|
|
|
| | | | | |
Bindfonemen: grammatische, linguïstische en
wetenschapsfilosofische problemen
*
| |
I
Slechts een zeer oppervlakkige bekendheid met taalkundige
publicaties van recente datum is nodig om te kunnen constateren, dat de meeste
moderne grammatici hun grammaticale onderzoekingen binnen het kader van een
algemene linguïstische theorie verrichten. Dat niet al deze
taaltheorieën even expliciet geformuleerd, even omvattend en
explanatorisch even krachtig zijn, doet niets af aan deze constatering.
Pretheoretisch formulerend kan men zeggen, dat deze benadering van grammaticale
analyse gebaseerd is op het inzicht dat iedere afzonderlijke taal een
manifestatie van een algemeen-menselijk verschijnsel ‘taal’ is en
dat het theoretische kader waarbinnen een specifieke afzonderlijke taal wordt
geanalyseerd, ook geldig moet zijn voor de analyse van alle andere talen. Nu
zijn er echter twee andere inzichten die ook fundamenteel dienen te zijn bij
grammaticale analyse, maar die heel zelden een centrale rol spelen in de
analytische activiteiten van moderne grammatici. Het eerste is, dat de taak van
de grammaticus niet volledig vervuld is met de voltooiing van een grammatica of
een fragment van een grammatica van een specifieke taal binnen het kader van
een algemene taaltheorie. Een essentieel aspect van zijn taak is, ná de
voltooiing van zijn grammaticale analyse, verslag uit te brengen over de
adequaatheid van de algemene linguïstische theorie in het kader waarvan
hij zijn grammatica geconstrueerd heeft. De grammaticus is namelijk bij uitstek
de taalkundige die aan de hand van grote hoeveelheden materiaal van een
bepaalde taal de observationele, voorspellende en explanatorische adequaatheid
van een algemene taaltheorie kan bepalen. Uit de recente geschiedenis van de
taalwetenschap blijkt namelijk, dat vele beoefenaars van de algemene
linguïstiek met te weinig taal-materiaal, d.i. voorbeelden van gevallen
van taalgebruik, opereren bij de constructie en evaluering van hun
taaltheorieën. Deze linguïsten zijn dus niet in staat om hun
linguïstische modellen intensief op hun omvang en verklarend vermogen te
toetsen. Het eerste inzicht dus dat vaak bij moderne grammatici ontbreekt, is
dat grammaticale analyse niet alleen het construeren van een grammatica in het
kader van een algemene taaltheorie inhoudt, maar dat ook het evalueren van deze
taaltheorie een essentieel aspect van de taak van de grammaticus is. Het tweede
ontbrekende inzicht is nauw verwant aan het eerste. De grammaticus die
gelijktijdig met zijn descriptieve activiteiten ook de algemene taaltheorie in
het kader waarvan hij opereert, evaluerend benadert, moet bovendien op de
hoogte zijn van de algemene wetenschapsfilosofische principes die een rol
spelen bij het evalueren van de theorieën van alle empirische
wetenschappen.
1 Terwijl
sommige moderne grammatici zich nog bewust | | | | zijn van de noodzaak van
het tweede facet van hun taak - het evalueren van de taal-theorie in het kader
waarvan zij opereren -, ontbreekt de noodzakelijke kennis van de
wetenschapsfilosofische principes die ten grondslag behoren te liggen aan
iedere poging een empirische theorie te evalueren, bij de meerderheid van de
grammatici met wier werk ik bekend ben.
2 De grammaticus moet dus, om
alle onderdelen van zijn taak zinvol te verrichten, bewust op drie verwante
niveaus opereren:
| 1. op het niveau van de grammatica, of taaldescriptie binnen het
kader van een algemene taaltheorie; |
| 2. op het niveau van de algemene taalwetenschap, die hem een theorie
biedt die niet alleen het kader vormt voor zijn grammaticale activiteiten, maar
die hij ook evaluerend dient te benaderen; en |
| 3. op het niveau van de wetenschapsfilosofie die, onder andere, de
algemene principes onderzoekt die een rol spelen in de constructie en
evaluering van alle empirische theorieën.
3 |
Het object van deze voordracht is nu, aan de hand van het
verschijnsel van de zogenaamde verbindingsklanken die de fonologische vorm van
sommige Afrikaanse nominale composita kenmerken, te illustreren, wat de
implicaties zijn van deze benadering van de taak van de grammaticus binnen het
kader van de transformationeel-generatieve grammatica.
| |
II
Het is nodig heel vlug de doelstelling en structuur van een
transformationeel-generatieve grammatica en de compositum-theorie van
Lees te schetsen. Ik beperk mij doelbewust tot de
versie-1965 van beide theorieën.
Een transformationeel-generatieve grammatica heeft tot object de
linguïstische competentie van degene die zijn moedertaal spreekt, welke
competentie gemanifesteerd wordt in zijn vermogen een willekeurige zin uit zijn
taal op een gepast moment te produceren en een even willekeurige zin op een
gepast moment te interpreteren (vgl.
Chomsky 1966, pp. 10-11). Een succesvolle
transformationeel-generatieve grammatica somt in termen van een eindig aantal
regels alle en alleen maar de grammaticale zinnen van een taal op, en kent aan
ieder van die zinnen een structurele beschrijving toe, waarin de
linguïstische intuïties van de moedertaalspreker over de structuur
van deze zin(nen) verdisconteerd zijn (vgl.
Bach 1964, pp. 3-8). Ten einde dit doel te kunnen
bereiken, bestaat een transformationeel-generatieve grammatica uit drie hoofd
componenten: een syntactische, een fonologische en een semantische. De
syntactische component kent aan iedere grammaticale zin twee abstracte
structuren toe: een oppervlakte- en een dieptestructuur. De dieptestructuren
dienen als de ‘input’ voor de semantische component, die aan iedere
grammaticale zin een semantische interpretatie | | | | toekent (via zijn
dieptestructuur). De subcomponent van de syntactische component die de
dieptestructuren expliciet opnoemt, heet de basiscomponent. Door middel van
transformationele regels worden de oppervlaktestructuren die aan grammaticale
zinnen ten grondslag liggen, in de transformationele subcomponent van de
syntactische component, afgeleid van de dieptestructuren. De oppervlakte
structuren vormen de ‘input’ voor de fonologische component, die
aan iedere grammaticale zin een fonetische representatie toekent. Het lexicon
van een transformationeel-generatieve grammatica is een subcomponent van de
basiscomponent en heeft, o.a., als functie, de onregelmatigheden van een taal
te specificeren (vgl.
Chomsky 1965, p. 142).
Als we de compositum-theorie van
Lees (1966; in 1959 voor het eerst gepubliceerd) in
hedendaagse transformationele termen vertalen, dan ziet Lees een compositum
niet als een lexicaal formatief (bouwsel) dat in het lexicon wordt opgenomen,
maar als een oppervlaktestructuur, die door middel van transformaties wordt
afgeleid uit een of meer dieptestructuren. Deze benaderingswijze baseerde Lees
in 1959 op het inzicht dat ‘English nominal compounds incorporate the
grammatical forms of many different sentence types, and of many different
internal grammatical relationships within sentences, such as subject-predicate,
subject-verb, subject-object, verb-object, etc.’ (p. 119). Een Engels
nominaal compositum zoals girlfriend wordt, bij gevolg, door Lees via
transformaties als oppervlaktestructuur afgeleid uit de dieptestructuur die ook
ten grondslag ligt aan
(1) The friend is a girl.
Lees ziet dus een subject-predicaat relatie tussen de constituenten
van girlfriend (pp. 125-127).
| |
III
Het is nu mogelijk om de pretheoretische observaties en opmerkingen
over ‘verbindingsklanken’, als elementen in de fonologische vorm
van Afrikaanse nominale composita die ik wil bespreken, aan te bieden. Laten we
echter eerst de volgende terminologische afspraken malen. De concepten in
termen waarvan deze observaties worden geformuleerd, dragen allemaal een
pretheoretisch karakter. Dat wil zeggen dat deze concepten niet op theoretische
gronden worden gerechtvaardigd, maar alleen worden gebruikt vanwege hun
onmiddellijke suggestieve werking ter aanduiding van observaties. Deze praktijk
is volkomen in overeenstemming met een algemeen-methodologisch principe, dat
ook in andere empirische wetenschappen figureert.
4 Vele begrippen, zoals
‘IC-analysis’, lexicaal formatief, compositum, foneem,
etc., worden dus helemaal niet nader gespecificeerd. De termen
‘specificans’ en ‘specificatum’ gebruik ik ter
aanduiding van respectievelijk de eerste en laatste constituenten die een
eerste binaire IC-analysis oplevert.
Bijvoorbeeld in het Afrikaanse compositum gesinsdag
constitueert gesins- het specificans, en -dag het specificatum.
Anders dan voor
De Groot (1964, p. 234) hebben | | | | deze
begrippen voor mij geen betrekking op het semantisch aspect van een
compositum.
Vergelijkt men nu de fonologische vorm van het lexicale formatief
gesin in respectievelijk
(2)
(1) 'n Gesin is 'n eenheid
en
(11) Sondag is gesinsdag
dan blijkt dat als specificans van het compositum gesinsdag
de fonologische vorm van het formatief gesin in (2) (11) wordt
gekenmerkt door de aanwezigheid van het foneem /s/, dat afwezig is in de
fonologische vorm die het formatief gesin in (2) (1) heeft. Traditioneel
worden /s/ in gesinsdag, en andere soortgelijke fonologische elementen,
‘verbindingsklanken’ (vgl.
Kempen 1962, pp. 83 vlg.;
De Villiers 1967, p. 181;
Van Lessen 1928, p. 4) genoemd. Zijn het vocalen, dan
spreekt men van ‘Bindvokale' (vgl.
Henzen 1964, p. 188), ‘connecting vowels’
(vgl.
Hall 1964, p. 188), en ‘link vowels’ (vgl.
Norbury 1967, p. 139).
De Groot noemt ze paramorfemen (vgl. 1964, p. 127). Of
het slotfoneem /s/ in gesins- nu een verbindende functie heeft,
interesseert mij hier niet. In het vervolg duid ik deze /s/ en andere
soortgelijke fonologische elementen zonder meer aan met de term
‘bindfoneem’.
Of een bindfoneem een kenmerk is van de fonologische vorm van het
specificans, het specificatum of van het gehele compositum, is een vraag, die
alleen binnen een volledige grammatica van het Afrikaans een definitief,
niet-ad hoc antwoord kan krijgen. Er zijn echter een aantal
pretheoretische indicaties op grond waarvan ik bind-fonemen hier als kenmerken
van de fonologische vorm van specificantia beschouw. Een bespreking van deze
indicaties valt buiten de grenzen van deze voordracht. (Vgl. echter Kempen
1968, § 36).
Wanneer de grammaticus zijn pretheoretische analyse binnen het kader
van een specifieke algemene taaltheorie verricht, zijn zijn observaties altijd
selectief of gericht.
5
We hebben gezien dat een transformationeel-generatieve grammatica
een grammatica is, die alle en alleen maar de grammaticale zinnen van een taal
bestrijkt en niet alleen maar een corpus van dergelijke zinnen. Het aantal
gevallen van taalgebruik dat de grammaticus analyseert om tot een grammatica
van een oneindig aantal zinnen te komen, is eindig. Aangezien een
transformationeel-generatieve grammatica zelf ook uit een eindig aantal regels
bestaat, hebben deze regels - om de discrepantie tussen het eindig aantal
geobserveerde gevallen van taalgebruik en het oneindig aantal grammaticale
zinnen te overbruggen - een generaliserend en voorspellend karakter. Een
fundamenteel analytisch probleem bij de pretheoretische activiteiten van een
transformationeel-generatieve grammaticus die een grammatica van een groep
taalverschijnselen wil construeren, is dus het volgende: Is het mogelijk om
x en andere soortgelijke, maar niet geobserveerde verschijnselen, te
specificeren in termen van een beperkt aantal algemene regels? Of: Is het
mogelijk de condities te specificeren waarvan x
| | | | en
soortgelijke niet geobserveerde verschijnselen de consequenties zijn? Volgens
de Engelse wetenschapsfilosoof
Harré (1967, p. 79) is dit probleem in essentie
het probleem van de predictie. Als we dit probleem in verband brengen met onze
belangstelling voor de bindfonemen die de fonologische vorm van de
specificantia van sommige Afrikaanse nominale composita kenmerken, krijgt onze
pretheoretische vraagstelling de volgende vorm: Is het mogelijk de condities te
specificeren waaronder bindfonemen de fonologische vorm van deze specificantia
kenmerken? M.a.w., is het mogelijk in termen van algemene regels te
voorspellen, dat in een willekeurig compositum y het lexicale
formatief x, als specificans, de fonologische vorm z heeft,
die gekenmerkt wordt door de aan- of afwezigheid van het bindfoneem w?
Een analyse van de fonologische vorm van circa 15.000 Afrikaanse
nominale composita, waarvan ongeveer 90% in
Die Afrikaanse Woordeboek en in het
Hand-woordeboek van die Afrikaanse Taal
voorkomen, leverde onder andere de volgende resultaten op, als antwoord op deze
vraag (Ik beperk mijn opmerkingen tot de bindfonemen /ə/ en /s/):
6
A(a) Voor composita tussen de constituenten waarvan een
coördinatieve grammaticale relatie bestaat, is het voorspelbaar, op basis
van de aanwezigheid van deze relatie, dat geen der constituenten een
fonologische vorm heeft die wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een
bindfoneem. Vgl. bv.:
(3)
digter-komponis
skrywer-joernalis
dinee-dans
(b) Ook in het geval van composita zoals
(4)
man-uur
voet-pond-sekonde
volt-ampère-sekonde
tussen de constituenten waarvan een grammaticale relatie bestaat,
die ik met de term ‘multiplicatief’ aanduid, is de afwezigheid van
bindfonemen op basis van de aanwezigheid van deze grammaticale relatie,
voorspelbaar.
(c) Indien tussen de constituenten van een compositum een
appositionele grammaticale relatie bestaat, dat wil zeggen indien de eerste
ic de kern is en de finale ic een attribuut van deze kern is,
wordt de fonologische vorm van dit compositum ook door de afwezigheid van een
bindfoneem gekenmerkt. We kunnen dus op basis van deze appositionele
grammaticale relatie de afwezigheid van een bindfoneem voorspellen. Vgl.
bv.:
(5)
| Jan - neus | (Jan met de (grote)
neus) |
| Koos - uil | (Koos lijkende op een
uil) |
| Willem - bergvallei | (Willem wonende op (een
boerderij met de naam) ‘Bergvallei’.) |
| | | |
Als we niet-coördinatieve, niet-multiplicatief,
niet-appositionele nominale composita, zoals
(6)
gesinsdag
swartbord
hondetand
boekwinkel
‘attributieve composita’ noemen, kunnen we constateren
dat de aan- of afwezigheid van bindfonemen in de fonologische vorm van
specificantia van attributieve nominale composita niet voorspelbaar of
specificeerbaar is in termen van algemene regels. Het is mij niet gelukt
syntactische, fonologische en semantische gronden voor de voorspelling van het
voorkomen van bindfonemen in de fonologische vorm van de specificantia van dit
pretheoretische compositumtype te vinden. Voor een aantal ondergeschikte
regelmatigheden in het optreden van bindfonemen in dergelijke composita,
verwijs ik u naar de publicaties van
Kempen (1962, pp. 83 ff. vlg; 1968, § 36). Eerder
schijnt in deze gevallen de aan- of afwezigheid van de bindfonemen /ə/en
/s/ lexicaal bepaald te zijn. De fonologische vorm die sommige lexicale
formatieven als specificantia hebben, is blijkbaar in alle tweeledige
attributieve composita gekenmerkt door de aanwezigheid van een bindfoneem. De
fonologische vorm die het lexicale formatief seun als specificans van
dergelijke composita heeft, wordt blijkbaar consequent gekenmerkt door de
aanwezigheid van het bindfoneem /s/.
Vgl. bv.:
(7)
seunskoor
seunsnaam
seunsverhaal
De fonologische vorm van andere lexicale formatieven als
specificantia van dergelijke composita, wordt op zijn beurt consequent
gekenmerkt door de afwezigheid van een bindfoneem. Vergelijk bijvoorbeeld de
fonologische vorm van het formatief aas in de composita
(8)
aasblom
aaslelie
aasvoël
Met betrekking tot de aan- of afwezigheid van de bindfonemen
/ə/ en /s/ in de fonologische vorm van specificantia van attributieve
composita, zijn de volgende punten niet voorspelbaar of specificeerbaar in
termen van algemene regels:
B(a) Niet specifieerbaar of voorspelbaar in termen van algemene
regels is welke lexicale formatieven als specificans van attributieve composita
een fonologische vorm hebben die door de aanwezigheid of door de afwezigheid
van een bindfoneem wordt gekenmerkt. Het is bijvoorbeeld onvoorspelbaar of niet
specificeerbaar in termen van een algemene regel, dat het lexicale formatief
seun lid is van de categorie van formatieven die als specificantia van
attributieve composita fonologisch worden gekenmerkt door de aanwezigheid van
een bindfoneem.
(b) Evenmin is het specificeerbaar of voorspelbaar in termen van
algemene regels welk specifiek bindfoneem de fonologische vorm kenmerkt van al
de lexicale forma- | | | | tieven, waarvan bekend is, dat ze als
specificantia in hun fonologische vorm wel door een bindfoneem worden
gekenmerkt. Het is bijvoorbeeld onmogelijk in termen van een algemene regel te
voorspellen of te specificeren dat de fonologische vorm van het formatief
gesin in composita zoals gesinsdag, gesinslewe juist door de
aanwezigheid van /s/ wordt gekenmerkt, en niet door de aanwezigheid van een
ander bindfoneem.
(c) Een lexicaal formatief zoals boer heeft als specificans
van attributieve composita zoals
(9)
(i) boeremusiek
(ii) boerboel (soort hond)
(iii) boer(e)seun
een fonologische vorm respectievelijk gekenmerkt door de
aanwezigheid van het bindfoneem /ə/ in (9) (i), de afwezigheid van een
bindfoneem in (9) (ii), en de facultatieve aanwezigheid van het bindfoneem
/ə/ in (9) (iii). Het is onmogelijk in termen van algemene regels te
voorspellen of te specificeren in welke attributieve nominale composita een
lexicaal formatief zoals boer een fonologische vorm heeft die
respectievelijk wordt gekenmerkt door de aanwezigheid, afwezigheid en
facultatieve aanwezigheid van een gegeven bindfoneem.
(d) Er is reeds op gewezen dat sommige lexicale formatieven
blijkbaar in geen enkel tweeledig attributief compositum een klankvorm hebben
die wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een bindfoneem. Vergelijk
bijvoorbeeld de fonologische vorm van het formatief jaar in de
attributieve nominale composita
(10)
jaarboek
jaarkursus
jaarring
in dit verband. Een subcategorie van deze categorie van formatieven
vertoont nu een heel interessante eigenschap. Als een lid van deze subcategorie
als het specificatum voorkomt van een compositum, dat zelf als geheel als het
specificans van een nog complexer attributief compositum optreedt, dan wordt de
fonologische vorm van dit lexicale formatief wél gekenmerkt door de
aanwezigheid van een bindfoneem. Alhoewel, bijvoorbeeld, het formatief
jaar als specificans van tweeledige attributieve nominale composita
nooit wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een bindfoneem, wordt de
fonologische vorm van jaar als specificatum van voorjaar, dat als
geheel voorkomt in composita zoals
(11)
voorjaarsblom
voorjaarsgevoel
voorjaarsmoegheid
in deze composita wel gekenmerkt door de aanwezigheid van het
bindfoneem /s/. Het is mij onmogelijk in termen van algemene regels te
voorspellen welke lexicale formatieven onder welke omstandigheden in welke
composita dit kenmerk vertonen.
(e) Voorbeelden (7) zijn reeds gegeven ter illustratie van het
verschijnsel dat de fonologische vorm die specifieke lexicale formatieven als
specificantia van specifieke attributieve composita hebben, wordt gekenmerkt
door de aanwezigheid van een spe- | | | | cifiek bindfoneem. Zo wordt
bijvoorbeeld, de fonologische vorm, die het formatief hond als
specificans van de composita
(12)
hondetand
hondehok
hondelewe
heeft, gekenmerkt door de aanwezigheid van het bindfoneem /ə/.
Ook van dergelijke lexicale formatieven vertoont een subcategorie een
interessant fonologisch kenmerk. Als een lid van deze subcategorie als
specificatum van een compositum optreedt, dat zelf als geheel weer als
specificans van een complexer attributief compositum voorkomt, dan wordt de
fonologische vorm van dit formatief gekenmerkt door de afwezigheid van het
bindfoneem dat het kenmerkt als specificans van een tweeledig attributief
compositum. Het lexicale formatief hond heeft als specificans van het
compositum hondetand een fonologische vorm gekenmerkt door de
aanwezigheid van het bindfoneem /ə/, maar de fonologische vorm van dit
formatief als specificatum van composita zoals bulhond, rashond, en
muishond, die als gehelen optreden als specificantia van respectievelijk
de meer complexe composita
(13)
bulhondtand
rashondtand
muishondtand
mist dit bindfoneem. De algemene regels in termen waarvan men kan
voorspellen of specificeren welke lexicale formatieven onder welke
omstandigheden in welke composita deze eigenschap hebben, kan ik niet
formuleren.
| |
IV
Een theoretische vraag die de grammaticus onder andere dient te
interesseren, is, hoe de fonologische vorm van Afrikaanse nominale composita
gekenmerkt door deze onregelmatige of onvoorspelbare aan- en afwezigheid van
bindfonemen, in een trans-formationeel-generatieve grammatica moet worden
gespecificeerd. Deze vraag moet de grammaticus benaderen tegen de achtergrond
van de compositum-theorie van
Lees, in termen waarvan compositia niet als lexicale
formatieven, maar als oppervlaktestructuren worden beschouwd. Dat houdt in dat,
bijvoorbeeld, het onregelmatige optreden van het bindfoneem /ə/ in de
fonologische vorm die het formatief boer als specificans heeft, niet in
het lexicon, maar in de fonologische component moet worden gespecificeerd. De
fonologische regel die de juiste fonologische vorm toekent aan de attributieve
composita waarin boer als specificans voorkomt, moet ongeveer als volgt
worden geformuleerd:
(14)
| bur
→ | burə | / | ≠ ≠ | -
- | almanak | ≠ ≠ | |
| | | | ≠ ≠ | -
- | Afrikaans | ≠ ≠ | |
| | | | ≠ ≠ | -
- | musiek | ≠ ≠ | |
| | | | ≠ ≠ | -
- | parlement | ≠ ≠ | |
| | | | ≠ ≠ | -
- | politiek | ≠ ≠ | |
| | | | ≠ ≠ | -
- | X | ≠ ≠ | |
| | | | | | | | (i) |
| | | |
| {burə} | / | ≠ ≠ | -
- | arbeid | ≠ ≠ | |
| {bur} | / | ≠ ≠ | -
- | orkes | ≠ ≠ | |
| | | ≠ ≠ | -
- | pak | ≠ ≠ | |
| | | ≠ ≠ | -
- | plaas | ≠ ≠ | |
| | | ≠ ≠ | -
- | produk | ≠ ≠ | |
| | | ≠ ≠ | -
- | Y | ≠ ≠ | |
| | | | | | | (ii) |
| bur | / | ≠ ≠ | -
- | | ≠ ≠ | |
| | | | | | | (iii) |
In deze regel heeft de pijl ‘→’ de waarde
‘herschrijf als’ of ‘vervang door’, de diagonale streep
‘/’ de waarde ‘in de omgeving’, en ‘{ }’
duidt aan, dat alleen maar een van de ingesloten elementen bij iedere
toepassing van de regel moet worden gekozen. ‘≠ ≠ - ≠ ≠’ markeert
de grenzen tussen woorden, ‘-’ de grenzen binnen woorden, en
‘-’ de precieze plaats waar /bur/ in een specifieke omgeving moet
worden herschreven. In (14) (i) duidt x de andere omgevingen aan waarin /bur/
als /burə/ moet worden herschreven, en in (14) (ii) duidt y de
andere omgevingen aan waarin /bur/ òf als /burə/ òf als
/bur/ moet worden herschreven. In (14) (iii) heeft de open plaats tussen
‘-’ en de finale ‘≠ ≠’, de waarde van ‘alle
andere lexicale formatieven’. De eerste instructie in (14) (i) kunnen we
als volgt onder woorden brengen: Als het lexicale formatief boer in het
compositum boerealmanak voorkomt, ken er dan, in plaats van de
fonologische vorm /bur/, de fonologische vorm /burə/ aan toe. De
resterende delen van de regel (14) kunnen op een soortgelijke wijze worden
geïnterpreteerd. In (14) wordt het onregelmatige optreden van het
bindfoneem /ə/ in de fonologische vorm van boer, als specificans
dus heel expliciet gespecificeerd. Wat is nu het nadeel van deze wijze van
specificatie van het onregelmatige optreden van bindfonemen? Ten eerste wordt
een regel zoals (14), in figuurlijke zin, eindeloos lang door het expliciet
opnoemen van al de lexicale formatieven die we op een impliciete wijze hebben
aangeduid met x in (14) (i) en y in (14) (ii). Om deze regel volmaakt
expliciet te formuleren, moeten in (14)(i) en (14) (ii) namelijk al de
omgevingen worden gespecificeerd waarin boer respectievelijk de
fonologische vorm /burə/, en /burə/ of /bur/ heeft. Voor ieder
lexicaal formatief dat als specificans van een attributief compositum een
fonologische vorm heeft die gekenmerkt wordt door het onregelmatig optreden van
een bindfoneem, moet afzonderlijk een dergelijke regel worden geformuleerd.
Aangezien er in het Afrikaans van deze formatieven ettelijke duizenden zijn, is
gemakkelijk in te zien, hoe complex deze benadering van de specificatie van het
onregelmatig optreden van bindfonemen het lexicon maakt. Wat hebben we namelijk
tot nu toe gedaan? We hebben met onze benaderingswijze de idiosyncratische (=
individuele) kenmerken van lexicale formatieven in de fonologische component
gespecificeerd, terwijl, volgens
Chomsky, het lexicon de aangewezen component is voor de
specificatie van ‘the full set of irregularities of the language’
(1965, p. 142). Voor hem specificeren de ‘lexical entries’ (d.w.z.
de bouwsels die men in het lexicon moet opnemen) ‘the properties of a
formative that are essentially idiosyncratic’. (1965, p. 81). Indien ik
de abstracte structuur van de vorm van het lexicon zoals die in de
Aspects… wordt uit-eengezet goed begrijp, dan bestaan er niet de
nodige formele aanbiedingsmogelijkheden om de informatie over het onregelmatige
optreden van het bindfoneem /ə/ in | | | | een fonologische vorm die
boer als specificans heeft, zoals we die in (14) hebben gepresenteerd,
in dat lexicon als een idiosyncratische eigenschap van boer aan te
bieden. De enige wijze waarop we, blijvend binnen de Aspects…,
aan attributieve composita waarvan de fonologische vorm wordt gekenmerkt door
de onregelmatige aan- of afwezigheid van een bindfoneem, de juiste fonologische
vorm kunnen toekennen, lijkt mij de volgende:
Het onregelmatig optreden van een bindfoneem in de fonologische vorm
van een compositum moet als een idosyncratisch kenmerk van dit
compositum-als-geheel worden gezien en dit compositum-als-geheel, moet in het
lexicon worden opgenomen. In de klassificatorische fonologische matrices
7 die in het
lexicon aan deze composita, als gehelen, worden toegekend, kunnen deze
onregelmatig optredende bindfonemen dan worden opgenomen. Met deze
‘oplossing’ van het vraagstuk der bindfonemen rijst nu echter het
probleem, dat vele composita die gekenmerkt worden door het onregelmatig
optreden van bindfonemen, volkomen regelmatig zijn wat hun syntactische
structuur, en andere, fonologische eigenschappen, zoals accentpatronen,
betreft. Terwijl, bijvoorbeeld, boerealmanak enerzijds wordt gekenmerkt
door het onregelmatig optreden van het bindfoneem /ə/, heeft het
anderzijds een volkomen regelmatig accentpatroon, dat specificeerbaar en
voorspelbaar is in termen van een zeer algemene fonologische regel, te
formuleren in termen van de syntactische structuur van het compositum. Wordt
boerealmanak nu echter vanwege het onregelmatig optreden van het
bindfoneem /ə/ in zijn fonologische vorm, als geheel in het lexicon
opgenomen, dan wordt het onmogelijk het regelmatige accentpatroon ervan in
termen van deze algemene fonologische regel te specificeren. Introductie van
composita als gehelen in het lexicon vanwege onregelmatig optredende
bindfonemen in hun fonologische vorm, heeft dus als nadelig gevolg, dat andere,
regelmatige kenmerken van deze composita niet expliciet in termen van algemene
regels gespecificeerd worden. Op al de linguïstische implicaties die dit
en andere soortgelijke verschijnselen voor een transformatio-neel-generatieve
grammatica meebrengen, ga ik hier niet in. Alleen één aspect van
deze bevindingen van de grammaticus wil ik hier verder analyseren - het
methodologische of wetenschapsfilosofische facet.
| |
V
Volgens mij is het de taak van iedere serieuze moderne grammaticus
die zijn grammaticale analyse binnen het kader van een algemene taaltheorie
verricht, zich bij dergelijke bevindingen te bezinnen op de adequaatheid van
deze algemene theorie. In het geval van het niet expliciet tot uitdrukking
komen van allerlei regelmatige kenmerken van attributieve composita, als gevolg
van hun opname in het lexicon ter specificatie van onregelmatig optredende
bindfonemen, moet de grammaticus zich op zijn minst de volgende vraag stellen:
Zijn dergelijke composita ‘counter examples’ (gevallen die de
theorie weerleggen) met betrekking tot de compositum-theorie van
Lees en/of de algemene transformationeel-generatieve
taaltheorie, of is het onvermogen om de genoemde regelmatigheden te
specificeren alleen maar een gevolg van ‘de omstandigheid’, dat | | | | een taal nu eenmaal niet zo strikt-regelmatig is opgebouwd als een
logisch systeem? De beantwoording van deze vraag vereist kennis van de algemene
wetenschapsfilosofische aspecten van het begrip ‘counter-example’.
Hier vraag ik alleen uw aandacht voor het meest elementaire aspect van deze
problematiek, zoals geformuleerd in de reeds gestelde vraag.
Wanneer een vooraanstaand linguïst als
Hockett (1963, p. 126) niet tot een bevredigende
morfeem-segmentatie van de Engelse vormen his en very -(een of
twee morfemen) - kan komen, maakt hij zich op de volgende wijze van dit
probleem af: ‘Marginal uncertainties of this sort are to be expected - in
any language, not just in English. They must not be allowed to disturb us too
much. Most problems of whether to cut or not are answered easily and quickly.
Where there is conflict of evidence, it is often not very important which
alternative we choose. The uncertainties lie in the nature of language, rather
than in our method of attack’. In een soortgelijke situatie argumenteert
Garvin (1962, p. 18) op overeenkomstige wijze door te
beweren dat ‘all notions, that we work with in linguistics, in those
terms, are by definition unclear, because they are not dealing with the
arbitrarily defined systems of logic and mathematics. In mathematics you have
eminently precise notions, because any natural object that does not fit these
notions is not usable. In linguistics you have only what is in the data and the
data are not that precise. Therefore you have to have a certain fuzzy edge
somewhere and you can either mask it by pretending that it does not exist or
you can admit it’. De diverse uitspraken van
Reichling (1961, pp. 16-17; 1965, pp. 100-101) over de
‘dode hoeken’ of ‘dead angles’ die taaluitingen zouden
vertonen, doen in een zeker opzicht, sterk denken aan de geciteerde
beschouwingen van Garvin en Hockett. Deze ‘fuzzy edge’-benadering
van problematische gevallen of eventuele ‘counter-examples’ met
betrekking tot een specifieke taaltheorie is, oppervlakkig beschouwd, zeer
aantrekkelijk, omdat ze in principe neerkomt op een negering van mogelijke
‘counter-examples’ en hun implicaties door ze als inherente
ontologische eigenschappen van taal of taaluitingen te beschouwen.
De ‘fuzzy edge’-benadering lijkt sterk op het
algemeen-wetenschapsfilosofische principe van ‘emergence’, dat op
een gegeven tijdstip een belangrijke rol als verklaringsprincipe in de
natuurkunde heeft gespeeld. Volgens
Nagel (1961, pp. 366-367) is ‘the doctrine of
emergence sometimes formulated as a thesis about the hierarchical organization
of things and processes, and the consequent occurrence of properties at
‘higher’ levels of organization which are not predictable from
properties found at lower levels’.
Hempel en
Oppenheim (1953, p. 332) geven het volgende voorbeeld
van de toepassing van het principe van ‘emergence’: Op een gegeven
tijdstip zijn eigenschappen van water zoals doorschijnendheid, vloeibaarheid,
bij kamertemperatuur en normale barometerstand, alsmede het vermogen dorst te
lessen als ‘emergent’ beschouwd, omdat het onmogelijk leek deze
eigenschappen te verklaren en te voorspellen op basis van de toen bestaande
kennis van de eigenschappen van de constituenten van water. De these van
‘emergence’ is sedertdien onderworpen aan heftige kritiek, waarvan
de fundamentele strekking is, dat ‘emergence’ geen inherente
ontologische eigenschap van fenomenen is, maar, dat deze eerder indicatief is
voor de omvang van menselijke kennis op een gegeven tijdstip.
‘Emergence’ heeft dus geen absolute, maar alleen een relatieve
waarde. Wat ‘emergent’ is in het kader van de ene theorie, verliest
zijn ‘emergence’ in het kader van een betere, meer adequate, (vgl.
Hempel en Oppen- | | | | heim 1953, p. 332). Om redenen soortgelijk aan die
welke aanleiding gaven tot het verwerpen van het principe van
‘emergence’, acht ik de ‘fuzzy edge’-benadering van
grammatische problemen, en eventuele ‘counter-examples’,
onaanvaardbaar. De recente geschiedenis van de linguïstiek verplicht te
concluderen, dat het op dit tijdstip onverantwoord is, te beweren dat een
specifieke ‘fuzzy edge’ een absolute, inherente eigenschap van taal
of een taaluiting is. Volgens mijn kennis van de wetenschapsfilosofie én
de linguïstiek is theorievorming bij uitstek de hedendaagse
methodologische techniek om tot empirische kennis te komen. ‘Fuzzy
edges’ bestaan dus alleen in het kader van specifieke linguïstische
modellen of taaltheorieën. Dat blijkt óók uit het feit dat
verschijnselen zoals zekere types van constructionele homonymie, die in het
kader van het minder krachtige grammaticale begripsapparaat van taxonomische
taal-theorieën ‘fuzzy edges’ zijn, verklaarbaar en
voorspelbaar worden in het kader van het meer adequate grammaticale
begripsapparaat van de transformationeel-generatieve taaltheorie (vgl.
Chomsky, 1957, pp. 88 vlg.). In dit stadium is het dus
nog alleen maar mogelijk, te betogen, dat een ‘fuzzy edge’ in het
kader van een specifieke taaltheorie een indicatie is van een gebrek in de
structuur van deze theorie. Zou men de ‘fuzzy edge’-benadering
consequent doorvoeren, dan worden alle mogelijkheden tot uitbreiding en
verdieping van betrouwbare wetenschappelijke kennis opgeheven. Door defecten in
een taaltheorie namelijk te interpreteren als inherente ontologische
eigenschappen van taal of taaluitingen, wordt de mogelijkheid deze
taaltheorieën te herzien en nieuwe, betere theorieën te construeren
uitgesloten. De enige mogelijkheid om de ‘fuzzy edge’-benadering te
handhaven, lijkt mij, om op een verantwoorde wijze, tegen de achtergrond van
een degelijke kennis van de moderne wetenschapsfilosofie, aan te tonen, dat er
behalve de techniek van theorievorming, andere methodologische mogelijkheden
zijn die de linguïst zou kunnen gebruiken om tot omvangrijk empirisch
inzicht te komen.
Om terug te keren tot de conclusies omtrent de onregelmatig
optredende bind-fonemen: de grammaticus moet dus inderdaad concluderen, dat de
consequenties van de opname van Afrikaanse attributieve, nominale composita met
dergelijke onregelmatig optredende bindfonemen op een defect in de
compositum-theorie van Lees, òf op een structureel gebrek in de algemene
transformationeel-generatieve taaltheorie zoals die in de Aspects
… wordt geformuleerd, òf op een inadequaatheid in deze beide
theorieën duiden. Om te kunnen beslissen welke van deze drie mogelijkheden
van toepassing is, is een uitvoerige bespreking nodig van andere
wetenschapsfilosofische aspecten van ‘counter-examples’, zoals
bijv. hun hiërarchische ordening en de meer abstracte facetten van hun
relevantie en hun implicaties. Deze bespreking valt buiten het kader van deze
voordracht. Het is voldoende hier op te merken, dat Chomsky in zijn taaltheorie
expliciet voorzieningen treft voor een positieve verwerking van dergelijke
‘counter-examples’.
| |
VI
Ik hoop hiermee duidelijk te hebben geïllustreerd hoe een
moderne grammaticus steeds expliciet op drie verwante niveaus dient te
opereren: het niveau van de analyse van een specifieke afzonderlijke taal, het
niveau van de taaltheorie waarbinnen hij zijn | | | | grammaticale analyse
verricht, en het niveau van de wetenschapsfilosofie. Eén punt is in deze
illustratie, naar ik hoop, ook duidelijk naar voren gekomen: Zonder grondige
kennis van de wetenschapsleer kan een grammaticus zijn taak slechts ten dele op
zinvolle wijze vervullen.
| |
BIBLIOGRAFIE
| Bach, Emmon. 1964. An Introduction to Transformational
Grammars. New York, etc.. |
| Bach, Emmon. 1965. ‘Structural Linguistics and the Philosophy
of Science’. Diogenes, Vol. 51, pp. 111-128. |
| Bar-Hillel, Yehoshua. 1964. ‘Neorealism vs. Neopositivism. A
Neo-Pseudo Issue’. Proceedings of the Israël Academy of Sciences
and Humanities, Vol. II, No. 3, pp. 29-37. |
| Bar-Hillel, Yehoshua. 1966. ‘On a Misapprehension of the
Status of Theories in Linguistics’. Foundations of Language, Vol.
2, pp. 394-399. |
| Chomsky, Noam. 1965. Aspects of the Theory of Syntax.
Cambridge, Mass.. |
| Chomsky, Noam. 1966. Topics in the Theory of Generative
Grammar. Janua Linguarum, Series Minor, Nr lvi. The Hague. |
| Garvin, Paul L. 1962. ‘The Transformation Theory: Advantages
and Disadvantages’. Report of the Thirteenth Annual Round Table
Meeting on Linguistics and Language Studies: George Town Univ. Monograph
Series on Languages and Linguistics, No. 15. Edited by E.D. Woodworth and R.J.
Di Pietro. pp. 3-50. |
| Groot, A.W.de. 1964. Inleiding tot de Algemene Taalwetenschap.
Tevens Inleiding tot de Grammatica van het Hedendaagse Nederlands. Teeede,
Herziene Druk. Groningen. |
| Hall, Robert A. Jr. 1964. Introductory Linguistics. New York,
etc.. |
| Harré, R. 1967. An Introduction to the Logic of the
Sciences. London, etc.. |
| Hempel, Carl G. and Paul Oppenheim. ‘The Logic of
Explanation’. In Readings in the Philosophy of Science. Edited by
Herbert Feigl and May Brodbeck. New York. pp. 319-352. |
| Henzen, Walter. 1957. Deutsche Wortbildung. Zweite,
Verbesserte Auflage. Tübingen. |
| Hockett, Charles F. 1963. A Course in Modern Linguistics. 6th
Printing. New York. |
| Kempen, W. 1962. Woordvorming en Funksiewisseling in
Afrikaans. Kaapstad, enz.. |
| Kempen, W. 1968. Woordvorming en Funksiewisseling in
Afrikaans. Gewysigde Druk. (ter perse). |
| Lees, Robert B. 1963. ‘Two Views of Linguistic
Research’. Linguistics, Vol. 11, pp. 21-29. |
| Lees, Robert. 1966. The Grammar of English Nominalizations.
Fourth Printing. Publication Twelve of the Indiana Univ. Research Center in
Anthropology, Folklore and Linguistics. Bloomington and The Hague. |
| Lessen, Jacoba Hermina van. 1938. Samengestelde Naamwoorden in
het Nederlandsch. Groningen, enz.. |
| Nagel, Ernest. 1961. The Structure of Science. Problems in the
Logic of Scientific Explanation. London. |
| Norbury, J.K.W. 1967. Word Formation in the Noun and
Adjective. Studies in the Modern Russian Languag 3. Cambridge. |
| Popper, Karl R. 1965. Conjectures and Refutations. The Growth of
Scientific Knowledge. London. |
| Postal, Paul M. 1966. Review Elements of General Linguistics.
By André Martinet. Foundation of Language, Vol. 2, pp.
151-156. |
| | | |
| Reichling, A. 1961. ‘Principles and Methods of Syntax:
Cryptanalytical Formalism’. Lingua, Vol. x, pp. 1-17. |
| Reichling, A. 1965. Verzamelde Studies over hedendaagse Problemen
der Taalwetenschap. Derde Herziene en Uitgebreide Druk. Zwolle. |
| Toulmin, Stephen. 1965. The Philosophy of Science. An
Introduction. Seventh Printing. London, etc.. |
| Villiers, Meyer de. 1967. Afrikaanse Klankleer, Fonetiek,
Fonologie en Woordbou. Gewysigde Vierde Druk. Kaapstad enz.. |
| |
| R.P. Botha |
|
*Dit artikel vormt de tekst van een
voordracht gehouden op het Nederlands Filologencongres te Leiden 1968. Ik breng
Prof.
H. Schultink dank voor verbeteringen die zowel de
inhoud als het Nederlands betroffen. De problemen die in het artikel worden
behandeld, komen uitvoeriger aan de orde in mijn proefschrift
The Function of the Lexicon in Transformational Generative
Grammar (Den Haag, 1968).
1Ook bij het construeren van zijn
grammatica's moet de grammaticus op de hoogte zijn van de algemene
wetenschapsfilosofische principes die ten grondslag liggen aan concepten zoals
‘theorie’, ‘explanatie’, ‘predictie’,
‘classificatie’, ‘observatie’, etc..
2Het is een opvallend feit dat de
linguïsten en grammatici die zich het meest bewust zijn van de algemene
methodologische problemen die zich voordoen bij het evalueren van
theorieën, transformationalisten of wetenschapsbeoefenaars met
transformationalistische simpathieën zijn - vgl. bv.
Lees (1963),
Bach (1965),
Postal (1966) en
Bar-Hillel (1966).
3Ook de linguïst opereert voortdurend op
al deze drie niveaus. Bij hem staat het linguïstisch niveau alleen meer
centraal.
4Voor een dergelijke beschouwing van het
begrip ‘pretheoretisch’ vergelijk
Bar-Hillel (1964).
5Popper (1965, p. 46) voert
overtuigende argumenten aan dat alle wetenschappelijke observatie selectief is:
‘Observation is always selective. It needs a chosen object, a definite
task, an interest, a point of view, a problem.’ Voor een mooi betoog met
dezelfde strekking vergelijk ook
Toulmin 1965 (p. 54).
6Voor een lijst van ongeveer 10.000 voorbeelden
van Afrikaanse composita met bindfonemen spreek ik mijn dank uit jegens prof.
W. Kempen.
7Een fonologische matrix is een
tweedimensionaal schema, waarin de fonologische kenmerken van een taaleenheid
in termen van fonologische kenmerken worden aangeboden.
|
|