Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland. Deel 5


auteur: Jan Pieter de Bie, Johannes Lindeboom en G.P. van Itterzon


bron: Jan Pieter de Bie, Johannes Lindeboom en G.P. van Itterzon, Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland. Deel 5. Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage 1943


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Adriaan, Gijsbert en Jan van der Kodde]

Kodde (Adriaan, Gijsbert en Jan van der) hebben zich wel niet door geschriften bekend gemaakt, maar behooren hier behandeld te worden als stichters van het genootschap der Rijnsburgsche Collegianten. Zij waren gesproten uit een geslacht, dat, naar men zegt, reeds in de 13e eeuw bekend was, en kleinzoons van Willem Jansz van der Kodde, schoenmaker te Rijnsburg, die al kort na 1530 een aanhanger der Reformatie moet geweest zijn. Op zijn stuk land had hij een houten huisje gezet, waar hij tweemaal 's weeks met een roeiboot heenvoer, onder voorwendsel naar de beesten, die daar weidden, te gaan, maar inderdaad om er ongestoord den Bijbel te kunnen lezen. Toch bleef dit niet onbekend en van Utrecht kwam een bevel, om te letten op een zeker huisgezin te Rijnsburg, dat met gevaarlijke ketterij besmet was. Eén der dochters van Wil-

[p. 80]

lem Jansz week later uit naar Emden en een zoon, Jakob, bleef in Rijnsburg, maar schijnt toch de gevoelens van zijn vader trouw gebleven te zijn. Eerst tegen zijn 40e jaar huwde hij en werd vader van één dochter, Maria, en zeven zoons. Drie van hen, namelijk Adriaan, Gijsbert en Jan, die meest ‘de Oude’ of ‘Oude Jan’ genoemd wordt, zijn aan het hoofd van dit artikel vermeld. Van de andere wordt één ‘de jonge Jan’ genoemd, terwijl een tweede, nl. Willem, als buitengewoon hoogleeraar in het Hebreeuwsch aan de Leidsche Universiteit verbonden is geweest (zie over hem: boven, dl. II, blz. 161, 162).

De gebroeders, wier geboortejaren onbekend zijn, maar ± 1620 reeds den middelbaren leeftijd overschreden hadden, ontvingen een beschaafde opvoeding, zoodat zij niet alleen Latijn, maar sommige van hen ook Fransch, Italiaansch en Engelsch leerden. Adriaan, Gijsbert en Jan waren lederbereiders en woonden respectievelijk te Rijnsburg, Warmond en Oegstgeest, waar zij als Remonstrantsgezinden bekend stonden en de algemeene achting genoten wegens hun vroom leven, oprechtheid en kennis van den Bijbel. Ook hadden zij de geschriften van Castellio en Coornhert bestudeerd. Toen nu de evenzeer Remonstrantsgezinde predikant van Warmond, Christiaan Sopingius, door de Synode van Zuid-Holland in 1619 was afgezet en de acte van stilstand teekende, stelde Gijsbrecht van der Kodde, die aldaar ouderling was en van de broeders het meest op den voorgrond is getreden, voor, ‘altemet eens zonder predikant bij elkander te komen, eenige capittels te lezen, een gebed te doen en iets tot stichting voor te dragen, indien iemand daartoe bereid en bekwaam werd bevonden’. Op zichzelf beschouwd, was dit niet iets bijzonders: in den Hervormingstijd hadden de Protestanten meermalen op die wijze stichting gezocht, en toen Gijsbert aldus het eerst was voorgegaan, hebben ook anderen, zooals Theunis Cornelisz uit de Kaag, zulke bijeenkomsten geleid. De Antwerpsche bestuurders der Remonstranten wilden echter in den regelmatigen dienst der gemeente voorzien en voeling met hun geloofsgenooten blijven houden, waarom zij Henricus Holthenus (zie: boven, dl. IV, blz. 182, 183), vroeger predikant te Waddinxveen, naar Warmond zonden. Gijsbert van der Kodde bleek echter niet naar deze geestelijke hulp te verlangen; hij wees Holthenus op het gevaar, dat hij aldus zou loopen, maar voegde eraan toe: ‘Daer sijn wel andre middelen, om de gemeente te stichten’, en ook: ‘Ick soude u raeden om een goedt ambacht te gaen leeren’. Vooral de laatste woorden toonden aan, dat hij het predikambt niet hoog stelde, misschien zelfs overbodig achtte, en toen Holthenus was heengegaan en vervangen door Wouter Cornelisz van Waerder, gaf Gijsbert zijn wensch te kennen, om in de bijeenkomsten ook vrij het woord te mogen voeren. Cornelisz vond dit eerst goed, maar de meerderheid der gemeenteleden was ertegen en daarom kon hij het Gijsbert niet toestaan. Deze bleef echter met zijn broeders en gesteund door een minderheid in de gemeente, zijn standpunt handhaven en toen Cornelisz na eenigen tijd door Paschier de Fijne werd vervangen, stelde deze, om een vergelijk te treffen, aan de Van der Kodde's voor, dat hij eerst zou prediken, maar onmiddellijk daarna een nieuwe samenkomst houden, waar dan een ieder het woord kon voeren en ook De Fijne tegenwoordig zou zijn. Maar hierin wilden de broeders niet treden; Jan van der Kodde zeide zelfs, dat, indien hij een bezwaar had tegen De Fijne's prediking en vóór de tweede bijeenkomst stierf, hij vreesde ‘verdoemd te worden, omdat hij niet had uitgesproken hetgeen hij tot stichting der gemeente te zeggen had’. De broeders vergaderden dus met hun aanhang afzonderlijk en De Fijne woonde zelf die bijeenkomsten meermalen

[p. 81]

bij, waarop hij soms het woord voerde. Toen hij bij zulk een gelegenheid deze wijze van godsdienstoefening aan een scherp oordeel onderwierp, wilde Jan van der Kodde hem het woord ontnemen, hierbij in strijd komende met zijn broeder Adriaan, die blijkbaar de meest gematigde der Van der Kodde's was. Eenigen tijd later achtten de broeders het raadzaam, hun vergaderingen naar Rijnsburg over te brengen en zooveel mogelijk geheim te houden, waardoor zij toonden, zich stellig van hun vroegere geloofsgenooten te willen afscheiden.

Aldus bleek het, hoezeer men van de oorspronkelijke bedoeling was afgeweken. Traden eerst de Van der Kodde's op, omdat een predikant ontbrak en de gemeente toch stichting verlangde, gaandeweg achtte men, op grond van het algemeen priesterschap der geloovigen, een vasten voorganger en een godsdienstoefening waar alleen die voorganger het woord mocht voeren, schadelijk en verkeerd. Zóó terugkeerend tot het Christendom uit de dagen der Apostelen, vertoonen zij meer trekken, die op dien tijd terugwijzen, b.v. den doop bij onderdompeling en een zekere samenhoorigheid, misschien ook de toelating tot het Avondmaal van ieder Christen, onverschillig tot welk kerkgenootschap hij behoorde.

Op die wijze kwamen de Van der Kodde's tot de vorming van een afzonderlijk genootschap, dat ‘Rijnsburgers’ genaamd werd naar de plaats der samenkomst, maar ook ‘Collegianten’, omdat hun vergaderingen den naam ‘collegiën’ droegen, of wel ‘Profeten’, naar het vrije ‘profeteeren’, wat iederen bezoeker der bijeenkomsten veroorloofd was. In de leer - inzonderheid wat de vijf betwiste punten betreft - bleven zij met de Remonstranten overeenstemmen, hoewel zij geen kerkelijke vaststelling van de leer in een belijdenis verlangden, maar voor het uiterlijk vertoonden de Rijnsburgers veel overeenkomst met de Doopsgezinden. Zij wilden geen overheidsambt bekleeden, geen krijgsdienst verrichten, verwierpen den kinderdoop - hoewel die bij onderdompeling hen weer van de Doopsgezinden onderscheidde - en achtten iederen broeder bevoegd, voor de gemeente op te treden; dit laatste was echter bij de Doopsgezinden alleen veroorloofd krachtens opdracht der gemeente. Hun godsdienstoefening was eenvoudig: een gedeelte der H. Schrift werd gelezen, dan volgde het gebed en daarna werd gevraagd, overeenkomstig 1 Cor. 14:26, of iemand iets tot stichting had voor te dragen. Soms voerden dan verschillende sprekers achter elkander het woord, zoodat een bijeenkomst uren kon duren.

Het is onjuist, de Rijnsburgsche secte als de aanvang van de geheele Collegianten-beweging te beschouwen en de beginselen dier secte als richting gevend voor de latere Collegianten te achten. Deze werden wel dikwijls naar de Rijnsburgers genoemd en oriënteerden zich naar hen, wat de organisatie betreft, maar de geest was anders. Wilden de Rijnsburgers eigenlijk een zuivere apostolische gemeente stichten, de latere colleges streefden naar reformatie van Kerk en Christenheid, naar een zedelijke hervorming der maatschappij.

Wat den gebroeders Van der Kodde betreft, deelt Brandt nog mede, dat ‘jonge Jan’ zich tegenover De Fijne erop beroemde, ‘dat hij den H. Geest met sulk een kracht hadt ontfangen als d'Apostelen, soo dat selfs het huis, daer hij was, daer van schudde’, terwijl hij bovendien beweerde, dat hij op een tocht over het ijs van Haarlem naar Rijnsburg op wonderdadige wijze beschermd was. De Fijne meende echter, dat Jan ‘met eenige frenesie of krankheit in de herssenen, uit swakheit, door te veel vastens ontstaen, was bevangen’.

[p. 82]

De drie gebroeders Van der Kodde zijn waarschijnlijk alle vóór 1640 overleden. Na hun dood is Frans Oudaen, gehuwd met een dochter van ‘ouden Jan’, voorganger der Rijnsburgers geworden.

Litteratuur: V.d. Aa, Biogr. Wdb., i.v. Van der Codde. - Glasius, Godg. Ned., II, 285-288. - V. Slee, Rijnsb. Coll., Reg. - Meinsma, Spinoza en zijn kring, Reg. - Lindeboom, Stiefkinderen v.h. Chr. dom, 340. - Hylkema, Reformateurs, I, 6-11; II, 466. - De Remonstranten. Gedenkboek, 145 vv. - Kühler, Socin., 144, 145, 147. - Rademaker, Camphuysen, 84, 86, 100. - Rues, Tegenw. Staet d. Doopsgez., 280-284. - Van Vloten, Paschier de Fijne, 72 v.v.; aant., 27 vv. - Reitsma, Herv. en Herv. K., 573, 574. - Knappert, Gesch. N.H.K., I, 146, 147. - Id., Herv. te Leiden, 120. - Ypey en Dermout, Gesch. N.H.K., II, 284. - Brandt, Reformatie, IV, 98-119. - Dpsgez. Bijdr., 1883, 69, 70. - Geref. Bijdr., I, 212 vv. - Ned. Arch. K.G., N.S., XVI, 165.