Het land van Rembrand


auteur: Cd. Busken Huet


bron: Cd. Busken Huet, Het land van Rembrand. Studiën over de Noordnederlandsche beschaving in de zeventiende eeuw (2 delen in 3 banden). H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1882-1884.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

VI [Burger-oorlogen. Karel van Egmond]

De ziel der gruwelen van Pier van Heemstra's bestaan was Karel van Egmond (1467-1537), laatste eigenlijke hertog van Gelderland, in wiens persoon het nederlandsch provincialisme der midden-eeuwen den doodstrijd tegen de wordende nationale eenheid der toekomst gevoerd heeft.1

Ware hertog Karel de waardige vertegenwoordiger van een toonbaar denkbeeld geweest, men zou eerbied, men zou bewondering gevoelen voor den vorst van

[p. 303]

een onnaspeurlijk gewest, die gedurende eene halve eeuw het magtig Huis van Bourgondie-Oostenrijk de spits bood. Al konden wij de zaak voor welke hij streed niet liefhebben, wij zouden het zijne liefde doen.1

Doch het behoeft niet. Zijne eenige denkbeelden waren persoonlijke grieven, eigenzinnigheden, een zelfzuchtig dwingen om het onmogelijke, het nuttelooze, het schadelijke. Liever turksch dan paapsch, was de leus van dezen trouweloozen Nederlander; tegelijk zoo paapsch dat de scherpste plakaten van Karel V tegen de lutheranen door hem nog verscherpt werden.2 Waren zijne onderdanen niet tusschenbeide gekomen hij zou, ten einde Gelderland niet aan Oostenrijk te zien vervallen, het hertogdom aan Frankrijk verpand hebben.3

Ridderlijkheid en vaderlandsliefde waren Karel van Egmond gelijkelijk vreemd, waardig meester van Pier van Heemstra te water en van Maarten van Rossem

[p. 304]

aan den wal.1 Behalve eene graftombe in de Eusebius-kerk te Arnhem, is van zijn vijftigjarigen worstelstrijd in de herinnering der nakomelingschap niets overgebleven dan één lange streep van geplunderde steden, platgebrande dorpen, verdronken schepelingen, zieltogende soldaten. Zijne buitengewone gaven zelf, zijn moed, zijne vindingrijkheid, zijne volharding, het ontembare in zijn aard, zijn hem en zijn land tot verderf geweest. In een tijd toen slechts de eenheid Europa van de barbaarschheid redden kon, heeft hij tot iederen prijs een onafhankelijk miniatuurvorst willen zijn, toonbeeld van den noord-europeschen middeneeuwschen despoot in zakformaat, die niets voor den handel of de nijverheid, niets voor de kunsten of de wetenschappen, niets voor anderen doet, en tevreden is zoo hij door het vergieten van stroomen burgerbloed de dubbelzinnige vermaardheid zijner onbelangrijke voorouders handhaven, en uit hunne betwiste nalatenschap voor zich eene nuttelooze hertogskroon redden kan.2

De plundering van Alkmaar is voorgevallen tusschen twee der oorlogsverklaringen van landgenooten aan landgenooten, wier zelden verbroken reeks, telkens na een even verraderlijk geschonden als ligtzinnig gesloten wapenstilstand, de eindelooze regering van Karel van Egmond gevormd heeft.

In het begin van 1515 hadden de Gelderschen met de Hollanders vrede gemaakt, en hertog Karel was

[p. 305]

den koning van Frankrijk, die daarbij als bemiddelaar gediend had, met zesduizend man naar Italie gevolgd. Maar de Hollanders, werd hem daarginds gemeld, schonden het verdrag. Hij kwam terug, zonder troepen, en ervoer dat het gerucht waarheid sprak, hoewel de anderen het tegendeel beweerden.

Karel maakte zich meester van Nieuwpoort, bij Schoonhoven, dat echter door de Hollanders onder Hendrik van Nassau spoedig hernomen werd. Zeventien personen uit Nieuwpoort, tien burgers en zeven edelen, zagen zich naar Den Haag voeren, omdat zij de Gelderschen van leeftogt voorzien hadden. De edelen werden onthoofd, de burgers opgehangen.

In den zomer van 1516 liep graaf Hendrik, stedehouder van keizer Karel in Holland, met zes- à zevenduizend man de Veluwe af, tot onder de muren van Arnhem te vuur en te zwaard alles verwoestend. Een geldersch kasteel aan de Zuiderzee, het slot Hulkestein, werd door de Hollanders genomen. Kommandant en bezetting sloegen zij in de boeijen; lieten het kasteel in de lucht springen; en staken de nabijliggende schepen in brand.

Toen was het dat Karel van Egmond zich niet alleen met Pier van Heemstra in betrekking stelde, maar ook eene befaamde leger-afdeeling in dienst nam, die al geruimen tijd in Friesland naar bezigheid en soldij had omgezien.

Deze Zwarte Hoop, acht- of negenduizend man sterk, bestond eigenlijk uit Saksers, hannekemaaijers in het harnas, naar Friesland ontboden door een saksisch hertog, die daar leenman of stedehouder van den keizer van Duitsch-

[p. 306]

land was. Misschien was op dat oogenblik nergens in Europa eene volmaakter rooversbende te vinden dan deze uitgehongerde vreemdelingen, zonder dak, zonder kleederen, zonder voedsel, met geen andere middelen van bestaan dan hun zijd- en hun schietgeweer.1 Twee saksische officieren, Andreas Pflug en Otto Schenck, waren hunne opperbevelhebbers. Een dozijn berooide friesche edelen, met geweld den bedelstaf zoekende te keeren waartoe de staatkundige partijschappen hen dreigden te veroordeelen, deden als luitenants dienst. Voor zoover de manschappen geen Saksers waren, waren zij friesche boeren en veldarbeiders: wrekers van geleden onregt te land, zooals de matrozen van Grooten Pier ter zee.

Van het loslaten dezer duivels in menschengedaante op Noord-Holland, door Karel van Egmond in het voorjaar van 1517, is Alkmaar het slagtoffer geweest2. Eerst maakten zij zich meester van Dokkum, in Friesland zelf, en staken toen uit de Kuinder naar Medemblik over, waar zij op het kasteel, door een hollandsch officier goed verdedigd, het hoofd stieten, maar de ongelukkige stad stormenderhand innamen en beroofden. Van daar ging het, brandschattend, brandstichtend, moordend, plunderend, het eene dorp vóór, het andere na met den grond gelijkmakend, voorbij Hoorn naar

[p. 307]

Alkmaar, waar in de tweede helft van Junij eene geheele week op de meest barbaarsche wijze huisgehouden werd. Den negenden dag, vreezend door de hollandsche troepen te zullen ingesloten worden, staken zij de stad op verschillende punten in brand, voerden de voornaamste ingezetenen als gijzelaars mede, trokken over Egmond en Beverwijk naar Sparendam, en geraakten van daar, Amsterdam mijdend, naar de provincie Utrecht.

Te Kuilenburg of te Vianen kwamen zij de Lek over, en nestelden zich in Asperen aan de Linge, waar de bevolking tot den laatsten man uitgemoord werd. Doch toen keerde de kans. Hendrik van Nassau wist hun te Asperen den toevoer van levensmiddelen af te snijden, zoodat zij genoodzaakt waren deels naar Amersfoort de wijk te nemen, deels naar de Veluwe. Het leger, bij buitengewone oproeping in dorpen en steden door de Hollanders toen bijeengebragt, moet talrijk geweest zijn; de Zwarte Hoop althans werd van verschillende zijden aangetast, en in zijne gelederen eene meedogenlooze slagting aangerigt. Eindelijk drongen de Hollanders tot vóór Arnhem door, waar Karel van Egmond het zwaar te verantwoorden zou gekregen hebben, zoo Frans I niet nogmaals tusschenbeide gekomen was en Karel V niet naar Spanje verlangd had. Te Utrecht werd een verdrag gesloten, dat voor eene korte poos aan den oorlog een einde maakte.1