|
|
|
| |
XX. In den knuppelkrijg.
Weiswampach, een dorp op de grenzen van de provincie Luik, was gekozen geworden om den opstand in het departement der bosschen, Luxemburg en 't verder gedeelte van het Walenland, te doen losbreken.
Een Brabander, geboren in de omstreken van Leuven, Nikolaas Lambertz, was er pastoor, en hij deed een oproep tot eenigen zijner vrienden van het omliggende, die met hem een verbond sloten, om gezamenlijk den vijand uit het land te verdrijven, den godsdienst hunner voorouders en het leven hunner kinderen te redden.
In het bosch van Huppendange vereenigden zich de eerste strijders.
De boeren waren door proclamatie verwittigd dat ze geene genade, ja den dood zouden vinden, indien ze de verbondenen niet steunden.
In tal van gemeenten luidde de noodklok, en op korten tijd was eene bende opstandelingen gevormd, die in de gemeenten de Fransche kommissarissen en hunne helpers gevangen namen en in het klooster van Hosingen opsloten.
Evenals het in Vlaanderen toegegaan was, werden overal de kerken heropend, Te Deum's gezongen, de vrijheidsboomen neergehaald en de archieven der openbare besturen geplunderd en verbrand.
| | | |
Het oproer breidde zich snel uit en na korten tijd waren een vijftien honderd man bijeen onder het bevelhebberschap van Hubert Behrens, die te paard zijn legertje aanvoerde en als teeken zijner hooge waardigheid eene lange roode pluim op den hoed droeg.
In dit legertje vinden wij Tijl en Lamme terug, die, goed gewapend en te paard gezeten, met open armen door de Luxemburgsche strijders onthaald werden, en, na bekend te hebben gemaakt hoe ze aan den boerenkrijg in Vlaanderen hadden deelgenomen, en wat ze daar zooal hadden uitgericht, dadelijk mede aan het hoofd der opstandelingen werden geplaatst.
De keus van bevelvoerders, of liever leiders was niet groot, en wie blijken gaf van een weinig beleid, klom dadelijk op tot een hoogen rang in het boerenleger.
- Ik geloof, zei Tijl, die naast Behrens reed, dat het uwe mannen - laat me zeggen onze mannen - zoowel aan moed mangelt als aan wapens.
- Moed hebben ze in 't geheel niet, sprak Lamme, die aan de andere zijde van den generaal te paard zat. Ik heb nooit eene vlucht gezien, waarbij allen het zoo eens waren om het hazenpad te kiezen.
- Het was een stout bedrijf van uwentwege den vijand af te wachten, als ge bemerktet dat uwe mannen de vlucht namen.
- Ik had niets bemerkt van dit alles. Ik reed aan het hoofd mijner bende, als ik plots hoorde roepen: Ginder zijn de Franschen!... 't Was op de hoogte van het dorp Lipperscheid, volgens de gids mij gezegd had... Ik staar voor me uit, en in de verte zie ik iets bewegen, dat wel op eene legerbende geleek. Ik hield mijn paard staan, en, na een paar oogenblikken, zag ik, met mijn goede oogen, dat het eene kudde vee gold. Lachend keer ik mij om, ten einde mijne mannen gerust te stellen, en daar bemerk ik dat zij mij allen den rug hebben toegekeerd en loopen als hazen. Er bleef mij niets over dan terug te keeren naar ons hoofdkwartier. Tijl heeft gelijk: dat getuigt niet van veel moed.
Daarenboven, ontbroken ons wapens. Ge kunt toch tegen geen welgeoefende soldaten vechten met knuppels, en de meesten onzer mannen hebben geen ander wapen.
- We zouden geweren moeten hebben.
- Ik verwacht er.
- Ge weet dat generaal Morand twee benden tegen ons heeft uitgezonden, die drie honderd man sterk zijn en veertig
| | | |
ruiters tellen. Wat kunnen wij daartegen uitrichten met onze mannen, die met hunne knuppels en hunne pieken niet eens den vijand aan 't lijf zullen geraken. En gij wilt Arzfeld innemen en er de Franschen verjagen?
- Ik wil dat niet. Mijne mannen willen het.
- Houd ze van die dwaze daad terug.
- Dat kan ik niet, dan is de opstand gedoofd. Als ik hen nu niet warm houd, laten ze ons in den steek.
- Vooruit dan maar, zei Lamme. Het is de eerste dwaze daad niet die ik bega en ik kan dus wel aan deze medehelpen ook!
- Het is een waagstuk, dat velen het leven zal kosten, sprak Tijl, en geen nut voor onze zaak zal afwerpen. We zijn echter scheep, we moeten dus varen.
Het kleine legertje naderde Arzfeld, toen een groepje Fransche ruiters in 't zicht kwam.
Deze laatsten deden hunne paarden keeren en reden in galop weg.
De boeren dachten dat de vijand op hun zicht de vlucht nam, en overmoedig stormden zij vooruit.
Daar liet de trom van het vijandelijk leger zich hooren en een honderdtal soldaten verschenen, die op kleinen afstand van de boeren stil bleven en met het geweer aanlegden.
De ruiterij kwam langzaam door een dicht boschje beschermd vooruit en draaide, onbemerkt, achter de bende der opstandelingen...
Zij waren nog enkele stappen van deze laatsten verwijderd, als de trompet gestoken werd, om den Franschen bevelhebber te verwittigen, dat die kleine krijgslist geslaagd was.
Duverger, die de soldaten aanvoerde, trad vooruit en vroeg, zich in het Duitsch tot de boeren richtende:
- Wat verlangt gij, menschen?
Een aanvoerder van het legertje der opstandelingen, die vooraan reed en op een oogwenk bemerkte dat hij zich tusschen twee vuren bevond, wierp zijnen sabel weg en kreet: ‘Vlucht wie kan!’ gaf zijn paard de sporen en reed vierklauwens heen.
Een gedeelte zijner mannen volgde, waarvan slechts twee den moed hadden hun geweer op de Franschen af te vuren, zonder echter iemand te treffen.
De officier, die het bevel voerde over de Fransche ruiterij, naderde, evenals Duverger, de achterhoede der boerenbende en vroeg in het Fransch:
| | | |

Lamme lag op het mos uitgestrekt. (Blz. 571)
- Wat verlangt gij, menschen?
Een boer van Boxhem, Antoon Maiesch, trad vooruit met een jachtgeweer gewapend.
- Wij willen den oorlog! riep hij in 't Fransch, legde op den officier aan en schoot dezen uit den zadel.
Als de soldaten van Duverger deze dwaze daad zagen begaan, gaven zij vuur en de ruiters kwamen op de boeren aangerend, die neergeschoten en neergesabeld werden.
Velen konden vluchten, dank aan de bergen en bosschen der streek, maar toch bleven er een zeventigtal op het slagveld, en talrijke gekwetsten werden door de Franschen gevangen genomen.
Tusschen de dooden bevond zich een jonge priester, die aan het hoofd gekwetst werd en door een Fransch soldaat na den strijd werd afgemaakt.
Op verzoek van de inwoners van Arzfeld liet de bevelhebber toe dat de lijken op het gemeentekerkhof begraven werden...
In een dicht boschje, niet ver van de plaats waar de strijd geleverd werd, zat Uilenspiegel geknield, den arm onder het hoofd van Lamme, die kreunend op het mos uitgestrekt lag.
- Lamme! kreet Tijl, Lamme, hoort ge me niet?
Een vijandelijke kogel had zijnen schouder doorboord en Lamme was in de armen van Uilenspiegel, die naast hem reed, op zijn paard achterover geslagen.
De twee paarden waren in woeste vaart naast elkaar
| | | |
doorgehold, zoodat Tijl het lichaam van zijnen vriend had kunnen vasthouden - een paar oogenblikken slechts - tot het paard van Uilenspiegel, dat gewond was, neerstortte, en beide mannen in zijnen val meesleepte.
Tijl was niet gekwetst en kon Lamme tot in het bosch brengen, waar zij voorloopig veilig waren.
- Lamme! kreet Uilenspiegel, Lamme!
Deze opende de oogen.
Hij zocht de hand zijns vriends en drukte ze.
Met zwakke stem sprak hij:
- Het is er meê gedaan, Tijl!
- Dat is niet waar, Lamme...
Hij maakte omzichtig de jas van zijnen vriend los.
- Ik gevoel het, Tijl. Het Fransch lood zit er diep in... 't heeft mijn Vlaamsch hart geraakt...
- Uw hart werd niet getroffen... Ik zal u redden... Ik zal u naar 't dorp dragen, Lamme... Alle hoop is niet verloren...
- Neen, men zou u gevangen nemen en het zou mij niet baten... We zijn altijd trouwe vrienden geweest, Tijl... Later vinden we elkaar terug...
En, na een poos, met nog zwakkere stem:
- Als ge mijne vrouw mocht ontmoeten... zeg haar dat ik haar steeds heb bemind, dat ik haar steeds trouw bleef... Onze karakters...
Hij drukte krampachtig Uilenspiegel's hand... en was niet meer.
Geruimen tijd bleef Tijl bij het lijk geknield, zonder een traan in de oogen, te erg getroffen om te weenen, maar het hart ineengekrompen van de smart.
Zijn eenige vriend, zijn broeder als het ware, had hem voor immer verlaten...
Uilenspiegel rees eindelijk op, bedekte het lichaam met takken en bladeren, mos en aarde.
- Zelfs geen kuil voor hem in zijn dierbaar land!...
Hij verliet de laatste rustplaats van Lamme Goedzak, den echten Vlaming, die van vreugde en feesten hield, eten en drinken, nooit om den dag van morgen bekommerd was, maar, als 't vaderland, als Vlaanderen hem noodig had, gereed was er zijn leven voor te offeren...
In het dorp, waarheen Tijl zich begaf, werd een tweede tooneel afgespeeld, een treurig tooneel van den opstand.
De boeren, die met de wapens in de hand gevangen waren genomen, en de niet al te erg gekwetsten, moesten voor
| | | |

Duverger richtte het woord tot hem. (Blz. 574)
den krijgsraad verschijnen, door den bevelhebber der Franschen, zonder verdere pleegvormen, uit zijne officieren samengesteld.
De meesten bekenden zonder aarzelen, dat ze deel hadden uitgemaakt van de bende der opstandelingen, en zij werden dan ook onmiddellijk tot den kogel verwezen.
Het Fransche bewind had strenge bevelen gegeven; de opstand moest kost wat kost bedwongen worden.
| | | |
De bevelhebbers hadden eene uitgestrekte macht, zij mochten zonder rekenschap te geven over het leven der oproerlingen beschikken, indien deze in een gevecht werden gevangen genomen of iets tegen de Fransche soldaten hadden durven ondernemen.
Alleen in het bloed was de opstand te smachten, zoo had men te Parijs geoordeeld, en de Fransche aanvoerders maakten dan ook ruimschoots gebruik van de onbeperkte macht, die hun was toegekend geworden.
Daar verscheen een jonge boer voor den krijgsraad.
Tenger van lichaamsbouw, baardeloos, met een rozig gelaat, scheen hij nog een kind.
De officieren keken den jongen medelijdend aan en spraken stil tot elkaar...
Duverger richtte het woord tot hem, niet op barschen toon, maar met iets vaderlijks in de stem:
- Hoe oud zijt gij, mijn zoon?
- Zeventien jaar.
- Leeft uwe moeder nog?
- Zij is thuis.
Deze antwoorden werden kort, droogweg door den knaap gegeven.
Het hoofd fier opgeheven, zijne rechters vrank in de oogen blikkende, stond hij daar.
- Gij werdt gevangen genomen tusschen de opstandelingen?
- Ja.
- Met uw vader?
- Vader is dood.
- Gij waart niet gewapend?
- Ik had een geweer.
- Gij hebt op de Fransche soldaten niet willen schieten, niet waar?
- Ik heb op de Fransche soldaten gemikt en geschoten.
De bevelhebber keek den jongen een wijl aan.
Bewondering voor den heldhaftigen knaap straalde uit zijne blikken.
Hij schudde het hoofd en sprak tot de officieren:
- Een moedige jongen. 't Is spijtig.
En weer het woord tot den knaap richtende:
- Uw geweer was niet geladen, niet waar?
- Ja, het was geladen!
- Met los poeder?
- Neen, met kogels.
| | | |
- Wie heeft u bevolen te schieten?
- Niemand.
- Gij hebt langs den kant van het bosch uw geweer afgevuurd, zonder iemand te willen treffen?
- Ik heb zesmaal op de Fransche soldaten gemikt en geschoten. Ik lieg niet.
De bevelhebber wilde nog eene laatste poging doen, om den jongen held te redden.
- Gij hebt niemand gedood?
- Ik geloof dat ik twee soldaten getroffen heb. Ik heb hen toch zien vallen!
- Als ge vrij gelaten werdt, wat zoudt ge dan doen?
- Opnieuw tegen de Franschen oprukken.
- Hij heeft het zelf gewild, zei de bevelhebber op spijtigen toon tot zijne officieren. We kunnen niet anders!
De jongen werd ter dood veroordeeld...
Een tiental boeren stonden tegen den muur der kerk, op een stap van elkaar, voor de gapende versch gegraven groeve, die hunne lijken moest ontvangen.
Met den heldenmoed in de oogen wachtten ze koelbloedig den kogel af.
Voor hen stond het peloton, dat hun den dood moest geven.
- Vuur! klonk het uit den mond van den officier.
Een salvo en de boeren waren door den kop gebrand.
Op hetzelfde oogenblik knalde een schot en de officier, die het bevel gegeven had, stortte neer vóór de voeten zijner manschappen.
Een oogenblik aarzeling en dan sprongen allen vooruit naar de zijde der kerk, vanwaar het schot gelost was.
Geen levend wezen was er te bespeuren.
Zij vonden alleen het lichaam van een jongen man, wiens kleeren met bloed gedrenkt waren en die den laatsten adem scheen te hebben uitgeblazen...
Aan de overzijde, naast de huizen, strekte het bosch zich uit, tegen den berg op.
Geen der soldaten had den moed tusschen het dichte geboomte eene nasporing te doen... Een eind weegs in het bosch, op een klein wegeltje, stapte Uilenspiegel voort.
Hij wist dat niemand hem daar zou durven volgen.
- Dat is de eerste die voor moeders dood boet, sprak hij, en het zal de laatste niet zijn!...
|
|
|