Het huis Lauernesse


auteur: A.L.G. Bosboom-Toussaint


bron: A.L.G. Bosboom-Toussaint, Het huis Lauernesse. G.J.A. Beijerinck, Amsterdam 1840  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 439]

Narede.

In het laatst van het jaar 1838 vroeg de Heer Beijerinck van mij een' roman, uit het eerste tijdperk der Hervorming in Holland, en die bepaaldelijk voorstellen moest: den invloed der laatste op het burgerlijk en huiselijk leven der Nederlanders. - Moed te hebben tot de uitvoering daarvan, was welligt vermetelheid; en toch, er lag een rijkdom in het onderwerp, die mij verlokte, zoodat ik nam haar op mij en.....

Het huis Lauernesse is er de uitkomst van. De lezer moge oordeelen, of het eene goede is.

Twee jaren liggen er tusschen het ontwerpen van den roman en de voltooijing, en slechts het kleinere deel van dien tijd werd met schrijven besteed; het grootere in een ernstig en vlijtig onderzoek van alle bronnen, die onder mijn bereik lagen. - Zij waren vele en zoo ik meen goede; dank zij de hulp en gulheid van welwillende vrienden! Ze op te tellen, zou eene vlek van pedanterie werpen over het werk eener vrouw, en het zou zijn de lezers te doen

[p. 440]

deelen in de vermoeijenis der zamenstelling, terwijl ze in ernst niet te veel hebben aan het weinigje uitspanning, dat in mijne magt stond hun te geven. Zullen zij het daarom minder op mijn woord gelooven, dat ik, waar het feiten of personen der Geschiedenis gold, met heilige trouw bij de waarheid ben gebleven; waar het een gevoelen betrof over de laatste, zal men mij toestaan het mijne te hebben, als ik er mijne redenen voor aangeef. Kleine afwijkingen van de Geschiedenis, die moeijelijk te vermijden waren, ben ik verpligt hier aan te stippen: - Het vermomd doortrekken van Karel van Gelder in Holland wordt door Wagenaar niet als zeker opgegeven, en dan nog wel drie jaren vroeger dan ik het stelde; zijn togt naar Vreeland is geheel fictie, gelijk geheel zijne betrekking tot Paul; hem Utrecht te laten binnen dringen, daar hij zich in Holland waagde, was, dunkt mij, niet eene te groote vrijheid. Niet minder op eigen gezag, heb ik de Volder naar Utrecht overgebragt, na zijne ontkoming uit den Delftschen kerker; ook zijn er, die hem daaruit ontslagen noemen en niet ontvlugt. Er heeft eene Maria bestaan, natuurlijke dochter van Hertog Philips den Goede, van wie men niets weet, dan dat zij Non werd. Deze, meende ik, naar willekeur te kunnen gebruiken. Welligt zal men vinden, dat ik mij hier of daar vergreep aan Jan van Woerden. Alleen over zijn martelaarschap waren de berigten der Geschiedenis helder en stemden overeen. Den naam zijner vrouw heb ik

[p. 441]

nergens kunnen opsporen, hoewel menig geldig getuigenis hem er eene geeft; maar zijn huwelijk is zeker niet gevierd geworden op een Slot, dat alleen door mij werd opgebouwd; doch..... ik kies het gevaar van andere ontdekkingen door den lezer, vóór dat van hem te vervelen, en verantwoord mij alleen nog over het zeer vroege tijdpunt, dat ik mij koos; het tijdpunt, waarop men niet zeggen kon, zoo als later in den tijd der Paauws en Realen: ‘in deze straat, in dat huis der stad Amsterdam vergaderden de Evangelischen,’ waarin Arndt nog niet had gepredikt buiten Hoorn, en geen leeraar nog het woord van vrede verkondigde, met eene wacht van gewapende ijveraars om zich. Juist dat onzekere, die gaping, dat onbepaalde trok mij meer aan, dan het voet voor voet navolgen der geboekstaafde Geschiedenis, en het woord van den bekendsten onzer onbekende Schrijvers was als uit mijn hart gegrepen, toen hij zeide: dat het den Romandichter juist het meest helder is in den diepsten nacht. De proeve, om over de taal der personen bij de gesprekken eene tint van oudheid te werpen, die ze een weinig onderscheidt van onzen hedendaagschen conversatietoon, zonder ze uitsluitend de taal van hunnen tijd te laten spreken, is..... eene proeve, die niet herhaald zal worden zoo zij mishaagt. - Nog heb ik een woord aan mijne Katholijke landgenooten, aan mijne vrienden onder hen. Dat ik een Werk als dit ondernemen durfde, is wel het sterkste bewijs voor hunne verlichting, voor hunne ver-

[p. 442]

draagzaamheid. Het woord Hervorming alleen reeds moet hun hard in de ooren klinken; maar het is het woord der Geschiedenis, en zij kennen haar zoowel als ik. Waar ik grove bevooroordeeldheid of fellen partijhaat bittere en lage woorden in den mond geef, zij zullen weten te scheiden den eisch van den toestand en het bijzonder gevoelen van de autheur, die hiermede een afscheid neemt van hen en van geheel haar publiek, met dankzegging voor vroegere toegeeflijkheid en belangstelling, en met de bede om zacht te zijn voor haren eersten Nederlandschen roman, die bewijst, hoe zeer zij zich heeft trachten te voegen naar een uitgedrukt verlangen.

 

Alkmaar,

22 October 1840.

A.L.G. Toussaint.

 

Einde van het Tweede en Laatste Deel.