|
|
|
| |
| | | |
Slauerhoff, Jan Jacob
Nederlands dichter en prozaschrijver (Leeuwarden
14.9.1898-Hilversum 5.10.1936). Afkomstig uit de kleine middenstand: zijn
vader, behanger en stoffeerder, had later een zaak in manufacturen. In 1916
eindexamen hbs en daarna student medicijnen te Amsterdam. Was als student
redacteur van Propria Cures (1919-1920). Debuteerde als dichter in het
communistische maandblad De Nieuwe Tijd (maart 1919); behoorde vanaf
1921 tot de medewerkers aan Het Getij en later aan De Vrije
Bladen, waar hij in contact kwam met H. Marsman. Uit deze vroege tijd
dagtekent ook zijn contact met de Groninger dichter Hendrik de Vries. Zijn
officiële debuut was de dichtbundel Archipel (1923). In 1923
slaagde hij ook voor zijn artsexamen en na enkele korte vervangingen, meest in
Friesland, zocht Slauerhoff vrijheid, ruimte en avontuur en werd scheepsarts in
het Verre Oosten (1925-1927). Kwam, na ervaringen met vrouwen en opium, ziek
terug, maar ging in 1928-1929 opnieuw op reis als scheepsarts naar
Zuid-Amerika. In 1929-1930 werkte hij als assistent aan de Rijksuniversiteit
van Utrecht, huwde in 1930 de danseres Darja Collin, ging echter opnieuw als
arts naar Zuid-Amerika en keerde opnieuw ziek terug.
Intussen had Slauerhoff in 1929 kennisgemaakt met E. du
Perron, die enkele uitgaven van hem verzorgde (o.m. Soleares, 1932) en
die een grote waardering voor zijn werk toonde. Deze kennismaking leidde tot
Slauerhoffs medewerking aan het tijdschrift Forum, waaraan hij naast
veel poëzie zijn roman Het verboden rijk bijdroeg. Na de
dichtbundels Clair-obscur (1927), Oost-Azië (onder ps. John
Ravenswood, 1928), Eldorado (1928) en Saturnus (1930) verscheen
in 1930 zijn eerste proza in de novellenbundel Het Lente-eiland, nog in
datzelfde jaar gevolgd door de bundel Schuim en asch. Via Forum
was Slauerhoff ook in contact gekomen met Jan Greshoff, die hem een tijdelijk
medewerkerschap aan de Nieuwe Arnhemsche Courant bezorgde als
literair-criticus. Zijn enige toneelstuk, Jan Pietersz. Coen (1931),
werd voor opvoering tot driemaal toe verboden omdat deze nationaal-historische
figuur er naar toenmalig oordeel te zeer in werd ontluisterd. In 1933 vestigde
Slauerhoff zich in Tanger; in 1935 werd zijn huwelijk ontbonden en opnieuw
contracteerde hij als scheepsarts voor vaarten op West-Indië en
Zuid-Afrika, tot ernstige ziekte hem het werken belette; hij kuurde in Genua,
Merano, Lausanne, en vanaf februari 1936 in Nederland.
Ondanks dit even bewogen als korte leven heeft Slauerhoff
veel gepubliceerd. Ofschoon ontstaan in de periode van expressionisme en
vitalisme is zijn poëzie bij uitstek romantisch: zij is sterk
autobiografisch, getuigt van rusteloosheid, onvrede met het leven,
verbeeldingskracht, heimwee naar onbereikbare verten en hartstochtelijker
tijden, o.a. blijkend uit zijn vereenzelviging met vagebonden, ontdekkers en
piraten. Een aanvankelijk sterk sociaal gevoel (`De dienstmaagd', `De
gouvernante') is in zijn latere werk vrijwel verdwenen. Hij is zich als
`poète maudit' bewust van zijn verwantschap met Rimbaud en
Corbière. Zijn voorkeur gaat uit naar de outcast. Behalve door de wat
norse persoonlijke toon van zijn poëzie is deze vooral opmerkelijk door de
prachtige waarneming van het exotische. Talrijke gedichten verwijzen naar zijn
zwervend bestaan: `Macao', `Manila', `Thibet', `Dar es Salaam', `Suez', `Priok'
e.a.
Slauerhoffs werk is lange tijd zeer verschillend
beoordeeld. Steeds weer dook daarbij het verwijt op dat hij een slordig
schrijver zou zijn. Die slordigheid wordt echter nergens in het werk bevestigd
maar moet eerder worden gezien als een vooroordeel, veroorzaakt door zijn
karakter en in niet mindere mate door de indruk die zijn kopij maakte.
Tegelijkertijd echter laat diezelfde kopij zien dat hij juist zeer nauwkeurig
bezig was te verwoorden wat hem bezielde.
Het proza van Slauerhoff is later ontstaan dan zijn
poëzie, maar heeft dezelfde kenmerken. De autobiografische inslag, of
liever grondslag, is onmiskenbaar. De elementen van verlangen, verbeelding,
avontuur, erotiek en verworpen-zijn spelen ook hier een belangrijke rol,
evenals de exotische inspiratie: China, Zuid-Amerika. Maar meer dan in de
poëzie speelt de auteur hier met de menselijke beperkingen van ruimte en
tijd; opnieuw een poging tot ontgrenzing, maar niet steeds met overtuigend
succes. De symboliek van een novelle als `Het einde van het lied' (`op zoek
naar het eeuwig vrouwelijke') komt alleen tot stand als de lezer bereid is een
aantal reële onmogelijkheden voor lief te nemen; hetzelfde geldt voor
Het verboden rijk (1932), de roman over de Portugese dichter Ca- | | | | möes (1524-1580), die in Macao kort voor 1560 werkte aan zijn befaamde
epos Os Lusíados. Slauerhoff heeft niet alleen de onhistorische,
in elk geval onbewijsbare 19de-eeuwse legendevorming rondom de figuur van
Camöes in zijn roman opgenomen, maar die bovendien van het zesde hoofdstuk
af laten spelen in de 20ste eeuw met als hoofdpersoon een marconist bij wie,
nadat hij op rampzalige wijze in Macao is beland, in een soort hallucinatie,
persoonsversmelting optreedt, zó dat hij over een afstand van 350 jaar
zich vereenzelvigt met Camöes. Van andere aard zijn de
vervreemdingselementen in Het leven op aarde (1934), waarin de opium een
belangrijke factor vormt. Slauerhoffs laatste roman De opstand van
Guadalajara (1937) speelt in Mexico: treffend is de verbinding van
godsdienstige mystiek, sociaal verzet en fanatieke wreedheid.
Algemeen beschouwd als de grootste dichter van zijn
generatie, en ook door de jongeren bewonderd om zijn onmaatschappelijk gedrag
en zijn onschoolse vormgeving, heeft Slauerhoff zijn blijvende erkenning vooral
te danken aan twee elementen: de echtheid van zijn tragische levensgevoel,
verscheurd tussen mateloos geluksverlangen en tot zelfhaat neigende
levenswrevel én de rijkdom aan exotische thema's die zowel zijn
gedichten als zijn novellen kenmerkt.
| |
Werken:
Fleurs de marécage (1929), p.; Yoeng poe
tsjoeng (1930), p.; Serenade (1930), p.; Een eerlijk
zeemansgraf (1936), p.; De erfgenaam (1938), pr.
| |
Uitgaven:
K. Lekkerkerker (ed.), Verzamelde werken, 8 dln.
(1941-1958); Verzamelde gedichten, 2 dln. (1947, 19739);
Verzameld proza, 2 dln. (1975, 19832); Alleen in mijn
gedichten kan ik wonen (1978), bloeml.; H. Vernout (ed.),
Reisbeschrijvingen (1981); E. Francken, G. van Munster en A. Pos (ed.),
S. student-auteur (1983).
| |
Literatuur:
C. van Wessem, S.-herinneringen (1938); Idem, S.
(1941); F.C. Terborgh, S. (1949); A. Lehning, Brieven van S.
(1955); H. van den Bergh, Schip achter het boegbeeld (1958); C.J. Kelk,
Leven van S. (1959, verkorte versie 1971); L.J.E. Fessard, J.S.
(1898-1936), l'homme et l'oeuvre (1964); W.L.M.E. van Leeuwen, Rondom
Forum (19663); S. Vestdijk, `J.J.S.', in Gestalten tegenover
mij (19753); D. van Berlaer-Hellemans, `S.s. reisverhalen', in
Spiegel der Letteren, 19, 2 (1977); E. Francken, Over `Het verboden
rijk' van J.S. (1977); H. Povée, J.J.S. = Grote ontmoetingen,
22 (1978); J.S. (= Schrijversprentenboek, 6) (19803);
Literama, 15, 7 (1980-1981), speciaal S.-nummer, met bibl.; W.J. van der
Paardt, Over de poëzie van J.S. (1980); G. Puchinger, in
Ontmoetingen met literatoren (1982); D. Kroon, Er bleef toch geen
bewijs (1983); D. van Berlaer-Hellemans, `De innerlijke hel en het
ontologische niets: S.s. gedicht "Guanita"', in Spiegel der Letteren, 25
(1983); K. Ruitenbeek, `S.s "Yoeng Poe Tsjoeng" in de Europese letterkunde', in
Literatuur, 2 (1985).
[G. Stuiveling en G.J. van Bork]
|
|
|