Schrijvers en dichters (dbnl biografieënproject I)


auteur: G.J. van Bork


bron: Schrijvers en dichters werd niet eerder gepubliceerd.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Gezelle, Guido

Guido Petrus Theodorus Josephus Gezelle, Vlaams dichter, journalist, taal- en volkskundige (Brugge 1.5.1830 - Brugge 27.11.1899). Gezelle was de zoon van een opgewekte en welbespraakte vader die tuinder en boomkweker was en een introverte en zeer godvruchtige moeder. Hij bezocht de Latijnse school in Brugge, waar één van zijn leraren E.H.P. Benoit was die in 1847 de eerste Vlaamse missionaris in Engeland werd. Deze leraar wekte bij Gezelle het nooit vervulde verlangen ook missionaris in Engeland te worden. Gezelle is levenslang anglofiel gebleven.

Na zijn besluit om priester te worden, studeerde Gezelle nog een jaar filosofie in Roeselare en vervolgens een jaar filosofie en vier jaar theologie aan het groot seminarie in Brugge. Nog voor zijn priesterwijding op 10 juni 1854 werd hij leraar natuurlijke historie en moderne talen in Roeselare. Daar begon hij ook gedichten te schrijven, onder andere de eerste van enkele honderden gelegenheidsgedichten die hij zou schrijven. Daarnaast begon hij hier aan zijn verzameling woorden, uitdrukkingen en spreuken uit de Vlaamse volkstaal. Na zijn priesterwijding begeleidde Gezelle van 1857 tot 1859 een poëzieklas waar hij leerlingen had als Hugo en Gustaaf Verriest, Eugène van Oye en K. de Gheldere, leerlingen die hij met zijn religieus, poëtisch en romantisch Vlaams nationalisme levenslang beïnvloed heeft. Deze jaren worden wel aangeduid als Gezelle's ‘wonderjaren’. Gezelle paste in die tijd de opvoedkundige theorieën toe van Dupanloup. Daarin gingen vriendschappelijke en intieme omgang hand in hand met een zekere mate van gecontroleerde strengheid. Gezelle's pogingen om met enkele leerlingen een christelijke dichterschool in het leven te roepen en te streven naar een neogotische beweging en een herleving van de Vlaamse cultuur bleken echter te mislukken. In zijn eigen verzen kon hij wel veel van zijn romantische idealen kwijt. In zijn poëzie bevrijdde hij zich van de gangbare poëzie-opvattingen. Zijn gedichten zijn spontaan en verfijnd, en vol taalspel. Daarbij maakt hij gebruik van de expressiviteit van de Vlaamse volkstaal die hij zo goed kende. De poëzie van deze geëxalteerde periode in Gezelle's dichterschap vertoont een psychische gespannenheid en is een uiting van diep gevoelde vriendschappen, van zondebesef en van ontmoediging. Ze werd opgenomen in de bundels Kerkhofblommen (1858), Vlaemsche dichtoefeningen (1858), XXXIII Kleengedichtjes (1860) en Gedichten, gezangen en gebeden (1862).

Het jaar 1859 is voor Gezelle een crisisjaar, mede omdat in dat jaar zijn meest geliefde leerling Eugène van Oye, die nauw betrokken was bij het ontstaan van Gezelle's eerste bundels poëzie, het seminarie heeft verlaten. In dat jaar ook wordt Gezelle beperkt in zijn onderwijstaak en zijn pedagogische functies. Voor zijn talenonderwijs stelt hij in 1860 nog wel een bloemlezing samen uit de oudere Italiaanse en Spaanse religieuze lyriek en één uit het werk van Torquato Tasso. Nog voor hij Roeselare zal verlaten, publiceert hij Een Noordsch en Vlaemsch messeboekske (1860). Vanwege zijn onconventionele opvattingen over opvoeding en onderwijs kreeg hij moeilijkheden in Roeselare en werd hij overgeplaatst naar Brugge. Gezelle wordt daar mededirecteur van een nieuw opgericht Engels college en tevens leraar filosofie van het pas gestichte Seminarium Anglo-Belgicum. Het Engels college moet al in 1861 gesloten worden en dan wordt Gezelle nog tijdelijk onderrector van het genoemde seminarium. Ook hier krijgt hij echter moeilijkheden van disciplinaire en methodologische aard en in 1865 wordt hij benoemd tot onderpastoor van de Sint Walburgisparochie in Brugge. In deze jaren blijken zijn dichterlijke activiteiten sterk beperkt te zijn. Daartegenover nam zijn journalistieke bedrijvigheid sterk toe. Hij schreef over volks- en oudheidkunde, over geschiedenis, over taalkundige kwesties, maar bovenal over politieke zaken. Daartoe richtte hij in 1865 het geïllustreerde weekblad Rond den Heerd (1865-1871) op. Zijn antiliberale journalistieke stukken publiceerde hij in het weekblad 't Jaer 30, een ultramontaans blad waarvan hij de leiding op zich had genomen. De stukken in 't Jaer 30 leidden ertoe dat hij met gerechtelijke vervolging wordt bedreigd en in 1871 zelfs bij cassatie wordt veroordeeld. 't Jaer 30 was inmiddels opgeheven, maar het blad werd opgevolgd door 't Jaer 70. Overwerkt, onmogelijk geworden door de felle polemieken en de vervolging die daaruit voortvloeide en financieel gecompromitteerd, wordt Gezelle in 1872 overgeplaatst naar Kortrijk, waar hij onderpastoor van de Onze Lieve Vrouweparochie wordt.

In Kortrijk herstelde Gezelle snel en hervatte hij zijn journalistieke werk in De Vrijheid en de Gazette van Kortrijk. Rond 1877 breekt een tweede bloeiperiode voor Gezelle's poëzie aan, waarvan de hoogtepunten zijn aan te wijzen in de jaren 1880-1883 en 1890-1897. De poëzie uit deze perioden werd verzameld in de bundels Tijdkrans (1893), Rijmsnoer (1897) en voor een deel in de postuum uitgegeven Laatste verzen (1901). Het zijn voor een groot deel impressionistische natuurgedichten, maar ook religieuze gedichten met mijmeringen over leven en dood en over de eeuwigheid. Meer dan in vroegere poëzie heeft Gezelle in deze gedichten geëxperimenteerd met woorden en zinsconstructies en dat maakt dat veel avantgardisten zich deze poëzie ten voorbeeld hebben gesteld. In 1886 had Gezelle Longfellows Song of Hiawatha bewerkt, een werk waarin hij al evenzeer met de taal heeft geëxperimenteerd.

Intussen had hij zijn studie van de taalkunde en de Westvlaamse volkskunde, waarvoor hij inmiddels op een aantal informanten kon rekenen, voortgezet. In 1881 richtte hij daartoe een eigen periodiek op, Loquela (1881-1895), dat gewijd zou zijn aan de ‘eigene vlaamsche tale, als uiting van eigen vlaamsch wezen en leven’. In 1885 komt daar het periodiek Duikalmanak bij en in 1890 is hij mede-oprichter van Biekorf, een tijdschrift dat de opvolger moet worden van Rond den Heerd.

Aanvankelijk in West-Vlaanderen, maar al spoedig ook daarbuiten, nam Gezelle's faam als dichter en taalkundige enorm toe, vooral na 1880. In 1899 keerde Gezelle terug naar Brugge en werd er rector van het klooster van kanunnikessen, het English Convent.

Op 6 mei 1887 wordt Gezelle benoemd tot doctor honoris causa van de Universiteit van Leuven. Na zijn overlijden in 1899 krijgt hij de vijfjaarlijkse Staatsprijs voor de Vlaamse letterkunde voor de bundel Rijmsnoer. Inmiddels is Gezelle uitgegroeid tot één van de belangrijkste negentiende-eeuwse dichters uit het Nederlandse taalgebied. In 1930 vereerde zijn geboortestad Brugge hem met een standbeeld. Eerder al (1926) werd zijn geboortehuis ingericht tot Gezellemuseum. In 1961 werd het Guido Gezelle-genootschap opgericht dat vanaf 1963 de Gezellekroniek uitgeeft. Bij het UFSIA van de Antwerpse Universiteit werd een Centrum voor de Gezellestudie ingericht (1966), waar sinds 1970 de Gezelliana, een driemaandelijks mededelingenblad, wordt samengesteld. Daar wordt ook de reeks Teksten en Studiën van en over Gezelle gepubliceerd.

 

Literatuur: Lexicon lit. werken; Oosthoek; WP-lexicon; J. Craeynest. Guido Gezelle's Loquela (1907); A. Walgrave. Gedichtengroei (1914, 19383); C. Gezelle. Guido Gezelle 1830-1899 (1918); C. Gezelle. Voor onze misprezen moedertaal (1923); A. Walgrave. Het leven van Guido Gezelle, Vlaamschen priester en dichter. (2 dln., 1923 en 1924); U. van de Voorde. Guido Gezelle (1926); C. Gezelle. Uit 't land en 't leven van Guido Gezelle (1927); P. Arents. Guido Gezelle Bibliografie (1930); F. Baur. Uit Gezelle's leven en werk (1930); U. van de Voorde. Gezelle's eros (1930); R. van Sint-Jan. Het West-Vlaamsch van Guido Gezelle (1931); H. Roland Holst. Guido Gezelle (1931); F. Baur. ‘Gezelliana’, in Versl. Meded. Kon. Vl. Acad. (1938); E. Janssen. Zoo dichte en zoo doe 'k (1939); J. van Dijck. De andere Gezelle (1950); R. de Coninck. Guido Gezelle's purisme (1953); R. van Sint-Jan. Guido Gezelle's avonturen in de journalistiek (1954); H. Bruning. Guido Gezelle, de andere (1954); R. de Coninck. Guido Gezelle's taalparticularisme (1955); A. van Duinkerken. Guido Gezelle (1958); W.J.M.A. Asselbergs. Guido Gezelle's Kerkhofblommen 1858-1958 (1958); K. de Busschere. Guido Gezelle (1959, 19804); S. Streuvels. Kroniek van de familie Gezelle (1960, 19804); G. Knuvelder. Guido Gezelle (1962); J.J.M. Westenbroek. Van het leven naar het boek (1967); B.F. van Vlierden. Guido Gezelle tegenover het dichterschap (1967); R. Reniers. Guido Gezelle, katholiek vrijmetselaar (1973); K. Meeuwesse. Gezelle's Albumblaren (1974); R. Lagrain. De moeder van Guido Gezelle (1975); E. Janssen. Gezelle's wonderjaar 1858 (1976); A. Westerlinck. De innerlijke wereld van Guido Gezelle (1977); J. Boets. Gezelle's zelfstandige publikaties (bibliografie, 1979); R. Annoot, G. Gyselen en L. Sepens, Guido Gezelle in West-Vlaanderen 1830-1980 (1980); Boeket voor Gezelle (1980); A. Westerlinck. De taalkunst van Guido Gezelle (1980); R. Seys, Guido Gezelle en Koekelare (1981); A. Westerlinck. De oude taaltovenaar Guido Gezelle (1981); R. Lagrain, Gezelle's godsdienstlessen in het Engels klooster (1983); Christine D'Haen. De wonde in 't hert: Guido Gezelle, een dichtersbiografie (1988); Michel van der Plas. Mijnheer Gezelle: biografie van een priester-dichter 1830-1899 (1990; 19984); Paul Claes. Gezelle gelezen (1993[=1992]); Johan van Iseghem. Guido Gezelle's ‘Vlaemsche Dichtoefeningen’ (1858): een benadering van de dichter en het werk (1993); Johan van Iseghem. Kroniek van de jonge Gezelle, 1854-1858 (1993); Jan J.M. Westbroek. Gezelle de dichter: studies (1995); Christine D'Haen. Het schrijverke (1997); Ruth Beijert. Van Tachtiger tot modernist: het Gezellebeeld in de Nederlandse kritiek 1897-1940 (1997); Nienke Bakker. Gezelles woordentas (1998); Johan van Iseghem. Gezelle humorist (1999); Els Depuydt & Ludo Vandamme (red.). "Reizen in den geest": de boekenwereld van Guido Gezelle (1999); Opstellen omtrent Guido Gezelle 1899-1999, spec. nr. van Biekorf 99 (1999), p. 305-488; Marcel Vanslembrouck. Gezelle & Torhout (1999); Willy le Loup (red.). De priester Guido Gezelle en het Engels klooster (1999); Paul Vancolen & Johan van Iseghem (red.). 't Is al zoo van buiten, 't is al zoo van bin': Guido Gezelle in Kortrijk 1872-1899 (1999); Marcus de Schepper & Linda Fonteyne. Gezelle beschreven, 1899-1999: selectieve bibliografie van een eeuw Gezellestudie (2000); Nienke Bakker. Guido Gezelle: opbouw en analyse van zijn bastaardwoordenboek (2000); P. Couttenier (red.). Een eeuw Gezelle, 1899-1999: colloquium, Brugge 19 en 20 november 1999 (2000); Prosper Arents e.a. Guido Gezelle bibliografie (heruitgave, 2002).

 

G.J. van Bork
[herschreven, februari 2005]