De Statenbijbel en zijn voorgangers


auteur: C.C. de Bruin


bron: C.C. de Bruin, De Statenbijbel en zijn voorgangers. A.W. Sijthoff, Leiden 1937  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 250]

Hoofdstuk XIII.
Voorgeschiedenis van de totstandkoming der Statenvertaling.

§ 1. Synodale besluiten en officieuze pogingen tot tekstverbetering.

Wie den Statenbijbel ziet als de bekroning van een reeks pogingen om het Nederlandsche volk een Protestantschen bijbel in bevredigenden tekstvorm te geven, zal de lijn van zijn voorgeschiedenis retrospectief kunnen volgen tot de periode, in welke ten onzent de eerste reformatorische bijbeluitgaven verschenen. De nationale beteekenis, die de Statenbijbel in den loop der jaren verkregen heeft, rechtvaardigt zulk een opvatting volkomen. Men kan zijn geschiedenis ook laten beginnen bij de eerste Gereformeerde vertaling rechtstreeks uit de grondtalen, dus bij het Nieuwe Testament van Utenhove. Voor deze zienswijze is naar onze meening meer te zeggen, omdat de eenheid van oorsprong, de overeenkomst in tekstvorm en de innerlijke verbondenheid der vertalingen bij de vaststelling van de onderlinge verwantschap en historischen samenhang niet minder gewicht in de schaal leggen dan het gezag, dat een tekst op den duur zich verworven heeft. Volgens de gangbare voorstelling neemt echter, in aanmerking genomen het feit dat het de Dordtsche Synode geweest is, die den beslissenden stoot heeft gegeven tot de uitvoering van een plan, dat al meermalen door vorige Kerkvergaderingen beraamd was, de geschiedenis der Statenvertaling eerst dan een aanvang, wanneer voor de eerste maal een Gereformeerde Kerkvergadering de wenschelijkheid eener nieuwe, officieele vertaling uitspreekt. Er is geen enkel bezwaar om de gebruikelijke beschouwingswijze te handhaven, mits men bedenkt, dat zulk een synodale verklaring niet meer is, niet meer kan zijn dan de uiterlijke aanleiding tot de belangrijke gebeurtenissen, die soms volgen. De werkelijke oorzaak zit in den regel dieper en ligt verder in het verleden terug. De behoefte aan een Gereformeerden bijbel, en hier gaat het in laat-

[p. 251]

sten aanleg om, deed zich niet pas in 1571 gevoelen, toen op de Synode te Emden de zaak te berde werd gebracht: reeds lang voordien hadden Utenhove en zijn vrienden geen vrede met den gangbaren tekst. Het aantal ontevredenen werd geleidelijk grooter, niet zoozeer onder eenvoudigen als wel onder predikanten en meer ontwikkelde gemeenteleden, die zich aan den Luthertekst ontgroeid voelden. Ondanks groote waardeering voor den persoon en het werk van den Duitschen Hervormer verlangden zij een getrouwer weergave van den oorspronkelijken, heiligen tekst. Onder zulke menschen had de Lutherbijbel zijn werk gedaan. Geen wonder dat zij zoo spoedig mogelijk een anderen verlangden te bezitten, die meer strookte met hun godsdienstige overtuiging. Het Oude Testament van Godfried van Wingen had niets anders gebracht dan een hernieuwde vertaling van een vertaling, nog wel in den vorm van een nauwere aansluiting bij de Lutherredactie. Voorloopig wilde men zich hiermede behelpen, maar een welgefundeerd inspiratiebegrip, gepaard aan een groeiend nationaal zelfbewustzijn, maakte een nieuwe zelfstandige bewerking van den grondtekst tot een gebiedenden eisch, met de vervulling waarvan niet lang meer getalmd mocht worden.

Nationaal besef was in dezen wel niet de belangrijkste, maar toch een werkzame drijfveer. In een Nederlandsche spraakkunst van dien tijd (1568), waarvan slechts enkele geschreven fragmenten tot ons gekomen zijn, zegt de onbekende schrijver: ‘Qualyken isser oick yemant die wat goets getrowlyken over kan setten. Waeraf wy d'experiencie sien onder anderen bijde menichderhande oversetzels der bijbelen in onse tale, waer af noch niet een en is dat mach geleeken worden by eenich overzetsel dat oft hochduitsche, oft fransoisen, oft Engelschen in haer tale hebben. Ende hierwt volghen ende worden versterkt so deerlijke schueringen van religien, sonderlyken in onse Landen meer dan in alle anderen’. Hier is niet een Gereformeerde aan het woord - men vermoedt dat Coornhert deze spraakkunst heeft gemaakt - maar gezien de nationale strekking had dit evengoed door iemand als Utenhove geschreven kunnen zijn. Een oorspronkelijke bijbelvertaling, aldus de geloovige taalkundigen, moest de proef op de som leveren, of onze taal zich kon meten met het Grieksch en Latijn.

Het verdient de bijzondere aandacht, dat de ontevredenheid met de vrije tekstbehandeling in den Emder bijbel niet aanstonds het verlangen deed ontstaan naar een overzetting uit de bronnen. Toen de eerste nationale Synode te Emden in 1571 door toedoen van

[p. 252]

Marnix bijeenkwam, hebben de Keulsche broeders de wenschelijkheid kenbaar gemaakt van een ‘correcte’ vertaling. De vergadering besloot de zaak uit te stellen tot de Generale Synode. In 1574 stelden de afgevaardigden van de classis Walcheren op de provinciale Dordtsche Synode de zaak opnieuw aan de orde. Het antwoord was, dat men zou wachten tot de onder handen zijnde Gereformeerde Fransche en Latijnsche overzettingen aan het licht gekomen zouden zijn, ‘op datmense daer wt in onse spraecke te lichter ende te beeter oversetten mach’. Blijkbaar achtte men nog steeds niet den tijd gekomen om aan een of meer personen opdracht te geven rechtstreeks uit de grondtalen den verlangden bijbel te maken.

In 1578 werd op de nationale Synode te Dordrecht gevraagd, of het ‘oorbaer ende noodich’ was den bijbel uit het Hebreeuwsch te vertalen, of althans de ‘ghemeyne oversettinghe’ te herzien. Ook nu durfde men het eerste nog niet aan. Te gelegener tijd, zoo luidde het antwoord, zou zulk een vertaling wel tot stand kunnen komen, maar voorshands was het beter den gewonen tekst te herzien naar de Fransche en de inmiddels bijna gereed gekomen Latijnsche bewerking. De laatste was het werk van den bekeerden Italiaanschen Jood Immanuel Tremellius, die als hoogleeraar te Heidelberg in samenwerking met zijn schoonzoon Franciscus Junius, den lateren Leidschen professor, en in opdracht van keurvorst Frederik III van de Palts het Oude Testament in het Latijn had vertaald, welke bewerking om haar getrouwheid aan den Hebreeuwschen tekst van stonde aan in hoog aanzien kwam te staan bij alle Gereformeerde theologen in de Nederlanden.

De Synode wilde voorkomen, dat het werk der herziening ‘een persoon alleen .... opgeleyt werde’ en droeg daarom aan Marnix en Dathenus op, naar bekwame mannen uit te zien, die het naar behooren zouden kunnen volbrengen. Of zij hun opdracht hebben uitgevoerd, is niet zeker. Er rees weldra zulk een oneenigheid tusschen beiden, dat samenwerking wel onmogelijk geweest zal zijn.

Middelerwijl zaten de boekdrukkers niet stil. Nu van de voorgenomen herziening niets scheen te komen, zonnen zij op middelen om op eigen initiatief in een groeiende behoefte te voorzien. De Gentsche uitgever Hendrick van der Keere vatte in 1580 het plan op, om samen met een vakgenoot een bijbel in klein formaat te bezorgen, welke vooral in de boeken der Profeten een verbeterde editie van den ouden tekst zou brengen. Daartoe stelde hij zich in verbinding met den Gentschen predikant Jacobus Regius, die zich bereid ver-

[p. 253]

klaarde de noodzakelijke correctie aan te brengen onder beding dat andere ‘spraeckgeleerde personen’ hun medewerking zouden verleenen. Zelf begon Regius alvast met de groote Profeten, zijn collega Johannes Bollius nam de herziening der kleine Profeten voor zijn rekening, terwijl hij den geleerden Delftschen dienaar des Woords Arnoldus Cornelii, den scriba van de Dordtsche Synode van 1578, verzocht Job te ‘oversien’. ‘Ick wenschte,’ schreef hij naar Delft, ‘dat wy eenmael een rechten bijbel, psalmboeck, kercorden ende catechismum hadden, dat wij wt onse confusie ende disordre geraken mochten.’ De wensch naar een ‘rechten’ bijbel, men ziet het, sproot voort uit het verlangen naar ‘eenicheyt inder reyner leer ende gelijckformicheydt inde bedieninghe’. Een bijbel met een betrouwbaren, uniformen tekst zou naar zijn en anderer meening een der hechtste steunpilaren kunnen worden van de kerkelijke organisatie, die nog op afwerking wachtte.

De politieke woelingen te Gent zijn waarschijnlijk oorzaak geweest, dat de voorgenomen correctie op niets is uitgeloopen. Toch zal Arnoldus Cornelii hierdoor wel de aandacht op zich gevestigd hebben, want later werd ook aan hem een officieele opdracht verstrekt.

Behalve eenige boekdrukkers trachtte een predikant, op eigen gelegenheid, buiten een synodale vergadering om, een bijbel, van nieuwe tekstverklaringen voorzien, ingang te doen vinden. In 1581 verscheen te Leiden bij Jan Paets Jacobszoon een nieuwe uitgave van den Emder bijbel, welke verzorgd was door Ds. Petrus Hackius. Deze had den tekst, behoudens enkele wijzigingen, intact gelaten, maar de kantteekeningen vervangen door andere. Voor het Oude Testament had hij de ‘Annotatien’ van de Geneefsche kerkedienaars vertaald, voor het Nieuwe Testament de kantteekeningen van den Franschen Calvinistischen prediker-martelaar Augustus Marloratus overgenomen uit een reeds bestaande Nederlandsche bewerking van het jaar 1567.

Er zit aan deze bijbeluitgave een vraagstuk vast, dat even onze aandacht in beslag moet nemen. Het voorin afgedrukte privilege van de Raden van Holland en Brabant is gedagteekend resp. 9 April en 9 Mei 1580 (volgens nieuwen stijl 1581), de voorrede van Petrus Hackius 27 Mei 1581. Nu werd eenige weken daarvoor in de particuliere Synode van Zuid-Holland, die van 25 April tot 3 Mei van datzelfde jaar te Rotterdam gehouden is, gerapporteerd dat ‘in de classe van Leyden een bibel voirhanden is mette annotatien opte marge,

[p. 254]

waerinne lichtelick vergryp soude mogen vallen ende den ketteren oorsaeck gegeven worden daeruut yet te nemen om te calumnieren, ten ware alles bedachtsaem ende rypelick gevisiteert worde’. Naar aanleiding hiervan liet men de classis Leiden vermanen er voor te zorgen, dat de uitgave gesupprimeerd werd. De vraag is nu: heeft dit alles betrekking op de uitgave van Hackius? Het antwoord zal wel bevestigend moeten luiden, maar dan dient men de op zichzelf in het geheel niet onwaarschijnlijke onderstelling te maken, dat de broeders alleen bij geruchte iets van deze komende Leidsche uitgave hadden vernomen, haar derhalve nog niet onder oogen hadden gehad, maar veiligheidshalve de noodige maatregelen wilden treffen om ergernis te voorkomen. Er wordt trouwens gesproken van een ‘bibel mette annotatien’, zonder nadere aanduiding. De nationale Synode van Middelburg van 30 Mei - 21 Juni 1581 droeg aan de classis Utrecht op, om den ‘bibel mette francoyssche annotatien by Peter hackio overgeset’ critisch na te zien.

Het onderzoek heeft blijkbaar niet geleid tot de opsporing van gevaarlijke kantteekeningen. De synodale acten zwijgen er over, terwijl in later tijd Sixtinus Amama de bewerking van Hackius zou overnemen (zie blz. 283). Het wantrouwen der synodale vergaderingen was uitsluitend een gevolg van de verdenking tegen den persoon van Petrus Hackius, die den libertijn Caspar Coolhaes in bescherming had genomen. Waar de kantteekeningen uit zulk een onverdachte bron afkomstig bleken te zijn, viel het moeilijk den argwaan door bewijzen te staven. Een eigenaardig gevolg van de geschiedenis is geweest, dat de bijbeldrukken met de Geneefsche annotaties in gebruik kwamen bij de libertijnen en de Emder uitgaven met de kantteekeningen van Luther in eere bleven bij de Gereformeerden! De merkwaardige tegenstelling kwam zelfs in de gevelsteenen van boekverkoopers tot uiting. In Utrecht had een libertijnsch boekverkooper zijn winkel aan de Ganzenmarkt ‘inden Franschen Bybel’, een Gereformeerde vakgenoot aan de Vischmarkt ‘in den hochdeusche vergulde bibel’.

De Dordtsche boekdrukker Jan Canin, die als ouderling had deelgenomen aan de kerkvergadering van 1578, richtte in 1581 aan de nationale Synode van Middelburg het verzoek, hem privilege te verleenen voor een nieuwe uitgave naar den tekst van Tremellius en den Franschen bijbel van Genève, welke binnenkort met annotaties zou verschijnen. De Synode willigde het in, en machtigde de vier voornaamste classen, die van Gent, Delft, Brabant en Utrecht, het werk

[p. 255]

onderling te verdeelen en bekwame vertalers aan te wijzen. De classis Delft stelde Arnoldus Cornelii aan, de Utrechtsche de predikanten Wernerus Helmichius en Moded, de Gentsche vermoedelijk Jacobus Regius.

Het initiatief van Canin leidde echter evenmin tot eenig resultaat. Arnoldus Cornelii schijnt nog het meest gedaan te hebben; hij althans kon in 1583 op de particuliere Synode van Zuid-Holland verslag uitbrengen van wat hij gedaan had, terwijl de anderen nog geen letter op papier hadden gebracht. Regius vreesde niet ten onrechte, dat het een langdurige en zware arbeid zou worden, waarvan wegens het verschil in dialect en stijl der bewerkers weinig succes te verwachten viel.

In 1586 kwam onder auspiciën van den graaf van Leycester te 's-Gravenhage weer een nationale Synode bijeen. Een der stukken, die ter tafel kwamen, was een ‘supplicatie’ ten behoeve van Jan Canin. De opsteller van dit belangrijke request is wellicht een met den boekdrukker bevriende predikant geweest. Het begint met een betoog, dat ‘de Hoochduytsche Lutersche oversettinge der Heyligen bibel, na dewelcke onse nederlantsche geconformeert is, nyet geheel over een en coomt met de Hebreeussche ende griexsche waerheyt, ia sulcx, dat besondere in Iob, den Psalmen ende propheten, de sin des Heyligen geests nyet getroffen en is’. Dikwijls is Canin, aldus het verzoekschrift, door verschillende kerkedienaren en andere personen, hoog en laag geplaatsten, aangezocht de overzetting van Tremellius en Junius in het Nederlandsch uit te geven. Het besluit dat de vorige Synode op zijn aanvrage had genomen, had geen effect gesorteerd. De aangewezen vertalers hadden òf niets uit kunnen richten òf geen ernst gemaakt met de zaak. De verzoeker acht het een groote schande dat men hier te lande nog steeds geen goede overzetting ‘inde gemeene spraecke’ bezit, terwijl er wel goede vertalingen bestaan in het Latijn, Fransch, Engelsch, Italiaansch, Spaansch, Zürichsch enz. Hij zou zulk een bijbel wel kunnen uitgeven buiten voorweten van de Synode, te meer omdat sommige particulieren een deel van het werk op eigen gelegenheid al hadden verricht, maar, liever in overeenstemming met de kerkvergadering willende handelen, stelde hij voor dat deze uit haar midden twee of drie bekwame predikanten zou aanwijzen, ervaren in de Latijnsche en Nederlandsche talen, die met behoud van hun traktement en geholpen door een afschrijver, gedurende eenigen tijd zouden samenwerken voor de overzetting van Tremellius' bijbel.

[p. 256]

De Synode heeft evenwel anders besloten. In den persoon van Marnix was, na diens afscheid van het actieve staatkundige leven, een vertaler vrij gekomen, die in staat was om dat te leveren, wat de vergaderden toch eigenlijk liever wilden dan een overzetting uit de tweede hand: een Nederlandschen bijbel rechtstreeks uit de bronnen. Men wist, dat hij het werk reeds ‘voor sijn particulier begost hadde’. In Antwerpen had hij een begin gemaakt met een bewerking van de Psalmen en van enkele kleine Profeten. Wie was meer doorkneed in de kennis van het Grieksch en Hebreeuwsch dan de geleerde ex-staatsman, wie meer bedreven in het hanteeren van de moedertaal dan de schepper van de Biëncorf en andere prozageschriften? Hem verzocht men dan ook, zich met de taak te belasten. De schriftelijke uitnoodiging, vol vleiende lofredenen op zijn geleerdheid en verzekeringen van duurzamen dank, wanneer hij de benoeming zou aannemen, stelde als eenige voorwaarde, dat Marnix zijn werk ter herziening zou voorleggen aan geleerde predikanten uit verschillende deelen der Nederlanden, opdat de vertaling ‘zoo getrouw en eenvoudig mogelijk zou zijn en zoo veel mogelijk in overeenstemming gebracht zou worden met het Nederlandsche taaleigen, zonder eenige gekunsteldheid’.

Hoe eervol en aanlokkelijk de uitnoodiging ook was, Marnix sloeg haar zonder aarzeling af. Over de oorzaken van zijn weigering bestaat geen eenstemmigheid. Was het wrevel over het minder gunstige onthaal, dat aan zijn Psalmberijming ten deel was gevallen, lag de val van Antwerpen, die voor een deel aan Marnix geweten werd, nog te versch in het geheugen, of rekende hij op een eerherstel in anderen vorm? Het gebrek aan tijd, dat hij zelf ter verontschuldiging aanvoerde, zal wel niet den doorslag hebben gegeven. Wij hellen over naar de meening, dat hij zoo kort na Antwerpen zijn staatkundige loopbaan nog niet als afgesloten beschouwde en zich daarom nog niet als bijbelvertaler, men sta ons toe de uitdrukking in dit verband te gebruiken, op stal wilde laten zetten.

 

Na 1586 is er tot het bijeenkomen van de Dordtsche Synode van 1618-'19 geen nationale kerkvergadering meer gehouden, zoodat het aan particuliere Synodes voorbehouden bleef, zich op het stuk der bijbelvertaling uit te spreken. Geen jaar ging er voorbij, of de zaak werd in bespreking gebracht. Hetgeen tot den tijd, toen Marnix voor de tweede maal een uitnoodiging ontving, hieromtrent is verhandeld, komt in het kort op het volgende neer. In arren moede

[p. *7]



illustratie

Afb. 33. - Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde, bijbelvertaler (zie blz. 257-262).


[p. *8]



illustratie

Afb. 34. - Guilielmus Baudartius, schrijver van den ‘Wechbereyder’ en Statenvertaler van het Oude Testament (zie blz. 265-273).


[p. 257]

besloot men maar terug te keeren tot de uitvoering van reeds vroeger getroffen maatregelen. Vier predikanten, Kimedontius, Bastingius, Arnoldus Cornelii en Wernerus Helmichius van de kerken te Gent (thans Middelburg), Antwerpen (thans Dordrecht), Delft en Utrecht kregen een daartoe strekkende opdracht. Het werd aan hun oordeel overgelaten, of de Latijnsche of de Fransche tekst de grondslag zou moeten zijn. Voor bestrijding van de kosten verzocht men den Staten om ‘eenighe penninghen ofte middelen’. Na herhaalden aandrang toonden deze zich in 1591 bereid, hoogstens drie predikanten voor eenigen tijd bij elkaar te laten komen onder beding dat dezen eerst thuis den tekst van Tremellius en Junius vertaalden.

§ 2. Opdracht aan Marnix.

Het jaar daarop sprak de Zuidhollandsche Synode van Leiden zich nog eens uit tegen particuliere personen en drukkers, die buiten voorkennis der kerkelijke overheid den bijbel zouden willen vertalen en uitgeven en liet voorts aan de Staten de keuze: òf Marnix als vertaler aan te wijzen òf een viertal vertalers het werk te laten doen. De vergadering liet doorschemeren, dat het laatste haar het minst welgevallig zou zijn, en wel om twee redenen: een vertaling uit het oorspronkelijke verdiende sterk de voorkeur en een werkverdeeling over een aantal personen zou dialectische verschillen tusschen bijbelgedeelten onderling ten gevolge hebben. Inmiddels liet de Synode haar gedeputeerden tot Marnix alvast een nieuwe uitnoodiging richten. Nu was hij niet weigerachtig meer. Met genoegen wilde hij den kerken van dienst zijn, maar eerst moest hem daartoe een verzoek bereiken van de Staten-Generaal en de kerken ‘int gemeyn’, terwijl een financieele regeling van de zaak eveneens vooraf tot stand diende te komen.

De Staten-Generaal grepen gaarne deze gelegenheid aan om zich van Marnix' steun in moeilijke zaken te verzekeren. Het was pas nog gebleken, dat hij den staat uitstekende diensten kon bewijzen door het ontcijferen van onderschepte brieven van Philips II, die in geheimschrift waren opgesteld. Daarom besloot men hem als bijbelvertaler ‘in pensioen te houden’ en als adviseur in regeeringsaangelegenheden te ‘gebruiken’. Het kwam mooi uit, dat hij zich in het nabijgelegen Leiden zou moeten vestigen, omdat hij daar voor zijn vertaalwerk de beschikking had over de boekerij van de academie en desgewenscht den raad der hoogleeraren kon inwinnen. Zijn jaar-

[p. 258]

lijksch inkomen zou de voor dien tijd niet onaanzienlijke som van ‘vier en twintich hondert ponden van veertich grooten’ bedragen, bovendien ontving hij een ruime toelage voor de huur van het huis op de Pieterskerkgracht, dat hij in 1595 betrok, en vergoeding voor de onkosten van de verhuizing uit Souburg op Walcheren.

Met betrekking tot de hoofdzaak, de vertaling, bepaalden de Staten, dat hij uit het Hebreeuwsch in de algemeene Nederlandsche taal zou overzetten, daarbij den ouden tekst zooveel ‘als eenichsins doenlyck’ moest ontzien en overleg diende te plegen met herzieners, die de kerken zouden aanstellen.

De kerkelijke vergaderingen wezen een viertal reviseurs aan. Wernerus Helmichius en zijn secundus Arnoldus Cornelii namen in het college zitting voor Zuid-Holland, de Amsterdamsche predikant Petrus Plancius voor Noord-Holland, de Vlissingsche dienaar des Woords Daniel de Dieu voor Zeeland en de Franeker hoogleeraar Johannes Drusius voor Friesland. De overige gewesten maakten van hun recht om gezamenlijk een afgevaardigde te zenden, geen gebruik.

Voordat Marnix zich definitief tot den arbeid zou zetten, had in Mei 1595 een conferentie met de overzieners plaats over den ‘voet’ [= wijze] van vertalen. De heeren hielden hem op last der Synoden een aantal ‘poincten’ voor, waaraan hij zich op hun verzoek zou houden. Deze instructie, waarvan de opdracht der Staten een verkort uittreksel is, behelst richtlijnen en richtpunten, welke later aan de Statenvertalers eveneens verstrekt zijn. Zoo moest hij, dat was punt nummer een, ‘d'algemeinste, claerste ende suyverste tale’ gebruiken. De algemeenheid en zuiverheid van taal stond dus op den voorgrond. Een van de bezwaren tegen den Emder bijbel was namelijk het ‘onduydsche’ spraakgebruik. Een teer punt was het bezigen van den aanspreekvorm ‘du’ voor het enkelvoud. Hierover liepen de meeningen, ook in den boezem der kerkvergaderingen, sterk uiteen. Marnix was niet bereid om dit voornaamwoord, waaraan hij evenals Utenhove sinds de Psalmenberijming zijn hart verpand had, te laten varen. Vandaar dat men besloot hem hierin ‘by provisie’ zijn gang te laten gaan. Verder moest hij zooveel mogelijk de namen, woorden en den spreektrant van de ‘gemeyne oversettinge’ bewaren. De naam Jehova kon voorloopig onvertaald blijven; in de eerstvolgende kerkvergadering zou men hierover nader beslissen. Op den kant zouden komen te staan varianten, aanwijzingen van gelijkluidende plaatsen en korte aanteekeningen; boven de

[p. 259]

hoofdstukken beknopte inhoudsopgaven. De indeeling der boeken, kapittels en verzen van de gewone bijbels moest gehandhaafd blijven. Slechts in het uiterste geval mocht hij verklarende tusschenvoegsels in den bijbeltekst opnemen.

Wat in deze instructie het meest treft, is de zorg waarmee men Marnix op het hart bond, om den gangbaren bijbel zooveel mogelijk te volgen. De particuliere Synode van Zuid-Holland, welke in Augustus van hetzelfde jaar te Gorinchem gehouden werd, toonde zich dan ook niet van zins om het voornaamwoord ‘du’ toe te laten. Na ‘lange deliberatie’ gaf men daar den raad om te blijven bij het woord ‘ghy’. Dit zou de gemeente, ‘emmers den eenvoudigen’, meer behagen. De geschiedenis had trouwens bewezen, zoo zei men, dat de bijbels met ‘du’ of ‘dy’ door velen niet gekocht werden, maar dat de uitgaven van Gillis van der Erven, ‘nae de gemeene taele’ gedrukt, het meest in trek waren. De naam Jehovah kon onveranderd blijven, mits eens voor al op den rand de verklaring werd geplaatst.

De kerkelijken hadden wel eenige reden voor hun vrees, dat Marnix den ouden tekst geheel over boord zou werpen. Zijn critiek op de vertaling van Luther en de Nederlandsche bewerking hiervan was lang niet malsch. Nog in het vorige jaar, op 11 Juni 1594, schreef hij aan professor Drusius te Franeker, den oriëntalist van internationale reputatie, die een herziening van den Emder tekst wilde: ‘Ik kan mij niet vereenigen met uw gevoelen, hoezeer gij daarvoor gewichtige redenen schijnt te hebben. Ik houd toch de gebruikelijke vertaling voor zóó gebrekkig, dat zij eene geheel nieuwe bearbeiding eischt. Er moet een nieuw werk komen. Want onder al de vertalingen, die bestaan, - ik moet het eerlijk bekennen - is geene zóó ver verwijderd van de Hebreeuwsche waarheid als die van Luther, uit welke gebrekkige Hoogduitsche overzetting onze nog gebrekkiger Nederlandsch-Duitsche is voortgekomen. Ik zou er een feest van maken, indien wij daarover eens gemeenzaam konden handelen’ (vertaling prof. van Toorenenbergen).

Het ongunstig oordeel van Marnix, dat met name betrekking heeft op het Oude Testament, is kenschetsend voor de wijze, waarop de Gereformeerde Schriftkenners van dien tijd zich over de waarde van den Luthertekst in besloten kring of in vertrouwelijke briefwisseling uitspraken. Zelfs een kunstenaar als Marnix zag voorbij, dat die ‘gebrekkigheid’ van den Lutherbijbel juist zijn grootste kracht was geweest. Alleen door den bijbel een actueel boek te maken, heeft de Hervormer in waarachtigen zin kunnen hervormen. Het

[p. 260]

is echter niet aan ons den staf te breken over zulk een afwezigheid van historischen zin bij Marnix en zijn tijdgènooten. De Nederlandsche bijbel moest naar hun oordeel de taal van den Heiligen Geest en niet de taal van Luther spreken. Zoo moest Marnix er wel toe komen om in die gedeelten, waar Luther volgens hem het verst van de Hebreeuwsche waarheid was afgeweken, den tekst van den Emder bijbel een ware gedaanteverwisseling te doen ondergaan. De volgende fragmenten brengen het bewijs.

Psalm 46, 1-4.

Bijbel van Deux-aes. Marnix.
Een liet der kinderen Korah, van der iuecht voor te singhen. Een liedt voor den Oppersangmeester, onder den kinderen Korah, om te singen op Halamoth.
Godt is onse toevlucht ende stercte, een hulpe in den grooten nooden, die ons gheraeckt hebben. God is ons een vertreck ende sterckte, een hulpe in benautheden, seer wel versocht.
Daeromme en vreesen wy ons niet, wanneer oock alreede de werelt onderginge, ende de berghen midden in de zee soncken. Daerom en sullen wy niet vreesen, al soude men het eerdrijck versetten, ende dat de geberchten int herte vande zee ontstruyckelden.
Wanneer oock alreede de zee raesde, ende wentelde, dat van haerder onghestumicheyt de berghen invielen: Sela. Dat hare wateren bruyseden ende beroert waren, ende dat de bergen daverden, van hare hooge opvaren. Selah.

Jes. 26, 1-7.

Wy hebben een stercke stadt, de mueren ende gheweeren zijn heyl. Wij hebben een stercke stadt, [want God] stelt daer [sijn] heyl tot mueren ende wallen.
Doet de poorten op, dat daer inga het rechtveerdighe volck, dat het gheloove bewaret. Doet op de poorten, dat daer een oprecht volck ingae, d'welck alle getrouwicheit onderhoudt.
Ghy onderhoudt alweck vrede, na gewisser toesegghinghe: want men verlaet hem op u. [Dit is] een vast gesteunt voornemen, du salt vrede onderhouden, want men vertrout op dy.
Daerom verlatet u op den Heere eewichlic, want God de Heere is een rotzsteen eewichlic. Vertrouwet op den Heere in eewicheden: want in den Heere Jehovah bestaet de steenrotze der eewen.
Ende hy buyghet de gene die inder hoochte woonen, de hooghe stadt vernedert hy, Ja hy stootse ter aerden, dat sy in den stof leyt. Want hy doet de hoochgesetene nederbucken: de verhevene stadt, die sal hy vernederen: hy salse tot aen der eerden vernederen, hy salse tot aen het stof doen raecken.

[p. 261]

Marnix als vertaler doet denken aan Utenhove. Zooals deze den grondtekst als dictaat van den Heiligen Geest in zijn vertaling wilde eerbiedigen door Grieksch met Nederlandsche woorden te schrijven, zoo streefde ook Marnix bij zijn weergave van het Hebreeuwsch naar zoo groot mogelijke trouw aan het Schriftwoord. Alleen, hij vermeed diens eigenaardig taalgebruik, ofschoon hij als renaissancist niet afkeerig was van enkele, door zijn voorganger reeds toegepaste kunstmatige onderscheidingen als het verschil tusschen het enkelvoudige ‘du’ en het meervoudige ‘ghy’ en tusschen het wederkeerend voornaamwoord ‘sick’ en het persoonlijk voornaamwoord ‘hem’. Noch ‘du’ noch ‘sick’ kwamen in Marnix' tijd voor in de ‘algemeynste tale’, waaraan hij zich te houden had. Individueel is ook de overigens knappe vernederlandsching van Jehovah als ‘Selfwesige’. Maar dit bleven dan ook de eenige afwijkingen van den normalen spreek- en schrijftrant, welke Marnix zich veroorloofde.

Inmiddels had Aldegonde een begin gemaakt met zijn geweldigen arbeid, die eigenlijk te zwaar was voor één man. Hij schijnt eerst enkele gedeelten, die hij vroeger reeds had bewerkt, herzien te hebben. Wanneer de schrijver van het Latijnsche Leven van Walaeus, den lateren Statenvertaler, gelijk heeft, zou Marnix vroeger al een vertaling van Job, Spreuken en Psalmen hebben uitgegeven en zich gezet hebben tot de bearbeiding van verscheidene andere boeken. Hiermee klopt wat de Utrechtsche (voorheen Vlissingsche) predikant Joh. Gerobulus schreef in zijn uitgave van Marnix' prozavertaling der Psalmen en ‘Schriftuerlijcke Gesangen’ van het jaar 1596. Hij noemde deze namelijk ‘de Nieuwe, onlangs na de Hebreïsche waerheyt uitghegeven Oversettinge’ in tegenstelling met ‘de oude gemeyne’, dat is de Deux-aes-vertaling, die hij mede afdrukte. De oorspronkelijke uitgave van Marnix' Job, Spreuken en Psalmen is echter zoek.

Doordat Aldegonde eenige malen door de Staten van zijn arbeid werd afgeroepen, o.a. voor een gezantschapsreis naar Frankrijk, had het werk niet den gewenschten voortgang. Na zijn terugkeer van deze reis maakte hij het boek Genesis af en liet het ter revisie opzenden aan de overzieners; blijkbaar bewerkte hij ook nog voor een tweede maal de Psalmen, maar in December 1598 ‘heeft het Gode belieft hem uyt deser werelt wech te nemen’, gelijk Bogerman en Baudartius het later in hun ‘Cort Verhael’ zouden zeggen. Daarmede was een einde gekomen aan een veelbelovende onderneming. Indien iemand geschikt was geweest om een gave vertaling te leveren, dan zeker Marnix.

[p. 262]

De schaarsche brokstukken van zijn arbeid vermogen ons helaas slechts een vage voorstelling te geven van wat had kunnen worden. Toch is het te betwijfelen, of hij, gezien zijn gevorderden leeftijd en den staat van zijn gezondheid, alleen de zaak had kunnen voltooien. Hoe begaafd ook als schrijver en taalkundige, hij zou evenals Luther en de Statenvertalers eerst na een jarenlange worsteling de moeilijkheden hebben kunnen overwinnen.

§ 3. Opdracht aan Arnoldus Cornelii en Wernerus Helmichius.

Zoo was met Marnix' dood de zaak der bijbelvertaling weer ‘in het riet’ geloopen. De vraag was: wat nu gedaan? Met groote voortvarendheid trachtte de particuliere Synode van Zuid-Holland, in 1599 vergaderd te 's-Gravenhage, het ijzer te smeden, terwijl het nog heet was. De Algemeene Staten hadden immers ter wille van Marnix diep in de beurs getast; het was zaak om het werk nu ‘op een eenparigen voet’ voort te zetten. Daarom droeg de vergadering twee mannen als zijn opvolgers voor: Arnoldus Cornelii, predikant te Delft en zijn ambtgenoot Wernerus Helmichius, die inmiddels Utrecht als standplaats met Delft had verwisseld. Om hen bij te staan in hun dienstwerk en bij de vertaling zou Joannes Roggius, predikant te Linde (Groote Lindt) bij Dordrecht, ‘in de Hebreescher spraecke wel ervaren synde’, als secundus worden toegevoegd. Voor de revisie benoemde Zuid-Holland alvast Franciscus Gomarus, hoogleeraar te Leiden, terwijl de vergadering besloot, den anderen Synodes eveneens aanwijzing van herzieners te verzoeken. Deze mannen zouden den Catechismus en de Geloofsbelijdenis moeten onderschrijven en de reputatie van een godzaligen levenswandel moeten hebben, opdat men zeker zou zijn van de zuiverheid in de leer en godzaligheid des levens van hen, aan wie men zulk een gewichtig werk zou toevertrouwen. De gemachtigden van de Synode zouden er middelerwijl bij de Staten op aandringen, dat de voor dit werk reeds toegestane ‘penninghen’ werden gecontinueerd.

Het Haagsche voorstel werd door de andere synodale vergaderingen overgenomen, herzieners ontvingen hun aanstelling. De Algemeene Staten bekrachtigden in 1600 de benoeming van Arnoldus Cornelii en Wernerus Helmichius, maar tegelijkertijd trokken zij de aan Marnix verleende toelage in, als reden opgevend, dat het traktement hem was uitgekeerd niet zoozeer voor de vertaling, als wel

[p. 263]

voor de diensten, die hij den lande had bewezen en nog bewijzen zou.

Deze overweging moge van invloed geweest zijn op de houding der Staten, van grooter beteekenis was nog een ander motief, waarover zij het zwijgen bewaarden, maar dat aan de kerkelijken terdege bekend is geweest. De Amsterdamsche predikant Arminius had door tusschenkomst van zijn vriend Wtenbogaert den Franeker hoogleeraar Drusius bij Oldenbarnevelt als opvolger van Marnix laten aanbevelen. Naar de meening van de eerstgenoemden was Drusius de aangewezen man om den eenmaal begonnen arbeid te voltooien, althans anderen vertalers door zijn geleerdheid van dienst te zijn. Drusius stond als kenner der Oostersche talen hoog aangeschreven. Bij de ‘rekkelijken’ was hij des te meer persona grata, omdat hij steeds had geweigerd de belijdenisschriften en den Catechismus te onderteekenen. Hij voelde zich uitsluitend taalkundige en wilde zich daarom afzijdig houden van de leergeschillen, met het gevolg dat hij door de ‘preciesen’ van onrechtzinnigheid werd beschuldigd. Op de hoogte gebracht van wat Arminius en Wtenbogaert met hem voorhadden, hadden de rechtzinnigen door het stellen van bovengenoemde voorwaarden Drusius willen uitsluiten van het werk der vertaling. De Staten, hierover gebelgd, toonden zich niet van zins het verzoek der Synodes in te willigen. Wat zij wel deden, was aan Drusius in 1600 buiten zijn traktement een jaargeld toekennen van 400 gulden, opdat hij zich geheel kon wijden aan de onderlinge ver gelijking der Chaldeeuwsche, Grieksche en Latijnsche vertalingen van het Oude Testament. Op hun verzoek stelden de Staten van Friesland hem vrij van de verplichting om college te geven. De resultaten van zijn geleerde studiën, die hij tot zijn dood, in 1616, met behoud van de geldelijke toelage heeft voortgezet, heeft hij neergelegd in een aantal boeken, die deels wel, deels niet uitgegeven zijn.

De ongunstige beschikking der Staten had inmiddels de onderneming der vertaling vleugellam geslagen. Wel hadden de twee officieele vertalers, na aanvankelijk allerlei tegenslag ondervonden te hebben, eindelijk in 1603 een begin gemaakt met de uitvoering van de opdracht, wel hadden zij vrijstelling gekregen van de prediking in de weekdiensten, maar ambtelijke beslommeringen, lichamelijke zwakheid en angstvallige nauwgezetheid, waaronder vooral Helmichius gebukt ging, waren oorzaak, dat er maar geen schot wilde komen in de zaak. Meer dan ooit was het duidelijk, dat zonder den materieelen steun der Staten elke poging om in dezen iets te bereiken bij voorbaat tot mislukking gedoemd was.

[p. 264]

Onderwijl lekte het een en ander uit betreffende plannen van enkele predikanten om den ouden bijbel op eigen gelegenheid in verbeterden vorm uit te geven. De Noordhollandsche Synode, in 1603 te Enkhuizen bijeen, had vernomen, dat Ds. Plancius van Amsterdam een ‘particuliere correctie’ van den bijbel ter perse had. Indien dit werk verscheen, zou het werk der officieele overzetting, zoo vreesden de vergaderden, geminacht of zelfs belemmerd worden. Daarom droegen zij twee afgevaardigden op, Plancius over de zaak te onderhouden. In een schrijven wezen zij hem op zijn plicht om vroegere synodale besluiten niet te veronachtzamen. De overzetting toch was een zaak, die alle kerken aanging. Ging ieder op eigen houtje den bijbel verbeteren en vernieuwen, dan zou de verscheidenheid van tekstvormen opspraak verwekken. De consequentie zou zijn, dat er ten slotte evenveel vertalingen kwamen als er provincies of steden waren. Plancius heeft echter, zonder zich aan het broederlijk vermaan te storen, in 1603-1604 bij Cloppenburg te Amsterdam een bijbel bezorgd en dezen voorzien van kaarten, wat aan hem, den aardrijkskundige van naam, wel toevertrouwd was. De tekstwijzigingen zelf bleken zoo weinig om het lijf te hebben, dat men later in synodale vergaderingen op deze uitgave nimmer is teruggekomen. Evenmin werd in Zuid-Holland gesproken over het Nieuwe Testament, dat de Dordtsche predikant Naeranus in 1604 op verzoek van den uitgever Abraham Canin had verbeterd naar de Grieksche en Latijnsche teksten van Theodorus Beza en Benedictus Arias Montanus.

Terwijl zulke uitgaven de behoefte aan den nieuwen bijbel in het licht kwamen stellen, vorderde de arbeid van Helmichius slechts langzaam. In snipperuren moest hij Marnix' vertaling van het boek Genesis hoofdstuk voor hoofdstuk herzien. Na twee jaar, dus in 1605, was hij zelfs hiermee nog niet klaargekomen. Het ontbrak hem niet aan goeden wil en bekwaamheid, maar wel aan gelegenheid en voortvarendheid. Daarbij kwam, dat zijn medewerker Arnoldus Cornelii in Juni 1605 overleed, zoodat Helmichius alleen kwam te staan voor de vervulling van een al te zware taak. De Synodes oefenden herhaaldelijk zachte pressie op hem uit tot bespoediging van den arbeid. In 1605 vond de Zuidhollandsche kerkvergadering het noodig hem nog eens te vermanen om toch vooral te ‘blijven bij de woorden van onse oude Duijtsche oversettinge, soveel eenighsins de waerheyt can lyden’, een bewijs dat men de eenvoudige gemeenteleden, die gehecht waren aan de oude vertaling, zoo weinig mogelijk wilde ergeren.

[p. 265]

§ 4. Plan van Baudartius en verweer van Helmichius.

In het bijzonder in Gelderland groeide de wrevel met den dag. De staatkundige tegenstelling tusschen het machtige Holland en het oude hertogdom, die in de dagen der Republiek voortdurend aan den dag trad, vond eenigszins haar terugslag in het kerkelijk leven. De Zutphensche predikant Wilhelmus Baudartius, een geboren Vlaming, was de ziel van het verzet; een man die geen blad voor den mond nam, wanneer het zaak was orde te stellen op een aangelegenheid, die dringend regeling behoefde. Zulk een zaak was thans de bijbelvertaling. Zijn geleerdheid gaf hem trouwens recht van spreken. Onder leiding van Bucerus te Leiden en van Drusius te Franeker, bij wien hij als student had ingewoond, had hij zich gevormd tot een geschoold hebraïcus. Het heeft eenmaal weinig gescheeld, of men had hem een hoogleeraarszetel te Heidelberg aangeboden. Zich ergerend over het ‘gebrekkige’ der oude vertaling, volgde hij met groote belangstelling de beraamde pogingen tot verbetering. Indertijd reeds door de Geldersche Synode aangesteld als revisor van Marnix' arbeid, werd hij na diens dood in dezelfde functie benoemd voor het nazien van Helmichius' arbeid. Het zal wel aan zijn initiatief te danken zijn, dat de Geldersche Synode in 1602 haar instemming betuigde met de opdracht, welke de Algemeene Staten aan Drusius hadden verstrekt. Hoewel Baudartius een overtuigd voorstander van belijdenisschriften en Catechismus was, wilde hij de bekwaamheid van zijn vereerden leermeester ten goede laten komen aan de verwachte vertaling.

Toen men in Holland niet opschoot, werd hij het wachten moe. Het eene jaar na het andere verliep, zonder dat er wat loskwam. Welk een ander voorbeeld gaf het buitenland! Daar zette Jacobus I van Engeland niet minder dan 47 vertalers aan het werk der bijbelherziening. Daar was juist in 1604 in het graafschap Nassau, dank zij den stoffelijken steun van den landsheer, een geheel nieuwe, Gereformeerde bijbelvertaling tot stand gekomen. De Nederlanden mochten niet achter blijven, en volgens Baudartius was er maar één middel om uit de impasse te raken: den Nassauschen tekst, dien men naar den vervaardiger den bijbel van Piscator noemt, eenvoudig in onze taal overbrengen. Liever maar weer een overzetting uit de tweede hand gemaakt, dan te wachten op een vertolking uit de grondtalen, die voorloopig wel een vrome wensch zou blijven.

Het is noodig, hier het ontstaan en de beteekenis van den Piscator-bijbel in korte trekken te schetsen, omdat deze door toedoen van

[p. 266]

Baudartius een rol van beteekenis zou spelen in de geschiedenis der Statenvertaling. Nadat Johann Piscator gedurende drie jaren, van 1574-1577, in het Gereformeerde Heidelberg hoogleeraar en rector van het gymnasium was geweest, moest hij na den dood van den Calvinistischen keurvorst Frederik van de Palts, door het aan het bewind komen van diens Lutherschen zoon Lodewijk, de wijk nemen. Zijn ambtgenoot en vriend, Caspar Olevianus, een der opstellers van den Heidelbergschen Catechismus, bracht hem in aanraking met een broeder van Willem van Oranje, Johan VI van Nassau. Deze Calvinistische graaf, die den Gereformeerden godsdienst zeer genegen was, wilde in zijn rijkje een nieuwe hoogeschool stichten om de plaats van de Heidelbergsche in te nemen. In het stadje Herborn verrees in 1584 de universiteit, welke onder leiding van Olevianus en Piscator een brandpunt werd van Gereformeerde studiën en, evenals de Nederlandsche hoogeschool van Leiden, vooral bestemd was voor het opleiden van predikanten. Als hoogleeraar in de Heilige Schrift gaf Piscator, onder toeloop van studenten uit alle landen waar het Calvinisme vasten voet had gekregen, onderwijs in de bijbelsche uitlegkunde. Zoo bereidde hij zich voor op de taak, die zijn vorst voor hem had weggelegd. Graaf Johan hoopte namelijk op een nauwere aaneensluiting en vereeniging van alle Gereformeerden in en buiten Duitschland door politieke samenwerking tusschen de verschillende vorsten, door eenheid in de kerkelijke organisatie, maar vooral door invoering van een en dezelfde Gereformeerde bijbelvertaling, die een band om de kerken zou smeden en ze sterk zou maken in den strijd met het Lutheranisme. De graaf verlangde een bijbel, die ‘gemakkelijk te verstaan en prettig leesbaar voor den gemeenen man’ zou zijn; het volk moest zich vertrouwd kunnen maken met de Heilige Schrift aan de hand van populaire tekstverklaringen. Toen hij Piscator in 1597 met die taak belastte, verleende hij hem tegelijk ontheffing van zijn ambtswerk als hoogleeraar, omdat rustige concentratie in het stille studeervertrek een noodzakelijke voorwaarde was voor het welslagen van den arbeid. Van een Gereformeerden theoloog, wiens kennis van het Hebreeuwsch die van Luther overtrof, was slechts een vertaling te verwachten, die wat haar karakter betrof, sterk zou afwijken van den vrijen Luthertekst. Volgens Piscator had deze in de eerste plaats in de Profeten, Psalmen en Job verbetering noodig. En inderdaad, hier en in andere moeilijke Schriftgedeelten draagt zijn werk een eigen stempel, maar overigens is de verwantschap met de vertolking van zijn grooten voorganger toch onmiskenbaar. Als handleiding

[p. 267]

gebruikte hij voor het Oude Testament de Latijnsche bewerking van Tremellius en Junius, voor het Nieuwe die van Beza, terwijl ook de Geneefsche bijbel van 1588 in sommige gevallen werd geraadpleegd. De tekst die zoo ontstond, was sterk ‘Hebreeuwsch’ of ‘Oostersch’ gekleurd. Bewonderaars van den losseren, meer volkschen stijl van Luther oordeelen Piscator's letterlijke vertaling, waarvan ze de wetenschappelijke nauwkeurigheid voorbijzien, stijf en onbeholpen. Ingevolge den wensch van zijn beschermer liet Piscator aan elk hoofdstuk een korte inhoudsopgave voorafgaan en het telkens volgen door in een kernachtigheid uitmuntende ‘Erklärung’ en een aantal ‘Lehren’, waarvan het grootste gedeelte afkomstig is van Nassausche dienaren des Woords. Het geheel vormde een ‘bijbelwerk’, zooals men het noemde, geschikt om Gereformeerden leeken leiding te geven bij hun zelfstandige Schriftstudie.

De graaf had inmiddels met groote belangstelling den voortgang gadegeslagen. Zijn milde geldelijke steun stelde Corvinus, den drukker van de academie, in staat van 1602-1604 in vier kwarto-banden het werk uit te geven. Het verwachte succes bleef echter uit. De Luther-bijbel had zich reeds voorgoed een plaats veroverd in het hart van het Duitsche volk; daar liet hij zich niet meer vandaan dringen. Het bijbelwerk van Piscator bleef in Duitschland onpopulair, door de Gereformeerden niet eens als het hunne erkend, door de Lutheranen onbarmhartig bespot als ‘Straf-mich-Gott-Bibel’. De auteur die op vele plaatsen verklarende woorden tusschen den tekst had ingelascht en ze door een kleiner lettertype had onderscheiden, had namelijk in Marcus 8, 12 aan de woorden (volgens den Statenbijbel): ‘Zoo aan dit geslacht een teeken zal gegeven worden!’ toegevoegd: ‘so straaffe mich Gott’. De stijl van het Oude Testament - het Grieksch van het Marcus-evangelie staat sterk onder den invloed van het Hebreeuwsch - laat een dergelijke aanvulling van de onvolledige zinsconstructie toe. Het is evenwel de vraag, of Piscator wel voldoende rekening hield met den geest van zijn landstaal, toen hij Jezus een zegswijze in den mond legde, die in gevoelswaarde overeenkomt met onze nationale zelfverwensching. Het hebraïseerende karakter van den Piscatorbijbel is zoo een der oorzaken geworden van zijn geringe bekendheid. Alleen in Zwitserland zou hij in later tijd nog eenige verbreiding vinden als de bijbel van Bern.

De Herbornsche hoogleeraar genoot in de Nederlanden een goede reputatie. Marnix had hem indertijd reeds voorgedragen voor een professoraat in Leiden en Gomarus had hem hier gaarne als opvolger

[p. 268]

van Junius gezien. Bij Baudartius viel de overzetting van Piscator bijzonder in den smaak; hier vond hij, kant en klaar, de verbetering van den Lutherbijbel, waaraan in Holland zoo moeizaam gearbeid werd. Hij kwam nu op de Zutphensche Synode van 1605 met het voorstel om, in verband met den tragen voortgang der officieele vertaling, den bijbel van Piscator, die niet alleen ‘correcter’ was dan de onze, maar ook ‘verscheyde heerlicke doctrinas’ bevatte, in het Nederlandsch over te brengen, zich bereid verklarend die taak op te nemen. De vergadering nam dat aanbod gaarne aan, maar wilde toch dat Baudartius als deputaat op de Zuidhollandsche Synode van hetzelfde jaar zou bewerkstelligen, dat er ‘met eendrachtige advisen’ gehandeld werd. Ofschoon hij in Rotterdam enkele maanden later er den nadruk op legde, dat zijn vertaling alleen voorloopig in een bestaande behoefte wilde voorzien, bleken de Zuidhollandsche broeders van meening, dat zulk een gewichtige zaak allen kerken gemeenschappelijk aanging en alleen door een nationale Synode geregeld kon worden.

Toen een hernieuwde poging van Baudartius in het volgend jaar weer strandde op den onwil van de Hollandsche Synoden, greep hij naar de pen. Bij Jan Jansen te Arnhem liet hij in 1606 verschijnen zijn ‘Wech-Bereyder op de verbeteringhe van den Nederlantschen Bybel, die door de ghenade des Heeren corts aen den dach sal ghegheven worden’. Het vlugschrift is over de hoofden der kerkelijken heen gericht tot de Algemeene Staten en voorts alle bestuurscolleges der Vereenigde Nederlanden. De schrijver houdt hun het voorbeeld voor van Jacobus I van Engeland, Graaf Johan van Nassau en den Raad van de stad Genève, die moeite noch kosten hadden gespaard om den verouderden bijbel in de landstaal te laten verbeteren. Wanneer de Generale Staten, gelijk dat aan goede ‘Voester-heeren der kercke’ betaamt, dat doorluchtig exempel volgen, dan zullen zij daardoor bij het nageslacht een ‘eewighen onsterfelijcken lof’ verkrijgen. Ofschoon in de kerkelijke vergaderingen al vele jaren over de wijze van vertalen is gehandeld, is er ‘Godt betert, als noch niets aan den dach ghecomen’ en het is te vreezen, dat ‘dit nootwendich werc noch al lancsaem voortcruypen sal’, tenzij de Generale Staten meer toeschietelijk worden. Drie wegen zijn er om tot verbetering van den bijbel te komen. In de eerste plaats een geheel nieuwe vertaling uit de bronnen. Hiertegen bestaat echter het bezwaar dat het werk lang zal duren, veel zal kosten en ‘Text-vaste’ menschen zal ergeren. Het tweede middel is handhaving van den ouden bijbel met aanwijzing

[p. 269]

van verbeteringen op den kant. Ten slotte kan men profiteeren van den pioniersarbeid van Fransche en Duitsche overzetters, met behulp waarvan men in korten tijd den Nederlandschen bijbel op duizenden plaatsen zou kunnen verbeteren. Geleerde mannen zijn er in de Nederlanden genoeg. Vooral de voorbereidende arbeid van Drusius verdient waardeering. Om diens voortreffelijk werk te bevorderen moeten de Staten op eenige duizenden guldens niet kijken.

Hoe noodzakelijk een spoedige verbetering van den bijbeltekst is, tracht Baudartius dan aan te toonen door een behandeling van een aantal foutief vertaalde woorden of passages. Hij ‘strijckt’ deze ‘aen den proefsteen des Ebreeuschen texts’ en vergelijkt ze met een lange reeks verklaringen van rabbijnen, Grieksche en Latijnsche vertalingen en moderne Fransche, Duitsche en Engelsche overzettingen. Hier toont hij zich een discipel, zijn leermeester Drusius waardig, en het verwondert ons niet, dat later anderen hem roemen om zijn vertrouwdheid met die verschillende teksten. Het is overigens typeerend voor den kijk van Baudartius op de weergave van Luther, dat hij bijv. Jes. 65, 1: ‘tot den heydenen die mynen naem niet en aenriepen’ wil veranderen in ‘tot eenen volcke dat nae mynen naeme niet en is ghenoemt’; Jerem. 10, 8: ‘een hout moet immer een nietich Gotsdienst sijn’ in: ‘een hout is immers een onderwysinge der ydelheyt’. Dat Luther hier niet wegens onvoldoende kennis van het Hebreeuwsch, maar om de Schrift Duitsch te laten spreken van den grondtekst afwijkt, is iets wat Baudartius niet bevroedt. Eenigszins komisch doet aan wat hij zegt omtrent de oude vertaling van Gen. 2, 25: ‘Ende sy waren beyde naeckt, de mensche ende zijn wijf.’ Hiervan zegt hij: ‘Wt dese woorden willen eenighe bewysen, dat de vrouwen geen menschen en zijn, dwelck sy in gheener voeghe en connen doen, indienmen den Ebreeuschen Text aldus verduytscht: ‘Sy waren beyde naeckt, Adam ende sijn wijf.’ Baudartius schijnt over deze zaak zelfs met Drusius gecorrespondeerd te hebben; er is althans een Latijnsche brief van dezen afgedrukt over de vraag: ‘Of de Vrouw een mensch is’, waarin de hooggeleerde schrijver aan de hand van tal van aanhalingen uit werken van Schriftkenners tot een bevestigend antwoord komt!

Wanneer alleen reeds in Genesis, een der gemakkelijkste bijbelboeken, zooveel feilen voorkomen, aldus de schrijver, dan kan men zich voorstellen hoeveel er schuilen in zooveel moeilijker stukken als de Psalmen, Job, de boeken van Salomo en de Profeten. Het is hem er evenwel niet om te doen de overzetters te berispen of te kleineeren,

[p. 270]

en zeker niet om af te dingen op de verdiensten van den voortreffelijken Luther. Maar deze ‘heeft soo veel te doene gehadt met Prediken, Boecschrijven, ende ordre te stellen in de Kercken, dat hij den tijt niet gehadt en heeft om alles soo grondelijc na te sien, als wel soude betaemt hebben’. Bovendien was de Oudtestamentische wetenschap in Luther's tijd nog niet zoover gevorderd, dat de Hervormer een feillooze vertaling kon leveren. De hoofdoorzaak dat de meeste vertalingen krioelen van onnauwkeurigheden en kennelijke fouten, is onvoldoende kennis van de grondtalen. Wie een boek vertaalt, moet echter niet alleen beide talen waarmee hij te doen heeft, grondig verstaan, maar ook datgene wat hij goed verstaat, ‘connen bequaemelijck uyt het hooft inde penne ende uyt de penne op het pampier brengen’. Tal van voorbeelden, in het bijzonder namen van vogels, viervoetige dieren, visschen, boomen, gesteenten, gewichten, wapenen, ambten, maten, munten, kleuren, kleedingstukken enz., dienen om de moeilijkheden aan te toonen, die het Hebreeuwsch den overzetter in den weg legt.

Piscator nu heeft den Lutherbijbel op vele honderden plaatsen verbeterd en zijn uitgave vergezeld laten gaan van uitstekende summariën, verklaringen en leeringen. Zooals onze vaderen reeds eenmaal den Duitschen bijbel in hun landstaal hebben overgebracht, hebben wij thans den plicht de verbetering van Piscator over te zetten. Baudartius verklaart geneigd te zijn, deze taak op zich te nemen; de Geldersche Synode heeft hem al tot tweemaal toe in zulk een Christelijk voornemen gestijfd. Van de lang verwachte, officieele tekstverbetering is tot nog toe ‘niet een proefken of cleyn monsterken’ te voorschijn gekomen. Wie is er overigens zeker van, vraagt Baudartius, dat die correctie even goed zal zijn als de bijbel van Piscator? Een Nederlandsche bewerking hiervan heeft bovendien nog het voordeel, dat er minder kosten en tijd mee gemoeid zullen zijn. Maar als er later iemand komt, die een betere vertaling kan leveren, dan zullen alle vrome Christenen, die dan leven, hem daarvoor moeten danken.

Het geschrift van Baudartius, dat de zaak van de bijbelvertaling bracht voor het forum van de hooge overheid en de openbare meening, en dat den weg wilde vrij maken voor zijn voorgenomen vernederlandsching van den Piscatorbijbel, bevatte eenige hatelijkheden aan het adres van Helmichius. Het was begrijpelijk en menschelijk van dezen, dat hij de beschuldigingen van lakschheid zich persoonlijk aantrok en er over dacht een ‘tegenbericht’ te zenden aan alle overheidscolleges en -personen, die den Wechbereyder hadden ontvangen. Hij liet dit

[p. 271]

echter na, omdat hij wel inzag, dat een pennestrijd over deze aangelegenheid niet dienstig zou zijn aan de ‘stellicheyt ende ruste’ der kerken. Toch wilde hij een krachtig protest indienen bij die personen, wier taak het was de zaak te behartigen: de leden der particuliere Synoden.

Zoo verscheen Helmichius op de Synode, die in Juni 1607 te Amsterdam gehouden werd, legde daar een deel van zijn vertaling, het bijna voltooide boek Genesis, over en verweerde zich vervolgens in een breed betoog tegen den Wechbereyder, waarin de auteur ‘impertinente .... redenen’ als ‘van lancksame voortcruypinge ende geen proefken gesien te syn’ had durven uitspreken. Oordeelend, dat de zaak niet zoozeer hem alleen als wel den synodalen vergaderingen van Holland en den ‘gemeenen kercken’ aanging, gaf hij de Synode vier punten in overweging. In de eerste plaats haalde hij de geschiedenis der vertaling op vanaf het jaar 1571. Men had na ‘velejarige disputen’ eindelijk goedgevonden, dat de vertalers den Nederlandschen tekst uit het Hebreeuwsch en Grieksch zouden verbeteren en daarbij Tremellius en andere goede vertalers zouden raadplegen, terwijl overzieners uit alle Synoden het werk zouden controleeren. Deze voet van vertalen was door de Staten-Generaal en door alle kerken gemeenschappelijk goedgekeurd. Daarom ging het niet aan, dat één Synode, op het drijven van een particulier persoon, haar bevoegdheden overschreed, door aan een vertaler last te geven tot een overzetting op een voet, die voorheen door de kerken verworpen was. Vervolgens wilde hij wijlen Arnoldus Cornelii en zichzelven verdedigen tegen de betichting van gebrek aan ijver. Hun menigvuldige ‘kerkelycke occupatien’ en het verantwoordelijke en de ‘hoochwichticheyt’ van de vertaling hadden sneller voortgang belet. Zij hadden zich nooit opgedrongen voor het werk, en wat hem betrof, de vergadering kon hem gerust ontslag geven en anderen aanwijzen. Helmichius zette in de derde plaats uiteen, dat het niet wenschelijk zou zijn, dat in een land, waar één geloof beleden werd, twee vertalingen naast elkaar gebruikt zouden worden. Het ‘gemeene volck’ zou daar vreemd van opkijken. Trouwens, Baudartius had ongelijk met het eerste middel ter verbetering dat hij aanwijst, een bewerking naar de bronnen, te stellen tegenover zijn eigen plan. Werd dit laatste uitgevoerd, dan zou het resultaat zijn, dat van de bestaande Nederlandsche overzetting geen versje bewaard bleef. Ten slotte hield Helmichius den broeders voor, of het niet noodig was de Staten-Generaal en andere overheidslichamen over de zaak in te lichten en de Geldersche Synode te verzoeken haar besluit ongedaan te maken.

[p. 272]

Deze oratio pro domo liet niet na op de vergaderden den gewenschten indruk te maken, niet het minst door de menschelijke verontwaardiging, waaraan de spreker lucht gaf en die zelfs in het dorre synodale verslag doorklinkt, maar toch vooral door het beroep dat Helmichius deed op het eergevoel der Synode zelf. De deputaat van Groningen gaf het misnoegen van zijn lastgevers over het boekje van Baudartius te kennen. Men toonde zich daar in het geheel niet gesticht over het feit, dat hij in de Nederlandsche taal had durven schrijven over kerkelijke zaken, waar de gemeene man geen verstand van had. De Noordhollandsche kerkvergadering besloot daarom voor Helmichius in de bres te springen. Men zou zijn pleidooi door het maken van afschriften vermenigvuldigen en het toezenden aan de andere kerkvergaderingen, evenzoo het gereed gekomen deel van de Genesisvertaling. Voorts hoopte men, dat de aanstaande nationale Synode een of meer plaatsvervangers van Arnoldus Cornelii zou aanwijzen. Intusschen moest Helmichius op den ingeslagen weg voortgaan, en zich hierbij bevlijtigen, ‘om in den text de eygen cracht der Hebreescher woorden, off sy schoon wat duyster souden vallen, te stellen ende die duystere aen de cant in de aenteyckeningen door eenige verclaringe naeckter uyt te drucken’. De laatste raadgeving ging al in de richting van een vertaling, die trouw aan den grondtekst stelt boven handhaving van den ouden tekst. Wat de Wechbereyder van Baudartius aanging, achtte men het niet noodig daartegen in het openbaar op te treden, maar wel zou men door den gedeputeerde bij de Geldersche Synode er op aandringen, dat de nog voorhanden exemplaren vernietigd en de reeds verspreide opgekocht werden.

De Geldersche Synode, die dit jaar te Bommel bijeenkwam, nam daartegenover Baudartius in bescherming. De vergadering had niet gehandeld zonder die van Holland er in te kennen, omdat men zich bewust was van het wenschelijke der ‘onderlinghe eenicheyt’. Daarom zou men Baudartius verzoeken met de voorgenomen translatie op te houden, onder dit voorbehoud dat men later, wanneer het werk der vertaling in Holland onverhoopt evenmin vorderde als thans het geval was, op dit besluit mocht terugkomen. Op het verzoek van den Noordhollandschen deputaat om den Wechbereyder te supprimeeren werd ten antwoord gegeven, dat het boekje niets bevatte dat in strijd was met de leer en het leven der Christenen, maar dat men toch aan Baudartius zou vragen nauwlettend toe te zien op de personen die een exemplaar aanschaften, ten einde ‘ontstichtinghe’ te voorkomen.

Werd zoo de publicatie van Baudartius in den doofpot gestopt,

[p. 273]

geheel zonder uitwerking is zij niet gebleven. Op den kerkeraad van Amsterdam werd vanwege de Synode hernieuwde aandrang uitgeoefend om Helmichius vrijstelling te verleenen van sommige zijner ambtelijke verplichtingen. Na aanvankelijk tegenstribbelen stond men hem zooveel vrijheid toe, dat hij rustig de vertaling kon voortzetten. Hoever hij hiermede nog gekomen is, kunnen wij niet zeggen. Veel zal de langzaam werkende Helmichius wel niet meer afgedaan hebben, want in Aug. 1608 is hij ontslapen.

§ 5. Nieuw oponthoud. Voortzetting van de officieuze pogingen tot tekstverbetering.

De kerkelijke beroering van de volgende jaren heeft ten gevolge gehad, dat de Staten van Holland het bijeenkomen van particuliere Synoden in hun gewest verboden. Daarmee werd aan de kerkelijken de gelegenheid benomen om de zaak van de bijbelvertaling te behartigen. Al kon van een officieele overzetting voorloopig niets komen, toch bleef de belangstelling onverflauwd voor al wat met de kwestie in verband stond. De eerste periode van de voorbereiding was thans afgesloten. Veel was er niet tot stand gekomen, maar de ondervinding van de afgeloopen jaren had toch geleerd, aan welke regels men zich op de nationale Synode, die in het verre verschiet lag, te houden had. In de eerste plaats had zich de vaste overtuiging gevestigd, dat de zaak van de bijbelvertaling een nationale aangelegenheid was. De kerken moesten gemeenschappelijk een besluit nemen, zoo had de ervaring geleerd; vandaar dat alleen een nationale Synode een definitieve regeling kon treffen. In onmiddellijk verband hiermee stond, dat het wenschelijk was gebleken het werk niet aan één, maar aan meer personen, die werkten onder vereenigd toezicht der kerken, op te dragen. Geschiedde dat, dan zou zulks een beteren waarborg bieden voor de wetenschappelijke nauwkeurigheid, maar bovenal het besef versterken, dat men de handen ineen behoorde te slaan voor het bereiken van het groote doel. Die vertalers zouden onder de gunstigste omstandigheden moeten arbeiden. Zij dienden tijdelijk ontheven te worden van hun ambtelijke plichten ten einde rustig op een daarvoor geschikte plaats gezamenlijk het werk te volbrengen. De hooge kosten, die zulk een regeling met zich bracht, zouden ten laste moeten komen van de voedsterheeren der Kerk, de Staten-Generaal. Bij de keuze van de vertalers was het noodig gebleken niet alleen op bekwaamheid, maar tevens op leerzuiverheid en reinheid van levenswandel te letten.

[p. 274]

Wanneer zij eenmaal aangesteld waren, dienden zij de volgende stelregels in acht te nemen: de vertaling moest een trouwe weerspiegeling zijn van den grondtekst; alleen waar de ‘waarheid’ [ = de grondtekst] het lijden kon, was handhaving van de oude vertaling geoorloofd: het Nederlandsch zou algemeen, zuiver en gemakkelijk verstaanbaar moeten zijn, zonder proefnemingen op de manier van Marnix en Utenhove.

Al was het noodzakelijk de onderneming tot nader order uit te stellen, op één punt kon men toch waken voor de belangen van het zuivere Woord Gods: door alle niet-Gereformeerde bijbeluitgaven zoo niet geheel te weren dan toch te bestrijden. Op verschillende synodale vergaderingen werden maatregelen beraamd tegen Doopersche bijbels met annotatiën, ‘die zeer absurd ende onwaerachtich sijn’. Roomsche en libertijnsche uitgaven ontsnapten evenmin aan de aandacht. In 1614 liet Abraham Costerus, predikant te Ossendrecht en Woensdrecht bij Bergen op Zoom, bij Jan van Waesberghe een tweedeelig werkje verschijnen, ‘Verdediginghe der H. Schriftuere’ getiteld, waarin de schrijver de onnauwkeurigheid van al zulke bijbeluitgaven in een rijk gedocumenteerd betoog aantoonde. Als kampioen voor den Gereformeerden bijbel en als kenner van de grondtalen behoorde Costerus later, op de Dordtsche Synode, tot de mannen, die men voordroeg voor het werk der vertaling.

Andere predikanten gingen naar het voorbeeld van Petrus Hachius den Deux-aes-bijbel voorzien van nieuwe kantteekeningen. De Enkhuizer dienaar des Woords Abraham à Doreslaer vertaalde daartoe voor zijn uitgave, die in 1614 te Amsterdam verscheen, de annotaties van Tremellius en Junius bij het Oude Testament, die van Beza en Piscator bij het Nieuwe. De Middelburgsche predikant Hermannus Faukelius, bekend als samensteller van het ‘Kort Begrip’, ging nog een stapje verder; hij waagde het namelijk den bijbeltekst zelf te verbeteren. In 1617 bezorgde hij te Middelburg een verbeterde uitgave van het Nieuwe Testament, waarvoor hij een geheele reeks overzettingen in klassieke en moderne talen had geraadpleegd. Het typeert den Gereformeerden Schriftkenner, dat zijn correctie grootendeels neerkomt op een nog nauwgezetter weergave van den Griekschen grondtekst dan zijn voorganger Dyrkinus had geleverd, en dat hij van de op zijn schrijftafel liggende vertalingen de Duitsche van Piscator het meest heeft geraadpleegd. De Dordtsche Synode stelde den geleerden graecist dan ook tot overzetter van het Nieuwe Testament aan, alsmede tot herziener van het Oude. Zijn kennis van het

[p. 275]

Hebreeuwsch was namelijk niet minder gedegen. Wellicht na afloop van de kerkvergadering zette hij zich tot een zelfstandige bewerking van het Oude Testament, aan de hand van Piscator. Zijn handschrift van de vertaling der historische boeken, die hij van 1621 tot 1623 in het net schreef, is gebruikt door de Statenvertalers. Tot een gedrukte uitgave, zoo deze al ooit in de bedoeling gelegen heeft, is het niet gekomen, doordat Faukelius in 1625 door den dood werd weggenomen.