Opperlandse taal- & letterkunde


auteur: Hugo Brandt Corstius


bron: Battus, Opperlandse taal- & letterkunde. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1981  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 172]

Hoofdstuk 8 Xenogram

80 Gelijke klanken

 
In Holland noemt men 't water
 
De Fransen zeggen l'eau
 
De Belg die beide talen kent,
 
Die spreekt van Waterloo.
 
daan zonderland

‘Xenos’ is Grieks voor ‘vreemd’, en ik wil in dit hoofdstuk Opperlandse verschijnselen bespreken, die pas mogelijk werden doordat er andere talen bestaan dan het Nederlands, en doordat Nederlanders daar een - beperkte - kennis van hebben.

De schooltalen Engels, Frans, en Duits krijgen in 84, 85 en 86 een beurt, het potjes-Latijn in 83, en andere talen in 87.

In 88 gaat het over geheimtalen en geheimschrift, en in 89 over glossolalie, wartaal, laltaal, spreken in tongen.

In de eerste drie paragrafen wil ik de soorten van verschil en overeenkomst bespreken, die er tussen een Nederlands en een buitenlands gram kunnen bestaan, en die daardoor tot xenogrammen kunnen leiden. De klankgelijkheid in deze paragraaf, de lettergelijkheid in 81, en andere gelijkheden in 82.

De lettergelijkheid van twee grammen kan, dat zagen we in hoofdstuk 4, ook in één enkele taal spelen. Ook de klankgelijkheid in het Nederlands zelf is een Opperlands plezier, meestal gebaseerd op hoe kinderen de teksten van liedjes en psalmen verkeerd verstaan, en daardoor zingen. Het beroemdste, niet altijd als zodanig doorziene, voorbeeld is Wim Kans ‘Jelle zal wel zien’ op de muziek van, en klankgelijkend op, ‘Yellow Submarine’ van de Beatles.

Xeno en Gaussbroek schrijven in ‘Verkeerd verstaan’: ‘Op punt ach ronduit midden guur op tachtig balken vanglijn zus Stien’...

Voor ons polyglot publiek kon Toon Hermans de intertalige woordspeling maken dat als de Fransman ‘liberté’ zegt, de Duitser ‘Lieber Tee’ verstaat.

Een ‘sjibbolet’ is een gram dat gebruikt wordt om niet-taalgenoten te ontmaskeren, die het niet correct kunnen nazeggen. In Nederland is het, tegen Duitsers, ‘Scheveningen’. In Vlaanderen, zo leren mij De Cock en Teirlinck, is het, tegen de Fransspreker, ‘Schild en Vriend’ of ‘achtentachtig hengstenkachels’. In Nederlands Oost-Indië werd Chinees van Japanner onderscheiden door ‘lorry’.

Kousbroek herschreef Kloos in woorden die er Engels uitzien, maar die opgelezen de Nederlandse tekst nabij komen. Hier is klankgelijkheid bij het voorlezen, maar op het oog hoort het bij:

81 Lettergelijkheid

In de vorige paragraaf ging ik buiten mijn boek, want met klank en klankgelijkheid zou ik me niet ophouden. Puur Opperlands is het daarentegen naar rijtjes letters te zoeken die in twee talen als woord voorkomen, liefst met verschillende betekenis.

Een tekst met zulke gemeenschappelijke letterrijtjes ziet er bij eerste aanblik voor een Brit uit als een Engelse tekst, maar blijkt dan toch Nederlands (84a).

In de internationale Recreational Linguistics ken ik alleen Gardners beschouwing over het Frans-Engelse geval, met een - zeer onvolledig - woordenlijstje. Engels en Frans hebben te gemakkelijk veel woorden gemeen.

Over de problemen en mogelijkheden van het Nederlands versus de drie moderne schooltalen, schrijft Van Buren in 81a een stuk, waarin zij zich excuseert er niet in geslaagd te zijn om een tekst te maken die in de vier talen tegelijk bestaat. Ik geef haar Engelse, Franse en Duitse exercitie in de betreffende paragrafen zonder commentaar. Slechts vestig ik de aandacht op het gebruik van de ‘halve spatie’, die men zowel als een echte spatie als als een lettertussenruimte kan beschouwen, en die bijvoorbeeld in het Franse stuk ‘heb reu en heb erge’ mogelijk maakte, met bijbelse reminiscenties.

Bij potjeslatijn is het voldoende dat de Nederlandse zin, in vrije spelling opgeschreven, op Latijn lijkt.

[p. 173]

80a Willum Clowes, sonnet
Rudy Kousbroek

 
Queen numb blue men in dank nob, her broken
 
And further nugget farm - here Louis fair harm.
 
Queen numb, leave Daddy, neat isn't locum,
 
And oh! mean Arthur! that naet word, first arm.
 
 
 
Kay qualm tan quizzed - Kay said: were rain her harm?
 
Egg abbet now her scene, cane-ward hise broken
 
Egg sat where rural home, Nadine court and warm
 
In th' earwig scar due famina, smart her token.
 
 
 
Swallows in vogue, linden still un-knacked!
 
Oh pains unto whack du that the hay-mill glue it
 
And thanked his dog, and hafted cop yen flout.
 
 
 
Marie rut sign whicker rig Augeas (handsome's lout)
 
Is it where Don Cui and slicks drew fig-fluid?
 
Dorrit's loam Miranda blurred and swagger clacked.

81a Nitchevo

WIJ moeten iets doen wat wij niet eerder in ons lange leven hoefden: toegeven dat wij iets niet kunnen.

Wij hadden namelijk het voornemen om deze glorieuze aprilmaand, waarin wij u achtereenvolgens met Engelse, Franse en Duitse woorden, Nederlandse novellen voorzetten, af te sluiten met een verhaal waarin de woorden tot al die vier talen tegelijk zouden behoren.

Lichtzinnig optimisme! Het ging niet. De taak is zo zwaar dat wij zelfs niet oudergewoonte er een prijsvraag voor uitschrijven, ten einde u de kastanjes van de boom te laten halen.

Als een rijtje letters in twee talen tegelijk, zeg in het Engels en het Nederlands, als woord voorkomt, dan kan dat minstens vijf oorzaken hebben. Wij laten thans achterwege het expresselijk gebruik van woorden uit vreemde tongen als merknamen. Vooral de Franse parfumindustrie is daar sterk in. Eén der Franse parfa heette in de dertiger jaren ‘Neukusan’ (Servokroatisch voor ‘smakeloos’). Nog steeds is te koop ‘Mitsouko’ (Japans voor ‘matras’), en in de Gooi- en Eemlander trof ons bijgeknipt bericht over het nieuwe parfum ‘Nitchevo’ (Russisch voor ‘niets’).



illustratie

De vijf oorzaken dat één letterrij in Engels én Nederlands een woord vormt zijn:

1. Het zijn oude, en nog steeds zo geschreven, woorden, uit de tijd dat Engelsen en Nederlanders hetzelfde spraken. ‘Hand is in warm water’ is, althans schriftelijk, tegelijk Angelsaks en Hollands.

2. Het Engels heeft een woord uit het Nederlands overgenomen. ‘Lenen’ is de vakterm, maar zo'n woord wordt nooit teruggegeven (behalve dat Frankrijk ons ‘manneke’ als ‘mannequin’ weer retourneerde). Dit komt zo weinig voor dat er, meestal door Nederlanders, lijsten van zijn gemaakt. Vaak verknoeit de spelling het. Zo meldt H.L. Mencken in zijn standaardwerk over de Amerikaanse taal dat ‘koolsla’ en ‘Jankees’ van ons komen. Men spelt ze thans echter ‘coleslaw’ en ‘Yankees’. Een bijzonder geval zijn die woorden die via het Zuidafrikaans in het Engels doordrongen. ‘Apartheid’ is daarvan het beruchtste. In Engelse couranten leest men ook dikwijls over de ‘Verkramptes’, maar dit is geen Nederlands.

3. Nederlands heeft een Engels woord overgenomen. Dit gebeurt zo vaak dat er geen lijsten van bestaan. Een bijzonder geval zijn Nederlandse woorden die wel Engelse lijken, maar het niet zijn, zoals smoking, citybag, ribcord, shelter, allrisk en happy-end.

4. Beide talen hebben uit een zelfde derde taal een woord overgenomen. In ons Engels-Nederlandse geval is dat vaak uit het Frans: ‘correct’, ‘journalist’. Tot zover is de betekenis van de

[p. 174]

twee gelijkgeschreven woorden ongeveer hetzelfde in Engeland en Nederland.

5. De voor ons bijzondere doel aardigste woorden zijn die waarbij het toeval - zo dat bestaat - heeft toegeslagen: Voor Engels zulke Nederlandse woorden als ‘bedroom’ en ‘gerund’. Voor Frans ‘huis’ en ‘gras’. Voor Duits ‘verflucht’ en ‘automat’.

De vraag ligt voor de hand: welke was het makkelijkste te maken? Het antwoord ligt voor de andere hand: Duits staat als een echtgenoot zo dicht bij ons. Engels is een neefje, en Frans een verre vriend.

Maar het ligt subtieler. Voor elk van de drie talen hadden wij ons personeel in de woordenboeken laten zoeken, en in elk van de drie talen beschikten wij over ruim duizend woorden, die er Nederlands uitzagen. Dat waren de bakstenen voor onze bouwsels.

Maar je kunt een huis niet alleen met bakstenen bouwen. Er is ook cement voor nodig. Zulke kleine plakwoordjes als de, van, een, en, het, in, is, te, niet, met. Die tien maken van elke Nederlandse tekst een kwart uit. Staan er op deze bladzijde achthonderd woorden, dan zijn tweehonderd daarvan uit de tien ukjes geput.

Om Nederlands proza te kunnen schrijven, moeten de vreemde talen dus voldoende cement leveren. Frans gaf ‘de’, ‘van’, ‘en’ en ‘met’ (voor een Fransoos: van, wagen, in, plaatst). Engels bood: ‘van’, ‘in’, ‘is’ en ‘met’ (voor een Brit: wagen, in, is, ontmoette). Duits verschafte: ‘in’, ‘niet’ en ‘met’ (voor een Allemaan: in, klinknagel, honingdrank).

Alleen op de toptien lettende is van elke Nederlandse tekst al twaalf procent Frans, zeven procent Engels en vier procent Duits.

Met bakstenen en cement alleen is geen huis te bouwen. Er moet een deur zijn. Hoewel een huis vele deuren mag bevatten, is er toch minstens eentje nodig om het te kunnen betreden. Hoewel een zin vele werkwoorden mag bevatten, is er toch minstens eentje nodig om hem te laten leven.

De Franse taal, met voldoende bakstenen en cement, baarde zorgen in de deuren. Als verleden tijden hadden we alleen las, botte, buste en jatte. Verder waren het vooral aanvoegende

Engels Frans Duits voorbeeld
cement 40 30 50 tot, met
deuren 300 130 400 male
bakstenen        
verbogen bijv.        
naamwoord 50 200 100 opportune
onverbogen 180 80 150 arrogant
het-woord 130 160 200 regiment, plan
de-woord 600 500 700 dame, volte
__________ _____ _____ _____ __________
totaal 1300 1100 1600 100

(grappe, gille) en bevelende wijzen (dans, gris). Engels gaf ons ‘is’, ‘was’ en ‘had’, benevens zulke meervouden als dampen, happen, waken, kraken, harken. Duits heeft er zat, maar zelden met verrassende effecten, zoals daar trouwens de gelijke woorden überhaupt met taalkundige wetmatigheid zijn te berekenen.

Al met al was de Engelse bevalling zó gepiept, gaf de Franse enige wee, en ging de Duitse niet zonder keizersnee. Dat heeft u zelf kunnen waarnemen.

In het staatje hebben wij de aantallen Nederlandse woorden uit de drie talen aangegeven. In de laatste kolom staan voorbeelden van woorden die in het hele kwartet talen voorkomen. Het zijn er te weinig.

82a Polyglotten
Jan Blokker

Met ontzaglijk veel genoegen heb ik van de week kunnen constateren dat er, op het gebied van eindexamens voor de middelbare school niets veranderd is. Het stukje Duits dat vertaald moet worden gaat nog steeds zo:

‘Als Waldemar Funkebiller frühabends an die verschwitterte Schneise trat, war es ihm wie in zumutender Verworrigkeit, übsamer Glanz und treibseliger

[p. 175]

Benne, zumal die schnautzige Spätheutnachmittagsonne überschwengend hitzhaft ihre wonnen Strahlen abfunde. Mickerlaufig knallte dem ronnbrüstigen, jedoch burschenhaften Knaben vor. Da krähte der Waldpeckich: Waldemar, Waldemar!’

Dan hoor je bezorgde oude mannen wel eens mompelen dat de wereld naar de afgrond glijdt, dat de jeugd naar de chaos streeft en dat alles veel te snel verandert - maar dan zie je wat er van al die beloften terechtkomt. 50 000 jongens van 18 jaar - uitgeblust van het buitenechtelijk geslachtsverkeer, de longen vol hasj en de revolutie in hun kop - nemen plaats in het gymnastieklokaal en vertalen de avonturen van Waldemar Funkebiller.

Frans is net zo. Sedert 1912 dient het volgende type proza in goed Nederlands te worden overgebracht:

‘Les chandrilleux étant phanaromisées, Cobelois (1494-1553) se protrigea vers les ellemards vosgésiens. Tant de quarimaises! Tant de drupes! Mais le tandriard, en y avant la soidisantise perpétuelle, tourba, s'en y deurgnait et le picait. Ainsi, le roi hurleta, le pinocar soit jège. La reine d'autre part pamponissant Cobelois, le sturdonait néanmoins, quoiqu'elle le faronisasse, le propasse.’

‘L'Imagination au Pouvoir’ hebben ze in 1968 nog in Parijs op de muren gekalkt, maar ik schat dat het toch nog wel een halve eeuw duurt voor de kinderen dat hoeven vertalen.

Neem anders Engels.

‘Rutherly the thimmering sun strole through. Bitter memories sinfolded dr Roomyflat, the boldering wilmwelmed senterprator of the old, befty boughcup. Hadn't he, in brygh verpicts, casioned the roising hinderfrinds? But nobody preflicted the bulburring antemics. Dr Roomyflat spighed. He spighed gutterly.’

En echt sinds 1912, hoor. Onveranderd. IJzersterk. Glashard. Waldemar Funkebiller. Cobelois en dr Roomyflat, schouder aan schouder op de drempel van de alternatieve maatschappij.

Ik vind dat ontzettend aardig. Als je bedenkt dat Piet de Jong op die manier in Den Haag, Godfried Bomans in Elseviers Weekblad en Ton Regtien in het Maagdenhuis terecht is gekomen! Allemaal eerst in de zandbak geweest, toen via Wim en Jet in de jongenskiel, daarna allemaal een keertje misselijk van hun eerste sigaret om ten slotte over Funkebiller heen aan een carrière te kunnen beginnen. En ik hecht daarom ook geen geloof aan de praatjes dat Nederlandse intellectuelen zo slecht hun talen spreken, want let maar op: iedere keer als een Nederlandse minister een buitenlandse gast toespreekt (I hate you very welcome), hoor je een feilloze eindexamenopgave.

Maar laten we er op wel op voorbereid wezen dat we ook de eerstvolgende vijftig jaren weer geregeerd zullen worden door dr Roomyflat.

83a Hi hi, met je neus d'r ti

Ti de bi naar Di staan twee zi Ri te ki en ze te si omdat de mi hun brood niet li.

 

Tamboer-maître, tot zijn corps:

Amme nou in Zutfe niet lale, ka in Bra ook nog dra.

Moeilijke kli

De Ri bi ti gribi, en onderti ki gladjani mi ti de cacti.

84a Reeks anecdotes

WE harken in april anecdotes over diverse smarten:

Over ever die per slot made at

Die ever at die aardvark, want die aardvark at die big, want die big at die hen, want die hen at die rat, want die rat at die mug, want die mug at die made in Japan.

Over arts die broom over had

Bizarre arts wilde kale vent redden. Die rare arts keek even spits, streek dan met proper lancet broom over die vent, van top tot teen: over arm, hand, pens, lies, rug, navel, keel, lippen, tong. Trots die bizarre arts hem pure broom indeed, was die kale vent erg tolerant. Broom had nut, leek 't vent.

[p. 176]

82 Anders gelijk

Van Verstegen toon ik in 84 een korte tekst, die niet alleen wat betreft letterrij, maar ook wat betreft betekenis (niet wat betreft klank), in Nederlands en Engels gelijk is.

Bij vertaling is de betekenis gelijk. Er bestaan honderden, zo niet duizenden, Opperlandse vertaalmoppen, die ik zou willen onderverdelen in lerarenmoppen en leerlingenmoppen.

Leraarsmoppen lees je in leraarsblaadjes (en in vertaalkritieken als er grote blunders zijn gemaakt). Ze dienen om de domheid der leerlingen - nimmer de incompetentie van de leraren - te demonstreren.

Leerlingenmoppen circuleren als alle jeugdfolklore mondeling, en de vertalingen zijn bewust fout. Alleen de laatste soort beschouw ik als Opperlands. Ik beperk me in het volgende tot de leerlingenmoppen die ik mij zelf nog kan herinneren.

Jan Blokker typeert, het school-eindexamenproza in de drie talen, zowel qua vorm als qua inhoud, briljant in 82a.

83 Nedertijn

Een gezond mens in een gezond lichaam

Het oudste geschreven Nederlands is Opperlands! Omstreeks 1100 schreef een Vlaamse monnik in Engeland, om zijn nieuwe pen te proberen, een xenogram neer: een Nederlandse zin die ook qua uiterlijk verrassend lijkt op zijn Latijnse vertaling:

‘Hebban olla vogala nestas bigunnan hinase hic enda thu’

‘Abent omnes volucres nidos inceptos nisi ego et tu’

(Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij).

In alle westerse landen bestaat potjeslatijn, dat een traditie van eeuwen heeft.

Slechts uiterlijk Latijn is ‘latilatu’ (Laat die la toe).

Leerlingenhumor is ook: ‘Julius Caesar ad liver aspergus assure augur quis’.

‘Potjeslatijn’ van Queneau en Kousbroek, ‘Sol erat in regionem zenithi et ad rumpere caloris. Senatus populusque amstelodamensis transpirebant’..., is waarschijnlijk alleen leuk voor wie Latijn kent.

Latijnse gift aan het Opperlands is ‘extraneus’. ‘Museum’ is opmerkelijk omdat het geen trema op de tweede u heeft.

De Latijnse meervoudsvorming, vaak volgehouden in het Nederlands, zorgde voor Opperlandse teksten als 83a.

Joris Goedbloed in Marten Toonders strip ‘Panda’: ‘Per aspera ad pecunia oleo, roepen wij, latinisten, feestelijk uit, hetwelk wil zeggen, dat de ongehoorde rijkdommen ons nu in de schoot vloeien...’ (Panda en de Olie-Magnaat).

[vervolg van 84a]

‘Sorry, vent’ beet bizarre arts hem toe, ‘'t is minder appendicitis dan acute pest. Leg been in bidstand, want pure rust van kale knar is gave Gods.’

Bevel tot Amazone met grief

Amazone! Spring over die dozen met platen van Blondie, gap revolver in holster, betrap die blote man in schemer van boom met bitter succes, bestorm hem met valse pose, bedroom hem met lief accent van romance, domineer hem met absolute drift, dram hem door rots, strand, land, week hem in warm water, sleep hem door wringer, leg hem in storm of wind, sleep tot slot hit in gratis stelling. Sprint, loop, stamp, pees bid, beef, balk, ween, smeek, bewonder!

Hoe elegant model lunch lust

Word slim! Lees letters van brief:

Men hale pot van messing met elf verse ratten. Men late ratten met mate van dure room happen. Men smoke apart paling met ham, worst, bier, etc. Men stoke oven tot 't sist. Men smore die pot met ratten, met glazen pies van louche raven, tot gare toestand. Men beware dozen met dampen van die elf gare ratten. Men verdure die stank. Men glove dit: elegant model vervet nog, tot braking toe.

Humane boer waste kopje van kind

Met rede deed die boer dit, want arm Rooms kind most van school spelling harden van dit boutade rudiment:

‘Die telling van die stemming was correct.’

‘Die immature nihilist flirt hard met die Friese brunette.’

‘Die wilde held had met name in die streek van Worcester series kraken gerund.’

‘We balden met halve neven, trots hun moe hen liever intact wilde laten.’

‘Die immense slang wilde in die adder happen, trots vet gift van hem droop.’

‘In october reed die religieuse dame in beige of rose blouse over die berm.’

‘De sire had hard leers de mand met verse drups vast na val van hit; hem gold de spot van elk die in smoking in de tour reed.’

‘As is gare turf’.

[p. 177]

Van die overlast wilde die humane boer dit school kind redden. 't Boost was die pure boer nog over dogma van apartheid. Punt.

84b English

Whenever I go to another country and talk another language, I have the strong impression not only that the people I talk that other language to are idiotic animals, but also that I am an idiotic animal myself for the time I am in that other country talking that other language. Take the preceding sentence. It is almost impossible to read it without smiling about it, and I assure you it was not easy for me to write it, because I can usually in this column beschikken over the Dutch language which happens to be the only language I can seriously use to say what I want. There are not many words in English I do not know, there is not much English grammar to be known, I have had an English-speaking wife for four years, practically all the books, scientific and literature, I read are in English, all the songs you hear on the radio, all the programs you see on television are in English, and I am still conscious of the fact that this is the worstwritten column I ever wrote.

When I was in America, I inscribed on or in a course ‘Short Story Writing’ because I wanted to find out why I could never bring myself to write anything in the English language, while speaking it and even teaching in it all day. Other languages are just as bad. I just passed a fortnight (i.e. two weeks) in France and I got a tired face of that idiotic grin on my face that I seem to have to have (to have to have indeed!) when talking strange tongues. On the other hand it has never been my pleasure to laugh honestly at anything said in a foreign language, or to tell any of my jokes so funny that foreigners laughed honestly. It is only after long stays out of the country that you realize you need an honest laugh just as much as an honest meal. Conversation in a foreign language is mutual deception, hypocritical beleefdheid, easily leading to hatred, murder.

In order to become one of the twelve participants in the course we had to write a trial story. I made the best of my impotence by writing a story which was told by an immigrant who had only just learned English. I was admitted to the class. The second story was a translation of that wonderful story ‘Haringgraten’ by Simon van het Reve. All our stories were mimeographed (I wouldn't know how to translate that: gestencild and gehectografeerd are both not quite right: the pale pink ink on glossy paper simply does not exist in Europe) and distributed. My story was a great success. The story plays in the second World War. Although everybody could easily calculate that I was then at most seven years old, they all believed it was autobiographical. I confessed it was written bij one of the best Dutch writers. They didn't quite believe me. One of the students thought that the anti-communist tendenz of the story was a bit too thick laid on. This was in 1962 in Berkeley and he was to become one of the leaders in the Free Speech Movement, that later started the revolutions on the American universities. With him I went to see Mr. Gus Hall, just out of jail, almost the only officially known card-carrying communist in the United States of America. I wrote one more story and then quit the course, convinced I would never learn to write in English. You can see I was right. When I hear British English or read Somerset Maugham I think: it is indeed a preposterous ridiculous language in which no serious thought can ever be expressed. In two hundred years the whole world will be English speaking. A historian going over the pages of this book will suddenly see an article he can read (they will not even have changed that ridiculous spelling). To him I would like to say this. ‘Fool! Be convinced the other articles in this book are not all as stupid as this one. We had a minister (I mean member of the government, not church) called Drees, who advocated the use of English in the universities. This was the beginning of all evil. Look around you, historian of the year 2181, isn't the world a big mess? It wouldn't be if we could all use a decent language, like Dutch.’

84c Uitwisseling
Lama

Day, Jim. How goes it?

Eenvoudig perzik-scherp, Jaap. Deed je een goeie tijd hebben in Amerika?

Oh yes, sure Jim. I have until and with hung out the animals.

[p. 178]

84 Opperengels

Brit en Groninger boer 's avonds
op schip over de railing:
Brit: ‘Quiet Night.’
Boer: ‘'k Wait ook nait.’

Zie vóór alles het oeuvre van O'Mill.

Echt aangetroffen op balletaffiche: ‘Rooms’.

Op een Schevenings hotel stond: ‘Bad Hotel’.

Echt gehoord: ‘bief stiek’, ‘snèk bèr’, ‘bres bant’.

Leerlingenhumor: ‘Now and or!’ ‘What think you well not?’ ‘The bad man makes his breakfast’-‘De badman maakt zijn broek vast’.

Anglicismen van Kousbroek-Queneau: ‘Een dag, rond middag, ik tik 't tram en daarop ik see dit yong man met’...

Zelfde betekenis én zelfde letters, van Peter Verstegen: ‘Drink gin in hotel/sekt in bed/Oh God - later effect/Aspirin in warm water’.

Engels-Nederlandse sprongen: ‘pip’, ‘pit’, ‘put’, ‘leg’, ‘been’, ‘geweest’. ‘Antigone’ is het verleden deelwoord van ‘antilopen’.

‘Engelse’ woorden die alleen in het Nederlands bestaan: ‘all-risk’, ‘citybag’, ‘gliding scale’, ‘happy end’, ‘long room’, ‘ribcord’, ‘shelter’, ‘smoking’.

85 Opperfrans

Ooievaar!

Vaak te horen: ‘snappez-vous’, ‘owiemesjeudeplatteboender’, (in Vlaanderen:) ‘koperen kanne’ (‘comprends pas’, zoals in Russisch boek ‘Kannieverstaan’ rondloopt).

Leerlingenhumor: ‘N'escalier pas dans cette espérance, car elle est encore semaine’ (gebaseerd op Nederlandse homoniemen),

‘Mon oncle qui

tle ma tante’

door O'Mil aangevuld tot: ‘Et quand je serai plus grand/je quitlerai ma gouvernante’.

‘Franse’ woorden alleen in het Nederlands: ‘chique’, ‘en face’, ‘flux de bouche’, ‘introducée’.

Het beste Opperfrans vindt men op menukaarten.

Ik zou over woordspelingen zwijgen. Maar dit is het moment om op te merken dat woordspelingen, die op klankgelijkheid berusten, alleen in een andere taal bevredigend opgeschreven kunnen worden. Zo had drs. Van Buren veel succes met

[vervolg van 84c]

Dat klinkt vreselijk. Ik benijd je. Nou, één ding ik kan zien, je zeker hebt opgeborsteld op je Engels.

Thank you well, Jim. I should say that your Dutch is deliciously shot-up. What for a summer you-all have had in Amsterdam?

Mooi luizig, Jaap, om de waarheid te tellen. De alleen zonnige dag we hadden het sneeuwde.

What rot, Jim. Well, I can insure you that I haven't there been having no loading from the cold. In againstpart. It was being choke-hot.

Say, over these Children curing-knowledge dictates from Engelsman, have you had what on them?

Jij wedden! Zij waren vreselijk. Ik leerde een hel van een boel! Ik geloof ik nu de examen passeer.

Powerful. Say, shall we knock-on by them? They are inhabiting thickly by here.

Zwel! Maar ik ben een klein hard naar boven voor tijd op de ogenblik... er, ik bedoel ik ben mooi bezig. Maar hoe omheen naaste week?

Entire good! ...Say, I would to ask you, for a work college from the summer musted I have it over how much turns in the week goes the middled American family to the life-viewer ... I have said ‘once’ ... Why has everybody been laughing then?

O, ha ha!, Jaap, da's mooi rijk, ha! ha ha! Ik denk zij waren niet lachend omheen hoeveel tijden per week. Eéns een week is omheen recht. Enig, dáár je zegt niet ‘lifeviewer’...je zegt ‘de Beweegies’, ha ha ha.

Oh! Now I am just having it through. I snap it. But over ‘beweegies’ spoken, turns there something acceptable on the moment?

Wel, Jaap, daar is deze nieuwe Nederlandse ‘lifeviewer’ in kleuren, jenny...

God curse! Jim, are you heap? I mean, you don't have to be carrying this cultural out-changing so far! Let's just have later a bubble.

Zwel, Jaap. Zo lang!

Day, Jim! Until tights!

85a Serie anecdotes

ONZE lente-epidemie van diverse anecdotes:

[p. 179]

De heler en de procureur

De valse procureur tot de perplexe heler: ‘Jatte je dit dure vessie vent?’

De enorme heler tot de harde procureur: ‘Néé, dit reussie jatte beige blouse, rode kimono, gele képi, bonte salopette, rose bolero, nette gabardine demi, en jatte lange voile.’

Boutade des regisseurs

De stupide acteur met verve tot de intelligente regisseur: ‘Las je dit moment van scène? Heb erger scène met hele vulgaire actrice, bah!’

De lucide regisseur tot de absurde acteur: ‘Toi toi’.

Instant romance

Chic mens tot louche gigolo: ‘Dans je, blonde dandy?’

De impertinente gigolo tot de elegante dame: ‘Met jou-jou? Pro duit? Dans met me, dot!’

De fiere, superieure conferencier vol cynisme tot de discrete portier: ‘De baron hate me. De elite huile’.

Lui type

De royale baron met tact tot de excellente portier: ‘De conferencier grappe, en cabaret gille; harmonie met accordeon, bas, luit, fagot en trombone’.

Mal incident

De prompte arts tot de particuliere patiënt: ‘Lever? Lies? Long? Nier? De pens? Urine?’.

De invalide patiënt tot de opportune arts: ‘Hele organisme vol. Au vent, lame pisse.’

Nul discipline

De arrogante officier tot de brave brigadier: ‘Sergeant drille direct hele leger. Trots defilé dus, hier en nu. Mars!’

De arme brigadier tot de botte, brute officier: ‘Officier martele me. Sergeant is lam, en paravent deserteur: tres en para-pet vergete!’.

Huis episode

Universele ma tot orthodoxe va: ‘Onze adolescent belle nu!’

Militante papa tot normale mama: ‘Onze adolescent vergete te belle!’

Liberale grief

De ridicule premier tot de banale vice-premier: ‘Bras en bruis, mon cher, gris royale villa plus luxe harem!’

De impotente vice-premier tot de omnipotente premier: ‘Mis, president. Ruïne gris je hier, vies, en vol met obsolete vedettes.’

Dupe van serpent

De splendide feministe in/onder gras, tot de serieuse lasser: ‘Las dit brosse sein direct, lasser’.

De nette lasser met respect tot dit autoritaire serpent: ‘Sein lasse? Tien minute!’

Boutade van cru poelier

De ronde dame tot de immense en populaire poelier: ‘Poelier, vil dit poesie, vil verse vos, en vil hamster’.

De brutale poelier tot de vitale en intense dame: ‘En vil met mes: rat, rob, lynx, fret, mot, en de hele meute? Heb reu en heb erge gare bout van os, dame’.

Culinaire pret

De orale directeur van chique restaurant met sympathie tot de blinde, gastronome non: ‘Religieuse dame ete hors d'oeuvres met verse asperges, happe pot puré, bord vis, glas champagne, pan met mais’.

Malle non: ‘Ja mais! Directeur grille de mais, s.v.p. En witloof, en salade van kilo appels, en vers fruit. Dol!’

Trio tirades

Hein Donner: ‘Dame valle, plus pion, dus remise’.

Professer Reve: ‘Néé, Hein, totale échec’.

Agent tot foute inhaler: ‘Bon!’

85b Wat is het dat wat het is wat dat is?

Wat is het dat wat het is wat dat is? Is het dat men heeft gedurfd het plan op te vatten om de Franse taal te verbannen van onze scholen, om niet te zeggen te

[p. 180]

de zinsnede ‘een moeder om te drinken, zoals de Française zegt’. Velen schreven haar dat dit moest zijn ‘een zee om te drinken’, en enkelen wezen haar op het feit dat deze woordspeling in Frankrijk een eerbiedwaardige ouderdom bezit.

85½ Solange

Tussen 85 en 86 moet vermeld dat een Duitse schlager ‘Solange du da bist’ als Frans chanson ‘Solange, tu es là’ klonk.

86 Oberduits

't Is kaus baussen

Met het Duits is iets heel bijzonders aan de hand. Elke Nederlander gebruikt het vroeg of laat zelf als een soort Opperlands. Dit Schertsduits, dat Nederlanders op gezette tijden tegen elkaar spreken, moet wel onderscheiden worden van het zogenaamde ‘Baarns’, de nabootsing van Duitsers die slecht Nederlands spreken, en van het ‘Psuchiatorduits’, dat via Amerikaanse films tot ons is gekomen. Ook het Schertsduits in strips (Professor Prlwytzkofski in Bommel) heeft via een Amerikaanse omweg (de Katzenjammer Kids, opvolgers van Max und Moritz van Wilhelm Busch) ons land bereikt. Prlw. zegt: ‘Durf ik u voor het vroegstuk inladen?’ Charles Chaplin sprak in The Dictator het Engels-Opperduits op onovertrefbare wijze.

Onze Taal streed oorspronkelijk tegen germanismen. In een parallelle tekst laat Van Buren zien hoe vruchteloos dit was. Queneau en Kousbroek schrijven in Germanismen: ‘Mensch, wat mei passiert is. Ik sta of der stratenbaan, alles voll beleegt, enta staat so'n mieser kerel’...

Voor Duits-Nederlandse misverstanden bestaat een speciaal schoolboekje, geheten Schwere Wörter, waarmee ieder zijn Opperduits kan maken.

87 Andere talen en taaltjes

kadoedelatoe

‘Helleno’ is Grieks voor ‘Grieks’, en het ‘hellenogram’ is de overdreven zucht Griekse termen te smeden, waar ik in dit boek ahypocriet aan toegeef. Queneau en Kousbroek schrijven onder ‘Graecismen’: ‘In een metatram vol electronauten was ik, tijdens een hyperchronoclasme, de pantoscoop van dit microrama:‘...

[vervolg van 85b]

vernietigen in de zielen van onze kinderen? Een dergelijke gedachte verdooft de ziel. Het moet dat de intellectuele cultuur van de lage landen, zo grote hoogte ze bereikt hebbe in de eeuwen waarin de lage landen een der naties was waarop de wereld leek te steunen, een tijd trouwens waarin de Franse taal in de hoven en rijke koopmanshuizen der lage landen gesproken en verstaan wierd, waarlijk een val heeft gemaakt die geen persoon mogelijk had gehouden.

Afschaffen het Frans! Voorzien dat men binnenkort besluit tot afschaffing van het dineren, afschaffen van de wijn, afschaffen van het verkeer tussen de geslachten. Hij heeft er, dat gaat vanzelf, altijd de redenen van platvloerse gemakzucht. Het is nochtans niet dáár dat wat treft allereerst is de impressie van het lachwekkende. Ziedaar ook affijn waarom men liever dan de wiskunde, zinloos spel van letters en cijfers, geen persoon interesserend, in de afgrond werpt de taal van de cultuur. Alvorens binnen te treden in de bewijzen van de taal is het nodig de onrechtvaardigheid te presenteren van de mensen die leven in de onverschilligheid van het zoeken naar de waarheid van een ding dat voor hun zo belangrijk is en dat hen zo dichtbij treft, helaas. Gij zijt er voor niets. Mij ziehier terug. U lacht, u? Ik ja, veel. De andere dag zei men mij met bewonderenswaardige geest: ‘Het moet dat een deur open zij of gesloten.’ Woord wel gekozen!

Moet het dat men het nog herhaalt: het belang van de lage landen is uitsluitend het belang van een kleine natie, omringd door meer belangrijke buren, gewapend met een meer grote macht en vijanden van een te snelle Europese integratie.

Het is in dit perspectief en in dergelijke omstandigheden dat het Nederlandse volk zijn beslissingen zal hebben te nemen. Zal het willen voortgaan om een taal te leren die altijd quasi-universeel is, die het Frans is, en blijven in de mogelijkheid om met de rest van Europa te communiceren? Of zal het zijn culturele zending willen ontkennen en per consequentie zich onophoudelijk stoten tegen de industriële, financiële, politieke, militaire, wetenschappelijke, energiële, en internatio-socio-culturele limieten?

En dan zoveel pis. Stront, zoals de Fransman zegt.

[p. 181]

86b Germanismen revisited

WIJ schrijven dit om middernacht op opvallend briefpapier, waar we wel eens een liefdesbrief op zouden willen ontvangen.

Wat is er loos? Het gaat om een kogellager in onze aanhangwagen die een wonde plek vertoont. Een lumbaalpunctie is niet voorradig. Uit de hoogbouw daalt onze vertrouwensman, Papadidokolos, af die vorig jaar ook een schijnwerper voor de halve nieuwprijs op de enig juiste manier repareerde. Meerdere malen onderbrak hij toen gewetensvol de stroom door de zekering, vóór hij het werk beëindigde.

Tussen het bestek stond een bordje rauwkost met slagroom van de geëigende zuurgraad, waarvoor wij wel een lustmoord zouden willen doen. De opgave was om met een dame tegen een loper een uitgesproken verlies in winst om te zetten. Je reinste geval van ontoerekeningsvatbaarheid!

Hopelijk maken we nog mee dat de kopschuwe man, die vanzelfsprekend is ingesteld op voltreffers in het schaak, de betreffende stekker uit de springstof haalt.

Papadidokolos heeft de alleenverkoop van ansichten. Hij is kolonel buiten dienst, en een gemoedelijke, beduidend milde man met een onbestemde glimlach. Meerdere malen in de zestiger jaren had hij bij arbeidsonlusten een hang naar hakenkruisen, en een tendens tot het aanvechten van een vertrokken beeld.

 

Het bovenstaande bevat 56 woorden die volgens het blad ‘Onze Taal’ uit de jaren 1932, 1933 en 1934 als ‘germanismen’ verboden waren. Het had zo moeten luiden:

WIJ schrijven dit omstreeks middernacht op treffend postpapier, waar we wel eens een minnebrief op zouden willen ontvangend.

Wat is er aan de hand? Er is sprake van een kogelblok in onze bijwagen die een zere plek vertoont. Een lendenpunctie is niet voorhanden. Uit de hoge bebouwing daalt onze vertrouwde, Papadidokolos, af, die verleden jaar ook een sterke lamp voor de halve nieuwe prijs op de enige juiste manier repareerde. Meermalen verbrak hij toen nauwgezet de stroom door de smeltplek, vóór hij het werk voltooide.

Tussen het stel eetgerei stond een bordje rauwe kost met geklopte room van de geschikte zuurtegraad, waarvoor wij wel een moord uit wellust zouden willen doen. De opdracht was om met een koningin tegen een raadsheer een duidelijk verlies in winst om te zetten. Een puur geval van ontoerekenbaarheid!

't Is te hopen dat we nog beleven dat de schichtige man, die natuurlijk gericht is op rake schoten in het schaken, de desbetreffende contactstop uit de splijtstof haalt.

Papadidokolos heeft het monopolie van prentbriefkaarten. Hij is kolonel op non-actief, en een plezierige, aanmerkelijk zachte man met een onbepaalde glimlach. Meermalen in de jaren zestig had hij bij moeilijkheden met personeel een neiging naar haakkruisen, en een drang tot het bestrijden van een verwrongen beeld.

86a Serie anekdoten

Verflucht in hotel schiller

Die arme ziel in Hotel Schiller was leider der lustige dichters die enge novellen bedenken (Achterberg, Herzberg, Buch, Montag, Schneiders, Schmidt, Ruebsamen).

[p. 182]

Onder ‘Boers’ lezen we: ‘'k Stao krek aon de halte of die tram komt 'r al aonschiet'n. Affijn,...’ waarvan ik niet weet of hij op enig dialect is gebaseerd, of een abstractie is van wat stadssprekers onder een dialect verstaan.

Allerlei Nederlandse dialecten kennen, vaak kortstondige, Opperlandse oplevingen, dikwijls met typische standaardwoorden of zinnen. Zo is het Gronings sjibbolet ‘Mathinithoorn’. Wim Sonneveld en Rijk de Gooijer zorgden voor Utrègs. Uit het Mokums zijn klassiek: om de z te laten horen ‘de son in de see (soms de suidersee) sien sakken’, (‘Sou m'n suster Sientje seggen’), en om de ei te laten horen: ‘Hullepsène sène sène om te sène as de echte sène kapot sène’ (ook een hypergram in 44).

Indiaans onderscheidt zich, in jongensboek en strip, door de merkwaardige werkwoordsvorm; de geleerden twisten nog of het een onbepaalde wijs zijn of een meervoud (ik denken het eerste). Het lijkt op de taal die men tegen gastarbeiders spreekt.

Zweeds: ‘kneukebreud’

Spaans: ‘los spatadéros’ (spataders) en: ‘Soches è savez sachies belle, senue pasièn’.

Hongaars: het klassieke vers van Scheltema.

Russisch is het vers (zie IJmuidens in 88):

 
‘Si t roovijb si t roovijb
 
tad ki oemra ijl
 
tnaw ed goerksaab
 
tee doorbsej tem saak
 
ijh ta rekkel raad nav
 
raam cho ki emra nam
 
tam saw ki chot nee saawd’.

Russisch is vooral vanwege de lettervorm van belang (14). Het woordje kak (zo) wil nog al eens in pseudo-Russisch voorkomen.

Verliefds wordt in 87a besproken.

Chinees: ‘Tsjoe en Lai kunnen niet tegen Mao op’; ‘Hoe lang is een Chinees.’

Diers, zoals het voorkomt in kinderboeken is nog onontgonnen terrein. Voor volwassenen onthulde Koolhaas hoe spin, varken en meeuw spreken.

In een stukje in de New Yorker werd voor een groot aantal talen de - steeds verschillende - woordenboekvertaling van ‘kukeleku’ weergegeven. Voor ‘Dutch’ was de hanenschreeuw: ‘Victoriegekraai!’

In niet minder dan drieëndertig talen werd aan Hitler een naam gegeven (87b).

 

....................

Hongaarse rhapsodie Rika Csardas
J.W.M. Scheltema

(Wijze: Ritka buza, ritka arpa)

 
Aszick vamme werc komcseggic
 
szunne menou
 
rika, rika,
 
laane menou.
 
Evve nochwa tetegec kerd
 
toenoula melos
 
mal legec, mal legec
 
toenoula melos.
 
 
 
Em ma proppe, etep proppe
 
Em ma szèchela melos
 
Tottic nedde crantep emme
 
leckurre segret, danszeg tse
 
kanapee, kanapee
 
toenoutyn ustoe.
 
 
 
Aszick csavus im melyche mostap
 
seggictoe
 
rika, rika,
 
laane menou.
 
Evve nochwa pittetyn us
 
toenoula melos
 
szotterick, szotterick,
 
toenoula melos.
 
 
 
Em ma pitte, maffup pitte
 
Em ma szèchela melos.
 
Tottic evvelec kursellef
 
noggetuc kydoe, danszeg tse
 
szoe menou, szoe menou,
 
toenoutyn ustoe.

....................

[p. 183]

In Hotel Schiller waren diverse koks: knabbelkoks verzinken rolladen in bier, gaskoks grillen rolladen in champagne, maar huttenkoks dopen die rolladen in vier teilen gekochte limonade.

Verflucht was sein turflucht. Programmoffen motten rennen. Ziel der dichterschare viel.

Vogelkasten in Indische land

Indien je wilde bedenken welke vogelkasten er in Indische stulpen waren, verlustig je je in vier kasten:

Beste was familie Specht, immer linkshandig in tempel gebracht. Nummer 2 was familie Pinguin, die ex-heredieren. Nummer 3 was familie Kolibri, echte kardieren. Geringste was familie Libelle, die überhaupt niet echte vogelfamilie was, maar vogelzucht in hut vermindert.

Welk ei eisen die?

Welk ei lust Guus? Osterei. Welk ei lust Keetje? Tippelei. Welk ei lust Ferry? Lispelei. Welk ei lust Max? Streberei. Welk ei lust Jim? Kipperei. Welk ei lust Marcel? Pimpelei. Welk ei lust Han? Orgelei. Welk ei lust Hans? Kellerei. Welk ei lust Gerrit? Stotterei. Welk ei lust Grimm? Fabelei. Welk ei lust Haars? Turkei.

Radiointerviewfolter-instrumenten '27-'41

Revolverheldtraumatherapeut, Zigeunervolkpathospersiflage, Petroleumbootkontrakthistorie, Giraffehalsfotografiemethoden, Juwelenhandelarbitrageinstituten, Lederwarenindustrieproduktenmarkt, Antilopenhuttentransporthypotheseniveau, Volksfilmkunstpropagandadienstbericht, Sportveteranenschelmenromanhetzekosten, Gendarmerieregimentverbandkistenbesteller.

Acht tiraden

1. Tante bericht: ‘Mieten worden enkel vetter, niet nicht?’ (Nicht: ‘Gut-gut’.)

2. Lyrische garderobeexpert: ‘Die das der hippe dame was extra passend, met haar beige lippenstift. Haar passabel verandert alle pantoffeleisen.’

3. Jager liegt in tafelrede: ‘Wolfslager wilde steppewolf scheren.’

4. Bittere Libanese tot slechte Bataillonskommandant: ‘Wie man legt, die man nam; met soldatenzucht!’

5. Opa tot kleinkind: ‘Tollen?’ Mal kleinkind: ‘Mieters.’ Opa: ‘Popel je?’ Kleinkind, monosyllabisch: ‘Ja.’

6. Retrogade dichter: ‘Neger, mannen, nam regen/Krokodil, mannen, nam Lido-kork/Rot man, die meid nam tor.’

7. These: Staatsrat sarde heirat: ‘Je heimat was stinkend, heirat.’ Antithese: Volksrat wilde heirat sollen. Synthese: Ministerrat ging heirat automat als rattengift verschaffen.

8. Signalement namens wicht Hagen: ‘Zotte lok, pittoreske knie, los wollen hemd, gummi pak, rose kapsel, mauve wimper, brutale lust sierde pikante mond, exhibitionistische clown.’

87a Pseudo-kinders

Er is een vreemde taal die we allemaal eens konden spreken maar nu verleerd hebben. Wij verstaan de mensen die die taal spreken best, maar als we tot ze spreken doen we dat in hard en gearticuleerd Nederlands, want we vinden dat ze dat eigenlijk maar moesten gaan spreken. Die taal is de kindertaal. Het Kinders is door veel taalgeleerden nauwkeurig onderzocht en beschreven omdat de proefpersonen gemakkelijk in de buurt zijn en niet betaald hoeven worden. Over die taal wil ik het verder niet hebben, maar wel over een versie ervan die uitsluitend door volwassenen gesproken wordt. Ik bedoel niet het Kinders dat volwassenen wel eens tegen kinderen gebruiken, want dat is te vergelijken met het slechte Frans dat wij in Frankrijk spreken. Nee, ik bedoel het pseudo-Kinders zoals verliefde volwassenen dat vaak tot elkaar bezigen. Zinnen als

(1)Zulle wijtjes piekiefijnie slaapjes doen?
(2)Jij ben de alderlekste met je lekke bekje.

zijn voor een kind onbegrijpelijk, maar een verliefd persoon reageert er in soortgelijke taal op. De bestudering van het pseudo-Kinders heeft als ernstige belem-

[p. 184]

88 Geheimtalen en -schrift

Een geheimtaal is niet een andere natuurlijke taal zoals het Frans dat ouders voor hun kinderen spreken, of de Indianentaal die het Amerikaanse leger tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikte, maar een taal die rechtstreeks is geënt op de eigen taal. Elk beroep heeft zijn geheimtaal, maar ik ben geïnteresseerd in eenvoudige recepten om Nederlandse boodschappen te verduisteren, zodat kenners de geheimtaal eenvoudig spreken en verstaan, en buitenstaanders niet.

In de zes voorbeelden die ik heb, gaat de versluiering steeds per lettergreep. In vijf van de zes gevallen wordt aan de Nederlandse lettergreep iets toegevoegd, met als gevolg dat er twee lettergrepen ontstaan. De bekendste van deze is de p-taal. Elke klinker wordt herhaald met een p ervoor: ‘lang zal ze leven’-‘lapang zapal zepe lépévepen’.

De A met een aba-taal van Queneau en Kousbroek zet achter elke beklemtoonde lettergreep een rijmende met een b ervoor: ‘Opbop eenbeen dagbag rondbond hetbet middagbiddaguurbuur zagbag ikbik opbop’...

Voor de lettergrepen die met een klinker eindigen zijn deze twee talen parallel, na verwisseling van b en p: ‘Hij wou mee’-‘hijpij woupou meepee’, ‘hijbij woubou meebee’.

Bij de b-taal, waar ik alleen in het Duits een geschreven voorbeeld van heb, maar die ik als kind heb gesproken, zeg je achter elke klinker bie: ‘Ich habe dich, Lotte, so lieb’‘Ibich habibebi dibich Lobittebi sobi liebib’.

Dit gaat parallel met ‘kedietje vedielen’ van Queneau-Kousbroek: ‘Odiep edien dadieg rodiend hediet middiedadiegudier zadieg idiek odiep dediet adiechtedierbadielcodien...’

Uit Belgische bron komt de rwie-taal: ‘Ik ga naar de stad’‘irwie garwie naarwie derwie starwie’, waarbij medeklinkers aan het slot van de lettergreep sneuvelen. Helaas bevat het voorbeeld geen meerlettergrepig woord.

Het IJmuidens is ook gebaseerd op het verminken van lettergrepen (behalve de onbelangrijke als ge- en -en), maar daar worden geen letters toegevoegd. De lettergreep wordt eenvoudig omgekeerd! Mensen - de taal werd gesproken door vissers en voetballers die concurrenten in vishal en op voetbalveld niet wijzer wilden maken - zijn dus in staat elke lettergreep bij spreken en horen om te keren. Dat omkeren gebeurt natuurlijk niet per letter (oe blijft oe), maar er is wel invloed van de schrijfwijze, als ik het enige opgeschreven voorbeeld mag geloven (‘jong’ wordt ‘gnoj’). Het is niet altijd duidelijk, vooral bij eigennamen, hoe de oorspronkelijke tekst was. Soms kunnen medeklinkercombinaties niet omgedraaid, zoals in ‘veld’, en dan wordt er gesmokkeld. Dit maakt dat de IJmuidense vertaling van IJmuidens niet weer Nederlands wordt.

[vervolg van 87a]

mering dat proefpersonen veelal weigeren hun taal in aanwezigheid van derden te gebruiken, ja zelfs het bestaan ervan ontkennen! Iedere onderzoeker heeft dus alleen de beschikking over het materiaal dat hijzelf met zijn partner(s) heeft ontwikkeld, een weinig objectieve situatie. Toch heeft een Nijmeegse promovendus het onlangs klaargespeeld een beschrijving van het pseudo-Kinders te geven in zijn dissertatie Pseudo Child-Language Communication between Adult Lovers waaraan ik al mijn wijsheid en de voorbeelden (1) en (2) ontleen. De dissertatie is opgedragen ‘aan Liesje, Wiesje, Giesje en Miesje die met mij de werkgroep vormden’ en behandelt achtereenvolgens de intonatie, de toonhoogte, het fluisteren, de extra-orale elementen, de woordvorming (de verkleinvorm is de normale vorm, van lange woorden worden alleen de eerste lettergrepen gebruikt), de persoonlijke voornaamwoorden (vaak vervangen door de eigennamen in deze tweepersoonstaal), de zinsvorming (waarbij de werkwoorden er armoedig afkomen: ‘eten’ wordt ‘eetjes doen’), de geheime betekenissen van voor ons zinledige klankreeksen, de invloed van populaire songs enzovoort enzovoort.

De Nijmeegse dissertatie zwijgt over de redenen dat verliefden in een eigengemaakt Kinders gaan spreken. Een reden lijkt me direct duidelijk: kinderen zijn bij uitstek de aangehaalde en bezoende wezens, andersom zal men iemand die men aanhaalt en zoent al gauw als een kind beschouwen, vergelijk het Engelse ‘baby’ (dat voor beide geslachten gebruikt wordt) en het Nederlandse ‘kindje’ (dat tegen vrouwen wordt gezegd). Een twee meter lange, honderd kilo zware man lacht niet als zijn ‘meisje’ hem ‘jongetje’ noemt. Een stap verder is het elkaar als huisdieren beschouwen, wat koosnaampjes als ‘hondje’ en ‘poesje’ oplevert, maar in toeblaffen en miauwen is niet die informatie te leggen die het pseudo-Kinders toelaat.

Er zijn drie omgevingen waarbij nietverliefde volwassenen eveneens pseudo-Kinders spreken. De eerste begint uit te sterven. Het was de manier waarop in jongensboeken, maar ook daarbuiten, de spraak van de gekoloniseerde werd weergegeven. Fransen noemen dat ‘petitnègre’ waarmee de band met het Kinders al is aangeduid. De inlander, de Indiaan, de kannibaal sprak, zelfs tegen soortgenoten, een Kinders-achtig taaltje. (In hoeverre het Zuidafrikaans ook pseudo-Kinders is, laat ik nu even liggen.) De

[p. 185]

dekolonisatie maakt dat men niet vaak meer leest:

(3)Bleekgezicht nu slapen doen!

De tweede plaats is het ziekbed. Ik heb onlangs een verpleegster tegen mij horen zeggen (ik ben 35 jaar):

(4)Hebben we lekker slaapjes gedaan?
(5)We gaan nu eventjes mooi rechtop zitten.

Ook hier is de verklaring weer de regressie naar de kinderjaren die het verblijf in bed onder vrouwelijke verzorging met onzinnige leefregels aan je opdringt. Sommige patiënten verwarren dit pseudo-Kinders met de verliefdentaal, wat tot allerlei misverstanden aanleiding kan geven.

De derde plaats is de kerk. Vooral de Roomse gebeden en spreuken hebben een karakteristiek pseudo-Kinderse vormgeving. Het gebruik van Latijn als ‘taal van vroeger’ wijst er ook al op. Er zijn hier twee onafhankelijke oorzaken. De eerste is dat gelovigen, net als verliefden, inlanders en zieken in een afhankelijke positie staan en zich dus weer kinderen voelen. De tweede oorzaak is dat geen gezond mens boven de zeven jaar enige religie zou aanvaarden, zodat de propagering van het geloof altijd plaats moet vinden op een leeftijd waarbij het Kinders nog de omgangstaal is. De hele kerk is trouwens op deze regressie ingesteld: wie hem binnenloopt doopt zich als een kind, zakt op de knieën om zich klein te maken, en wordt gevoed zonder dat hij zijn handen hoeft te gebruiken. Geen wonder dat je een volwassen Brabander kunt horen zeggen:

(6)Ons lieve Heertje
Geef mooi weertje.

Zoals het niemand opvalt dat hij in een restaurant een menu in pseudo-Frans krijgt, dat hij op het tennisveld in een antiquarisch Engels hoort tellen, en dat de dokter zijn recept in potjeslatijn schrijft, zo is het pseudo-Kinders de taal in de koloniën, het ziekbed, de kerk en de liefde. Het wordt gesproken door de onderdrukte, de zieke, de gelovige, de verliefde, kortom door de nietcomplete mens. Pseudo-Kinders is de taal der vernederden waarbij de verliefdheid dan de aangename zijde heeft dat men, als alles goed is, twee gelijkwaardig vernederden heeft. Als ik een kind was zou ik in opstand komen tegen het feit dat mijn taal werd misbruikt als de taal der vernederden. Ik zou een revolutie ontketenen die eerst als doel had het verbieden van pseudo-Kinders, en als dat niet lukte, de emancipatie der kinderen door Volwassen te gaan spreken. Die revolutie is een permante omdat er steeds weer nieuwe kinderen komen, en die emancipatiedrang is de reden dat wij allemaal het Kinders als een dode taal achter ons gelaten hebben.

87b Hitler heette...

in Abessinië: Halope Sebassie
in Amerika: Reuzefielt
in Amsterdam: Janssse
in Arabië: Slahem Aleiki
in België: Manneke Plons
in Brits-Indië: Mahatum Pahatum
in Bulgarije: Slarottimof
in China: Hang Kreng Hang
in Egypte: Fare Homaar
in Engeland: Cheffielt
in Finland: Helsbinkie
in Frankrijk: Fureur
in Friesland: Jatstra
in Griekenland: Odyzee
in Ierland: O'Brajum
bij de Indianen: Winnetoe-titochni
in Italië: Slavoraldi of Alverotti
in Japan: Foetsji Moeti
bij de Joden: Salli Swem
in het Maleis: Nassi Goorkreng
in Nederland: Haalmeier
in Nederlands-Indië: Strondjong
in Noorwegen: Olav Beck
in Perzië: Kelem
in Polen: Pikinsky
in Portugal: Lopez de See-in
in Rusland: Moldimof
in Spanje: Don Derop
op het toneel: Adolf Engerd
in Turkije: Satan Halum
in Zuid-China: Kwoutie Hing
in Zweden: Zwem Heden
en bij de kaffers natuurlijk: Führer.
[p. 186]

‘Tè IJduimen naf roof et roogol saw et gnoj mô nee gijen iatkelt et bèhen. Tè dâ lew nee gijen laat (môgereekt taarpen). Iet laat drew joelvend egkoorpsen’...

De Opperlandse opdracht bij elke geheimtaal is duidelijk: een boodschap construeren die in die geheimtaal weer als gewoon Nederlands klinkt, of, in het IJmuidens geval, onveranderd is gebleven.

Eenlettergrepige palindromen als ‘pap’ en ‘paap’ blijven in het IJmuidens onveranderd. Voor dit geval moeten we een speciaal palingram hebben, dat in hoofdstuk 2 niet aan de beurt kwam: woorden waarin elke afzonderlijke lettergreep een (geluids)palingram is. Men zou in IJmuiden begenadigde palindroommakers verwachten, maar ik heb er niets van gemerkt.

Geheimtaal heet ook wel cryptogram, maar die term gebruik ik niet want de verwarring met het kruiswoordraadsel voor volwassenen zou dan te groot worden.

Bij een eenvoudig geheimschrift wordt elke letter door een andere vervangen, zodat een parallellogram ontstaat. Mulisch vroeg zich af of die vervanging zó kan, dat er uit een Nederlandse tekst een uitspreekbare tekst ontstaat, terwijl alle letters veranderen. Het antwoord is: nee, dat kan niet, want de s moet s blijven.

Een marginale manier om een boodschap te verbergen is het chronogram. De letters waar het om gaat, zijn dan meestal groot gebeiteld of gedrukt, zodat verbergen hier niet de bedoeling is. Die letters vormen samen een jaartal in Romeins schrift. Ik citeer het vers van Hooft op 1568, het jaar dat Don Carlos werd vermoord, naar werd gezegd door zijn vader Philips II:

De zoon VIt LVst tot hoogh gezagh
Haakt naa zIIns VaaDers sterref Dagh

een vertaling van de voorspelling die Ovidius zestien eeuwen eerder in de Metamorfosen deed:

fILIVs ante DIeM patrIos Inq VIrIt In annos.

Bij het zwart maken van letters in een tekst wordt daarin ook een andere boodschap onthuld.

89 Glossolalie

In Nederlandse boeken kan men veel on Nederlandse woorden en zinnen vinden, die ook in bekende talen niets betekenen. Het zijn nabootsingen van nabootsingen van locomotieven, exotische talen door een Hollander uitgesproken, orgastische teksten, droomzinnen, het woord ‘jazz’ of ‘meisje’ in veertig verschillende talen, en niet te determineren laltaal.

Uit mijn beperkte boekenkast koos ik zes fragmenten, die, natuurlijk uit ieder verband gerukt, in 89a prijken. Als ik verraad dat de drie linkerfragmenten van Nederlandse schrijvers komen, die achternamen bezitten die met dezelfde letter beginnen, en dat de drie rechterfragmenten eveneens afkomstig zijn van drie schrijvers met dezelfde (andere) beginletter, kunt u dan iets raden?

Glossolalie negatief gezien: logorrhoea, of woordkakkerij.

Positief: volgens het Lettrisme (Isidore Isov) kan alles in de geest verletterd worden. De Opperlander sluit zich daar van ganser harte bij aan, al zou hij niet weten hoe iets in de geest dal niet verletterd kan, ooit tegen het Lettrisme ingebracht zou kunnen worden.

[p. 187]

89a Glossolalie

zo zo po po nee bo nee fo
nee lo nee ko nee ho nee so
nee fo nee poe nee soe
nee toe nee foe nee fo nee lo
jes jats zjaaz jok ach jamma
assani llats joz jos joel ahh
err ahha ahhra chees
njesjnja versteuidheed
Ab, Ai, Ba, En, Fo, Ge, Io,
Og, Ra, Ré, Ur, We
tltltltltltltltltlllllllll
paars hik rusfims
opik opiksgrbrixwu
tukhulpikpikprsseretta
teerttetrpaarsereet
gfkitgfjik
rutsgkd
aaaaajjjjooooga, brult i
Gewel. Gewel. Gewel. Geweldige
proppoppooppo go Go pap
Kakiekokiekakoekakikoekika-kakie-kakoe-kakie-kakoe
Hihihihihihihihihihihih!
Pl-pl-pl-pl-pl-pl-pl-pl-pl-mm
Boeoeoeoeoeoeoeoeoeoeo
Takakakatakakakatak!! Hupsakee
Pfoeoeoeoeoeit!! romme bomme bom Oooooo!!
hahahahahahahahaha
lailai
39r = 2πg
kitserdebitsie
fykund, lub, yovvoy, yic, ulpz,
tutti, hyss, bynx, puze, cleze,
ili, zekke, atar, orre, beker,
sza, h, w-kees, bozo, vois, geuk,
tullu, cyo, faaf, sorro, siwid, nark
pike stulka dziewcyna deuce
devojka leany tytto kiz
gadis knabino dyevushka
koritsi bint naarah maidel
onnanoko mscichana