|
|
|
| |
Huygens, Constantijn
Noordnederlands dichter ('s-Gravenhage 4.9.1596-ald.
26.3.1687). Zoon van Christiaen Huygens uit Ter Heide bij Breda (1551-1624),
die in Douai rechten studeerde, later secretaris werd van de Prins van Oranje
en vanaf 1584 van de Raad van State. Zijn moeder, Suzanna Hoefnagel, uit een
aanzienlijke protestantse familie uit Antwerpen, had op hem een diepgaande
religieuze invloed. De familie woonde vanaf 1614 aan het Voorhout te
's-Gravenhage. Een zorgvuldige opvoeding, waarbij geen der `artes' verwaarloosd
werd, maakte de veelzijdig begaafde Constantijn tot `homo universalis' naar het
ideaal der renaissance. Reeds op zijn elfde jaar schreef hij verzen in het
Latijn, sinds zijn zestiende in het Frans. Zijn eerste Nederlandse gedichten
dateren van 1617. Na een jaar juridische studie te Leiden (1616-1617), waar hij
zich ook in het Engels bekwaamde, en enige maanden praktijk als advocaat,
maakte Huygens in gezelschap van de diplomaat François van Aerssen enige
gezantschapsreizen (Venetië 1620, Engeland 1621-1624). In 1625 werd hij
secretaris van Frederik Hendrik en bleef tot aan zijn dood in die functie in
dienst der Oranjes. Als zodanig wist hij tijdens een vierjarig verblijf in
Frankrijk (1661-1665) de bezetting van het prinsdom Oranje door Lodewijk xiv
ongedaan te maken.
In 1627 huwde Huygens zijn nicht Suzanna van Baerle, de
`Sterre' van zijn gedichten; zij overleed in 1637. Zijn vier zoons en dochter
die in leven bleven, gaf Huygens een even zorgvuldige en veelzijdige opvoeding
als hijzelf genoten had. Er bleef tot het einde van zijn leven een zeer innige
band tussen hem en zijn kinderen. Zijn oudste zoon, Constantijn - later
secretaris van Willem iii - woonde tot 1680 bij hem in; ook de weldra
wereldberoemde Christiaen, die ongetrouwd bleef, deelde later vaak zijn leven.
Na de dood van zijn vrouw betrok Huygens een huis aan het Plein. Door hem zelf
ontworpen, is dat huis van groot belang geweest in de ontwikkelingsgang der
Nederlandse bouwkunst. Ook zijn buiten, Hofwijck, ontwierp hij zelf (1640). Een
derde belangrijke technische prestatie van de dichter Huygens was zijn plan
voor de aanleg der `Zeestraet' van Den Haag naar Scheveningen, die tijdens zijn
verblijf in Frankrijk tot stand kwam (1663-1665). Ook had Huygens grote
belangstelling voor de beeldende kunsten; zijn onafhankelijk oordeel, bijv.
aangaande de grootheid van Rembrandt, was dikwijls verrassend juist. Voorts was
hij een deskundig liefhebber van muziek, bespeelde versch. instrumenten; van
zijn composities (naar eigen getuigenis meer dan achthonderd) gaf hij 39 uit
onder de titel Pathodia sacra et profana (1647). Huygens bewoog zich op
nog veel andere gebieden, op grond waarvan hij een briefwisseling onderhield
met versch. groten van zijn tijd, o.a. Descartes, Barlaeus, Vossius en
Heinsius. In het dispuut dat laatstgenoemde had met Salmasius en J.G. de Balzac
over het gebruik van antieke mythologie in bijbelse drama's, vervulde Huygens
een bemiddelende rol. In zijn Parijse tijd discussieerde hij met Corneille over
de functie van het accent in het Franse vers. Over de prosodie had hij vroeger
reeds met Hooft gepolemiseerd, een strenge ritmiek op basis van de `kwantiteit'
der lettergrepen verdedigend.
Royalist in hart en nieren heeft hij gedurende het
stadhouderloze tijdperk en de republiek van Cromwell een moeilijke tijd gehad.
De opvoeding van de jonge prins Willem iii is grotendeels door hem
geregeld.
Er is duidelijk een ontwikkeling waar te nemen in
Huygens' poëzie. De jambische viervoet, stroef, lapidair, overweegt eerst
in een gewrongen, maar puntige context die duidelijke verwantschap heeft met
het marinisme dat toen in de lucht hing. Opmerkelijk is de relatie met de
Engelse `Metaphysicals' zoals John Donne. Nog onuitgezocht is daarbij welke
waarde op dat punt moet worden toegekend aan de poëzie die Huygens van
Donne heeft vertaald. In later werk blijkt Huygens een eigen stijl en eigen
ritme te hebben ontwikkeld: de alexandrijn treedt op de voorgrond en zijn vers
is meer een natuurlijk spreekvers geworden; de inkleding der gedachten blijft
echter gecompliceerd (Ooghentroost, Hofwijck). Huygens schreef
honderden puntdichten, | | | | die hij `sneldichten' noemde. Hierbij
sluiten zijn Zedeprinten (1624), karakterportretten, Dorpen en
stedestemmen (1624), waarin Hollandse plaatsen - zichzelf karakteriserende
- hun eigen roem verkondigen, Spaense wijsheit en Vertaalde
spreekwoorden (1656-1657) aan. Bij zulk een intellectuele instelling is van
Huygens geen onbevangen lyriek te verwachten; toch klinkt in zijn poëzie
een innige liefde door, zoals in `Op mijn schilderije, korts voor mijn bruiloft
gemaeckt', in het sonnet `Cupido dissolvi. Op de dood van Sterre', en in `Twee
ongepaerde handen op een clavecimbel'.
In zijn religieuze lyriek sprak hij dingen uit die
centraal waren in zijn leven: dankbaarheid, schuldgevoel, weemoed, geloof,
strijd en bekering. Deze steeds persoonlijker wordende gedichten werden hoe
langer hoe meer een spreken met God, een dichten uit geloof. Een diep religieus
beleven ligt uitgedrukt in de cyclus Heilighe daghen (1647), evenals in
de avondmaalsgedichten, in `Op mijn geboortdagh' (1665) en `Op mijn 80e
verjaeren' (1676). Hij komt hierin naar voren als een ruimdenkend en
diepvoelend calvinist, die zich evenwel soms door zijn nationalisme laat
verlokken tot satires op andersdenkenden, i.c. rooms-katholieken (bijv. toen
Maria Tesselschade rooms werd), maar bovenal als christen en geen
partijman.
Huygens' grote gedichten zijn doortrokken van een
intellectueel spel, maar hun ondertoon is lyrisch. Ze zijn vol humor, hebben
veel petrarkistische elementen, zijn typisch autobiografisch en neigen tot
moralisme. Zijn eerste grote dichtwerk, Batava Tempe, dat is 't Voor-hout
van 's-Gravenhage (1621), bezingt de beroemde Haagse lindenlaan en hekelt
de mensen die er zich voortbewegen, vooral de pronkzuchtige dames; deze moeten
het eveneens ontgelden in Kerkuria mastix, satyra, Dat is, 't costelick
mal (1622) - samen met de Batava Tempe uitgegeven -, een aan Cats
opgedragen gedicht. De elegie De uytlandighe herder (1622), in Engeland
geschreven en opgedragen aan Daniël Heinsius, is vol heimwee en
melancholie, maar metamorfoseert zich tot een psalmistisch gebed voor het onder
tweestrijd en oorlog zuchtende volk aan de overzijde. Het Dagh-werck
(onvoltooid afgesloten in 1638, na bij de dood van `Sterre' te zijn afgebroken)
is een intens doorleefde, ten dele op Bacon geïnspireerde, beschrijving en
verantwoording van leven en werk in de tijd van zijn huwelijk.
Eufrasia, Ooghentroost. Aen Parthenine,
bejaerde maecht, over de verduysteringh van haer een ooghe (1647), gericht
tot een halfblinde vriendin, wil troosten op grond van de christelijke
toekomstverwachting, maar de satirische revue van door hartstocht verblinden
dringt die troost wel wat erg op de achtergrond. Vitaulium. Hofwijck,
Hofstede vanden Heere van Zuylichem onder Voorburgh (1653), geschreven in
1651, is Huygens' bekendste gedicht. De liefde voor het eigene, voor de natuur
en het vaderland, verleent aan dit, o.a. door J. Westerbaen nagevolgde,
hofdicht een lyrisch accent. Trijntje Cornelis. Klucht (1657),
geschreven in 1653, gebaseerd op de geschiedenis van het nieuwsgierig Aagje van
Enkhuizen, is Huygens' enige dramatische werk. Bij een vrij zwakke compositie
vertoont het stuk een verrassende opmerkingsgave. Het gegeven, de belevenissen
van een Zaanse schippersvrouw die met de Antwerpse onderwereld in aanraking
komt, riep al gauw afkeurende reacties op, o.a. van de strenge Joachim Oudaen.
De zee-straet van 's-Gravenhage op Schevening (1667), waarin niet alleen
de weg maar ook een vrolijke tocht wordt geschilderd, bevat ook weer een beeld
van levensvreugde tegen de elegische achtergrond van moedeloosheid en wereldse
beslommeringen. Het laatste grote gedicht, Cluys-werck (in 1841 door
W.J.A. Jonckbloet uitgegeven) schildert de vergrijsde dichter in de eenzaamheid
van zijn ouderdom, maar omringd door boeken en vertroost door de muziek.
Ook als Neolatijns dichter laat Huygens heel vaak zijn
vernuft en humor uitkomen. Hij schreef veel Latijnse epigrammata en een loflied
op het door hem bezochte Oxford. Over het algemeen zijn de Latijnse jeugdverzen
beter dan die uit later tijd. Van groot belang voor het kennen van Huygens is
zijn autobiografie De vita propria inter liberos libri duo (opgenomen in
de Verzamelde gedichten). In proza schreef hij Ghebruyck en
onghebryck van 't orgel (1641), waarmee hij zich mengde in de discussie
omtrent orgelbegeleiding en -spel in de gereformeerde eredienst. In een
retorisch bewogen, ritmisch evenwichtig en zuiver Nederlands pleit Huygens
ervoor de gemeentezang wel door het orgel te laten begeleiden.
Al met al is Constantijn Huygens een sleu- | | | | telfiguur voor een goed begrip van de Nederlandse cultuur uit de Gouden
Eeuw.
| |
Uitgaven:
Otiorum libri sex (1625), Nederl. en Lat. p.; Momenta
desultoria (1644, verm. uitg. 1655), Lat. p.; Korenbloemen (1658,
verm. uitg. 1672), p.; Th. Jorissen (ed.), Mémoires de C.H.
(1873); W.J.A. Jonckbloet en J.P.N. Land (red.), Oeuvre et correspondance
musicales (1882); J.H.W. Unger (ed.), Dagboek (1885), bijlage bij
Oud-Holland, iii; H.J. Eymael (ed.), Zedeprinten (1891); J.A.
Worp, Gedichten, 9 dln. (1892-1899); Idem, Briefwisseling
(1911-1917); H.J. Eymael, Hofwijck (19202); Idem, Trijntje
Cornelisdr. (1912); J. van Vloten, H.J. Eymael en J. Heinsius (ed.),
Korenbloemen (1925); D.N.J. van der Pauw, Gebruyck en onghebruyck van
't orgel (1937); R. Schuiling (ed.), De nieuwe Zee-straet van
's-Gravenhage op Schevening (19512); G.W. Hellinga (ed.),
Dichten op de knie; 500 sneldichten van C.H. (1956); A. Bolckmans (ed.),
Trijntje Cornelis (1960); P.J.H. Vermeeren (ed.), Hofwyck (1967,
facs. uitg.); J. Karsemeijer (ed.), Voorhout, Kostelick Mal en
Oogentroost (19672); F.L. Zwaan (ed.), Avondmaalsgedichten en
Heilige Dagen (1968); A.H. Kan (ed.), De jeugd van C.H. door hemzelf
beschreven (19712); M.C.A. van der Heijden (ed.), `'t Kostelick
Mal en Zede-printen', in Profijtelijk vermaak; moraliteit en satire uit de
16e en 17e eeuw (19732); F.L. Zwaan (ed.), Dagh-werck
(1973); L. Strengholt (ed.), Heilige Daghen (1974); F.L. Zwaan (ed.),
Gebruyck of ongebruyck van 't orgel in de kercken der Vereenighde
Nederlanden (1974); Zes zedeprinten (19762); F.R. Noske
(ed.), Pathodia sacra (19762); F.L. Zwaan (ed.),
Cluys-werck (1977); Idem, Hofwyck (1977); Idem, Voet-maet,
rijm en reden (19794), bloeml.; L. Strengholt (ed.),
Zee-straet (1981); C.W. de Kruyter (ed.), Stede-stemmen en dorpen
(1981); F.L. Zwaan (ed.), Ooghen-troost (1984).
| |
Literatuur:
Th. Jorissen, Studiën, dl. 1 (1871); H.J. Eymael,
H. studiën (1886); G. Kalff, Studiën over Nederlandsche
dichters der 17e eeuw (1901); G.J. Buitenhof, Bijdrage tot de kennis van
C.H.' letterkundige opvattingen (1923); W. Ploeg, C.H. en de
natuurwetenschappen (1934); R.L. Colie, Some Thankfulness to
Constantine; a Study of English Influence Upon the Early Works of C.H.
(1956); P.J.H. Vermeeren, `Over de handschriften en uitgaven van C.H.
Cluys-werck', in Spiegel der Letteren, 1 (1956); H.E. van Gelder,
Iconografie van C.H. en de zijnen (1957); P.J.H. Vermeeren, `Vastenaerts
penn in arrebeyt', in Nieuwe Taalg., 52 (1959); A.G.H. Bachrach, Sir
Constantine Huygens and Britain (1962); G. Kamphuis, `C.H. bouwheer of
bouwmeester?', in Oud-Holland, 77 (1962); H.M. Hermkens, Bijdrage tot
een hernieuwde studie van C.H.' gedichten (1964); J. Smit, Driemaal H.
vergelijkende karakteristieken van C.H.' Batava Tempe, 't Costelick Mal en De
Uytlandighe Herder (1966); C.W. de Kruyter, C.H. Oogentroost; een
interpretatieve studie (1971); P.E.L. Verkuyl, Battista Guarini's Il
Pastor Fido in de Nederlandse dramatische literatuur (1971); H. Bots (ed.),
C.H., zijn plaats in geleerd Europa (1973), met bibl.; L. Strengholt,
H.-studies; bijdragen tot het onderzoek van de poëzie van C.H.
(1976); Idem, Dromen is denken; C.H. over dromen en denken en dichten
(1977); J. Smit, De grootmeester van woord- en snarenspel; het leven van
C.H. (1980); A.G.H. Bachrach, `The Role of the Huygens Family in
17th-Century Dutch Culture', in Studies on Christiaen Huygens
(1980).
[G. Kuiper en P.J. Verkruijsse]
|
|
|