auteur: P.C. Boutens
bron:
P.C. Boutens, Stemmen. In: P.C. Boutens, Verzamelde werken (ed. C.L. Schepp, A. Rutgers
en J. van Krimpen). Joh. Enschedé en zonen, Haarlem / Firma L.J.C. Boucher,
's-Gravenhage 1943, p. 169-268.
verantwoording
inhoudsopgave
doorzoek de hele tekst
downloads
©
2005 dbnl / erven P.C. Boutens / erven C.L. Schepp, erven A.
Rutgers en erven J. van Krimpen

|
|
| | | | | |
Aan Rembrandt van Rijn op zijn derden eeuwdag
| |
Zang I
Ver uit de overluchtsche wijken
Achter gouden avondstond,
Uit de sterrelichte rijken
Waar Gij rust in schoonheid vondt,
Wil ons armen nog genaken:
Met de hoogheid van Uw geest
Tot Uw licht geboortefeest...
| |
Tegenzang I
Van de hooge stille dooden
Ruischt geen antwoord door den nacht;
Die verwijlen met de goden,
Dalen niet tot aardsche wacht:
Naar hun Oude Land gelegen
Diep in hellen aethervloed.
| |
Nazang I
Want die wordt eeuwigweêr op aard herboren,
Wiens kunstverbeelde loutere gedachten
Tot immer licht bewonderen ontgloren
't Vernieuwd gelaat der jeugdige geslachten.
Trekkende vooglen dragen uit het Zuiden
Den nieuwen lofzang van hun ouden naam;
Als de aard zich alweêr dekt met bloem en kruiden,
Zoo breken uit de lenten van hun faam.
| | | |
| |
Zang II
Voor Uw klaren blik vervloten
Haat en hoon als ijle damp.
Andren mag ons oordeel wijzen
Strenge maat van dank en blaam,
Boven laken, boven prijzen
Rijst het wonder van Uw naam.
| |
Tegenzang II
Want de zon die veld en wolken
Met haar glanzen voet betreedt,
In haar eeuwgen luister kleedt,
Straalt de werken Uwer handen
Met de bloemen Gods gemeen,
Schijnt de kleurbedekte wanden
| |
Nazang II
Niet tot een enkel volk hebt Gij gesproken,
Uw klaarverstaanbaar woord vertroost hen allen;
Het brood der schoonheid heeft Uw hand gebroken
Voor laten honger van de duizendtallen.
Uw schatten kunnen maar door deelen loonen,
Uw erven leven aan het vreemdste strand:
De grooten die niet binnen grenzen wonen,
Hebben de wereld tot hun vaderland.
| | | |
| |
Zang III
Toch, als moeder van haar kindren
Meest bemint den stoeren zoon
Wien haar liefde niet kon hindren
't Jong vertrek uit de ouderwoon,
Die door eigen drang gedreven
Om de breede wereld toog,
Tot die wereld hem moest geven
Allen lust van hart en oog, -
| |
Tegenzang III
Als die moeder bij zijn keeren
Niet den man gebronsd, vervreemd,
Niet zijn rijkvervuld begeeren,
Maar haar blonde kind herneemt,
Zoo van alle land en steden
Eischt U 't land en de oude stad
Waar Gij 't leven hebt geleden,
Waar Gij meest hebt liefgehad.
| |
Nazang III
Hier heeft Uw aardsche jeugd in minnende oogen
De heerlijkheid vermoed van haar verlangen,
Uw geest, uit vizioenen neêrgetogen,
Met zijn ontroerde deerenis omhangen
De donkre zielen die om U bewogen,
Tot, van Uw liefdes heilgen wil doorbeefd,
Zij traden uit haar schaduw tot den hoogen
Morgen van schoonheid in wier dag Gij leeft.
| | | |
| |
Zang IV
Schoonheid die de zuivre sterken
Tot haar dienst beroept en werft,
Dat hun vrome handen werken
Heerlijkheid die nimmer sterft,
Schoonheid in haar rijk beloven
Houdt alleen dat hart haar woord,
Wien de jaren nimmer dooven
Heilge liefde tot zijn soort.
| |
Tegenzang IV
Liefde, oneindig, onvermoede,
Die uit gouden eenzaamheid
Warm en levend wil verbloeden
Tot het schoon dat geen benijdt, -
Tot van durende verblijding
Nachten wit van sterren staan,
In wier reinigende wijding
| |
Nazang IV
Uw leven is niet in de duistre bladen
Van 't oude boek dat somt Uw sombre dagen,
Uw leven zijn de stralende genaden
Die door den nacht haar blanken melkweg vagen:
Aan uiterste' einder zien ons scheemrende oogen
Uw helle zon die nimmer ondergaat,
Boven de liefde van ons reikend pogen
Strekt zich de zilveren geklonken straat.
|
|
|