Noordelijk Oostergo. Ferwerderadeel


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Ferwerderadeel. Staatsuitgeverij, Den Haag 1981


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 145]

Hallum

De dorpsnaam komt niet voor in de Fuldalijst, maar wordt voor het eerst vermeld in de 13e-eeuwse Vita Fretherici (Gesta Abbatum Orti S. Marie). Fragmenten van de kerk, uit het eind van de 11e eeuw behoren evenwel tot de oudste in noordoost Friesland.

Een aantal typerende kenmerken van het terpdorp zijn in de ruimtelijke structuur van dit dorp aanwezig (afb. 148 en 149). Dit is in de eerste plaats een ringweg rond het kerkhofterrein. Ook de lager gelegen ringweg is hier aanwezig; het beloop daarvan is echter wat hoekig. Dat is wellicht veroorzaakt door de ligging van de Offingaburg, waarvan het terrein, voor zover dat aan de hand van het kadastrale minuutplan kan worden bepaald, gedeeltelijk op de dorpsterp heeft gelegen. De ligging van deze burg binnen de ringweg en die van de staten Goslinga en Sythiema daar buiten, wekt de indruk dat de twee laatst genoemde in oorsprong van jonger datum zijn, aangelegd nadat het terpterrein al grotendeels volgebouwd was.

Voorts kunnen resten van een radiale structuur worden teruggevonden in het beloop van een aantal straatjes en steegjes.

Het zwaartepunt van de bebouwing ligt op en tegen het zuidwestelijke deel van de terp, welke situatie veroorzaakt is door de aanleg van de trekvaart en de haven (ca. 1650), waarvan nu overigens ook het laatste deel gedempt is.

De vorming van een havenbuurtje is op de kaart van Schotanus (1682) reeds waar te nemen. In het midden van de 18e eeuw wordt Hallum dan ook een ‘groot en volkrijk’ dorp genoemd (W.A. Bachiene, Vaderl. Geographie, A'dam 1791, 1286). Het zal in die tijd een groot deel van het agrarisch karakter verloren hebben.

Door de ligging op korte afstand van Leeuwarden zijn in de afgelopen decennia in dit dorp als ook in Marrum en Ferwerd enkele nieuwe woonwijken tegen de oude kern tot stand gekomen.

In het uiterste zuidwesten van de gemeente en deels in Leeuwarderadeel ligt de buurt De Leije; een lintbebouwing aan de kruising van een vaart en een weg. Op de Schotanuskaart van 1682 staat hier reeds bebouwing aangegeven.

[p. 146]



illustratie

Afb. 148. Copie van het kadastrale minuteplan omstreeks 1832. Schaal 1:7500.


[p. 147]



illustratie

Afb. 149. Luchtfoto schaal 1:6500. Opname april 1973.


[p. 148]

Het kerkgebouw

Hervormde kerk

De Hervormde kerk en toren staan aan de noordzijde van het dorp op een ruim omheind kerkhof. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente, de toren sedert 1877 eveneens (afb. 150, 151 en 154-188).

Litteratuur

r.v.a. 1, 105, iii, i; Benef. 144; r.v.g.o. 85; Van der Aa V, 102; Wumkes 11, 22, 191, 406; Gesta Abbatum Orti S. Marie, 174; Register op de Openbare Werken in de provincie Friesland 1803-1813, door C.B. Menalda, Leeuwarden 1969, 33; Bull. k.n.o.b. 1978, 104.

Bronnen

Kerkvoogdijrekeningen 1674-1878, r.a. Leeuwarden; h.s. Cannegieter, p.b. Leeuwarden.

Afbeeldingen

Tekening door J. Stellingwerf 1723; tekening van P.I. Portier eind xviiie eeuw, Waterput bij Hallum, met op de achtergrond de toren van Hallum zonder spits, beide in coll. Fries Museum (afb. 155 en 228).

Geschiedenis

Volgens het handschrift Burmania zou de patroonheilige van de kerk S. Maarten zijn. In 1580 wordt eenmaal S. Anna tot Hallum vermeld (r.v.g.o. 85), volgens Reitsma een prebende altaar. In het leven van de Z. Frederik van Hallum, eerste abt van Mariëngaarde, komt het verhaal voor, dat de ingezetenen van Hallum in onderlinge strijd verwikkeld, zich in de kerk terugtrokken, waarbij een van de strijdende groepen vuur op de kerk wierp, zodat deze in vlammen opging. De kerk werd daarop herbouwd. Dit vond plaats voordat Frederik Mariëngaarde stichtte in 1163.

In 1511 en 1540 zijn er drie geestelijken te Hallum, de pastoor, de prebendarius en de sacristijn; in 1580 worden bovendien nog kosterijgoederen vermeld. In 1550 waren de bewoners van de ‘Flieterpen en Eesitteren’ verplicht mede te werken aan het graven van de kerkhofsgracht te Hallum (van Buijtenen, Dorp 106).

Van der Aa meldt, dat de toren van Hallum stomp was, d.w.z. een zadeldak had, zoals Stellingwerf hem ook afbeeldt. Blijkens een tekening van P.I. Portier (afb. 228) miste de toren echter een dak. In 1804 wordt er veel tufsteen van de ingestorte toren verkocht (Wumkes). Blijkens de goedkeuring door de Staten d.d. 9 mei 1805 is de tekening van de nieuwe toren gemaakt door Yge Simons, timmerman te Grouw.

De kerkerekeningen bevatten een schat aan gegevens en namen. Eind 17e eeuw is Douwe Jansz Wartena, leidekker en schepen van Leeuwarden, bezig met het onderhoud van het leien dak; in 1680 werd de ‘cleyne toren’ aanbesteed. Daam Ritscher en zijn compagnon zijn aannemers van de toren, waarvan de kosten over vijf jaren worden verdeeld. In 1681 wordt het leiwerk aan het kleine torentje betaald aan Jan Douwes Wartena. Als leidekker werkt sedert 1732 P. Simons Mellema te Leeuwarden. In 1757 gaat er meer dan 300 gld. aan arbeidsloon in de toren zitten; de steen betrekt men van het tichelwerk te Wijns. Ook krijgt het uurwerk nieuwe wijzers. In 1787 wordt er opnieuw veel materiaal aan de toren verwerkt. Na het instorten, waarover de rekeningen zwijgen, vinden we in 1805 voor reparatie van de kerk 4790 gld. betaald aan Wybe Annes, mr. timmerman te Anna Parochie. In 1863 wordt een buitengewone reparatie van kerk en pastorie verantwoord volgens bestek van architect B. Gelders. Aan de gemeente geeft de kerkvoogdij in 1865 een subsidie voor herstel van de dorpstoren waarvan het eigendom in 1877 aan de kerkvoogdij komt. In 1876 tenslotte is een ijzeren hek rond de begraafplaats gemaakt volgens tekeningen van J. Douma (zie ook Wumkes ii, 406).

Orgel

Eind 17e eeuw komt de naam van Harmen Jansz. te Berlicum voor inzake reparatie aan het orgel. In 1738 is dat M. Swartsburg, waarna in 1750 A. Hintz optreedt als zodanig. Hoewel F.C. Schnitger in 1762 het orgel stemt, krijgt A. Hintz in 1766 opdracht een nieuw orgel te bouwen. Klaas de Jong te Leeuwarden maakt het snijwerk ‘voor de pijpen in het nieuw orgel’, C. van den Berg daarentegen te Leeuwarden ontvangt 91 gld. voor het maken van de wapens en snijwerk aan het orgel, terwijl A. Swalve drie snijstukken boven op het orgel maakt en voor de harp van David koperdraad gekocht moet worden; de schilder wordt betaald voor het verven en vergulden van de drie stukken op het orgel. In 1771 komt F.C. Schnitger het orgel weer stemmen, sedert 1779 afwisselend met A. Hintz. In 1801 stemt L. van Dam, waarna in 1805 aan A. van Gruisen een nieuw orgel in eerste termijn wordt betaald. Vervolgens vraagt men afwisselend van Dam en van Gruisen voor de jaarlijkse beurt van het orgel waarna in 1845 Hardorff daarvoor betaald wordt, die in 1870 een nieuw pedaal en twee nieuwe handklavieren levert.

Aan belangrijke posten inzake het interieur zijn de volgende zaken te vermelden. In 1732 aan P. Faber ijzerkramer te Leeuwarden 256 gld. voor een kerkekroon wegende 214 pd.

[p. 149]

In 1743 nieuwe blakers tegen inlevering van oude. De nieuwe preekstoel is in 1773 vermeld; de panelen zijn gesneden door Dirk Emderveld, evenals de engel op de kap. Voorts sneed hij 29 vaasjes op de vrouwe- en mannebanken en nog eens 18 vaasjes.

Twee koperen armen en 8 blakers vinden we in 1774 verantwoord, wanneer er tevens boelgoed gehouden wordt van de oude banken.

In 1781 levert T. Pluimker te Leeuwarden ‘een koperen draaiarm en stander met twee koperen blakers en pijpen op het hek in de kerk bij de lessenaar’.

Na de ramp van 1804 zien we dat G. van der Wielen te Leeuwarden twee ‘blauwe basementen levert onder de pilare in het peischut van de voorkerk’ en S. Feddema, beeldsnijder te Leeuwarden, twee kapiteelstukken aan de pilaren van het peischut. De gewone banken en de lambrizering worden in 1817 geverfd en geglansd waarna in 1858 kerk, orgel en voorkerk nog een beurt krijgen. In 1825 tenslotte vinden we een nieuw doopbekken verantwoord.

Volgens Wumkes is de toren in 1843 hersteld. In 1972 heeft de toren een restauratie ondergaan. Volgens Cannegieter zou in 1785 de consistorie als ‘corps de garde’ zijn benut, een benaming die nog in zwang is.

Een nieuwe pastorie wordt verantwoord in 1774 en opnieuw in 1825.

Beschrijving

De kerk bestaat uit een rijk gedetailleerd bakstenen schip met een vijfzijdig gesloten koor, waarvan de sluiting uit machinale steen vernieuwd is. Schip en koor worden door afgeschuinde steunberen van kleine steen in traveeën gedeeld; aan de koorsluiting staan zware lisenen. Ter weerszijden van het schip staan bij het begin van het koor aanbouwen, waarvan die aan de noordzijde door een tentdak gedekt is, dat in een naaldspits eindigt; de zuidelijke aanbouw sluit met een zadeldak tegen de kap van het schip. Aan de westzijde verrijst de in 1805 herbouwde toren (afb. 154).

Materiaal

De schipmuren bestaan tot de tooggeboorte der vensters uit geelrode baksteen formaat 28-30 × 9-10 cm, 10 lagen 105 cm in verband van twee strekken een kop. Hogerop is secundair tufsteen gebruikt waarin tamelijk grote stukken voorkomen. De muren zijn afgesloten door een bakstenen rondboogfries, waarboven enige lagen kleine steen.

De twee koortraveeën bestaan uit secundair toegepaste gele baksteen, formaat 30-31 × 9-10 cm, 10 lagen 99 cm. Aan de noordzijde is de oostelijke helft van de laatste travee nogmaals uit afbraak herbouwd, aan de zuidzijde is het venster in de tweede travee geheel ommetseld met machinale paarsrode steen, waaruit ook de koorsluiting bestaat.

De noordelijke uitbouw bestaat gedeeltelijk uit tufsteen dat aan de basis van de noordgevel in grote staande platen verwerkt is (59-70 × 33-36 × 11 cm). Daarboven aan de noord- en westgevel een strook van vier lagen baksteen in kettingverband; hogerop is de baksteen secundair verwerkt. Aan de zuidelijke aanbouw is volgens een aantekening uit 1946 aan de oostzijde tufsteen verwerkt; door begroeiing is thans niet meer te zien dan hier en daar tussen het secundair verwerkte grote baksteenwerk kleine stukken tufsteen. De muren zijn verhoogd in rode baksteen die ook secundair is toegepast.

Toren

De toren, gemetseld uit kleine bruinrode steen 20 × 4,3 cm, 10 lagen 50 cm, bestaat uit drie weinig versneden geledingen, in de bovenste waarvan aan elke zijde twee door een brede dam gescheiden en segmentbogig gedekte galmgaten staan. Hij is bekroond door een hoge van vier naar achtzijdig overgaande naaldspits. Aan de westzijde is een rondbogige geprofileerde ingang waarboven een cartouche met opschrift omtrent de functie van de toren als tijdaanwijzer en ingang van de kerk; het zou volgens Van der Veen gemaakt zijn door de schoolmeester Einke Sytses de Vries.

Tijdens een bodemkundig proefonderzoek in 1978 door de Rijksdienst voor het oudheidkundig Bodemonderzoek is gebleken dat de toren op een fundering rust, die uitwendig uit kloostermoppen bestaat. In de toren staat een eikehouten klokkestoel van drie hoge jukken, vermoedelijk nog 17e-eeuws.

Schip

Schip en koor zijn verdeeld in zes gelijke traveeën (afb. 150-151). Ten westen van de meest westelijke steunbeer zet het muurwerk zich aan de noordzijde nog een meter voort, voordat de nieuwere westelijke vleugelmuur daar tegenaan is gewerkt. Daar is een liseen te zien die door de jongere steunbeer grotendeels wordt afgedekt (afb. 156). Aan de zuidzijde is dit gedeelte met jongere steen bemetseld na de ramp met de toren. Het ziet ernaar uit dat het schip zich verder westwaarts heeft uitgestrekt. Bij een vluchtig bodemonderzoek was ten westen van de toren een bedding van tufsteenpuin te zien breder dan de toren en volgestort met grond vermengd met baksteenpuin.

De plaatsing van de vensters is zeer regelmatig en houdt geen rekening met de aanbouwen.

[p. 150]



illustratie

Afb. 150. Hervormde kerk en toren. Aanzicht van de noordgevels en profileringen van vensters en ingang. Getekend 1978 naar opmeting 1976 en wat betreft de toren naar opmeting bureau Vegter 1972.


[p. 151]



illustratie

Afb. 151. Hervormde kerk en toren. Plattegrond en doorsnede over de aanbouwen. Getekend 1978 naar opmeting 1976.


[p. 152]

Ze staan in van de grond af opgaande nissen die geprofileerd zijn met een hol en een kraal. Blijkens het eerste venster noordzijde liep er oorspronkelijk langs de glassponning nog een zijmontant met kraal. Het derde venster aan de noordzijde is in de 16e eeuw verbreed en van een afgeschuinde dagkant voorzien, opgemetseld uit afwisselend een laag rode en twee lagen gele steen. De overige schipvensters hebben langs de boog nog een kwartholprofiel. Het eerste koorvenster heeft deze versiering niet, doch vertoont binnen de kraal een extra samengesteld holprofiel ook alleen aan de kop. Het tweede koorvenster is slechts aan de noordzijde middeleeuws en heeft behoudens de profilering als het eerste koorvenster, aan de buitenzijde een peerkraalmotief dat omgaat langs de gehele vensterhoogte. Of de nis hier aanvankelijk ook van het maaiveld af opging is niet geheel duidelijk op de foto te zien. Thans staat er een aanbouw voor en is de muur afgepleisterd.

Het muurwerk is afgesloten door een boogfries bestaande uit twee in vorm gebakken stenen per rondboogje; de boogjes rusten op bolgeprofileerde consolestenen. Het fries loopt achter de bekapping van de aanbouwen fragmentarisch door. Ten oosten van het 16e-eeuwse venster ontbreekt een gedeelte fries.

De ingangen staan in de eerste schiptravee; aan de noordzijde loopt langs de doorgang een holprofiel dat de kraal van de nis vervangt. In de tweede travee zijn sporen te zien van een vroegere ingangsboog. Aan de zuidzijde is de ingang rondbogig en gevat in het metselwerk van 1805.

Noordelijke aanbouw

De noordelijke aanbouw is in aanleg uit tufsteen opgebouwd en daarna herhaaldelijk verhoogd en gewijzigd (afb. 156-158). Het tufwerk bestaat uit kistwerk tussen staande platen tufsteen, afgewisseld met een tot drie ankerlagen en is aan de noordgevel nog te zien tot ongeveer 3,5 m hoogte. Daarboven loopt een strook regelmatig tufwerk waarboven een sterker verweerde geveltop. Aan de westgevel is het tufwerk onderaan bemetseld met kleine baksteen; onder het maaiveld zet het zich als kistwerk voort tot aan de fundering, die uit drie lagen tufsteen bestaat. Boven de reparatie is het muurwerk regelmatig en bevat het de moet van een rondboogvenster en de met baksteen gedichte moeten van twee muurankers (vgl. blz. 154 grafmonument).

Het tufstenen werk staat aan de schipzijde tegen een restant van een tufstenen oost-west-lopende muur, waarvan het breukvlak dichtgezet is met platen tufsteen, die kennelijk bij afbraak vrijkwamen. Bodemonderzoek bracht de grondverbetering in zicht van de voortzetting van deze muur in westwaartse richting tot de meest westelijke steunbeer. Het regelmatige tufsteenwerk van de westmuur vertoont bij de hoek een liseen, die naar het ons voorkomt ontstaan kan zijn bij verbetering van het tufwerk van de aangrenzende noordgevel. Aan de oostgevel loopt het oudste tufwerk om tot een verticale bouwnaad, die de aanzet betekent van een voormalige absis. De muurdikte tekent zich nog af in het bestaande muurwerk. In de bodem was het puinspoor aantoonbaar. Na afbraak van de absis is het muurwerk bemetseld met herbruikte grote baksteen; men kan daar dan ook niet meer zien of het evenals aan de westzijde tegen een ouder muurfragment is opgetrokken. De bodem is daar verstoord door een hemelwaterreservoir. Wel blijkt inwendig een brok muurwerk bewaard te zijn van gelijke afmeting als in de westelijke hoek, waar het zich inwendig door scheurvorming aftekent.

Het tufsteenwerk van de aanbouw is aan de westgevel verhoogd door vier lagen rode baksteen van groot formaat en in verband van twee strekken afgewisseld door een kop. Dit baksteenwerk loopt evenals het tufsteenwerk met een loodvoeg tegen de voormalige tufstenen noordmuur. Ook aan de noordgevel zien we een verhoging van baksteen, die hier lichter van kleur is en afgesloten wordt door een klimmend boogfries van gelijke boogjes als waarmede de bakstenen noordmuur is afgesloten. Het boogfries begeleidde eens een trapgevel blijkens loodvoegen van telkens vijf lagen. Daarboven is het muurwerk verhoogd uit afbraak baksteen, evenals aan de west- en oostgevel, waar de verhoging ‘koud’ aansluit op het bakstenen werk van de tegenwoordige noordgevel van het schip. In de noordgevel van de kapel staat een groot spitsboogvenster, dat het klimmende boogfries doorbreekt. Eronder is ooit een ingang geweest, die met tufsteen is dichtgezet. Het venster kan blijkens de afwisselende lagen rode en gele baksteen in de dagkant 16e-eeuws zijn, en later verhoogd onder verstoring van het boogfries. Het heeft een bakstenen tracering gehad tot in de top.

Zuidelijke aanbouw

Ook aan de zuidzijde staat tegen de vierde travee een aanbouw, die bij ongeveer gelijke breedte de helft dieper is en waarvan de muren slechts 63 cm dik zijn (afb. 159 en 160). Voor zover waar te nemen achter de zware klimopbegroeiing bestaat het muurwerk aan

[p. 153]

de oostzijde tot ongeveer 2,5 m uit afbraakmopsteen waartussen tufsteen is toegepast.

Daarboven lopen vier lagen regelmatig baksteenwerk waartussen enkele stukjes tuf. Deze strook loopt bij de zuiderkoormuur tegen een loodvoeg, 1 m uit de hoek, en aan de zuidzijde tegen een onregelmatige verdikking van het muurwerk op ruim 2 m uit de hoek.

Daar het niet toegestaan was bodemonderzoek te doen aan deze zijde van de kerk, kunnen we slechts veronderstellen dat de muurverdikking met een afgebroken absis te maken heeft, die dan verder zuidwaarts zou gestaan hebben dan aan de noordelijke aanbouw. In de zuidgevel tekent zich vaag een topgevel af aansluitend bij een muurhoogte, waarin zich de verdikking bevindt. De zuid- en westgevel bestaan uit afbraak mopsteen; de oostgevel is met afbraak rode baksteen verhoogd. In de zuidgevel is een hoog spitsboogvenster als aan de noordzijde. Tegen de westgevel staat een late aanbouw. De balklaag onder de kap rust op stijlen en korbeels met sleutelstukken met peerkraalprofiel. Later is daaronder een grenen tongewelf aangebracht.

Schip en koor, inwendig

De muren zijn verankerd door trekbalken, waarop een verbrede voorlijst, vanwaar het korfbogige tongewelf opgaat (afb. 161). In de noord- en zuidmuur zijn brede flauwe spitsbogen als doorgang naar de aanbouwen. Zij zijn met houten schotwerk gedicht. De kap bestaat uit twee gedeelten, die apart gemerkt zijn. Beide delen bestaan uit een normaal stapelspant met een geschoorde makelaar ter ondersteuning van de haanhouten. De nokgording is later aangebracht. De jukken over het koor zijn gemerkt van 1 t/m 4, waarbij nr. één ter plaatse van de oostmuur van de aanbouwen staat. Het vijfde spant is vernieuwd. Over het schip zijn de spanten gemerkt van 1 t/m 6, van oost naar west tellend. De laatste twee spanten aan de westzijde zijn vernieuwd bij de vernieuwing van de toren. De kap van de zuidelijke aanbouw vertoont gelijke merken als de kap over het koor. De kap over de noordelijke aanbouw is 17e-eeuws.

Bouwgeschiedenis

Het oudste gedeelte van de kerk van Hallum is de noordelijke aanbouw. Deze had aan de oostzijde een absis en was, zoals we zagen, opgetrokken tegen een noordelijke schipmuur, waarvan twee fragmenten ingemetseld over zijn en waarvan het beloop in de grond was waar te nemen tot de meest westelijke steunbeer. Ook de verhoging van het muurwerk van de aanbouw bestaande uit vier lagen baksteen, sloot nog aan op de oude tufstenen noordmuur. Binnen deze noordmuur werd een bakstenen kerk gebouwd, blijkens de detaillering van de nissen in de tweede helft van de 13e eeuw.

Toen men boven het aanwezige muurwerk uit was gekomen, gebruikte men de afbraak tufsteen van de oude kerk en sloot het muurwerk af met een rondboogfries. De topgevel van de noordelijke aanbouw werd met een gelijk boogfries afgesloten en kreeg een trapvormig beloop. Vragen wij ons af waartoe de verhoging of verbetering met vier lagen baksteen gediend kan hebben, dan komt de brand van omstreeks 1155 in aanmerking. Na een brand kan het muurwerk verbeterd zijn met enkele lagen om opnieuw overkapt te worden. Voor de noordelijke aanbouw komt dan een bouwdatum in aanmerking in de eerste helft van de 12e eeuw bij een bestaande tufstenen kerk van omstreeks 1100.

De laat 13e-eeuwse kerk was blijkens de regelmatige plaatsing van de traveeën en vage moeten waarschijnlijk in steen overwelfd. Evenals aan de abdijkerk van Mariëngaarde zal het gewelf in de 16e eeuw vervangen zijn door een hogere houten dekking. De eiken kap kan uit die periode dateren; onder de kap is een grenen tongewelf aangebracht. Het meest oostelijke venster aan de noordzijde van het koor heeft een afwijkend profiel en staat in afwijkend muurwerk. Waarschijnlijk is het een restant van een 14e-eeuwse vernieuwing van de koorsluiting. Mogelijk had de kerk een atrium of voorhal, als de abdijkerk van Mariëngaarde; een schip dat zich tot voorbij de tegenwoordige toren uitstrekte lijkt namelijk erg lang. De aanbouw aan de zuidzijde lijkt jonger dan die aan de noordzijde, een absis is dan minder waarschijnlijk. De kap over de noorderkapel is volgens de rekeningen rond 1680 vernieuwd. Tegen de westmuur bleef het grafmonument van Aebinga staan dat Cannegieter nog beschrijft en waarop de sporen van ankers in de buitenmuur kunnen wijzen. De koorsluiting is omstreeks 1865 vernieuwd, toen de kerk ook een houten vloer kreeg.

Inventaris

De kerk bezit:

Preekstoel

Preekstoel met zeszijdige kuip waarvan de hoeken gevormd worden door voluutpilasters, waarop aan de voorzijde de evangelisten zijn gebeeldhouwd met de hen symboliserende engel en dieren aan hun voeten (afb. 166). Op de panelen gekruiste takken. Bijbehorende trap met spijlen in de vorm van twee flauwe C-voluten; achterschot met dergelijke voluten aan de klauwstukken, klankbord waarop gebeeldhouwde engelfiguur met banderolle in de hand; terzijde twee gevleugelde puttokopjes. Blijkens de rekeningen zijn de panelen en de

[p. 154]

engel op de kap in 1773 gesneden door D. Emderveld. Men kan aannemen dat ook de figuren van de evangelisten van zijn hand zijn.

Doophek met spijlen als aan de trap van de preekstoel en opengewerkt gedeelte aan het hekje en vaasjes boven de stijlen xviiic.

Aan de preekstoel een koperen ring (1773) met doopschaal, in 1815 vernieuwd volgens rekening.

Orgel

Tegen de westzijde op een galerij groot orgel met rugpositief (afb. 161 en 162). Onder het rugpositief lambrequin waarin putti zweven; op het rugpositief in het midden koning David en terzijde telkens twee musicerende putti. Op de kast van het hoofdwerk gesneden figuren van Geloof, Hoop en Liefde. Het orgel is blijkens de rekeningen in 1806 gebouwd door A. van Gruisen nadat het Hinsch-orgel uit 1766 door het instorten van de toren vernield was. Dispositie bij J. Jongepier, Frieslands orgelpracht i, Sneek 1970.

Orgelgalerij

De afsluiting van de orgelgalerij, het zg. peischut, werd blijkens de rekeningen tevens in 1806 vernieuwd. Het is versierd met vier ionische kolommen, waarvan er twee blijkens de rekeningen zijn gesneden door S. Feddema.

Banken

Tegenover de preekstoel overhuifde familiebank van paneelwerk met spijlenfries, xvii-xix (afb. 167). De overhuiving steunt op gecanneleerde ionische zuilen met manchet, die ook voorkomen aan de aedicula op de overhuiving, waarin eens kennelijk de familiewapens stonden.

Ten oosten daarvan overhuifde familiebank met gladde kolommen met fantasiekapitelen, xix.

Westelijk eenvoudige niet overhuifde bank.

Ten westen van de aanbouw overhuifde familiebank waarvan de kolommetjes van de overhuiving omrankt zijn, xix?

In het westelijk gedeelte banken met versierde wangstukken, waarschijnlijk degene die in de rekeningen in 1774 vermeld worden, wanneer er boelgoed gehouden wordt van oude banken.

Avondmaalstafel en banken

Uit dezelfde tijd kunnen afkomstig zijn de Avondmaalstafel met twee lange banken met versierde rugleuningen (afb. 162).

Portaal

Rond de toegang naar de kerkeraadskamer in de zuidelijke aanbouw is een classicistisch portaal gemaakt, xixa.

V.m. Grafmonument

In de noordelijke aanbouw is volgens D. Cannegieter (f.v.a. 1850) een monument geweest voor een bewoner van Offingaburg, bestaande uit een wit marmeren epitaaf met ‘frontispice rustend op zwart marmeren pilaren, op welk frontispice zich een wit marmeren beeld bevond’... Op de witte ondergrond waren de onderscheiden kwartieren in zwart marmer uitgehouwen (zie ook Offingaburg).

Collectezakkenborden

Naast de preekstoel twee gesneden collectezakkenborden, xix.

Psalmborden

Vier psalmborden met de afbeelding van een opengeslagen boek in de bekroning, xix.

Zerken

Onder de houten vloer ligt een groot aantal zerken waarvan er in 1871 drie gepubliceerd zijn in ‘Friesche Oudheden’ naar tekeningen door A. Martin. Zie ook Ned. Leeuw 1885, 18 e.v. Tekeningen in coll. Fries museum, Leeuwarden.

1.Zerk voor Gabbe van Scheltema, bovenaan gemerkt p. 63 d. Randschrift ‘Ao 1558 de 31 Maii sterf d̄e Edel̄e Erntvest̄e Gabbo vā Scheltema Ao 1561 d̄e 31 Julii sterf die Eerbare Iuffrouw Ythima siin Huisfrow’. In een fantasie-architectuur zijn bovenaan een allegorische figuur van Caritas en beneden de alliantiewapens voorgesteld. Aan de voet een latijns vers. In de hoeken alliantiewapens, (afb. 174). Ligtenberg, Grafzerken 172.
2.Zerk voor Ernst van Goslinga, (afb. 173). Randschrift ‘Anno 1558 de 2 Maij sterf d̄e Edele Erntvest̄e Ernst vā Goslinga Ao 1571 de 2 Januarij stierf Juffrow Sitz Donie Ernst vā Goslinga zijn wijf’. In fantasie-architectuur bovenaan een figuur met honden (de Trouw?) eronder alliantiewapens en aan de voet een latijns gedicht. In de hoeken alliantiewapens.
3.Zerk voor Ernst van Goslinga (afb. 176). Randschrift ‘Ao 1614 den 2 febrevary sterf den edel̄e Erentvesten Jonheer Ernst vā Goslinga 1627 de 15 Jul. sterf die Edele Eerbare Jufvrouw Siuck vā Kamminga sijn wijf’. In fantasie-architectuur figuur met gedoofde fakkel, eronder alliantiewapens en latijns vers. In de hoeken alliantiewapens met namen. Van de volgende zerken bezit het Fries Museum voorts aftekeningen door A. Martin.
4.Zerk (volgens Ned. Leeuw 1885 van Bentheimersteen) met randschrift. ‘Int jaer ons Heren mdxvi op sente eufemie daech staerf selijghe Woerp Juckama de Got ghenadich sit biddet voer de sile ein pater’. Op het vlak een wapenschild hangend aan een tak, (afb. 168).
[p. 155]
5.Zerk met in de hoeken vierpassen waarin wapenschilden, (afb. 169). In het veld binnen het randschrift staan ter weerszijden halve renaissance-kolommen waartussen een driepas gespannen is. Het veld is gevuld met dun acanthusornament waartussen in de bovenhoeken twee figuurtjes en aan de voet een mans- en een vrouwefiguur die blanke wapenschilden presenteren. Tussen hen een kleine vierpas met monogram en b.g. Bovenaan onder de driepas een cartouche waarin p.a.. Randschrift ‘Int Jaer ons Here md ēn xxxix op sinte Willebrordis dach sterf de eerbare Heerschip Pieter vā Ailva Anno xvc en xliii d̄e xxi dach april sterf Rixt Aebinghe s̄y wyf’. Onderaan cartouche met: ‘Quis precor est cui nō/Praecidant stamina percae (lees Parcae)/Quem nō corripiat/Mortis avara manus’. In de bovenrand 1541. Ligtenberg, Grafzerken 163; Dolk, Zerkhouwers.
6.Zerk in de bovenrand gemerkt b 1552 g (afb. 170). Binnen een smalle groteskachtige rand is de zerk in vier velden gedeeld. In elk veld staan alliantiewapens, die in de beide bovenste velden onder beslagwerk-omramingen zijn gevat. Opschriften: ‘Haring vā Sythiema gtman vā Ferwerderadeel sterf mdl vii den xxii martij Juffrouw Fey Sickīga sterf md en li de ix de dec̄ebris. Mortis victor erit quisqs despexerit nlā, ast timidū rapida tollit avara manu. Ao 1598 den 5 juny sterf die edele Eerbare juffrouw Syt van Emenga weduwe van wijlen Haring Sythiema. Ano mv et v obit vir nobilis Sixtus de Sythiema Grietmannus de Fervorderadeel Ano 1522 de 22 October sterf Womck Juckema sijn Huisvrouw’. Ligtenberg, Grafzerken 165; Dolk, Zerkhouwers.
7.Portretzerk. In de hoeken cirkels met uitgekapte alliantiewapens (afb. 172). Onder een renaissance architectuur waarvan het hoofdgestel gedragen wordt door twee karyatiden staat een geharnaste figuur met in de rechterhand de riem waaraan zijn wapenschild is bevestigd waarop een dubbele adelaar. In zijn rechterhand een zwaard; achter zijn linkerschouder houdt een duiveltje een slip van zijn mantel op. In de bovenhoeken vrouwefiguurtjes die op een satyr rijden, vergezeld van pauwen en staande figuren die de handschoenen presenteren. Randschrift ‘Int Jaer ons Her̄e m vc ēn lix d̄e xvii May sterf de erntpheste Heerschap Rjoerdt van Ebbinghe ende sijn wijf int Jaer...’. Onder de rechter karyatide gemerkt Lucas. Ligtenberg, Grafzerken, 168; Dolk, Zerkhouwers.
8.Zerk met cirkels in de hoeken waarin deels blanke deels getekende alliantiewapens (afb. 171). Het bovenste gedeelte van het veld is gevuld met een luchtige renaissance architectuur waaronder een alliantiewapen en een afhangend vrouwelijk wapenschild die door twee leeuwtjes gepresenteerd worden. Manlijk wapen met een omhoog staande degen, vrouwelijk schild gedeeld. Rechts halve Friese adelaar links drie lelies paalsgewijs. In het benedenste gedeelte een rolwerk cartouche zonder inschrift. Randschrift. ‘...Sterf den Edele Eerendfeste Epe Douma’.
9.Zerk met cirkels in de hoeken waarin alliantiewapens (afb. 175). In het veld een renaissance-architectuur waarin tussen gecanneleerde zuilen twee alliantiewapens hangen links beide gedeeld met in de rechterhelft de halve Friese adelaar en in de linkerhelft resp. een geheven degen en drie lelies paalsgewijs. In de rechterhelft is het manlijk wapen gelijk aan het vorige vrouwelijke en vertoont het vrouwelijke de dubbele Friese adelaar met een banderolle tussen de klauwen. Helmteken een pauw. In de basis van de architectonische opbouw zijn twee overwelfde grafkelders voorgesteld. Randschrift ‘Ao 1564 den xiiii Octobr. sterf die eerzame juffrow Saepke Feitsma sijn wijf’.
10.Zerk waarvan veld is gevuld met een schijnarchitectuur een triomfboog vormend waarbinnen boven een aantal schedels stamwapens Douma hangen met blanke wapenschilden: links Douma, Kamstra, Sterkenburg en Kater, rechts Douma, Burmania en Stinstra (afb. 178). Op de boog vazen; midden erboven een alliantiewapen. Geheel bovenaan een blank cartouche met afhangend kleed. Randschrift: ‘Anno 1615 d̄e ... stierf die edele erentphesten Jonker Bartolt van Douma out 48 Anno 165 d̄e ... Novemb̄r stierf die edele Dughdentrijke Vrouw Saepek van Douma syn wijf out... jaer hier begraven’.
11.Zerk met in de hoeken cirkels met alliantiewapens waarbij de namen Sythiema, Auckama, Emminga, Haarma, Camminga, Jaerla en Rooda, Galma (afb. 179). In het veld bovenaan tussen beslagwerk gekroonde wapens links Sythiema, Emingha, Rooda, Kaminga en rechts Ringia, Goslinga, Donia, Lieukema met onderschrift ‘Ao 1668 den July sterf den edelen Eerentphesten Jonker Haring van Sythiema op Sythiema oudt 57 jaren Ao 1673 den 22 Febr. Sterft den Eerbaere Edele Jufvrouw Perck van Ringia zijn huisvrouw oudt 40 jaren ende leggen alhier in de kelder begraven’. Eronder: ‘Den 18 July 1675 Is in den Heeren Gerust den Eerbare Eedelen Jufvrouw Frouck Sussanna van Sythiema D'Huisvrou van De hoog Edelen welgb. Heer Frans van Emminga oud 18 jaeren.
[p. 156]
Randschrift Ao 1636 den 7 Junii sterf de edele Ērntveste Herschap Syds vā Sythiema Ao 1625 den xi Juiy sterf die edele eerbar Juffro Frouck vā Kammincha syn wijf’.
12.Zerk waarvan het veld gevuld is met een groot en eronder twee kleine afhangende kleden, waartegen bovenaan twee reeksen stamwapens gehouden door zwevende putti ter weerszijden van het alliantiewapen Douma (afb. 182 en in andere versie 180). Van de stamwapens zijn verschillende blank. De kleinere afhangende kleden hangen achter de gekroonde en van helmteken en helmkleden voorziene wapens Douma en van Hiddema. Onderschriften: ‘Anno 1673 den 27 Martij is in den Heere gerust de Edelen Hoog gestrenge ende Eerzame Barthold van Douma, in leven Grietman ende ontvanger Generaal van Ferwerderadeel ende Gecommitteerde in de Reekenkamer van Friesland. En: Anno 1683 den 26 Februaij is in den Heer gerust de Edele deughtrijken Vrouw Dorothea Crack in leven huisvrou van de Hoog Edelgestrenge Heer R... R. Barthold van Douma Grietman. Etc. oud 43 jaar. Randschrift 1650 den... is in den Heere gerust den Weledele Erentpheste Epe van Douma in leve Grietman vā Ferwerderdeel 1644 den 22 Novembris is in de Heere ontslaep̄e de Edele ende Deughdentrijke Juffrow Siouck van Hiddema’.
Cannegieter vermeldt een kwitantie voor de grafzerk van Epo van Douma aan Sjoerd Ates Haakma; deze wordt in 1640 als hardhouwer te Leeuwarden vermeld, is sedert 1653 achtereenvolgens landschapssteenhouwer, landmeter, stadssteenhouwer, schepen en lid van de Vroedschap en sterft in 1678 (mededeling W. Dolk, gemeentearchief Leeuwarden).
13.Zerk met opschriften ‘Den 10 september 1663 is in den Heere gerust D Edele Hoochgeboren Heere Ior Andris van Douma Capitein van een compagnie te voet out 31 Jaer en leit alhier begraven’ (afb. 183). Eronder tegen een afhangend kleed het wapen Douma met helmteken en kroon.
14.Zerk waarop gebeeldhouwd het door leeuwen gehouden alliantiewapen Burmania-Burmania met helmteken, dekkleden en uitkomende pluimen (afb. 184). De leeuwen staan op haakvoluten. Eronder een cartouche met opschrift ‘Den Hoogwelgeboren Heer Duco Gerold Jukkema Martena van Burmania in leven op Kammingaburg is Godsaliglijk in den Heere ontslapen den 22 November 1700 oud 25 Jaren 1 Maand’ en ‘de H.E. Duconia Dorothea Martena Burmania in leven Gemalinne van de Welgenoemde Heer Burmania is Godzaliglijk in den Heere gerust den 15 november 1700 oud 15 jaren 9 maanden in wiens armen ligt haar Ed geb. vr. dochtertje Titia Barbara van Burmania den 12 deszelven maands ontslapen oud 6 dagen zijnde alhier gezamenlijk op een dag begraven welkens ligchamen alhier de salige en sekere opstanding verwachten’.

Uit grafkelders in de noorderkapel zijn grafplaatjes te voorschijn gekomen met opschrift: ‘Schelte van Aebinga gest. 1666’, ‘Andrea L van Bronkhorst gest. 1666’, ‘Gerlandt van Liauckema weduwe van Schelte van Aebinga out 84 jaer obiit den 28 octobr. Anno 1652’; ‘Fetje van Aebinga, Schelte van Aebinga, Riverdt van Aebinga’.

Rouwkassen

Op de orgelgalerij hangen twee rouwkassen, afkomstig uit de kerk van Marrum, voor de respectieve echtgenoten van Wilhelmina Eduarda van Burmania van Ponga State (afb. 177 en 181). Een voor Gysbert Arendsma van Idsinga gestorven 1760. De kas is blijkens opschrift vernieuwd in 1860. Epitaaf geflankeerd door omrankte kolommen met Ionische kapitelen waarboven nog een bladdecoratie en bladrand boven het Romeinse jaartal. Boven de lijst een obelisk met doodshoofd en zeisen; erachter vlaggen. Zware vleugelstukken samengesteld uit gebeeldhouwde trommels, vlaggen, kanonmonden en andere oorlogsattributen. Onderaan het bord rococo-ornament. Onder het door leeuwtjes gehouden en door het helmteken bekroonde wapenschild van Idsinga, cartouche met opschrift: ‘Den Hoogwelgeboren Heer de Heer Gysbert Arentsma van Idsinga in leven ordinaris Capitein ter Zee in dienst van den Staat der Vereenigde Nederlanden onder het ressort van het Edel Mogende Collegie ter Admiraliteit te Amsterdam aet. suae 55 jaar’. Terzijde vier wapens links:

Idsinga, Hottinga en rechts: Coenders, Walta.

Een voor Duco Martena van Burmania. Gezwenkte omlijsting bekroond door helm en twee harnassen; onderaan kanonmonden en trommels, terzijde vlaggen. Op het epitaaf boven het naamcartouche en wapen twee handschoenen, een degen, een stijgbeugel en een wapenrok. Boven het naamcartouche het wapen met hartschild gehouden door twee leeuwen en gedekt door helm met struisveren als helmteken. Inschrift ‘Den Hoog Wel Geboren Heer Jr. Duco Martena van Burmania in leven Generaal Majoor bij de Infanterij van den Staat der Vereenigde Nederlanden. Colonel van een regiment te voet mitsgaders Commandeur van het Hooge en Laage Sas van Gendt met de onderhorige steden van dien. Overleden den 8 september 1775 in het 63 jaar zijn ouderdoms’.

[p. 157]

Rouwborden

Boven de doorgang naar de zuidelijke aanbouw hangt een ruitvormig wapenbord voor Andriese Lucia van Bronchorst met opschrift ‘De Hooch Edele Gebooren Vrouw Andrise Lucia van Bronchorst out 62 Jaer Sterf den 14 October Ano 1666’ (afb. 165).

Het Fries Museum bezit voorts twee ruitvormige wapenborden een voor Schelte van Acbinga en een voor Gerlandt van Liauckema, die uit de kerk van Hallum afkomstig moeten zijn (afb. 163 en 164). Het Museum kent de herkomst niet. Opschrift: ‘De Hoogh Ed. Gebooren Heer Schelte van Aebbinga out 78 jaer storf den 11 7ber Ao 1666’; en ‘Juffv. Gerlant van Lauckema obiit den xxiii october m dc lii’. Het wapenschild van Schelte van Aebinga wordt gedekt door helmkleden en een parelkroon met uitkomend een adelaarshals; het schild van Gerlandt van Liauckema is gedekt door helmkleden en een kroon met drie fleurons, uitkomend twee struisveren en een adelaarshals.

Familiegraf

Volgens een testament uit 1792 liggen de graven Oldersma op het koor van de kerk te Hallum (f.v.a 1850, 165).

Zilver

Beker op standring hg. 16,2 diam. 11,7 cm (afb. 186). Langs bovenrand opschrift: ‘Wilt hong'rig tot het brood van Jesus Liefde koomen. Maar wilt niet onbereidt aan 's Heeren dis genaake. En dursten na de dranck van leewend waater stroomen Gij souwt sijn grimmigheit U tot een oordeel smaaken. De Gemeente beeker tot Hallum bestelt door de Kercke raad Ao 1718’. Twee cartouches in de stijl van Marot bevatten de opschriften: ‘Dominus Peetrus Acronius v.d.m. Frans Aanes Pybe Pybes ouderlingen en Namme Claasen Durck Wjaerda Diaconen’. Merken: Friesland, Leeuwarden, C. van 1718, meesterteken van Ande Andeles. Voet 452.

Beker gelijk aan die van 1718. Inscriptie: Liefde milde bron van weldoen Waar uit Gods liefde zondaars drenk / Gaf dezen beker ten geschenk / Die zien op Jezus kruisrantsoen.

De gemeente beker tot Hallum besteld door de kerkenraad Anno 1816’. In de cartouches: ‘Predikant A.v. Velden S.P.v. Noord T.T. Boersma ouderlingen’, en, ‘A.B. Hiemstra A.H. Gelders Diakenen’.

Wit aardewerk kannetje hg. 24 cm. Zilveren deksel met duimrust (afb. 187 en 188). Op het deksel zijn alliantiewapens gegraveerd en p.a.a.b. 1653. Mannewapen gedeeld, rechts halve Friese adelaar en links doorsneden boven drie klavers een en twee, beneden drie schelpen twee en een; vrouwewapen gedeeld, rechts halve Friese adelaar, links doorsneden, boven passer en roskam, beneden drie klavers twee en een. Geen merken meer.

Wit aardewerk kannetje als boven, inscriptie 1816.

Vierzijdige schotel met aan twee zijden geschulpte rand diam. 38 × 28,5 cm (afb. 185).

Inscriptie: ‘Drie zilvere Schotels zijn door de E. Kerkenraad van Hallum gekogt tot gebruik bij het H. Avontmaal mdcclxxxvii d. 27 febr’. Merken: Friesland, Leeuwarden, k van 1787, meesterteken van Nic. Swalve. Voet 519.

Twee ronde schalen diam. 29,8 cm met geschulpte rand (afb. 185). In cartouche gegraveerd: ‘Engel Meinardi v.d.m. Gerk Gerloft Marinus Doedes Ouderlingen. Hendr Stelwagen Freerk Jans Diaken’. Merken als boven.

Tin

Twee tinnen schotels diam. 24 cm. merk roos en J. en F.R.

Klokken

In de toren hangen twee klokken:

diam. 141 cm. Opschrift ‘Salvator is mijn name om de gemente toe ropen bin ick bequame Geert van Wou ēn Johā ter Stege goten mij anno xvc xlii’. In het randschrift medaillons met mythologische (?) voorstellingen en op de mantel Madonna in stralenkrans en Christus Salvator, Fehrmann, 308.

diam. 120 cm. Opschrift ‘Int jaer onses Heeren m d cxl viii heeft mij Jacob Noteman gegoten voor Hallum / Ior Epo van Douma Grietman ouver Ferwerderadeell/ende Jffr Siouck van Hiddema sijn Huijsfrou//Ior. Sijdts van Sythijma op Sythijma ende/Juffr.

Frouck van Kamminga sijn huijsfrou //WelEdele geborene Ior Schelte van Abbinga ende/Jffr Andriese Lucia van Bronchorst sijn huijsfrou// Allardt Pieter van Jongstal raed ordinaris in den Hove /van Frieslandt ende Jffr. Margareta van Haren sijn huijsfrou//Ior. H. van Renssen ende Jffr. Doed van Roorda sijn huysfrou//Ior. Ruirt van Feijtzma cappitein over een companie/te voet ende Jffr. Maechtelt van Roorda sijn huijsfrou’. Alliantiewapens Douma-Hiddema, Sithiema-Cammingha, Aebinga-Bronkhorst, Jongestall-van Haren, van Renssen-Roorda, Feytsma-Roorda. Een derde kleine klok is in 1804 verkocht naar Mantgum (Wumkes ii, 20). In 1943 daar niet aanwezig.

[p. 158]

Doopsgezinde kerk

Doopsgezinde kerk

Op het terrein van de voormalige Offingaburg staat een Doopsgezind kerkgebouw van na 1910 en een wat oudere pastorie. Volgens Blaupot ten Cate, Gesch. van de Doopsgezinden in Friesland, 1839 en W.K. van der Veen, 149, zouden er reeds in de 16e eeuw te Hallum Doperse groepen geweest zijn. De kerk zou eerst in 1780 te Hallum gebouwd zijn en bleef tot 1910 in gebruik. Het tegenwoordige kerkgebouw kan uit die tijd dateren. Voor de pastorie kwam in 1831 grond beschikbaar (zie Offingaburg). De tegenwoordige pastorie is in 1861 herbouwd naar een plan van B. Gelders (Rekeningenboeken Doopsgez. gemeente, r.a. Leeuwarden).

De states

Offingaburg

Offinga lag binnen het dorpsgebied van Hallum ten noordwesten van de kerk.

Litteratuur

r.v.a. 1, 108, iii, 1 e.v.; D. Cannegieter in f.v.a. 1850, 153; 1897, 1-37.

Afbeeldingen

‘Caert van 't Hoff van Aebingahuys tot Hallum binnen de poort’ door J.J. Ockinga, den 31 october 1672; tekening door J. Stellingwerf met onderschrift 't Slot van Grietman T.H. van Camstra onder Hallum in Ferwerderadeel 1722. beide in coll. Fries Museum Leeuwarden (afb. 189 en 190).

Geschiedenis

De ligging van Offingaburg binnen het dorpsgebied is uitzonderlijk. Cannegieter wijst erop dat bovendien bekend is, dat Offingaburg tot in de 19e eeuw grondpachten trok uit huizen in de Lange en Hoge Buurt.

Volgens Occo Scharlensis en Winsemius komt de naam Offinga reeds voor onder de edelen die keizer Hendrik iii geholpen zouden hebben. In de 13e eeuw neemt Jucke Hans van Offingahuizen deel aan twee kruistochten. Volgens het Stamboek van de Friese Adel zou Feycke van Aebinga in de 15e eeuw Offinga gekocht hebben. Zijn zoon Schelte had een dochter Rixt, die gehuwd was met Pieter van Aylva en op Offinga gewoond zou hebben.

Zij zijn beiden begraven in de kerk van Hallum onder een zerk van Benedictus Gerbrandts gedateerd 1541. Haar broeder Ruurd van Aebinga zou na haar dood de state bewoond hebben ‘om dichter bij de kerk te zijn’. Hij woonde aanvankelijk als eigenaar op Donia State (zie aldaar). Hij komt in de Aanbreng van 1511 voor als landheer evenals zijn oom Bennert en is begraven in 1559 onder een portretzerk gemerkt ‘Lucas’. De uitdrukkelijke vermelding (bij Cannegieter naar onbekende bron) dat Ruurd bij de kerk wilde wonen, gevoegd bij het feit dat Offinga pachten trok uit het dorp, wekt vermoedens dat Offingaburg en de kerk nauwe banden hadden.

In 1540 worden in de aanbreng Bennert Aebinga en Rixt, Pieter Aylva's weduwe genoemd. Volgens Cannegieter zou Ruurd een kamer met het voorhuis en de toren van de burcht gebouwd hebben. In zijn testament van 1557 wenst hij bijgezet te worden ‘in mijn sepulture toe Hallum in der kercke’ en vermaakt Offinga State aan zijn zoon Hette. Deze zou ‘de blauwe keuken en nog een andere keuken’ hebben laten bouwen en huwde in 1556 Sjoucke van Cammingha. Hij was het die zich in 1556-1568 herhaaldelijk voor de Koning van Spanje uitsprak. Hette verloor een proces over het bezit van de Heerlijkheid Ameland, die hem via de Donia's toekwam, tegen P. van Cammingha zijn voogd.

Hette stierf in 1575 en is later te Hallum bijgezet. Zijn zoon Schelte van Aebinga huwde Gerland van Liauckema. Ook van Schelte weet Cannegieter te vertellen dat hij aan het Huis gebouwd zou hebben, te weten in de negentiger jaren de poort, alsmede het ‘langhuis’ een zaal en twee kamers. Nadat een oud gebouw wegens gemaakte fouten bij een verbouwing, dreigde in te zakken liet hij in 1617 een zaal en twee kamers bouwen waaronder een kelder met een middenpijler. Schelte stierf in 1618 en werd te Hallum bijgezet in een nieuwe grafkelder.

Blijkens de gevonden grafplaatjes moet dit in de noorderkapel geweest zijn. Volgens Cannegieter zou er een grafmonument in de noorderkapel geweest zijn van de familie van Aebinga. Het zou een wit marmeren epitaaf geweest zijn ‘met een frontispice en rustend op zwart marmeren kolommen’. Op het frontispice zou een hoog beeld gestaan hebben (f.v.a. 1850, 169). Waarschijnlijk was dit monument voor Schelte van Aebinga jr. een bereisd man, die niettegenstaande zijn vasthouden aan het oude geloof, zo in aanzien stond, dat hij bij de begrafenis van Willem Lodewijk 1620 met Tjalling van Camstra het eerste paard leidde. Schelte jr. kreeg bij boedelscheiding in 1635 Offingaburg benevens Donia State. Zijn moeder kreeg Minnemahuis te Leeuwarden, waar zij lange tijd woonde.

[p. 159]

Gerlandt stierf op 84-jarige leeftijd in 1652 en legateerde aan de armen van Hallum ‘een kamer’. Ook zij werd te Hallum bijgezet; haar wapenbord berust in het Fries Museum.

Schelte jr. huwde in 1615 Hylck van Cammingha, die op Goslinga State was opgevoed.

Zij stierf echter reeds in 1622 en Schelte hertrouwde in 1632 op Liaukema State Andriese Lucia van Bronkhorst.

Na te Leeuwarden en Kornjum gewoond te hebben, worden zij in 1648 te Hallum vermeld op de klok. In 1666 wenst Schelte in zijn testament, dat een altaarkleed gemaakt zal worden ter ere van de ‘heiligen Vader Siardus’ (van Mariëngaarde) te weten een ‘casuffel met sijn toebehoor antependium alsmede een nieuwe kelck ende voort watter toebehoort’. Aan de priesters te Leeuwarden werden voorts uitkeringen gedaan. Zijn weduwe laat bij haar dood enige maanden later een legaat na aan de Hervormde gemeente van Hallum voor brood en wijn voor het Avondmaal. Dit wordt in de kerkerekeningen herhaaldelijk vermeld. Haar wapenbord hangt in de kerk boven de doorgang naar de zuidelijke aanbouw.

Het wapenbord van Schelte jr. is in het Fries Museum. Het is kennelijk tegelijk met dat van zijn Moeder in een onverdraagzame tijd uit de kerk verwijderd.

De erfgename van Schelte ii was Lucia van Aebinga gehuwd met Tjalling van Camstra.

Zij sterven als hun zoon Tjalling Homme nog slechts zes jaar oud is; als voogd treedt dan Jarich van Ockinga op, die volgens Cannegieter werkzaamheden aan het slot liet uitvoeren. In de coll. van het Fries Museum bestaat een opmetingstekening uit 1672 door hem gesigneerd. Tjalling Homme is volgens Stellingwerf in 1722 eigenaar van de state; in 1698 staat het huis op zijn naam in het stemkohier. Hij was gehuwd met een dochter van Hans Willem van Aylva en was Grietman van Idaarderadeel en woonde op Orxma State te Menaldum. Zijn dochter Lucia gehuwd met W. Aem. van Unia liet tenslotte het voor hen veraf gelegen slot in 1738 afbreken. De poort bleef nog enige tijd staan.

In 1831 (aanbesteding oud archief Ferwerderadeel nr. 909.5) werd op een gedeelte van de grond het Armhuis gesticht. Een ander gedeelte kwam aan de Doopsgezinde gemeente voor de pastorie.

Gebouw

Volgens de opmeting van 1672 stond het Huis op een omgracht terrein ter zijde van het ‘Hiem’, waarop het ‘brouhuys’ tegen de schuur aangebouwd stond. Het hiem was toegankelijk door de poort die door een andere hand aan de rand van de tekening wordt aangegeven. Bij vergelijking met de kadasterminute vinden we dezelfde schuine begrenzing op de zuidelijke hoek van het omgrachte terrein. Merkwaardigerwijs geeft de opmeting van 1672 het Huis dan als buiten dit terrein gelegen, terwijl de gracht om het Huis loopt en aan de noordoostzijde van het terrein ontbreekt. De tekening van Stellingwerf geeft links een onderkelderd gedeelte, waartegen twee vleugels zijn gebouwd met een traptoren in de hoek. De trapgevels lijken beëindigd te zijn door veelhoekige pinakels, hetgeen tot een datering in de 16e eeuw zou leiden. Het gehele complex dat Stellingwerf tekent, lijkt te groot voor het terrein tussen de gracht en de rondweg van de kadasterminute.

Aebinga State

Cannegieter vermeldt aan het einde van zijn artikel over Offinga State (f.v.a. 1897) dat er een Aebinga State gestaan zou hebben aan de Hoge Buurt met uitrit en stallingen aan de Lange Buren. Het zou in 1783 nog bestaan hebben in eigendom van Vrouwe W.E. van Aylva douairière van Sixma. Zij stierf in dat jaar. In de stemkohieren vinden we geen van beide namen. Wel bezaten de zuster en broeders Sixma als erfgenamen van hun moeder verschillende stemdragende plaatsen en hornlegers in Hallum.

Op de kadastrale minute is een open rechthoekig terrein te herkennen dat de plaats van dit huis geweest kan zijn. Aebinga zou identiek zijn met het Hoge Huis. Dit komt in de Aanbreng van 1511 voor op naam van Sypke to Haghehuus.

Goslinga State

Goslinga State lag direct ten zuiden van de dorpskom op een omgracht terrein met fraaie plantages omringd.

Het terrein is deels nog onbebouwd en als vogelpark in gebruik; het toegangshek, dat op de tekeningen van 1861 voorkomt, is nog aanwezig.

Litteratuur

r.v.a.i, 106, iii, 8; D. Cannegieter, Goslinga State te Hallum en haar bewoners, f.v.a. 1896; Wumkes ii, 104.

Afbeeldingen

Tekening door J. Stellingwerf met onderschrift: ‘Goslinga te Hallum behoort den Heere Tjaert van Burmania raet ords 's Hofs van Friesland 1722’; drie pentekeningen door D. Cannegieter 1861, waarvan een met copie van een landmeting in 1711 met opschrift:

[p. 160]

‘Goslinga State te Hallum even voor het werd afgebroken in 1861’ en ‘copie van eene schetsteekening en plattegrond van Goslinga State te Hallum vervaardigd op last van den HoogEdel Geb. Heer Sierk van Burmania Raad Ordinaris in den Hove van Friesland in de maand mei van het jaar 1711 door H.v.d. Larive, geadmitteerd landmeter bij den Hove van Friesland’ (afb. 196-198). Volgens genoemde landmeting was de state toen groot 5 pondem. 3 eins 11 pen. 74 vierk. v. 500 d. Coll. Fries Museum.

Geschiedenis

Reeds in de 12e eeuw worden Goslinga's vermeld, nl. in het leven van Frederik van Hallum, waar Gosling Goslinga uit berouw over zijn doodslag bij een familievete have en huis verlaat om zich in het klooster te begeven. Ook onder de deelnemers aan kruistochten worden Goslinga's vermeld.

In de 15e eeuw komt een Goslinga voor bij onderhandelingen met de Hollandse Graaf.

Wegens Vetkoperse gezindheid moest Gosling Goslinga naar Holland uitwijken doch na een bestand kon hij terugkeren. Hij zou omgekomen zijn in de strijd tegen de monniken van Mariëngaarde in een met het zwaard beslecht geschil over een landeigendom. Eind 15e eeuw is een Feye van Goslinga bekend op Goslinga State te Hallum gehuwd met een dochter van Syds Tjaerda. Hun zoon Tjepke Goslinga, in de aanbreng van 1511 voor 67 ponden aangeslagen, ondertekende de Renversaelbrief met den Hertog van Saksen. Met Gabbe van Scheltema zou hij op Goslinga State overrompeld zijn door Tjaard van Burmania, die de state daarna uitbrandde. In 1540 worden de goederen aangegeven door Ernst van Goslinga, zoon van Tjepke. Deze stierf in 1558 door een val van zijn paard, zoals vermeld wordt op zijn grafzerk in de kerk van Hallum. Hij was gehuwd met Syth Keimpes van Donia. Hun zoon Ernst ii volgde op en Goslinga State werd herbouwd.

Cannegieter weet te melden dat er verschillende stenen met jaartal 1563 gevonden zijn waarop het wapen Goslinga en een vrouwelijk wapen, dat eer dat van Donia dan dat van de echtgenote van Ernst ii Sjuck van Cammingha zou zijn. Zijn moeder Syth stierf eerst in 1571 en kan ook de state herbouwd hebben. Volgens de grafzerk van Ernst en Sjuck van Cammingha bleef hij het ‘Roomse’ geloof trouw. Zijn erfgenamen waren Ernst van Donia, zoon van zijn zuster Frouck gehuwd met Keimpe van Donia. Deze huwde Doedt van Roorda van Genum en was lid van de Staten van Friesland en woonde als volmacht van Oostergo de begrafenis bij van Willem Lodewijk.

Na zijn dood hertrouwde Doedt Harmen van Rinssen. Zij worden vermeld op de torenklok van Hallum uit 1648. Haar zoon wordt nog te Hallum vermeld. De state behoorde echter in 1670 aan Zeyno Joachim van Welvelde te Assen, die te Leeuwarden in tweede echt gehuwd was met Aaltje van Douma, dochter van Epo en Sjuck van Hiddema (Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1902). Een wapensteen van Zeyno en Aaltje van Douma met het jaartal 1656 staat in Huis Vredeveld te Assen. Hun zoon huwde een Burmania, die haar echtgenoot en zoon overleefde, waardoor Goslinga State aan de Burmania's kwam, te weten een broeder van Sjuck, Gerrold.

Deze liet het goed veilen in 1711 en het kwam in handen van Sjuck van Burmania, zoon van Laas en gehuwd met Jeepke van Douma. Het goed bestaat uit een ‘huisinge’ waarin een grote zaal en vier kamers, ‘soo boven alsbeneden’, een keuken, drie kelders, een schuur, heem en een stenen poort benevens twee hovingen, een binnen en een oostwaarts buiten de gracht gelegen. De door Cannegieter gecopieerde tekening heeft kennelijk betrekking op deze verkoop.

Na de dood van Sjuck van Burmania woonde zijn weduwe nog tot 1736 op Goslinga, in welk jaar de drie zoons het huis erfden. Stellingwerf noemt echter in 1723 reeds Tjaard van Burmania als eigenaar. Na de dood van twee broeders bleef Duco Martena bewoner. Hij liet Goslinga State moderniseren door het afbreken van de poort, die vervangen werd door een ijzeren hek met hardstenen palen. Een trapgevel werd vervangen door een wolfdak en er werd een jachthondenhuis gebouwd.

Duco Martena was gehuwd met Wilhelmina Eduarda van Burmania, die weduwe was van Gijsbert Arendma van Idsinga. De rouwborden van haar beide echtgenoten hangen thans op de orgelgalerij van de Hallumerkerk. Vrouwe Burmania-Burmania leefde nog tot 1824 en testeerde met nadruk, dat de plantage van Goslinga State behouden moest worden.

Het goed werd toegewezen aan haar dochter gehuwd met Thomas François Martin. Deze stierf twee jaar later en liet Goslinga na aan haar zoon Isaak Gijsbers Arentsma Martin.

Zijn dochters lieten de plantage rooien en de state werd op afbraak verkocht in 1860, nadat er boelgoed gehouden was (Wumkes ii, 304). Er kwamen 42000 oude Friese stenen af

[p. 161]

en 25 deuren en 23 vensterkozijnen. De woonkamer zou goudleren behang gehad hebben; er was een galerij met portretten. Bij het dakvenster was een kamertje beschilderd met ‘sterren, halve manen en andere figuren’.

Gebouw

De opmeting van Larive komt goed overeen met de tekening van Stellingwerf. Wij zien een haakvormig gebouw zonder verdieping gevat tussen trapgevels waartegen de schoorstenen zijn gemetseld. In de gevels staan vensters waarvan de benedenste helft met luiken kon worden gesloten. Dit gedeelte kan nog uit 1563 stammen. Voor het dak van de zuidervleugel een waarschijnlijk stenen dakkapel.

De keukens waarover in 1711 wordt gesproken bevonden zich waarschijnlijk in de lagere zuidelijke vleugel, die de verbinding vormde met de grote schuur, die volgens Cannegieter in 1861 nog aanwezig was. Hoewel Stellingwerf de schuur niet afbeeldt, moet deze er volgens de opmeting van 1711 wel geweest zijn. We zien hier een duidelijk geval van herenwoning direct verbonden met het landbouwbedrijf. De stenen poort over de gracht werd in 1773 vervangen door een ijzeren hek tussen hardstenen palen.

Blijkens de tekeningen van Cannegieter werd toen tevens de westgevel gedicht, waarbij de trapgevel gewijzigd werd in een wolfdak. Ook de overige vensters, de ingang en de kapellen op de kap werden gemoderniseerd. De ingang in de dienstvleugel verdween of werd verplaatst naar de buitenzijde.

Tuinvaas

Waarschijnlijk uit de voormalige tuinen van Goslinga State afkomstig is een natuurstenen tuinvaas xviiia, die op het erf van de boerderij op het terrein staat. Voet en deksel vertonen ornament in de trant van Lodewijk xiv. De bekronende Januskop lijkt niet tot de vaas te behoren (afb. 199).

Overblijfselen hek

Het ijzeren hek, dat uit 1773 zal dateren, staat in vervallen staat nog ter plaatse (afb. 200).

Sythiema State

Ten oosten van de kerk lag Sythiema State op een rechthoekig omgracht terrein, dat op de kadastrale minute nog duidelijk herkenbaar is. Blijkens een proces in 1730 liep er een Sythiematrans tot aan het ringpad om het kerkhof.

Litteratuur

r.v.a. i, 105 e.v.; iii e.v.; Tegenw. Staat ii, 192; D. Cannegieter in f.v.a. 1893; Nieuwsbulletin k.n.o.b. 1971, 136.

Afbeeldingen

Tekening door J. Stellingwerf; id. door J. B(ulthuis) zelfde situatie; sepiatekening door D. Cannegieter 1861 van het poortgebouw, alle in collectie Fries Museum (afb. 191 en 192).

Geschiedenis

Volgens de Tegenw. Staat woonde in 1307 een Oene Sythiema Grietman van Ferwerderadeel op Sythiema State. Het Stamboek kent Oene echter als Grietman in 1397; hij ondertekent mede een oorkonde in 1408 (Sipma i, 16). Occo Scharlensis noemt in de 15e eeuw Tjalling Sythiema, die van partij verwisselde en tot de Schieringers overging; hij was in 1448 Grietman (Sipma i, 110). In 1462 kwam hij om in een treffen met een tegenstander uit een andere state te Hallum Donia geheten, die op zijn beurt door een tegenstander in de toren van Hallum verbrand zou zijn.

Eind 15e eeuw kennen we een Oene Sythiema als Grietman in 1472. Zijn zoon Syds stelde in 1498 zijn huis open voor Leeuwarders in de strijd tegen de Saksers (Sipma i, 435). In 1504 tekent Syds echter mede een brief aan de Hertog van Saksen, waarin een 21e penning aanvaard wordt. In het register van den Aanbreng van 1511 komt een Womck Sythiema voor als landheer, in 1540 wordt Sythiema State genoemd en Haring Sythiema als landheer. De rentmeestersrekening van 1516 vermeldt Oene Sythiema zoon van Syds als ‘Ballingh des Coninx partije behoudende’. Zijn broeder Haring was in 1549 gedeputeerde en mede gecommitteerde tot het regelen van een geschenk aan de Prins van Spanje, de latere Philips ii (Charterboek iii, 161). Hij is tweemaal gehuwd geweest en ligt begraven in de Hallumer kerk onder een zerk door Benedictus Gerbrands uit 1552. Zijn zoon Haringh, ridder van Jeruzalem, was gehuwd met His van Eminga en hen kennen we van portretten uit 1603 afkomstig van Wiarda State en thans in het Fries Museum. Van een andere zoon Syds is bekend dat hij op Sythiema State woonde; hij was gehuwd met Frouck van Cammingha. Ook hun portretten uit 1608 zijn in het Fries Museum. Volgens de aftekening van hun grafzerk stierf Syds in 1636 en Frouck reeds in 1625. Niettemin komen hun namen voor op de torenklok van 1648 en is Syds in 1640 volgens het stemkohier eigenaar. Hun zoon Haringh erfde van zijn tante His van Eminga in 1657, doch ondertekent reeds het octrooi op de trekweg van 1648. Het wapen van Haring en zijn vrouw Perk van Ringia kwam voor op de poort van Wiarda State te Goutum; wellicht woonde het paar daar.

[p. 162]

Zij zijn te Hallum begraven onder de zerk van hun ouders. Hun dochter, laatste van Sythiema, huwde Frans Hessels van Eminga en stierf jong in 1675. Hij hertrouwde een naamgenote en benoemde tot zijn erfgenaam zijn zoon Syds Hessels. Deze komt volgens Cannegieter voor in het floreenkohier van 1698 en sterft in 1708. In het stemkohier van 1698 is Arent van Bolten curator over Syds Hessels. In 1728 vererft Sythiema State aan Ruurd van Burmania gehuwd met Elisabeth van Eminga en zo komt de state in handen van Minno Frans van Burmania, die tevens eigenaar was van Walta State te Bozum, dat hij liet slopen. Daar Walta echter belast was met een fidei commis daterend van 1538, maakte de weduwe Ewsum, vrouwe van Lulema daartegen bezwaar en de erfgenaam van Minno Frans, Sixma van Andela was niet zo goed of hij moest Walta State herbouwen. Daartoe liet hij op zijn beurt Sythiema State te Hallum slopen. In 1796 worden het hornleger en de terreinen verkocht waaronder de ‘poortfenne’, het appelhof en ‘de trans over het geheel’. D. Cannegieter vermeldt dat er ‘enige jaren geleden’ een paar kelders gevonden zijn en dat het ‘fraaie bosch binnen de grachten de laatste jaren’ geheel is uitgeroeid.

Stateterrein

De kadasterkaarten geven het terrein duidelijk aan. Het was rechthoekig en omgeven door een gracht, waarbinnen nog een omgracht eiland was gelegen. Naar de Heer Regnerus te Hallum, die het terrein jaren bewerkte, ons meldde, zou daar veel puin gevonden zijn en een stins gestaan kunnen hebben. In het overige terrein zag men zich kronkelpaden aftekenen, kennelijk resten van het door Cannegieter vermelde bos. In 1977 is het terrein bouwrijp gemaakt en zijn in de lijn van het nog bestaande Poortepad fundamenten gevonden van een poortgebouw over een gracht (afb. 193-195).

Het poortje, dat in 1899 afgebroken is, was volgens de tekening van D. Cannegieter en Bulthuis/Stellingwerf 1671 gedateerd.

Poortgebouw

Volgens gegevens van het Biol. Archeologisch Instituut, dat de opgraving uitvoerde, bestond het opgaande metselwerk van het poortgebouw benedenaan uit rode baksteen van 26 × 6,5 cm, hogerop uit gele steen van 20,3 × 4,5 cm met een buitenzijde van paarsrode steen van 18,5-19 × 4,5 cm. De overspanning onder de brug was krap 2 m tussen twee landhoofden, die aan de landzijden twee oudere funderingen bevatten met steunbeerachtige blokken metselwerk, waarin de aanzet van gemetselde bogen te zien was. De 17e-eeuwse poort verving dus een gemetselde boogbrug, waarvan ons inziens het middendeel beweegbaar geweest moet zijn. De voor- en achtergevel van de 17e-eeuwse poort zullen ter plaatse van de oudere pijlers gestaan hebben. Zij waren gefundeerd op een bed van balken. De wangen van de landhoofden waren gekoppeld door vier lange trekbalken met ankers, twee op oudere boogaanzetten en twee in de onderbouw van de voor- en achtergevel van de poort.

Stategebouw

De tekening van Stellingwerf toont een samengesteld gebouw, waarvan het ingangsgedeelte en de haaks daarop staande vleugel onderkelderd waren. Mogelijk stamde het ingangsgedeelte nog uit de Middeleeuwen en werd daar in de 16e eeuw een woonvleugel aangebouwd. De kruiskozijnen staan daar immers nog in nissen en de topgevels hebben kleine pinakels. Later zou dat gedeelte uitgebreid kunnen zijn en van een haaks erop staande aanbouw voorzien en van een lager gedeelte aan het oudste bouwblok. Dateringsmogelijkheden zijn van deze tekening overigens niet af te lezen.

De voormalige industriemolens

Molenopzichtershuis

De lijst van havencherchers en molenopzichters van 1796-'97 (Inventaris van het archief van Lands- en gewestelijke besturen 1795-1813 nr. 628) vermeldt een molenopzichter in 1750 te Hallum. In de kerkvoogdijrekeningen wordt in 1750 het bouwen van het opzichtershuis bij de Hallumermolen vermeld, volgens een bestek dat ter secretarie ter inzage lag; de armvoogden betaalden mee aan de kosten. De vermelding 1750 in de lijst van opzichters van 1796, wijst dus op een bouwjaar. Mogelijk hebben we hier te maken met de Bartlehiemster molen, die als enige molen te Hallum op de kaart van Schotanus staat aangegeven, hoewel hij in 1638 genoemd was bij de onrendabele molens (Molens van Friesland, 31).

Industriemolens

Zuidwestelijk van Hallum, langs de Hallumer trekvaart stond een korenmolen genaamd ‘Minister Thorbecke’ (afb. 201). Deze achtkante stellingmolen met gepotdekselde voet werd in 1856 gebouwd, en in de jaren 1940-'45 gesloopt.

Volgens Wijnja stond de koren- en pelmolen genaamd ‘Sytsma's Molen’ 1 km ten noordwesten van het dorp (afb. 202). Wanneer deze achtkante stellingmolen, eveneens met een gepotdekselde voet, gebouwd werd, is ons niet bekend. Omstreeks 1927 werd de molen gesloopt.

[p. 163]

Mogelijk zijn de door S.J. van der Molen in ‘Molens van Friesland’ 1971 genoemde industriemolens ‘De Roos’, 1838 en ‘de Vlugge’ dezelfde als de hiervoor genoemde ‘Sytsma's molen’ en ‘Minister Thorbecke’; of waren het hun voorgangers?

Het voormalig klooster Mariëngaarde

Praemonstratenser klooster Mariëngaarde

Ten zuidwesten van het dorp Hallum ligt het nog immer omgrachte terrein waarop in de 12e eeuw het klooster Mariëngaarde is gesticht (afb. 152, 153, 203-217, 219). Slechts een gedeelte van de terp waarop de kloostergebouwen stonden, is sedert de laatste afgravingen in de jaren 1916/1920 bewaard. Het terrein is als archeologisch monument uit de 12e eeuw beschermd. Daarop staat een boerderij genummerd Mariëngaarderweg 45. Bij de oprit is in 1963 ter gelegenheid van de herdenking van de Stichting van Mariëngaarde een monumentje opgericht samengesteld uit zwerfkeien en stenen die op het terrein gevonden zijn.

Litteratuur

r.v.a., i, 115 iii, 24; J. Diest Lorgion, Het klooster Mariëngaarde f.v.a. 1842; Wumkes ii, 21; Mon. Bat. ii, 83; N. Ottema, Friese kloosterterpen in Een kwart eeuw... 1947, 445-458; P. Glazema, De abdij Mariëngaarde in Historia 1948, 217; P. Elp. Bruna. De kloosterkaart van Friesland z.pl. 1945; Van Buijtenen, S. Vitus, 43; N. Backmund, Monasticon Praemonstratense, ii, Straubing 1952, 210; A.K. de Meyer, Frisia Catholica, in Geschiedenis van Friesland, Drachten 1968; Herma M. van den Berg, Het klooster Mariëngaarde in Publicatieband a.f.t 1978.

Bronnen

Gesta Abbatum Orti S. Marie, uitg. Aem. W. Wybrands, Leeuwarden 1879, waarin tevens gedeelten uit de Brevis Historia Orti S. Marie betreffende de gebouwen; Sibrandus Leo, Abbates in Mariëngaarde, uitgave D.A. Wumkes, Bolsward 1929; Kronieken van Emo en Menko uitg. H.O. Feith en G. Acker Strating, Utrecht 1866 (Hist. Genootschap Nieuwe reeks nr. 4).

Vertaling uit Gesta Abbatum: Het leven van de Z. Frederik van Hallum door P. Elp Bruna, Frisia Catholica, Leeuwarden 1947; Leven en verering van de H. Siardus, Tongerloo 1913; vertaling van Brevis Historia door D. Cannegieter in f.v.a. 1894. Gedeelten uit Sibrandus Leo door H. Halbertsma in Berichten Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek 1954, 94-136; vertaling van Emo en Menko's kroniek door W. Zuidema en J. Douma, Utrecht z.j. (1940).

Afbeeldingen

Kaart van de Bildtlanden, a.r.a., inv. kaarten 1871, ii, 3043/4, (afb. 205), zie J.G. Avis, Het auteurschap van de 16e-eeuwse kaarten van het Friesche Bildt, Tijdschr. voor Geschiedenis 1934, 403; A. Rademaker, Ruïne van de abdij Mariëngaarde, plm. 1725, coll. Fries Museum (afb. 219).

Zegels

Nederl. Kloosterzegels, afl. xxiii, 1952, 42.

Het oudst bekende conventszegel dateert van 1422 en geeft de Kruisiging weer; randschrift: Sigill(um) conventus et [ec]cl(esi)e de Orto S(an)c(t)e Marie (afb. 206). Het oudst bekende abtszegel is van 1297 en stelt de H. Maagd voor, en een knielende abt; randschrift: Sigill(um) abbat[is] Orti S(an)c(t)e Marie (afb. 208). Op het groot zegel zijn de H. Maagd en twee figuren, Tetard en Frederik voorgesteld. Randschrift: [S(igillum)] abbatis Orti S(an)c(t)e Marie maius (afb. 207).

Geschiedenis

De voornaamste bron voor de geschiedenis van Mariëngaarde zijn de Gesta Abbatum Orti Sancte Marie. Daar lezen we in het leven van de Z. Frederik dat hij na de dood van zijn moeder naar de Utrechtse bisschop ging om het kanunnikenkleed te vragen en goedkeuring kreeg voor de oprichting van een klooster. Vandaar ging hij naar Mariënweerd, een Praemonstratenserklooster bij Beesd, waar hij de ‘sanctos mores et observantias honestas’ in zich opnam en een Ordinarium liet afschrijven. Teruggekeerd gaf hij eerst aan enkelen die bij hem gebiecht hadden, de raad zich aan te sluiten bij een gemeenschap van grijze monniken ‘die een nieuwe nederzetting in Friesland gesticht hadden’. In 1163 bouwde hij vervolgens een kapel, gewijd aan ‘God, de H. Maagd en de H. Johannes de Evangelist’, op een terrein dat beschreven wordt als een vlak gebied, dicht bij de zee, ‘een plaats niet alleen vruchtbaar maar ook zeer geschikt voor veehouderij’. Hij noemde de plaats, waaromheen hij een gracht liet graven, Ortus S. Mariae. Frederik was te Hallum geboren en was voor studie naar Munster in Westfalen geweest; teruggekeerd was hij pastoor te Hallum geworden.

Door zijn optreden gingen verschillende leden van bekende families als Goslicus Goslinga en Wybrand Cammingha van Blija tot het kloosterleven over, evenals vrouwe Sju uit

[p. 164]

Markela bij Hallum en vrouwe Gertrudis van Driesum, die met haar zwager Aesgo een reis naar het H. Land had ondernomen. Aesgo was onderweg gestorven en Gertrudis werd na terugkeer priorin van Bethlehem. Een andere volgeling Taco richtte zelf een kloostergemeenschap op die weldra gesplitst werd; een groep vestigde zich te Dokkum ‘ad S. Bonifatium’, de andere in de Marne in Groningen. Wegens de grote toeloop van volgelingen, besloot Frederik de vrouwen onder te brengen in een apart klooster en hij verwierf een terrein waar hij het klooster Bethlehem bouwde.

Volgens de kroniek ging Frederik, nadat alles in zijn klooster geregeld was, op reis om bij bestaande kloosters ervaring uit te wisselen en de paterniteit te verwerven van een reeds langer bestaand klooster. Daar hij te Munster gestudeerd had dacht hij aan Cappenberg, maar, vertelt de kroniek, te Munster ried men dit af daar dit klooster zeer afhankelijk was van wereldse vorsten en hij kreeg de raad naar Steinfeld te gaan. Hij werd daar zeer goed ontvangen en kreeg boeken en zelfs de persoon van Herman Jozef mee, een ervaren wetenschapper en deskundig in zaken de Praemonstratenser Orde aangaande. Via de Rijn en Utrecht reisden zij terug en de uitwisseling van geleerden bleef ook daarna bestaan. Herman Jozef was een tijdlang prior van Mariëngaarde.

In 1175 stierf Frederik en hij werd begraven in de kapel die hij zelf gesticht had. Onder de tweede abt, Into, besloot men de gebouwen uit te breiden. De abt reisde naar Deventer om tufsteen te kopen. De kerk werd herbouwd nadat het gewelf over het graf van abt Frederik was ingestort. Sibrandus Leo weet te vertellen dat men van de fundamenten af bouwde en dat de nieuwe kerk die een rechthoekige vorm had, dezelfde was als die hij nog kende. Door schenking verwierf het klooster allerlei eigendommen: onder abt Siardus een turfgraverij in Bakkeveen waar een uithof gebouwd werd, deze wordt later verwisseld voor land in de nieuwe Bildtpolder. Van Siardus wordt ook verteld dat hij meehielp dijken aan te leggen, ‘om overstromingen van het zoute zeewater te voorkomen’. Onder abt Sibrand ii werd het eiland Marken verworven, deels uit schenking, deels door aankoop. Tot de aanleg van de Bildtlanden in de 16e-eeuw droeg het klooster bij door het maken van een kanaal (Charterboek i, 284, ii, 8, 35, 67, 214, 386).

In 1618 bleek Mariëngaarde pacht te trekken uit goederen te Hallum, Marrum, Hijum, Westernijkerk, Finkum, Jelsum, Stiens, Raard bij Dokkum, Oosternijkerk, Oudkerk, Rijperkerk, Vrouweparochie, Nieuwe Bildtzijl en van 48 huizen in de stad Leeuwarden. Ook het patronaatsrecht van de Leeuwarder Oldehove kwam eind 13e eeuw aan Mariëngaarde. Via het onderwijs had Mariëngaarde grote invloed; er ontstond een bloeiende kloosterschool met een nevenstichting op het eiland Griend. De kloosterstichting Lidlum in noordelijk Westergo stelde zich onder Mariëngaarde.

Gebouwen, gegevens bouwgeschiedenis

Over de gebouwen worden wij ingelicht door de beide genoemde kronieken en de Brevis Historia. Wij zagen reeds dat Sibrandus Leo in het midden van de 16e eeuw schrijft dat de kerk door de tweede abt-gebouwd, rechthoekig was en dezelfde, die hij nog kende. Blijkens de anecdote over het verlies van de beurs met geld in Deventer, weten wij dat aan deze kerk tufsteen toegepast was. De kaart, aan van Deventer toegeschreven en uit de veertiger jaren van die eeuw daterend, geeft een schets van de abdijkerk. Men ziet daar een gebouw met een dwarspand en een hoge naaldspits op een vieringstoren. Wat Sibrandus met ‘rechthoekig’ bedoelt is niet terstond duidelijk. Wij komen daarop terug. De schets laat de mogelijkheid open dat het koor rechthoekig gesloten was.

Onder abt Sibrandus († 1240) wordt het westelijke gedeelte van de kerk, dat nog onvoltooid gebleven was in baksteen opgetrokken. De kloostergebouwen worden uitgebreid met een kamer voor de abt, verblijven voor belangrijke gasten, een eetzaal voor de kanunniken en een keuken voor de kloosterlingen. Tot zover de bronnen over Mariëngaarde. Uit de kroniek van het dochterklooster Wittewierum vernemen wij vervolgens dat abt Paulus naar Mariëngaarde kwam om raad te vragen aan abt Sibrand en door diens bemiddeling bouwmeester Everhard uit Keulen meenam om zijn kloosterkerk te bouwen. Op het jaar 1259 lezen wij daar vervolgens dat de kerk van Wittewierum met zijn ‘vensters, gewelven, daken en andere noodzakelijkheden’ gewijd is.

Wij mogen dus aannemen dat meester Everhard een plan gemaakt heeft voor een gewelfde kerk en daaruit afleiden dat ook de kerk van Mariëngaarde, mogelijk onder zijn leiding, in het midden van de 13e eeuw in steen overwelfd geweest zal zijn, evenals die van het nabijgelegen klooster Klaarkamp, waarvan de plattegrond bekend is.

Na beschadiging en slijtage in de loop der jaren legde abt Taco († 1512) zich toe op herstel van de gebouwen en abt Paulus, zijn opvolger, zette dit voort. Onder Taco werd een nieu-

[p. 165]

we poort gebouwd aan de zuidzijde; vervolgens herbouwde hij een vervallen vleugel, die van de ‘deur’ van het convent tot de abtskamer reikte en liet hij de kamers in het dormitorium met stenen muren bouwen. Hij kocht diverse paramenten en liet vier altaren oprichten: het grootste ter ere van ‘God en zijn Moeder Maria, S. Johannes de Evangelist en S. Cecilia’, een ‘achter in de kerk in het zuidelijk gedeelte gewijd aan ‘God, S. Johannes Baptista, S. Augustinus en S. Anna’, het derde aan ‘God, S. Mattheus de Evangelist, S. Antonius en S. Barbara’, het vierde ter ere van ‘God, S. Bonifatius, S. Martinus en Maria Magdalena’. Onder abt Paulus zijn drie dezer altaren verplaatst evenals dat voor S. Katherina. Tenslotte liet abt Taco de molen buiten het convent vernieuwen.

Abt Paulus († 1533) zette de restauratie en verbeteringen van de gebouwen voort en de Brevis Historia is zo uitvoerig over deze werkzaamheden, dat wij daaruit duidelijk informatie lezen kunnen over de gang van zaken. De eerste aanschaf betrof een klein koororgel, gekocht van Abt Paulus van Klaarkamp. Dan wordt verhaald dat een Ordinarium wordt geschreven ‘dat in het linker koor ligt’ en een Collectaneum voor de ouderen, dat ‘in het rechter koor ligt’. Diverse andere werken werden geschreven en ‘hij stelde een wereldlijke schrijver aan, die de broeders in deze kunst moest onderwijzen’. Vele oude boeken die op de zolder van de sacristie lagen, werden onder abt Paulus opnieuw ingebonden en hij liet iemand komen uit de Reguliere abdij van Bergum om hierin te onderwijzen. Op de verdieping van het kapittelhuis liet hij ruimten bouwen, door leien daken gedekt, om deze codices te bergen. Ten behoeve van de restauratie van de gebouwen begaf ook abt Paulus zich, als zijn voorganger Ento in de 13e eeuw, naar Deventer, ditmaal echter om hout te kopen. Vervolgens ging hij naar Amsterdam om ‘wagenschot, raffters en sparren’ te kopen. Thuisgekomen huurde hij timmerlieden die ‘de oude grote en hoge toren moesten afbreken, waarin vier klokken hingen’. Van de omringende muren moesten zij dertien lagen afbreken en een nieuwe toren veel kleiner dan deze werd ‘aan een kant van de kerk niet in het midden’ herbouwd en zij hingen weer vier klokken erin, de grote en drie nieuwe kleinere.

Na enige jaren ging men verder en werd de kerk van die toren af tot het westen van gebakken daktegels, hout en balken ontdaan en ook van dat muurwerk werden dertien lagen afgebroken. En abt Paulus liet dat gedeelte van de kerk ‘met nieuwe balken dekken en met een leien dak’.

Na opnieuw enige jaren werd het koor vernieuwd en, vervolgt de kroniek ‘in het jaar 14 is de overdekking van hout tot stand gekomen, die beschilderd werd en in het jaar 20 zijn de banken voor de kanunniken gemaakt door meester Johannes van Schuilenburgh uit Westfalen.

De vloer werd vervolgens met gebakken tegels belegd, ‘te weten gele en groene’; op het altaar liet hij een retabel maken vol figuren en drie zetels voor de priester, de diaken en de subdiaken om tijdens de mis plaats te nemen; er boven kwam schilderwerk.

Tenslotte richtte hij zich weer op de gehele kerk en liet daar de ‘stenen dekking, die zeer laag was, omdat zij op zoveel ribben rustte neerhalen’, en nadat de altaren van hun plaats gehaald waren liet abt Paulus door de broeders op de altaren retabels plaatsen met beeldhouwwerk versierd, deels verguld en deels niet. Voorts liet hij banken voor mannen en vrouwen aanbrengen achter in de kerk (dus westelijk) en een ruim portaal bouwen van steen met leien gedekt. Van de deur van het koor tot aan de westelijke deur liet de abt voorts een vloer leggen van harde natuursteen. Ook zorgde hij voor grote vensters met glas en liet hij voorstellingen van de Passie des Heren aanbrengen aan de voet van het dak. Ook bestelde hij een groot orgel bij Johannes van Zutphen en herbouwde van de fundamenten af ‘transitum ecclesie ex parte aquilonari’ en liet het rondom bevloeren. Wij menen dat hier bedoeld wordt dat de noordelijke arm van het pandhof herbouwd werd en de gehele pandhof bevloerd werd. De muren werden rondom gewit, ‘evenals in de kerk’. Ook het kapittelhuis werd nieuw gedekt en abt Paulus richtte de bibliotheek in op de verdieping. Het dak werd met een nieuw soort dakpannen gedekt, tuimelaars geheten. Voorts wordt nog uitgeweid over de nieuwe kamers voor personeel en gasten die gebouwd werden, evenals nieuwe stallen, de molen en de brug.

Een aanvulling vermeldt nog dat abt Paulus het brouwhuis en het armenhospitaal liet herbouwen en twee altaren liet plaatsen ‘in sollario ante chorum’ het verlichte gedeelte van de kerk voor het koor, dus onder de vieringstoren.

Conclusie bouwgeschiedenis

Uit hetgeen wij uit de tekst aangehaald hebben, menen wij op te maken dat de kerk, die in het derde kwart van de dertiende eeuw in baksteen voltooid werd, toen tevens in steen ge-

[p. 166]

welfd zal zijn. Over de vorm van de koorsluiting hebben wij geen zekerheid, wel waren er blijkbaar in de 16e eeuw ‘drie koren’. De plattegrond van het moederklooster Steinfeld had een absidiaal gesloten hoofdkoor en aan beide dwarspanden telkens twee kapellen. Het schip was daar driebeukig. Uit de tekst over de werkzaamheden in de 16e eeuw lezen wij dat de gewelven afgebroken werden omdat ze te laag waren en op veel ribben rustten. In een driebeukige kerk zoals te Steinfeld en Klaarkamp grijpen de gewelven niet zo laag aan dat ze hinderlijk kunnen zijn voor de ruimte. Wij menen daarom dat de kerk van Mariëngaarde eenbeukig was, zoals ook uit de afbeeldingen op de kaart van de Bildtlanden te zien is. Het dwarspand zal dan ook niet zo breed geweest zijn als te Steinfeld en mogelijk slechts van drie absiden voorzien zijn geweest, zoals gebruikelijk in Friesland. Ook de tufstenen kerken van Dokkum en Leeuwarden hadden blijkens de gevonden plattegronden dwarspanden of aanbouwen met een absidiale sluiting aan de oostzijde. De uitdrukking rechthoekig bij Sibrandus Leo zal dan betrekking hebben op de vorm van het opgaande werk van het kerkschip en niet op de plattegrond.

In de 16e eeuw werd de kerk inwendig ruimer door de doorgaande houten overwelving en kwamen er hogere en grotere vensters in, die naar alle waarschijnlijkheid met gekleurd of gebrandschilderd glas bezet waren. Met de kleurige vloer in het koor, de deels vergulde altaarretabels en de voorstelling van de Passie onder de voet van het dak, dus waarschijnlijk als wandschildering, kreeg de kerk in de 16e eeuw een rijk versierd interieur in tegenstelling tot de strakkere vormen van het romaanse gebouw.

In het Fries Museum berusten:

Bouwfragmenten

Sedert 1908 (80e jaarverslag Friesch Genootschap) een geel/bruin geglazuurde, enigszins wigvormige vloertegel met de voorstelling van een olifant met gevechtstoren op de rug, inv. 1332; afm. 16,5 × 11,8, dik 3 cm. van roodbakkende klei, xiii (afb. 211). Een tweede exemplaar bezit het museum Princessehof te Leeuwarden.

Een geel/bruin geglazuurde tegel met de voorstelling van twee fabeldieren, wier staarten elkaar omstrengelen, 18,5 × 15 × 3,5 cm. inv. 1408a (83e jaarverslag Friesch Genootschap 1912) xiii (afb. 210).

Een baksteen met glazuur waarin gegrift ‘de cilva’ inv. 1408 b.

Twee schijfvormige geglazuurde bakstenen hg. 19, diam. 14 cm, inv. 1408c (83e Jaarverslag Friesch Genootschap 1912, N. Ottema in Vrije Fries 1932, 59).

Sedert 1917 (88e en 89e Jaarverslag Friesch Genootschap tevens in Vrije Fries 1917, 210 en 1918, 179): een vloertegel met rank- en bloemornament in relief, 13,5 cm vierkant, xiv, inv. nr. 1951 (afb. 212).

Een fragment van een vloertegel met sterornament in relief, 15,5 cm vierkant, inv. nr. 1952, decoratie als afb. 110-111 nr. 4 doch diagonaal op de tegel geplaatst.

Fragment van polychrome muurtegel, inv. nr. 1953.

21 profielstenen inv. nr. 1957. Profielsteen met rode, witte en grijsblauwe strepen beschilderd inv. nr. 1955. Deze waren ten tijde van de bestudering van de stof niet beschikbaar. Uit de collectie Ottema-Kingma berust in het Fries Museum: een baksteen met geboetseerde gemijterde figuur, 28 × 11,4 × 7,5 cm (afb. 209). De bovenzijde van de steen is ongeveer 2,5 cm uitgediept met uitsparing van de schrijdende figuur. Rond de uitsparing is als omlijsting een dubbele lijn gegrift. De figuur draagt een lange kromstaf die diagonaal door het reliëf loopt en eindigt in een binnenwaartse krul; de linkerhand steunt hem. De rechterhand is in zegenend gebaar geheven. Het hoofd dat door een verdiept aureool omgeven is, is gedekt door een mijter van lage driehoekige vorm, zoals eind 12e-13e eeuw gebruikelijk was; de fasciae hangen van de slaap af. Het gelaat dat de beschouwer aanziet is geschonden. De albe heeft smalle manchetten; de kazuifel wordt door de armen opgenomen; over de schouders hangt het pallium. De dracht doet ons concluderen dat het om een heilige bisschop gaat; in dit klooster zal de steen dan de H. Norbertus voorstellen. (vgl. Leeuwarden 1435-1935, Gedenkboek, Leeuwarden 1935, blz. 47). De steen zal uit het inwendige van het bakstenen gedeelte van de kerk stammen, xiiia.

In de collectie Ottema in het Museum Princessehof bleven een aantal bouwfragmenten van gebakken klei en enige tegels bewaard, die door Ottema in 1947 in tekening zijn afgebeeld, doch zeer ongelijk verkleind (afb. 152). De profielstenen zijn in 1977 overgedragen aan het Fries Museum; zij zijn duidelijk met de hand gesneden in de vochtige klei en blijken onderdeel uitgemaakt te hebben van traceringen in cirkels van ongeveer 56 cm doorsnede, die blijkens de deels tweezijdige profilering open geweest moeten zijn (afb. 153 a-f). Zij zijn aan een zijde geglazuurd met een geel-bruine loodglazuur. Aan de fragmenten van

[p. 167]



illustratie

Afb. 152. Klooster Mariëngaarde. Bouwfragmenten uit collectie Ottema naar publikatie in 1947.


blad c en f van de reconstructie blijkt er, mogelijk later, glas gestaan te hebben dat direct met specie in de sprong gehecht was aan de geglazuurde zijde. Mogelijk stonden deze cirkels ofwel in de top van brede spitsbogen, waarvan dan verder niets teruggevonden is, ofwel in de zwikken tussen de spitsbogen van een kloostergang. Het komt ons niet onmogelijk voor dat deze traceringen met asymmetrisch profiel tot de verbouwing in de jaren rond 1525 behoren. Ook de flauw gebogen fragmenten, die een fries gevormd kunnen hebben of aan de binnenzijde van wijde spitsbogen gelopen kunnen hebben, kunnen tot de bouwfase behoord hebben, waarvan ons door de bronnen data bekend zijn.

Het fragment van een klein bakstenen gegroefd kolommetje met gewrongen lijst behoort tevens tot deze serie; het kan een deelzuiltje zijn geweest of aan een oxaal of altaar toegepast zijn geweest. Het voetstuk met hoekbladen is ons nog niet onder ogen gekomen evenmin het bij Ottema rechts daarvan afgebeelde kapiteel.

Van de bij Ottema afgebeelde tegels is nr. 9 niet van Mariëngaarde doch van Foswerd afkomstig, zie blz. 102.

Glas in lood

Restanten glas in lood met gotische versiering van klimopbladeren (N. Ottema in: Een kwart eeuw... blz. 447) Coll. Princessehof, Leeuwarden.

Een fragment van een baksteen (13 × 15 × 9 cm) met in de vochtige klei gesneden masker, xii-xiii, (afb. 213), Museum Admiraliteitshuis te Dokkum.

Wijnkruik

Dit museum bezit voorts sedert 1950 een toen uit de kunsthandel afkomstig wijn- of bierkruikje, een zg. Siegburger Schnelle, hoog 23 cm, diam. 5 en 9 cm (afb. 214-217). Op de kruik staan voorstellingen van de Kruisiging, de Graflegging en de drie vrouwen aan het Graf. Soortgelijke kruiken van Siegburger steengoed gesigneerd door F. Trac zijn in het Hetjens Museum te Düsseldorf (E. Klinge, Siegburger Steinzeug, Katalog des Hetjens Museums, Düsseldorf 1972, nrs. 239-254). De onderhavige kruik moet in de zeventiger jaren gedateerd worden. Ter vervanging van de oorspronkelijke bolle deksel is op dit exemplaar een vlakke zilveren deksel gemonteerd met opschrift ‘Marigaerde Clooster 1560’; de deksel draagt zilvermerken Leeuwarden, meesterteken Joh. Foppes, na 1649 (Voet nr. 413). De deksel is kennelijk later pas op de kruik gemonteerd mogelijk van een andere (gebroken) kruik afkomstig. De kruik zou afkomstig zijn van de laatste bewoners van Burmaniahuis te Leeuwarden (mededeling G. Elzinga).

[p. 168]



illustratie

Afb. 153. Klooster Mariëngaarde. Reconstructie van cirkelvormige openingen en lijstwerk, uit fragmenten in collectie Ottema samengesteld en getekend door W.J. Berghuis 1977.


[p. 169]



illustratie

[p. 170]

Mariëngaarder molen

De molen, die door abt Taco vernieuwd werd, wordt op de kaart van de Bildtlanden (afb. 205) even ten zuiden van de kloosterkerk afgebeeld als standaardmolen. De kaart van Schotanus geeft een molen weer aan de Finkummervaart. Op de Topogr. kaart van 1860 komt de molen niet meer voor.

Latere lotgevallen van het terrein

Volgens een vermelding bij Wumkes is in 1804 afgebroken een grote huizinge met schuur genaamd het ‘Mariëngaarderklooster’. De kadastrale minute geeft het terrein weer verdeeld in twee grote en vier kleine percelen, welke laatste in de noordwesthoek liggen. Op twee hiervan wordt een opstal getekend, die gelijk kan zijn aan de door Rademaker weergegeven ruïne, met dien verstande dat Rademaker dan de noordmuur te kort tekent en de het terrein omringende muur als rond weergeeft (afb. 219).

Kloosterhospitaal

Het lijkt mogelijk dat we hier te doen hebben met de oude ingang van het kloosterterrein, waar dichtbij het hospitaal ‘domus pauperum sive hospitale’ gestaan kan hebben dat door abt Paulus herbouwd werd (Gesta Abbatum, blz. 260). Het hospitaal wordt in één zin vermeld met de brouwerij. Mogelijk was die in het blinde ondergedeelte van het gebouw gevestigd en de armekamers erboven.

De in 1804 afgebroken huizinge met schuur kan op het zuidwestelijke terrein van Mariëngaarde gestaan hebben.

Een tekening van P.I. Portier in de coll. Fries Museum, Waterput bij Mariëngaarde geheten, lijkt op geringere afstand van Hallum getekend te zijn en een terp met waterput weer te geven die aan de westzijde van een weg was gelegen. Wij menen dat deze niet Mariëngaarde voorstelt. Zie verder blz. 172 onder ‘Schierstins’.

Boerderij Mariëngaarderweg 45

Thans staat op het terrein een boerderij van het kop-hals-romptype met lang voorhuis, dat in het midden een kelder bevat (afb. 218). Hoewel dit type reeds in het begin van de 19e eeuw en mogelijk reeds eerder voorkomt in deze streek, moet de boerderij van na plm. 1832 dateren, daar de kadastrale minute een ander gebouw weergeeft. Het voorhuis van de boerderij is deels opgemetseld uit herbruikte moppen.

Boerderij Mariëngaarderweg 47

Onmiddellijk ten zuiden van het terrein van Mariëngaarde staat een boerderij, die in de schuurgevel een stichtingssteen bevat uit 1868, gelegd door Maartje Jans Jeppes. Het binhús is jonger.

Oude Leije

Oude Leije

Aan de uiterste zuidwestzijde van de gemeente behoort een rondom door het gebied van andere gemeenten begrensd gebied tot Ferwerderadeel. Deze situatie moet historisch gegroeid zijn (afb. 205 en 395).

Litteratuur

r.v.a. i, 106, iii, 24.

Een kapel op de Leije wordt in 1540 genoemd in het Register van den Aanbreng. In de voorgaande passages zijn diverse bewoners en de priester ‘Opper Leije’ vermeld onder het hoofd ‘Dit naebeschreven zijn die huijssteden opper Leije die de Abt van Mariëngaarde aldaer heeft liggende op Ferwerderadeels zijde’. In 1511 kwam slechts één naam voor ‘Opper Leije’ waarvan de ‘Keller to Mariëngaarde’ landheer was. Wij mogen dus aannemen dat het een ontginningsgebied van Mariëngaarde betreft. Leije betekent dan ook een bij eb water houdende plaats in het wad. (W. Dijkstra, Friesch Woordenboek).

De kaart van de Bildtlanden beeldt een sobere kapel af zonder toren. Latere afbeeldingen zijn niet bekend evenmin als latere vermeldingen. Waarschijnlijk is de kapel bij de Reformatie ten onder gegaan.

Te water was Oude Leije met Finkum verbonden door de Finkummer Vaart en buitendijks door de Leijster vaart naar Oude Bildtzijl. De bebouwing is gegroeid langs de vaart en langs de dijk.

Oan e Slinke 2

Aan het pad langs de Finkummer Vaart staat een boerderij met een 18e-eeuws voorhuis in 1976 gerestaureerd (afb. 223-225). In de gevel is een gevelsteentje aangebracht met 1769. Inwendig betimmering met getoogde deuren tussen ionische pilasters en schoorsteenmantel met schilderstukje, xixa.

Voormalig klooster Genezareth of Nazareth

Klooster Nazareth of Genezareth

Klooster Nazareth was een priorij van Klaarkamp (in Dantumadeel bij Rinsumageest) en lag volgens een plaats in de kroniek van Mariëngaarde tussen de abdij Mariëngaarde ten westen en het cenobium Bethlehem ten oosten. Het terrein is gelegen aan de weg naar Bartlehiem (afb. 221 en 222).

[p. 171]

Litteratuur

r.v.a. i, 105, iii, 3 e.v.; Gesta Abbatum orti S. Marie, 190 e.v., 201; M. Schoengen in a.a.u. 1903, 138; R. Post in a.a.u. 1923, 220; Sibrandus Leo, Abtenlevens 15; Mon. Bat. iii, 54.

Geschiedenis

Het klooster is kort voor of in 1191 gesticht door de tweede abt van Klaarkamp. In de Gesta van Mariëngaarde lezen we in het leven van abt Jelgerus de geschiedenis van een twist tussen Mariëngaarde en Klaarkamp in 1240 over een stuk land. Beide kloosters brengen bemiddelaars mede, die verwanten zijn van zusters uit het klooster Nazareth. Wybrand en Kempo Kempinga zijn tevens zusterskinderen van abt Sidachus van Klaarkamp en van Bava priorin van Nazareth. Een oudere generatie Wybrand Kempinga was begraven in Nazareth: hij was een oom van abt Jelger van Mariëngaarde. Het lijkt er op dat we aldus meer met een familietwist te maken hebben dan met een tegenstelling tussen twee kloosters.

In de 16e eeuw bezat het convent blijkens de Registers van den Aanbreng veel grond.

Bouwfragmenten

Ongeglazuurde tegel 15,8-16,5 × 14-14,5 cm, dik 3,5 cm met de voorstelling van twee dieren ter weerszijden van een levensboom, Fries Museum, in 1888 binnengekomen als geschenk van A. Cannegieter te Hallum (afb. 220).

Een geglazuurde tegel versierd met figuren in het Fries Museum, Inv. 735b was ten tijde van ons onderzoek niet beschikbaar.

Boerderij klooster Genezareth

Op het deels omgrachte terrein staat een boerderij van het kop-hals-romptype, zoals ook de kadastrale minute weergeeft. Het voorhuis heeft in de voorgevel de vensters aan een zijde staan, zodat aanvankelijk langs de noordelijke muur een kelder met bedsteden erboven geweest zal zijn.

Overige terpen en de bebouwing daarop

Bangma State op terprestant

Aan de Wildelandseweg ten zuiden van Marrum ligt een als archeologisch monument beschermde terp uit de voor-Romeinse ijzertijd (afb. 397). Op de terp staat de boerderij Bangma State van het kop-hals-romptype met lang binhús, dat blijkens de vensterindeling oorspronkelijk een kelder in het midden had. Het voorste gedeelte is gemoderniseerd en heeft een ingangsdeur tegenover het keldervenster. De boerderij zou uit 1887 stammen.

Verhoogde woonplaatsen

Aan de Hoge Herenweg is ten noorden van Feitsma State in de hoek met de Noorderleegster oprit een als archeologisch monument beschermde verhoogde woonplaats uit de 12e-13e eeuw gelegen (afb. 397).

In de hoek met de Wijbengaloane is eveneens een als archeologisch monument beschermde verhoogde woonplaats gelegen uit de 12e-13e eeuw (afb. 397).

Aan de Noordermiedweg bij de westelijke eendenkooi ligt een als archeologisch monument beschermde verhoogde woonplaats uit de Middeleeuwen (afb. 397).

Overige terpen

Halbertsma geeft bovendien nog een terp aan ten oosten van de Mariëngaarderweg tussen Zijlsterlaan en Roodschuursterlaan, een ten noorden van Ondersma, een recht ten zuiden van Hallum aan de zuidelijke oever van de Hallumer Trekvaart, twee in de Noordermiedpolder op gelijke afstand ten westen van beide eendenkooien en twee in de Zuidermiedpolder, benevens de terp Jousumburen ten noordoosten van Hallum. (Terpen kaart 5 oost en 6 west). Voorts geeft hij nog een derde stinswier Walta geheten ten noorden van de stinswier Donia (voor de beide andere zie resp. Donia State en Mariëngaarderweg 2).

De states

Donia State

Een kwartier gaans ten westen van Hallum lag Donia State aan de nu daarnaar genoemde weg. Het stinsterrein is als archeologisch monument beschermd 12e-13e eeuw en is volgens Halbertsma een stinswier (Terpen kaart 6 west) (afb. 227).

Litteratuur

r.v.a. i, 106, iii, 12; Sipma iv, 104; Wumkes ii, 43.

Bron

Handschrift D. Cannegieter, p.b. Leeuwarden; gegevens verstrekt door drs. J. Visser.

Geschiedenis

In 1511 wordt door Heyna Donie land aangebracht waarvan de landheer Ruurd Donia is. In 1540 gebruikt Rewerdt Aebinga die landen ‘nu als eigen’. Ruurd was een zoon van Hilck Donia, die volgens acte van 1494 gehuwd was met Schelte van Aebinga, en een dochter was van Romcke Jelmera van Ameland, die in 1463 in de toren van Hallum verbrand was (Occo v, 205).

[p. 172]

Romcke zou een zoon zijn geweest van Rixt van Cammingha, die op Donia gewoond zou hebben. Het slot van Ruurd van Aebinga was volgens Cannegieter uit het water opgetrokken; in de kelders zou een rosmolen geweest zijn, mogelijk betreft dit echter Offingaburg, zie blz. 158.

Donia State zou door de Dokkumers in 1522 verbrand zijn. Ruurds zoon Hette stierf in 1575 en werd opgevolgd door zijn zoon Schelte en gelijknamige kleinzoon. In 1656 zou Donia reeds een boerenplaats geweest zijn. Schelte van Aebinga immers woonde op Offingaburg, zie aldaar. In 1708 komt Donia dan ook in tegenstelling tot States Goslinga, Feitsma, Sythiema als ‘plaats’ voor in het stemkohier. De dochter van Schelte van Aebinga huwde Tj. van Camstra; via hun zoon Tj. Homme van Camstra vererfde het goed aan diens dochter, die gehuwd was met de generaal van Schwartzenberg. Zijn zoon Wilco Holdinga verkocht Donia in 1772 aan Duco Martena van Burmania. In 1781 zou het goed op afbraak verkocht zijn, de weduwe Burmania was in 1778 echter volgens het stemkohier nog eigenares.

In 1808 vermeldt Wumkes dat het hornleger verkocht wordt met de daarop staande afgebrande huizinge. In 1818 is J. Tj. Miedema eigenaar van het hornleger met het (blijkbaar herbouwde) huis.

‘Schierstins’

Het Fries Museum bezit een tekening door P.I. Portier voorstellende een ruïne waartegen een schuur staat en een klein huis, dat blijkens de stoffering een boerderij was of een herberg (afb. 228). Op de voorgrond een man bij een waterput. Op de achtergrond kerk en toren van Hallum, een molentje en een grote boerderij. Het huis op de voorgrond staat kennelijk op een terp waar een weg langs loopt. In de middengrond ziet men oplopende akkers. De ruïne waartegen de schuur is gebouwd heeft slechts een groot venster en vertoont bovenaan smalle openingen als van schietgaten. Het ziet ernaar uit dat we te doen hebben met het overblijfsel van een stins. De situatie wijst op een terrein in de buurt van Ondersma State. Op de kaarten van Schotanus en Eekhoff staat daar aangegeven ‘Schierstins’. Onder het in 1511 aangegeven landbezit te Hallum komt geen eigendom van Klaarkamp voor, wel van Genezareth. Wij nemen aan dat Genezareth op die plaats goed verworven had, waarop een stins stond.

Uniapoort

Ten noordoosten van ‘Schierstins’ staat op de kaart van Schotanus als stemdragende lege plaats Unia aangegeven. Winsemius vermeldt in zijn ‘Beschrijvinge’ die toegevoegd is aan zijn ‘Chronique’ uitgegeven te Franeker in 1622 dat de meting voor de grietenijkaart gedaan is van de Uniapoort, omdat die zeer hoog was. Het is ook mogelijk dat de door Portier afgebeelde ruïne in plaats van een ‘Schierstins’ geheten bouwwerk deze Uniapoort zou voorstellen welke naam dan aan een stinsvormig gebouw gegeven zou zijn.

Feitsma State

Hoge Herenweg 35

Aan de Hoge Herenweg ten noordoosten van Hallum lag Feitsma State, thans een boerderij (afb. 227 en 229-233).

Litteratuur

r.v.a. i, 109, iii, 7 e.v.; Tegenw. Staat ii, 193; Wumkes i, 46.

Bronnen

Handschrift D. Cannegieter, p.b. Leeuwarden. Bewerking genealogische gegevens door drs. J. Visser.

Afbeeldingen

Tekening door J. Stellingwerf 1722 in coll. Fries Museum (afb. 230).

Proceskaart van Feitsma State en Oldersma State en de bijbehorende landerijen r.a. Leeuwarden, invent. van de Pol nr. 55 (afb. 229).

Geschiedenis

Feitsma goed wordt in de Aanbreng van 1511 genoemd op naam van Wyger van Feitsma; deze zou volgens het Handschrift Burmania gehuwd zijn geweest met Auck Mercla, die eerst gehuwd was geweest met Tacke van Mockema; zij was volgens een sententie van 1527 een dochter van Luts van Feitsma.

Na 1540 is de eigendom beter te vervolgen: Jelger van Feitsma, die in 1540 in de Aanbreng voorkomt met aantekening in de kantlijn ‘Gerbada’, woont in 1556 volgens een acte (not. Cleuting) op Feitsma State. Zijn dochter Tieth testeert er in 1576; zij was gehuwd met Hajo van Rinia en vervolgens met Minne van Scheltinga. Volgens Cannegieter was er op Feitsma State een glasruitje met de namen van haar gestorven kinderen. Door koop zou de state gekomen zijn aan Jelger Hessel van Feitsma, die er in 1613 testeerde en de state aan zijn zoon Hessel bij diens huwelijk met Frouck van Douma in 1602 reeds geschonken had. Volgens Cannegieter zou het goed toen omschreven zijn als ‘huys, hiem, hoff, gracht en cingel’. De vermelding in de Tegenw. Staat berust kennelijk op de gevel-

[p. 173]

steen die nog in de topgevel van de boerderij staat en de initialen van Hessel en Frouck draagt benevens hun wapen en het jaartal 1602. Een zuster van Frouck, Saep geheten, erfde reeds in 1607; daarna is Ruurd, zoon van Hessels broeder Bocke eigenaar. Mogelijk verwierf hij het goed uit de decretale verkoop van 1613 waarbij het huis omschreven wordt met ‘huys, schuur, graft, valbruggen, cingel, homeien en drie schone tuinen’. Ruurd was gehuwd met Machteld van Roorda met de baar; zij worden op de torenklok van 1648 vermeld en wonen in 1650 op de state (Wumkes i, 46). Ruurd geeft volgens het opschrift opdracht tot meting van Feitsma- en Oldersma State door Sijds Jans; van deze kaart is een copie bewaard uit 1734. Het state-terrein wordt omgracht weergegeven met een toegangspoort over de noordelijke gracht. Machteld van Roorda testeert aan Julius van Eysinga, een zoon van haar zuster Bauck, waarna de state aan diens zuster komt, die er in 1691 testeert aan haar zuster Lucia. Zij bezit in 1698 de stem van Feitsma State en sterft er in 1718. Een zustersdochter Johanna Beatrix van Sytzama erft; zij huwt B.H. van Voss thoe Beesten, aan wie het huis volgens Stellingwerf in 1722 toebehoorde. De weduwe van hun zoon woont er in 1764 nog; in 1766 worden oude pannen van Feitsma gebruikt bij de bouw van een brug. Daar er verder niets bekend is over het huis, is het mogelijk toen afgebroken. De eigendom is in 1768 in handen van Duco Martena van Burmania van Goslinga State en vererft verder als dat huis.

Gebouw

Volgens de afbeelding van Stellingwerf was Feitsma State een enkelvoudig huis, dat men eind 16e vroeg 17e eeuw zou dateren. Dit zal dus nog het huis zijn geweest dat Hessel van Feitsma bouwde. Het bestond uit een door een zadeldak gedekt huis zonder verdieping, waarvan de linkerhelft onderkelderd was. Boven de toegang, die langs een trapje bereikbaar was, was een zg. Vlaamse topgevel. De rechterhelft van het huis was niet onderkelderd en had daardoor diepere vensters. Van een traptoren is niets te zien. Over de gracht stond het gebruikelijke toegangspoortje, hier van een halsgevel voorzien, dus waarschijnlijk in de loop van de 17e of zelfs van de 18e eeuw gemoderniseerd.

Boerderij H. Herenweg 35

Op het omgrachte terrein staat thans een grote boerderij van het kop-hals-romptype (afb. 231 en 232). Het kopgedeelte heeft tot voor kort in het midden een kelder met opkamer gehad. Aan de topgevels zijn aanzetkrullen verwerkt, die waarschijnlijk van het voormalige poortgebouwtje afkomstig zijn, evenals de steen met alliantiewapen Feitsma-Douma en de initialen h.v.f en f.v.d. en 1602 (afb. 233).

Oldersma State

Ten zuiden van Feitsma State lag aan de Hoge Herenweg Oldersma State. De copie uit 1734 van een landmeting opgedragen door Riverdt van Feitsma van Feitsma State (zie Feitsma State) geeft ook de landerijen van Oldersma State. Het state-terrein wordt daar (midden 17e eeuw) reeds niet meer omgracht weergegeven en heet in het bijschrift Oldersma Sate. De bijbehorende landerijen omvatten vier percelen die als opstrekkende erven in elkaars verlengde liggen tussen de Herenweg en de zeedijk.

Jayma State

Jayma State lag bij Feytsma aan de Hereweg (afb. 227).

Litteratuur

r.v.a.i. 107, 109, iii, 15.

Bronnen

Handschrift D. Cannegieter in p.b. Leeuwarden.

Geschiedenis

In 1511 bezit Gabbe Jayma landerijen en wordt zijn huisstee aangegeven; in 1540 is hij meijer van Harmen Quakenbrug's erfgenamen voor dezelfde landen die in 1511 door Gabbe zijn aangegeven. Volgens Cannegieter behoorde de state in 1640 aan de erven Beyers en A.A. Camp, in 1670 aan Duco Martena van Burmania en in 1698 aan Hessel van Eminga; in 1728 aan Vrouwe van Scharrenberg en in de 19e eeuw aan Mevr. Looxma weduwe Ypey. Op het terrein staat thans een moderne boerderij.

Gerbada of Douma State

Gerbada State lag ten zuiden van Hallum bij de Hallumervaart en heet ook Douma State naar de bewoners. Op de kadastrale minute is het terrein duidelijk te herkennen (afb. 235).

Litteratuur

r.v.a.i. 106, iii, 7; Wumkes i, 373, 403, 405, 414.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf 1723, coll. Fries Museum (afb. 236).

Bronnen

Handschrift D. Cannegieter in p.b. Leeuwarden.

Geschiedenis

De goederen, die in 1540 van Jelger Feytsma zijn, en volgens een kanttekening in het Register van den Aanbreng Gerbada heten, waren in 1511 aangebracht door Ids Emingha

[p. 174]

dochter. Jelger was gehuwd met Claer van Eminga, Ids dochter. Hun dochter Saep huwt Epo van Douma wiens goederen verbeurd verklaard werden, daar hij naar Emden uitgeweken was. In 1605 woont echter Barthold van Douma op Douma State; hij was gehuwd met Saep van Douma, die hem tot 1654 overleefde. Hun zoon Erasmus erfde in 1615 en liet Douma State bij zijn dood in 1631 na aan Edzard, zoon van zijn broeder Epo, Grietman van Ferwerderadeel tot 1659. Epo gehuwd met Sjouk van Hiddema wordt met vijf andere statebewoners als Grietman vermeld op de kerkklok van 1648. Het goed omvat dan huis, hornleger, bepoting, visserij en zwanenjacht etc. Edzard stierf in 1676 en liet het huis na aan zijn broeder Barthold, die in 1649 zijn vader opvolgde als Grietman en in 1659 gehuwd was met Dorothea Crack.

Gebouw

Een van hun schoonzoons Duco Martena van Burmania huurde de state, doch stierf een jaar na Dorothea. In de 18de eeuw behoort Douma dan aan de nazaten van een andere schoonzoon, van Sixma geheten. De laatste eigenaar was de kapitein du Tour van Bellinchave, die het huis deed afbreken. Hij was in 1792 gehuwd met Ducona van Sixma, dochter van A.T.R. van Sixma en Albertina du Tour. In 1792 wordt een fraai hek op blauw arduinstenen voetstuk alsmede een houten prieel met zitbanken te koop aangeboden, getimmerd in 1791. In 1794 is Douma State op afbraak te koop en in 1796 wordt nogmaals afbraak aangeboden waaronder een prieeltje of Turkse tent.

Volgens Cannegieter zou de state eerst omstreeks 1850 zijn afgebroken. In de tuin van de pastorie stond nog lang een wapenleeuwtje van Douma State. Het beplante terrein heette in de volksmond het Sixmabosch.

De tekening van Stellingwerf geeft een duidelijk herkenbaar gebouw weer: een middeleeuws of 16e-eeuws gedeelte, mogelijk een stins, waartegen blijkens de gezwenkte eindgevel in de late 16e of vroege 17e eeuw een lage vleugel is gebouwd, waarvan de vensters in nissen stonden. Over de gracht de algemeen toegepaste toegangspoort met familiewapens. Waarschijnlijk is in het tweede kwart van de 17e eeuw de gevel van het huis verfraaid met pilasters en een ingangspoort in de trant van Hendrick de Keyser waarop de familiewapens waren gehouwen benevens twee topgevels. Als bouwheer zou dan Edzard van Douma in aanmerking komen, die het goed immers in 1631 erfde.

Op het stinsgedeelte kwamen later fraai gesneden bekroningen van de schoorsteenborden.

Ondersma State

Op de grens van Ferwerderadeel en Leeuwarderadeel ten noorden van Hijum stond Ondersma State, naar de bouwheer ook het Huis Jongstal of, naar de gang van zaken, het Huis van Berouw genoemd (afb. 237).

Litteratuur

r.v.a. iii, 15, Tgw. St. ii, 92; D. Cannegieter in f.v.a. 1887, 120.

Afbeeldingen

Tekening door J. Stellingwerf met onderschrift: Het huis van Berouw van den Heer Jongestal onder Hallum in Ferwerderadeel in Oostergo; tekening door J. B(ulthuis) 1786 en litho daarnaar door D. Cannegieter uitg. Mulder Leiden, alle in collectie Fries Museum te Leeuwarden (afb. 238).

Geschiedenis

Cannegieter vermoedt dat Walter de Underthum, die genoemd wordt in het leven van abt Ethelger van Mariëngaarde afkomstig was van een plaats waarnaar ook Ondersma genoemd is. In 1540 komt de Ondersmaterp voor in de aanbreng: Jijme Jaijma gebruikt als eigenaar onder andere een pondemaat op deze terp. Hoewel deze in 1511 niet aangebracht zijn, heeft hij toch altijd reeds ervoor betaald, verklaart hij. Eerst een eeuw later horen wij dat Allard Pieter Jongstal daar een huis bouwde, door Schotanus een hofstede genoemd. A.P. Jongstal was in 1612 te Stavoren geboren als Pieter Jongstal; door een oom werd hij in 1635 geadopteerd onder de naam Allard. Hij studeerde te Franeker en Leiden, werd advocaat te Leeuwarden en raadsheer in het Hof van Friesland. Hij huwde Margrieth van Haren uit Blija, wier moeder Magdalena van Vierssen was. In 1653 is hij door Willem van Nassau, stadhouder van Friesland, in het gezantschap naar Engeland afgevaardigd; zijn stadhouderlijke gezindheid werd hem daar niet in dank afgenomen en hij trok zich tenslotte terug. Later werd hij nog afgevaardigd naar de vredesonderhandelingen te Breda. Ook in 1672 heeft hij als president van het Hof mede de beslissing genomen Friesland te verdedigen.

Het huis te Hallum moet uit zeer ruime beurs gebouwd zijn geweest. Volgens een niet nader gedateerde door Cannegieter genoemde acte zou het huis voorzien geweest zijn van ‘poorten, gragten, cingels, homeyen, ringmuren, boomen en plantagien, mitsgaders bloe-

[p. 175]

men- en keukentuinen, schiphuis c.a’. Op het platte met zink beslagen dak vond men een bassin met goudvisschen.

Het huis vererfde op zijn zoon Gellius Wybrandus, gedoopt in 1653 en gehuwd met Ida Lezacn van Wissema, dochter van Sape en Frouck van Burmania. Gellius was sedert 1673 Grietman van Hemelumer Oldephaert doch hij stierf te Hallum in 1668. Het Huis vererfde volgens het testament van Allard Pieter wederom op de oudste zoon, Pieter geheten; deze was gedoopt in 1676 en overleed voor 1708. In 1698 behoort de stem van het huis aan W. van Haren en Bruno van Viersen als curatoren over de kinderen Jongstal (stemkohier).

Zijn echtgenote Wilhelmina Coenders had hem een zoon Pieter geschonken die erfgenaam werd. Als weduwe hertrouwde zij Gellius Wybrandus van Aytta, bij wie zij nog drie kinderen kreeg. De erfgenaam moet vrij jong zijn overleden, want na zijn dood procedeerde de stiefvader ten behoeve van zijn kinderen en werd in 1741 in het gelijkgesteld ten nadele van een neef, aan wie Pieter ii de bezitting had nagelaten. Het Huis moet omstreeks die tijd reeds zijn afgebroken, want in 1751 wordt Ondersma State bij een verkoping door de kinderen Aytta reeds een boerenhuizinge genoemd. De Tegenw. Staat uit 1785 spreekt echter van ‘onlangs’ afgebroken door den Majoor Aytta; deze overleed in 1773.

Gebouw

Volgens de afbeeldingen was Ondersma State een rijzig vierkant gebouw onder een omgaand zadeldak met vier hoekschoorstenen. Het middenrisaliet was gedekt door een tympaan en de voorgevel geleed door pilasters van de grote orde. Boven de vensters worden afwisselend driehoekige en halfronde tympaans getekend. Het huis lijkt op een lage onderverdieping te staan. De smalle vensters en de smalle ingangspartij wijzen met de doorgaande pilasters op een bouwtijd omstreeks 1640, zodat het jaartal 1640/8 dat voorkomt op het toegangspoortje, dat nog op een dam in de omgrachting staat, juist zou kunnen zijn. De tuin was blijkens die afbeelding geheel ommuurd met op gelijkmatige afstanden kleine paviljoens.

Wanneer het Huis de bijnaam Huis van Berouw heeft gekregen is onduidelijk. Gellius Wybrandus wiens vrouw niet onbemiddeld was (van haar ouders is de toiletspiegel met zilveren wapenschilden op de rand uit 1670 bekend, thans in het Fries Museum) heeft er althans de laatste jaren van zijn leven tot 1688 gewoond.

Boerderij Ondersma

Op het deels nog door grachten omringd terrein staat een grote stelphoeve, mogelijk van kort na 1870. Het in 1843 gebouwde woonhuis van de boerderij zou toen afgebroken zijn om naar de stad Leeuwarden overgebracht te worden. De schuur was in 1838 herbouwd, nadat de vorige was afgebrand.

Onbekende State

Onbekende state in 1723 behorend aan Titus Sloterdijk.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf 1723 in coll. Fries Museum (afb. 234).

Bron

Handschrift Cannegieter p.b. Leeuwarden.

Geschiedenis

Cannegieter weet te melden dat T. Sloterdijk in 1702 huwde met Titia van Idsinga en dat hij na haar dood in 1722 een tweede huwelijk aanging met Geertruid van Haersma uit Driesum. Bij zijn eerste echtgenote had hij een zoon Harmen Adolf, die in 1742 huwde met Adriana van Idsinga. Ter plaatse van het landhuis kwam volgens Cannegieter later een boerderij te staan, die afbrandde en niet herbouwd werd.

Gebouw

Het door Stellingwerf afgebeelde huis is een eenvoudig herenhuis, dat tegen een boerderij is aangebouwd; achter het lage linkergedeelte ziet men namelijk het schuurdak nog juist oprijzen, een situatie vergelijkbaar met Goslinga State. Het herenhuis heeft een vroeg 17e-eeuws uiterlijk en ligt op een omgracht terrein. Waarschijnlijk hebben we te doen met een state, die door vererving of koop rond 1700 aan de raadsheer T. Sloterdijk is gekomen, mogelijk een oud Idsinga goed. De Schotanuskaart vermeldt de state niet onder deze naam.

Belangrijkste overige boerderijen en de eendenkooien

Mariëngaarderweg 2

Grote boerderij van het kop-hals-romptype gelegen op een terrein grenzend aan een omgrachte heuvel, die door Halbertsma als stinswier wordt aangeduid (Terpen, kaart nr. 5 Oost). De kaart van Schotanus geeft twee gebouwen op deze plaats. De boerderij is in 1975-'77 gerestaureerd met rijksbijdragen (afb. 227 en 239-246).

Beschrijving

Het voorhuis is gevat tussen topgevels bekroond door schoorstenen met kappen. De ingangen zijn in de hals en in het midden van het voorhuis aan de westzijde te vinden. De

[p. 176]

grote door pilasters omlijste deur aan de buitenzijde van de boerderij staat voor een kelder en opkamer die in het midden van het voorhuis zijn aangebracht. Deze schijntoegang wordt als lijkdeur aangemerkt. Erboven staat een grote dakkapel die bij de restauratie heraangebracht is, nadat hij korte tijd verwijderd was. Bij die gelegenheid kregen de vensters ook de indeling in 5 × 4 ruiten. De indeling van de glaspanelen rond de ingang in de hals is origineel. Op de achtergevel zijn ankers 1810 te zien, die voor het gehele gebouw kunnen gelden, gezien de detaillering van de deuromlijstingen en het inwendige. In de kamer achter de opkamer is een betimmerde kastenwand met opgenomen guirlande als decoratie en een schoorsteenpartij met dergelijke spiegellijst (afb. 241 en 242). De gang is van ouds belegd met marmeren tegels. In het portaal in de hals tegelwanden met bloemvaastableau, een koetje en een paard, alle uit de bouwtijd (afb 243-245). De schuur is met riet gedekt en heeft oeleborden met zwanenhalzen. In de tuin een theekoepel met kegelvormig rietgedekt dak.

Miedweg 36

Op een omgracht terrein gelegen boerderij van het kop-hals-romptype met kort voorhuis, mogelijk vroeg 19e-eeuws. De top van de voorgevel en de schuurgevel zijn later vernieuwd.

Wierdsma Sate

Aan de Miedweg eveneens op omgracht terrein gelegen boerderij eveneens van het kophals-romptype en geheel van gele steen opgetrokken xviii?; op het voorterrein bakhuisje.

Eendenkooien

Ten noorden van de Miedweg twee eendenkooien, enig overgebleven van de acht ten noorden van de trekvaart getekende kooien bij Schotanus (afb. 395 en 251).

Vijfhuisterdijk 1

Boerderij van het kop-hals-romptype met lang voorhuis volgens ankers in de achtergevel gedateerd 1769 (afb. 247 en 248). De schuur is deels vernieuwd maar in het voorhuis is een betimmerde kasten-bedsteden-wand met paneel- en regelwerk dat uit de bouwtijd kan dateren; deuren xix.

Vijfhuisterweg 19

Boerderij van het kop-hals-romptype met voorhuis dat in het achterste gedeelte onderkelderd is; blijkens de vorm van de vensters is de boerderij in de zestiger jaren van de 19e eeuw gebouwd. Wagenhuis met cirkelvormige tuimelramen (afb. 250).

De poldermolens

Poldermolen Doniaweg 45

Ten zuidwesten van Hallum staat in het waterschap de Hallumerhoeksterpolder een achtkante grondzeiler, genaamd ‘Vijfhuizen’ of ‘Hoekstermolen’, gebouwd in 1846, jaar waarin deze polder tot stand kwam. De molen is thans eigendom van de stichting ‘de Fryske Mole’ (afb. 249).

Litteratuur

Molens van Friesland, 137.

Geschiedenis

In de jaren 1964-1971 vonden diverse herstellingen en vernieuwingen plaats. In 1964 o.a. een nieuwe staart met kruilier. In 1971 werden de roeden opnieuw opgehekt.

Het staande werk

De molen is gefundeerd op stiepen, in het opgaande werk van het onderachtkant lopen zij door en zijn op de hoeken te zien als buitenwerkse pilasters. Hiertussen bevinden zich, koud tegen de stiepen gemetseld, de veldmuren. Het geheel is gemetseld van kleine gele baksteen in kruisverband. In het onderachtkant bevinden zich twee toegangen, één boven de voorwaterloop en één haaks hierop, voorts een klein ovaal venstertje boven de achterwaterloop.

Op de binnenbeëindiging van de stiepen rust het ondertafelment, waarbij het onderachtkant er buiten langs gaat. Het achtkant is met riet gedekt en geheel in grenehout uitgevoerd. Gebouwd volgens het algemeen in ons land toegepaste systeem. Een uitzondering hierop vormen echter de veldkruisen, deze zijn op zuiver Friese wijze gelast; dus niet tot haakse beëindiging bijgesnoten. Volgens de noordelijke bouwwijze voor de grote molens is het achtkant met drie bintlagen uitgerust.

In de basis van de kap is op normale wijze eike- en grenehout verwerkt (het zware balkwerk van eike-, de roosterhouten van grenehout). De spanten en het voor- (later met enkele eiken delen vernieuwd) en achterkeuvelens zijn echter van grenen. De kap is kruibaar op slepers en is met riet gedekt, op de nok liggen vorstpannen (!).

De lange spruit is op noordelijke wijze middelbalk en wordt tevens als ijzerbalk gebruikt. De staart heeft een kruilier. Op de baard is het jaartal 1846 geschilderd; dit jaartal is ook in het riet van één van de velden uitgesneden. Op de windpeluw is eveneens de naam van de molen ‘Vijfhuizen’ geschilderd.

Het gaande werk

Wieksysteem: binnenroe fokwieksysteem Fauël, buitenroe stroomlijnneus, beide met zelf-

[p. 177]

zwichting. Stalen roeden, vlucht 22 m. Doorboorde gietijzeren bovenas, aan het peneind verzwaard met een betonnen manchet.

De molen heeft een conisch gaand werk en een stalen vijzel in een betonnen vijzelkom.

Poldermolen

In de tweede Zuidermiedpolder staat aan de Hallumervaart een achtkante grondzeiler, een boerenmolen gebouwd in 1850, jaar waarin de polder bedijkt werd (afb. 226).

De molen is eigendom van de stichting ‘De Fryske Mole’.

Litteratuur

Molens van Friesland, 150.

Geschiedenis

In 1961 werd een nieuwe roede aangebracht. Tijdens de restauratie van 1972-1973 werden o.a. vernieuwd: de voeghouten, twee delen van de overring en de wachtdeur (‘ebdeur’). Tevens werd de vijzel gerepareerd.

Het staande werk

De molen is op stiepen gefundeerd, deze lopen in het opgaande werk door en zijn op de hoeken als pilasters zichtbaar. Hiertussen bevinden zich de veldmuren. Op de binnenbeëindiging van de stiepen ligt het ondertafelment, met hierop het achtkant; het onderachtkant gaat er buiten langs. Boven de voorwaterloop bevindt zich een toegang, een tweede bevindt zich haaks hierop. Het ondertafelment is voor deze twee toegangen niet onderbroken, wel echter boven de vijzelkom.

Het achtkant is met riet gedekt en geheel uitgevoerd in grenehout. Gebouwd op de middenschreven en voorzien van twee bintlagen.

Mogelijk is het achtkant eens uit elkaar geweest; de bij de middenschreven behorende schuinlopende tanden zijn namelijk later op de algemene wijze haaks afgezaagd.

De basis van de kap, uitgezonderd de roosterhouten, is van eikehout; de spanten zijn geheel vernieuwd. De grenen lange spruit is op noordelijke wijze middelbalk en tevens als ijzerbalk gebruikt. De kap is kruibaar op slepers; de staart heeft een kruilier.

Op de baard is het jaartal van de molen geschilderd: ‘anno 1850’. Dit jaartal is eveneens in het riet van een van de velden uitgesneden.

Het gaande werk

Wieksysteem: oud-Hollands, stalen roeden, vlucht 15,90 m.

Kleine gietijzeren bovenas. Houten vijzel in een betonnen vijzelkom.

[p. 178]



illustratie

Afb. 154. De Hervormde kerk van het zuiden gezien. Het kerkgebouw is behoudens kleine wijzigingen en een nieuwe koorsluiting middeleeuws. De toren is in 1805 vernieuwd nadat de vorige was ingestort. Opname 1975.




illustratie

Afb. 155. De kerk naar tekening van J. Stellingwerf 1723.


[p. 179]



illustratie

Afb. 156. De middeleeuwse kerk van het noordwesten met de noordelijke aanbouw, waarin tufsteenwerk uit omstreeks 1100. Schipvensters in van de grond af opgaande nissen met kraalprofiel, laat 13e-eeuws. Opname 1975.




illustratie

Afb. 157. De noordgevel van de noordelijke aanbouw uit tufsteen opgebouwd en verhoogd in grote baksteen. Langs de voormalige top liep een boogfries als boven langs de schipmuren. Kap en spits 17e-eeuws. Opname 1975.


[p. 180]



illustratie

Afb. 158. Details van het 11e-eeuwse tufsteenwerk aan de noordelijke aanbouw; aan de oostgevel sporen van een afgebroken absis. Opname 1975.


[p. 181]



illustratie

Afb. 159. De zuidelijke aanbouw en het laat 13e-eeuwse gedeelte van de zuidmuur van het koor. Opname 1975.




illustratie

Afb. 160. De oostgevel van de zuidelijke aanbouw. Opname 1975.


[p. 182]



illustratie

Afb. 161. De kerk inwendig naar het westen met orgel door A. van Gruisen 1806. Opname 1975.


[p. 183]



illustratie

Afb. 162. Avondmaalstafel en banken uit 1774 onder het orgel uit 1806. Opname 1975.




illustratie

Afb. 163. Geschilderd rouwbord voor Gerland van Liauckema, eerste echtgenote van Schelte van Aebinga 1652.




illustratie

Afb. 164. Geschilderd rouwbord voor Schelte van Aebinga van Offingaburg, overleden 1666. Opname 1978.




illustratie

Afb. 165. Geschilderd rouwbord voor Andriese Lucia van Bronchorst, tweede echtgenote van Schelte van Aebinga, overleden 1666. Opname 1971.


[p. 184]



illustratie

Afb. 166. De preekstoel uit 1773 is versierd met snijwerk door D. Emderveld. Bijbehorend doophek. Opname 1975.


[p. 185]



illustratie

Afb. 167. Zeventiende-eeuwse herenbank tegenover de preekstoel. Opname 1975.




illustratie

Afb. 168. Tekening van de grafzerk voor Worp Juckema, overleden 1516.




illustratie

Afb. 169. Tekening van de grafzerk gemerkt b.g. en 1541 voor Pieter van Aylva en Rixt van Aebinga overleden resp. 1539 en 1543.




illustratie

Afb. 170. Tekening van de grafzerk gemerkt b.g. en 1552 voor Haringh Sythiema, overleden 1557, Feye Sickenga overleden 1511, Syt van Emenga overleden 1598, Sixtus van Sythiema overleden 1505 en Womck Juckema overleden 1522.


[p. 186]



illustratie

Afb. 171. Tekening van de ongedateerde grafzerk voor Epe van Douma.




illustratie

Afb. 172. Tekening van de portretzerk gemerkt Lucas en 1555 voor Ruurd van Aebinga, overleden 1559.


[p. 187]



illustratie

Afb. 173. Tekening van de grafzerk voor Ernst van Goslinga, overleden 1558 en ‘Sitz Donie’, overleden 1571.




illustratie

Afb. 174. Tekening van de grafzerk gemerkt p.d. en 1563 voor Gabbo van Scheltema, overleden 1558 en ‘juffrouw Ythima’, overleden 1561.




illustratie

Afb. 175. Tekening van de grafzerk voor Epo van Douma (?) en Saepk Feitsma, overleden 1564.




illustratie

Afb. 176. Tekening van de grafzerk voor Ernst van Goslinga, overleden 1614 en Sjuck van Kammingha, overleden 1627.


[p. 188]



illustratie

Afb. 177. Gebeeldhouwd rouwbord voor Gijsbert Arentsma van Idsinga van Ponga State te Marrum, overleden 1760. Opname 1975.




illustratie

Afb. 178. Tekening van de grafzerk voor Barthold van Douma, overleden 1615 en Saepck van Douma, overleden 1650.




illustratie

Afb. 179. Tekening van de grafzerk voor Sijds van Sythiema en Frouck van Cammingha volgens de tekening resp. overleden 1636 en 1625.




illustratie

Afb. 180. Tekening van de grafzerk voor Epo van Douma, overleden 1650 en Sjouck van Hiddema, overleden 1644.


[p. 189]



illustratie

Afb. 181. Gebeeldhouwd rouwbord voor Duco Martena van Burmania van Ponga State te Marrum, overleden 1775. Opname 1975.




illustratie

Afb. 182. Andere tekening van de zerk als afb. 180.




illustratie

Afb. 183. Tekening van de grafzerk voor Andris van Douma, overleden 1663.




illustratie

Afb. 184. Tekening van de grafzerk voor Duco Gerrold Jukkema van Burmania, overleden 1700 en Duconia Dorothea Martena van Burmania, overleden 1700 en haar dochtertje Titia Barbara van Burmania, overleden 1700.


[p. 190]



illustratie

Afb. 185. De zilveren schalen van de Hervormde Gemeente gemerkt Leeuwarden 1787 Nicolaas Swalve. Opname 1976.




illustratie

Afb. 186. Zilveren beker van de Hervormde Gemeente uit 1718 gemerkt Leeuwarden en Ande Andeles. Opname 1975.




illustratie

Afb. 187. Het alliantiewapen op het deksel van het aardewerk kannetje. Opname 1975.




illustratie

Afb. 188. Wijnkan van wit aardewerk met zilveren deksel met inschrift p.a.a.b. 1653. Opname 1975.


[p. 191]



illustratie

Afb. 189. Offingaburg getekend door J. Stellingwerf in 1722, toen Tjalling Homme van Camstra Grietman van Idaarderadeel eigenaar was.




illustratie

Afb. 190. Kaart van het terrein van Offingaburg naar meting in 1672 door Jarich van Ockinga. Het ‘huys’ is links onderaan weergegeven, in het midden ‘t hiem’ met aan de onderzijde de poort, rechts ‘de schuyr’ waartegen ‘t brouhuys’ staat. Het huis staat rondom in het water. Uit vergelijking met de kadastrale minute blijkt dat het westen bovenaan is getekend.


[p. 192]



illustratie

Afb. 191. Sythiema State met poortgebouw en brug in 1723 getekend door J. Stellingwerf.




illustratie

Afb. 192. De toegangspoort van Sythiema State in 1861 getekend door D. Cannegieter.




illustratie

Afb. 193. Doorsnede van de in 1977 opgegraven resten van het poortgebouw en de brug van Sythiema State. Tekening W.J. Berghuis naar veldtekening b.a.i. Groningen.


[p. 193]



illustratie

Afb. 194. Foto van de in 1977 ontgraven fundering en van de toegangspoort en brug van Sythiema State.




illustratie

Afb. 195. Plattegrond en aanzicht van de ontgraven fundering van het poortgebouw en de brug van Sythiema State. Tekening W.J. Berghuis naar veldtekeningen b.a.i. Groningen.


[p. 194]



illustratie

Afb. 196. Goslinga State naar J. Stellingwerf 1722.




illustratie

Afb. 197. Weergave door D. Cannegieter van een situatietekening en opstand van Goslinga State uit 1711.




illustratie

Afb. 197a. Achttiende-eeuwse zonnewijzer op voetstuk, mogelijk afkomstig van de tuin van Goslinga State. Thans op boerderij-erf, vergelijk de tuinvaas. Opname plm. 1977.


[p. 195]



illustratie

Afb. 198. Goslinga State in 1861 door D. Cannegieter getekend. De schuur die ook op de tekening van 1711 voorkomt was er in 1861 nog. Stellingwerfblijkt geen interesse voor de schuur gehad te hebben.




illustratie

Afb. 199. Achttiende-eeuwse tuinvaas mogelijk afkomstig van Goslinga State, thans op het erf van de boerderij ten noorden grenzend aan het terrrein van Goslinga State. Opname 1978.




illustratie

Afb. 200. Het hek van Goslinga State uit 1773. Opname 1978.


[p. 196]



illustratie

Afb. 201. De voormalige molen Thorbecke uit 1856 aan de Hallumervaart.




illustratie

Afb. 202. De voormalige zg. Sytsma's molen bij Hallum.


[p. 197]



illustratie

Afb. 203. Copie van de kadastrale minute van het terrein van Mariëngaarde omstreeks 1832. Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 204. Luchtfoto van het terrein van het voormalig klooster Mariëngaarde ten zuidwesten van Hallum. Schaal 1:6500. Opname april 1973.


[p. 198]



illustratie

Afb. 205. Detail van een kaart van de Bildtlanden uit omstreeks 1560. a.r.a. Den Haag. Onder de kerk van Hallum is de kerk van Mariëngaarde voorgesteld met de molen en links daarvan de ‘kapel op de Leije’.




illustratie

Afb. 206. Zegel van het klooster Mariëngaarde met voorstelling van de Kruisiging en Johannes en Maria. Opname 1979.




illustratie

Afb. 207. Grootzegel van de Abt van Mariëngaarde met voorstelling van de H. Maagd, Frederik en Tetardus. Opname 1979.




illustratie

Afb. 208. Zegel van de Abt van Mariëngaarde met voorstelling van de H. Maagd en geknielde abt. Naar reproductie.


[p. 199]



illustratie

Afb. 209. Baksteen groot 28 × 11,5 cm met in de klei geboetseerde voorstelling van de H. Norbertus, 13e eeuw. Fries Museum. Opname 1979.


[p. 200]



illustratie

Afb. 210. Geglazuurde tegel met voorstelling van twee fabeldieren, gevonden op het terrein van Mariëngaarde, 13e eeuw. Fries Museum. Opname 1979.




illustratie

Afb. 211. Geglazuurde tegel met voorstelling van een olifant met gevechtstoren op de rug, gevonden op het terrein van Mariëngaarde, 13e eeuw. Fries Museum. Opname 1979.


[p. 201]



illustratie

Afb. 212. Geglazuurde tegel met ranken en Franse lelies, gevonden op het terrein van Mariëngaarde, 14e eeuw. Fries Museum. Opname 1979.




illustratie

Afb. 213. Baksteen met masker afkomstig van het terrein van Mariëngaarde 12e-13e eeuw. Museum Admiraliteitshuis Dokkum. Opname 1979.


[p. 202]



illustratie

Afb. 214. Kruikje zg. Siegburger Schnelle uit plm. 1575, blijkens later toegevoegd zilveren deksel afkomstig van het klooster Mariëngaarde. Museum Admiraliteitshuis Dokkum. Opname 1978.




illustratie

Afb. 215. Kruikje zg. Siegburger Schnelle uit plm. 1575, blijkens later toegevoegd zilveren deksel afkomstig van het klooster Mariëngaarde. Museum Admiraliteitshuis Dokkum. Opname 1978.




illustratie

Afb. 216. Kruikje zg. Siegburger Schnelle uit plm. 1575, blijkens later toegevoegd zilveren deksel afkomstig van het klooster Mariëngaarde. Museum Admiraliteitshuis Dokkum. Opname 1978.




illustratie

Afb. 217. Het zilveren deksel van het kruikje gemerkt met Leeuwarder keur en meesterteken Joh. Foppes, na 1649. Opname 1978.


[p. 203]



illustratie

Afb. 218. De boerderij op het terrein van Mariëngaarde, Mariëngaarderweg 45 gebouwd na 1832. Opname 1966.




illustratie

Afb. 219. Tekening door A. Rademaker plm. 1725 van de ruïne van de abdij Mariëngaarde.


[p. 204]



illustratie

Afb. 220. Ongeglazuurde tegel afkomstig van het terrein van het klooster Genezareth, 13e eeuw. Fries Museum. Opname 1979.


[p. 205]



illustratie

Afb. 221. Copie van het kadastrale minuteplan van het terrein van het voormalig klooster Genezareth, omstreeks 1832. Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 222. Luchtfoto van het terrein van het voormalig klooster Genezareth. Schaal 1:6500. Opname april 1973.


[p. 206]



illustratie

Afb. 223. Boerderij Oan e Slinke nr. 1 te Oude Leije hersteld in 1975. Opname 1975.




illustratie

Afb. 224. Schouwbetimmering met geschilderd landschapje tegen de voorgevel van boerderij Oan e Slinke nr. 1. Opname 1975.




illustratie

Afb. 225. Bedsteden- en kastenwand begin 19e eeuw in boerderij Oan e Slinke nr. 1 te Oude Leije. Opname 1975.


[p. 207]



illustratie

Afb. 226. Poldermolen van de Zuidermiedpolder gebouwd in 1850 gelijk met de inrichting van de polder. Opname 1977.


[p. 208]



illustratie

Afb. 227. Copie van het kadastrale minuteplan van Hallum-west omstreeks 1832. Schaal 1:7500.


[p. 209]



illustratie

Afb. 228. Tekening door P.I. Portier plm. 1750 van een stinsruïne op een terp; op de achtergrond de kerk van Hallum.




illustratie

Afb. 229. Copie uit 1734 van een 17e-eeuwse proceskaart van de landen van Feitsma State en Oldersma State.


[p. 210]



illustratie

Afb. 230. Feitsma State getekend door J. Stellingwerf in 1722.




illustratie

Afb. 231. De boerderij Hoge Herenweg 35 op het terrein van Feitsma State. Opname 1966.


[p. 211]



illustratie

Afb. 232. De voorgevel van de boerderij Feitsma State waarin de 17e-eeuwse gevelsteen, waarschijnlijk uit het voormalig poortgebouw afkomstig. Opname 1978.




illustratie

Afb. 233. De gevelsteen van Feitsma State met de initialen van Hessel van Feitsma en Frouck van Douma gehuwd in 1602. Opname 1978.




illustratie

Afb. 234. De State van Titus Sloterdijk getekend door J. Stellingwerf in 1723.


[p. 212]



illustratie

Afb. 235. Copie van de kadastrale minute van het terrein van Gerbada- of Douma State omstreeks 1832. Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 236. Gerbada State getekend door J. Stellingwerf in 1723.


[p. 213]



illustratie

Afb. 237. Copie van de kadastrale minute van het terrein van Ondersma State, omstreeks 1832. Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 238. Ondersma State of het Huis van Berouw gebouwd voor A.P. Jongstal in 1648, getekend door J. Stellingwerf in 1722.


[p. 214]



illustratie

Afb. 239. Boerderij Mariëngaarderweg 2, volgens ankers in de achtergevel gebouwd in 1810 en gerestaureerd in 1975. Lang voorhuis met schijndeur in het midden van de buitengevel. Opname 1978.




illustratie

Afb. 240. De buitengevel van het voorhuis na de restauratie van 1975. Opname 1978.


[p. 215]



illustratie

Afb. 241. Betimmerde schouw in het voorhuis van Mariëngaarderweg 2. Opname 1978.




illustratie

Afb. 242. Bedsteden-kastenwand in de boerderij Mariëngaarderweg 2 uit 1810. Opname 1978.




illustratie

Afb. 243. Tegeltableaus in Mariëngaarderweg 2 uit 1810. Opname 1978.




illustratie

Afb. 244. Tegeltableaus in Mariëngaarderweg 2 uit 1810. Opname 1978.




illustratie

Afb. 245. Tegeltableaus in Mariëngaarderweg 2 uit 1810. Opname 1978.




illustratie

Afb. 246. Plattegrond van Mariëngaarderweg 2 naar opmeting bureau Offringa Groningen 1975. Tekening W.J. Berghuis 1979.


[p. 216]



illustratie

Afb. 247. Boerderij Vijfhuisterdijk 1, in de achtergevel van de schuur gedateerd 1769. Opname 1966.




illustratie

Afb. 248. Bedsteden-kastenwand in boerderij Vijfhuisterdijk nr. 1, gedateerd 1769; deurtjes 19e-eeuws. Opname 1966.


[p. 217]



illustratie

Afb. 249. Poldermolen van de Hallumerhoeksterpolder zg. Vijfhuistermolen, gebouwd in 1846. Opname 1968.




illustratie

Afb. 250. Boerderij Vijfhuisterdijk 19, midden 19e eeuw. Naast de schuur het wagenhuis. Opname 1966.


[p. 218]



illustratie

Afb. 251. Tekening van een eendenkooi bij Hallum door Ids Wiersma 1936. Fries museum, Leeuwarden. Opname 1979.