|
|
|
| | | | | |
Boers en beschaafd in het begin der 17e eeuw.
Dialectstudie is voor een niet gering deel de studie van de taal der
boeren. De dialectoloog zal het dan ook als een buitenkans beschouwen, wanneer
hij zijn onderzoek historisch kan verdiepen door er boerentaal uit vroeger tijd
in te betrekken. In 1899 reeds heeft
J. te Winkel een beschrijving gegeven van de taal die
Huygens zijn boeren in de mond legt
1). De klankverschijnselen van deze taal vergelijkt
hij met de hem ter beschikking staande dialectopgaven uit
Delfland. Door zo te werk te gaan, kan men vast stellen, hoe lang
eigenaardigheden van een modern dialect reeds in een bepaalde streek bestaan,
doch zodoende krijgt men geen antwoord op de vraag: welke van de aldus gevonden
eigenaardigheden werden reeds toen als dialect, als onbeschaafd, gevoeld? Ik
zal trachten in dit opstel deze vraag voor de belangrijkste verschijnselen te
beantwoorden. Daartoe vergelijk ik de taal van Huygens' boeren, voornamelijk in
zijn
Hofwijck
2) te vinden, met
die waarvan hij zich elders in dit gedicht bedient. Om tot een meer algemene
uitkomst te geraken, betrek ik ook
Breeroo in het onderzoek. Zijn boeren zijn Bouwen
Lang-lijf en Sinnelijcke Nel in Griane en Dirck Thyssen in
de klucht van de Koe 3). Hun taal vergelijk ik
met die van de overige personen in de Griane. Verder maak ik nog gebruik van de
gegevens die
Kern (Ts. 48) over de taal van de brieven van Huygens'
zusters en
D. v. Dorp heeft gepubliceerd.
1. Beslist onbeschaafd, zowel voor Huygens als voor Breeroo, is de
gutturale nasaal > n + dentaal (ongse ‘onze’, wangt
‘want’ enz.), die zij hun boeren geregeld in de mond leggen, maar
elders niet gebruiken. Eén maal echter laat Br. zich de klank ontvallen,
als hij de keizerin(!) vanghden ‘bezoeken’ laat zeggen (blz.
132)
4).
2. Ook de ie < ai, die in de taal van beider
boeren, vnl. voor dentalen, geregeld voorkomt (ien ‘een’ enz.),
hebben zij beiden als onbeschaafd gevoeld. H. mijdt haar consequent
5) evenals zijn
zusters en D.v. Dorp, maar Br. heeft het nog niet zo ver gebracht. In rijmnood
neemt hij er wel eens zijn toevlucht toe: verlienen ×
dienen (blz. 117, 123, 178), verblieckte × siecte
(blz. 119). Een enkele maal heeft hij deze klank ook buiten het rijm:
wieck(e) ‘week’ (blz. 134, 169), blieck
‘bleek’ (blz. 149), kleinsierighe ‘kleinzerige’
(blz. 174). De Amsterdamse burger neemt hier dus een tussenpositie in tussen
den Haagsen hofambtenaar en den boer.
3. De ronding van ee tot eu in speulen, speulman,
speulkind, seuve, teughens, veul, deuse, heur, gewoon in de taal van zijn
boeren, geldt voor H. als onbeschaafd. Hij gebruikt spelen (1923),
spelers (2120), stenen (2753) ‘kermen’, deze
(passim). Kern noteerde echter speul-reis (Ts. 48, blz. 88). Ook die van
e en i tot u vermijdt hij steeds: spel (425, 2121),
silvre (1892).
Geertrui Huygens schrijft nog speule en
spul, doch zij schrijft de meeste huiselijke vormen (t.a.p., blz. 88),
wat ook duidelijk blijkt uit de verhouding tussen heur en haer
bij Geertrui, Constance en Dorothe. Br.'s boeren spreken evereens eu of
u: spuel, spuelen, duese (deuse), huer, even-
| | | |
vuel, tueg ‘tegen’; hum ‘hem’. Hijzelf
gebruikt ee: gespeelt (blz. 130) dese (passim), veel (blz.
110, 150, 155), haar (passim); hem (blz. 112). Met u
echter nog: vrunt (blz. 115), vruntschap (blz. 116); met ue:
huer (blz. 176).
4. Een tweede eu die H. zijn boeren in de mond legt, maar die
hij zelf als onbeschaafd beschouwt, is die, welke uit wg. ŭ in open
lettergreep was ontstaan. Voor de boerentaal geeft hij: keuningh, heunich,
weuningh, seun, seuntgie, deur (prep.), meuge(n), je
meught, meugh je, meughelick. Zelf gebruikt hij: koningh
(168, 485, 1976, 2149), honigh (2456), woont (1082), soon
(500, 1037), door (passim), mooght (1465), mogelick (77,
134). In de boerentaal zouden verder nog eu hebben: molens
(2794), noten (2813), gooten (1418). Het enige eu-relict,
dat ik ben tegengekomen, is één maal deur (6)
‘door’, dat vóór de r zijn eu misschien
langer heeft behouden. Ook C. heeft het één maal, terwijl D.
op speur ‘op 't spoor’ en op gespeurt gebruikt (Ts.
48, 89).
H. gebruikt de eu dus practisch al niet meer. In de
vervanging van de (onbeschaafde) eu, door de (beschaafde) oo gaat
hij zelfs nog verder dan wij nu zijn: hij schrijft doogen
‘deugen’ (170), weliswaar rijmend op meedoogen en dus
misschien met rijmnood te verklaren, evenals logen (489)
‘leugen’, rijmend op oogen, en verkroockt (658)
‘verkreukt’, dat niet in het rijm staat.
Br.'s boeren spreken ook eu: muegelyck, gy muecht, mueghen, vuer,
suen (zuen), seuntje, vueghel, kuenen ‘kunnen’,
keunt, eweunt, suendaeghs. Hij zelf vermijdt de eu lang niet zo
consequent als H. Uit rijmnood gebruikt hij meucht ×
ieuchdt (blz. 129), vuer × te luer (blz. 114), te
vueren × verstueren (blz. 129), muecht ×
duecht (blz. 135), duer × fluer (blz. 171). Buiten
het rijm staan echter: mueght (blz. 139), leughens (blz. 171); op
elkaar rijmend: vuer × duer (blz. 126). Evenals bij de
vervanging van ie door ee staat Br. dus een trapje lager in
beschaving dan H. Het is evenwel niet onmogelijk, dat H.'s voorkeur voor de
oo samenhangt met zijn Brabantse afkomst.
5. De ontronding van u tot i en e (stick,
bepockpet) in de taal van zijn boeren zal voor H. ook onbeschaafd zijn
geweest. Hij gebruikt stuck (1954); put heb ik niet aangetroffen.
Ook Br.'s boeren ontronden; zelf gebruikt hij stucken (blz. 125,
163).
6. De in zijn boerentaal gewone i in him, bin en
mit gold voor H. als onbeschaafd: hij gebruikt deze vormen nooit. Br.
gebruikt bin alleen in het rijm: × min (blz. 115), ×
keyserin (blz. 124).
7. De o < a in brocht, ebrocht, docht, bedocht,
erocht, softer, of, sop uit de taal van zijn boeren wordt door H. vermeden.
Toch komen -brocht en -docht bij hem nog al eens voor, vooral in
het rijm. Buiten het rijm vindt men volbrocht (52), docht (1321,
1849, 1983). Misschien behoort hierbij ook zopp ‘spijs’
(253). Br., wiens boeren ook o spreken, gebruikt eveneens docht
(blz. 159) en brocht (blz. 181), naast de vormen met a. De
o is dus wel onbeschaafd voor beiden, maar de strijd er tegen is nog
niet beslist.
8. Het is niet onmogelijk, dat de door
Te Winkel genoemde vormen ‘rocken’
‘rukken’, borger ‘burger’, lock
‘geluk’ voor H. onbeschaafd hebben geklonken. Hij gebruikt elders
alleen u in geluck, geluckelick, luckte. De beide andere woorden
ben ik in
Hofwijck niet tegengekomen. Toch geldt voor H. de
o in een aantal woorden, waarin het tegenwoordige | | | | beschaafde
Nederlands u heeft, nog niet zonder meer als onbeschaafd. Hij gebruikt
nl: konnen (729) ‘kunnen’, locht (passim)
‘lucht’, konst (passim) ‘kunst’,
konstelick (1017), verdobbelt (305) ‘verdubbeld’,
dobbel (1281, 2563), gonde (1047) ‘gunde’,
jock (1269) ‘juk’, drop(pen) (1445)
‘druppel(s)’, droppeltjens (1994). Naast locht
gebruikt hij ook lucht (1027, 1508; beide keren in rijm op vaste
u-woorden), naast gonde: gunde (1571) en van dezelfde stam
gunst (1396, 1860), gegunt (1405, 2034), naast konst:
kunst (1955, 2600, 2603). In plaats van het nog heden dialectisch
voorkomende plokt, plokken schrijft H. al pluckt, plucken (1391),
terwijl hij ook schuppen (472) ‘schoppen’ (plur.) heeft. De
vervanging van o door u is dus een proces, dat voor H. nog niet
is afgelopen.
Uit Br. tekende ik voor de boerentaal drock aan; meer woorden
die het verschijnsel konden vertonen, heb ik niet gevonden. Zelf gebruikt hij
ionst (blz. 156 echter jun 1 p.s.), konnen (elders
kunnen), gelocken (blz. 113; × betrocken),
bockt (blz. 129) ‘bukt’, bewijskonst (blz. 154;
elders kunst), knoflen (blz. 169) ‘knuffelen’. Ook
hij heeft dus nog geen beslissende keuze gedaan.
9. De ou < wg. û komt bij H.'s boeren
geregeld voor, maar bij hem zelf evenzeer, nl. in: rouw(e) (83,
148) ‘ruw’, stouwt (286) ‘stuwt’, louwer
(316) ‘luwer’, louw (416, 1982) ‘luw’,
grouwelick (448), verdouwen (173) ‘verteren’ (×
bouwen), grouwel (1221, 1583), schouw (1519)
‘schuw’, douwen (1737) ‘duwen’ (×
bouwen). Hem klinkt de ou dus stellig niet onbeschaafd. Ook zijn
zusters en
D. v. Dorp hebben er verscheidene voorbeelden van. Bij
Br. is de toestand anders. Uit de taal van zijn boeren kon ik slechts
nou ‘nu’, duwen en gruwt aantekenen. Zelf
heeft hij een voorkeur voor u: nu, schuw(e) (blz. 113, 154, 156),
Wuw (blz. 139) ‘Wouw’ (vogelnaam; × u),
gruwelyck (blz. 169), spuw (blz. 169), huw'lycksche (blz.
181), huwen (blz. 181). Daartegenover: waarschuow (blz. 112),
behoude (blz. 117) ‘behuwd’, houwelyck (blz. 152),
schouwen (blz. 171) ‘schuwen’ (× trouwen),
houw'lijcksche (blz. 180). Zoveel is wel zeker: ook de verhouding ou:
u is in het begin der 17e eeuw nog niet geregeld. De lagere waardering van
ou is waarschijnlijk nauwelijks begonnen.
10. Even weinig onbeschaafd zal H. de ie < iu
hebben geklonken, die men in de taal van zijn boeren door bestieren, bediet,
dierte, vier en vierig geboekstaafd vindt. Hij gebruikt zelf:
bestieren (462; × clauwieren), stierluy (829),
bestier (1042, 1268; 1855 × gesoupir), stieren
(1650) vier (755 × papier; 762, 763), vieren (1617
× dieren). Daarnaast echter duydt (521), beduyden
(674 × luyden), beduydt (679). Het aequivalent van
dierte ben ik in Hofwijck niet tegengekomen. In de taal van Br.'s boeren
heb ik alleen vier-yser gevonden, geen andere woorden waarin men
ie mag verwachten. Hij gebruikt de ie zelf nog vaak:
vier-bake (blz. 138), stierden (blz. 158), dier (blz. 162,
165), vier (blz. 163, 171) of vyer (blz. 174), bestieren
(blz. 122, 180; beide keren × manieren), vierich (blz. 127;
× eergierich). Daarnaast echter bestuuren (blz. 121 ×
muren; blz. 129 × natuure), nuwe (blz. 141),
stuurloos (blz. 164), duure (blz. 164). Ook de vervanging van
deze ie is dus nog maar nauwelijks begonnen.
11. De verkorting van ô tot o in most
‘moest’, door
Te Winkel als een kenmerk van de taal van H.'s boeren
vermeld, is nog niet onbeschaafd. Zowel H. als Br. gebruiken de vorm
geregeld.
12. Te Winkel wijst ook op het bewaren van a < wg.
ă voor r + gutt. (arg, starck) en de ontwikkeling van
a < wg. ĕ voor r + dentaal in de | | | | boerentaal. H. vermijdt deze a en gebruikt met voorliefde
e ook daar waar het algemeen beschaafd nu a heeft. Bijv.:
vercken (423, 427), herte × smerte (433/34),
dwers (470), perten (545), werren (570)
‘warren’, herden (670) × gewerden, merckt
(1191), doorwerrt (1276) ‘verward’, verwerdden
(1319), dertelheid (1378), spertelingh (1504), swert
(1531) enz. Juist om deze vormen, die een veel verder gaande neiging in de
richting van e vertonen dan het latere beschaafde Nederlands, acht ik
het onwaarschijnlijk, dat H. hier de a vermijdt omdat hij die
onbeschaafd vindt. Liever verklaar ik ze als een gevolg van H. Brabantse
afkomst, want de e zal reeds toen, evenals nu, Brabants zijn
geweest.
Te meer neig ik daartoe omdat Br. deze voorliefde voor e mist
en zowel voor zich als voor zijn boeren nu eens e dan weer a in
deze woorden schrijft. Voor Br. zijn de vormen met a stellig niet minder
beschaafd geweest dan die met e, getuige marckt (blz. 124),
warden (blz. 126) × volharden, varre (blz. 126)
‘ver’, hart ‘hart’ (passim) e. a. meer.
De o in vors ‘vers’, kors
‘kers’, dworse ‘dwarse’, overdwors,
borste ‘barsten’, te landword ‘op het land’
zal H. wel onbeschaafd hebben geklonken, want hij mijdt hem consequent, terwijl
de o in deze woorden, in tegenstelling met de a hierboven,
althans in de woorden met metathesis, toch ook Brabants is
1). Hij schrijft dwers (470), ternen (1379)
‘tornen’, bersten (1463), schaeckberd (1969),
geperst (1594), te landewaert (2182). Ook Br. wacht zich voor de
o: varsche (blz. 146), barsten (blz. 113), geparst (blz.
152).
13. Be ontwikkeling van d tot j en w na
homorgane vocaal wordt door
Te Winkel ook als een kenmerk van de taal van H.'s
boeren genoemd. Zij is H. stellig niet onbeschaafd voor gekomen, daar hij er
zelf verscheidene voorbeelden van heeft, d < w: verouw' (24)
‘veroudere’ × bouw, houw (147) × rouw,
onthouwen (414) × vrouwen, verouwen (494) ×
vrouwen en buiten het rijm: houw ‘houd’ (417, 419,
753, 1398, 2116). d < j: Zuyen (293, 1613) × buyen,
gescheyen (1578) × beschreyen; scheyingh (806). Opmerkelijk is
noyde (1009) ‘nodigde’, genoyt (1695),
ongenoyt (2647) met j < d na heterorgane vocaal.
Ook Br.'s boeren spreken wel w en j < d na
homorgane vocaal: houwen ‘houden’, ik houwer
‘houd er’, wyer ‘wijder’, huye-nochtent,
beduyen. Zij kennen ook apokope van d: roo-bonte, goe
‘goed’. Zelf gebruikt hij houwen (blz. 116), ophouwen
(blz. 127) × vrouwe, houwen (blz. 152) × vertrouwen,
verhouwt (blz. 164) ‘verbergt’. [In het laatste voorbeeld kan
de w wel alleen spellingverschijnsel zijn]. Ook Br. geeft dus geen
aanleiding om de j en w < d als onbeschaafd te
beschouwen voor het begin der 17e eeuw.
14. Te Winkel geeft verder nog een aantal voorbeelden van
assimilatie uit de boerentaal. Ze komen in het geschreven
beschaafde Nederlands van H. natuurlijk veel minder voor, maar het is
waarschijnlijk dat ze in het spreken bij hem ook veelvuldig
voorkwamen. Immers vormen als kost ‘kon’ (passim),
hiel ‘hield (87, 98, 1967), lest ‘laatst’ (167,
181, 299, 400), spell ‘speld’ (515), laeste
‘laatste’ (763), onbegost ‘onbegonnen’ (1944)
× kost, gins (1283, 2759) vindt men ook in zijn schrijftaal. Bij
Br. treft men in de taal van zijn beschaafd sprekende personen dezelfde vormen
aan. | | | |
Uit dit overzicht blijkt in de eerste plaats, dat de afstand tussen
beschaafd en boeren-Hollands in het begin der 17e eeuw nog klein is. In de
meeste gevallen komt men niet verder dan het constateren van een meer of minder
sterke tendentie tot het vermijden van bepaalde klanken. Waarschijnlijk zal die
afstand zelfs nog wat kleiner zijn geweest dan het hier meegedeelde materiaal
doet vermoeden. Immers tussen het geschreven beschaafde Hollands,
dat ter vergelijking werd gebruikt, en de beschaafde spreektaal
zal ook wel verschil zijn geweest.
In de tweede plaats zijn er verschillen tussen het beschaafd van H.
en van Br. aan het licht gekomen, die bij de vraag naar het beschaafde Hollands
in het begin der 17e eeuw al dadelijk een onderscheiden van taalkringen
wenselijk maken. Een nauwkeurige kennis van deze taal-kringen zou stellig licht
werpen op de herkomst en verspreidingswijze der beschaafde klanken.
Rotterdam, October 1943.
B. van den Berg.
|
1)Ts. 18, blz. 161 v.v. Te Winkel noemt dit
dialect ‘Delflands’, Kloeke (Ts. 57, blz. 29) spreekt liever van
‘Haags’.
2)Editie Dr. H.J. Eymael.
3)Editie Dr. J.A.N. Knuttel, Werken van G.A. Brederode, dl. I.
4)De vraag of Huygens met zijn ng
slechts de taal der Amsterdamse kluchten navolgt (Kloeke, Ts. 57, blz. 39) kan
hier buiten beschouwing blijven.
5)Het praet. hiet (161, 163, 718,
1900) heeft een andere ie dan de hier bedoelde.
1)Zie mijn ‘Oude Tegenstellingen op
Nederlands Taalgebied’, Hoofdstuk VII en de er bij behorende
kaart.
|
|