Sturmfels


auteur: Marie Agathe Boddaert


bron: Marie Boddaert, Sturmfels. Bureau Nieuws van den Dag, Amsterdam z.j. [1889].  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Maart 1840.

Dertig jaren zijn voorbijgegaan sedert het hierboven geschrevene.

Ons Koningshuis heeft de kroon van Pruisen herwonnen; Westphalen is niet langer een speelbal in vreemde handen; het Majoraat van Sturmfels heeft opgehouden te bestaan...

Wolfram heeft geene bepalingen of beschikkingen verzuimd ten voordeele van zijn vroegere onderhoorigen; zijn spaarbank heeft wonderen gewrocht; de huurders van huisjes en hutten, de kleinere pachters zijn langzamerhand eigenaren geworden van de door hen bewoonde perceelen of gepachte gronden; de grondeigendom van Sturmfels is gesplitst en verdeeld. Van de oorspronkelijke, uitgebreide bezittingen zijn alleen het slot, de bosschen en eenige groote pachthoeven overgebleven.

Na mijn dood zullen ook daar veranderingen plaats hebben; zoo lang ik leef moet er alles geëerbiedigd worden.

Veel is anders geworden rondom mij; velen heb ik zien sterven; een nieuw geslacht is opgekomen.

Sedert lang heb ik den vroeger door ons bewoonden vleugel in het slot weer betrokken. Toen de cholera uitbrak, kon ik zoovelen verplegen in de groote, droge vertrekken van het slot en er later zoovele zwakken opkweeken en versterken.

Gezegend mijn Wolfram, die mij door het toekennen van eene groote, groote som daartoe in staat heeft gesteld!

Dat geld zal ook verder na mijn dood in zijn geest besteed worden. Het zal vruchten afwerpen en de herinneringen aan hem levendig houden.

Ik heb bloemen gebracht op de rustplaats mijner lieven. Voor het eerst was de mand mij te zwaar en moest ik die laten dragen. Eene kleine vermaning, dat het einde spoedig zal komen? Het kome; ik ben bereid!

[p. 314]

Toch doet het mij leed om te gaan. Er blijft nog zooveel te doen over, maar - lang zou ik niet meer kunnen werken: hand en voet zijn niet meer de gewillige dienaren van hoofd en wil.

Op mijn hoofd ligt de sneeuw van den ouden dag, maar geen kilheid heeft mijn hart aangeraakt; dat is warm en jong gebleven. Werken, arbeiden, doen wat onze hand vindt om te doen, daarin ligt de kunst om ontevredenheid en ondankbaarheid daarbuiten te houden, om niet onder te gaan, als ons of onzen dierbaren wordt ontnomen, wat in onze oogen geluk is. Hoe kunnen wij beoordeelen wat noodig is? Wat weten wij van aanleg, bestier, plan en doel van dien Grootmachtige, die zijne zonnen en starren strooit in de blauwe ruimten boven, onder en nevens onze aarde, en die hen houdt in hunne vaste banen?

Waar zou het heen als wij konden beslissen, elk voor zichzelf?

Vertrouwende op dien Albestuurder verder gearbeid!

Vader en Wolfram hadden gelijk; het leven is: wat wij er van maken; een schat, die ons ter bewerking werd toevertrouwd, een groote, heilige schat...

En toch heb ik het leven nog niet eens in zijn volheid mogen kennen. Ik heb mij nooit mogen geven aan een eenige, heb nooit een eigen, klein, hulpbeheevend wezentje in mijne armen mogen koesteren en juichen: ‘ik moet u alles zijn; daarvoor ben ik, leef ik! Kom, ik zal u groot maken, want ik zal u geven het beste van mijne kracht, van mijn bloed, van mijne ziel!’ En ik zou overgelukkig zijn geweest...

Ja, zoo liefde te geven en te ontvangen is het hoogste geluk.

Ik heb veel gemist en veel geleden... Stil, veel genoten ook. Heeft het geluk niet den boventoon gehad nu ik terugzie?

En wat zijn de gelukkigste dagen geweest?

Die, waarin ik mij heb vergeten voor anderen en gevoelde nuttig en noodig te zijn.

Het leven is eene weldaad.

 

einde.