JACOB LEEDEBOUR slenterde naar de Warmoesstraat, tusschen de groepjes menschen door, die gretig de laatste bulletins over Lombok lazen en bespraken.
Lombok - Atjeh - 't had zijn belangstelling niet. Voor den Fransch-Duitschen oorlog vroeger was hij warm geloopen - voor dit niet. Toch kranige kerels in ons Indisch leger, maar hij kon zich nooit meer losmaken van Multatuli's vooroordeel: wat doèn we er, wat hebben we er voor rècht?’
In de Damstraat op Zaterdagavond ging hij geamuseerd door het heidensch kabaal, den strijd dien de colporteurs daar uitvochten voor de verschillende leuzen. Troelstra's partij die aan het groeien was en met De Nieuwe Tijd slag leverde tegen Recht voor Allen, bij monde van een Leeuwarder vischventer met een geweldige keel. Daartusschen worstelde de Oranjebond van Orde - De Anarchist. Soms kwam het tot daden, werden de borden met opschriften de wapens waarmee de heetgebakerde colporteurs hun tegenstanders te lijf gingen.
Leedebour kon het vermaakt aanzien. Nieuwenhuis was verzeild in de Anarchie, en Troelstra, een pientere jonge kop, scheen de leider der socialisten te worden. Hij had in De Nieuwe Tijd een vers van hem gevonden: De Propagandist, waar de groote adem achter zat.
Met De Roos praatte hij over den toestand van groote verdeeldheid
waarin het socialisme was geraakt. Maar weldra had hij het onderwerp te pakken dat al zijn belangstelling behield. Bij de openingsvoorstelling van den nieuwen Stadsschouwburg had hij openlijk zijn grieven gelucht over het erbarmelijke gelegenheidsstuk. Intusschen het Nederlandsch tooneel bleef hem boeien om zijn bewondering voor de beide Bouwmeesters. En dan was er wat de Amsterdammers avond aan avond trok: de danseres Loie Fuller met haar sluierdansen onder tooverachtige lichteffecten.
Maar tegen die wereld waarover hij praatte, stond onafgebroken een andere waarover hij zweeg.
Jeanne lag al een paar weken in een ziekenhuis. Hij zelf had haar gebracht. Bij de directrice had hij kalm uitgelegd hun verhouding; dat hij haar hier wenschte genoemd mevrouw Leedebour, opdat in dezen laatsten tijd van haar leven, geen onrust of schaamte over een scheeve positie haar kwellen zou.
Hij ging er elken dag heen. Tegen Truida sprak hij er niet over, zij wist het niet. Hij dacht soms dat hij er met Annette over zou willen spreken. Maar daar kwam hij evenmin toe.
Dikwijls dat jaar zat ook op het matten stoeltje bij De Roos Frits Craets. Frits begon te ontwaken, kreeg oog en oor voor de gebeurtenissen in de wereld om hem heen. Met De Roos besprak hij geboeid het oprichten van de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij, en samen lazen ze het stuk in de radicale Groene: nu kon tegenover het bombastisch socialisme van Domela Nieuwenhuis een hervormingspartij ontstaan, die zich zou kunnen verbinden met de werkelijk hervormingsgezinde democratische groepen in de verschillende politieke partijen. En de plaat van Braakensiek bij ‘de scheuring’, waar Nieuwenhuis in zijn hemd blijft staan... de anderen ieder met een kleedingstuk van hem wegtrekken.
De Roos lachte. ‘Het is en blijft de oude strijd tusschen Marx en Bakounin, die nog lang niet uitgevochten is, en misschien nooit uitgevochten komt. Van het oogenblik af dat mijn goede moeder ontzet was omdat ik socialistische geschriften las en 't portret van Marx hier ophing, ben ik zelf geslingerd geworden door dien reuzenstrijd - de deining van die twee groote golfstroomen. Hier is de zaak, zooals overal in het buitenland ook, verloopen in persoonlijken strijd, alleen hier is alles kleiner, enger. Gerhard en Van der Goes in oppositie tegen Nieuwenhuis - Troelstra in zijn idee door Nieuwenhuis voor 't hoofd gestooten, ook vijandig; maar dat is een geweldig werker in de S.D.A.P. De Duitsche oppositie ook zag na het internationaal congres in Brussel, Nieuwenhuis graag vervangen door een ander, die zich meer naar Berlijn wilde en kòn schikken. En de
Friesche volkspartij die Nieuwenhuis altijd gesteund heeft, neemt het hem kwalijk dat hij de candidatuur voor Schoterland van de hand heeft gewezen.
Nu gaat Nieuwenhuis - die ontegenzeggelijk hier in het land de vader van het socialisme is geweest - een anderen kant uit, en noemt zich anarchist.’
Hij zat een poos stil te kijken - toen, zijn oogen zwervend langs de boekenrijen, zei hij plotseling:
‘Weet je wat het wonderlijke is: nu hebben we een nieuwe litteratuur, die de Tachtigers ons hebben gegeven - maar het is alles uiting van den enkelen mensch. Van die groote beweging der volkeren, de socialistische, de vrouwenbeweging, manifesteert zich niets in onze kunst. Daaruit blijkt hoe de ziel van het volk er niet door gegrepen is. Denk hoe Vondels werk, zijn hekeldichten, die een niet te weerhouden uiting waren van zijn eigen heftige meeleven - een spiegel zijn van 't gebeuren van zijn tijd. Als een volk door iets is gegrepen in 't hart, vindt dat stem in de diepst levenden, de kunstenaars.
‘Maar er is toch een geheel nieuwe sfeer geschapen in de litteratuur zegt u zelf?’
‘Ja, een nieuwe gevoelssfeer. De smart om het menschwezen in al zijn onvolkomenheid. Dàt. Maar hoe staat het publiek, het lezend publiek daar tegenover? Je moet ze hier in den winkel hooren razen over de nieuwe boeken - al dat pessimisme. Zoo noemen ze het, en ze vinden het misdadig. Ze zijn zulke struisvogels, ze hebben altijd angstig ervoor opgepast niet op den bodem van hun ziel te kijken. Ze hebben geen besef van een absolute eerlijkheid tegenover zichzelf. Die kènnen ze niet. De domineeslitteratuur der vijftiger en zestiger jaren: booswichten of engelen, hangen ze nog aan, geen spoor van benul om de ziel in een eerlijk licht te bezien. De boosheid eens en vooral verwerpelijk en steeds naar behooren gestraft, de engelen vlekkeloos en ruim beloond, is 't niet in dit leven dan toch stellig hiernamaals. Dat is een heel prettige makkelijke levenshouding moet je denken, dat geef je maar zoo licht niet prijs! Want tot de booswichten behoor je nu eenmaal niet. Die zitten in gevangenissen; en als braaf mensch heb je daar dan nog wel wat medelijden voor over. Dat is ook prettig, dan voel je je edel.
En daar komt me nu Emants met ‘Een nagelaten bekentenis’, hoofdpersoon notabene een man, die er toe komt zijn vrouw te vermoorden. Een ellendeling gewoon. En dan al die zwakkelingen, zoo'n ziekelijk schepsel als ‘Eline Vere,’ van Couperus bijvoorbeeld. ‘Eenzamen’ van Van Nouhuys. ‘Trinette’ van
Heyermans.... Woedend zijn de menschen, het lezend publiek. Een boek, dat lees je voor je plezier, voor je stichting, voor je verheffing - om van te leeren, om op te steunen.... maar zóó iets - een boek waarin je een mensch in meedoogenlooze eerlijkheid ziet geteekend - een mensch waarin je eigenschappen voelt die je in jezelf nooit hebt willen erkennen, en den hemel gedankt hebt, dat niemand ze van je wist - het is ergerlijk.
Maar zie je, ze leeren er niets van, want ze lezen niet. Ze kùnnen niet lezen. Ze moeten het nog leeren. Leeren den mensch-in-het-boek te zien, en niet den mensch, dien zij willen. Lezen is een kwestie van eerbied en overgave.
Want het medelijden, het ontzettende barmhartige medelijden dat uit al dàt werk spreekt. De diepe liefde voor het menschwezen! Zoo'n kerel als in De Nagelaten Bekentenis, waar ieder zich van afkeert in antipathie, die geen liefde ooit heeft kunnen wekken, omdat hij al te ellendig was van ziel en hart. Zoo'n schepsel op te nemen in je diepste aandacht, hem in al zijn jammerlijkheid, zijn verlorenheid uit te beitelen en dat alles in een ijzige beheersching. Dàt is de waarheid die we moeten hebben in onze litteratuur - de eerlijkheid die is medelijden en begrip en diepste liefde. Die dàt geven, die zóó het leven benaderen en weten te ontrafelen, zij vinden alles daarin belangrijk en niets te gering.
En dit is het wonderlijke nu, het ontroerende: hier staat eindelijk de goddelijke liefde weer op, verstorven en verstard in een litteratuur van een halve eeuw. Eindelijk tot nieuw leven gewekt. Dàt is de weerslag van de socialistische gedachte, nog maar in zijn geboorte in onze litteratuur: de smart om het menschelijk lijden, zijn weerloosheid, zijn afhankelijkheid, zijn onmacht. En de eerlijkheid, dat alles zonder mooidoenerij te erkennen en weer te geven.
Maar één naam is er Frits, en dien moet je nu al onthouden - van een die dieper denkt, en wijder, ruimer voelt dan de anderen. Dat is een vrouw, Henriëtte van der Schalk. Ze heeft nog niets uitgegeven, maar ik vind haar verzen altijd met vreugde in de Nieuwe Gids. Want in allemaal roept dezelfde smart, niet zooals Hélène Swarth om één enkele, maar om dèn mensch, zoekend in eeuwig verlangen naar lessching van den eeuwigen dorst. En er heeft me zelden iets zoo getroffen als die eene regel uit haar verzen - het is als een diepe zucht uit ongeweten oorden alom opstijgend:
Zij zal ons die wijdere grootere kunst misschien eenmaal brengen.
De Russen zijn ons vóór. In vier-en tachtig verschenen al Tolstoï's Bekentenissen ‘De ommekeer van een leven.’
‘Geeft u mij dàt mee,’ vroeg Frits begeerig.
‘Hier.’
En Frits Craets slofte droomerig naar huis, Zijn hoofd vol van het gehoorde. Diep in hem zongen de woorden:
en zijn eigen onwetend, geslingerd, angstig wezen voelde er de echo van. Hij was maar een stumperig jongetje, en allemaal waren ze zoo flink en wisten alles zoo goed. En hij wist de dingen nooit precies. Als hij dacht het eindelijk te weten, dan kwam er altijd de twijfel dat het óók nog wel anders kon zijn....
In zijn winkel sloot Karel de Roos de luiken. Iederen dag leverde hij slag met het publiek. ‘Die erg nieuwerwetsche boekhandel,’ zeiden de menschen. Maar hij stond pal. Hij praatte zich warm tegen verontwaardigde, oude, deftige heeren en onbenullige dames. Maar de jongeren liepen bij hem in en uit, luisterden begeerig naar zijn enthousiasme, zijn kennis van de nieuwe litteratuur - menigen avond was het in de gemoedelijke oude kamer achter den winkel druk van heftige jeugdige stemmen.
En hij ging er bezield tusschen door. Dit was zijn aandeel in den nieuwen tijd - zijn aandeel in het groote werk.
Annette ook kwam van tijd tot tijd. Dat Frits vanzelf De Roos zocht was haar een nimmer uitgesproken maar zeer welbewuste vreugde. Maar ook haar bezorgdheid om Frits praatte zij hier uit. De jongen was nu achttien en zou van school komen. Als Frederik zijn ergernis, zijn zorg over Frits tegen haar luchtte, vond hij in haar een stillen tegenstand, die hem een eenzaam gevoel gaf.
Maar op De Roos laadde zij den vollen last van haar eigen twijfel.
‘Wàt in 's hemelsnaam moet er van den jongen worden!’
‘Het mooiste en heerlijkste: een dichter, een schrijver. Als 't maar hoog en warm genoeg in hem brandt.’
‘Maar Karel,’ ze aarzelde, en zei wat ze nooit aan Frederik had willen toegeven: ‘Ik ben bang, dat er niets hoog en warm genoèg in hem brandt. Hij doet alles als een bijzaak - maar een hoofdzaak is er voor hem niet’.
Toen ze weer naar huis liep over den Dam dacht ze aan dien anderen jongen thuis - aan Pieter.
Pieter bleek veranderd, sinds hij, na een jaar in 't buitenland geweest te zijn bij de handelsvrienden van zijn vader, in de zaak was gekomen. Van middelbare lengte, leek hij grooter doordat hij plotseling vrij breed was uitgegroeid. Nog altijd bleef zijn gezicht teer, maar
veel van het wrevele uit zijn kinderjaren was eruit weggetrokken. Een fijn gezicht, bleek, met den grooten neus en de scherpe heldere oogen van zijn grootvader Goldeweijn, die ernstig belangstellend zich tot zijn werk keerden. Frederik verheelde na het eerste jaar niet, dat Pieter zich een uitnemende kracht toonde. Snel zijn voordeel ontdekkend, in een jacht om alles van een zaak in zich op te nemen; en onvermoeid werkzaam.
Dien winter ook veranderde Pieter in zijn kleeding. Hij begon zich bizonder te soigneeren, trok zich niet meer uit gezelschappen terug. Dansen kon hij niet, maar naar een diner ging hij graag; en bij de meisjes was deze Craets, minder schitterend dan de knappe zee-officier, een graag gezien cavalier om zijn geestige conversatie, zijn hoffelijken toon.
Annette, die deze groote en diepgaande verandering zich zag voltrekken, voelde bij alle belangstelling in deze verpopping een pijn ook. Van al haar kinderen was Pieter het minst vertrouwelijk geweest; altijd een eigen weg gegaan, waarvan hij iedereen, ook haar, weerde. Hij had haar ook nooit noodig gehad, slechts bij zijn physieke moeielijkheden, en dan nog stuursch en weerstrevend. Zij wist, zij was niet voor hem geweest wat zij nog voor Philip was: de vereerde bewonderde moeder - niet wat zij voor Frits was: een vriendin, een troost. Zij zag verrast hoe deze zoon een geheel nieuwen kant van zijn persoonlijkheid naar de wereld toekeerde, en - dat begreep zij bij intuïtie - een bewust afgebakenden weg volgde. En terwijl zij liep over den Dam, zag zij haar zoo van elkaar verschillende kinderen en tegelijk zichzelf, in haar modieuse sierlijke kleeding, de deftige mevrouw Craets, grootmoeder al. Maar daarnaast ging het jonge Annètje Goldeweijn. Zij dacht aan haar met een wonderlijke verteedering als iets dat eenmaal heel lief was geweest. En tegelijk wist zij dat nog in haar leefde het jonge Annètje, het kind. Dat het stil scheen te wachten en om te zien, geduldig en zacht en ernstig binnen het omhulsel dat Annette Craets was.
Bij de Kalverstraat kwam zij Leedebour tegen. In 't volle namiddaglicht zag zij dat hij grijs geworden was - zijn scherpe kop had door den langen sik iets van een sater.
‘Ga je naar Madame Sans Gêne? Ze is uitstekend daarin, weet je, mevrouw Brondgeest, - zij heeft de groote lijn van de Fransche tragédiennes - ik vind haar intelligenter dan Louis.... Maar dat kleine hard werkende troepje daar in den Salon onder Van Kuyk is me toch liever. Een uitnemend regisseur. Wat diè ons geven Annètje, dat is het leven. Dat andere op het Leidsche Plein, is
de romantiek van het leven. Daar zijn we overheen geraakt. We zijn aan het recht van het individu.’
‘Ja,’ zei Annette, ‘ik voel er voor. Voor de waarheid erin. 't Boeit me en houdt me vast. Maar 't maakt me niet gelukkig. En dàt zoek ik in de komedie. Als ik met Frederik Gier Wally zie, dan ben ik een kind in spanning, zonder echt verdriet. Want ik weet, dat het zóó erg niet is. Maar als ik Ibsen of Hauptmann zie, dan heb ik verdriet. Want dat is de waarheid.’
Ze zweeg even, keek over den zonnigen Dam, het grijze Paleis....
‘Het recht van het individu - als je dat eenmaal bedacht hebt, laat het je nooit meer los.’
‘Neen,’ zei hij verrast.
‘Maar de vrouwenbeweging, Jacob,’ ze sloeg plotseling plagend om in een van haar onverwachte aanvallen: ‘dat is toch ook de strijd om het recht van het individu....’
‘Ach,’ knorde hij onwillig, ‘ik kan die vrouwenbeweging nu eenmaal niet luchten.’
Ze lachte voluit.
‘Jacob, ik geloof, jij zoudt de vrouwenbeweging best kunnen zetten, als hij maar door mannen uitgevochten werd.’
‘Waarachtig!’ riep hij, ‘dat is het. De vrouwenstrijd mits door mannen. Pracht artikel voor 't Evolutie-blaadje. Ze zullen me villen.’
Hij groette met zijn lach van sater, zijn grijze sik opgewipt. Het dreef door zijn gedachten, dat hij naar Stance had willen vragen. ‘Ach ja - en Jeanne daar in het ziekenhuis....’ In een wonderlijke gesplitstheid van gevoel leefde hij sedert Stances terugkeer weer tusschen beide vrouwen, waar de eene hem altijd even onbereikbaar bleef, de andere hem langzaam ging verlaten.
Een trouwe kameraadschap. Drie-en-twintig jaar.
Een eenzaamheid gaf hem 't gevoel of hij klein werd tusschen al die menschen. Allen nog met een leven, een doel voor zich. En hij ging langzaam met zijn onverschilligen loop, zijn scherpe oogen die altijd iets schenen te zoeken.