|
|
|
| |
Reve, Gerard
Eig. Gerard Kornelis van het Reve, Nederlands schrijver
(Amsterdam 14.12.1923). Erfde naar eigen zeggen de verbale begaafdheid van zijn
vader (Gerard J.M., communistisch journalist) en het romantische levensgevoel
van zijn moeder (Janetta Doornbusch). Bezocht na vier jaar gymnasium
(1936-1940) de Grafische School, beide te Amsterdam; na het behalen van het
patroonsdiploma (1943) raakte hij verbonden aan Het Parool, waar hij
kennis maakte met Simon Carmiggelt; hij bleef er tot 1947. Was van 1948-1959
gehuwd met de dichteres Hanny Michaelis. Na uiteenlopende betrekkingen in
Nederland en Engeland (waar hij in 1954 en 1955 aan de British Drama League een
producerscursus volgde) wijdde hij zich sinds ca 1958 uitsluitend aan de
literatuur. Trad in 1966 toe tot de rooms-katholieke kerk; werd in 1974
| | | | benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau; vestigde zich
omstreeks 1975 definitief in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde (onder de namen
Simon van het Reve, Gerard Kornelis van het Reve, Gerard Reve) romans,
verhalen, brieven, gedichten, essays en een enkel toneelstuk; vertaalde veel
modern Engels/Amerikaans toneel, o.a. van Edward Albee, Brendan Behan en Harold
Pinter; was redacteur van Tirade (1958-1967) en van Dialoog
(1965-1966); ontving de P.C. Hooftprijs (1968, uitgereikt in 1969).
In Reve's werk kunnen vier perioden worden onderscheiden.
In de eerste (1946-1956) schrijft hij uitsluitend proza dat een
realistisch-symbolisch karakter heeft. Na een korte overgangsperiode
(1957-1962), waarin hij alle denkbare genres beoefent, begint hij omstreeks
1963 `over zijn gehele zelf' te schrijven, wat resulteert in onmiskenbaar
romantisch proza- en dichtwerk. Aanvankelijk wordt dit werk gekenmerkt door een
uitbundige en sterk romantisch ironische stijl; aangezien deze stijl voortkomt
uit een dualistische visie (de mens handelt als subject, maar kan zichzelf ook
relativerend als object bezien) kan worden gesproken van een dualistisch
romantische periode (1963-1970). Later versobert de stijl en treden een zeer
persoonlijke mystiek en aandacht voor het slechte en afwijkende op de
voorgrond, waardoor deze periode (na 1970) disharmonisch romantisch genoemd kan
worden.
Ondanks de filosofisch-religieuze en stilistische
ontwikkeling die schrijver en werk in deze perioden vertonen, is het oeuvre
homogeen en verandert het thema in de loop der jaren niet wezenlijk: door - op
literair niveau - het scheppen van artificiële structuren en - op
metafysisch niveau - een zeer persoonlijke religiositeit tracht de auteur zich
staande te houden in het door hem als rampzalig ervaren menselijk bestaan,
vervuld als het is van schuld, dood, ontoereikende liefde, angst en bovenal
chaos - met voor ogen een begeerde staat van liefde, verlossing en bovenal
orde.
Na vroege jeugdgedichten (Terugkeer, 1940) en
journalistiek werk (1945-1946) verscheen (dec. 1946) in Criterium Reve's
literaire debuut: `De ondergang van de familie Boslowits', waarin hij op sobere
en impliciete wijze de tragische lotgevallen van een joodse familie in wo ii
beschrijft; het woord `jood' wordt zelfs niet gebruikt, en niet ten onrechte
wordt deze novelle wel gezien als een Elckerlijc-verhaal.
De avonden (1947, Reina Prinsen Geerligsprijs),
Reve's romandebuut, veroorzaakte grote ophef. Veel critici betitelden het als
een verwerpelijk nihilistisch produkt, maar anderen herkenden het als een
debuut van uitzonderlijke betekenis: de naam (Van het) Reve als omstreden
auteur was hiermee voorgoed gevestigd. Frits van Egters, `de held van deze
geschiedenis', vult de verveling van zijn bestaan met scherpe zelfanalyse en
ontluisterende observatie van zijn omgeving, i.c. zijn ouders. Deze
waarnemingen worden op zeer realistische - maar ook humoristische - wijze
verwoord. Terdege is hij zich er echter van bewust dat hij niets beter is dan
zij, en in het ontroerende slot bidt hij God zich over hen te ontfermen. Nog
tamelijk impliciet blijft het verlangen dat de werkelijkheid, waargenomen als
een zinloze reeks losse details, in wezen samenhang en zijn vertoont.
Dit werk, lange tijd beschouwd als typisch naoorlogs en
tijdgebonden, behelst in wezen het tijdeloze lot van de intellectualistische
adolescent in een kleinburgerlijk milieu, en wordt thans gezien als een van de
belangrijkste na 1945 verschenen Nederlandse romans.
Werther Nieland (1949), de bij verschijning
vrijwel genegeerde maar later als meesterlijk erkende (en vaak geanalyseerde)
novelle, belichaamt sterker dan De avonden behalve het realistische ook
het symbolistische aspect van deze periode. In dit vrijwel cyclische, zeer
geserreerd geschreven verhaal ervaart een elfjarige jongen schuld en chaos,
resulterend in angst, en bestrijdt deze vergeefs met o.a. magische middelen. De
intuïtieve overtuiging of behoefte dat alles (op geheime wijze) met elkaar
samenhangt is hier expliciet aanwezig.
Nadat een voor de novelle `Melancholia' (Podium,
1951) toegekende regeringsreisbeurs uit zedelijkheidsoverwegingen weer werd
ingetrokken schreef Reve enige tijd in het Engels. Resultaat hiervan is de
bundel The Acrobat and Other Stories (1956), thans beter bekend in de
Nederlandse vertaling van Hanny Michaelis (Vier wintervertellingen,
1963).
In de overgangsperiode begint Reve's homoseksualiteit
zich te openbaren en ontwikkelt het symbolisme zich tot een meer omvattende
religiositeit, waarvan de eerste vage sporen te vinden zijn in zowel de
kwalitatief wisselvallige bundel Tien vrolijke
| | | |
verhalen (1961, Novelleprijs 1963 gemeente Amsterdam) als het toneelstuk
Commissaris Fennedy (1962), dat als drama niet is geslaagd, maar
belangrijk is als schakel in zijn ontwikkeling naar de volgende fase.
Op weg naar het einde (1963, Romanprijs 1964-1965
gemeente Amsterdam) en Nader tot u (1966), de bundels `reisbrieven'
ofwel `bekentenisliteratuur', bewijzen dat Reve inderdaad psychische en
creatieve barrières heeft doorbroken: hij schrijft ongeremd en
vrijmoedig over wie hij is en wat hem beweegt. Gevolgen daarvan zijn o.a.
parlementaire discussies en, n.a.v. Nader tot u, een langdurig proces
wegens (vermeende) godslastering. In de `Geestelijke Liederen' uit Nader tot
u manifesteert Reve zich als belangrijk dichter. Het proza, gekenmerkt door
heftige registerwisselingen (van bijbels tot gemeenzaam), en de losse
structuur, die plaats biedt aan verrassende uitweidingen en bizarre anekdoten,
geven deze brievenbundels een baldadig karakter; in wezen echter getuigen ze op
aangrijpende wijze van uitzichtloos lijden. Deze dubbelheid is te danken aan
het feit dat dit werk stilistisch geheel, maar in filosofische zin slechts
gedeeltelijk romantisch ironisch is. Wel romantisch ironisch is Reve in die zin
dat de zelfreflexie en -relativering zijn terug te voeren tot het dualisme van
Fichte (vgl. diens `intellektuelle Anschauung') en (de door hem zeer
bewonderde) Schopenhauer, en ook ziet hij, als alle romantische ironici, de
kosmos als een mysterieuze chaos, die niet rationeel kan worden doorgrond;
essentieel verschil is echter dat Reve die chaos verlangt te doorgronden - door
elk gebeuren te zien als een symbool van iets groters (vgl. met name Werther
Nieland) - omdat hij (anders dan bijv. Coleridge, Byron, Keats, Carlyle)
het bij uitstek romantisch ironische oxymoron `permanently unstable' niet
positief waardeert: chaos is voor Reve in filosofische of artistieke zin nooit
bevruchtend maar altijd bedreigend. Cruciale paradox hierin is uiteraard dat
juist (voor Reve misschien zelfs: uitsluitend) bestrijding van chaos noopt tot
creativiteit.
Verrassend is het dan niet dat Reve de chaos tracht te
bestrijden door middel van een zeer persoonlijke mystiek (waarin versmelting
van seks en religie, en verering van Maria, Isis, Kybele en de Meedogenloze
Jongen centraal staan), en zich eerder verwant voelt aan romantici als Blake,
Poe, Hoffmann en Swinburne dan aan de eerdergenoemde Engelsen: disharmonie -
het besef slecht te zijn, en eenling - krijgt steeds meer nadruk. Reeds in het
veelgeprezen De taal der liefde (1972) is de romantische ironie minder
dominant; in volgende romans - Lieve jongens (1973), Een
circusjongen (1975), Oud en eenzaam (1978), Moeder en zoon
(1980) - wordt het mystieke element belangrijker, terwijl het taalgebruik,
vergeleken met de uitbundigheid van de reisbrieven, allengs soberder maar soms
ook overdreven archaïserend of clichématig wordt.
Naast nieuw proza in De vierde man (1981) en
Wolf (1983), dat een toenemend gebrek aan inspiratie en diepgang
vertoont, publiceerde Reve na 1980 diverse bundels correspondentie, waarvan de
beste (met name Brieven aan Josine M. 1959-1975, 1981) zowel literair
als documentair van groot belang zijn, en enkele verzamelingen voorheen
verspreid of in portefeuille gebleven werk, die het beeld van zijn ontwikkeling
vervolledigen.
Het werk van Reve is in hoofdzaak intrigeloos en kent,
naast de schrijver (meer of minder verhuld), geen personages van betekenis; in
wezen is het oeuvre beperkt en kan Reve nauwelijks romancier worden genoemd.
Dat de hoogtepunten van dit merkwaardige oeuvre niettemin van zeldzaam niveau
en belang zijn is hieraan te danken dat Reve zijn motieven weet over te dragen
met zo grote authenticiteit en emotionele geladenheid, verwoord met
onweerstaanbare humor en sublieme taalbeheersing, dat zij hun persoonlijk
karakter ver te boven gaan, en er werk ontstaat van niet alleen grote
intensiteit maar ook algemene geldigheid.
Reve verklaart graag aartsreactionair te zijn en
`voorstander van Kerk & Staat & Orde & Gezag', terwijl geen
Nederlands kunstenaar zo frequent en heftig in conflict kwam met de gevestigde
orde als juist hij; ten dele vloeiden deze conflicten voort uit zijn werk, ten
dele echter ook uit omstreden persoonlijk optreden in televisieprogramma's,
interviews enz. In theorie adopteerde hij Oscar Wilde's adagium `All art is
quite useless', terwijl het in de praktijk overtuigend werd weerlegd: door zijn
werk heeft hij niet alleen onmiskenbaar een voortrekkersrol vervuld in de
emancipatie van homoseksuelen, maar ook in veel algemenere zin is zijn
uitstraling groot. In literair opzicht heeft de zeer herkenbare stijl van zowel
zijn vroege werk als van de latere | | | | reisbrieven veel navolging
gevonden, en vooral in de jaren zestig heeft hij - in een klimaat van
wederzijdse beïnvloeding - een liberaliserende en vernieuwende invloed
gehad op samenleving, kerk en cultuur, die zeldzaam is in de Nederlandse
letterkunde.
| |
Werken:
De ondergang van de familie Boslowits (1950), pr.;
`Verzameld werk' (= De laatste jaren van mijn grootvader/De ondergang van de
familie Boslowits/De avonden/Werther Nieland) (1956), pr.;
Moorlandshuis (1960), t., ongepubliceerd, Mr. H.G. van der Viesprijs;
Herfstdraden (1966), schooluitg. van een van de `vier
wintervertellingen', met bibl.; Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek
voor arbeiders verklaard door Gerard Kornelis van het Reve (1967), pr.,
herdrukt in Vier pleidooien (1971), essays; A Prison Song in
Prose (1968), pr.; Het zingend hart (1973), p.; Het lieve
leven (1974), brieven; Ik had hem lief (1975), brieven; Brieven
aan kandidaat katholiek A. 1962-1969 (1976); Een eigen huis (1979),
pr. en p., toespraken; Brieven aan Wimie 1959-1963 (1980); Brieven
aan Bernard S. 1965-1975 (1981); Brieven aan Simon C. 1971-1975
(1982); In gesprek (1983), interviews; Brieven aan Wim B. (1983);
De stille vriend (1984), nov.; Brieven aan Frans P. 1965-1969
(1984); Brieven aan geschoolde arbeiders (1985).
| |
Uitgaven:
P.H. Dubois (ed.), Archief Reve 1931-1960 (1981) en
Archief Reve 1961-1980 (1982), pr. en p., essays en brieven; Schoon
schip (1984), pr. en p., essays en brieven.
| |
Literatuur:
Podium, 4, 6 (1948), gewijd aan De avonden; G.A.
Lindeboom, God en ezel (1967); J. Fekkes, De God van je tante
(1968); Dialoog (1969), speciaal v.h.R.-nummer; K. Beekman en M. Meijer,
Kort revier (1973), met bibl.; H. Speliers, G.K.v.h.R. & de
groene anjelier (1973); H. Mulisch, Het ironische van de ironie
(1976); E. Kummer en H. Verhaar, Over De Avonden van G.K.v.h.R.
(19782), met bibl.; M. Meijer, G.R. (1978), met bibl.; G.
Heuvelman en P. Willems, Bibliografie van G.R. (1980); S. Hubregtse,
Over Op weg naar het einde en Nader tot u van G.R. (1980), met bibl.; S.
Melissen, `G.R.', in Kritisch lexicon van de Nederlandstalige lit. na
1945 (1980), met aanvulling 1983; D. Slootweg en P. Witteman, Hoei
boei! (1980); W. Wennekes en I. Cornelissen, Omtrent De avonden
(1981); N. Gregoor, De jongen die Werther Nieland werd (1983); A.
Greidanus e.a. (ed.), R. Jaarboek (1983); S. Hubregtse, G.R. Een
circusjongen (1983), met bibl.; S. Hubregtse (ed.), Tussen chaos en
orde (19832), met bibl.; J. Schafthuizen, Album G.R.
(1983); Tirade, 27 (1983), speciaal R.-nummer; S. Hubregtse, G.R. Een
circusjongen, memoreeks, 4 (1983).
[S. Hubregtse]
|
|
|