|
| |
| |
| |
[Handje-plak]

Toen 't kindje op de wereld kwam
Al uit zijn donker hoekje
Toen dronken de vrienden wijnkandeel
En ze wonden 't in een doekje
Al wie 't kindje zijn luurtjes vouwt
Leven ze lang dan worden ze oud
En ze zullen te bruiloft komen
Als ons klein kindje trouwt

| |
| |

Paardje paardje rij naar stee
Breng voor 't kindje koekjes mee
Aan alle kanten even smal
Raadt eens wie die hebben zal
't Kindje krijgt die koekjes al
Als ze stout is niemendal

Moeder als je me kousen koopt
Koop me kousen met kuiten
De jongens roepen me spillebeen na
Zjjn dat geen looze guiten
| |
| |

Schuitje varen Theetje drinken
Varen we naar den Overtoom
Drinken zoete melk met room
Kindertjes mogen niet jokken
Jongetjes moeten waterhalen

| |
| |

Daar buiten loopt een schaap
Een schaapje met witte voetjes
Drinkt er de melk zoo zoetjes
Schaapje met zijn witte wol
Kindje drinkt zijn buikje vol

Suja suja kindje - Wat ben je toch weer stout
Heb je pijn in je buikje - Zijn je voetjes koud
Ik zal een vuurtje stoken - En een papje koken
't Wiegje gaat van wikwak - Voor mijn kleine dikzak
| |
| |
Over een jaar is 't kindje groot
'k Wou daf het kindje grooter was
Dat kwam moeder wel te pas
Kriebeltje Krabbeltje kwam geloopen
Kwam in kindjes halsje gekropen

| |
| |

Twee mannetjes water halen
Meisjes op je houten beenen
Rij maar door de poort heen
Rij maar voort-voort-voort
Rij den koning door de poort
Rij den koning door de plas
Rij maar voort-voort-voort
Rij den koning door de poort

| |
| |

En mijn moeder laat je vragen
Of je niet eens komen kan

Rijen rijen rijen in een wagentje
Als je dan niet rijen wil den draag ik je
| |
| |

Och Jantje wil niet huilen
Daar heb je mijn beste muilen
Daar heb je mijn mooie beugeltasch
Daar al mijn goeie geld in was

Toen Jonas in de wallevisch zat
| |
| |


Twee kindertjens bij mekaar
Een zusjen en een broertjen
Ik wou niet dat ik er meer van had
Van al dat kleine goetjen
| |
| |

Jan kan je voor de juffrouw een paar schoenen maken
Jawel juffrouw als ze maar op de leest willen raken
Van voren spits van achteren smal
Maar niet met wijde bekken
Dan zou ik met de juffrouw gekken
Wanneer kan de juffrouw ze komen halen
Als ze maar geld heeft om ze te betalen
Maar de juffrouw heeft nog geen geld ontvangen
Dan moeten ze maar in den winkel blijven hangen

Dag Juffrouw zonder schoenen
| |
| |
| |
| |

Daar zit er een op den hoogsten toren
Die kan naaien die kan breien
Die kan gouden poppetjes maken
Mag ik er eentje nemen - Neen
Mag ik er eentje stelen - Neen
Ik zal den schouten diender halen
Die zal jou den kop afslaan

Ik ken een zang die duurt niet lang
Van een spijker, een boor, en een nijptang
| |
| |

Ziet zoo rijen de vrouwen
Ziet zoo rijdt de akkerman

Daar kruipt een vogeltje al door 't groene woud
Van je meierasasa - van je heierasasa
Daar kruipt een vogeltje al door 't groene woud
| |
| |

Herder Herder laat je schaapjes gaan - Ik durf niet
Waarom niet - Om dien boozen boozen wolf
De booze wolf is gevangen - Tusschen twee ijzeren tangen
Tusschen zon tusschen maan - Herder laat je schaapjes gaan

Daar zat een aapje op een stokje
Achter moeders keukendeur
Hij had een gaatje in zijn rokje
Daar stakt t schelmpje zijn staartje door
| |
| |

De brand is in de lantaren
De vonken vliegen der uit
De meisjes hebben zoo garen
Een stuiver voor een duit -

Keizer Karel had een hond
Ik leg het woord al in je mond
Hoe heet Keizer Karel's hond
| |
| |



Koop thee voor je geld - Koop thee voor je geld
Koop thee met witte puntjes
En je handen in je zij - Dat hoort er zoo bij
En je handen opje borst - Dat is goed voor de dorst
O mijn lieve Truitje hoe kan je zoo wezen
O mijn lieve Truitje hoe kan je zoo zijn
Is er dan geen docter om jou te genezen
Is er dan geen docter of chirurgijn


| |
| |

Naar bed naar bed zei Duimelot
Eerst nog wat eten zei Likkepot
Waar zal ik het van halen zei Langelot
Uit Grootvaders kastje zei Ringeling
Dat zal ik verklappen zei 't kleine ding

| |
| |

Hij zei 't zal een zeemeeuw zijn
Maar zijn zus zei 't is een haantje
Sijmen kwam er bij en zei

Tiere liere let - let - let
Musschen zijn geen vinken
Mietje heeft de kan gebroken
Waar zullen we nu uit drinken
| |
| |

Moeder moeder wat naai je daar - Vaders hemd
Waar is vader - In den tuin
Neen want er is een haan met één poot
Als je em jaagt dan is hij dood
De haan is dood met één poot

| |
| |

Wie wil mee naar Engeland varen
In Engeland daar stuift het zand
Daar luiden de klokjes van boem

| |
| |

Draai er het wieletje nog er eens om
Dat gaat kindjes neus voorbij


'k Heb een rood rood spiegeltje gevonden
'k Heb het op mijn hartje gebonden
Mooi meisje keer je eens omme
Mooi meisje heeft zich al ommegekeerd
Dat heeft ze van haar broertje geleerd
Keer omme keer omme mooi meisje keer je eens omme
| |
| |

Zijn staartje was bevroren
Zijn billetjes waren bloot
Die zei dat beestje is dronken
Toen kwam Lijsje Lollepot
Die zei dat beestje is half zot
Die zei dat beestje is mager
Toen kwam Tijs de timmerman
Die lapte er weer een staartje an
Toen liep dat hondje henen
't Staartje tusschen de beenen

| |
| |

In den Haag daar woont een graaf
Als je vraagt waar woont je Pa
Dan wijst hij met zijn handje
Met zijn vingertje en zijn duim
Op zijn hoedje draagt hij een pluim
Die zou op Schokland preeken
Had hij zijn tekst vergeten
| |
| |

Daar ligt een blauwe steen
Als je op dien steen trapt
Wat heeft Maria op haar schoot
Wat heeft dat kindje in zijn hand

| |
| |

Daar liep een patertje langs de kant Hei 't was in de Mei
Hij nam zijn nonnetje bij de hand, hei 't was in de Mei zoo blij
Kom pater jij moet kiezen gaan hei 't was in de Mei -
Je moet je nonnetje laten staan hei 't was in de Mei zoo blij
Kom pater geef je non een zoen
Dat mag je nog wel zesmaal doen
O wat zoenen die meisjes zacht
Kom pater jij moet scheiden gaan
Je moet je nonnetje laten staan
Hei 't was in de Mei zoo blij
| |
| |

Je plukt er al mijn bloempjes af
En maakt het veel te grof
Zeg het niet aan Papaatje
Ik zal zoet naar school toe gaan
En de bloemetjes laten staan

| |
| |




Ga nu maar spoedig naar de Vecht


| |
| |

Maar geluisterd - zeit ze - heb ik niet
Daar is alles - zeit ze - naar den aard
'k Heb er stoelen - zeit ze
En geen vuur - zeit ze - op de plaat

| |
| |

Ik heb mijn geld op hoopen gesteld
Ik heb mijn liefje een ring beloofd
Ziehier schoone jonkvrouw
Hier heb je mijn hand op trouw

| |
| |


Onder de brug daar ligt een muis
Is mijnheer de Wit ook thuis
Neen mijnheer is uitgegaan
Raadt eens wie hij tegenkwam
Tien kinderen zonder ziel
Hun ziel was in den hemel

| |
| |

Wel wat zeg je van mijn kippen
Wel wat zeg je van mijn haan
Heeft mijn haan geen mooie veeren
Of staat jou de kleur niet aan
Alle eendjes zwemmen in het water
Falderalderiere Falderalderiere
Alle eendjes zwemmen in het water
| |
| |

Juffrouw wil je je jongetje verbieden
Hij komt 's avonds aan de deur
Tingelingeling - klop - klop - klop
Juffrouw blief je een zwavelstok

| |
| |

Torentje torentje bussekruit
Wat hangt er uit - Een gouden fluit
Een gouden fluit met knoopen

| |
| |

Veertig in de mooi meisjes dans

| |
| |

Rosaline ging uit wandelen


En toen ging ze naar haar kamer
En toen bleef haar zusje alleen
| |
| |

's Avonds als ik slapen ga
Volgen me veertien engeltjes na
Twee aan mijn hoofdeneind
Naar 's Hemels' paradijzen
|
|