Schrijvers en dichters (dbnl biografieënproject I)


auteur: G.J. van Bork


bron: Schrijvers en dichters werd niet eerder gepubliceerd.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Coninck, Herman de

Vlaams dichter en essayist (Mechelen 21.2.1944 - Lissabon 22.5.1997). Studeerde germanistiek te Leuven. Was redacteur van en schreef cursiefjes in het studentenweekblad Universitas. Een keuze uit die cursiefjes verscheen in Lachen tot je zwart ziet (1968). Was enige tijd leraar en daarna journalist voor het weekblad Humo. Samen met Piet Piryns verzamelde hij de voor dit blad verzorgde interviews in Woe is woe in de Nedderlens (1972). Werkte met poëzie mee aan Ruimten, De Standaard en Tirade. In 1984 werd hij hoofdredacteur van het Nieuw Wereld Tijdschrift.

De Coninck behoort met zijn poëzie tot de Vlaamse neorealisten, over wie hij ook op poëticaal gebied gepubliceerd heeft. Zijn voorkeur gaat uit naar de weergave van de alledaagse werkelijkheid in spreektaal, die door isolering, subjectieve kleuring of kritisch commentaar persoonlijk geladen wordt. Zijn poëticale opvattingen spreken behalve uit zijn essays het duidelijkst uit zijn poëziedebuut De lenige liefde (1969). De bundel Zolang er sneeuw ligt (1975) is sterk bepaald door persoonlijke ervaringen, in het bijzonder de dood van zijn echtgenote. In Met een klank van hobo (1980) staat de verhouding tussen ouder worden en de kwaliteit van het bestaan centraal.

De Conincks debuutbundel werd bekroond met de Yangprijs (1969) en de Prijs van de provincie Antwerpen (1971). Voor zijn poëziebundel Zolang er sneeuw ligt kreeg hij de Dirk Martensprijs van de stad Aalst (1976) en de Prijs van de Vlaamse provinciën (1978).

 

Literatuur: Kritisch lexicon; Lexicon lit. werken; Oosthoek; WP-lexicon; G. Durnez, ‘Herman de Coninck’, in: Vlaamse schrijvers. Vijfentwintig portretten (1982), p. 84-88; W.M. Roggeman, ‘Herman de Coninck’ interview, in: Beroepsgeheim 4 (1983), p. 185-200; H. Brems, ‘Onbegonnen werk’, in: De rentmeesters van het paradijs (1986), p. 97-108; G. Wildemeersch, ‘Herman de Coninck. Ongetroost of de noodzaak van grootspraak’, in: Ons Erfdeel 29 (1986) 2, p. 177-181; G. Wildemeersch, ‘Herman de Coninck: hebben, zien en schrijven’, in: K. Fens e.a.. Jan Campertprijzen 1986 (1986), p. 32-49; E. Leeflang, ‘Maar vertakkend van wanhoop en graagte. De gedichten van Herman de Coninck’, in: Ons Erfdeel 42 (1999) 3, p. 412-421; W.J. Otten, ‘Herman de Coninck en de spelonk’, in: Nieuw Wereld Tijdschrift 17 (2000) 9, p. 12-23; K. Hemmerechts. O, toen alles nog voorbij kon gaan (2000); G. Komrij, ‘Een bescheiden voorstel om te wachten met de heiligverklaring van Herman de Coninck’, in: Vreemd pakhuis (2001), p. 156-164.

 

G.J. van Bork
[aangevuld en verbeterd, november 2002]