). En
Fens (opnieuw) acht het een tekst met vele
mogelijkheden: ‘Is het vers hekelend of prijzend? Altijd heeft Kortjakje wat,
maar op zondag wel braaf ter kerke met haar opvallende bijbel of gebedenboek,
ze trekt een spoor van vroomheid van ziekenkamer naar kerk. Of dient Kortjakje
ons als voorbeeld? Wat lijdt dat kind niet, altijd ziek, maar zie, op zondag,
de klokken luiden, haar zwakke hart wordt onrustig, zij wil naar de preek of de
mis, en daar gaat ze, met haar laatste krachten het boek vol zilverwerk
dragend’ (Fens, 1984).
Aangenomen mag worden dat deze ‘bakerrijmen’ voor kinderen een
onuitputtelijke bron van taalplezier vormen en zullen blijven vormen, maar ook
dichters | | | | als
Diet Huber en
Willem Wilmink hebben er zich door laten
inspireren en in het bijzonder bij
Han G. Hoekstra vonden deze oude rijmpjes veel
weerklank, getuige zijn
Rijmpjes en versjes uit de nieuwe doos,
waarin men dezelfde eenvoud en hetzelfde ritme aantreft. Eén voorbeeld:
Op de eerste dag van Maart
bakt Oma Piep een appeltaart,
vogeltjes in de lindeboom
In 1985 debuteerde een dichteres,
Ienne Biemans, zelfs met een bundel
‘hedendaagse kinderrijmen’,
Mijn naam is Ka, ik denk dat ik besta,
waaraan dezelfde soort waardering gehecht werd als aan de oude (Fens,
Boonstra): ‘Voor kinderen moeten de gedichtjes vertrouwd en vervreemdend en
daardoor waarschijnlijk ook geheimzinnig tegelijk zijn. Ze suggereren vaak heel
veel; [...] een definitieve gestalte is voor de versjes niet weggelegd en dat
maakt ze juist tot goede poëzie: de tekst is altijd groter dan de lezing ervan’
(Fens, 1985). Met één gedicht uit die bundel geeft Ienne Biemans mijns inziens
schitterend aan wat haar voor ogen moet hebben gestaan: het schrijven van een
‘nieuw oud boek’:
het is nog niet geschreven.
nog wit en leeg gebleven.
Ik vond het in mijn vaders kast
van stof grijs en vergeten.
Als ik het niet gevonden had
Maar niet iedereen is dezelfde mening toegedaan, waar het om een
‘volwassen’ invulling van het begrip ‘kinder- of jeugdpoëzie’ gaat. Zo lijken
Karel Eykman en
Aukje Holtrop het standpunt te huldigen dat de
literariteitsvraag er bij kinderpoëzie niet toe doet: ‘Er zijn in de loop van
de tijd heel wat theorieën gemaakt over wat literatuur is of moet zijn.
Kleuterpoëzie werd bij die theorieën zelden betrokken, en er is veel voor te
zeggen om dat zo maar te laten, omdat er geen reden is om de dingen en versjes
gewichtiger te maken dan ze zijn’ (Eykman/Holtrop, 1980). Zij gaan ervan uit,
dat bij toepassing van literair-theoretische criteria als ‘unity’, ‘complexity’
en ‘density’ (begrippen uit de koker van Wellek en Warrens Theory
of literature) weinig kinderpoëzie de toets der literair-theoretische
kritiek zal kunnen doorstaan. Geen kwalitatieve criteria derhalve, want dat zou
een dergelijke stellingname impliceren. Maar zo ver willen zij eigenlijk toch
ook weer niet gaan, aangezien zij hun betoog eindigen met een (korte) analyse
van wat zij een ‘kleuter- | | | | meesterwerk’ noemen. In hun visie voldoet
dit gedicht (of moet ik zeggen ‘versje’?) aan de normen van de
twintigste-eeuwse literatuurkritiek. Het gaat om ‘Dikkertje Dap’ van
Annie M.G. Schmidt:
Dikkertje Dap klom op de trap
's morgens vroeg om kwart over zeven
om de giraf een klontje te geven.
Dag giraf, zei Dikkertje Dap,
Weet je, wat ik heb gekregen?
Rode laarsjes voor de regen!
't is toch niet waar, zei de giraf,
Dikkertje, Dikkertje, ik sta paf.
O, giraf, zei Dikkertje Dap,
'k moet je nog veel meer vertellen:
Ik kan al drie letters spellen:
Ik kan ook al bijna rekenen!
Ik kan mooie poppetjes tekenen!
Lieve deugd, zei de giraf,
kerel, kerel, ik sta paf.
Zeg giraf, zei Dikkertje Dap,
mag ik niet eens even bij je
stiekem van je nek af glijden?
Zo maar eventjes voor de grap,
denk je dat de grond van Artis
als ik neerkom, heel erg hard is?
Stap maar op, zei de giraf,
stap maar op en glij maar af.
Dikkertje Dap klom van de trap,
met een griezelig grote stap.
zette Dikkertje Dap zich af,
roetsjj, daar gleed hij met een vaart
tot aan 't kwastje van de staart.
Dag giraf, zei Dikkertje Dap.
Morgen kom ik weer hier met de trap.
Het commentaar van Eykman en Holtrop luidt als volgt: ‘Het vers zit
geheid in elkaar en toch wisselt het ritme telkens als de emotie daar
aanleiding toe geeft. Na | | | |

[17] Dikkertje Dap klimt 's morgens vroeg om
kwart over zeven op de trap. Illustratie van Wim Bijmoer uit Ziezo. De 347
kinderversjes van Annie M.G. Schmidt.
| | | | “rode laarsjes voor de regen” (het hoge woord is
eruit) valt er een lange pauze in het metrum. Totdat de giraf van pure
verbazing invalt met “'t Is toch niet waar” en dan die prachtige dringende
herhaling van “Dikkertje, Dikkertje [kennelijk geciteerd uit de op muziek
gezette uitgave]” afrondt met “Ik sta paf”: perfect, zo'n gedicht [sic!].
Dikkertje Dap is als naam al van een onontkoombare alliteratie, en de voor
iedereen invoelbare emotie van het krijgen van nieuwe rode laarsjes (niet tégen
de regenplassen, maar vóór de regen, zoals kinderen terecht in hun spreektaal
zeggen) wordt in verbinding gebracht met een wereld waarin giraffen, zo hoog
dat je er alleen met een trap bij kunt komen, een klontje krijgen. Dat alles
moet 's ochtends vroeg gebeuren. Het eerste dat de wereld bij het ochtendgloren
moet weten is dat er twee nieuwe rode laarsjes zijn. Dat is weer wat anders dan
“Ik ben geboren uit zonnegloren”. Zoals Iris van
Jacques Perk aan de maatstaven van unity,
complexity en density voldoet, zo kan ook Dikkertje Dap de toets van eenheid,
complexiteit en geserreerdheid glansrijk doorstaan’ (Eykman/Holtrop, 1980). Zo
halen de beide auteurs hun eigen betoog (gelukkig maar) weer onderuit, want wat
zij hier beweren over het niet voldoen aan bepaalde literaire criteria van de
meeste kinderverzen, geldt natuurlijk evenzeer voor heel veel poëzie voor
volwassenen.
Niet zonder opzet is in het voorgaande nogal de nadruk gelegd op het
poëtische van de zogenaamde bakerrijmen. Volgens de Duitse onderzoekster Ruth
Lorbe vormen deze anonieme teksten zelfs de wáre kinderpoëzie. Zij besteedt in
haar artikel ‘Kinderlyrik’ veel aandacht aan wat zij noemt ‘kindervolkslyriek’.
Haar opmerkingen zijn in zoverre van belang dat haar onderzoek naar de
verschillende oorsprongsgebieden van kinderpoëzie ons op het spoor kan brengen
van een aantal belangrijke kenmerken van kinderpoëzie in het algemeen. Zij
behandelt de oorsprong van de kinderlyriek aan de hand van het volgende
schema.

| | | |
Zoals uit het schema blijkt, worden door haar twee hoofdcategorieën
onderscheiden: kindervolksliederen en kinderkunstliederen. De tweede soort is
uiteraard het gemakkelijkst te karakteriseren. Hierbij gaat het om teksten
vervaardigd door volwassenen, bedoeld voor kinderen, waarbij gebruik gemaakt
kán worden van motieven die ook in volksliederen een zekere populariteit
genieten. Een modern kinderdichter als
Willem Wilmink hanteert (bijna principieel) in
zijn gedichten nogal eens ‘volkskunstige’ elementen of genres (ballades,
raadselrijmen).
Volgens Lorbe vertegenwoordigen kinderkunstliederen slechts een deel van
de kinderlyriek; daarbij wijst zij er overigens op dat een scherpe scheiding
tussen kinderkunstlyriek en kindervolkslyriek niet altijd even goed mogelijk
is. Het is denkbaar dat een auteur - ik wijs hierbij weer op Wilmink, aan wie
zich dit anonimiseringsproces in zekere zin heeft voltrokken, weinig mensen
zullen immers weten, dat híj de auteur is van teksten als ‘Deze vuist op deze
vuist’ en ‘Hilversum III’ - dusdanige thema's kiest, zulk een ongecompliceerde
stijl hanteert en zo weinig moraliseert, dat de voorwaarden vervuld lijken om
opgenomen te worden in de volkslyriek. Zij constateert een bepaalde
ontwikkeling in het kinderkunstlied van de laatste tijd - Lorbes artikel
dateert van 1974, maar haar opmerking lijkt me nog steeds geldig -: de wereld
der volwassenen lijkt aan belang in te boeten, steeds vaker wordt gebruik
gemaakt van een zogenaamd kinderlijk perspectief.
De eerste soort heeft, zoals het schema aangeeft, een nogal diverse
herkomst.
(1) Kinderliederen zijn ontstaan uit
volwassenenkunstliederen. Dit soort teksten gaat, zo is de gedachtengang,
langs een omweg terug op het volwassenenkunstlied, op wat Lorbe noemt de
zogenaamde kunstballade, een tekst die vooral gekenmerkt wordt door een sterk
dramatische inhoud. Vaak werden deze ballades opgenomen in de volkskunst, ook
omdat de overlevering veelal mondeling plaatsvond. Binnen een dergelijke orale
traditie treden (uiteraard) verschuivingen op: namen werden vergeten,
veranderd, toegevoegd, gebeurtenissen verkeerd begrepen, anders weergegeven,
verkort, of in verband gebracht met andere liederen, de inhoud gewijzigd
omwille van het rijm of ritme. De historische referentiële achtergrond werd dus
steeds minder belangrijk. Dit verschijnsel, dat motieven willekeurig
verschijnen en weer verdwijnen, dat de logische samenhang wordt verbroken onder
invloed van de mondelinge overlevering, wordt door Lorbe als een
‘Zersingeprozess’ (verschuivings-, veranderingsproces) betiteld.
Volwassenenkunstliederen gingen dus op deze wijze tot de volkskunst
behoren en werden door kinderen overgenomen en opnieuw valt dan een soortgelijk
‘Zersingeprozess’ waar te nemen. Veel kinderliederen zijn op deze manier
ontstaan, aldus Lorbe.
Andere kinderliederen zijn direct tot het volwassenenkunstlied te
herleiden, zonder de omweg langs het volwassenenvolkslied. Men kan hierbij
denken aan bewerkingen van soldatenliedjes of schlagerteksten. Een verschil met
de eerstgenoemde soort is dat de typische motieven van volwassenen veel
duidelijker zichtbaar zijn, het proces van ‘verkinderlijking’ is om zo te
zeggen nog niet voltooid. In | | | | dit verband spreekt Lorbe ook over
parodieën op kerkliederen, operateksten en bekende gedichten van klassieke
dichters.
(2) Kinderliederen die direct uit het volwassenenvolkslied
zijn ontstaan. Bij dit soort liederen moet men denken aan teksten met een
sterk formulair karakter: bezweringsformules tegen ziektes, onweer, duivels,
vruchtbaarheidsliederen, liederen die ritmische bewegingen bij bepaalde
handelingen (dorsen, maaien) begeleiden. Ook deze teksten ‘daalden af’ naar het
domein van de kinderen. Hoewel ze in een bepaald opzicht lijken op de onder 1
genoemde liederen, verschillen ze ervan doordat het accent veel minder op de
dramatische afloop van de gebeurtenissen ligt. Het ritmische, het bezwerende
element is het belangrijkste. We zien deze soort volwassenenlyriek bij kinderen
terug, in tal van aftelversjes bij voorbeeld. Dat ook bij deze verkinderlijking
van een ‘Zersingeprozess’ sprake is, is evident.
(3) Kindervolksliederen die niet uit volwassenenliederen
voortkomen. Deze teksten, gemaakt door kinderen zelf, zegt Lorbe ‘sind
unkompliziert, getragen von einem gleichmässigen, meist leiernden Rhythmus und
drücken die Lust am Spiel mit Lauten und das Vergnügen am Komischen und
Lächerlichen aus’ (Lorbe, 1974).
Een gevarieerde ontstaansgeschiedenis dus van het kinderlied. Het zou
bij voorbeeld buitengewoon interessant zijn kinderliederen te analyseren op de
geschetste ontwikkeling van bron naar het lied zelf, zoals wij dat nu kennen
(vergelijk hiervóór ‘Altijd is Kortjakje ziek’). Van essentieel belang daarbij
is natuurlijk de rol van de mondelinge overlevering. Is er bij een lied
uitsluitend van mondelinge overlevering sprake geweest, dan is er veel meer met
de motieven en andere elementen van het oorspronkelijke lied gebeurd dan
wanneer de liederen (ook) schriftelijk vastgelegd waren; bij die laatste
categorie is het verschuivingsproces veel minder dominerend.
Toch is het mogelijk, zegt Lorbe, ondanks de verschillen constanten op
te sporen die een lied maken tot een kinderlied: alle
moraliseringen en sterk rationele elementen zijn eruit gehaald; typische
motieven van volwassenen zijn eruit verdwenen. Daarvan geeft
Wilmink een aardig voorbeeld: ‘Toen een
dominee eens een verhouding had met zijn huisnaaister, en deze hem daarmee
chanteerde, schoot hij haar dood. Enkele zeer lange en droevige balladen werden
aan de lotgevallen van deze vrome man en aan zijn te late berouw gewijd. Maar
op straat had men minder woorden nodig. Daar heette het, op de wijs van een
toen populair revueliedje:
die schoot met kruid en lood
Het voorval werd na verloop van tijd vergeten, en van het straatlied
bleef alleen de dominee overeind [ik zong zelf overigens vroeger altijd
‘blikken dominee’, als ging het om een soort tinnen soldaatje, H.B.]:
| | | |
Toen ging hij naar de plee,
daar brak zijn pijpje stuk.’ (Wilmink, 1987)
De logische betekenis is van weinig belang meer, de liederen zijn
‘springerig’; er is een uitgesproken voorkeur voor ‘onzin’, een voorkeur ook
voor korte regels: ritme, rijm, herhalingen en associaties zijn de bepalende
factoren.
Wat de kinderliederen, van welke oorsprong ook, verbindt, is dat ze,
aldus Lorbe, de wereld van het kind weerspiegelen: ‘Sowohl die Struktur als
auch der Sinnzusammenhang sind bedingt durch die kindliche Vorstellungswelt.
Sie modifiziert die Stoffe, sie prägt die Gestalt des Kinderliedes. Sie äussert
sich keineswegs als eine Welt forcierter, klischeebehangener Kindlichkeit,
sondern als eine sehr natürliche Welt, in der Menschen und Tiere und Dinge
nebeneinander ihren Platz haben, eine Welt, die gar nicht
niedlich und harmlos ist, sondern oft grausam, eine Welt, in der alles
passieren kann, in der man die Ereignisse der Umgebung registriert, kaum über
sie räsoniert und noch seltener moralisiert’ (Lorbe, 1974).
Waar bij het verhalend jeugdliteraire proza eigenlijk alleen maar het
overzichtswerk van
Daalder voorhanden is, is het de schrijver van
een poëzie-overzicht vergund een keuze te maken uit diverse
overzichtsartikelen. Ik kan wijzen op
Van Coillie (1980, 1982),
Ekkers (1986) en
Eykman (1989).
Bijna iedereen die zich heeft uitgelaten over kinder- en jeugdpoëzie,
laat het genre beginnen bij
Van Alphens
Proeve van kleine gedigten voor kinderen;
soms ziet men dit werk zelfs als het eerste ware kinderboek. Dat op die laatste
zienswijze het een en ander viel af te dingen, bleek reeds uit de hiervoor
genoemde vormen van kinderlyriek, maar ook in de voorafgaande hoofdstukken is
met kracht van argumenten aangetoond dat deze traditionele visie correctie
behoefde. Vooral
Buijnsters laat zien dat er in de achttiende
eeuw ook anderen dan Van Alphen als wegbereiders beschouwd mogen worden. Toch
is het enigermate te betreuren dat Buijnsters Van Alphen uitsluitend als
historisch verschijnsel bespreekt en geen melding maakt van
de doorwerking van diens werk in de twintigste eeuw. Zo had hij erop kunnen
wijzen dat
Wilmink zich eigenlijk als een regelrechte
nazaat van Van Alphen beschouwt.
In 1979 schreef Wilmink een informatief artikel met de bescheiden titel
‘Iets over kindergedichten in de negentiende eeuw’, waaruit zijn voorliefde
voor vooral het werk van Van Alphen naar voren kwam. Hij baseerde zich in dat
stuk, waar het om primaire teksten ging, op de dissertatie van Wirth,
Een eeuw Kinderpoëzie 1778-1878, die de ‘nieuwheid’ van Van
Alphen als kinderpoëet sterk benadrukte: ‘Toen kwam Van Alphen met verhalen van
tollen, hoepels, jonge honden, prui- | | | | men, perziken, wafels en
daarnaast ook onderwerpen die 't kind ook wel degelijk konden bezighouden, al
was dit niet zo dageliks: onweer, sterven, vriendschap, medelijden, godsdienst,
enz. Dat ze behandeld zijn op een manier, die afwijkt van onze opvattingen,
doet hier niets ter zake. Belangrijk is 't feit dat hij zich rekenschap heeft
gegeven van datgene, waarin een kind belangstelt. We kunnen gerust aannemen dat
dit de eerste gedichtjes zijn geweest waarin 't kind voelde, dat men in zijn
sfeer kwam en dat het, gewend aan die andere lectuur, deze heeft beschouwd als
iets verfrissends en levenwekkends’ (Wirth, 1926).
Bijna zestig jaar later verkondigt
Wilmink een zelfde standpunt. Hij verdedigt
Van Alphen tegen kritiek uit de negentiende
eeuw, in het bijzonder van
De Génestet, die schreef dat hij ‘de kleine
gedigten voor kinderen’ nooit en te nimmer aan kinderen in handen zou geven:
‘Van Alphen was niet dichterlijk, niet naïef, hij bezat geen fantasie, hij
miste echte, kinderlijke blijdschap, maar stond als een deftige, altijd
hoogernstig man tegenover de kinderwereld, in plaats van erin.’ (Geciteerd naar
Wirth, 1926.) Wilmink is de mening toegedaan dat Van Alphen meer waard is,
omdat hij bij voorbeeld de angst van kinderen voor de dood onderkende en de
moed had openhartiger over dat probleem te schrijven dan iedereen na hem, tot
aan Astrid Lindgren.
Ook
Goeverneur, al is het om andere redenen, is
een auteur die zich in de warme belangstelling van Wilmink mag verheugen. Als
Wilmink naar aanleiding van zijn eerste bundels door de poëziecriticus Anton
Korteweg als ‘Jan de Rijmer’ wordt aangeduid, vat Wilmink dit op als een
compliment, want ‘Jan de Rijmer is het pseudoniem van Goeverneur, en die man
heb ik mateloos bewonderd. Hij was de enige kinderdichter in de negentiende
eeuw die werkelijk kinderen voor zijn geest had. Hij had niets opvoedends over
zich’ (Diepstraten/Kuyper, 1978). In zijn artikel over de negentiende-eeuwse
kindergedichten zegt hij: ‘Zijn kinderpoëzie is puur amusement, ook daar waar
hij hardnekkige pogingen doet een moraal te verkondigen. Gaat het bijvoorbeeld
over het nut van het lezen, dan laat hij een kind aan een os vragen, of die
soms ook het abc moet leren. En het beest antwoordt:
Kind, daar bemoei ik mij niet mee,
ik heb geen lust om veel te weten.
Als ik maar gras heb en kan eten.’ (Wilmink,
1979)
In zijn uiteenzetting wijst Wilmink erop, dat hij een bepaald genre
kindergedichten buiten beschouwing heeft gelaten, namelijk die verzen waarin
een soms klein vergrijp op gruwelijke wijze wordt afgestraft, Piet de
Smeerpoets-achtige gedichten, mag men aannemen, gezien de voorbeelden die
genoemd worden: een duimzuiger worden de beide duimen door de kleermaker
afgeknipt, een jongen die geen soep wil eten, wordt broodmager en sterft en de
soepterrien wordt op zijn graf neergezet. Als reactie op juist dit soort
teksten, is zijn veronderstelling, wordt er in de eerste helft van de
twintigste eeuw een vloed van wat men idyllische versjes zou kunnen noemen
geschreven, waarvan de inhoud uit niet veel meer bestaat dan ‘hansje pansje,
bij en blom, zom, zom’. Rie Cramer-achtige versjes dus.
Wilmink geeft een aardig voorbeeld van dit
genre: | | | |
Nu gaan wij vrolijk dansen,
Wij dansen poot aan poot, ja, ja!
Wij zijn de haasjes uit de bossen,
De kleine haasjes uit de bossen
Tra la la - la la la la ra la
O kijk eens hoe wij dansen!
Tra la la - la la la la ra la,
Wij dansen poot aan poot.
Dit blijkt een jeugdwerkje van... prinses Juliana te zijn. Catharina van
Rennes maakte er muziek op, de Avro gaf het liedje uit in 1935.
Wilmink verbindt aan zijn overzicht van de
negentiende-eeuwse kinderdichters deze veelzeggende conclusie: ‘Van de
kinderdichters die hier aan de orde kwamen, keken
Van Alphen en
Goeverneur werkelijk naar kinderen.
Heije [de dichter van evergreens als “Ferme
jongens, stoere knapen”, “De zilvervloot”, “Een karretje op de zandweg reed”,
“Zie de maan schijnt door de bomen”] keek over ze heen naar een toekomst waarin
zijn liberale idealen verwezenlijkt zouden zijn. Hij is, bij alle verschil in
politieke opvatting, verwant aan die hedendaagse kinderboekenschrijvers die
over de kinderen heen uitzien naar een alternatieve maatschappij met een schoon
milieu en verwisselde rolpatronen.
Rie Cramer en haar geestverwanten keken onder
de kinderen door, naar een kabouteridylle vol onschuld die ze vlak boven de
aarde meenden te aanschouwen’ (Wilmink, 1979).
Veelzeggend, want waar hij verwantschap van Heije ziet met hedendaagse
kinderboekenschrijvers, geldt dat voor hem natuurlijk evenzeer, zo niet
sterker, waar het zijn verbondenheid met werk en ideeën van Van Alphen betreft.
Zoals gezegd beschrijft Buijnsters Van Alphen en zijn werk vooral als
historisch fenomeen, maar dit doende plaatst hij hem wel in wat door
Fens (1984) als een ‘reservaat’ is omschreven.
Buijnsters doet het zo voorkomen alsof Van
Alphen behoort tot de oudere literatuur, de literatuur van vroegere generaties,
níét tot het literaire verleden van de huidige lezers en daarmee tot hún
literatuur. Het lijkt zo alsof Van Alphens werk de drempel van zijn eeuw niet
is overgegaan, alsof het niet met de tijd is meegegaan. Kennelijk behoren de
teksten van Van Alphen in de visie van menig literatuurhistoricus niet tot het
corpus van de zogenaamde actieve literatuur, maar tot de
‘slapende’ letteren. Quod non, geloof ik.
Wilmink heeft zich het werk van Van Alphen om zo te zeggen toegeëigend,
omdat het een beroep heeft gedaan (en kunnen doen) op zijn eigen
literatuuropvattingen, zoals die zich in zijn contemporaine context mede
gevormd hebben. Ik zal dat met een voorbeeld illustreren. In
Goedenavond, speelman besteedt Wilmink
opnieuw veel aandacht aan Van Alphen, die hij geenszins als een kinderlijk
brave en flauwe dichter beschouwt. ‘Cornelis had een glas gebroken’ wordt aan
een schitterende analyse onderworpen, een analyse die alleen maar verricht kan
worden door iemand die niet alleen bewondering heeft voor een dichter uit
vroeger tijden, maar zich in feite een ‘leerling’ voelt van de oude
achttiende-eeuwse ‘mees- | | | | ter’ - de Stratemakeropzeeshow acht
Wilmink inderdaad geschreven door ‘pupillen’ van
Van Alphen -. Ik geef Wilminks commentaar bij de
derde strofe:
‘Terwijl ik bezig met paletten
Vloog mijn volan, door 't fors
raketten,
Maar als uw Keesje 't van zijn leven
Dan milt gij 't immers hem vergeven,
Bravo, Kees! Zo pak je een 18de-eeuwse moeder aan! Bij de woorden “fors
raketten” hóór je de moeder denken: 't is wel een deugniet, onze Kees, maar
fors raketten, dát kan hij! Keesje heeft het pleit al bijna gewonnen en beweert
dan ook nog dat hij “'t van zijn leven niet weder doet”, iets wat geheel in
tegenspraak is met zijn karakter zoals hij dat zelf net geschetst heeft. Maar
ja, kinderen en verliefden zijn snel met woorden als “nooit” en “altijd”’
(Wilmink, 1987). Wilminks verweer tegen verwijten van de kant van
Ed Leeflang, als zouden Van Alphen en zijn
hedendaagse leerlingen volwassenen zijn, die voor kind spelen (‘Daarbij leggen
ze kinderen ideeën in de mond die kinderen vaak zelf niet hebben. In ieder
geval niet zó hebben. En ja, het valt ook niet mee om een stem te laten klinken
als die van een echt kind.
Van Alphen had er dikwijls moeite mee en de
moderne dichters lukt het ook niet altijd even goed’), spreekt in dit verband
boekdelen. Wilmink is een twintigste-eeuwse moralist; hij is, net als Van
Alphen, misschien beter, méér dan Van Alphen als schrijver in
staat kinderlijke gevoelens te verwoorden: ‘Leeflang heeft ongelijk, omdat de
goede kinderdichters geen kinderen napraten, maar dingen zeggen die kinderen
van een jaar of acht tot elf wel kunnen voelen, maar nog niet kunnen
uitdrukken. [...] in dat geval hóór je geen kind, maar je
ziet een kind voor je, dat in zijn houding en
gezichtsuitdrukking “zegt” wat de volwassen dichter werkelijk onder woorden
brengt’ (Wilmink, 1987). Tot zover een correctie op het eenzijdig historische
beeld van Van Alphen.
Twee figuren dienen hier nog genoemd te worden, omdat ook bij hen van
een doorwerking van ideeën gesproken kan worden. In het citaat dat Wirth van
De Génestet geeft, komt zijn ‘moderne’
ideeëngoed prachtig naar voren: ‘... hoe moet hij [ = de ideale kinderdichter,
H.B.] weten partij te trekken van hun ondeugendheid, hun schalksheid - zonder
te zeer de wenkbrauwen te fronsen... Hoe moet hij, eindelijk, met hen, niet uit
de hoogte, maar uit den drang en den overvloed des harten, weten te spelen, te
stoeien, te zingen en hen tevens te leeren, zonder dat zij 't bemerken,
waarlijk niet te veel en niet altijd door een plechtstatig en vervelend: Wat
leert men nu hieruit en daaruit? niet door zedelesjes, maar door goede
bezielende indrukken te geven’ (Wirth, 1926). De andere negentiende-eeuwer is
de reeds genoemde
Goeverneur. Van Coillie beschouwt hem als de
dominerende kinderpoëet van de negentiende eeuw, en zijn tijdgenoot De Génestet
betitelde zijn gedichten als ‘melk der poëzy’, even voedzaam als de later in te
nemen jenever. | | | |

[18] ‘Waarom, daarom, omdat/het touwtje eerst
vastzat/en ongemerkt is losgegaan,/daarom is alles naar de maan.’ Fragment van
een van de bakerrijmpjes van Ienne Biemans. Mance Post illustreerde de
bundel Lang zul je leven.
| | | | Hij verstond de kunst om kind te zijn met de
kinderen, ‘vanzelf sprak hij [...] de taal, die daarbij hoorde, leefde in
hetgeen hij uitbeeldde, wekte geloof aan de echtheid van zijn figuren’ (Wirth,
1926). En als hij moraliseert, doet hij dat op een wat luchtiger wijze dan
Van Alphen. Van Coillie geeft in dit verband
het volgende voorbeeld. Piet heeft vogelnestjes uitgehaald en het slot van het
gedicht luidt dan:
't Eenigste, dat Piet gebeurde,
Was, dat Piet zijn broekje scheurde.
Lieve jongens, tot besluit:
Haalt geen vogelnestjes uit.
De eerste helft van de twintigste eeuw wordt, zo melden vrijwel alle
overzichten, gekenmerkt door wat men de sentimentaliteit van het kinderland (of
om met Dasberg te spreken ‘jeugd(ei)land’) zou kunnen noemen. Verantwoordelijk
voor deze tendens acht men veelal de talrijke damesdichters-componisten wier
namen nu volstrekt in de vergetelheid zijn geraakt:
Geertruida van Vladeracken,
Hendrika van Tussenbroek,
Nelly van der Linden Snelrewaard-Boudewijn,
Anne Lambrechts-Vos (vergelijk hiervoor
Catharina van Rennes). De teksten waar muziek
bij geschreven werd, bezitten dit arcadische karakter:
Hansje pansje zat op 't hek,
Naast hem graasde 't geitje,
't deed zo goedig mek, mek, mek.
Als symbool van deze categorie wordt zonder uitzondering
Rie Cramer (1887-1977) genoemd, over wie
Wilmink schrijft: ‘...met haar versjes en haar portretjes van kinderen met wijd
uit elkaar staande ogen: kinderen die allemaal op zullen groeien tot Martine
Bijlen’ (Wilmink, 1975). De Martine Bijl van
Elfje, Twaalfje mogen we aannemen, een
inderdaad wat ‘zoetig’ sprookjesboek voor kleuters. Het is begrijpelijk dat
teksten als de volgende (uit Tire, lire, letje):
Kindertjes liggen onder den boom.
Als ze opstaan dan zijn ze loom,
Als ze loom zijn vallen ze neer,
En als ze vallen dan liggen ze weer.
in de jaren vijftig door een nieuwe generatie dichters weinig werden
geapprecieerd, al beleefden haar versjes en vooral haar tekeningen na 1970 een
merkwaardige revival. Weinig waardering van dichterszijde wellicht, maar bij
deze constatering moet men wel bedenken dat dit soort teksten voor kinderen
nooit helemaal uit het poëzie-aanbod verdwijnt. Ook nu, zegt Braaksma (1985)
terecht, vinden kinderen de versjes van Rie Cramer nog altijd de moeite
waard.
De grote ommekeer komt inderdaad, daar is een ieder het over eens, na de
tweede wereldoorlog, in eerste instantie met het werk van
Annie M.G. Schmidt, | | | |
vertegenwoordigster van wat
Eykman ‘de Paroolgeneratie’ heeft gedoopt. In
1950 verscheen
Het fluitketeltje, welke bundel niet
zozeer qua vorm vernieuwing bracht als wel inhoudelijk. In formele zin lijkt
zij geïnspireerd door het traditionele kinderrijm, bakerrijmen (veel
herhalingen, klankrijkdom en alliteraties) vooral. Een tekst als ‘De drie
vrouwtjes uit Haddemerveen’ roept toch op zijn minst reminiscenties op aan de
strijd tussen vrouw Biba, vrouw Biba de Binka en vrouw Sina Snikna Knikker de
Knikna. Ik citeer de eerste strofe:
Er waren drie vrouwtjes uit Haddemerveen:
Katoenka, Baboenka en Hinkelebeen.
Katoenka zei tegen Baboenka: Juffrouw,
mijn varken loopt harder dan 't varken van jou.
't Is nietes, 't is welles, 't is nietes, 't is
wel!
Toen kwam er een ruzie! Toen kwam er een rel!
En Hinkelebeen zei enkel alleen:
Zo hard als mijn varkentje loopt er geen een.
Maar laten we 't even proberen gaan. Kom,
we lopen eenvoudig de wereld om.
Nog sterker is de overeenkomst, ook door het geheimzinnige en
associatieve karakter ervan, in ‘De katten’ (uit
De lapjeskat):
de katten gaan naar Londen,
de katten gaan naar Engeland,
het stond vanavond in de krant,
en de honden blijven thuis.
Waar zullen ze wonen? In Engelse huizen.
Wat zullen ze eten? Engelse muizen
en Engelse worst van een Engels bord
en Engelse pap van een Engelse lord
en die katten zullen hun verdere leven
in 't Engels mauwen en kopjes geven.
de katten gaan naar Londen,
de katten gaan naar Engeland,
met anjelieren in hun hand,
en de honden gaan níét mee.
| | | |
Het innoverende van Schmidts poëzie ligt echter vooral in haar
onderwerpen. Fantastische kolderieke voorvallen worden op een humoristische
manier beschreven en de moraal is vaak die van een ‘mundus inversus’ (‘Ik ben
lekker stout’ met de schitterende regels ‘'k Wil lekker knoeien met het
zout,/ik wil niet aardig zijn, maar stout/en van de leuning roetsen/en
schipbreuk spelen in de teil/en ik wil spugen op het zeil!’). ‘Haar
aanstekelijk anarchisme,’ zegt Eykman (1989), ‘zit [...] in de humor die ze
hanteert, je struikelt voortdurend over nonsensicale situaties, je raakt
terecht in een omgekeerde wereld waarin van alles gebeurt, wat helemaal niet
kan. Kinderen krijgen op die manier een knettergekke vrijplaats als tegengif
tegen de rationalistische, verstandige grote mensenrealiteit.’
Niet alleen in haar onderwerpen is
Annie Schmidt vernieuwend. In een
overzichtsartikel ter gelegenheid van de aan haar toegekende Constantijn
Huygens-prijs - van dit artikel wordt hieronder met toestemming van de auteur
vrijelijk gebruik gemaakt - noemt
Fens (1987) het volgende rijmpaar het
ongewoonste uit de Nederlandse literatuur: ‘pianostemmer - leeuwentemmer’ (of
‘citeer 's - Homerus’). Hij acht dit meer dan alleen een taalspelletje. Op deze
wijze kent de taal geen standsverschil meer tussen de woorden, er wordt hun,
hoe ongerijmd ze zich ook tot elkaar verhouden, een gelijkheid opgelegd die
iedere vorm van nivellering mist. De woorden worden aan elkaar gewaagd, ze
hebben met elkaar rekening te houden en zich aan elkaar aan te passen.
‘Aanstellerij is uit den boze,’ zegt Fens, ‘en woorden die zich nog op iets
willen laten voorstaan, worden eruitgerijmd. Dat laatste gebeurt vaak, en de
gewone woorden nemen de macht over.’ Ook hier is weer het begrip ‘anarchie’ van
toepassing. Immers ook in de taal is zo de anarchie aan te wijzen: de gewoonste
woorden zetten de deftigste en gewichtigste buitenspel; ze maken ze belachelijk
door hun zichzelf als onvermijdelijk rijmwoord op te dringen: ‘Toen at de
koning een liter ijs/vlak voor het koninklijk paleis.’ Een tweeletterwoord tast
definitief een zeer gewichtig paar woorden aan, het realistische het
idealistische. Niet het minst treffend (én vernieuwend) aan de poëzie van Annie
Schmidt is, dat zich in de taal voltrekt wat zich anekdotisch in het gedicht
voordoet.
Maar het gaat vooral om haar mentaliteit; ze gooide niet alleen de taal
(van de tot dan toe geschreven kinderpoëzie), maar ook de Ideeën ervan omver.
In het keurige koninkrijkje van de kinderpoëzie werd de republiek uitgeroepen
(met Annie Schmidt als president, dat wel). Fens maakt ‘Het fluitketeltje’ in
Schmidts eerste bundel dan ook bijna tot een revolutionair symbool: ‘Al meteen
in het eerste gedicht nam een fluitketel de macht over bij afwezigheid van
meneer en mevrouw. Hij kan in zijn lust zijn eigen zin te doen tegen geklaag of
vermaningen van zijn naaste omgeving in, in zijn onbeschaamdheid zich te laten
horen - boven alle gevestigde geluiden uit -, in de gewoonheid van zijn toon,
haast symbolisch genoemd worden voor bijna de gehele kinderpoëzie van Annie
Schmidt.’ Het prinsesje Tierlantijn ‘acteert’ (in dezelfde bundel) op identieke
wijze:
Er was eens een prinsesje en ze heette
Tierlantijn.
Ze was mooi als enkel maar prinsesjes kunnen
zijn.
Haar vader was een koning en haar ma was
koningin,
| | | |
en gistermorgen maren zij zo nijdig als een
spin!
Wat was er dan? O jee, o jee, o jee, wat was er
dan?
Ze wilden, dat ze trouwen zou, al met een
edelman.
Het moest een echte prins zijn, of een graaf, of een
baron,
het liefst een heuse koningszoon, maar als 't niet anders
kon
desnoods, desnoods een generaal van 't koninklijke
leger,
maar Tierlantijn zei vol venijn: Ik wil een
schoorsteenveger!
De prinses gehoorzaamt niet langer aan het sprookje: ze doet wat ze wil
en de taal doet dat ook. Maar ook het vers zelf gaat zeer eigenzinnig en
‘eigenwillig’ te werk, in zijn lange eerder door ritme dan door metrum bepaalde
regels, met het mede daardoor (en dat zal voor de kinderpoëzie in haar geheel
gaan gelden) veroorzaakte directe gerichtheid op de lezer, die in het komplot
van de taal wordt betrokken als in de opstandigheid van het meisje.
Fens verbindt daaraan deze conclusie: de
kindergedichten van
Annie Schmidt sluiten in de meeste opzichten
niet bij conventies aan; ze sluiten zelfs vaak niet bij zichzelf aan, uiteraard
wel naar de geest, maar zelden naar de vorm: hun prosodie is een zeer
eigenzinnige; er is ook niets voorspelbaars aan, uitgezonderd het rijm dan,
maar over de wijze waarop dat gaat optreden en de verdeling van de tijdsduur
nodig om de rijmwoorden elkaar te laten treffen, blijft de lezer meestal in het
onzekere. Dat geeft aan het lezen een bepaalde spanning. De auteur verstoort
bij voortduring het metrum door de vrijheden van het ritme, waarmee ze niet
alleen aan de dreun ontkomt, maar het gedicht ook het gelukkige slachtoffer
maakt van de anarchie van de taal.
De in de gedichten geschetste wereld staat tegenover die van de
geordende maatschappij, waar alles is zoals het hoort te zijn en iedereen doet
wat hij moet doen, waar de (gevestigde) taal de dienst of de kunst uitmaakt, de
woorden elkaar in keurig metrum vinden, kortom, om in de kinderpoëzie te
blijven, de wereld van Pieter Hendrik Hagelslag, het voorbeeldige kind, dat
voorbeeldige man en voorbeeldige echtgenoot van een voorbeeldige vrouw wordt.
Maar hij krijgt - als de brave kinderpoëzie van het werk van Annie Schmidt -
zijn trekken thuis van zijn zes kinderen, die tegen alle regels ingaan.
Met diezelfde wereld van orde, netheid en zelfvoldaanheid werd ook
gespot in de eveneens in 1950 verschenen bundel - voor volwassenen -
En wat dan nog? Naar de vorm zijn deze
gedichten traditioneel, waarschijnlijk zijn ze op grond daarvan ook door de
contemporaine critici nauwelijks naar waarde geschat; de gedichten waren in hun
visie, denk ik, te gewoon, te weinig verrassend. In een gedicht in de eveneens
voor volwassenen geschreven bundel
Huishondpoëzie (1957) nam Annie Schmidt
wraak op deze critici en gaf ze haar eigen poëticale positie onomwonden aan.
Tegelijkertijd bevat het gedicht, ‘Een dichter’, bijna profetische woorden voor
de literaire situatie een decennium later:
Piet Pluimers won het liefste verzen schrijven
over wat late rozen in de zon.
Hij was een dichter en hij wou het blijven.
Hij schreef sonnetten toen hij pas begon.
| | | |
Het rijmde ook. Maar and're dichters zeiden:
je mag niet rijmen joh, 't is geen gezicht!
Je moet zorgvuldig alle rijm vermijden,
want een gedicht dat rijmt is geen gedicht.
En dan dat metrum! Dat is uit de mode.
't Mag niet van rál de ral de rál de ral.
Punten en komma's, jongen, zijn verboden.
En denk erom: geen hoofdletters vooral.
En nooit een hele zin. Alleen maar brokken.
En rozen mógen wel een keer, maar dan
slechts in verband met baarmoeders en sokken
en zó dat niemand het begrijpen kan.
't Is maar een weet, we zeggen 't je maar even.
Piet had het spoedig door en hij zei: o.
Hij heeft dezelfde dag een vers geschreven,
zijn eerste echte vers. En dat ging zo:
ik drijf spelden van wanhoop
klaan uit je klukhaar versuikeren
bleke bliezen in schedels met spuigaten
En toen zei iedereen: dat is reusachtig!
En Paul Rodenko schreef een heel lang stuk
in Maatstaf om te laten zien hoe
prachtig
het was. Vooral dat ‘woezie’ en dat ‘kluk’.
Alleen Piet Pluimers zelf was niet tevreden.
Hij wou zo graag eens rijmen, want helaas,
hij heeft nu eenmaal 't rijm onder z'n leden.
Maar nee, hij mag alleen met Sinterklaas.
En hij won graag één keer een komma zetten.
Ach Piet! Over tien jaren slaat het om!
Dan rijmt men meer. Dan maakt men weer
sonnetten.
Dan gaat het weer van póm de róm de róm.
In En wat dan nog? staat ook het gedicht ‘Aan een
klein meisje’, waarin
Fens de oorsprong van Schmidts kinderpoëzie
vermoedt: ‘nog even mag alles. Maar de | | | | hark, waarmee de kleinste
ongerechtigheden worden verwijderd en die altijd twee woorden bij elkaar brengt
om mee te spreken, die de paadjes van het metrum schoonhoudt, staat al klaar in
het toekomstige voortuintje, met de hagen en de hekken.’
Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer iets anders loos.
En in dit land zijn alle avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn and're muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.
En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.
Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen...
Wees waar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Terecht zegt
Fens dat dit gedicht een plaats verdiend had
op de laatste bladzijde van de verzamelde kindergedichten (
Ziezo), als om aan te geven: dit komt
erna.
De indruk dat
Annie Schmidt in haar kinderpoëzie meer lijkt
te durven dan in haar gedichten voor volwassenen, zou wel eens hieruit
verklaard kunnen worden: het braaf-traditionele karakter van de poëzie voor
kinderen op het moment dat zij begón te schrijven leidde ertoe dat haar werk
wel als een revolutionaire (poëtische) daad móést worden ervaren.
Terecht wordt zowel door
Eykman als door
Ekkers
Han G. Hoekstra (1906-1988) als een soort
wegbereider van het succes van Schmidt gezien. Niet voor niets behoren zij
beiden tot de zogenaamde Paroolgeneratie. Fens (1987) spreekt het vermoeden uit
dat het klimaat bij het dagblad Het Parool aan het einde van
de jaren veertig en de eerste helft van de jaren vijftig bepalend is geweest
voor de toon van dichters als Hoekstra en Schmidt: ‘In die krant werd door heel
wat medewerkers geschreven in een taal die tot dan in de Nederlandse
journalistiek ongebruikelijk was en door de lezers toch als zeer modern werd
ervaren: de deftigheid was uit de taal, er was een lichte ironie, er werd door
de medewerkers persoonlijker geschreven dan in de andere kranten. Het Parool was toen een krant die duidelijk creativiteit en
vindingrijkheid liet zien, en, tot in de sportverslaggeving toe, een lichte
geur van literatuur meedroeg. Alleen in dat midden kon “Het schaap Veronica”
tot één der aardigste literaire figuren uit de Nederlandse literatuur
uitgroeien.’ Hoekstra zelf ontkent overigens een directe invloed op Annie
Schmidt van zijn | | | | kant: ‘Het zat gewoon in de lucht, de tijd was
rijp voor dergelijke luchtige versjes waarin de vroegere boeman omver werd
gehaald en het ondeugende kind op een voetstukje geplaatst’ (Van Coillie,
1984). Maar ‘De kinderen uit de Rozenstraat’ (uit
Het verloren schaap) zal toch door
Schmidt gezien en niet onopgemerkt gebleven zijn:
De kinderen uit de Rozenstraat
hebben altijd vuile handen,
ze hebben meestal een gat in hun mouw,
De kinderen uit de Rozenstraat
hebben altijd slordige haren,
ze hebben vaak een splinter in hun hand,
en builen, bulten en blaren.
De kinderen uit de Rozenstraat
lopen meest op blote voeten,
ze zijn de hele dag op straat,
alsof ze nooit eten moeten.
De kinderen uit de Rozenstraat
schijnen zich nooit te verschonen,
ze mogen alles wat ik niet mag.
'k Wou soms wel in de Rozenstraat wonen...
Zijn grote bekendheid ontleent
Hoekstra echter vooral aan zijn
Rijmpjes en versjes uit de nieuwe doos,
aan welk genre hij, zoals
Ienne Biemans in de jaren tachtig, nieuwe
impulsen gaf. Misschien minder geheimzinnig dan de ‘echte’ rijmpjes en versjes,
maar vooral speels en amusant:
Een brilslang van een jaar of tien
die kon inééns niet goed meer zien.
Hij gaf van schrik een gilletje.
Nu heeft hij een nieuw brilletje.
en
Van een duizendpoot
De moeder van een duizendpoot
want haar zoontje is zojuist
| | | |
[19] Illustratie van Fiep Westendorp bij het
gedicht ‘Van een duizendpoot’ van Han G. Hoekstra. In Rijmpjes en versjes
uit de nieuwe doos.
| | | |
weet je wat dat betekent:
op z'n hoofd een grote buil
Evenmin als bij
Schmidt - zij ís er en verdwijnt niet meer van
het toneel - kan men bij
Hoekstra van een echte ontwikkeling spreken.
Twee genres vallen in zijn kinderpoëzie te onderscheiden: humoristische
versjes, met een neiging naar het nonsensicale, en daarnaast meer verhalende
gedichten als ‘Leo is ziek’ (uit
Het verloren schaap). Het enige wat men,
misschien, zou kunnen zeggen, is dat het nonsensicale in zijn latere werk iets
meer de boventoon gaat voeren.
Waren Schmidt en Hoekstra in de beginjaren na de tweede wereldoorlog de
‘leading children's poets’, de ‘Vijftigers’ van de kinderpoëzie, bijna twintig
jaar later is er in zekere zin sprake van een nieuwe revolutie.
Hans Andreus publiceerde in 1967 zijn eerste
kinderbundel
Waarom daarom. Het revolutionaire was
onder meer daarin gelegen, dat een erkend ‘groot’ dichter - al geldt dit ook
enigermate voor een auteur als Han G. Hoekstra - zich niet te hoog achtte voor
het schrijven van poëzie voor kinderen. Dat is ook niet zo vreemd, want als
dichter voelt Andreus zich verwant aan de positie van het kind. Wat hij daarmee
bedoelt, legt hij uit in het voorwoord van de door hem samengestelde
bloemlezing
De dichter en het afscheid van de jeugd
(1958): ‘De dichter is minder dan de anderen de waarde vergeten van die
onschuld van de jeugd en de onafhankelijkheid van gevoel en denken; als dichter
moet hij daarvan bestaan. Hij kan afscheid nemen van de hardheid die van de
jeugd is; hij kan afscheid nemen van het vertrouwde dat die jeugd geeft, maar
hij kan het niet stellen zonder dat blindelings creatieve moment dat de jeugd
is. Ieder dichterlijk woord staat in het teken van de onschuld. Logisch dat de
dichter het betreurt dat zijn gehele menselijke bestaan niet zo kan zijn als
hij het dichterlijk zou willen.’ Met andere woorden: de dichter Andreus laat
het kinderlijke in zich tot uiting komen en probeert met een onbevooroordeelde
blik de wereld te bekijken. Hij schept in zijn dichterlijke wereld om zo te
zeggen een éigen wereld, waarin juist die onschuld een grote rol speelt.
Voor een dichter met dergelijke poëticale opvattingen is het bijna
vanzelfsprekend dat hij ook gedichten voor kinderen schrijft. Er zijn dan ook
vier bundels met kindergedichten van hem verschenen. Naast Waarom
daarom verschenen
De rommeltuin (1970),
De fontein in de buitenwijk (1973) en ten
slotte in 1975 Kinderversjes.
Andreus heeft geen enkele van deze bundels opgenomen in de door hem
samengestelde verzamelbundel
Gedichten 1948-1974. Ook de samenstellers
van Andreus'
Verzamelde Gedichten (1984) wilden
blijkbaar Andreus' werk voor kinderen gescheiden houden van dat voor
volwassenen, want er is geen ‘kinderversje’ in terug te vinden. Toch schreef
Remco Ekkers in 1982 over Andreus: ‘Hans Andreus
is in de eerste plaats een dichter, ook in de kinderliteratuur. Hij schrijft
soms over dezelfde onderwerpen voor volwassenen en kinderen. De kindergedichten
zijn eenvoudiger, humoristischer, fantastischer, maar de melancholische
ondertoon geeft ze een onzware ernst die weldadig aandoet in vergelijking met
veel flauwekulrijmpjes die voor kinderpoëzie willen doorgaan. [...] De
kindergedichten zijn | | | | geschreven in een taal die het kind zelf
gebruikt en zo muzikaal en precies, dat je het gevoel krijgt: zo is het
helemaal goed.’ Ekkers rekent de kindergedichten van
Andreus kennelijk wél tot de kinderpoëzie.
Is dit terecht? Het is bekend dat de gedichten die Andreus voor
volwassenen schreef tot de literatuur gerekend worden. In hoeverre mogen of
kunnen nu zijn ‘kinderversjes’ poëzie genoemd worden? Voor
een (mogelijk) antwoord op die vraag waag ik me aan een (onvermijdelijk)
exemplarische vergelijking van een kindergedicht met een gedicht voor
volwassenen. Op zijn minst zal dan duidelijk worden welke aanpassingsmiddelen
Andreus heeft gebruikt bij het schrijven voor kinderen en op welke punten dit
werk afwijkt van dat voor volwassenen.
‘Aanpassingsmiddelen’ zei ik, niet zonder zin, want de vergelijking
geschiedt aan de hand van een adaptatietheorie, opgesteld door
G. Klingberg (1973). Deze heeft bij wijze van
hypothese een viertal vormen van adaptatie onderscheiden, waarbij hij adaptatie
als volgt definieert: in een jeugdliteraire tekst wordt rekening gehouden met
de belangen, behoeften, wijze van ervaren, kennis, leesvermogen van kinderen en
jeugdigen. Het gaat dan om de volgende vormen van adaptatie:
1. Adaptatie wat betreft de keuze van de stof. Een
auteur kan de inhoud aanpassen aan wat hij weet of meent te
weten van de ontbrekende kennis en ervaringen, van de aanwezige behoeften en
interesses en van de beleving van de lezer. Hij zal bepaalde thema's en
motieven niet gebruiken, omdat hij ervan uitgaat dat het kind daarvoor te
weinig kennis bezit of een te geringe belangstelling. Rekening houdend met de
behoeften van een kind zal een auteur eerder een optimistische levenshouding
presenteren dan een pessimistische.
2. Adaptatie wat betreft de literaire vorm. Een auteur
streeft dan naar een overzichtelijke thematiek en een eenvoudige compositie.
Moeilijke woorden worden van een verklaring voorzien, verwijzingen naar voor de
lezer onbekende literaire werken worden vermeden. Veelal wordt gekozen voor het
perspectief van een kind of een jeugdige, dat wil zeggen een verhaalfiguur met
minder kennis dan een volwassene. De dialoogvorm verdient de voorkeur. Aan de
beleving van de lezer wordt tegemoetgekomen onder meer door (veel) spanning op
te wekken, een happy ending aan het verhaal te verbinden en
herhalingstechnieken toe te passen.
3. Adaptatie wat betreft de keuze van de stijl. Het
talige karakter van het werk kan aangepast worden doordat de auteur rekening
houdt met wat hij aan woordkennis en leesvermogen bij de jeugdige lezer
vermoedt. Er zal eerder voor directe dan voor indirecte rede gekozen worden.
Verder zullen er vaak korte zinnen gebruikt worden en nauwelijks abstracte
woorden of ingewikkelde zinsconstructies. Van beeldspraak zal beperkt gebruik
gemaakt worden.
4. Adaptie wat betreft de keuze van het medium.
Hierbij gaat het om de specifieke lay-out van kinder- en jeugdboeken. Naast de
auteur zullen de uitgever en eventuele illustrator in dit verband een rol
spelen.
Nu zou men kunnen tegenwerpen dat het adaptatieconcept van Klingberg
ertoe leidt dat het rekening houden met de belangen, behoeften, wijze van
ervaren, leervermogen et cetera van kinderen en jeugdigen te snel uitnodigt tot
een pedagogische en psychologische invulling van deze begrippen. Misschien. Men
dient hierbij echter te bedenken dat de toepassing van Klingbergs
begrippenappa- | | | | raat altijd betrekkelijk is: het hangt er namelijk
van af wat onder kinderen wordt verstaan, welk beeld men heeft van kind en
samenleving en van kind en socialisatie. Historisch gezien hebben we steeds te
maken met veranderende opvattingen over kinderen - de voorgaande hoofdstukken
leveren daar de nodige bewijzen voor - en daarmee ook over wat kinder- en
jeugdliteratuur wat betreft stof, vorm, stijl en medium kan zijn. Ook al is het
voornamelijk op proza gericht, toch meen ik dat Klingbergs instrumentarium
voldoende aanknopingspunten biedt om, zij het met de nodige voorzichtigheid,
toegepast te worden bij een vergelijking van Andreus' poëzie voor volwassenen
en die voor kinderen.
Ik heb bij de vergelijking gekozen voor twee gedichten die thematisch
een zekere verwantschap vertonen. Waar liggen de verschillen? Zijn de
verschillen altijd terug te brengen tot de adaptatievormen als boven
beschreven? Valt de vergelijking in esthetisch opzicht in het nadeel uit van
het jeugdliteraire gedicht?
Gedicht voor volwassenen
Een nacht
Lichaam, wees stil. Wij moeten slapen,
jij en ik, in het hart van de nacht.
Wees niet bang. Je hebt veel verloren,
lachen, liefde, een soort gelukkige rust,
maar wat kunnen mij doen? Wij deden het zelf,
riepen verlies naar ons toe, een sneeuwstorm
en meten niet waarom. Of weten we het toch,
maar zoals men nietsziend uitkijkt
over een barre landstreek.
Lichaam, ga slapen. Het is al laat.
Morgen begint de dag van de stenen.
Gedicht voor kinderen
Van binnen pratend
hoofd
Als het stil wordt in de nacht
en je hoort de dingen bijna praten,
dan hoor je ook hoe je eigen hoofd
nog lang niet, nog lang niet wil slapen,
want binnenin zichzelf, daar praat
het dóór, over vandaag en morgen:
wanneer je op vakantie gaat
en wie er dan voor de hond moet zorgen;
het vertelt je een paar van de gekste moppen,
maar die kende je al en je lacht er niet om,
| | | |
het vraagt je of je 'n miljoen zou gappen
als dat zomaar es even kon,
en of als je doodgaat als je heel oud bent,
je dan niks meer voelt of dat je 't maar koud
hebt,-
en dan gaat dat hoofd van binnen
maar gauw over iets anders beginnen,
terwijl het je nooit eens slapen laat
(trouwens, het zegt van zichzelf al: Raar,
raar, nietwaar, zo'n hoofd dat maar
Twee gedichten over niet in kunnen slapen, over liggen nadenken. In het
kindergedicht wordt het slapen belemmerd door het verstand, dat, zonder dat je
het tegen kunt houden, gedachten produceert. In het gedicht voor volwassenen
houdt het lichaam de ‘ik’ uit zijn slaap. Omdat er later gesproken wordt van
‘veel verloren, lachen, liefde, een soort gelukkige rust’, ligt de
interpretatie voor de hand, dat het lichamelijk verlangen naar een vroegere
geliefde de ‘ik’ uit zijn slaap houdt. Hierdoor bestaat er een verschil in de
aard van de gedachten, die in de twee gedichten naar voren komen. In het
kindergedicht is een opbouw waar te nemen van concrete, dagelijkse zaken
(vakantie, de hond, moppen) naar abstractere zaken van meer
ethisch-levensbeschouwelijke aard (diefstal, dood). Na de vragen over de dood,
die tamelijk beangstigend kunnen zijn omdat er geen direct antwoord op te geven
is, ‘gaat het hoofd van binnen maar gauw over iets anders beginnen’. Dit zou
erop kunnen duiden dat
Andreus er rekening mee houdt dat kinderen
niet zo lang nadenken of wíllen nadenken over het verschijnsel ‘dood’. De ernst
van dit soort gedachten wordt ook gerelativeerd in de laatste strofe: het zijn
rare gedachten die je dus niet ál te serieus hoeft te nemen. Is dit nu een
adaptatie aan de jeugdige lezer te noemen? In het gedicht voor volwassenen
worden ook geruststellende gedachten geuit. Daar wordt het lichaam in slaap
gesust, het hoeft niet bang te zijn voor de schuld die de ‘ik’ heeft aan het
verlies van de geliefde. Via ‘sneeuwstorm’ en ‘zoals men nietsziend uitkijkt
over een barre landstreek’ wordt uitgedrukt dat er geen sprake is van schuld.
Er wordt eigenlijk gezegd dat er op een dergelijke vraag nooit een eenduidig
antwoord te geven is. De enige adaptatie die wat betreft de inhoud is aan te
wijzen, is dat er in het kindergedicht niet wordt gesproken over lichamelijke
verlangens.
Beschouwd vanuit traditionele opvattingen over het uiterlijk van een
gedicht ziet het kindergedicht er meer uit als een gedicht,
door de opbouw in strofen van vier regels en de aanwezigheid van eindrijm.
Andreus gebruikt in de meeste kindergedichten eindrijm, hoewel dit niet op een
starre manier geschiedt. In zijn poëzie voor volwassenen is weinig of geen
eindrijm te vinden, daar maakt Andreus gebruik van andere herhalingstechnieken:
letterlijke en variërende woord-herhaling, klankherhaling, herhaling van
zinslengte en een cyclische opbouw van het gedicht. | | | |
Klingberg had voor de stilistische adaptatie voorspeld dat indirecte
rede niet of op zeer beperkte schaal gebruikt zou worden, omdat dit niet
tegemoet zou komen aan de beleving van een kind. In ‘Van binnen pratend hoofd’
is wel sprake van een soortgelijke vorm, de vrije indirecte rede. Andreus heeft
hierdoor aan het gedicht een meer algemene geldigheid gegeven, in de trant van:
dergelijke gedachten heeft iedereen wel eens. Het gedicht wordt er als het ware
(leef)tijdloos door. De beeldspraak van een hoofd dat van binnen praat, lijkt
misschien een specifiek op kinderen gerichte uitdrukking, maar het feit dat
Andreus hetzelfde beeld ook in een van zijn gedichten voor volwassenen gebruikt
zou erop kunnen wijzen dat de twee genres toch minder ver uit elkaar liggen dan
men (en wellicht ook
Andreus zelf) veelal pleegt aan te nemen:
achter het gedeukte voorhoofd.
Elders (1987) heb ik meer gedichten op deze wijze met elkaar vergeleken,
hetgeen tot de volgende conclusies leidde.
De stofkeuze. In beide genres is sprake van een vrij
gering aantal thema's en motieven. Voor de poëzie voor volwassenen is in feite
één hoofdthema aan te wijzen: de identiteit van het ik. Het is daarmee aan de
lezer om deze ‘ik’ op te vatten als ‘de dichter’ of ‘de lezer’. De andere
thema's zoals het licht, de natuur of de liefde zijn ondergeschikt aan dit
hoofdthema.
In de kindergedichten komt een grote verscheidenheid aan onderwerpen aan
bod. Veel gedichten gaan over dieren. Opvallend is dat veel dieren met een
probleem worstelen, niet zo gelukkig zijn, maar in een vrij groot deel van deze
gedichten bedenken zij zelf een oplossing, waardoor ze het leven weer aankunnen
en ervan kunnen genieten. Achttien gedichten uit de vier bundels hebben
objecten als onderwerp, en net als bij de diergedichten is hier veelvuldig
sprake van personificatie, waarbij het praten en handelen van de objecten
dikwijls tot komische effecten leidt. Toch gaat het bij de beschrijving van
deze ‘dingen’ en dieren niet louter om een fantastisch gebeuren, het gebruik
van deze vorm van beeldspraak bezit ook een symbolische betekenis, waar het een
vergelijking met menselijk handelen betreft. Telkens zien we
dezelfde elementen terug, die betrekking hebben op menselijke eigenschappen.
Dit betekent overigens niet dat mensen zelf ook niet ruim aan bod komen in de
kindergedichten. Alle beschrijvingen van mensen of menselijke eigenschappen
geven te zamen een beeld van Andreus' ‘ideale mens’, die zelfstandig handelt en
oordeelt, in vrijheid leeft en werkt.
Ten aanzien van de poëzie voor volwassenen geldt echter dat deze
thematiek in meer filosofische bewoordingen wordt uitgedrukt en dat
identiteitsvragen vaak | | | | direct verbonden worden aan een negatieve
kijk op het menselijk handelen. In de kinderpoëzie komen ook wel negatieve
aspecten naar voren als bemoeizucht en een te geringe milieubewustheid, maar
deze worden steeds toegeschreven aan de volwassene. Ze vormen een contrast met
de in andere gedichten beschreven kinderlijke levensvreugde en een
optimistischer levensbeschouwing.
Over het geheel genomen is er dus sprake van dezelfde thematiek. In de
poëzie voor volwassenen vinden we wél onderwerpen die niet terug te vinden zijn
in de kindergedichten. Het gaat dan om erotische gedichten en gedichten waar
Andreus spreekt over natuurkundige begrippen.
Het licht, voor velen hét onderwerp van Andreus' poëzie, komt ook niet als
zelfstandig onderwerp aan de orde in de gedichten voor kinderen. Toen aan
Mies Bouhuys werd gevraagd of het licht een
belangrijke rol speelt in Andreus' poëzie, antwoordde ze: ‘Ik zou willen
zeggen: die kinderpoëzie is het licht. Daarin wordt het woordt “licht” heel wat
minder gebruikt dan in de andere poëzie, maar het zijn op zichzelf de
werkelijke lichte momenten in zijn dichterschap, misschien wel in zijn leven’
(Bouhuys, 1979).
De literaire vorm. Andreus drukt zich in de
kindergedichten over het algemeen concreter uit. Hij kiest voor directe
bewoordingen en beschrijvingen van handelingen. Hij hanteert een taal die
helder en duidelijk is, de woorden zijn minder dubbelzinnig of
polyinterpretabel dan in de poëzie voor volwassenen. Beeldspraak wordt wel
gebruikt, maar in beperktere mate. De beeldspraak in de kindergedichten wordt
vaak langzaam opgebouwd, waardoor sneller duidelijk is wat ermee bedoeld wordt.
Als er al moeilijke woorden gebruikt worden, worden ze meestal uitgelegd.
Andreus hanteert meer rijm in de kindergedichten en ook wordt interpunctie niet
achterwege gelaten (dit laatste misschien ook, omdat de kindergedichten mede
bedoeld zijn om voorgelezen te worden).
Het werk voor kinderen is minder experimenteel in formeel opzicht, maar
het feit dat Andreus in zijn poëzie voor volwassenen ook gebruik maakte van
traditionele versvormen als het sonnet, kan erop duiden dat Andreus toch geen
Vijftiger in hart en nieren was. Hoe het ook zij, ook in de kindergedichten
probeerde hij te variëren in de lengte van het totale gedicht, in de
strofenbouw en de zinslengte, waardoor vaak weinig traditionele
kinderversvormen ontstaan. Zo laten ze zien dat Andreus veel zorg besteed heeft
aan de literaire vorm, minstens zo veel als bij zijn poëzie voor
volwassenen.
De stijl. In beide genres maakt Andreus gebruik van
spreektaal. Vooral in de dier- en objectgedichten wordt de directe rede of de
vrije indirecte rede gehanteerd, wat verklaard kan worden uit het veelvuldig
gebruik van de personificatie. Toch zijn er ook nogal wat beschrijvende en
beschouwende gedichten te vinden in de vier bundels. De onderwerpen worden daar
boven het niveau van de handeling uit getild. Qua stijl staan deze gedichten
dan ook het dichtst bij die voor volwassenen. Toch heb ik het idee dat Andreus
ook daar niet over de hoofden van de kinderen heen ‘dicht’.
Het medium. De bundels voor kinderen zijn alle vier
geïllustreerd, door Babs van Wely. Elk gedicht is omgeven
door een of meer tekeningen die een bepaald aspect ervan belichten. Maar juist
daardoor kunnen ze ook de interpretatie van de lezer in een bepaalde richting
sturen. Bij ‘Van binnen pratend hoofd’ staat twee keer een | | | | kindje
getekend; als lezer kun je dan al bijna niet meer aan een volwassene denken
voor de ‘je’ in het gedicht. Omdat het kindergedichten zijn kan deze
beïnvloeding van de lezer functioneel genoemd worden: de jonge lezer is
hierdoor in staat zich te identificeren met de persoon uit het gedicht, wat een
verdieping van de beleving van het gedicht kan betekenen.
Vooral aan zijn De fontein in de buitenwijk -
misschien niet toevallig met de ondertitel ‘gedichten voor
kinderen’, de twee vorige bundels werden door
Andreus als ‘versjes’
betiteld - laat zich het vernieuwende karakter demonsteren:
Een boom dat is een prachtig ding,
hij staat gewoon waar hij staat,
doet niet aan grote mensenpraat
en roept nooit: Grote stommeling!
wanneer je iets misschien niet weet
of altijd alles meer vergeet-
hij knikt maar liever: 't Is wel goed,
en zegt nooit wat je doen of laten moet.
Dus zou 't er ooit een keer van komen
dat grote mensen plotseling
door de wind gewiegd, gesust,
nou, dat was dan een prachtig ding:
dan hadden alle kinderen rust.
Ekkers (1986) geeft hierbij het volgende
commentaar: ‘De dichter kiest voor de kinderlijke positie. Andreus was begaan
met het lot van de wereld en dan vooral vanuit kinderlijk perspectief: het niet
meer op straat kunnen spelen, vervuiling van de natuur, automatisering.’
Het begrip ‘kinderlijk perspectief’ is opnieuw gevallen en min of meer
gehanteerd als waardeoordeel voor goede of slechte kinderpoëzie casu quo
-literatuur. Inderdaad meen ik dat dit begrip een instrument in handen geeft,
waarmee bokken van schapen kunnen worden gescheiden. Een korte theoretische
excursie is derhalve noodzakelijk.
De Oostenrijkse theoretica Maria Lypp beschouwt kinder- en
jeugdliteratuur als een vorm van communciatie - die gedachte is op zichzelf
niet nieuw -, doch ze beperkt zich tot de relatie auteur-lezer en kenschetst
die relatie, die vorm van communicatie tussen de jonge lezer en de auteur, als
asymmetrisch. Immers, tussen de partners bestaat een grote
discrepantie in kennis, taalvermogen en sociale positie. Om deze afstand te
overbruggen past de auteur bepaalde adaptaties toe wat betreft stijl, stof,
thema en dergelijke. De verschillende adaptatiestrategieën vormen te zamen de
code van de jeugdliteratuur. De bekendheid van de auteur met deze strategieën
maakt dat hij min of meer automatisch deze code toepast. | | | |

[20] ‘Van binnen pratend hoofd’ van Hans Andreus
in de bundel De fontein in de buitenwijk, met illustraties
van Babs van Wely.
| | | | Lypp noemt dit automatisme reeds een
adaptatiefactor op zichzelf en zij spreekt het vermoeden uit dat daarin ook wel
eens de verklaring zou kunnen liggen waarom vernieuwingen in de jeugdliteratuur
vaak op weerstanden stuiten. Tot zover nog niet zoveel nieuws, het betreft hier
een observatie van de bestaande situatie, wellicht in andere bewoordingen dan
voorheen, maar niet echt iets anders. Tegenover deze asymmetrische communicatie
stelt Lypp het ideaal van de symmetrische
communicatie. Dit concept impliceert dat er tussen de
communicatie-partners in principe ‘echt begrip’ (‘wahre Verständigung’)
mogelijk is. In een symmetrische communicatie bestaat ook steeds de intentie of
de wil om te komen tot écht begrip.
Terecht zegt Baudoin (1982), aan wie deze samenvatting van Lypp is
ontleend, dat hier een interessant kenmerk van goede jeugdliteratuur wordt
gegeven. Lypp stelt immers dat uit teksten voor de jeugd het streven spreekt
(of liever móét spreken) naar symmetrische communicatie, dat wil zeggen naar
een verhouding op basis van gelijkwaardigheid tussen kind en volwassene. Dus:
niet het verschil tussen kinderen en volwassenen - dat zich kan manifesteren in
bij voorbeeld een neerbuigende stijl of een opgelegde pedagogiek - maar de
tendentiële opheffing van dat verschil is een eigenschap van geslaagde
jeugdliteratuur.
Een Nederlands auteur die een dergelijke communicatie nastrevenswaardig
vindt, ook theoretisch - men leze er zijn
Het geminachte kind op na - is
Guus Kuijer. In
Op je kop in de prullenbak, maar evenzeer
in zijn andere Madelief-boeken, probeert Kuijer die in zijn ogen vermaledijde
asymmetrische communicatie af te breken. De identificatiefiguur Madelief blijkt
voortreffelijk in staat haar gedachten en gevoelens te verwoorden en zelden of
nooit neemt zij een blad voor de mond. In
Krassen in het tafelblad is zij de enige
die onbevangen vragen durft te stellen over het ongelukkige leven van haar
gestorven oma. Het duidelijkst komt het symmetrie-aspect naar voren in de
positie van de onderwijzer in Op je kop in de prullenbak.
Deze onderwijzer wordt ons getoond als een alternatieve volwassene, die zich
niet zozeer hopeloos als wel hoopvol onvolwassen gedraagt en rustig tegenover
zijn leerlingen durft toe te geven dat hij zwakke momenten en slechte
ogenblikken kent. Daarnaast, als contrast, paradeert in de Madelief-boeken een
groot aantal volwassenen die zich wél conformeren aan het clichébeeld van dé
volwassene, die niet bereid is (of niet in staat) zich in te leven in de
kinderwereld.
Aan dit theoretische concept van de symmetrische communicatie verbindt
Lypp een logischerwijs daaruit voortvloeiend begrip, dat zij aanduidt als
‘kinderblik’, het kinderlijke perspectief, waarin een visie op kinderen en
kind-zijn wordt gedemonstreerd die niet wordt gekenmerkt door beperking,
onvermogen of een vooruitlopen op ‘volwassenheid’ als verdringing van het
kinderlijke, maar door erkenning van het kinderlijke als iets kwalitatiefs,
iets waardevols. Het is evident dat ook
Annie Schmidt en misschien in iets mindere
mate
Han Hoekstra auteurs zijn met een dergelijke
‘kinderblik’. Het rebelse karakter van het werk van eerstgenoemde past immers
naadloos in het geschetste beeld, om met Fens te spreken: schrijver en lezer
gaan een intieme relatie met elkaar aan, bijna met het karakter van een
samenzwering. Het zo juist gegeven kenmerk bepaalt eigenlijk de gehele jeugdliteratuur casu quo -poëzie van na de tweede
wereldoorlog. | | | |
De derde vernieuwingsgolf zou men met
Eykman de ‘Stratemakeropzeegolf’ kunnen
noemen. Die nieuwe tendens wordt (opnieuw) gekenmerkt door de reeds bekende
anti-moraal, maar vooral door een veel grotere aandacht voor de concrete
realiteit. Dat laatste ziet men vooral aanwezig in het werk van het zogenaamde
Schrijverscollectief (Wilmink, Dorrestijn, Eykman). Deze groep durft, meer dan
voorheen het geval was, te schrijven in een taal die kinderen onder elkaar
gebruiken: vieze woorden, vloeken verschijnen voor het eerst in de kinder- en
jeugdpoëzie. Vooral
Dorrestijn gaat hierin heel ver. ‘Genoot de
jeugd’, zegt Ekkers (1986), ‘in 1960 nog van het woord bil
van
Annie Schmidt, in 1980 mochten ze zich
uitleven in Dorrestijns “Poep- en piesmenuet” en “De kakkietrap”. Zelfs het
masturbatietaboe werd aangetast in “Pieleman, pieleman, trek 'r maar 's lekker
an”.’ Maar het is toch vooral een gevoel van solidariteit met zijn lezers, dat
men bij Dorrestijn aantreft. Hij wil naar eigen zeggen met zijn gedichten een
troostende hand bieden door herkenning. Vandaar zijn talloze teksten over
liefdesverdriet, jezelf lelijk vinden, domheid, onhandigheid, angst voor grote
jongens of autoritaire volwassenen. Heel mooi, hoewel niet echt eenvoudig (zien
kinderen de symboliek van ‘zwaan = oom Stefan’?), is dit gedicht (uit
Mooi van lelijkheid):
Eendjes voeren
De laatste tijd had mams een manie
van maar naar het park te gaan.
Elke middag trok mijn mammie
mij mijn warmste kleertjes aan.
‘Want’, zei mammie, ‘in de winter
geven wij de eendjes brood.
Anders gaan die lieve eendjes
allemaal van honger dood.’
Onderweg liep zij steeds vlugger,
ik hield haar maar met moeite bij.
'k Kwam in het park buiten adem,
maar mams was opgelucht en blij.
Ze gaf mij het plastic zakje
waar het eendebrood in zat
en dan ging ik naar het wak toe,
terwijl mammie op een bankje zat.
Terwijl ik de eendjes brood moest voeren,
praatte zij met een mijnheer.
Die meneer was blijkbaar grappig
en hij was er telkens weer
net als de zwaan en bij het voeren
stond dat beest altijd vooraan.
Vaak begon hij kwaad te blazen
| | | |
ook al had ik niks gedaan.
Eenmaal heeft de zwaan gebeten,
mijn handje deed toen heel erg zeer.
'k Hoorde mams juist schaterlachen
om die grappige mijnheer.
Toen moest ik nog veel harder huilen,
mammie had geen oog voor mij.
Terwijl ik naar het bankje holde,
maakte mams haar handen vrij.
Die meneer heet nou oom Stefan
en we wonen in zijn huis.
Soms voel ik me heel verdrietig,
maar we blijven 's middags thuis.
's Zondagsmiddags komt mijn pappie
die wil met mij naar het park toe gaan
en dan durf ik niet te zeggen
dat ik bang ben voor de zwaan.
De gedichten van
Karel Eykman voor de wat oudere kinderen
ademen een zelfde sfeer. Emotionele herkenbaarheid staat voorop. In
Ruim je kamer op en
Wie verliefd is gaat voor spelen emoties
van kinderen inderdaad een grote rol: verliefdheid (vergelijk ook Eykmans met
een Gouden Griffel bekroonde prozawerk
Liefdesverdriet), seksualiteit, slechte
zin hebben, driftig zijn, bang zijn, verlegenheid, de dood, je eigen lichaam.
Ook hij mijdt een onderwerp als masturbatie niet, al zijn toon en stijl minder
direct dan bij
Dorrestijn: ‘en haar handen gaan zich
vlijen/samengevouwen tussen haar dijen/Met een glimlach aan het dromen/Voor
jongens is het nog te vroeg/haar eigen lijf is haar genoeg.’ Daarnaast komen
ook meer maatschappelijke problemen aan de orde: een gedicht over te weinig
speelruimte voor kinderen in de stad, gedichten over volwassenen die kinderen
leren beleefd te zijn, terwijl hun eigen gedrag tegenover diezelfde kinderen
nogal eens te wensen overlaat, een gedicht over agressie op de televisie, over
ouders die gaan scheiden, een werkende moeder, een gedicht over pedofilie,
waarbij gealludeerd wordt op ‘Jossie’ van
Jan Hanlo. Toch gaat ook Eykman het meer
abstracte gedicht - hoewel enigszins strijdig met zijn literatuuropvatting
(‘Als je voor kinderen schrijft moet je niet kunstzinnig schrijven, maar zonder
flauwe kul, heel direct. Je moet aansluitend op hun belangstelling, kennis en
emotionaliteit schrijven’) - niet geheel uit de weg:
Het een en ander in los verband
laat een krant zomaar gaan.
| | | |
draait een plaat. Heel verbaasd
zie ik hoe die krant gaat
van die plaat, van dat lied.
En die plaat heeft niet door
dat die krant bij hem hoort.
hoor die plaat, leg dat verband.
maar ja, daar noém je ook even iemand.
Willem Wilmink is de meest veelzijdige van de
drie. Niet toevallig kwam hij in het voorgaande, naast
Schmidt, het meest ter sprake (beiden zijn ook
winnaars van de Staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur, tenslotte). Omdat
er reeds het een en ander over hem en zijn werk gezegd is, beperk ik me nu tot
enkele hoofdlijnen.
Wilmink - evenmin als Schmidt overigens - is zijn literaire carrière
niet gestart als schrijver voor kinderen. Zijn eerste twee dichtbundels,
Brief voor een verkade-meisje en
Goejanverwellesluis waren bedoeld voor
volwassenen en werden in de kritiek nauwelijks opgemerkt of afgedaan als
‘liedjes’. Nu zou men kunnen verdedigen dat Wilmink ook in de allereerste
plaats liedjesschrijver is, hij zelf voorop. In 1976 deed hij de volgende, in
het licht van de vele literaire prijzen die hij nog zou ontvangen, aardige
uitspraak: ‘Letterkunde is een beperkt woord: ik val er buiten.
Kinderboekenauteurs zijn geen letterkundigen, liedjesschrijvers niet, daar
vindt men ook niks van, in tegenstelling bijvoorbeeld tot een man als Gershwin
in Amerika. Bij ons is dat “maar” een liedjesschrijver. Vroeger voelde ik me
daarover gekwetst, de mensen zeiden, dat is geen gedicht, dat is een liedje.
Nee, een literatuurprijs zal ik nooit krijgen, ik heb me afgegeven met
amusement.’ Voor Wilmink bestaat er geen wezenlijk onderscheid tussen
lied en gedicht, voor zijn companen
Dorrestijn en
Eykman evenmin, vermoed ik.
Misschien maakte juist het feit dat hij liedjes schreef Wilmink bij
uitstek geschikt om voor kinderen te schrijven, al zal hij zelf waarschijnlijk
ontkennen uitslúítend voor kinderen te schrijven (‘en voor mij is poëzie:
liedjes. Ik heb een hekel aan poëzie die je alleen maar leest. Je moet
gedichten kunnen horen. Er accordeon bij kunnen spelen, er een dansje op kunnen
maken’ (Nijhuis, 1987)). Naar eigen zeggen hebben zijn teksten geen grens naar
boven, hij wenst geen knipoog te geven naar volwassenen; zijn gedichten zijn,
als het goed is, zo geschreven dat ze ook voor die groep te genieten zijn, uit
welke uitspraak tevens blijkt hoezeer hij zijn jeugdig publiek serieus neemt.
In interviews heeft hij meermalen gezegd dat zijn kinderliteratuur ook
genietbaar moet zijn voor volwassenen, ze is niet alléén voor kinderen
geschreven. Hij merkt er dit over op: ‘Ik moet zeggen dat ik achteraf bezien
alleen maar goed geschreven heb als ik niet voor een groep schreef, als ik het
idee had: ik schrijf op wat ik mooi vind en wat mij | | | | interesseert.
Ik geloof dat het moeilijk is om een onderscheid te maken. [...] Ik vind die
grens hoe langer hoe moeilijker’ (Heijnen/De Vos, 1986).
Vorm- en taalbeheersing én gevoel voor het kind zijn Wilminks grootste
talenten.
Wilmink schrijft weliswaar als volwassene -
men vergelijke wat daarover eerder werd opgemerkt - maar met het
inlevingsvermogen van een kind en beantwoordt zo aan het adagium dat hij zelf
formuleerde in het voorwoord bij de bloemlezing Het kind:
‘...er zijn schrijvers, die de vroege levensjaren zo bedrieglijk dichtbij
halen, dat de auteur lijkt te verdwijnen in het kindbeeld dat hij zelf
oproept’. De kinderwereld die Wilmink schetst, bezit vaak sterk idyllische
trekken, momenten van geluk en ontroering staan centraal. Sommige titels van
zijn gedichten spreken in dat opzicht boekdelen: ‘Mooie dingen’, ‘De laatste
schooldag’, ‘Oude huizen’, ‘Overdag in bed’, ‘Lekker in mijn eentje’. Maar
tegelijkertijd gaat hij niet voorbij aan angsten en vragen die bij kinderen
leven, zoals de angst voor de dood in ‘Een probleem’:
Vandaag vroeg mijn zoontje
wat gebeurt er dan met hem?’
‘Als je dood bent dan komt er
| | | |
naar een man die heel oud was,
Of de vraag waarom ouders uit elkaar gaan in ‘Waarom zijn we
gescheiden?’, waaruit deze regels:
We maakten toch vakantiereizen,
dat was haast altijd fijn,
Ze konden uren samen rijden
zonder een keertje boos te zijn.
Waarom zijn ze gescheiden?
Nooit heeft een kind de schuld gehad
als grote mensen scheiden.
Wilmink is vooral een troostend dichter; hij
geeft om zo te zeggen kinderen beschermende bijvoeding, zoals te zien is aan
een aantal teksten uit
We zien wel wat het wordt (1985). In de
puberteit verandert je lichaam en dat geeft problemen, maar de troostende
slotstrofe van ‘De voorkant’ luidt:
zul je denken, vroeg of laat,
dat je met totaal verkeerde
borsten door het leven gaat.
Hoe ze ook zijn uitgevallen,
jij vindt, dat er wat aan scheelt.
Ook als iemand is gekomen
die ze mooi vindt? En ze streelt?
Hiermee hangt ongetwijfeld samen zijn sterke maatschappelijke
betrokkenheid. Hij komt op voor iedereen die om de een of andere reden buiten
de maatschappij staat, die gediscrimineerd of uitgebuit wordt; in zijn eigen
verleden vindt hij | | | | daarvan treffende voorbeelden (de uitbuiting
van de textielarbeiders). ‘Gevoels-socialisme’ noemt
Eykman (1989) het in een aan
Wilmink gewijd nummer van het tijdschrift
Bzzlletin.
Duidelijk is dat de realiteit geen geweld mag worden aangedaan, maar
evenmin mogen teksten voor kinderen ontmoedigend zijn. Hoe het niet moet in de
kinderen jeugdliteratuur laat Wilmink zien in ‘Het leven is knudde’ (Liv us
knølle) uit
Loodzware tassen (1986). Hij geeft in dit
gedicht een karaktisering van de Zweedse (jeugd)literatuur, literatuur die de
lezer ontmoedigt, waarin ieder sprankje optimisme ontbreekt; literatuur die
Wilmink zelf niet wil schrijven (men vergelijke in dit verband ook zijn essay
‘Het kinderboek van elfenland tot echtscheiding’ (1978), geschreven tegen de
destijds heersende pedagogische normen in):
Het geluk is ver te zoeken
in de Zweedse kinderboeken
en de Zweedse kinderseries op tv:
elke Zweed voelt zich bedonderd,
Astrid Lingdren uitgezonderd,
heel de schepping was een waardeloos idee.
En de kleuters nemen zwijgend nog een neut,
want kabølle knølle nøke smørrebrød,
ja, kabølle knølle nøke smørrebrød.
(Ondertiteld: nee, het
leven
heeft geen enkele waarde
meer.)
in de Zweedse literatuur.
De genoemde twee eigenschappen hebben Wilmink de grote plaats gegeven
binnen de Nederlandse jeugdliteratuur, misschien beter de jeugd- en kindercultuur. Veel van zijn teksten zijn kinderen (en ook ouderen) zo
eigen geworden dat men er zich nauwelijks meer van bewust is dat er ooit een
schrijver is geweest die ze gemáákt heeft. In dit verband is het ook niet
toevallig te noemen dat Wilmink een grote voorliefde heeft voor volkspoëzie en
de anonieme literatuur uit de middeleeuwen. Het gaat, meen ik, niet te ver om
te zeggen dat Wilmink vanuit deze traditie schrijft, getuige ook zijn vele
bewerkingen en vertalingen van teksten uit die periode. Het genre dat hij zelf
beoefent wordt zo bewust geplaatst in de zeer oude traditie van
Charles d'Orléans,
François Villon, de Archipoëet in de
Carmina Burana en Walther von der Vogelweide. Ook hun teksten
waren bedoeld om gezongen te worden. Een gewoonte uit oude tijden wordt in
Wilminks werk in ere hersteld. Vanuit diezelfde voorkeur is ook zijn
bewondering voor en vertalingen van de zogenaamde Liverpool-dichters te
begrijpen, wier poëzie immers evenzeer eerder gehóórd dan gelezen dient te
worden. Bovendien stellen deze vertalingen hem in de gelegenheid zijn
vakmanschap, zijn beheersing van het ambacht te demonstreren. ‘Wie een
letterkundige ambachtsman/vrouw eens goed op de vingers wil kijken, moet op
vertalingen letten,’ zegt Wilmink in
Goedenavond, speelman. Interessant in dit
verband is een vergelijking van de vertalingen van een (strofe | | | |

[21] Blijkens dit voorplat ziet Alphons van Heusden
Wilmink inderdaad als liedjesschrijver.
| | | | van een) rondeel van Charles d'Orléans door
J.H. Leopold en
Wilmink. De vertaling van Wilmink is modern én
op kinderen gericht.
Charles d'Orléans:
Le temps a laissié son manteau
De vent, de froidure et de pluye,
Et s'est vestu de brouderie
De soleil luyant, cler et beau.
J.H. Leopold:
't Getij liet nit den mantel zijn
van wind en strenge kou en regen
en heeft een luchten zwier gekregen
van helderlichten zonneschijn.
Wilmink:
Het jaar heeft zijn jas niet meer aan
van regen en vrieswind en kou,
en is in het luchtigste blauw
vanochtend naar buiten gegaan.
Leopold houdt zich meer dan Wilmink aan de oorspronkelijke tekst. Bij de
laatste is de essentie dezelfde gebleven, maar hij richt zich tot de jonge
lezer. Wilmink houdt zich ook meer aan het oorspronkelijke ritme dan Leopold;
het is allemaal iets begrijpelijker. Hij spreekt de lezer ook aan: ‘De
vogeltjes fluiten en slaan,/ze hebben een boodschap voor jou:/het jaar heeft
zijn jas niet meer aan!’ en ‘En zeg eens, hoe vind je dat staan’, terwijl daar
in het origineel geen sprake van is.
Wilmink is er via zijn toegankelijke poëzie, maar vooral door zijn
schriftelijke cursussen dichten in geslaagd de gedachte weg te nemen, dat
poëzie iets ingewikkelds en verhevens is. In zijn
Koen, maak je mijn schoen,
Waar het hart vol van is en
Goedenavond, speelman is een onderwijzer,
een
Theo Thijssen, aan het woord, die het niet laten
kan. Hij toont zich de ideale uitlegger, een literair explicateur bij uitstek.
Het genre van het voor kinderen geschreven literaire essay bestond voor zijn
verschijning in deze hoedanigheid niet eens.
Wilmink blijft in deze cursussen zichzelf trouw: hij neemt de grenzen
van de poëzie ruim. Smartlappen, popsongs, light verse, bakerrijmen en
volksliederen krijgen een plaats in zijn literatuurbegrip. Dit wars zijn van
elke literaire hiërarchie spreekt ook uit zijn bijna mateloze bewondering voor
het werk van de Groningse dichter
Hendrik de Vries - Wilminks proefschrift,
Het verraderlijke kind, handelt uiteraard
over enkele gedichten van deze auteur-, over wiens werk hij dit zegt: ‘Wat ik
zo mooi vind in die poëzie is de afwezigheid van hiërarchie. Het door-elkaar
halen van het vulgaire en zeer fraaie heeft me altijd aangetrokken.’ En
schitterend is wat hij hieraan toevoegt, daarmee tegelijkertijd zijn
invoelingsvermogen in het denken en beleven van een kind demonstrerend: ‘Dat
hebben kinderen ook. Ze staan voor Het straatje van Vermeer,
maar daarnaast hangt een brand-blusapparaat. Daar kijken ze minstens zo lang
naar.’
Naar aanleiding van het hiervoor geciteerde gedicht van
Eykman, ‘Het een en ander in los verband’,
wijst Ekkers (1986) op een nieuwe richting in de kinder- en | | | |
jeugdpoëzie, die door
Eykman zelf enigszins chauvinistisch als ‘De
Blauw Geruite Kiel-groep’ wordt aangeduid. Die soortaanduiding lijkt me niet
helemaal terecht. Te veel, toch behoorlijk van elkaar verschillende, dichters
worden zo onder één noemer gebracht.
Johanna Kruit,
Ted van Lieshout,
Fetze Pijlman en
Bas Rompa schrijven toch wezenlijk andere
poëzie dan
Leendert Witvliet,
Remco Ekkers en
Wiel Kusters. Méér dan eerstgenoemden proberen
Witvliet, Ekkers en Kusters poëzie te schrijven, dat wil
zeggen: het probleem ‘versje’ versus ‘gedicht’ bestaat met betrekking tot hun
teksten niet meer. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de leeftijdsgroep waarop
deze dichters zich in de meeste gevallen richten, de eerste drie klassen van
het voortgezet onderwijs, wellicht met de intentie om het gat te dichten dat
gaapt tussen
Diet Huber en
Annie Schmidt enerzijds en
Vasalis en
Eva Gerlach anderzijds. Niet ten onrechte
wordt het werk van deze drie dan ook wel betiteld als ‘overbruggingspoëzie’,
waarmee gezegd wil zijn dat hun teksten uitstekend zouden kunnen functioneren
als een soort voorbereiding op het lezen van de niet altijd even eenvoudige
poëzie voor volwassenen. Dit is ook hun bedoeling, blijkens de uitspraak van
Ekkers in een interview: ‘Maar voor deze dichters [Witvliet en Kusters], en
voor mijzelf, geldt dat ze zich kennelijk verantwoordelijk voelen voor die
groep kinderen, vooral op de middelbare school, die altijd alleen de poëzie
voor volwassenen te lezen kregen. Kinderen hebben recht op eigen poëzie, maar
die is er eigenlijk niet.’
Zowel door Ekkers als door Eykman wordt Witvliet genoemd als degene die
de weg vrijgemaakt heeft voor dichters als Ekkers zelf en Wiel Kusters. Om wat
voor poëzie gaat het bij hem? In elk geval minder eenvoudig en minder narratief
dan bij de groep rondom Wilmink. ‘...poëzie zonder tierelantijnen,’ schrijft
Ekkers, ‘nooit gewild grappig of modieus, realistisch en fantasievol, redelijk
en gevoelig, beschouwend en onbevangen. In deze poëzie is ruimte voor
verwondering, voor het geheimzinnige’. Witvliets poëzie moet het hebben van
sfeer, is vaak stemmig, met een zekere melancholische ondertoon, bij voorbeeld
in ‘De vrienden van mijn grootvader’ (uit
Misschien heet ze niet Suzan):
De vrienden van mijn grootvader,
die één die kon ver springen,
en een ander vertelde verhalen,
de derde wist niet hoe oud hij was,
en een ander hield als het koud was
zijn handen aan de pijp van de kachel,
roodgloeiend, verdomme wat warm.
Op een zomerse foto uit 1900 staan ze,
wel dertig petten en een enkele hoed,
vooraan zit B., die toneelstukken schreef,
meisje, meisje, wat prachtig, juichte hij
voorin een zaal, de hoofdrolspeelster toe.
Het blad zit nog volop aan de bomen
| | | |
mijn grootvader en zijn dorpsgenoten,
enkelen waren zijn vrienden, wie?
Op een dag zat er niemand meer onder de bomen,
opa is zo ver weg, jongen,
daar heb je geen begrip van,
met zijn vrienden tast hij ergens het hooi nog
hoger, tilt zware pakken stro,
en rijdt met de melkwagen over de melkweg,
niet naar de koeien, maar
zo maar, voor de poele grap,
met zijn vrienden van 1900,
van die foto waarop ze voor altijd
bij elkaar zitten, dertig gezellige heren.
Bij het verschijnen van zijn eerste bundel,
Vogeltjes op je hoofd, merkte
Lily van der Velde (1980) op: ‘Heel bijzonder
eigenlijk, gedichten voor jonge kinderen.’ En
Anne de Vries (1980) zegt in feite hetzelfde:
‘We zijn bepaald niet rijk aan goede kinderpoëzie. Kinderversjes hebben we des
te meer.’ ‘Vastleggen’ lijkt een kernbegrip voor Witvliet, waarmee tevens het
sterk observationele karakter van zijn gedichten is aangegeven. In ‘Tekening’
(uit Vogeltjes op je hoofd) wordt een zwembadtafereel
‘vastgelegd’:
Op ongelijnd papier wat tekenen
wat bij elkaar hoort en wat
niet saai is om te zien. Een zwembad
met een springplank en een geruite
badhanddoek waarop je moeder
languit ligt, in haar hand een boek
en naast haar je zusje en jij zelf.
De zon in de koningsblauwe lucht
er boven. Net echt, alleen de lucht
van chloor en het geschreeuw ontbreken.
Het lijkt, in eerste instantie, alsof Witvliet hier een tekortkoming
aangeeft van het vastleggen, want geur noch geluid zijn te tekenen. Maar je
kunt het wel schrijven! En juist door de slotregels wordt de
kracht van poëzie aangegeven. Iets dergelijks zien we vaker, zoals in de
laatste regels van ‘Avond’ (uit zijn tweede bundel
Sterrekers):
't kan zo stil als in een verhaaltje zijn
| | | |

[22] ‘Jij naast me in het gras/ik leunend in je
armen/zoals dat 's middags was/je gelooft het later pas/je was zo
hartverwarmend/jij naast me in het gras.’ Fragment van ‘Klein Hooglied’ van
Karel Eykman uit de bundel Wie verliefd is gaat voor. De
tekening is van Sylvia Weve.
[23] ‘Ruimte voor verwondering, voor het
geheimzinnige’, ook in de tekeningen van Annemie Heymans in de bundel
Sterrekers van Leendert Witvliet.
| | | | Qua vorm zijn de gedichten minder traditioneel -
niet rijmend of zelfs verhuld rijmend - dan de meeste kinder- en jeugdpoëzie.
Ook in een ander opzicht mag hij als vernieuwer bestempeld worden. Witvliet
voelt zich kennelijk niet geroepen om uitsluitend ‘kinderlijke’ onderwerpen aan
te snijden; een groot aantal gedichten is geschreven vanuit het gezichtspunt
van een volwassene, vaak handelend over ‘de dingen die voorbijgaan’ (vergelijk
‘De vrienden van mijn grootvader’). Ook als hij wel onderwerpen uit de wereld
van het kind kiest, blijft hij de observerende volwassene. Zo weet hij, hoewel
vanuit een op het oog afstandelijke positie, de eenzaamheid en verwarde emoties
van een brugklasleerling treffend, met een gevoel van solidariteit, weer te
geven in ‘Alleen’ (uit
Misschien heet ze niet Suzan):
Vandaag voor het eerst naar de brugklas.
Iedereen zoekt een meisje, een jongen
die van zo ver is gekomen,
tjonge, jonge, wat is die jongen
Iedereen kent wel iemand uit een zesde klas,
hij niet, hij woont hier pas.
En dan de bel en in de klas
zitten weer de meesten bij elkaar,
alleen hij is ook daar alleen.
Buiten stroomt de kille regen
als tranen langs het vensterglas,
maar janken doet hij niet,
niemand die zijn tranen ziet.
Witvliet schroomt ook niet - een verschijnsel
dat we nauwelijks tegengekomen zijn bij de hiervoor genoemde dichters -
intertekstuele elementen in zijn gedichten op te nemen. In ‘Bussen’ (uit
Misschien heet ze niet Suzan) alludeert hij, zonder dat het
gewild dichterlijk aandoet, op Van Ostaijens ‘Alpejagerslied’. Zonder deze
kennis lijkt me het gedicht voor kinderen overigens ook de moeite waard. Ik
citeer de regels waar het om gaat:
| | | |
Vlak voor het groot hotel
stoppen 's morgens elke dag de bussen,
Jan wuift naar Suzan en Suzan die wuift naar
Jan,
totdat ze verder gaan, heen en terug.
Ekkers (1986) geeft goed aan waarin het
nieuwe, het andere van
Witvliet, is gelegen. Zijn gedichten zijn niet
gemakkelijk na te vertellen, ‘een parafrase schiet tekort. De woorden horen zó
bij elkaar en niet anders, de associaties en beelden moeten eerder worden
meegevoeld dan rationeel begrepen. De grenzen tussen poëzie voor volwassenen en
kinderen vervagen. [...] De anekdote speelt een minder grote rol’.
Wat voor Witvliet geldt, geldt in zekere zin ook voor het werk van
Ekkers, die zich, zoals uit het voorgaande reeds bleek, een groot bewonderaar
van Witvliets werk betoont. In een gesprek met Nijmeegse studenten preciseert
hij deze bewondering en geeft hij tegelijkertijd een indicatie van zijn
eigen poëticale positie: ‘Witvliet durfde als één van de
eersten de vaste versvorm los te laten. Ik voel me zeer verwant met Witvliet.
Door die vrije poëzievorm. Ik vind eindrijm zeer hinderlijk. Het is zoiets als
het belletje op de typemachine. Ik voel me gebonden door rijm. Witvliet gaf aan
dat het ook in de jeugdpoëzie anders kan; op een volwassen manier, met
volwassen middelen dichten vanuit het kind over kinderlijke zaken.’
Vooral Ekkers' eerste bundel voor de jeugd,
Haringen in de sneeuw, vond in de kritiek
veel bijval - hij ontving er ook een Zilveren Griffel voor -; de subtiliteit
van veel gedichten eruit (‘zulke sfeergevoelige taferelen (en zeker geen
Candlelight-moppies)’) werd hooglijk geprezen. Verdonschot (1985) haalt het
gedicht ‘Twee paarden’ aan als een sprekend voorbeeld van een dergelijke
subtiliteit:
Twee paarden stonden tegenover elkaar.
Het was lente en zomer tegelijk.
Tegenover en naast elkaar
Twee paarden met het hoofd
tegen de hals van de ander.
Zo staan en het gras vergeten.
De overeenkomst met Witvliet is treffend. Ook Ekkers probeert ervaringen
vast te leggen in de hoop dat ze (zo) niet vergeten worden. Dat er in de bundel
op zijn minst twee gedichten voorkomen waarin foto's een prominente rol spelen,
wekt derhalve nauwelijks verbazing. De emotionele werkelijkheid van een foto
wordt opnieuw ‘vastgelegd’, maar nu in taal: | | | |
Foto
gooide en later weer opving.
boven zee als een vliegtuig.
ik wist zeker: hij vangt me op
de verrukking, de angst ook
Toch heb ik, meer dan bij
Witvliet, het idee, dat
Ekkers zijn teksten in sterke mate
construeert, meer ‘poëet’ in de zin van ‘maker’ wil zijn, met als gevolg een
zekere geforceerdheid in zijn stijl, een soort opgelegde geheimzinnigheid, die
het duidelijkst aanwezig is in zijn tweede bundel,
Praten met een reiger. Als voorbeeld van
een dergelijke tekst kan ‘Beren in de Pyreneeën’ gelden:
Kijk, eerst ga je naar dat gebied
waar die beren zitten op open
stukken land, maar denk niet
dat je ze lopend kunt vangen
met je ogen. Je ziet die beesten
niet voor niets. Urenlang hard
werken moet je, zittend, kijkend
naar de hellingen, geen prijs
in de staatsloterij waarmee je beren
kunt kopen. Verkoop de huid nog niet.
In deze tweede bundel overheerst de poëtische pretentie, een
constatering die ook door sommige recensenten met betrekking tot zijn poëzie
voor volwassenen gedaan is (naar aanleiding van
Een faun bij de grens): ‘Ekkers schrijft
niet zo maar iets op. Hij bedénkt gedichten. [...] Het is pretentieuze poëzie.
Zo van: Kijk, ik ben de dichter. Ik doe met de taal wat ik wil. Alles wat ik
opschrijf is automatisch poëzie’ (Wieg, 1987). Het zou kunnen zijn dat zijn
tweede bundel voor kinderen juist op grond hiervan nauwelijks aandacht in de
kritiek heeft gekregen, omdat veel teksten daaruit niet automatisch poëzie
werden.
Aukje Holtrop (1987) verwoordt dit | | | |

[24] ‘Tjip was/jouw mus. / Iedere mus/en toch/die
ene.’ Bij dit fragment uit Het veterdiploma van Wiel Kusters
heeft Joep Bertrams de tekening gemaakt.
| | | | bezwaar zo: ‘Het zijn gedichten die niet duidelijk
voor kinderen of voor volwassenen geschreven zijn en dat is eigenlijk wel een
compliment. Aan de andere kant betekent dat bij deze gedichten dat ze een
beetje saai zijn [...], met van die gedachten en gebeurtenissen, die iedereen
herkent, maar dan niet zo verrassend tot een gedicht verwerkt, dat je ervan
opkijkt. Diepe gedachten in korte regeltjes onder elkaar en na een regel of
twaalf is het een gedicht. Dat dacht ik soms bij het lezen van
Praten met een reiger.’
Nog verder op deze weg naar een ‘volwassen’ kinder- en jeugdpoëzie gaat
Wiel Kusters - die, net als Ekkers en
Witvliet, en nog meer dan zij, ook voor volwassenen schrijft, waardoor zij te
vergelijken zijn met
Andreus - met zijn bundels
Salamanders vangen en
Het veterdiploma. Hij is ook de meest
hermetische van de drie; niet verwonderlijk voor iemand die twee studies aan
het werk van
Gerrit Kouwenaar gewijd heeft (
Een tuin in het niks en
De killer) en wiens gedichten voor
volwassenen veelal tot die categorie gerekend worden. Kusters ziet ook geen
wezenlijk verschil tussen zijn poëzie voor kinderen en die
voor volwassenen: ‘Het schrijven van gedichten voor “kinderen” maakt het mij
mogelijk, te laten zien dat “hermetisch” (wat dat dan ook moge zijn) binnen een
en hetzelfde oeuvre heel goed te verbinden valt met lichtere vormen van poëzie,
ook al zijn die in wezen niet minder ernstig van aard (zoals mijn “volwassen”
poëzie speelse kanten heeft).’ (Uit een brief aan een Nijmeegse student
Nederlands.) Net als in Kusters' poëzie voor volwassenen verschijnt ‘de mijn’ -
een dominant thema in bijna al zijn bundels - meer of minder expliciet in zijn
jeugdpoëzie, bij voorbeeld in een gedicht uit de cyclus, op zichzelf al een
novum, ‘Salamanders vangen’ in de gelijknamige bundel:
in het beekje langs het spoor.
Treinen reden er voorbij.
Daar verstopten wij ons voor.
Struiken genoeg daar langs de helling.
In de diepte liep de beek.
In de verte stond een rookpluim
die bewoog wanneer ik keek.
Een schoorsteen stak daar in de lucht.
Een hele hoge, van de mijn.
De mijn was waar mijn vader werkte,
in de aarde, bukkend klein.
Hij was daar in een andere wereld,
een bos van steen. Water liep daar,
je had er treintjes. Zwarte varens.
Dat vond ik een beetje raar.
| | | |
Was de lucht daar soms van aarde?
Kon daar wat ademt wel bestaan,
als de wind er niet kon waaien?
Nooit eens zon, maar altijd maan.
En wie had het voor mogelijk gehouden dat een gedicht voor kinderen
aanleiding zou geven tot voorzichtige ‘close-reading’-activiteiten als die van
Ekkers naar aanleiding van ‘Kinderkamer’ (in
Salamanders vangen opgenomen onder de
titel ‘Zelf gehoord (in mijn kamer)’, eerder verschenen in De
Blauw Geruite Kiel (9-5-1981)):
Ik neem nu je schepje. Je pyjama
Ekkers (1986) constateert, dat ‘Kinderkamer’
raadselachtige zinnen bevat. De eerste regel roept door zijn metaforische
karakter direct al problemen op. En ook het schepje blijft vooralsnog een
onduidelijk voorwerp. ‘Je pyjama/is leeg’ is bij nader inzien wel begrijpelijk,
die ligt op het kind te wachten. De voorlaatste regel is echter weer moeilijk
te relateren aan de rest van het gedicht en de laatste lijkt gemakkelijk, maar
ook hier geldt: wat is het verband? Ekkers veronderstelt in zijn uitleg aan een
(fictieve?) elfjarige een vakantiesituatie (aan de kust). Een ouder iemand (een
tante?) brengt een kind naar bed, zeggend ‘trek deze kamer (als was het een
broek) maar aan’. Vervolgens brengt zij Klaas Vaak ter sprake, waardoor ook
‘het zand’ semantisch ingepast kan worden. Dezelfde volwassene spreekt
uiteraard ook de woorden ‘de deur moet wel dicht’ uit. De interpretatie lijkt
rond. Maar is dat zo? De door Kusters veranderde titel weerspreekt de
veronderstelde vakantiesituatie. Het is net zo goed mogelijk dat het hier gaat
om een door de fantasie van een kind gekleurde (navertelde) gebeurtenis,
waarbij de door volwassenen uitgesproken zinnen en woorden opgenomen worden in
de eigen raadselachtige wereld van het kind, ‘zelf gehoord in mijn kamer’, met de deur
dicht voor de volwassenen.
Veel van Kusters' gedichten lenen zich voor een dergelijke
interpretatieve activiteit, vooral die verzen waarin een volwassene terugblikt
op een voorbije periode (vergelijk het eerst geciteerde gedicht). De ‘lichtere
vormen’ vindt men vooral in enkele speelse gedichtjes, zoals ‘Lieve cactus’
(uit Salamanders vangen):
Alle planten krijgen water.
Van dat water uit de kraan.
Maar de cactus die krijgt prik.
Wie mij uitlacht krijgt de hik.
| | | |
Daarnaast zet hij in enkele gedichten de traditie voort van het
raadselgedicht (‘Trap’ en ‘Jij en ik, we waren zes’, in Salamanders vangen). Maar de poëtisch interessantste blijven die
gedichten die het gemoedsleven of de gedachten wereld van het kind weergeven.
Bij Kusters treedt eigenlijk voor het eerst het verschijnsel op, dat de
volwassen lezer zich niet meer afvraagt voor wie het gedicht bestemd is. Een
gedicht als ‘De kolenman’ (uit Het veterdiploma) is toch
vooral een gedicht van Kústers en het is onbelangrijk voor wie het in eerste
instantie geschreven is:
Hij sjouwt door mijn droom
Met Kusters lijkt een (voorlopig?) eindpunt te zijn bereikt waar het de
poëtische verwoording van ervaringen, observaties en emoties betreft. Een
eindpunt? Misschien ook een begin: voor het inzicht dat goede kinder- en
jeugdpoëzie voor iedereen moet zijn, voor volwassenen en andere kinderen.
|
*Harry
Bekkering (Roosteren [L.], 1944) studeerde Nederlands aan de
Rijksuniversiteit van Groningen, en algemene literatuurwetenschap aan de
Rijksuniversiteit van Leiden. Is als universitair docent Moderne Nederlandse
Letterkunde verbonden aan de vakgroep Nederlands van de Katholieke Universiteit
te Nijmegen. Promoveerde in september 1988 op een proefschrift over de
poëticale opvattingen van S. Vestdijk ( Veroverde traditie).
Op het terrein van de jeugdliteratuur publiceerde hij over J.B. Schuil, Imme
Dros, Sonia Garmers, Miep Diekmann en Jan Terlouw.
|
|