|
|
|
| | | | | |
Geschiedenis van de Friese literatuur
Dat de Friese letterkunde in onze tijd een springlevende zaak is
mag een wonder heten, als wij ons realiseren onder welke moeilijke
(politiek-culturele) omstandigheden de Friese taal zich heeft moeten handhaven.
Als Westgermaanse kusttaal (verwant aan het Oudengels) werd het Fries in de me
gesproken in een gebied dat aanmerkelijk groter was dan het huidige. De oudste
bewaard gebleven handschriften, die men bij gebrek aan méér tot
de Friese literatuur mag rekenen, zijn wat het taalgebruik betreft te
onderscheiden in `Westerlauwers' en `Oosterlauwers' Fries. Met `Westerlauwers'
Fries werd en wordt nog steeds de taal aangeduid die gesproken werd en wordt in
de tegenwoordige Nederlandse provincie Friesland, maar de actieradius van die
taal heeft zich eens uitgestrekt tot de kusten van wat nu Holland, Zeeland en
Vlaanderen heet. Het `Oosterlauwers' Fries was omgangstaal in de kuststreken
ten oosten van het stroompje de Lauwers tot aan de Wezer. Het heeft daar de
expansie van het Saksisch niet overleefd; de `ontfriesing' van de Groninger
Ommelanden was al ca 1430 een voldongen feit. En in het gebied ten westen van
de Lauwers, dat wil zeggen in de huidige provincie Friesland, waar het Fries
zich al evoluerend wèl kon handhaven, verloor het ca 1500 ook zijn min
of meer officiële status. Het zou tot in onze tijd duren, voordat het
Fries er officiële erkenning vond en naast het Nederlands een plaats kreeg
in het onderwijs en in het officiële verkeer.
De geschiedenis van de Friese letterkunde vormt, om met K. Fokkema
te spreken, mede ten gevolge van de hierboven geschetste ontwikkelingen, niet
één geheel, maar begint op verschillende tijdstippen opnieuw. Wij
onderscheiden mede daarom en daardoor een drietal tijdvakken: het Oudfriese
(tot ca 1550), het Middelfriese (van ca 1550 tot ca 1800) en het Nieuwfriese
tijdvak (na 1800).
| |
Oudfries
De Oudfriese tijd wordt op haar beurt wel onderverdeeld in een
drietal perioden: de pre-klassieke (ca 700 tot ca 1000), de klassieke (ca 1100
tot ca 1400) en de post-klassieke (ca 1400 tot ca 1550). Uit de eerste periode
zijn alleen de zgn. runen-inscripties bewaard gebleven. Van de blinde dichter
Bernlef (8ste eeuw) wordt weliswaar in Angelsaksische bronnen getuigd dat hij
in het Fries, zichzelf op de harp begeleidend, heldenliederen zong, maar
teksten zijn niet overgeleverd, evenmin als van de psalmbewerkingen die hem -
na zijn bekering tot het christendom - worden toegedicht. Des te omvangrijker
zijn de sporen die uit de klassieke periode bewaard zijn gebleven. Het betreft
hier (in hoofdzaak Oosterlauwerse) rechtshandschriften met een literair patio:
dichterlijk taalgebruik met suggestieve alliteraties en naar het magische
neigende metaforen. Vrijwel alle handschriften uit deze periode zijn in
wetenschappelijke edities toegankelijk gemaakt. Zij vormen uiteraard in de
eerste plaats `voer voor filologen' (en rechtshistorici) maar zijn ook
literair-historisch van groot belang. Uit de post-klassieke periode tenslotte
dateren (voornamelijk Westerlauwerse) rechtsdocumenten als oorkonden, die
eveneens in voortreffelijke edities zijn ontsloten. De laatste Friestalige
oorkonde (uit Leeuwarden) dateert uit 1573. Toen was ook in Friesland (in 1523
`ingelijfd' in het rijk van Karel v) een aanvankelijk sterk door het Duits
beïnvloed Nederlands de taal van recht en wet geworden. Het `boerenfries'
handhaafde zich als de niet-officiële omgangstaal voor de ongeletterden
ten plattelande. En van een eigen Fries letterkundig leven is dan niet of
nauwelijks sprake.
| |
Middelfries
Het tijdvak van de Middelfriese letterkunde (ca 1550 tot ca 1800)
wordt gedomineerd door de opzienbarende figuur van de dichter Gysbert Japicx
(1603-1666). Zonder noemenswaardige voorgangers, zonder de stimulans van een
schriftelijke, laat staan literaire traditie, blijkt hij vrijwel vanuit een
vacuüm in staat in de geminachte taal van het landvolk literatuur van
grote allure te scheppen. Zijn Friesche Rymlerye, twee jaar na zijn dood
in druk verschenen, toont een dichter en `taalbouwer' pur sang. Gysberts
taalscheppend en -vormend vermogen valt te vergelijken met dat van de
renaissancedichters in Holland, aan wie hij zich verwant heeft gevoeld en met
wie hij heeft willen wedijveren. Met dit verschil | | | | dat hij (zij het
in beperkte kring) weliswaar weerklank vond, maar niet of nauwelijks school
heeft gemaakt: `een berg in laagland', naar een rake typering van G. Gosses. De
klankbodem in het stadhouderlijk Friesland, waar het `boers' zo duidelijk en
naar het scheen definitief naar de (soms ietwat pastorale) marge was verwezen,
was te klein. Des te verwonderlijker rijst deze renaissancedichter voor ons op
in een oeuvre dat vrijwel alle toen in de Republiek gangbare genres omvat. Men
vindt er boertige dan wel moraliserende tweespraken, plastische
bruiloftsverzen, schalkse maar ook hartstochtelijke minnezangen, religieuze
lyriek van een ontroerende diepgang, classicistische prozafragmenten en niet te
vergeten een vijftigtal psalmberijmingen.
Bij het vuur van deze meteoor verbleekt de schijn van incidentele
voorgangers als J.J. Starter en Johan van Hichtum en evenzeer die van spaarzame
nakomers als Jan Althuysen, Dirk Lenige, Feike van der Ploeg en Eelke
Meinderts. Wat hun verdiensten ook geweest mogen zijn, zéker voor het
levendig houden van het Friese taalbesef en een minieme leescultuur in deze
voor de Friese literatuur zo schemerduistere eeuwen, de Middelfriese
letterkunde is en blijft Gysbert Japicx' glanzend domein. Drie eeuwen na zijn
dood kreeg hij in zijn geboortestad Bolsward een standbeeld. En er kwam
tegelijkertijd een vrijwel definitieve heruitgave van zijn werk, met een door
J.H. Brouwer als vrucht van jarenlange Gysbert-studie verzorgd, onmisbaar
commentaardeel.
| |
Nieuwfries
Zo'n anderhalve eeuw na Gysbert Japicx' dood, als ca 1800 het
Nieuwfriese tijdvak aanvangt, wordt het werk van deze grote voorganger, de
eigenlijke grondlegger van de Friese letterkunde, herontdekt. Dat proces
voltrekt zich in eerste instantie in een kring rond de Franeker hoogleraar
Everwinus Wassenbergh (1742-1826). Hij is de stimulator, die een kleine
academische elite voorgaat in een herlevend taalbesef en een nieuw literair
elan. Hetgeen uiteindelijk leidt tot de oprichting van zowel het `Friesch
Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde' (1824) als van de eerste
organisatie op het gebied van de eigenlijke taalbeweging, het `Selskip foar
Fryske taal en skriftekennisse' (1844).
Tot die literaire herbezinning en herleving heeft ook en vooral de
romantiek het hare bijgedragen, aandacht en liefde als zij koesterde voor de
volkstaal en de volkscultuur. Meer nog dan in het waardevolle, maar weinig
omvangrijke en enigszins literaire werk van `de Wassenberghschool' vindt die
Friese romantiek haar bedding in het oeuvre van de drie gebroeders Halbertsma:
Joast, de doopsgezinde predikant (1789-1869), Eeltsje, de plattelandsmedicus
(1797-1858) en de zuivelkoopman Tsjalling Halbertsma (1792-1852). In hun
Rimen en Teltsjes (rijmen en vertellingen, eerste volledige editie 1871)
wisten zij gevoel en verstand, vernuft en volksaardigheden zo
vanzelfsprekend-subliem te combineren dat er een breed, enthousiast
lezerspubliek ontstond. De Halbertsma's zijn de feitelijke trendsetters geweest
voor de ontwikkeling van de Friese letterkunde van de negentiende eeuw. Zonder
overdrijving mag men stellen, dat zij het zijn geweest die - zoals Conscience
het zijn Vlamingen deed - de Friezen leerden lezen in hun eigen taal. En zij
hebben, in tegenstelling tot Gysbert Japicx, wel degelijk school gemaakt en
vele, vaak markante navolgers gehad. Harmen Sytstra (1817-1862), een van de
oprichters van het `Selskip' (1844), kan tot die volgelingen gerekend worden
met dien verstande dat hij zijn leermeesters in talent en diepgang overtrof.
Sytstra's hartstochtelijke bevlogenheid onderscheidde hem ook nadrukkelijk van
de typische volksschrijvers die in Halbertsma's voetsporen traden zoals de zeer
produktieve en veelzijdige Waling Dykstra (1821-1914) en Tsjibbe Gearts van der
Meulen (1824-1906), die met hun humoristisch maar sterk moraliserend werk
onmiskenbaar grote betekenis hebben gehad voor o.a. de ontwikkeling van het
Friese volkstoneel. Vooral Dykstra en zijn navolgers, vaak ook epigonen,
domineren het beeld van de Friese letterkunde in de tweede eeuwhelft meer en
meer. Het is het beeld van een zich sterk verbredende `Heimatliteratur' met
alle charme en nadelen vandien, maar waarin niettemin ook telkens opnieuw
ruimte blijkt te zijn voor talenten die zich aan een ietwat benauwende traditie
willen en kunnen ontworstelen. Een gaaf voorbeeld van het laatste is het werk
van de naderhand als politicus vermaard geworden dichter Piter Jelles Troelstra
(1860-1930) en hetzelfde geldt o.a. voor een vernieuwer van het Friese
volkstoneel rond de eeuwwisseling als Yme C. Schuitmaker (1877-1961).
| | | | Op Gysbert Japicx en Harmen Sytstra (en ten dele ook
op P.J. Troelstra) beroept zich de dan nog piepjonge student Douwe Kalma
(1896-1953), als hij in 1915 en daarna in de door hem gestichte `Jongfryske
Mienskip' (Jongfriese Gemeenschap) de jongere schrijversgeneratie oproept tot
een radikale breuk met de z.i. steriele, in provincialisme verzande,
volksschrijverij. Kalma heeft tweeërlei doelstelling gehad. Enerzijds nam
hij, zoals gezegd, zeer kritisch afstand van de `vorigen', d.w.z. van het z.i.
benepen en huisbakken klimaat van de 19de-eeuwse Friese letterkunde in haar
bekendste en populaire vertegenwoordigers en vooral hun talrijke epigonen.
Tegelijkertijd pleitte hij (de parallel met de Tachtigers, dertig jaar na dato,
lijkt evident) onder het motto `Fryslân en de wrâld!' (Friesland en
de wereld!) voor een meer esthetische en vooral meer persoonlijke literaire
kunst, zo mogelijk op mondiaal niveau. Daarnaast gaf de veelzijdige erudiet
Kalma de Friese taalbeweging nieuwe impulsen door het bepleiten van een meer
doelbewuste taalpolitiek.
Wat dat laatste betreft heeft het in 1908 opgericht `Kristlik
Frysk Selskip' trouwens ook belangrijk werk verricht, terwijl het tevens in
confessioneel-christelijke kringen taboes doorbrak waarmee tot dan toe de
(goeddeels on- of anti-godsdienstige) Friese volksschrijver was omgeven. Uit de
protestants-christelijke sfeer kwamen krachtige en talentvolle figuren naar
voren als de theoloog en literatuur-historicus Geart Aeilco Wumkes (1869-1954),
de eerste die de bijbel in het Fries vertaalde (1943) en de scherpzinnige en
als stilist uiterst begaafde essayist en prozaïst Eeltsje Boates
Folkertsma (1893-1968). Het werk van auteurs als de fijnzinnige, filosofische
dichter Obe Postma (1868-1963), de romanschrijfster in neoromantische stijl
Simke Kloosterman (1876-1938), de `verteller' Reinder Brolsma (1882-1953) en de
lyrische dichteres Rixt (ps. voor H.A. van Dorssen, 1887-1979) leverde
overigens het bewijs dat de talenten, ook buiten het eigenlijke Jongfriese
kamp, zeker aanwezig waren om de Friese letterkunde zich blijvend aan een
ietwat benauwend provincialistisch keurslijf te doen ontworstelen.
Deze ontwikkeling naar een voldragen, gevarieerde en autonome
literatuur heeft zich in de jaren dertig en veertig duidelijk voortgezet in het
werk van dichters als Rintsje Piter Sybesma (1894-1975), Fedde Schurer
(1898-1968), Douwe Hermans Kiestra (1899-1970) en met name Douwe Annes Tamminga
(1909), om er slechts enkelen te noemen. Van het werk van prozaïsten als
Ulbe van Houten (1904-1974) en Nyckle J. Haisma (1907-1943) kan onder zeker
voorbehoud hetzelfde gezegd worden. Dat voorbehoud geldt dan het feit dat pas
in de jaren na wo ii het Friese proza zich definitief uit de sfeer van (vaak
talentvolle) kopieerlust des dagelijksen levens heeft weten te bevrijden zoals
blijkt uit het oeuvre van jongeren als Anne Wadman (1919, ook als criticus en
essayist belangrijk), Rink van der Velde (1932), Reinder Rienk van der Leest
(1933) en vooral ook Trinus Riemersma (1938). In en door hun werk is het
moeizame emancipatieproces van de Friese letterkunde voltooid. De huidige stand
van zaken is er om het te bewijzen. De Friese schrijvers zijn, naar een
woord van Anne Wadman, Friese schrijvers geworden. In hun thematiek noch
in hun techniek onderscheiden zij zich wezenlijk van hun confraters elders in
West-Europa. Men hoeft er de poëzie van bijv. Sjoerd Spanninga (ps. van
Jan Dijkstra, 1906-1985), Ella Wassenaer (ps. van L. Post-Beuckens, alias Ypk
fan der Fear, 1908-1983), Garmant Nico Visser (1910), Jan Wybenga (1917), Tiny
Mulder (1921) e.a. maar op na te lezen. Om van de jongere en allerjongste
generatie, hier vertegenwoordigd door Daniël Daen (ps. van G. Willem Abma,
1942) nog maar te zwijgen. Echter, hun gemeenschappelijke actieradius is
wèl aanzienlijk kleiner dan die van hun collega's bijv. in Nederland en
Vlaanderen, want hun potentieel publiek omvat maximaal maar zo'n half miljoen
lezers. Maar die kunnen dan wel `te kust en te keur' gaan bij zo'n honderdtal
nieuwe publikaties in boekvorm jaarlijks. En bij een viertal letterkundige
tijdschriften, bij een fameuze instelling als `Operaesje Fers' (poëzie per
telefoon: 058-13 13 13). Dat alles mede dankzij de royale opvattingen die het
provinciaal bestuur van Friesland de laatste jaren in taalpolitieke zin in
praktische toepassing brengt. Dankzij ook de wettelijke ruimte die het
Friestalig onderwijs heeft weten te verwerven. Maar ook en vooral dankzij de
taalwil van de Friese schrijvers en hun lezers, die het eigenlijk en eindelijk
een vanzelfsprekende zaak zijn gaan vinden dat je als Fries je moedertaal
spreekt, schrijft en leest.
Voor niet-Friezen blijft, jammer genoeg, de | | | | Friese
literatuur grotendeels een gesloten boek. Een aantal moderne Friese romans (van
Wadman, Van der Velde en Riemersma) is in Nederlandse vertaling verschenen. Zie
verder de bibliografie en de opgaven bij de afzonderlijke auteurs.
| |
Literatuur:
Catalogus der Friesche taal- en letterkunde en overige
geschriften (in de) Provinciale Bibliotheek van Friesland (1941); A.
Wadman, Frieslands dichters (1949), bloeml. met inl. en vert.; J.H.
Brouwer, Hedendaagse aspecten van de Friese literatuur (1954); E. Howard
Harris, The literature of Friesland (1956); J. Piebenga, Koarte
skiednis fan de Fryske skriftekennisse (19572); Encyclopedie
van Friesland (1958); B. Sjölin, Einführung in das
Friesische (1969); L. Pietersen, De Friezen en hun taal (1969);
Bibliografie van de Nederlandse taal- en literatuurwetenschap, aangevuld met
de bibliografie van de Friese taal- en literatuurwetenschap (vanaf 1970);
Ph.H. Breuker e.a., Tekst en Utliz (vanaf 1970); Encyclopedie van het
hedendaagse Friesland (1975); Sj. van der Schaap, Skiednis fan de Fryske
biweging (1977); K. Dykstra, Lyts hânboek fan de Fryske literatuer
(1977); A. Feitsma, Tussen volkstaal en schrijftaal (1978); G.R.
Zondergeld, De Friese Beweging in het tijdvak der beide wereldoorlogen
(1978); D. Gorter e.a., Taal yn Fryslân (1984); Tr. Riemersma,
Proza van het platteland. Een onderzoek naar normen en waarden in het
grotere Friese proza van 1855-1945 (1984), diss; R. Jellema, Country
Fair. Poems from Friesland since 1945 (1985). [F. Dam]
|
|
|