Het land van Rembrand


auteur: Cd. Busken Huet


bron: Cd. Busken Huet, Het land van Rembrand. Studiën over de Noordnederlandsche beschaving in de zeventiende eeuw (2 delen in 3 banden). H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1882-1884.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

XII [Nicolaas Witsen]

De jongste levensbeschrijvers van Nicolaas Witsen maken zwarigheid dien amsterdamschen burgemeester uit de laatste jaren der 17de eeuw een groot man te noemen. Volgens hen heeft hij noch in de wetenschap uitgemunt, noch in de staatkunde, en is hij niet meer geweest dan een achtenswaardig middenman3.

Dit belet niet dat wij hem als den representative

[p. 387]

man eener kaste te beschouwen hebben. Ware Witsen verbonden geweest aan eene universiteit, hij zou niet doorgegaan zijn voor een hoogleeraar van den eersten rang. Als minister van een alleenheerscher zou hij in de geschiedenis van zijn land of van Europa geen diepe sporen van zijn bestuur nagelaten hebben. Minstens vijfentwintig ambtgenooten, burgemeesters van Amsterdam gelijk hij, afgevaardigden ter Staten van Holland en ter Staten-Generaal, bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, gezanten van Nederland bij verschillende Hoven, waren in hunne eigen oogen lieden van dezelfde beteekenis. Mogelijk zelfs werden er onder hen gevonden die zich als zijne meerderen beschouwden. Doch Witsen alleen verbond in zijn persoon, met de magt of den invloed van een amsterdamsch regeringslid, de kundigheden van een wetenschappelijk dilettant. Zijn kollega Hudde en hij waren de volledigste exemplaren eener belangwekkende soort; en Witsen had op Hudde vóór, dat zijne geografische en overige studien minder ver buiten het bereik der geletterde schare lagen1.

Witsen's kaart van Tartarije, gereed gekomen in 1691, werd in het buitenland door sommige geleerden zoo bewonderd, dat de president der Royal-Society haar maker een tweeden Columbus noemde. ‘Indien gij er in slaagt de juistheid uwer aanduidingen te staven’, schreef sir Robert Southwell hem, ‘dan behoeft gij niet langer aan uw roem te denken, maar

[p. 388]

zult alleen om nederigheid te bidden hebben’.1

Algemeen wordt aangenomen dat Witsen's boek over den scheepsbouw en het scheepsbestier, dat in 1671 het licht zag en niet vele jaren daarna in het russisch vertaald werd, den stoot gegeven heeft aan Peter den Groote's voornemen met eigen oogen zich te gaan vergewissen omtrent de inrigting der nederlandsche militaire en handelsmarine2. Het werk bewees dat de schrijver juiste denkbeelden had ten aanzien van het bijzondere in de geschiedenis van zijn land, beschouwd uit amsterdamsch oogpunt. De handelsvloot en de oorlogsvloot: dit waren twee slagaderen van Amsterdam en van de Republiek. Witsen werd de natuurlijke gids van den czaar in Nederland3.

Willem III achtte hem een man van zoo veel gewigt, dat toen Witsen in 1688 zich bereid had verklaard den aanslag des stadhouders op Engeland te ondersteunen, de hagchelijke onderneming als gedekt beschouwd werd door het krediet der hoofdstad zelf4. Witsen's optreden in Engeland als gezant der

[p. 389]

Staten-Generaal, daarna, was niet een gevolg van zijn diplomatiek genie; ook niet van zijne staatsmansbekwaamheden in het algemeen1. De post werd zijns ondanks door hem vervuld, en hij reikhalsde naar het einde van zijn mandaat2. Door het afwijzen eener verheffing in den adelstand toonde hij een verstandig man te zijn, zonder hersenschimmen omtrent zijne persoonlijke bevoegdheid3. Doch ook dit wegcijferen van zichzelf kon niet verhinderen dat hij voor het beligchaamd Amsterdam gold. Geen ander burgemeester dier stad heeft in de geschiedenis van Europa zulk eene voorname rol vervuld. Door zijne betrekking tot Willem III aan den eenen, tot Peter den Groote aan den anderen kant, behoort Witsen met Van Beuningen en Van Beverningh tot de hoofdpersonen van zijn tijd4.

[p. 390]

Voltaire liet hem slechts regt wedervaren, toen hij op zijne wijze in dit verband hem eervol vermeldde1.

Ofschoon Witsen niet zoozeer een wegbereider was in de wetenschap der 17de eeuw als een voorlooper der vele liefhebbers welke de 18de in Nederland zou zien opstaan, verdient het niettemin onze aandacht dat een zoo vermogend en zoo aanzienlijk man zulk een belangeloozen ijver ten toon spreidde. Gedurende de vijfendertig jaren dat hij ten behoeve zijner tartaarsche land- en plaatsbeschrijving bouwstoffen verzamelde, zijn voor dat doel groote sommen door hem uitgegeven2. Hij behoorde tot het geslacht der nederlandsche mannen van rang, zoo niet van geboorte, hetwelk ik vroeger zeide na Filips van Marnix nog eene geruime poos erfgenamen voortgebragt te heb-

[p. 391]

ben1. Amsterdammer met hart en ziel droeg hij er roem op, dat de tweede echtgenoot zijner overgrootmoeder ingenieur en architekt geweest was en zich als kaartemaker onderscheiden had2. Dat deze Joost Jansen Bilhamer of Beeldsnijder in 1574 tegen den prins van Oranje de spaansche zijde had gehouden, en ten dienste der belegeraars van Leiden door hem eene kaart der leidsche omstreken was vervaardigd, dit telde Witsen niet of bedacht het niet3. Amsterdam ging bij hem boven Nederland. Gelijk zijne persoonlijke eerzucht was op waardige wijze zijne geboortestad te vertegenwoordigen, zoo erkende hij gaarne den man als zijn voorvader wien door burgemeesters dier stad, nog eer zij geus werd, het volbrengen van een gewigtig werk toevertrouwd was en die er zich met eere van gekweten had.