|
|
|
| |
| | | |
Dialectverlies bij Genker jongeren
| |
Inleiding
Genk is een uitgestrekte gemeente in het centrum van
Belgisch Limburg. Ze vormt het noordelijkste deel van het dialectologische
overgangsgebied tussen het West- en het Centraal-Limburgs1.
Tijdens de voorbije 100 jaar kende de gemeente Genk een
exponentiële bevolkingsaangroei. Aan het einde van de 19de eeuw
was het nog een pittoresk dorp temidden van de Limburgse heide met ca. 4.000
inwoners. Vandaag is het de Limburgse industriegemeente bij uitstek met meer
dan 62.000 inwoners. De vestiging van drie van de zes Limburgse
steenkoolmijnen op Genker grondgebied (Winterslag in 1914, Zwartberg in 1920
en Waterschei in 1921) luidde een eerste industriefase in. De voortdurend
stijgende vraag naar arbeiders bracht een enorme binnenlandse en later ook
buitenlandse immigratiestroom op gang. Rondom het oude heidedorp ontstonden
nieuwe woonwijken voor arbeiders en kaderpersoneel. De bloedige sluiting van
de eerste Limburgse mijn (Zwartberg 1965-'66) markeert de tweede
industriële periode van Genk. Talrijke multinationale
montagefabrieken en metaalverwerkende bedrijven, waarvan Ford de grootste en
meest toonaangevend is, hebben zich sinds de zestiger jaren op een van de
talrijke industrieterreinen gevestigd.
De kernvraag van deze studie betreft het traditionele Genker dialect dat 100
jaar geleden door ca. 4.000 mensen gesproken werd. In welke mate heeft deze
Limburgse dialectvariëteit de boven geschetste ontwikkeling van
Genk kunnen overleven? Daarbij is met name onderzocht in welke mate de
autochtone Genker jeugd van de jaren '90 beweert nog dialect te spreken. Met
een boutade kan dus gesteld worden dat we op zoek gaan naar het antwoord op
de vraag: haalt het Genker dialect de 21ste eeuw?
| |
1. Opzet van het onderzoek
In 1977 wijdden twee Leuvense studentes hun licentiaatsverhandeling aan een
gezamenlijk onderzoek naar het taalgedrag in de gemeente Genk2. Zij ondervroegen toen bijna 1500
middelbare scholieren uit diverse Genker scholen via een uitvoerige
schriftelijke enquête over hun eigen taalgedrag, dat van hun
ouders en grootouders.
De hierna besproken resultaten zijn grotendeels het resultaat van een
replica-onderzoek dat ik in 1996 zelf deed. Om de haalbaarheid ervan niet in
het gedrang te brengen, werden bij het opstellen en uitvoeren van de nieuwe
| | | | enquête twee grote beperkingen in acht genomen.
Vooreerst werden niet alle vragen die Jacobs en
Bringmans 20 jaar geleden gesteld hadden
herhaald. Met name de vragen die betrekking hebben op het taalgebruik van de
grootouders werden niet meer gesteld, omdat de grootoudergeneratie van 1997
deels identiek is aan de oudergeneratie van 20 jaar geleden. Evenmin was het
mogelijk - en ook niet echt nodig - om een even groot aantal leerlingen bij
het onderzoek te betrekken als in 1977. Omdat uit de resultaten van Jacobs
en Bringmans relevante verschillen bleken tussen de 3 ondervraagde
leeftijdsgroepen (12, 15 en 18 jaar) onderling, koos ik ervoor om het
vervolgonderzoek tot één leeftijdscategorie, namelijk
de middenste, te beperken. Waar bij de verdere bespreking van de resultaten
vergeleken wordt met de vaststellingen uit 1977, gaat het dan ook steeds
uitsluitend om de deelresultaten voor de groep 15-jarigen van toen.
Genk telt als regionaal centrum een groot aantal middelbare scholen. De
replica-enquête werd in het voorjaar van 1996 verspreid in het
3de jaar middelbaar onderwijs van 6 Genker scholen, die ook reeds in 1977
aan het onderzoek hadden meegewerkt1.
Uiteindelijk ontving ik 519 ingevulde vragenlijsten terug.
Fig. 1: procentueel aandeel van de Belgen, Italianen, Turken,
Marokkanen en Grieken in de Genker bevolking in 1977 en 1996.
| | | |
Een aanzienlijk deel van de invullers (164 ofwel 32%) bleek wel in Genk
school te lopen, maar er niet te wonen. De antwoorden van deze jongeren uit
omliggende gemeenten werden in eerste instantie dan ook niet mee verwerkt.
Zij vormen een controlegroep, waarop ik aan het einde van deze bijdrage nog
terugkom. Alvorens in te gaan op hetgeen de 355 Genker jongeren meegedeeld
hebben over hun taalattitudes, schets ik eerst beknopt een beeld van de
smeltkroes die de Genker bevolking vormt.
| |
2. De Genker bevolking1
Op 31 december 1995 telde Genk 62.132 inwoners.
Daarvan heeft 23% een andere nationaliteit dan de Belgische. In Genk wonen
maar liefst 60 verschillende nationaliteiten samen.
Figuur 1 laat de verhoudingen zien tussen de autochtone Genkenaren en de vier
grootste vreemde bevolkingsgroepen in 1977 en in 1996. 20 jaar geleden
bedroeg het totale aandeel van de vreemdelingen in de Genkse bevolking
35,47% en lag daarmee 12% hoger dan vandaag2. Die daling heeft verschillende,
generatiegebonden oorzaken. Immigranten uit de eerste generatie (vooral
Italianen)

Fig. 2: Genker bevolkingsspreiding per kieswijk.
| | | | zijn na hun pensionering vaak teruggekeerd naar hun vaderland.
Bij de tweede generatie immigranten hebben er de voorbije twee decennia
naturalisaties plaats gehad, terwijl hun kinderen (derde generatie) vaak
reeds bij de geboorte de Belgische nationaliteit gekregen hebben. Het
dalende percentage vreemdelingen in Genk is dus veeleer een indicatie van
hun toenemende integratie. Dat zal verderop ook uit de
enquêtegegevens blijken.
Belgen en vreemdelingen wonen niet gelijkmatig verdeeld over de hele
gemeente.
Figuur 2 toont de bevolkingsspreiding per kieswijk. Daaruit valt af te leiden
dat bijna de helft van de Genker bevolking (45%) in de voormalige mijnwijken
Waterschei en Winterslag woont. Net in deze wijken is de concentratie
buitenlanders (ca. 30%) ook het grootst. In 1977 was dat nog frappanter het
geval. Toen had nog een op twee inwoners van Waterschei of Winterslag een
vreemde nationaliteit. Ook in het gehucht Sledderlo wonen verhoudingsgewijs
veel immigranten. Daartegenover staan de wijken Hasseltweg, Boxbergerheide
en Bokrijk met nagenoeg uitsluitend Belgische bewoners.
Fig. 3: Genker bevolkingspiramide (31 december 1995).
Figuur 3 bevat de Genker bevolkingspiramide. Er wonen in Genk nagenoeg
evenveel mannen als vrouwen. De twee grijze balkjes markeren de 15-jarigen
die in 1996 en in 1977 ondervraagd zijn over hun taalattitude.
| |
| | | |
3. Dialectkennis te Genk
Net als de enquête van Jacobs en Bringmans is ook de herhaling opgezet als een
opinieonderzoek. Bij alle hierna besproken resultaten dient men bijgevolg
voor ogen te houden dat het gaat om de mening van een representatief staal
van de Genker 15-jarigen over de onderwerpen in kwestie. Of en in hoeverre
de talige realiteit in Genk van de mening van de 355 ondervraagden afwijkt,
werd niet onderzocht.
Om te beginnen werd aan de invullers van de enquête gevraagd of
zijzelf en hun ouders nog dialect verstaan en/of spreken en zo ja, welk
dialect. Figuur 4 laat de percentages positieve antwoorden zien en dezelfde
gegevens voor 1977. De categorie ouders is onderverdeeld in vaders (v.) en
moeders (m.). De gegevens voor het Genker dialect hebben enkel betrekking op
de actieve kennis ervan.
|
1996 |
|
1977 |
|
|
15-j. |
ouders |
15-j. |
ouders |
|
verstaan
|
67.3 |
v. 51.5 m. 50.4 |
57.3 |
v. 56.2 m. 57.1 |
| |
|
|
|
|
|
spreken
|
25.9 |
v. 37.4 m. 38.8 |
26.7 |
v. 49.4 m. 51.6 |
| |
|
|
|
|
|
Genks
|
13.2 |
v. 20.0 m. 19.4 |
16.1 |
v. 17.7 m. 17.7 |
Fig. 4: passieve en actieve dialectkennis te Genk.
Volgende tendenzen vallen op:
| 1) | de 15-jarigen anno 1996 schijnen aan overrapportering te doen met
betrekking tot hun eigen passieve dialectkennis. Die zou ten opzichte
van 20 jaar geleden met 10% gestegen zijn. Dat is misschien minder een
gevolg van zelfoverschatting met betrekking tot het verstaan van
dialect, dan wel van een ruimer geworden definiëring van het
begrip ‘dialect’. |
| 2) | De percentages voor de actieve dialectkennis geven een vrij
geruststellend beeld. Bij de ouders is er een matige daling van ongeveer
10%. Bij de jongeren schijnt de dialectkennis stabiel gebleven te zijn. |
| 3) | Ook de actieve beheersing van het Genker dialect schijnt de voorbije
twee decennia niet spectaculair gedaald te zijn. Bij de ouders wordt
zelfs een lichte stijging genoteerd. |
Het door deze cijfers gesuggereerde beeld van een gestabiliseerde toestand
met dialectbehoud tijdens de voorbije 20 jaar in Genk, wordt volledig
tegengesproken door de rest van de enquêteresultaten. Daarin is
gedetailleerder gevraagd naar het taalgebruik van de 15-jarigen en hun
ouders in diverse formele en informele situaties. De antwoorden op die
vragen maken duidelijk dat er wel degelijk sprake is van een aanzienlijk
dialectverlies bij de Genker jeugd tijdens de voorbije 20 jaar.
| |
| | | |
4. Dialect als thuistaal
Op de meerkeuzevraag ‘welke taal spreek je met je vader/moeder
(dialect/A.B.N./andere taal’) antwoordt slechts 5% van de
15-jarige Genkenaren met ‘dialect’ (cf. figuur 5). In
1977 was dat nog 22%. Het percentage ouders dat zelf dialect gebruikt als
voertaal met de kinderen lag toen nog iets hoger (bijna 25%), maar is
tegenwoordig eveneens gedaald tot 5%. Gezinssituaties waarbij de ouders
steeds dialect spreken met hun niet-dialectsprekende kinderen, lijken dus in
Genk niet meer voor te komen.
|
1996 |
1977 |
| 15-j. met broer/zus |
3.6 |
20.8 |
| 15-j. met ouders |
5.0 |
22.3 |
| ouders met 15-j. |
5.0 |
24.7 |
| ouders onderling |
9.7 |
37.4 |
Fig. 5: Dialect als gezinstaal te Genk.
Ook tussen de ouders onderling is het dialectspreken sterk achteruitgegaan.
In 1977 gebeurde dat nog in 37, 4% van de ondervraagde gezinnen;
tegenwoordig nog in amper 10%. Het zwakst staat het dialect als thuistaal
uiteraard in gesprekken tussen de kinderen onderling. Slechts 3,6% van de
15-jarigen zegt met broers of zussen dialect te spreken. In 1977 was dit nog
bijna 21%.
| |
5. Dialectgebruik in het openbaar
In figuur 6 worden 15 taalsituaties opgesomd. Aan de 15-jarigen werd gevraagd
welke taal ze in elk van deze situaties spreken. Het gaat om taalsituaties
in het openbaar, waarvan de eerste 7 eerder informeel en de volgende acht
eerder formeel genoemd kunnen worden. Opnieuw moesten de ondervraagde
leerlingen aankruisen of ze in die situatie dialect, A.B.N of een andere
taal spreken. Ten opzichte van de vroegere enquête werden 2
situaties aangepast. Waar nu gevraagd is naar het kopen van een
bioscoopkaartje, stond in 1977 een kaartje voor het voetbal. Dat leek me
echter een vraag die voor het vrouwelijke deel van de invullers wellicht
niet relevant genoeg zou zijn. De vraag uit 1977 ‘bij de
kruidenier’ werd vervangen door ‘met de
kassierster’, om aldus beter aan te sluiten bij het moderne
koopgedrag. 20 jaar geleden spraken nog maar weinig Genker 15-jarigen
dialect in het openbaar (gemiddeld 3,6%). Dat percentage is nu
verwaarloosbaar klein geworden (gemiddeld 1,4%).
Er zitten een paar opmerkelijke verschuivingen in de rangorde van de
situaties. ‘Bij de bakker’ scoorde in 1977 het
dialectgebruik het hoogst (6,2%), terwijl het percentage in deze situatie
anno 1996 teruggevallen is tot het niveau van ‘bij de
slager’. Misschien ligt een verklaring hiervoor in het feit dat 20
jaar geleden nog heel wat bakkers brood aan huis bestelden, waardoor deze
situatie meteen een stuk informeler werd dan ‘bij de
slager’.
| | | |
|
1996 |
1977 |
| met mensen in je straat |
3.0 |
5.7 |
| na school met vrienden |
3.0 |
5.1 |
| op de speelplaats |
2.8 |
2.7 |
| bij de kapper |
2.2 |
4.4 |
| jeugdbew./vrienden |
1.7 |
3.9 |
| bij de bakker |
1.4 |
6.2 |
| bij de slager |
1.4 |
3.2 |
| kaartje bioscoop* |
1.1 |
2.4 |
| winkels in Hasselt |
1.1 |
4.6 |
| jeugdbew./leiding |
0.8 |
2.9 |
| bij de dokter |
0.8 |
3.3 |
| kaartje op de bus |
0.8 |
1.7 |
| in het Shopping Center |
0.8 |
1.9 |
| met de kassierster* |
0.5 |
3.9 |
| in de apotheek |
0.5 |
2.0 |
| |
|
|
| gemiddelde |
1.4 |
3.6 |
Fig. 6: Dialectgebruik van 15-jarige Genkenaren in het openbaar.
Globaal kan gesteld worden dat in 1977 vooral het onderscheid tussen de
informelere en de formelere situaties markant was, terwijl tegenwoordig
vooral het onderscheid peergroup (leeftijdsgenoten)/anderen distinctief
werkt. Vooral met mensen in de eigen straat, na school met vrienden, bij de
kapper, in de jeugdbeweging en op de speelplaats wordt er nog een klein
beetje dialect gesproken. Enkel in de laatstgenoemde situatie is het
percentage dialectsprekers sinds 1977 niet meer gedaald.
| |
6. Taalintentie en taalrealisatie
|
dialect |
Genks |
| gerapporteerde dialectkennis |
26%
|
13%
|
| |
|
|
| dialect als gezinstaal |
max. 5%
|
|
| |
|
|
| dialect in het openbaar |
gem. 1.4%
|
|
Fig. 7: dialectkennis en -gebruik bij Genker 15-jarigen.
Deze cijfers over het dialectgebruik thuis en in openbaar wijzen op een
contradictie in de rapportering door de jonge Genkenaren. Figuur 7
synthetiseert de schijnbaar tegenstrijdige percentages nog eens. Ruim een op
vier in Genk wonende 15-jarigen beweert nog dialect te kunnen spreken (de
helft daarvan beweert dat wat ze dan spreken Genker dialect is), maar
slechts 5% zegt thuis | | | | dialect te spreken en hoogstens 3%
(gemiddeld 1,4%) zegt in het openbaar dialect te spreken. De vraag die
hierbij rijst is: waar hebben die 20% andere
‘dialect’-sprekers hun actieve dialectkennis dan
vandaan, als ze thuis noch elders dialect spreken?
Een mogelijke oplossing voor deze tegenstrijdigheid kan gezocht worden in de
definiëring van de term ‘dialect’. Misschien
heeft die bij hedendaagse jongeren een sterk vervaagde inhoud gekregen.
Misschien definiëren zij dialect veeleer als
‘niet-standaardtaal’ en niet meer als ‘de
lokale taalvariëteit met beperkte verspreiding’. Onder
‘dialect’ verstaat minstens een deel van de jongeren in
dat geval ook de informele variant van de standaardtaal die in heel
Vlaanderen als omgangstaal voorkomt en in feite een tussentaal, een met
plaatselijke of regionale dialectkenmerken versneden A.N. is. Geert Van Instendael heeft hiervoor de term
‘Verkavelingsvlaams’ geïntroduceerd.
Het feit dat de gerapporteerde passieve dialectkennis bij de hedendaagse
jongeren met 10% gestegen is t.o.v. 1977 wijst erop dat een deel van hen bij
de niet-situatiegebonden rapportering deze tussentaal ook als dialect
beschouwt. Minstens die 20% van de jongeren die beweren dialect te kunnen
spreken zonder het ooit te doen, hanteren daarbij deze verruimde definitie
van dialect. Intrigerend is daarbij de vaststelling dat deze jongeren bij de
vragen naar het taalgebruik in concrete situaties stelselmatig
‘A.B.N.’ opgeeft als taal die ze dan wel thuis en in het
openbaar spreken en dat ze dus niet kiezen voor de mogelijkheid
‘andere taal’. De tussentaal die ze in feite realiseren,
beschouwen ze dus de ene keer als ‘dialect’ en de andere
keer als ‘A.B.N.’. Van het verschil tussen hun
taalintentie en hun taalrealisatie zijn deze jongeren zich niet bewust.
Dezelfde realisatie wordt anders benoemd in functie van de taal die ze
zouden willen spreken.
Als deze analyse juist is, dan toont de hierboven vastgestelde ongerijmdheid
in de percentages aan hoe het ‘Verkavelingsvlaams’ als
talige ‘passe-partout’ fungeert en daardoor stilaan een
sleutelpositie in het Vlaamse taallandschap lijkt te verwerven.
| |
7. Invloed van sekse en sociale klasse
Van de 355 in Genk wonende invullers van de
enquête waren er 211 jongens en 144 meisjes. In beide gevallen is
dit een voldoende groot aantal om na te gaan of er seksegebonden verschillen
zijn in het dialectgebruik bij deze groep. Figuur 8 geeft de percentages per
sekse voor de passieven en actieve dialectkennis van de 15-jarigen en van
hun ouders, voor dialect als thuistaal en in het openbaar.
| | | |
|
jongens |
meisjes |
|
eigen dialectkennis
|
|
|
| verstaan |
69.0 |
65.8 |
| spreken |
37.8 |
19.9 |
| Genks |
16.1 |
9.0 |
|
dialectkennis ouders
|
|
|
| verstaan |
50.5 |
55.2 |
| spreken |
36.7 |
43.5 |
|
dialect in het gezin
|
|
|
| 15-j. met broer/zus |
5.5 |
0.7 |
| 15-j. met ouders |
7.8 |
2.2 |
| ouders met 15-j. |
7.6 |
2.5 |
| ouders onderling |
9.5 |
9.8 |
|
dialect in het openbaar
|
2.2 |
0.5 |
Fig. 8: Opdeling van de resultaten m.b.t. dialectkennis en -gebruik volgens
sekse.
Waar de percentages met betrekking tot de passieve dialectkennis nog vrij
dicht bij elkaar liggen - 69% van de jongens en bijna 66% van de meisjes
zegt een dialect te verstaan -, is er een zeer markant sekse-gerelateerd
verschil bij alle cijfers over de actieve dialectkennis van de jongeren.
Dubbel zoveel jongens beweren een dialect te kunnen spreken. In het gezin
wordt er kennelijk opvallend meer dialect gesproken met en door jongens en
ook als de percentages erg klein worden, in de openbare situaties, blijft
dit mannelijk overwicht gehandhaafd. Dit onderzoek bevestigt dus nogmaals
het klassieke sociolinguïstische patroon dat mannen relatief
dialectvaster zijn dan vrouwen.
Alleen bij de dialectkennis en het -gebruik van de ouders wordt dit beeld
verstoord. Hier zijn het systematisch de 15-jarige meisjes die in iets
grotere mate beweren dat hun ouders een dialect verstaan (55% tegenover 50%
van de jongens) en spreken (43% tegenover bijna 37% van de jongens). Dit
gegeven wordt echter niet bevestigd door de cijfers voor de thuistaal van de
ouders: evenveel meisjes als jongens antwoordden dat hun ouders thuis met
elkaar dialect spreken. Bovendien blijkt het dialect opvallend minder de
voertaal voor gesprekken tussen ouders en dochters te zijn dan tussen ouders
en zonen.
De grootteorde van de hier vastgestelde sekseverschillen moet wellicht iets
afgezwakt worden, omdat de sociale spreiding van de mannelijke en vrouwelijk
deelnemers aan de enquête niet optimaal was1.
Om die reden geef ik voor de parameter sociale klasse dan ook enkel de
gegevens uit het onderzoek van Bringmans en Jacobs. De gegevens daarover staan in figuur 9.
| | | |
Fig. 9: Invloed van de sociale klasse op het dialectgebruik te Genk
in 1977.
Daaruit blijkt dat 20 jaar geleden in Genk niet de jongeren uit de lagere
sociale klasse, maar uit de middengroep het meest dialectvast waren. Bij de
ouders was dat zelfs de hogere sociale klasse. In Genk is de sociale
stratigrafie in het dialectgebruik dus doorbroken ten gevolge van de grote
immigratie en het multiculturele karakter van de Genker gemeenschap. In de
lagere sociale klasse is er met zekerheid een oververtegenwoordiging vast te
stellen van de Genker immigranten, die uiteraard geen dialect kunnen
spreken, net zomin als hun kinderen. Omgekeerd situeert het autochtone
Genker deel van de bevolking zich meer in de hogere en middenklasse.
Naarmate de sociale status toeneemt, stijgt ook het dialectverlies bij de
15-jarigen ten opzichte van de oudergeneratie (7% bij de lagere klasse, 31%
bij de middenklasse en 44% bij de hogere klasse). Hieruit valt af te leiden
dat net de ouders die zelf nog het meest dialect spraken in 1977 datzelfde
dialect niet meer doorgegeven hebben aan hun kinderen. Met je kinderen
standaardtaal (proberen te) spreken was in 1977 in Genk duidelijk een
prestigekenmerk.
| |
8. Invloed van de mobiliteit
Tot nogtoe werden de 355 in Genk wonende leerlingen
die aan de enquête deelnamen over één kam
geschoren en als ‘de Genker jongeren’ aangeduid. De
specifieke Genker bevolkingssamenstelling vraagt evenwel om een verdere
opsplitsing van deze groep. De essentiële vraag naar de invloed
van de (binnenen buitenlandse) immigratie op het dialectgebruik bij de
Genker jongeren blijft anders immers onbeantwoord. Vanuit het omgekeerde
perspectief benaderd luidt diezelfde vraag: hoe sterk staat het Genker
dialect in het meest autochtone deel van de in de Genk wonende jongeren? Om
daarop te kunnen antwoorden, werd de groep van 355 zegslieden stapsgewijze
gereduceerd tot zijn meest autochtone Genker kern.
| | | |
|
Genkse 15-j.
|
totale groep |
< 12 j. in Genk |
|
jongens meisjes |
jongens meisjes |
| dialect verstaan |
69.0 65.8 |
74.4 57.6 |
| dialect spreken |
37.8 19.9 |
48.8 23.0 |
| Genks spreken |
16.1 9.0 |
11.6 7.6 |
Fig. 10: Verschillen in dialectkennis tussen de Genker 15-jarigen en de
subgroep van 15-jarigen die minder dan 12 jaar in Genk wonen.
Vooreerst werden 69 informanten (43 jongens en 26 meisjes) afgesplitst, die
eerst na hun derde levensjaar in Genk zijn komen wonen. Figuur 10 laat zien
dat zij m.b.t. actieve dialectkennis iets hoger scoren dan het gemiddelde
van de totale Genker groep. Uiteraard scoort het percentage dialectsprekers
dat ook beweert Genker dialect te spreken bij deze 69 inwijkelingen iets
lager dan het gemiddelde, het is echter niet onbestaande. Er zijn met andere
woorden 15-jarigen die nog geen 12 jaar in Genk wonen en toch beweren Genker
dialect te kunnen spreken.
Vervolgens werden de 286 jongeren die minstens sinds hun 3de levensjaar in
Genk wonen verder verdeeld in subgroepen volgens de herkomst van hun ouders.
Figuur 11 toont de scores voor dialectspreken en Genker dialect spreken bij
de kinderen en ouders van 5 verschillende subgroepen1. Groep I is de meest autochtone
Genker groep, waarbij beide ouders in Genk geboren zijn. Groep V is de minst
autochtone groep, waarbij beide ouders in het buitenland geboren zijn. De
drie tussenliggende groepen vormen een geleidelijke overgang van gezinnen
met a) één Genker ouder en één
Belgische ouder uit een andere gemeente, b) gezinnen met twee Belgische
ouders uit twee andere gemeenten en c) gezinnen met
één niet-Genker Belgische en één
buitenlandse ouder. De percentages voor deze subgroepen suggereren enkele
opvallende vaststellingen.
|
I |
II |
III |
IV |
V |
|
15-jarigen:
|
|
|
|
|
|
| dialect spreken |
29.8 |
31.5 |
20.8 |
27.2 |
11.2 |
| Genks spreken |
23.8 |
17.8 |
8.3 |
27.2 |
3.0 |
| |
|
|
|
|
|
|
ouders:
|
|
|
|
|
|
| dialect spreken |
62.6 |
51.3 |
66.6 |
29.5 |
5.6 |
| Genks spreken |
52.2 |
30.8 |
0 |
11.3 |
2.0 |
Fig. 11: Subgroepen volgens herkomst van de ouders (15-jarigen die langer dan
12 jaar te Genk wonen).
| |
| | | |
8.1. dialectverwerving via de peergroup
Vooreerst valt op dat in elk van deze vijf subcategorieën naar
eigen zeggen dialectsprekers en sprekers van het Genker dialect
voorkomen. Indien slechts één van beide ouders uit
Genk afkomstig is (de dialectologische
menghuwelijken uit groep II) is de kans de 15-jarige nog dialect spreekt
niet kleiner (zelfs iets groter) dan wanneer beide ouders uit Genk
afkomstig zijn (groep I). Uiteraard spreken de dialectsprekende jongeren
uit zo'n menghuwelijk minder Genker dialect dan hun leeftijdsgenoten met
twee Genker ouders. Het verschil bedraagt echter slechts 5%. Welk
dialect men leert wordt met andere woorden niet meer uitsluitend bepaald
door de dialectsituatie thuis. Dat blijkt nog duidelijker uit het feit
dat 8% van de jongeren die reeds meer dan 12 jaar in Genk wonen, maar
waarvan beide ouders uit een andere Belgische plaats afkomstig zijn,
toch beweren Genker dialect te kunnen spreken. Van de ouders wordt hier
gerapporteerd dat ze veelal wel dialect maar geen Genker dialect kunnen
spreken. Deze 8% jongeren die beweren zelf wel Genker dialect te kunnen
spreken, hebben dat dus niet thuis geleerd. Daarbij moet dan wel eerder
gedacht worden aan invloed vanuit de zogenaamde peer group, de
leeftijdsgenoten waarmee deze jongeren omgang hebben1. Datzelfde geldt voor de 6% jongeren uit groep I, waarvan
beide ouders uit Genk afkomstig zijn, maar die toch beweren een ander
dan het Genker dialect te spreken. Nog frappanter komt de
peergroup-invloed tot uiting bij de kinderen van buitenlandse
immigrantenouders. Van hen beweert toch nog 11% dialect te kunnen
spreken en 3% zegt dat het daarbij om Genker dialect gaat. Dit is meteen
ook de enige groep waarin het percentage dialect-sprekende kinderen
groter is dan het percentage dialectsprekende ouders. De dialectkennis
van deze kinderen moet dus wel grotendeels via de dialectsprekende
leeftijdsgenoten op school en in de vrije tijd verworven zijn. Dat
dialectverwerving via deze weg kan verlopen, wordt eveneens aannemelijk
gemaakt door de eerder gedane vaststelling dat ‘op de
speelplaats’ de enige van de onderzochte situaties is,
waarvoor tijdens de voorbije 20 jaar geen achteruitgang van het
dialectgebruik gerapporteerd werd (cf. 6). Daarbij mag, zo is boven
reeds gebleken (cf. 7.), de vraag gesteld worden in hoeverre het nog
echt om een traditioneel lokaal dialect gaat en in hoeverre met
‘dialect’ hier een andere nietstandaardtalige
informele omgangstaal aangeduid wordt.
| |
8.2. menghuwelijken als dialectbedreigende factor
Opvallend en op het eerste gezicht contradictorisch is de vaststelling
dat in de groep waar het percentage dialectsprekende ouders het grootst
is (groep III: 66%), het percentage dialectsprekende kinderen nagenoeg
het kleinst is (21%). Enkel de migrantenkinderen scoren nog lager (11%).
Het gaat hierbij opnieuw | | | | om de groep dialectologische
menghuwelijken. De kinderen uit groep III komen m.a.w. doorgaans in
contact met drie verschillende dialecten: thuis en/of in de familie met
het dialect van vader en dat van moeder en op school en op straat met
het Genker dialect. Zo'n multidialectale situatie is kennelijk een
dialectbedreigende factor, want de kans dat deze kinderen zelf nog
dialect leren spreken is kleiner dan bij groep I en II, waar de kinderen
enkel met Genker dialect of met Genker en één
ander dialect in aanraking komen. Zelfs wanneer een van beide ouders in
het buitenland geboren is (groep IV) - en dus geen Nederlands dialect
spreekt - is de kans dat de kinderen wel nog dialect leren groter dan
bij de dialectologische menghuwelijken.
| |
8.3. dialecticiteit van de meest autochtone groep
Genkenaren
De percentages voor subgroep I hebben zoals gezegd betrekking op dat
gedeelte van de ondervraagde Genker 15-jarigen dat als meest autochtoon
beschouwd mag worden: degenen die zelf reeds van voor hun derde
levensjaar in Genk wonen en uit twee Genker ouders geboren zijn. De 69
invullers van de enquête in deze subgroep vormen qua aantal
zeker een statistisch representatief staal voor alle 15-jarige
Genkenaren die aan deze voorwaarden voldoen. De resultaten van deze
subgroep hebben voorts ook wel een indicatieve waarde m.b.t. de situatie
bij autochtone Genker jongeren die iets ouder of jonger zijn dan 15
jaar.
Veralgemenend kan dus gesteld worden dat in de meest autochtone groep
Genker jongeren bijna één op drie beweert dialect
te kunnen spreken en bijna één op vier beweert dat
het daarbij om Genker dialect gaat. De percentages m.b.t. de actieve
dialectkennis van hun ouders liggen voor beide items iets boven het
dubbele. Dat wil dus zeggen dat een ander derde van deze autochtone
Genker jongeren beweert dat hun ouders wel dialect kunnen spreken en zij
niet; terwijl een ander vierde van hen beweert dat hun ouders Genker
dialect spreken en zij niet.
Op basis van deze cijfers kan men stellen dat het actuele dialectverlies
bij de meest autochtone groep Genkenaren op één
generatie tijd gelijk staat aan een halvering. Van de huidige generatie
jongeren spreekt nog maximaal 30% Genker dialect. De combinatie van
beide gegevens doet dan ook vermoeden dat de overlevingskansen voor het
Genker dialect erg klein zijn.
| |
9. Vergelijking met enkele omliggende gemeenten
De onder paragraaf 9 besproken resultaten voor de vijf subgroepen suggereren
dat het dialectverlies bij de meest autochtone groep Genkenaren
uitzonderlijk hoog is ten gevolge van de bijzondere rol die de factor
mobiliteit speelt in de Genker bevolkingssamenstelling. Deze hypothese wint
aan waarschijnlijkheid, wanneer uit een vergelijking van subgroep 1 met
autochtone jongeren uit omliggende gemeenten zou blijken dat het
dialectverlies daar kleiner is. Om dit na te gaan, werd tenslotte gekeken
naar de enquêteformulieren die de 164 niet-Genker 15-jarigen uit
de 5 deelnemende scholen invulden. 118 van hen wonen | | | | sinds meer
dan 12 jaar in hun huidige woonplaats. Hun antwoorden werden vergeleken met
die van de jongeren die sinds meer dan 12 jaar in Genk wonen1.
Figuur 12a toont de resultaten voor beide groepen.
|
andere gem. |
Genk |
|
15-jarigen:
|
|
|
| dialect verstaan |
89.8 |
80.3 |
| dialect spreken |
56.7 |
25.5 |
| |
|
|
|
ouders:
|
|
|
| dialect verstaan |
84.7 |
77.5 |
| dialect spreken |
77.9 |
59.4 |
| |
|
|
|
dialect als gezinstaal
|
|
|
| 15-j. met broer/zus |
19.4 |
1.1 |
| 15-j. met ouders |
25.8 |
6.9 |
| ouders met 15-j. |
27.1 |
13.1 |
| ouders onderling |
53.3 |
23.4 |
Fig. 12a: Dialect in het openbaar te Genk en omliggende gemeenten (15-jarigen
die er langer dan 12 jaar wonen).
Dialectkennis en -gebruik scoren in de omliggende gemeenten over de hele
lijn, zowel bij de 15-jarigen zelf als bij hun ouders, beter dan in Genk.
Bij de passieve dialectkennis gaat het telkens om een significant, maar
relatief klein verschil. Bij de actieve dialectkennis gaat het om grote
verschillen. In de oudergeneratie zijn de verschillen tussen Genk en de
omgeving eveneens kleiner dan bij de 15-jarigen zelf. In omliggende
gemeenten blijkt het percentage dialectsprekende jongeren meer dan het
dubbele (57%) te bedragen dan de Genk (26%). Ook in de gezinssfeer staat het
dialect in alle situaties (kinderen onderling / ouders-kinderen / ouders
onderling) in de omliggende gemeenten een aanzienlijk stuk sterker dan te
Genk.
Een vergelijking van de percentages m.b.t. actieve en passieve dialectkennis
van de 15-jarigen uit andere gemeenten met de gemiddelden van de tweede
kolom uit figuur 10 (Genker jongeren die eerst na hun derde levensjaar in
Genk zijn komen wonen), levert een interessante vaststelling op. 90% van de
15-jarigen uit omliggende gemeenten beweert dialect te verstaan en 57% het
te kunnen spreken. Wanneer dergelijke jongeren in Genk komen wonen, daalt
die dialectkennis blijkbaar aanzienlijk onder invloed van de nieuwe
omgeving. Van de jongeren die vanuit een andere gemeente naar Genk verhuisd
zijn, zegt nog slechts 66% dialect te verstaan en amper 36% het te spreken.
| | | |
|
andere gem. |
Genk |
| met mensen in je straat |
12.8 |
2.8 |
| jeugdbew. / vrienden |
12.1 |
2.8 |
| na school met vrienden |
11.5 |
2.8 |
| jeugdbew. / leiding |
9.7 |
- |
| bij de kapper |
9.7 |
- |
| bij de bakker |
9.1 |
- |
| bij de slager |
7.9 |
- |
| met de kassierster |
7.3 |
- |
| op de speelplaats |
6.7 |
5.7 |
| kaartje bioscoop |
6.0 |
1.4 |
| in de apotheek |
4.8 |
- |
| bij de dokter |
4.8 |
- |
| kaartje op de bus |
4.2 |
1.4 |
| in het Shopping Center |
3.6 |
- |
| winkels in Hasselt |
2.4 |
1.4 |
Fig. 12b: dialect in het openbaar te Genk en omliggende gemeenten (%
15-jarigen die in deze situatie dialect spreken).
Figuur 12b geeft de vergelijkbare percentages voor Genk en de omliggende
gemeenten m.b.t. het dialectgebruik in het openbaar. Zoals te verwachten
was, zijn de verschillen ook hier aanzienlijk. In elk van de opgegeven
situaties scoort het dialectgebruik in de omliggende gemeenten hoger.
Daarbij dient men te overwegen dat het voor 15-jarigen uit andere gemeenten
niet eens evident is dat al deze situaties zich in de woonplaats zelf
voordoen (denk bv. aan ‘met de kassierster’,
‘kaartje kopen voor de bioscoop’). Toch scoort het
dialect nog in al deze situaties bij jongeren uit omliggende gemeenten. De
geleidelijk aan afnemende percentages weerspiegelen daarbij mooi de
toenemende graad van formaliteit van de situaties.
De Genker jongeren gebruiken het dialect slechts in iets minder dan de helft
van deze situaties nog. Opvallend is voorts de relatief hoger score voor
‘op de speelplaats’. Voor een klein deel van de Genker
jongeren blijkt dit dus de omgeving bij uitstek te zijn om nog met dialect
in contact te komen en het ook zelf te spreken. Het percentage niet-Genker
jongeren dat op diezelfde Genker speelplaatsen dialect spreekt, is niet veel
groter. Zij spreken hun dialect vooral in hun eigen gemeente: op straat en
met leeftijdsgenoten.
Op basis van de antwoorden m.b.t. het dialectgebruik in openbare situaties,
heb ik voor Genk en enkele buurgemeenten getracht een relatieve
dialecticiteitsgraad te berekenen1. Zoals
figuur 13 laat zien, bedraagt de score voor Genk daarbij 1,2. Houthalen (6,2) is een naburige mijngemeente, met
eveneens een grote immigratie. As (6,8) is een kleine sattelietgemeente van
Genk. Beide buurgemeenten vormden in het verleden ook lange tijd samen met
Genk één parochie. De score van het noordelijker
gelegen Opglabbeek (13,3) is vergelijkbaar met die
| | | | van Zutendaal (16,9). Deze beide
gemeenten lijken al niet meer uitsluitend op Genk georiënteerd te
zijn. Opglabbeek sluit eerder bij de Kempense gemeenten ten noorden ervan
aan. Zutendaal, dat net als As een Genkse
sattelietgemeente is, staat vanouds meer op zichzelf en vormt de overgang
naar het zuidelijke Maasland. Een aantal centrale en zuidelijke Maaslandse
gemeenten zijn tenslotte in een groep samengevoegd. De geografische afstand
tot Genk is voor deze groep gemeenten het grootst. Hun gemiddelde score
(31,1) is het hoogst.
Fig. 13: Relatieve dialecticiteitsgraad bij 15-jarigen voor Genk en
enkele omliggende gemeenten.
| | | |
In al zijn beperktheid wekt dit regiobeeld toch de indruk dat er van Genk ook
een zeker stralingseffect m.b.t. dialectverlies uitgaat. Toch kan dit soort
conclusies eerst met enige zekerheid getrokken worden, wanneer daarbij ook
met de andere stralingscentra in de omgeving (zoals Hasselt, Tongeren en Maaseik) rekening gehouden wordt. Daartoe zou evenwel eerst
vergelijkbaar onderzoek in deze regionale centra verricht moeten worden.
|
1Cf. indelingskaart ‘Het
Zuidnederfrankisch’ in: J. Goossens, Genker dialect tussen
oost en west. Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse Dialect- en
Naamkunde nr. 89 (Hasselt 1997), blz. 8. Dit nummer bevat ook een
samenvattende beschrijving van het Genker dialect en zijn verhouding tot
de omliggende dialecten.
2Linda Jacobs, Taalgedrag in de gemeente Genk. Deel I:
Invloed van sociale klasse, sekse en leeftijd. (KULeuven 1978). Lutgart
Bringmans, Taalgedrag in de gemeente Genk. Deel II: Invloed van de
immigratie. (KULeuven 1978).
1Ik dank de
directies, leerkrachten en deelnemende leerlingen van het Technisch
Instituut Sint-Lodewijk, het Onze-Lieve-Vrouw-Lyceum, de Middenschool
Hoevenzavel, het Stella Maris Instituut en het Koninklijk Atheneum voor
hun bereidwillige medewerking. (cf. ook noot 1, blz. 11).
1Voor de hier
vermelde bevolkingsgegevens dank ik het personeel van de Dienst
Bevolking van de gemeente Genk, dat ze mij op efficiënte en
vriendelijke wijze bezorgde.
2Alleen
de Turkse bevolkingsgroep is sinds 1977 niet kleiner geworden, maar
zelfs nog lichtjes gegroeid.
1Ten gevolge van een misverstand werden de ruim 200
formulieren die de (mannelijke) leerlingen van het Sint-Jan
Berchmanscollege ingevuld hebben, niet aan mij terugbezorgd en bleken
later onvindbaar. Daardoor is er bij het mannelijke deel van de 355
Genker invullers een oververtegenwoordiging van leerlingen uit het
Technisch en Beroepsonderwijs en dus vermoedelijk ook uit de lagere
sociale klasse. Omgekeerd vormen de meisjesleerlingen van het Genker
Lyceum een groot deel van de vrouwelijke informanten. Bij hen is de
lagere sociale klasse daardoor wellicht ondervertegenwoordigd.
1Omdat dezelfde opdeling van de groep Genker 15-jarigen op basis van de
factor mobiliteit in de studies uit 1978 niet voorkomt, kunnen vour deze
subgroepen geen vergelijkende percentages voor de Genker toestand van 20
jaar geleden gegeven worden.
1De impact van zo een peer goup-effect mag nochtans niet
overschat worden. N.a.v. het GETAS-Project ‘Zur Lage des
Niederdeutschen in 1984’ heeft Goossens erop gewezen dat
slechts een zeer kleine minderheid (9%) van de Noordduitse
dialectsprekende jongeren opgeeft zijn dialect van leeftijdsgenoten
geleerd te hebben (cf. J. Goossens, Zur Lage des
Niederdeutschen und ihrer Erforschung. In: Michigan
Germanic Studies XII, nr. 1 (1996), blz. 1-20; inz. blz. 12). De in
dit grootschalige Noordduitse onderzoek vastgestelde tendensen
stroken overigens met hetgeen uit het Genkse onderzoek
blijkt.
1Om het absolute aantal in de
groep niet-Genker jongeren niet te klein te maken, werd hierbij afgezien
van het tweede criterium, nl. beide ouders zijn ook in die woonplaats
geboren. Om correct te kunnen vergelijken werd ook voor Genk enkel met
het eerste criterium rekening gehouden, waardoor de percentages
enigszins afwijken van die voor subgroep I uit paragraaf 9.
1De daarbij
gebruikte formule luidt: absoluut aantal items waarvoor dialect als
gebruikte taal opgegeven werd × 100 / totaal aantal items (=
aantal informanten uit die gemeente × 15).
|
|