|
|
|
| |
| | | |
Huisnamen Ontstaan en morfologie
Gedurende de 10 jaar dat de Limburgse Vereniging voor Dialekt- en Naamkunde
bestaat, is er noch op de jaarlijkse congressen, noch in deze reeks publikaties
één enkele maal gehandeld over huisnamen.
En daar zijn naar ik meen verscheidene redenen voor.
| 1. | Vooreerst is het zo dat huisnamen alleen voorkomen in agglomeraties met
een vroeg-stedelijk karakter, zodat wij voor Belgisch-Limburg het fenomeen
huisnamen praktisch alleen kunnen situeren in Hasselt, Sint-Truiden, Tongeren en Maaseik en in mindere mate
in lokaliteiten als Peer, Hamont, Stokkem e.a. |
| 2. | Er is echter nog een tweede reden. Een huisnaam is een onderwerp dat zich
niet leent tot linguistische beschouwingen. Zijn vaste, zijn geijkte vorm
wijst erop dat de huisnaam, in het algemeen althans, de vrucht en het
resultaat is van een conventie, waarin de onderzoeker ten hoogste
mode-trends kan onderscheiden maar meer ook niet. Lokaal-historisch of
volkskundig zal niemand het belang van de studie der huisnamen ontkennen,
doch voor de taalkundige bieden zij eerder weinig stof tot onderzoek. Ze
zijn, vergeleken met het overige toponymisch materiaal eerder vrij jong, ze
komen voor in vaststaande, geijkte vormen en zij ondergingen in de loop der
eeuwen weinig of geen evolutie, waardoor een diachronische benadering van
het fenomeen weinig oplevert. |
Wij willen hier, zonder volledigheid te ambiëren, achtereenvolgens
volgende aspecten bespreken:
| 1. | Wat zijn huisnamen? |
| 2. | Het ontstaan. |
| 3. | De chronologisering. |
| 4. | De morfologie. |
Dit alles aan de hand van het Maaseiker namenmateriaal, dat enkele jaren geleden
gepubliceerd werd.(1)
| |
Wat zijn huisnamen?
Een bepaling formuleren van het begrip huisnamen lijkt ons overbodig vermits
het woord duidelijk de lading dekt. Toch dient hierbij te worden ingegaan op
het onderscheid tussen huisnamen en erf-namen, ook wel boerderijnamen
genoemd.(2)
A. Vooreerst is er uiteraard een zakelijk onderscheid De erfnaam duidt
namelijk niet enkel een woning aan, zoals dat bij een huisnaam wel het geval
is, maar wel het hele complex van de woning en de daarbij horende | | | | stallingen, velden en weiden. Een erf is met andere woorden een domein
van gebouwen en de daarbij horende gronden.
Logisch gezien brengt dit met zich mee dat voor een agglomeratie als Maaseik
de huisnamen intra-muros, binnen de wallen dienen te worden gezocht en de
erfnamen buiten de wallen, dus vooral in de gehuchten. Vandaar ook dat de
zogenaamde vroegere stadsboerderijen onomastisch als huis en niet als erf
beschouwd moeten worden. Een sprekend voorbeeld hiervan is de voormalige
hoeve Sint-Joris in de Bleumerstraat die reeds jaren in
Bokrijk op reconstruktie ligt te wachten.
Door het feit dat een erfnaam een complex van woning en landerijen aanduidt,
kunnen wij ook begrijpen dat de erfnaam toponymisch zeer produktief kan zijn
en zowel veld- als wegnamen doet ontstaan. Van de grote boerderij Nuchelen
in Heppeneert noteerden wij maar liefts 13 afleidingen en composita zoals
Nuchelenboske, Nuchelenhofland, Nuchelenkuilke, Nuchelendijk en Nuchelenkerkweg.
Een huisnaam biedt zelden of nooit produktie van andere toponiemen.
Uitzonderingen hierop zijn enkele straten die naar een bepaald huis genoemd
werden: Hagendorenstraat, het
Clotenstraatje en de Vossenbergstraat, danken hun
naam aan de huizen Den Hagedorn (1636), In
den Cloot (1687) en Den Vossenbergh (1636). Wat
de familienamen betreft bieden de Maaseiker parochieregisters heel wat
voorbeelden van benamingen naar het huis doch uit het merendeel resulteerde
geen enkele blijvende naam. Wel ontstonden er uit de huisnamen een hele
reeks alias-namen(3): zie bijlage.
B. Naast dit zakelijk onderscheid bestaat er eveneens een linguistisch.
Een erfnaam komt uitsluitend voor in verbinding met het lokatieve voorzetsel
OP. Zo zegt men: Op Nuchelen, Op Hermeshof, Op de Stadshoof en
Op Windhuizen.
Huisnamen daarentegen verschijnen alleen met het voorzetsel IN.
In de Verkeerde Wereld, In het Vosken, In de Noodstal. De
door J. Molemans vermelde archaïsche verbinding
van huisnaam met voorzetsel TE, konden wij voor Maaseik niet vinden. Ook de
reeds vermelde stadsboerderij wordt met de prepositie IN aangeduid. In de Sint Joris.
Uit de aangehaalde voorbeelden blijkt duidelijk dat huisnamen in
tegenstelling met erfnamen, steeds voorafgegaan worden door het bepaald
lidwoord. Eén enkele maal is dit onzijdig: In het
Roelandt (1762) en dit onder invloed van het weggelaten woord huis.
C. Er zou daarbij nog op een derde onderscheid kunnen gewezen worden dat | | | | m.i. relevant is. Alle erfnamen zijn spontaan ontstaan binnen de
spraakmakende gemeenschap. Zij wijzen naar één of
ander kenmerk, zoals de naam van de bewoner of de eigenaar, de ligging of
een ander fysisch kenmerk. De meeste huisnamen echter, behalve de
alleroudste, zijn kunstmatige vondsten, waarbij de bewuste naamgever a.h.w.
geïnspireerd werd door een beperkt aantal mogelijkheden. Dit
heeft tot gevolg gehad dat we in alle Vlaamse steden voor een groot deel
identiek dezelfde huisnamen vinden. Ik denk hierbij aan voorbeelden als Den Keizer, De Bonte Os, De
Koning van Frankrijk of De Vos.
Gevallen van persoonlijke inventiviteit zijn uiterst zeldzaam.
Al bij al mogen we hierbij stellen dat in het algemeen de huisnaam een minder
belangrijk middel tot identificering vormde dan de erfnamen.
Toch zien we zelfs nu nog, dat in kleine en dus overzichtelijke
gemeenschappen zoals Maaseik de huisnaam een rol speelt bij de vorming van
bijnamen, vooral i.v.m. cafénamen:
Bèr van de Majestic, Leon van de Beurs en zelfs
Pier Pax, een combinatie waarbij de
verbindingsprepositie zelfs wordt weggelaten.
| |
Het ontstaan der huisnamen.
Het zou van een al te pragmatische opvatting van de taal getuigen de
oorsprong van de huisnamen louter uit utilitaire redenen te willen
verklaren. Want aan de basis van iedere naamgeving ligt de drang de dingen
te noemen, het streven vat te krijgen op de omringende wereld, de dingen in
de greep te krijgen, ze te begrijpen. Doch natuurlijk wordt bij dit
naamgevend bezigzijn een werkwijze gebruikt die voor identificatie en
differentiatie bruikbare namen oplevert. Op deze wijze ontstaan er namen die
de dingen niet alleen in taal omzetten, ze ver-talen, maar
die ze ook noemen en dus onderscheiden of afbakenen van alle andere.
Toen zich vanaf de 15de eeuw bij de uitgroei van de stedelijke agglomeraties
steeds grotere huizencomplexen ontwikkelden, ontstond er inderdaad een
identificatieprobleem en werd naamgeving der huizen als het ware
noodzakelijk.
Een eerste laag van huisnamen is gebaseerd op een bepaald natuurlijk kenmerk
van het gebouw of van de grond waarop het stond. Dit kenmerk kon bestaan uit
de begroeiing van het perceel, de ligging, een architectonische
eigenaardigheid of de eigenaar. Tot deze laag behoren te Maaseik namen als De Hagedoorn, De Rode Poort, Het
Pannenhuis, Gewanthuis, Het Stockhuys, De Toren, Het Kanthuis, Het
Nieuwhuis, Het Groenhuys, De
Hoeck of De Spieghel. Al deze namen zijn spontaan
gegroeid in de volksmond uit appellatieven.
| | | |
Daarnaast echter ontwikkelde zich in deze agglomeraties de gewoonte op de
gevel een teken tot onderscheid aan te brengen.
Gebeiteld in steen, of geschilderd op hout gingen voorwerpen, planten, dieren
of menselijke afbeeldingen de gevels der huizen sieren. Het ligt trouwens
voor de hand dat steeds afbeeldingen en niet het geschreven woord werden
gebruikt, rekening houdend met het heersend analfabetisme. Op deze wijze
werden gevelstenen en uithangborden het gevisualiseerde adressenboek voor de
ongeletterde reiziger, de drager en de koetsier, dit volgens het principe
pictura litertura pauperum.
Stilaan ontstaan dan uit deze afbeeldingen de eigenlijke huisnamen, een
ontstaan dat we aan de hand van enkele Maaseiker voorbeelden kunnen
illustreren. Oorspronkelijk, en soms zelfs nog laat, worden deze huizen
namelijk aangeduid door omschrijvingen zoals het huys daer de
eyckel aen uythangt (1688), het huys daerop de groene
wanne uythangt (1663), het huys daer die ploeghe
vooren uyt staet, het huys daer die croone aen
uythangt, het huys daer den regenboege voer
uythangt.
Uit deze omschrijvingen ontwikkelden zich de huysnamen De
Eikel, De Groene Wanne, Die
ploeghe, Den Fransen Croone en de Regenboege.
Wat nu de keuze van voorwerpen, dieren en personages betreft die uitgehangen
werden, zien we dat onze voorouders gekozen hebben uit het gehele arsenaal
van hun vroomheid en hun bijgeloof, hun herinneringen aan het verleden, hun
bewondering voor de groten der aarde, de bekoring van populaire verhalen en
oeroude symbolen.
Daarnaast verwees het voorwerp, en later de naam, vaak naar het beroep dat in
het huis werd uitgeoefend. De Goudmolen, De
Windmolen, Het Molenijzer en De
Molensteen, duidden de huizen van molenaars aan. Bij de smid hing
het hoefijzer of de ploeg uit. Het anker en het Marktschip sierden de huizen
van de maasschippers. De laars duidde de schoenmaker aan, de ketting de
goudsmid en de schaar de kleermaker. Soms werden deze tekens door de
plaatselijke overheid verplicht. Zo citeert
Helsen
dat volgens het keur-boek van Turnhout de
wijnhandelaars aldaar verplicht waren de Tinnen Pot uit te hangen(4).
In Amsterdam werd in een keure van 1590 voorgeschreven dat wijnhuizen een
krans moesten uithangen op straffe van 3 gulden.
In dezelfde optiek mogen we met zekerheid stellen dat de voorwerpen en later
de uithangborden en gevelstenen ook een publicitaire funktie hadden. Door
tekening maar ook door kleur probeerde men de aandacht van de
potentiële klant op het huis te vestigen. Het teken werd dus ook
een soort blikvanger voor de voorbijganger. Met dit doel hingen sommige
handelaars het schild van de stad Luik, Maastricht of Roermond uit
om de reizigers uit deze steden aan te trekken. Herbergiers hingen ook wel
eens de ploeg of | | | | het anker uit om zodoende respectievelijk de
boeren of de schippers tot een dronk uit te nodigen. Zelfs religieuze
voorstellingen werden wel eens om commerciële motieven misbruikt,
zo erg zelfs dat de geestelijke overheid verplicht was in te grijpen. In de
17de eeuw moest de pastoor van de parochie St.-Eustache in Parijs een beroep
doen op de politie om het schild A la Tête Dieu
te doen verwijderen boven een drankhuis van slechte reputatie.
Ook dient zeker de invloed van de heraldiek vermeld. Dit blijkt uit de keuze
der figuren op talrijke uithangborden die ontleend zijn aan de wapen-kunde.
De leeuw, de luipaard, de arend en de pelikaan zijn typisch heraldisch. Ook
voorwerpen als het anker, het zwaard, de sleutel, posthoorn, kruis of kroon
prijken op vele schilden. Namen als de Hollandse Tuin, of
De Dubbele Arend kunnen zelfs niet anders
geïnterpreteerd worden.
Naast de figuren zelf is er ook de stand waarmee bepaalde dieren zijn
voorgesteld op de gevelsteen, de getallen en zelfs de kleur die bij vele
namen doen vermoeden dat ze van heraldische oorsprong zijn.
Zo wordt de leeuw vaak klimmend of gaand
voorgesteld, de lelie dikwijls als de fleur de lys en heel
wat andere figuren gekroond.
Het ontstaan van het wapen kan men situeren in het midden van de 12de eeuw,
doch eerst vanaf de 15de, 16de eeuw ontstaat ook bij de burgerij de gewoonte
een familiewapen in te voeren, m.a.w. omstreeks dezelfde tijd dat ook de
gewoonte van de huisnaamgeving verscheen.
Uiteraard werden er ook vaak religieuse voorstellingen of afbeeldingen op de
gevel aangebracht. Soms was het de patroonheilige van de eigenaar, vandaar
namen als St. Pieter, St.-Jan of St.-
Franciscus. Soms de Naam Jesus, De
Heilgie Geest of het Lieve Vrouwke. Soms ook een
geliefde volksheilige als St.- Joris.
Tenslotte mogen we aannemen dat ook het bijgeloof een belangrijke rol heeft
gespeeld bij de keuze van huisnamen. Zo bestond de verspreide gewoonte
bepaalde voorwerpen of afbeeldingen daarvan als een atropeia, als een afweermiddel tegen de geesten aan de deur te
bevestigen. Een hoefzijzer, een karrewiel, een spoor, een palmtak of een
ploegijzer waren verspreide afweermiddelen tegen hekserij en tegen de kwade
hand. Een afbeelding van een mensenhoofd was eeuwenlang een relikt van het
bouwoffer dat oorspronkelijk in de grondvesten van een nieuw huis begraven
werd. In hout gesneden zwanen, sterren, paardekoppen en horens dienden de
woning te beschermen tegen ziekten en tovermacht. Een stuk spiegel op de
deur vernietigde iedere demon, want als deze erin keek, doodde hij zichzelf.
De haan op het dak was het afweermiddel tegen de vegetatiedemonen, en een
dode vogel zoals een vleermuis of een uil, hield iedere heks op een afstand.
Ook zulke voor- | | | | werpen, als zij maar uniek en blijvend waren,
konden een kenmerk van het huis gaan vormen en op die wijze naamgeving
veroorzaken(5).
| |
Chronologie
Een eerste chronologisch probleem dat zich opdringt, is wel wanneer de
gewoonte van de huisnaamgeving ontstaan is.
Auteurs als Heintze-Cascorbi zijn het er over eens dat dit in de Middeleeuwen
gebeurd is, in de bloeiperiode der burgerij. Volgens laatstgenoemden
ontstond toen de gewoonte het huis een naam te geven en wel vooral wegens
‘rechtsgeschäfte, dus om
juridische redenen = de huisnaam vergemakkelijkte een nauwkeurige aanduiding
in koopakten en dergelijke(6).
Blijkbaar is de huisnaamgeving ontstaan in de steden aan de Rijn en in
Zuid-Duitsland in de 12de eeuw. Zo dateert de oudste huisnaam in Keulen van
1150.
Vandaar heeft de gewoonte zich over West-, Zuid- en Midden-Duitsland
uitgebreid en in onze gewesten, althans volgens de Potter vinden we eerst
huisnamen vanaf de 15de eeuw(7).
Voor Maaseik is een exacte chronologisering
onmogelijk en dit vooral wegens de discontinuiteit van de bewaard gebleven
documenten. Bekend is dat de Nova Villa de Eycke in 1244
tot parochie werd verheven en dat het toen reeds stadsrechten bezat. We
mogen om verscheidene redenen aannemen dat al vlug daarna het stratenplan
binnen de omwalling eruit zag zoals nu en dat zelfs het aantal huizen niet
veel minder was dan laat ons zeggen in de 19de eeuw. Toch is het zo dat in
de oudste bewaard gebleven schepenbrieven die uit de 14e eeuw dateren
(1323-1456), geen enkele huisnaam voorkomt(8).
Het is eerst omstreeks de tweede helft van de 15de eeuw dat we ze tegenkomen.
Zo vonden wij de attestatie ‘Huysinghe geheiten
Werren Huys’ in 1475.
Vanaf de 16de eeuw vormen ze echter schering en inslag. Wel is met zekerheid
vast te stellen dat de huisnaamgeving tot zelfs in de 18de eeuw zeer
productief was, omdat de oorsprong van bepaalde namen chronologisch exact
situeerbaar is.
Van het huis genaamd In den Hertog van Beieren, vinden we
een eerste attestatie in 1721, terwijl we weten dat deze befaamde hertog
leefde van 1622 tot 1726. De man werd dus tijdens zijn leven reeds verheven
tot de eer der huisnamen.
Een ander huis In den Bisschop van Munster is genoemd naar
de meest gekende persoon die deze funktie bekleedde nl. Christoffel Bernhard
von Galen die leefde van 1606 tot 1678. Een vroegste Maaseiker attestatie
vonden wij uit 1721.
Andere voorbeelden van huisnaamgeving biedt ons de grote brand die de stad
| | | | teisterde in 1684 en waarbij haast een vierde van de stad in
de as werd gelegd. Bij de wederopbouw van bepaalde huizen kregen sommige, om
welke reden dan ook, een andere naam van hun eigenaar. Zo werd het aloude
huis De Mol herdoopt in het meer illustere De
Prince van Luyck.
Een bedenking bij dit alles is wel waarom bepaalde huizen, soms zeer
belangrijke, nooit met een naam werden aangeduid. Het huis van de
vooraanstaande familie Vlecken, op de Markt, woning o.a. van baron de Lilien, directeur van de keizerlijke post van Turn und
Taxis en van de familie Vlecken, leverancier van kanunniken, burgemeesters
en dokters in de rechten, heeft nooit een naam gehad. Hetzelfde geldt voor
het prachtige barokhuis in de Bosstraat nr. 21.
Volgens een persoonlijke telling droegen ruim 300 huizen van de in totaal
ongeveer 550 intra muros een naam.
Al bij al mogen wij besluiten dat te Maaseik de huisnaamgeving een aanvang
nam in de tweede helft van de 15de eeuw.
Over het einde van de huisnamen zijn we, uit de aard der zaak beter
ingelicht. De grote boosdoener was de invoering van de huisnummers.
Deze gewoonte is ontstaan in Frankrijk. In Parijs was er reeds een vroege
poging ondernomen in 1512 en wel voor de 68 huizen van de Pont
Notre-Dame(9). Doch
eerst in 1768 werd de huisnummering er volledig ingevoerd. In 1760 gebeurde
dit voor een eerste maal in Frankfurt gedurende de Franse bezetting, in
Straatsburg werd het huisnummer bij politieverordening verplicht gesteld in
1785 en dichter bij huis in Luik eveneens in 1785(10).
In Maaseik deden de huisnummers eerst vanaf 1806 hun intrede, ingevoerd door
de Franse administratie.
| |
| | | |
Morfologie
Wanneer we nu de Maaseiker huisnamen syntactisch-morfologisch onderzoeken,
kunnen we de volgende vaststellingen doen.
| - | Vooreerst is er een beduidende groep van enkelvoudige substantieven
enkel voorafgegaan door het bepaald lidwoord. Zoals De
Aer, De Fortuin, De Duif of Het Vosken. |
| - | Daarnaast is er nog een talrijker groep bestaande uit een
substantivum met een voorafgaand adjectief, telwoord of deelwoord.
De Zwarte Adelaar, De Drie Haringen,
Het Verworren Hoofd. |
| - | Een kleinere groep bestaat uit een substantief met een
achtergeplaatste voorzetselgroep, steeds ingeleid door de prepositie
VAN, De Koning van Frankrijk, De Prins
van Luik. |
| - | Dan is er een eveneens kleine groep van substantief plus substantief
zoals de Prins Eugenius, De Stad
Amsterdam, De Naam Jesus. |
| - | Een eerder zeldzame formatie bestaat uit substantief met
voorafgaande genitiefbepaling zoals Lievens Hofken,
Nessels Schuere. Deze namen hebben hun
oorspronkelijk appellatief karakter nog niet helemaal verloren. |
| - | Het Maaseiker materiaal biedt tenslotte slechts
één voorbeeld van een imperatieve samenstelling
namelijk het huis genaamd De Kruip-in. |
| |
Het grondwoord
Wat het grondwoord betreft biedt het onderzochte materiaal
| - | 37 verschillende diernamen (inheems, uitheems, vogels, vissen). |
| - | 31 persoonsnamen (historische, religieuze, mythologische). |
| - | 60 voorwerpsnamen waaronder 17 symbolen (Kruis, Kroon en
Lichaamsdelen). |
| - | 17 zuiver religieuze namen. |
| - | 15 namen van planten of vruchten. |
| - | 8 geografische namen, waarvan maar liefst 7 stadsnamen. |
| - | 6 abstracta zoals De Fortuin, De
Vrede, De Arbeit, De
Kruip-in, De Soete Inval, De
Winkel. |
Bij dit alles dienen er enkele bedenkingen te worden gemaakt.
| - | Veel diernamen komen verscheidene malen voor, maar dan steeds
met een ander predikaat. De kroon wordt wel gespannen door de Leeuw,
en wel met volgende kleuradjectieven: Blauw, Groen, Gulden, Rood en
Wit. Soms ook dragen twee huizen hetzelfde dier als naam zonder
een differentiërend adjectief, zoals het huis De Olifant in de Bleumerstraat en
één gelijknamig in de Kleine Kerkstraat. |
| - | Van sommige diernamen, van andere minder, is het duidelijk dat
we te doen hebben met heraldische symbolen. Ik denk hierbij aan
dieren zoals |
| | | |
| de leeuw, de adelaar maar ook aan andere
namen zoals de kroon of de lelie. Bij namen als de Dubbele adelaar is het heraldisch karakter duidelijk. |
| - | Andere diernamen kunnen eveneens van religieuze oorsprong zijn.
Het zwart schaap (bijbels), De
Arend is het symbool van één der
evangelisten, De Pelikaan is een oeroud
Christus-symbool en Het Lammeke behoort eveneens
tot de typische christelijke iconografie. |
| - | Nog andere huisnamen zijn duidelijk geïnspireerd door
de 15de eeuwse volksboeken. Wij denken hierbij niet alleen aan een
naam als Het Ros Beiaard of De
Eenhoorn, maar ook aan Het Vosken en zijn
companen als De Beer en De Leeuw
uit Den Vos Reynaerde. |
| - | Ook bij voorwerpsnamen kan men zich dezelfde vragen stellen.
Duiden sommige een beroep aan zoals De Molensteen,
De Schaar of Het Anker? |
| - | Welke zijn heraldisch? De Verkeerde Wereld,
De Kroon, Het Schild? |
| - | Welke zijn religieus van inspiratie? Het
Kruis, Het Anker? |
| - | En welke zijn alleen maar gekozen als louter fantasienaam?
Het enige middel tot een gefundeerde interpretatie biedt ons de
bewaard gebleven gevelsteen of het uithangbord, want alleen door
onderzoek van de iconografie kan men de inhoud van de naam
verklaren. Helaas zijn er praktisch geen bewaard gebleven. |
| - | Satire bij huisnaamgeving komt eerder zelden voor. Enkele
voorbeelden zijn De Verkeerde Wereld: een
cerebraal spelletje waarbij de wereldbol met het kruis naar beneden
is afgebeeld.
De Goede Vrouwe: afgebeeld als de vrouw zonder
hoofd. Een mysogyn grapje, alsof de enige goede vrouw diegene was
die niet kan denken en de man dus volledig onderdanig was.
Namen als De Kruip-in of De
Ijskelder spreken voor zichzelf. Wat tenslotte het attributieve adjectief betreft nog het
volgende: |
| - | Vooreerst zijn er de aardrijkskundige adjectieven: Bourgondisch,
Brabants (2X), Frans (2X), Gelders, Hollands (2X) en Zweeds. |
| - | De groep met stofadjectieven is vrij gering. Ze verwijzen haast
alle naar het materiaal waaruit het oorspronkelijk uitgehangen
voorwerp vervaardigd werd. Zoals houten (1X), ijzeren (2X), koperen,
leren, tinnen. Eén enkele maal ook verwijst het adjectief
naar het materiaal waaruit het gebouw opgetrokken was, zoals in het
Holteren huys, en een enkele maal is het
adjectief louter symbolisch, zoals in de naam De
Ijzeren Man. |
| - | Frappant is ook het gebruik van telwoorden:
| Half: |
1X |
drie: |
15X |
| dubbel: |
2X |
vier: |
1X |
| twee: |
2X |
vijf: |
2X |
Het veelvuldig gebruik van drie heeft
zeker te maken met de oeroude getallenmystiek.
|
| | | |
| Heraldische invloed in composita als de Dubbele arend of de Dubbele sleutel is
zeker niet uitgesloten. En andere getallen zijn misschien gekozen om
publicitaire redenen. De Vijf Haringen vormt zeker
een betere publiciteit den De Drie Haringen. |
| - | Vervolgens zijn er de talrijke kleuradjectieven. Maar
liefst 36X het naamwoord gulden, vergulde, of gouden
| 12X |
wit |
|
7X groen |
| 10X |
zwart |
|
6X blauw |
| 8X |
rood |
en |
1X bont |
Ook deze predikaten zijn in bepaalde gevallen heraldisch of
symbolisch bepaald. De Rode Leeuw als wapen van
Limburg, Holland en Luxemburg, of de Zwarte
Adelaar wijzen zeker in die richting. Toch is het opvallend dat
de kleuren met de grootste zichtbaarheid zoals gulden, zwart, wit en
rood het meest voorkomen. De reden is natuurlijk dat de gevelstenen
en borden gekleurd waren. En goed zichtbare kleuren droegen om
utilitaire redenen uiteraard de voorkeur. Zij vormden de beste
blikvanger. Andere adjectieven tenslotte vormen een kleine
groep die deels zakelijk, preciserend zijn zoals Het
Nieuw Huys, deels differentiërend bv. Het groot Huys en Het Kleyn
Huys, soms ook metaforisch zoals De Verkeerde
Wereld, De Blije Hoek, De
Verloren Arbeid, en enkele heraldisch of symbolisch zoals
de vele samenstellingen met het attribuut Gekroond. |
Martin Boonen
| |
| | | |
Bijlage 1
Onder de alias-namen kan men volgende vormen onderscheiden.
| - | Vooreerst is er de combinatie voornaam, familienaam, beroep en
huisnaam met in-prepositie:
| Jacob Meyers weerdt In Den
Roelandt |
| Heyn Gorissen der smeet in den Nootstall |
| Joan
Melchior wertz-hospes inden Spiegel |
| Herman Horion der weert
in den Appel |
| Hedrik Kerris weerdt In den Engel (1693) |
|
Lyna Swillens weerdt in den Keyser (1687) |
| Ruth Pyroo weerdt
in den Hagendoorn (1665) |
|
| - | Vervolgens is er de verbinding van voornaam, familienaam gevolgd
door huisnaam met in-prepositie:
| Adam Adamsn in die
ploege |
| Mijn Heer Claessens int Posthoorn |
| Lysbeth
Goevers inden Pellicaen |
| Maria Haenen in de Roode
Poorte |
| Goert Bex in die Roos |
| Jan Gielen in den
Roscamp |
| Geurten Bex uten Valck |
| Sieur Jacob Claessens
in de Verkeerde Werelt |
| Jan Janssen in den Vesel |
| Jan
Jaspars inden Vossenbergh |
| Matthijs Jansen int Wit
Cruys |
| Matthijs Bex inde Soete Naem |
| Jan Gubbels in de
Drij Meuwen (1662) |
| Matthijs Peters int Eynhoorn |
|
Christiaen Beels In d'Eyckel (1666) |
| Jean Grimm in de Goede
Vrouwe |
| Goesen Vos in den Haen (1631) |
| Dirck Reyners in
de Clock (1696) |
| Weduwe Caeters in den Keyser (1755) |
|
Joes Loeyens in den Moelensteyn (1702) |
|
| - | Eén enkele maal treft men ook de verbinding aan
voornaam, beroep en huisnaam met voorzetsel:
| Jacob den
weerdt in den Roolandt |
|
| - | Van echte alias-namen kan men echter eerst spreken bij de
verbinding voornaam, familienaam gevolgd door alias of genaempt met huisnaam voor-afgegaan
door de prepositie in: |
| | | |
|
| Dirck Corstens genaemt in den Pauw |
| Matthijs
Lenssen alias in den Gulden Ancker (1617) |
| Anneke Smets
bijgenaempt Inderhandt (1671) |
| Reyner Bormans genaempt
Molenveldt (1548) |
| Reyner Bormans alias Moelevelt (1629) |
|
| - | Tenslotte is er de verbinding voornaam gevolgd door huisnaam met
inprepositie, een combinatie waaruit een erfelijke familienaam kan
ontstaan.
| Jan Inden Vesel |
| Willem int Wambas |
|
Frans in die Drij Coningen (1642) |
| Jan in de Goutbloem
(1757) |
| Claere int Gulden Hooft. |
|
| |
| | | |
Bijlage 2
Lijst der personen genoemd naar een huisnaam in de geboorte- en
overlijdens-registers der parochie Maaseik (Parochieregisters SAM)
| Int Backhuys Petrus (1599) |
| Int Bachuys (1601) |
| In Gebachhuys Anna (1704) |
| In den Boel Theodorus (1624) |
| In den Boel Theodorus (1624) e.a. |
| In den Beer Nicolaus (1702) |
| In de Clock Ida (1691) |
| In den Haen Isaac (1593) |
| In den Haen Henricus (1682) |
| In drij Koninghe Guilelmus (1682)-(1687) |
| In den Frischer Wirdt Joannes (1598) |
| Inden Heemel Joannes (1633) |
| Ingen Herberch Jutta (1601) |
| Ingen Hollandt Antonius (1732)-(1744) |
| Ingen Holland (1737-1729) e.a. |
| Ingenhollent (1718) |
| In den Kloet Helena (1595) |
| In den Ouden, Joannes (1695) |
| Int Panhuys Jacobus (1612) |
| In dat Pannes Catharina (1796) |
| In de Papegey Helena (1689) |
| In den Roes Theodorus (1595) |
| Int Rooteenhoorn Joannes (1713) |
| In der Sittart Maria (1711) |
| In den Wirt Anna (1594) |
|
(1)M. Boonen. Huisnamen te Maaseik. Een
historisch-naamkundige studie Maaseik, 1980.
(2)J. Molemans. Van Persoons- tot
Erfnamen. In Vlaamse Stam, 1976, XII. J. Molemans. Intern- en
extern-lokaliserende voorzetsels bij Limburgse toponiemen. In: Naamkunde
IV, Leuven 1972, jg. 4, afl. 3-4, p. 163-208.
(4)J. Helsen. Huisnamen te Lier. Brussel 1934.
(5)E. Hoffman-Krayer e.a.
Handwörterbuch des Deutschen Aberglaubens. Berlijn-Leipzig
1927.
(6)Heintze-Cascorbi. Die
Deutschen Familiennamen. Halle/s Berlin 1933. A. Bach. Die
Deutschen Familiennamen. Berlin 1943.
(7)Fr. de Potter. Het
Boek der vermaarde Uithangborden. Gent 1861.
(8)J.
Moors. De Oorkondentaal in Belgisch-Limburg van circa 1350 tot 1400.
Belgisch inter-universitair Centrum vr. Neerlandistiek.
(9)L. De Man. Toponymie van Leuven.
Onuitgegeven proefschrift, Universiteit van Leuven, p. 52.
|
|