terug  begin  verder

6.11 Tweeklanken en drieklanken

Tegenwoordig omschrijven we een tweeklank als een klank die ontstaat wanneer twee klinkers (of halfvocalen) in één lettergreep geleidelijk in elkaar overgaan. Voorbeelden van tweeklanken zijn au, ei, ui, ou. Enkele eeuwen geleden had de term tweeklank een ruimere betekenis; hij was eveneens van toepassing op een lange monoftong die met twee - al dan niet verschillende - lettertekens wordt gespeld.70

In de Nederduitsche spraekkunst van Arnold Moonen worden ‘Tweeklanken’ gedefinieerd als ‘twee Korte Klinkeren, die, van een byzonder en verscheiden geluit, wanneer zy alleen staen, in de samenvoeginge het geluit der twee gevoegde Klinkeren al smeltende tevens uitspreeken’ (1706: 30-31). Tot de tweeklanken behoren in het Nederlands volgens Moonen de ai, au, ei, eu, oe, ou en de ui. De ae en de ie rekent hij er niet toe, aangezien zij een verlengde a respectievelijk een verlengde i representeren.

Naast de tweeklanken onderscheidt Moonen een zestal zogenaamde ‘Drieklanken’. Deze klanken worden gerealiseerd wanneer ‘drie Klinkletters, die van eenen verscheidenen klank zyn, wanneer zy alleen en op zich zelfs staen, samengevoegt, en tot een geluit vereenigt’ worden (1706: 31). Voor Moonen vormen de aei, aeu, eeu, ieu, oei en de ooi de categorie drieklanken. Strikt genomen voldoen eeu en ooi niet aan Moonens definitie van een drieklank: zij zijn immers niet samengesteld uit drie klinkers ‘die van eenen verscheidenen [cursivering van mij, RdB] klank zyn’. Dat Moonen ze toch bestempelt als drieklanken, lijkt erop te wijzen dat uiteindelijk voor hem het aantal lettertekens als indelingscriterium bepalend is geweest. Schaars (1988: 101) merkt dan ook terecht op dat Moonen amper een aanknopingspunt biedt voor klankmatige aspecten om onderscheid te maken tussen twee- en drieklanken.

Net als Moonen spreekt Sewel (1708: 3) over ‘Tweeklanken’ en ‘Drieklanken’, maar anders dan bij zijn voorganger treffen we bij hem geen omschrijving van de genoemde termen aan; Sewel volstaat met een opsomming van klanken die van één van beide categorieën deel uitmaken. Tweeklanken zijn voor hem de aa, ae, ai, ee, ey, eu, ie, oe, oo, ou, uu en de uy, tot de drieklanken rekent Sewel de aai, aau, eeu, ieu, oei en de ooi. Meer nog dan bij Moonen lijkt het verschil tussen twee- en drieklanken bij Sewel gebaseerd te zijn op het aantal lettertekens: indien we in het schrijven van een woord twee letters nodig hebben om een klinkergroep te spellen, dan is er sprake van een tweeklank, zijn dat er drie dan hebben we te maken met een drieklank.

[p. 136]

In de Proeve komt de taalkundige term drieklank niet voor. Naar een definitie van het begrip tweeklank zal men in dit boek eveneens tevergeefs zoeken. Toch kunnen we op basis van verscheidene aantekeningen opmaken welke klinkercombinaties Huydecoper zeker als tweeklanken beschouwt. Zo schrijft hij op bladzijde 286 van de Proeve dat de y tegenwoordig eenzelfde klank vertegenwoordigt als de i ‘wanneer zy in de tweeklanken achter een' anderen Klinker volgt, als in weide of weyde, waait of waayt, noit of noyt’. De voorbeelden in dit citaat laten zien dat Huydecoper ei/ey, aai/aay en oi/oy als tweeklanken beschouwt. Verder valt er uit af te leiden dat Huydecoper niet louter afging op het aantal lettertekens. Zou dat wèl het geval zijn, dan zou hij de woorden waait en waayt niet in het rijtje voorbeelden hebben opgenomen. De lijst met tweeklanken kunnen we aanvullen met de ie, die op pagina 318 van de Proeve als zodanig aangemerkt wordt.

 

Bij gebrek aan gegevens uit de Proeve is niet met zekerheid vast te stellen welke combinaties van klinkers voor Huydecoper nog meer tweeklanken (of drieklanken) waren. Daarom is ervoor gekozen in de onderstaande paragrafen niet alleen de - vier - tweeklanken te behandelen die Huydecoper met deze term heeft aangeduid, maar ook aandacht te schenken aan klinkercombinaties die Moonen en/of Sewel twee- dan wel drieklanken noemen en waarover Huydecoper in de Proeve informatie heeft geboden.

6.11.1 AA/AE

Huydecoper geeft op bladzijde 154 van de Proeve toe zich erover te verwonderen dat Vondel ae in plaats van aa spelt in wat wij gesloten lettergrepen noemen71 en ‘dat Vondel, op het voorbeeld van den grooten Hooft, zich niet verbeterd hebbe, toen zyn oordeel op het scherpste was, en hy zo veel andere misstallen der Ouden ontdekte, en, door zyn voorbeeld, geheel en al uitbande’. Hooft spelde namelijk in eerste instantie ae, vanaf 16 september 1641 ging hij over tot vormen met aa.72 Zou Vondel daadwerkelijk overgegaan zijn tot het spellen van aa, dan zouden talrijke andere auteurs die zich naderhand sterk hebben gemaakt voor ae, hem hierin naar de mening van Huydecoper vermoedelijk zijn gevolgd.

Dat Ten Kate in zijn onvolprezen Aenleiding (1723) de schrijfwijze ae in plaats van aa heeft gebezigd, verbaast Huydecoper hogelijk.73 Te meer omdat Ten Kate volgens Huydecoper ‘het onderscheid van den klank der letteren, op een hairbreed na, heeft weeten uit te

[p. 137]

meeten’ en bovendien zelf ergens toegeeft dat ‘de klank van Aa zuiverer is dan die van Ae, 't welk een gemengde klank is’ (1730: 154).74

Huydecoper vindt dat Jacobus Nylöe zich ‘niet kwaalyk’ over de aa/ae-kwestie heeft uitgelaten en hij verwijst zijn lezers dan ook naar de - zo blijkt - tweede druk van diens Aanleiding tot de Nederduitsche taal uit 1707. Nylöe schrijft op de door Huydecoper aangeduide plaats het volgende:

Men schryft nu doorgaans aa voor ae, als in staan, gaan, raat, daat, enz. welke verdubbeling van de a ik beter keure dan ae, staen, gaen, raet, daet, omdat twe vocalen van enen klank sterker en helderder luiden dan twe van verscheide klanken, die lichtelyk ineen smelten, en een tweklank worden
(1707: 36-37)

Dit illustreert Nylöe vervolgens aan de hand van de Latijnse woorden Caesar, Naevia, aegrotus en aemulus. Deze worden volgens hem niet uitgesproken als Cesar, Nevia, egrotus en emulus, noch als Casar, Navia, agrotus en amulus. De ae representeert in de genoemde voorbeelden ‘enen klank uit a en e t'zamengesmolten, en het geluit van de Griekse h uitbrengende’ (1707: 37).

Nylöe voert nog een ander argument aan, waarom men aa in plaats van ae moet spellen ter verdubbeling van de a.75 Als door het toevoegen van een e achter een a een verlengde a ontstaat, dan zou analoog hieraan een e achter een o of een u een verlengde o respectievelijk u opleveren, zodat men in plaats van boom en duur zou kunnen schrijven boem en duer. Maar aangezien de e in deze gevallen volgens Nylöe de o noch de u kan verlengen,76 ‘zo heeft men ook billyk voor ae twe aa ingevoert, die, gelyk snaren van enen toon, zuiverder geluit geven’ (1707: 37).

6.11.2 AAI/AEI

Zojuist hebben we gezien dat zowel door Moonen als door Sewel aei respectievelijk aai een drieklank wordt genoemd. Verder zijn we op grond van pagina 286 van de Proeve tot de conclusie gekomen dat Huydecoper aai of aay beschouwde als een tweeklank (zie 6.11).

6.11.3 AI/AY

Van de tweeklanken die Moonen (1706: 31) opsomt, eindigt er geen enkele op een y. Dit wekt geen bevreemding: voor hem ontstaan tweeklanken door samenvoeging van ‘twee Korte Klinkeren’. De klinker y is echter altijd lang (1706: 19) en kan derhalve nooit deel uitmaken van een tweeklank. Over de tweeklank ai deelt Moonen weinig mee; hij beperkt zich slechts tot een opsomming van vijf woorden waarin de ai voorkomt. Sewel (1708: 9) zegt dat ai ‘weinig te passe’ komt en noemt vervolgens enige woorden waarin het teken ‘by sommige’ wordt gebruikt.

[p. 138]

Op bladzijde 61 van de Proeve geeft Huydecoper te kennen dat hij de in zijn dagen gebruikelijke spelling clay minder goed vindt dan de schrijfwijze cley. Dat het beter is om ey dan ay te spellen, herhaalt Huydecoper op pagina 396 van zijn boek. Als reden geeft hij hiervoor op dat ‘de Oude Vlaamsche Schryvers, by de welken het zuiverste Neerduitsch moet gezocht, en kan gevonden worden, altyd schreeven ey, en deezen tweeklank noit vermengd hebben met ay’. Van deze verwarring kon trouwens onmogelijk sprake zijn, omdat Huydecoper enige zinnen tevoren in dezelfde aantekening schreef dat de Ouden de spelling van ay niet kenden. Bij Hooft komt deze spelling daarentegen veelvuldig voor. Het gebruik van de ay heeft deze naar de mening van Huydecoper geleerd van de rederijkerskamer In Liefde Bloeyende, die in de Twe-spraack de notatie ay voorschrijft.77

In dezelfde aantekening spreekt Huydecoper het vermoeden uit dat de spelling ay zijn oorsprong vindt in het dialect van Amsterdam, omdat men in deze stad ‘voor den Schreierstooren, in een' ouden steen, noch leest, Schrayershouck: enz.’ (1730: 396).78

Huydecoper schijnt het niet noodzakelijk geoordeeld te hebben om in te gaan op het verschil in spelling tussen ai en ay en hetzelfde kan worden gezegd ten aanzien van de spellingen ei en ey. Hij is in dezen dezelfde mening toegedaan als bijvoorbeeld de Twe-spraack (1584: 34), waarin wordt gesproken over ‘ei óf ey’ en ‘ai óf ay’.79

6.11.4 EI/EY

In de vorige paragraaf hebben we gezien dat Huydecoper zich weinig gelegen liet liggen aan het onderscheid tussen ei en ey. Elders in de Proeve maakt hij duidelijk dat hoewel sommigen aan het eind van bepaalde tweeklanken een y in plaats van een i verkiezen, hij zelf van mening is dat ‘de i daar genoegsaam den vereischten klank uitdrukt’ (1730: 286-287).80

Huydecoper is het niet met Ten Kate eens dat het imperfectum van het werkwoord leggen - te weten leide - indertijd legde luidde. Deze verleden-tijdsvorm heeft Huydecoper namelijk nooit bij één van de ‘Oude Nederduitschen’ aangetroffen. Naar zijn mening is niet legde in leyde veranderd, maar leyde door een ‘zeer klein getal’ van Nieuwen gewijzigd in legde. Dat leide de oorspronkelijke imperfectumvorm is geweest, maakt Huydecoper op uit het taalgebruik van ‘Frank-Teutsche Schryvers’, die gewoon waren legita als imperfectum te bezigen. Na weglating van de g ontstond hieruit de vorm leita, die zich in het Nederlands tot leide ontwikkelde, ‘op de zelfde wyze [...] als de Nederduitschen eislyk maakten van egislich’ (1730: 509-510).81

[p. 139]

Het woord eislyk had Huydecoper in de Proeve al eerder ter sprake gebracht en wel in verband met het verschil in spelling tussen ei en y. Op pagina 354 schrijft hij dat we in het Nederlands naast de correcte vorm eislyk - en de spellingvarianten eyslyk, eyselyk, eysselick, eysselyck - ook ijsselick aantreffen. De Ouden kenden maar één spelling: zij schreven te allen tijde eislyk: ‘'t welk [...] het rechte woord is’ (1730: 353).82 Het woord ijsselick heeft volgens Huydecoper aan het eind van de zestiende eeuw zijn intrede gedaan: ‘want Plantyn 1573. heeft noch alleen Eysselick. maar Kiliaen, omtrent 25 jaaren jonger, heeft het beide’ (1730: 353).83

Huydecoper vindt het verbazingwekkend dat de verwarring tussen de ij en de ey alleen voorkomt in de woorden ijs en eys, ‘daar onze taal anders zo zuiver gebleeven is in het onderscheiden van ij en ey’.84 Als mogelijke verklaring voor de spelling ijsselick oppert Huydecoper dat men oordeelde dat het woord afgeleid was van ijs, ‘het welk ook schyn heeft’. Dat echter alleen eislyk correct gespeld is, blijkt daaruit ‘dat deeze twee letteren slechts eene verkorting zyn van Egi’ (1730: 354).

Een ander voorbeeld waaruit blijkt dat er onzekerheid bestaat over de spelling van de ‘lettergreep’ ijs/eys, is het woord ijzerkruid. Ten onrechte staat Kiliaen volgens Huydecoper naast ijserkruyd de vorm eysen-kruyd toe.85 In het woordenboek van Plantijn is alleen ijser-kruydt gelemmatiseerd86 en dat is de enig juiste spelling, ‘want isen [niet eisen] was oudstyds 't geen nu is yzer’ (1730: 354).87

6.11.5 EU/UE

In het uit 1514 stammende geschrift met de titel Tscep vol Wonders komt het woord prues ‘preuts’ voor. Dit woord gaf Huydecoper aanleiding tot de opmerking dat het geschreven is ‘op de wyze van veelen der Ouden, die den klank van eu uitdrukten door ue’. De spelling ue wordt volgens Huydecoper in de Twe-spraack op pagina 38 ‘met zeer ongegronde redenen’ gepropageerd (1730: 437).

Welke redenen werden er in deze eerste gedrukte spraakkunst van het Nederlands gegeven? Op de door Huydecoper aangeduide plaats komen we twee argumenten tegen. Men stelt dat woorden als dueghd, vrueghd, jueght, sueren, zueren en trueren met ue moeten worden gespeld ‘na het oude gebruyck’. Een ander argument dat voor de spelling ue wordt aangevoerd is dat in het Hoogduits en in het Latijn de eu blijkens de woorden Hóóghteutsch respectievelijk neuter ‘tót een ander gheklanck’ gebruikt wordt dan waarvoor men in het

[p. 140]

Nederlands ‘blykende by oude schriften’ de spelling ue bezigden.88

Huydecoper wijst er vervolgens op dat de woorden preitii en preiter van dezelfde oorsprong zijn als preutsch, waarbij hij refereert aan Mylius' Archaelogus Teuto (1717). Mylius verklaart preitii met ‘preuitsheit’, en preiter met ‘preuits’, waarbij Huydecoper aantekent: ‘in deeze manier van Spelling, Preui, nu met reden afgedankt, schynen zich te vereenigen het oude Prei van Kero, Pruy van Plantyn en Kiliaen, en het tegenwoordige Preu’ (1730: 438-439).89

Op pagina 503 van de Proeve noemt Huydecoper enkele woorden die door sommigen met ee en door anderen met eu worden geschreven. Uit het volgende citaat blijkt dat hij in dergelijke gevallen de variant met eu van de hand wijst:

men maakt geen onderscheid tusschen sneuvelen, sneevelen en sneeven. het eerste [...] wordt, by misbruik, gezeid voor Sneevelen, evengelyk Leunen voor Leenen, [...] en speulen, beuzem, deuze, voor speelen, bezem, deeze
(1730: 503)

Voor nadere informatie over leenen en leunen verwijst Huydecoper naar een aantekening bij vers 871 van het veertiende boek van Vondels Herscheppinge - ‘[...] hy ging, leunende voorover’. Daar lezen we dat de taalkundige Winschoten leende als Leids en leunde als Amsterdams bestempelde. Dit onderscheid is volgens Huydecoper ‘van weinig belang’, omdat men leunen ook aantreft bij tal van schrijvers die niet uit Amsterdam afkomstig zijn (1730: 554). Op de aangewezen plaats lezen we verder dat Huydecoper het niet waarschijnlijk acht dat de vorm leunen door de Ouden is gebruikt: het woordenboek van Plantijn kent alleen lenen als trefwoord, terwijl dat van Kiliaen zowel lenen als leunen heeft (1730: 556). Hij adviseert iedereen die zuiver Nederlands wenst te bezigen, om altijd leenen te schrijven, ‘dat in den tyd der verwarringen kwaalyk verwisseld is aan Leunen’.90

6.11.6 IE

In de door Vondel gebezigde spelling merri, oli en leli kan Huydecoper zich niet vinden. Deze woorden dienen volgens hem aan het eind met ie gespeld te worden (1730: 271). Om dezelfde reden zou Vondel er naar de mening van Huydecoper beter aan hebben gedaan om spongie in plaats van spongi te schrijven (1730: 39).

Aan de hand van zeven voorbeelden toont Huydecoper aan dat de Ouden woorden als merrie niet - zoals Vondel - met i maar met ie besloten: ystorie, historie, glavie, possessie, tralie, provincie en gracie. Deze schrijfwijze komt volgens Huydecoper ‘met de uitspraak der woorden volkomen overeen: waarom wy ons ook daaraan houden’ (1730: 271).

Dit alles speelt hem in de kaart bij het bepalen van de afleiding van het woord Liverey. Bij de uitgebreide bespreking van dit woord beweert Huydecoper namelijk dat het volstrekt onmogelijk is dat Liverey van dezelfde oorsprong is als Lievery. Dat zou namelijk strijdig zijn met ‘het gebruik der Ouden, die noit, in eenig woord, den Tweeklank Ie, en den Klinker I verwisseld hebben: maar zeer dikwils I en Y, gelyk ook I en E’ (1730: 318).

[p. 141]

Dat er bij de Ouden een wezenlijk onderscheid in klank bestond tussen de Ie en de I, blijkt volgens Huydecoper uit een vergelijking van de volgende woordparen, ‘waarin noit Ie en I verwisseld zyn’: zieden (‘kooken’) en ziden (‘zyden’); lieden (‘menschen’) en liden (‘lyden’); lieven (‘minnen’) en liven (‘lyven’); wiele (‘rad’) en wile (‘wyle’); dienen en dinen; die en di; wie en wi; zie en zi (1730: 318). Deze en andere voorbeelden91 wijzen uit dat ‘de i aan het einde [lees: van een lettergreep, RdB]’ bij de Ouden tegenwoordig wordt uitgedrukt door middel van een verlengde i, dat wil zeggen een y of een ij.

Over de klankwaarde van de ie deelt Huydecoper mede dat deze zich ten opzichte van de i en de ij verhoudt als de oe ten opzichte van de o en de oo (1730: 271). Van deze opmerking worden we nauwelijks iets wijzer, omdat de Proeve geen informatie biedt over de klankwaarde van de oe.

6.11.7 IEU

In vers 586 van het zesde boek van de Herscheppinge - ‘Zy eeren Itis dagh, die zyn geboort' vernuwt’ - schrijft Vondel vernuwt in plaats van vernieuwt. Hij hanteert deze spelling volgens Huydecoper ‘om 't Rym. anders schryft hy altyd vernieuwen’ (1730: 286). Bij de Ouden bestaan voor dit woord talloze schrijfwijzen, waarvan Huydecoper vervolgens enige voorbeelden geeft.

6.11.8 OE

Hierboven hebben we gezien dat de klank van de oe ten aanzien van de o en de oo eenzelfde positie inneemt als de ie ten opzichte van de i en de ij. Op pagina 482 van de Proeve merkt Huydecoper verder over de klinkercombinatie oe op dat deze door ‘Aalouden’ als Willeramus en Otfridus (zie 4.3.4) altijd wordt uitgedrukt door middel van het letterteken ua.

De door Vondel gebezigde spelling reukeloos in de zin van ‘roekeloos’ - met eu in plaats van oe - wordt door Huydecoper van de hand gewezen. Hij beroept zich hierbij op het principe van de etymologie: ‘Reukeloos, is zonder reuk: Roekeloos, is zonder Roek, d.i. zonder Zorg’ (1730: 481).

6.11.9 OI/OY

Bij de bespreking van de y heben we gezien dat deze letter naar de mening van Huydecoper alleen in tweeklanken nog de klank van een i heeft, waarbij hij als voorbeeld onder meer de spellingvarianten noit en noyt geeft. Huydecoper spreekt bij deze woorden zijn voorkeur uit voor de notatie met een i in plaats van met een y (1730: 286; vgl. 6.10.6).

6.11.10 OU

Op bladzijde 567 van de Proeve wijst Huydecoper erop dat bij de Ouden de spelling verflouwen - met ou - ‘gemeen’ is. In het achttiende-eeuwse Nederlands is deze schrijfwijze ‘verouderd’ en dient men het werkwoord met aau te spellen: verflaauwen.

70WNT XVII, ii, 4462, s.v. tweeklank, 1.

71Moonen stelde in zijn Nederduitsche Spraekkunst dat Vondel van oordeel was, ‘dat in dit slagh van woorden [t.w. baer, haer, schaep, RdB] niet alleen de klank van de A, maer in het flaeuwen der uitspraeke ook van de E wierd gehoort; en schreef ze derhalve met Ae’ (Moonen 1706: 21). Schaars (1988: 119) meent dat deze verwijzing betrekking heeft op Vondels feitelijke schrijfpraktijk: in het werk van Vondel heeft hij geen passage kunnen kunnen achterhalen waarop ‘het flaeuwen der uitspraeke’ is terug te voeren.
72Zwaan 1939: 107. Moonen (1706: 21) wijst erop dat vóór Hooft de schrijvers Spiegel, Coornhert ‘en andere Taelbouwers uit de Kamer in Liefde bloeiende’ de spelling ae hebben verworpen en de schrijfwijze aa hebben aangenomen. Ook door Sewel (1708: 3) wordt verteld dat sommigen de voorkeur geven aan het spellen met aa ‘op den voorgang der Tweespraake van de Nederduytsche Letterkonst, door de Kamer in Liefde bloeijende te Amsterdam, in den jaare 1584 uytgegeeven, en op 't voorbeeld van veele andere aanzienlyke Opbouweren onzer Taale’. Op pagina 35 van de genoemde zestiende-eeuwse grammatica lezen we dat het ‘wanschicklyck’ is ‘datmen de ,e, by de ,a, stelt, ende der zelver gheluyd alst een silb zyn zal met de ,a, niet vermengt’.
73Van Lelyveld (1782: 348-349) vindt het opmerkelijk dat Huydecoper in dit verband zo fel van leer trekt tegen Vondel en Ten Kate, aangezien ‘'t onbetwistbaar zeker is, dat het gebruik der E, ter verlenging der A, de oude en echte spelling is; gelyk wy die vinden by onze schryvers, geene uitgezonderd, van de oudsten af, tot dien tijd toe, dat de Amsterdamsche Kamer, in Liefde bloeijende, in hare Tweespraak, uitgegeven in het jaar 1585, de spelling van Aa heeft ter bane gebracht’.
74Ten Kate (1723, I: 117-118) maakt duidelijk dat het voor hem geen bezwaar vormt wanneer twee of meer lettertekens dezelfde klank uitdrukken: ‘Op dien voet bedien ik mij onverschillig van Aa óf Ae [...] vermits ik zó wél de Ae als Aa [...] als ondéélbaare Téékens in deezen aanmerk, zóó dat Aa en Ae, bij mij één zélfden Klank bedúiden’. Vgl. Hellinga 1968: 331-332.
75Moonen (1706: 20-23) - zelf een fervent aanhanger van de spelling ae - bespreekt in zijn grammatica ‘de wederzydsche redenen der spellinge met Aa en Ae’. Vgl. Schaars 1988: 117.
76Over de verlenging van de o en de u door een e merkt Moonen op (1706: 18) ‘dat in oude boeken en geschriften kloester [...] geleezen wordt, [...] daer men nu doorgaens leest en schryft, klooster’.

77Volgens deze zestiende-eeuwse grammatica ligt de klank van de ey in woorden als gheyt, zeyd, screyen, rein, clein tussen de e en de i in. Niettemin wordt de ey in het algemeen uitgesproken als ay (1584: 35-36). Dit ‘misbruyck inde uyt spraack’ heeft zijn weerslag gekregen in geschreven taal. Vgl. Dibbets 1985: 402-405.
78Bij de bespreking van de ei-klank merkt Moller (1908: 122) op dat Vondel sommige Nederlandse woorden met de Noord-Hollandse (ook Amsterdamse) tongval met ay of ai zal hebben uitgesproken. Op basis van drie plaatsen uit het werk van Vondel waar ai rijmt op ei, trekt hij de conclusie dat deze klanken vroeger meer dan in onze tegenwoordige beschaafde uitspraak bij elkaar lagen.
79Moller (1908: 121) stelt vast dat Vondel samengestelde klanken die eindigen op een j-klank, aanvankelijk overal weergaf met een y (oyt, uyt, leyt, struyck). Sedert 1633 spelt Vondel deze j-klank volgens deze door Moller geformuleerde regel: ‘Komt [...] die j-klank aan et eind van et gehele woord, dan duidt hij die aan door y, in alle andere gevallen door i’.

80Sewel (1708: 15) daarentegen acht het raadzamer om ey in plaats van ei te spellen. De spelling ey is niet alleen de meest gebruikelijke, zij wordt ook ‘gebruykt by Mannen van naame, en opbouwers onzer taale’.
81Dat het Nederlandse woord eislyk is afgeleid van het ‘Frank-Teutsche’ egislich kan Huydecoper hebben ontleend aan Ten Kate (1723,II: 675).
82Vgl. 1730: 510: ‘datmen nu ijslijk schryft, is by misbruik’.
83Voor het woord krijt, aldus Huydecoper, zeggen wij tegenwoordig ‘kwaalyk’ Kreits, een spelling die wij volgens hem hebben ontleend aan het Hoogduits: ‘Kiliaen is hier van de eersten, die met een kwaad exempel zyn voorgegaan, schryvende beide Krijt en Kreyt: welke onachtsaamheid wy meer in hem ontdekt hebben’ (1730: 471).
84Dit is ook de reden waarom livrey volgens Huydecoper niet afgeleid kan zijn van lievery, zoals Carolus Tuinman beweert: ‘De Derde greep Ry zou moeten misvormd zyn in Rey. maar noit hebben de Ouden zich vergist in den klank, of in den schryfwyze, van Y en Ey, of Ei. Dit is zo klaar, en reeds zo dikwils van anderen, voor my, aangemerkt, dat het niet waardig is, dat wy 'er ons mede ophouden’ (1730: 319).
85Vgl. Kiliaen 1599: 209: ‘yser-kruyd j. eysen kruyd’.
86Vgl. Plantin 1573: f. Z2v: ‘ijserkruydt’.
87Van Lelyveld (1784: 344) stelt dat sinds twee eeuwen in sommige streken van Nederland, met name in Amstel- en Rijnland het onderscheid tussen ei en y in de uitspraak geheel of ten deele verloren is gegaan.

88Vgl. Dibbets 1985: 414-415.
89Sewel (1708: 14) merkt bij de bespreking van de eu op dat de letters e en u, ‘wanneer zy, schoon elk byzonder, op 't allervlugst uytgesprooken worden, dien klank voort[brengen], gelyk een ieder, als hy maar behoorlyk met zyn oor te raade gaat, ligtelyk zal konnen hooren; zulks dat men dan niet behoeft te spellen peuin, speuy, enz. gelyk sommige Hóllanders doen’.
90Hinlópen keurt in de tweede druk van de Proeve zowel lenen, leunen, leenen als lienen goed: ‘In de Noordhollandsche uitsprake wordt de zachte e in eu veranderd [...] de harde of dubbele ee in ie’ (1788: 276).

91Vgl. 1730: 354 waar Huydecoper aantekent dat isen ‘oudstyds 't geen nu is yzer’ betekende.

terug  begin  verder