|
|
|
| |
Streuvels, Stijn
Ps. van Frank Lateur, Vlaams schrijver (Heule
3.10.1871-Ingooigem, thans een fusiegemeente van Anzegem, 15.8.1969). Gesproten
uit een familie van ambachtslieden uit het zuidoosten van West-Vlaanderen. Zijn
moeder was een zuster van Guido Gezelle. Bracht zijn kinderjaren door te Heule,
waar hij het lager onderwijs volgde. Leed aan een minderwaardigheidsgevoel dat
aanleiding gaf tot een geldingsdrang, die door de verhalen en liederen van zijn
moeder wsch. in de richting van de literatuur werd beïnvloed. Hij werd
leerling aan het Sint-Jan-Berchmansinstituut te Avelgem, waar zijn literaire
begaafdheid voor het eerst tot uiting kwam. In 1885 verliet hij de school om
het vak van bakker te leren te Avelgem, Kortrijk, Heule en Brugge. In 1887
verhuisde de familie naar Avelgem, waar een bakkerij werd overgenomen.
Streuvels werd een verwoed lezer en verzamelaar van
boeken, studeerde vreemde talen en vatte bewondering op voor de grote Russische
en Scandinavische schrijvers. In het begin van de jaren negentig begon hij zelf
te schrijven, schetsen en gedichten, die hij inzond bij kleine bladen. De
eerste verschenen in De Jonge Vlaming (1895), onder ps. Pijm, en in
Vlaamsch en Vrij (1895), ondertekend door Stijn Streuvels. De volgende
jaren namen ook Van Nu en Straks, De Nieuwe Gids, De Gids en Het
Tweemaandelijksch Tijdschrift werk van hem op. In maart 1899 verscheen een
eerste verhalenbundel met de symbolische titel Lenteleven. Veertig jaar
lang zou Streuvels ieder jaar ten minste één werk publiceren. In
1905 verliet hij de bakkerij te Avelgem en vestigde zich in zijn nieuwgebouwd
`Lijsternest' te Ingooigem, waar hij na zijn huwelijk met Alida Staelens is
blijven wonen. (Vanaf 1977 is hier een provinciaal museum ingericht.) In korte
tijd werd hij een beroemd auteur. Hij was een der oprichters van het
tijdschrift Vlaanderen (1903-1907), verwierf de Belgische Staatsprijs
voor Nederlands proza in 1905 en 1911 en opnieuw in 1935 voor zijn verzameld
werk. De prijs der Nederlandse letteren werd hem toegekend in 1962. Hij werd
lid van de Koninklijke Vlaamse Academie in 1911. In 1903 verscheen een eerste
vertaling van zijn werk in het Duits (Sonnenzeit = Zonnetij),
sedertdien gevolgd door Esperanto, Frans, Italiaans, Lets, Russisch en
Tsjechisch. Voor de meeste literatuurkenners is Streuvels een van de
voornaamste Nederlandse prozaschrijvers van zijn tijd, wiens kunst door iedere
generatie opnieuw wordt gewaardeerd, omdat zij er ook telkens weer nieuwe
facetten in ontdekt.
Zijn werk omvat in de eerste plaats schetsen,
zelfstandige beschrijvingen, novellen en romans die van ongelijke waarde zijn.
Daarnaast telt het versch. delen autobiografie, vertalingen en bewerkingen van
verhalen, een paar toneelstukken (Soldatenbloed, 1904;
Grootmoederken, 1922), beschouwingen over het Vlaams landschap en
kritische bijdragen. Het is vooral het scheppend proza waarin Streuvels'
oorspronkelijkheid van visie en stijl het sterkst tot uitdrukking komt. Zijn
werk steunt op een fatalistische wereldbeschouwing, die bij hem verenigd gaat
met het geloof in een almachtige en barmhartige God, die soms in het leven der
mensen ingrijpt en voor hen altijd aanwezig blijft, doorgaans als een laatste
toeverlaat, een redder, een enkele maal als een rechter die ook een wreker van
onrecht is. De kosmos maakt voor Streuvels één geheel uit waarin
al het bestaande door dezelfde wetten van groeien, bloeien en verwelken wordt
beheerst. Wie zich naar die noodlotsdwang voegt, leeft lijdzaam rustig in zijn
verborgenheid; wie zich ertegen verzet, straft zichzelf en wordt door het
noodlot gebroken. Alleen de kinderen, die in zijn werk een bijzondere
voorliefde genieten, kennen enige jaren het geluk van het niet-weten. Maar
weldra leren zij onderscheiden en kennen, en vanaf dat ogenblik dragen zij de
verantwoordelijkheid en de last van hun bestaan. In zijn later werk slagen
enkele personen erin het bewustzijn van hun onderworpenheid te louteren door
vroomheid of humor. Maar de diepste Streuvels is hij die de lijdende en
zwoegende mens, die niet opgemerkt en niet om zijn verdiensten wordt erkend, in
zijn alledaagse handelingen heeft uitgebeeld.
Hij gelooft in een betere wereld en in onsterfelijkheid
na de dood. Die overtuiging gaat samen met een nuchtere, realistische kijk op
het leven. Door zijn omgang met de gewone bevolking heeft hij de mensen leren
kennen zoals zij zijn, en wat hij waarnam heeft hij geëerbiedigd onder het
schrijven. Zijn innerlijke waarachtigheid | | | | heeft zich tot in zijn
taalgebruik doen gelden. Streuvels begon te schrijven in een gezuiverd
Westvlaams dialect, maar gaandeweg ging hij over naar het Nederlands. Hij heeft
niet de taal gebruikt die bij het volk hoorde, maar schreef zoals hij zelf
sprak, en dit klinkt volstrekt eigen, bezield en muzikaal.
Hij was niet alleen epicus, maar ook een lyrisch dichter
in proza. Dat komt op versch. manieren tot uiting. In de eerste plaats in
zelfstandige beschrijvingen als De boomen (1909) en Het glorierijke
licht (1911). Vervolgens in de natuur- en milieuschildering die deel
uitmaakt van zijn verhalen. Daarop steunend heeft de kritiek in het begin van
de 20ste eeuw, misleid door de cultus van het mooie woord en haar wens voor
werkelijkheid nemend, in Streuvels vooral een schilder met woorden gezien. Toch
staat in zijn verhalen altijd de mens in het centrum van de belangstelling, en
wat er als beschrijving bij komt is noodzakelijk en functioneel om de
psychologische ontwikkeling van een personage of een verhouding te
verantwoorden. Maar Streuvels' lyriek spreekt ook en zelfs machtiger uit zijn
drang naar grootheid die ligt in de bewondering waarmee hij de arbeid en de
kameraadschap omringt, waardoor zijn figuren een mythische betekenis krijgen.
In zijn kunst is de gewone mens een symbool geworden.
In enige verhalen uit zijn jeugdjaren en later opnieuw in
`Het leven en de dood in den ast' opgenomen in de bundel Werkmenschen
(1926), heeft die transpositie van de alledaagse werkelijkheid naar het vlak
der visionaire verbeelding een surrealistisch karakter.
Streuvels' werk speelt zich immer af in de streek tussen
Leie en Schelde. Na De oogst (1900) en Langs de wegen (1902)
worden vooral De vlaschaard (1907) en De teleurgang van den
Waterhoek (1927) als klassieke werken gewaardeerd - wellicht ook omdat zij
werden verfilmd.
Streuvels' memoires, geordend volgens woonplaats in
Heule (1941), Avelgem (1946), Ingoyghem (2 dln., 1951 en
1957) en zijn oorlogsdagboek, getiteld In oorlogstijd (1915-1916),
worden nog steeds geapprecieerd.
| |
Werken:
Zomerland (1900), verh.; Zonnetij (1900), verh.;
Doodendans (1901), verh.; Dagen (1903), verh.; Minnehandel
(1904), r.; Dorpsgeheimen, 2 dln. (1904), verh.; Openlucht
(1905), verh.; Stille avonden (1905), verh.; Het uitzicht der
dingen (1906), verh.; Tieghem, het Vlaamsche lustoord (1907); De
blijde dag (1909), nov.; Najaar (1909), verh.; Het Kerstekind
(1911), nov.; Hoe men schrijver wordt (1911), autobiogr.;
Dorpslucht, 2 dln. (1914), r.; Genoveva van Brabant, 2 dln.
(1919-1920), verh.; Prutske (1922), nov.; Land en leven in
Vlaanderen (1923), studies; Op de Vlaamsche binnenwateren (1923),
reisverh.; Alma met de vlassen haren (1931), r.; Levensbloesem
(1938), r.; Kerstvertellingen (1939); De maanden (1940), verh.;
Beroering over het dorp (1948), r.; Kroniek van de familie
Gezelle (1960, 19803); In levenden lijve (1966),
autobiogr.
| |
Uitgaven:
Volledige werken, 10 dln. (1951); Idem, 4 dln.
(1971-1973), met inl. van G. Knuvelder, M. Janssens, J. Weisgerber en G.
Stuiveling; In oorlogstijd. Het volledige dagboek van de eerste
wereldoorlog (1979); L. Schepens (ed.), Uit lust met de penne...
(1982).
| |
Literatuur:
A. de Ridder, S.S., zijn leven en zijn werk (1907); F. de
Pillecijn, S.S. en zijn werk (1932); E. de Bom, F. Timmermans e.a.,
`S.S. 70e verjaring', in Versl. en Meded. Kon. Vl. Acad. (1941); L.
Sourie, S.S. (1946); Dietsche Warande & Belfort (1946),
speciaal S.S.-nummer; J. Vercammen, J. Boon e.a., S.S. 80 (1951); A.
Demedts, S. (1955); A. van der Plaetse, A. Demedts en S.S., S.S.
85 (1956); R. van de Linde, Het oeuvre van S., sociaal document
(1958); F. de Pillecijn, S. (1958); G. Knuvelder, S.S. (1964); H.
Speliers, Omtrent S. Het einde van een mythe (1968); J. Weisgerber,
S.S. Een sociologische balans (1970); H. Speliers, G. Adé e.a.,
Afscheid van S. (1971); R. Roemans en H. van Assche, Bibliografie S.
in boekvorm (1972); R. Verschuere, S.S. zoals hij was (1973); A.
Demedts, S.S. (1977); G. Durnez, in Vlaamse schrijvers (1982); B.
Peleman, `S.S. (1871-1969)', in Geboeid maar... ongebonden (1983); H.
Verriest, in Twintig Vlaamsche koppen, dl. 2 (1983).
[A. Deprez]
|
|
|