|
|
|
| | | | | |
De Génestet.
De Dichtwerken van P.A. De Génestet. Verzameld en uitgegeven onder toezicht van C.P. Tiele. Twee deelen. Amsterdam, Gebroeders Kraaij, 1869.
| |
I
Velen hebben reeds kennis gemaakt met de nieuwe en voor het eerst
volledige uitgaaf, door de amsterdamsche firma Gebroeders Kraaij ondernomen.
Zij kennen ook de levensschets vanDe
Génestet, door zijn ouden vriend
C.P. Tiele: weleer predikant bij de
remonstranten te Rotterdam en
De Génestet'smede-arbeider bij
het zamenstellen van den Christelijken Volks-Almanak. Een
beteren gids bij het volgen van
De Génestet's uitwendige
bestemming, van het ontstaan zijner werken, zou hun bezwaarlijk aan de hand
gedaan kunnen worden. Tiele's opstel is een uitmuntende legger, een archief vol
nuttige en naauwkeurige informatien; en al wie voortaan, zonder
De Génestet persoonlijk gekend te
hebben, anderen iets van hem vertellen wil, zal die schets, al is zij niet
volledig, moeten raadplegen.
Voor mij, die meer de vertrouwde van
De Génestet's gedachten dan van
zijne lotgevallen of zijne levensgeschiedenis geweest ben, en die
Tiele's arbeid alleen aanvullen kan voor
zoo ver de inwendige ontwikkeling van den dichter betreft, voor mij staat het
vast dat, ware hij niet zoo jong gestorven, | | | | de tweede helft van
De Génestet's letterkundig leven
zeer ongelijk zou zijn geweest aan de eerste. En ik zeg dit niet bij wijze van
gissing, maar op grond der zeer levendige herinnering van mijn laatste
onderhoud met hem, bij gelegenheid van zijn laatste bezoek
aanHaarlem.
Het was in de tweede helft van April 1861; weinige dagen na het
verschijnen van zijn dichtbundel Laatste der Eerste, aan
welks ingang die merkwaardige voorrede te lezen staat; weinige dagen
vóór zijn vertrek naar het weemoedig Rozendaal, van
waar zijne vrienden hem niet zagen terugkeeren, en op welks kerkhof, ver van
het graf zijner beminlijke vrouw en den kleiner grafkuil van zijn
éénig zoontje, zijn overschot rust.
Ofschoon de lente het niet noodig scheen te vinden, ter wille van
ons zamenzijn een lagchend gelaat te vertoonen, gingen wij 's namiddags, hoe
betrokken de lucht mogt staan en hoe gevoelig de noordwestewind door onze
overjassen drong, in den nog bladerloozen Hout eene wandeling doen; en op dien
kruistogt was het dat ik hem het programma hoorde ontwikkelen, aan welks
uitvoering de dood hem zelfs niet vergund heeft de eerste hand te leggen.
Of hij toen anders dacht, anders sprak, dan in zijne pasverschenen
voorrede? Neen, maar hetgeen daar slechts aangeduid is, bragt hij toen onder
woorden
‘Ik geloof, dat er nog wel andere snaren op mijn speeltuig kunnen
weêrklinken, dan die tot nu toe met hun tederen toon slechts een
vriendelijk oor hebben gestreeld,’ zeide hij tot het publiek in de laatste
dagen van Maart. In zichzelf luidt dit vrij onbeteekenend. De meeste jonge
dichters zullen, wanneer zij zich wat ouder gaan gevoelen, met dezelfde of eene
soortgelijke betuiging gereed staan.
Iets meer zegt hetgeen de aangehaalde woorden voorafgaat, en
handelt over eene poëzie
‘zich bewegend binnen zekeren kring van gedachten en gevoelens,
niet zeer ruim, niet zeer hoog en vrij alledaagsch; familie-poëzie, voor
ieder begrijpelijk, gemoedelijk, niet te diep, niet te stout, vooral ook niet
raar of onstichtelijk.’ Doch ook dit zou in zichzelf voor eene
beleefdheidsformule kunnen doorgaan. Hoogstens zou het kunnen aangemerkt worden
als een bewijs, dat de dichter zich | | | | omtrent de betrekkelijke
waarde van het alsnog door hem geleverde geen hersenschimmen maakte.
De indruk nu is onvolledig.
De Génestet was de man niet om
voorredenen te vullen hetzij met pligtplegingen, hetzij met gemeenplaatsen.
Maar toen hij nogmaals al de gedichten zijner eerste periode had
bijeenverzameld; toen de spanning had opgehouden waarin hij het jaar te voren
door het zamenstellen der
Leekedichtjens gebragt was; toen moest eene
zelfkennis gelijk de zijne hem tot het inzigt doen komen dat hij zijn eigen
ideaal nog slechts zeer onvolledig verwezenlijkt had. En dit bewijs zijner
meerderheid is te krachtiger, omdat op grond der zelfde
Leekedichtjens al zijne vrienden het er destijds voor hielden
dat hij de tweede periode van zijn talent reeds ingetreden was. Toen bij
zijn graf, met het oog op dien kleinen bundel, gewaagd werd van
‘de volle wedergeboorte van den kunstenaar, welke in die verzen
zamenviel met de definitieve vorming van den mensch en zijn karakter’, toen
was de persoon die zoo sprak slechts de tolk van een algemeen aangenomen
gevoelen. Naderhand is het mij duidelijk geworden dat
De Génestet zelf, zoo hij op dat
oogenblik ontwaakt was, met die woorden niet zou hebben ingestemd. Zijns
inziens maakten ook de
Leekedichtjens een onderdeel uit der
poëzie welke hij in zijne voorrede zoo juist beschreven heeft; of wel,
indien men ze te ernstig vond voor eene versnapering, dan wilde hij ze
aangemerkt hebben, niet als het begin van een tweeden maaltijd, voedzamer dan
den eersten, maar als een ter afwisseling aangeboden hors-d'oeuvre.
Werkelijk vertoonen zij, in overeenstemming met het onbepaalde van
hun naam, dit gemengd karakter. Nieuw, in zoo ver hunne stof ontleend is aan
vraagstukken welke den dichter voorheen koel gelaten hadden, bewegen zij zich
tevens in dezelfde rigting, en openbaren zij dezelfde gevoelens, die uit al
zijne andere verzen spreken. Van Matthias Claudius bezit men eene
Laien-Predigt, van Leopold Schefer een Laien-Brevier, van
Friedrich von Sallet een Laien-Evangelium. Al die zamengestelde
benamingen hebben eene scherp afgebakende beteekenis. Haar eene helft, welke de
andere schijnt op te heffen, stelt integendeel die andere in een nieuw licht.
Vereenigd vormen de | | | | twee eene voor niemand onverstaanbare
antithese. Doch
De Génestet zou de eerste zijn
bij nader inzien te bekennen, dat van den door hem gekozen titel bezwaarlijk
hetzelfde getuigd kan worden. Leek en dichter hebben te geener
tijd eene tegenstelling gevormd; en men moet geleefd hebben in Nederland,
omstreeks het jaar 1860; moet van ver of nabij gemengd geweest zijn in den
toenmaligen kerkelijken strijd daar te lande; moet kennis dragen van het feit
dat die onkerkelijke rijmen afkomstig waren van een geordend predikant, - om te
kunnen bepalen of al dan niet aan het woord Leekedichtjen
iets puntigs eigen is, en waar in dat puntige bestaat. Ofschoon niemand
loochenen kan dat in dien kleinen bundel een groot aantal deels gevoelige,
deels zeer geestige verzen van meer of minder omvang voorkomen, en hoewel die
verzen niet-alleen onder de fraaiste moeten geteld worden welke hun maker uit
de pen zijn gevloeid, maar zij ook in zichzelf eene onbetwistbare dichterlijke
waarde bezitten, behooren zij nog altijd tot de orde der huis- of
kamer-poëzie. Ook de Leekedichtjens zijn
Onder-onsjens. Ook op hen past de door den dichter zelf geleverde
bepaling van dat genre.
En dit is het wat
De Génestet bedoelde, toen hij op
onze wandeling in den Haarlemmerhout, sprekend over Goethe en Schiller, over
Byron en Musset en Heine, mij zijn nood klaagde, dat hij steeds in de
poëzie te zeer aan het konventionele geofferd had en niet, naar het
voorbeeld dier groote dichters, zij het ook op een afstand, geheel en al zijn
eigen weg gegaan was. Hij wist dat men ook in het vak der Onder-onsjes echte
meesterschap ten toon kan spreiden; en niemand, dit besefte hij, kon hem met
grond verwijten, voor zoover hem zelf betrof, er de hand mede geligt te hebben.
Ook wilde hij niet dit of dat gedeelte van zijn werk herroepen of verloochenen.
Neen, wat hij geschreven had, had hij geschreven; en daar de bijoogmerken ter
wille waarvan hij aan de kunst niet altijd alles gegeven had wat haar toekwam,
nooit onedel geweest waren; hij nooit met voorbedachten rade, steeds in zijne
eenvoudigheid en met de meeste goede trouw, zich van haar als van eene dienares
en een voertuig bediend had, - was hij zich ook bewust, met een zuiver geweten
voor haar regterstoel | | | | te kunnen verschijnen. Doch met dat al moest
hij erkennen, de letterkunde van zijn vaderland nog met geen enkele dier
scheppingen verrijkt te hebben, welke alleen in staat zijn de hoogste eerzucht
te bevredigen; en zoo dit voor een gedeelte aan den minderen omvang zijner
gaven was toe te schrijven, het lag voor een ander toch ook hieraan, meende
hij, dat hij te weinig gedurfd had.
Voor het schrijven van Byron's Don Juan, van Heine's
Deutschland, van Musset's Rolla of Namouna of
Mardoche, zou hij teruggedeinsd zijn. Den daarvoor vereischten moed
noemde hij euvelmoed. Doch, aan zulke dichters en zulke dichtwerken had Holland
geen behoefte. Bij elke natie moest de poëzie zich regelen naar
plaatselijke omstandigheden; en dezelfde stoutheid, die in den vreemdeling, op
een afstand gezien, bewondering wekt, zou op den landgenoot slechts den indruk
van driestheid of vermetelheid maken. Evenwel, er moest iets gedaan worden om
de grenzen van het letterkundig gebied te onzent een weinig uit te zetten. De
poëzie moest in haar stroom meer takken opnemen dan zij in den laatsten
tijd gedaan had; moest een getrouwer spiegel van het leven onzer eeuw, ook in
Nederland, worden; moest breken met het vooroordeel dat iets te gelijk
menschelijk, en nogtans, hoe ook geïdealiseerd, ongeschikt kon zijn om in
haar tempel te worden toegelaten. Zij moest in alle rigtingen de school
verlaten voor de natuur; en deze, gelijk in de dagen onzer klassieken, weder
overal op de daad-zelve gaan betrappen.
Hoe zou het opgenomen worden, indien hij dat programma voortaan
tot het zijne maakte? Wat zou het publiek daarvan zeggen? Tot hiertoe hadden
zijne verzen met hun
‘tederen’ toon slechts
‘vriendelijke’ ooren gestreeld: zouden die ooren vriendelijk
blijven, indien de toon bijwijlen uit het tedere ging vallen? En wat zou hij
antwoorden, hij die tot hiertoe nooit iemand geërgerd had, indien het
verwijt hem trof: Die nieuwe kring van gedachten en gevoelens, waarin gij u
beweegt, is mogelijk zeer ruim, zeer hoog, in het geheel niet alledaagsch; maar
stellig is hij raar en onstichtelijk; o gij ontrouwe minnaar der
familie-poëzie, ontwaak uit uw heilloozen droom, keer terug tot uwe eerste
liefde, en schenk | | | | ons op nieuw dat gemoedelijke, dat niet te diepe
en niet te stoute, hetwelk voor ieder begrijpelijk is? - Hij gaf toe dat dit
gevaar noch denkbeeldig was, noch gering moest geacht worden. Doch tevens
meende hij dat alles aankwam op takt en beleid. Nimmer zou hij den indruk
willen maken, zich zelf ontrouw te zijn geworden; tot geen prijs het krediet
willen schokken, hetwelk hij tot nog toe genoten had; niemand willen
afschrikken, niemand van zich willen vervreemden.
Zoo sprak hij. Doch ofschoon de juistheid van zijn inzigt in de
behoeften der vaderlandsche litteratuur bij mij aan geen twijfel onderhevig is,
en ik stellig geloof dat hij poging op poging zou hebben aangewend om in de
bestaande leemte te helpen voorzien, houd ik het toch niet voor waarschijnlijk
dat hij geslaagd zou zijn. De toekomst welke hij zich voorspiegelde was
onbereikbaar: een geheel ander dichter worden en nogtans blijven die hij was,
niets verzwijgen en nogtans in niets de maat te buiten gaan, niemand ontzien en
op staanden voet door allen geëerd worden. En uit dit oogpunt is er reden,
hem met zijn vroegtijdig heengaan geluk te wenschen. Wij menschen verbeelden
ons vaak dat, uit het bezit van het hoogste inzigt, ook de roeping of de
verpligting voortvloeit het hoogste te volbrengen. Dit is eene dwaling.
Menigmaal is dit heimwee naar het hoogste alleen bestemd, de volmaakte
uitvoering van op één na het hoogste te verzekeren. Bij
De Génestet had het ideaal die
bestemming overvloedig vervuld. Door zich te willen vernieuwen, zou hij
zichzelf alligt teleurstelling op teleurstelling berokkend hebben; zich te
herhalen zou beneden hem geweest zijn. Daarom doet eene onbaatzuchtige
vriendschap om zijnentwil zonder morren afstand van hem aan het graf. Welligt
is er op aarde geen vrediger schouwspel dan dat van den rijkbegaafden man in de
naauwlijks ontloken kracht des levens, die, na met kwistige hand tol aan de
menschheid betaald te hebben, eensklaps ter zijde van den grooten weg een
bijpad inslaat, van het paard stijgt, in de schaduw der bloedende heesters zich
uitstrekt in het mos, onder het zingen der nachtegalen insluimert, en uit dien
slaap niet weder ontwaakt.
| | | | | |
II
De opmerking van den apostel Paulus dat sommigen door de magt van
den Geest geroepen zijn tot
‘herders’, grijpt dieper in het maatschappelijk leven dan men
bij het vernemen dier klerikale termen aanvankelijk denken zou.
Bij Homerus worden de koningen herders der volken genoemd. Onder
den invloed van het christendom is de herderlijke betrekking zuiver kerkelijk
geworden, en tot den huidigen dag is zij dat gebleven. Van al de volken van
Europa, bij welke het protestantisme ingang heeft gevonden, zijn de Franschen
het gelukkigst geweest in het kiezen van een naam voor de voorgangers der
afgescheiden gemeenten; de Hollanders het ongelukkigst. Terwijl de fransche
predikant, hij zij luthersch of gereformeerd, zich op ongekunstelde wijze
pasteur noemt en door de wereld zonder glimlagchen met dien titel wordt
aangesproken, is in Holland het oude geloof in het bezit van den
pastoors- naam gebleven en hebben de volgelingen der nieuwe leer voor
hunne geestelijke leidslieden dien van dominé aangenomen. Een
naam die den apostel Paulus, ware hij over de keus geraadpleegd, groote oogen
zou hebben doen opzetten.
Bleef men aan klanken hangen, dan zou het feit dat
De Génestet reeds op jeugdigen
leeftijd voor zichzelf het ambt van dominé gekozen, voor dat ambt
gestudeerd, en het gedurende al de beste jaren van zijn leven bekleed heeft,
aanleiding kunnen geven tot eene verkeerde voorstelling en waardering van den
hoofdinhoud zijner poëzie. Door het bezit van een eigen vermogen, hoe
bescheiden ook, was hij als jongeling, zonder ouders of voogden welke hem in de
eene of andere rigting aanmoedigden of zochten over te halen, vrij in de keus
eener loopbaan; en het is alleen zijne eigen neiging, of laat mij liever
zeggen, het is zijne natuur-zelf geweest, welke hem boven elke andere
maatschappelijke betrekking de voorkeur heeft doen geven aan die van
evangelie-prediker. Had hij bij voorkeur in de letteren willen studeren, niets
zou hem daarin verhinderd, - met het oog op zijn vroegtijdig ontwikkelden
dichterlijken aanleg zou ieder het natuurlijk gevonden hebben.
| | | |
Het dominé-zijn was bij hem eene roeping,
sterker dan eenige andere. In No. 58 zijner Leekedichtjens
heeft hij de tuchtroede opgeheven tegen een hollandschen knaap, wiens
ijdelheid zwaaijen wil met een priestermouw, heerschen met een steek, en die om
geen andere reden het predikambt begeert dan om van den steilen en hoogen stoel
eenmaal zelfgenoegzaam te kunnen nederzien op de schare. Die karikatuur
schreeuwt, dunkt mij, metDe Génestet's eigen
verleden. Zeker is een tien- of twaalfjarige dreumes die in de kinderkamer
kerkje speelt en op eene stoof klimt, om zijne broeders en zusters tot boete en
bekeering te vermanen, geen aanvallig specimen van den vaderlandschen landaard.
Doch niemand wist beter dan
De Génestet dat men zulk een
knaap niet behoeft te zijn, en nogtans op zeer jeugdigen leeftijd een zeer
sterken aandrang kan gevoelen godsdienstleeraar te worden. Wat hem althans
betreft is die neiging, ofschoon hij hare portée niet dadelijk
doorzien kan hebben, en zij ook bij hem somtijds met onzuivere bestanddeelen
vermengd geweest zal zijn, in den vorm eener tweede natuur tegelijk met hem ter
wereld gekomen.
En men meene niet dat hij uit dien hoofde tot eene bijzondere of
schaars vertegenwoordigde klasse van personen te rekenen zij! Het dominé
willen worden is geen zeldzamer roeping dan het soldaat, matroos, schilder,
geleerde willen worden. In den kring van elk kerkgenootschap, groot of klein,
worden elk jaar zeker aantal kinderen geboren, wien de trek naar het herderlijk
ambt ingeschapen is en uit welke, onder gunstige omstandigheden, even zoo vele
geestelijken van onderscheiden belijdenis groeijen zullen. Vandaar de
magteloosheid waartoe, in alle eeuwen, de priesterhaat zich veroordeeld heeft
gezien. Het anti-klerikalisme rust op de loochening van een onbetwistbaar feit:
het feit dat de geestelijke, de priester, de predikant, hoe men hem noemen wil,
een normaal voortbrengsel der menschelijke zamenleving is. Het euvel te duiden
en niet te kunnen verdragen dat, in elke eeuw en onder elk geslacht, telkens
nieuwe personen opstaan die zich aan de dienst van onderscheiden kerken wijden,
is even verstandig en doeltreffend als zich boos te maken over het afvallen en
weder aangroeien van de bladeren der boomen.
| | | |
De Génestet's poëzie, daarop
wilde ik komen, is pastorale poëzie. Pastoraal, maar daarom niet
minder diep of zuiver gevoeld; niet minder uit de volle borst. Indien de
geheele wereld het Vauvenargue steeds tot eer gerekend heeft dat mannen, wier
zoon hij had kunnen zijn en die vooral niet door overmaat van eerbied voor de
geestelijkheid uitmuntten, mannen als Voltaire en de zijnen, hem met den naam
van mon père aanspraken; indien een jeugdig wijsgeer en officier,
door de verhevenheid zijner denkbeelden en de waardigheid zijner gevoelens, in
wereldsche kringen zulk een indruk op zijne ouderen en meerderen heeft kunnen
maken, - waarom zal men het in
De Génestetmisprijzen of
onnatuurlijk vinden, dat onder zijne verzen er sommige worden aangetroffen,
waarin hij zijn lezer met den naam van
‘o Mensch’ of
‘o Jongeling’ toespreekt, en zelfs enkele waarin hij zijne
lezeres
‘o Vrouw’ noemt? In zijn mond waren dergelijke apostrofen zoo
min een uitvloeisel van aanmatiging als van gemaaktheid, maar veeleer de
onwillekeurige wending van den loop zijner gedachten in oogenblikken van
opgewektheid.
Onwederstaanbaar was bij hem de behoefte, tot anderen het woord te
rigten en, in het gevoel der hooger en edeler gewaarwordingen welke zijne borst
doorstroomden, hen beurtelings te troosten en te vermanen. Vandaar de zeer
sterk uitkomende subjektieve toon dien zoo vele zijner verzen ademen. Zonder
het publiek lastig te vallen met bekentenissen waarmede het niet te maken had,
heeft hij aan de wereld een groot gedeelte zijner zielsgeschiedenis verhaald;
heeft zijne zwakheden en tekortkomingen beleden, de verleidingen waaraan hij
blootstond, de twijfelingen die hem bestormden, den dag en het genot zijner
wedergeboorte. Vertoonde hij in dit alles den mensch, bij wien de godsdienst
boven alle andere betrekkingen gaat, en regtvaardigde hij op die wijze de door
hem gedane keus, hij handhaafde tevens zijne bevoegdheid als gids van
derden.
Het is niet mogelijk de echtheid zijner roeping te dien aanzien in
twijfel te trekken, of de toevallige dogmatische rigting, waarbij hij in
vroeger of later tijd zich heeft aangesloten, te beschouwen als eene zaak welke
voor hem hoofdzaak was. Hij was geen gedoopt israëliet, geen regtzinnig
ijveraar onder | | | | de roomschgezinden, geen protestant van den ouden
stempel; zelfs was hij in den laatsten tijd, indien men wil, te naauwernood een
christen. Doch wie kan de bekoring loochenen, die van zijne gedichten uitgaat;
hetzij hij in nieuwe psalmen de algemeene godsdienst verkondigt, welke hij voor
de hoogste en beste hield; aan den bruiloftsdisch of bij het geopend graf zijne
opvatting van het leven bezingt; of als vriend, als echtgenoot, als vader, een
heil schildert en aanprijst, welks wedergade volgens hem overal elders op aarde
vruchteloos gezocht wordt? Zulke verzen zijn alleen geschreven kunnen worden
door iemand die daarin een gedeelte van zijn eigen zieleleven gaf; en gelijk
hij door dat geschenk duizenden aan zich verpligt en tot erkentelijkheid
bewogen heeft, bewijst het hem wederkeerig de goede dienst, zijn naam in
uitgebreiden kring te doen medeklinken onder de welluidendsten.
Gelijk echter het genre der pastorale poëzie zijne grenzen
heeft, zoo heeft al dat liefelijke en benijdenswaardige ook zijne keerzijde; en
er is niet veel verbeeldingskracht noodig om zich te kunnen voorstellen, dat
eene levensbeschouwing als die, welke in dit gedeelte vanDe
Génestet's verzen overal doorschemert of zich op den voorgrond
dringt, in menig geval onvoldaan moet laten.
Ik doel noch op de klasse van personen welke hij onder den
kollektieven naam van Jan Rap heeft aangeduid en wier genegenheid hij daardoor
(hoewel dit zijne nagedachtenis niet schaden zal) ongetwijfeld voor goed
verbeurd heeft; noch op de talrijke schaar der anderen en beteren, wier
positiever kerkgeloof onmogelijk vrede hebben kan met een zoo schemerachtig
christendom als het zijne. Van hen spreek ik die, naar den inwendigen mensch,
in mindere of meerdere mate ontbeerd hebben wat
De Génestet bezat en bezong, en
die nogtans met niet minder levenslust en geen kleiner
stervensmoed dan hij, - men kent die veelbeteekende formule van hem, -
hun lot gedragen hebben en tot het stof der aarde teruggekeerd zijn. Voor
dezulken is eene poëzie gelijk de zijne niet-alleen onbruikbaar, in zoo
ver zij hen beurtelings onbevredigd laat of kwetst, maar zij hebben regt te
beweren dat hunne levensbeschouwing de zijne overtreft.
| | | |
Men neme er de proef van en oordeele zelf:
Het leven heeft zijn lieflykheên;
Den God des levens rijst mijn lied!
Maar leefde ik niet voor eeuwig, neen -
Zoo leefde ik liever niet.
Gy, kindren, zijt mijn grootste schat,
De reinste vreugd, die de aard my biedt.
Maar, zoo 'k u niet voor eeuwig had...
Te kennen, rustloos, is mijn wensch:
Schoon is des geestes wijd gebied!
Maar zag ik hier zijn enge grens...
Ik dacht maar liever niet.
't Geluk der liefde is 't leven waard,
Is hemeltroost in de aardsche smart;
Doch waar' heur band een band van de aard...
o Sterf dan, minnend hart.
Zoo dacht
De Génestet; en indien hij anders
gedacht had, zou hij zichzelf niet geweest zijn. Het lag in zijn karakter,
gelijk het in dat van ontelbaar velen ligt, werkelijkheid toe te kennen aan
hetgeen hij in de hoogste mate wenschelijk achtte. Bij het loslaten of niet
loslaten van zoo menig dogma, hetwelk in den aanvang bij hem voor een axioma
gegolden had, vroeg hij niet in de eerste plaats: Wat is waarheid? maar: Wat
kan ik missen, zonder schade voor den vrede van mijn gemoed? En wanneer hij
bevond dat een of ander geloofsartikel, bijzonder of algemeen, zoo was
ineengegroeid met zijn wezen, dat hij het niet prijsgeven kon zonder met
zichzelf in tweestrijd te geraken of den draad zijner gedachten te verliezen,
dan zwoer hij daarbij:
Maar leefde ik niet voor eeuwig, neen -
Zoo leefde ik liever niet.
Doch nu neme men den een of anderen philosophe sous les
toits, gelijk Émile Souvestre in een bekroond boekje er een
geschilderd heeft; iemand wiens wetenschappelijke studien | | | | (eenzijdig wetenschappelijk, zoo men wil) hem geleid hebben tot de
overtuiging, dat voor het geloof in een persoonlijk toekomstig leven geen
enkele redelijke grond kan worden aangevoerd; een eenzelvig denker en
onderzoeker, die reeds vroeg heeft leeren inzien dat de waarheid eene te
ingewikkelde zaak is, en te groot van omvang, om binnen het bereik van den
menschelijken geest te vallen, en die uit dezen hoofde aan het nasporen en
vaststellen van twee of drie feiten meer waarde leerde hechten dan aan alle
bespiegelingen over het oneindige te zamen; iemand wiens beperkte middelen hem
noodzaken, door onafgebroken arbeid in zijn dagelijksch onderhoud te voorzien;
een ongehuwde en kinderlooze, voor wien de vreugden der liefde geen ander
bestand in de werkelijkheid hebben gehad dan zamengevat kan worden in een
onvoltooiden en uitgewischten roman uit de dagen der jongelingschap; een
martelaar van ligchamelijk lijden, te zwak van borst om met volle teugen de
lentelucht te kunnen inademen, te zwak van gezigt om zijn leeslust te kunnen
voldoen; geen dichter, geen schilder, niet muzikaal, niet gezellig, verstoken
van honderd kleine afleidingen en verstrooijingen, waarin voor menig ander het
geheele bestaan zich oplost; een misdeelde, een hulpbehoevende, voor wien de
fortuin sedert den dag zijner geboorte geen driemalen een glimlach heeft
overgehad, en die, na geleefd te hebben als een vondeling, zijne maatregelen
neemt om te gaan sterven in een hospitaal.
Welk een lot! Doch niet-alleen verloopt in eene eenigzins
zamengestelde maatschappij geen enkele dag, dat de levensdraad van sommigen
niet aldus geknoopt of doorgesneden wordt, maar elk gevoelt dat, in het licht
van dergelijk bestaan, - indien noch de tegenspoeden dat hart verbitterd, noch
de smarten dien geest gebroken hebben; indien de grondtoon van dat leven, voor
hetwelk zich geen andere vergezigten dan die der eindigheid hebben geopend,
eene onverstoorbare welwillendheid geweest is, - de opvatting van
De Génestetverbleekt. Niet dat
het onedel is den Schepper, wiens lof men zegt te zingen, de voorwaarden te
doen kennen op welke men zich bereid verklaart de donkere en zelfs de
lichtzijden van het leven te aanvaarden; maar fierder is het, en tegelijk
eerbiedi- | | | | ger, dat leven met een gelijk gemoed onvoorwaardelijk aan
te nemen, en het ook dan nog lief te hebben, wanneer het blijkt voor de eene
helft uit raadselen, voor de andere uit teleurstellingen geweven te zijn.
| |
III
Met geen zijner eigen werken is
De Génestet eerst zoo ingenomen,
daarna zoo verlegen, en doorgaans zoo vervuld geweest als met zijn
Sint-Nikolaasavond. In de voorrede van den eersten druk
der Eerste Gedichten wijdt hij aan het ontbreken dier
amsterdamsche vertelling eene geheele bladzijde. In die van den tweeden druk
handelt hij over niets anders dan haar in het licht verschijnen. Zijne
redevoering over Kinderpoëzie is door middel eener
breede inleiding er aan vastgeknoopt.
Voor een recensent is dit eene vingerwijzing. Hij leert er uit,
naar welken maatstaf de auteur zelf het liefst beoordeeld wil worden. Dat
De Génestet het handschrift van
den Sint-Nikolaasavond aanvankelijk niet naar de pers
heeft willen zenden en zich deswege met veel nadruk bij het publiek
verontschuldigd heeft; hij, toen elf jaren later het dichtstuk door hem
uitgegeven werd, die daad als eene soort van dagteekening in zijn letterkundig
leven beschouwde; twee jaren te voren eene noot, aan den voet van het toen nog
éénig gedrukt fragment, hem is toegeschenen eene geheele
verhandeling te kunnen dragen, - dit spreekt te luid om daarbij aan toeval te
denken.
Mijns inziens heeft
De Génestet, schrander van
oordeel ook waar het hem zelf betrof, te regt begrepen dat hij met die
amsterdamsche vertelling om zoo te zeggen stond of viel, en gehoorzaamde hij
aan een juist voorgevoel, toen hij voor haar eene bescheiden plaats op het
gebied der nederlandsche letterkunde vroeg:
‘als welgemeende proeve in een dichtsoort, die, zoo ver ik weet
(voegde hij er bij), ten onzent althans, nog niet door afschrikkende
meesterstukken vertegenwoordigd is.’
Alleen doe ik opmerken dat de
Sint-Nikolaasavond noch op zich zelf staat, noch de
volmaaktste uitdrukking is van hetgeen de dichter in dit genre vermogt. Die
volmaaktste uitdrukking, men vindt haar in den helaas onvoltooid gebleven
Mail-
| | | |
brief, terwijl aan
Fantasio de lof toekomt 's dichters eerste
schrede op het veelbelovend terrein geweest te zijn.
Fantasio, de Sint-Nikolaasavond, de
Mailbrief, - dit zijn in klimmende reeks niet slechts de
drie uitvoerigste, maar ook de drie merkwaardigste onder
De Génestet's gedichten; die waarop
de tand des tijds het minst vat zal hebben, omdat zij de meeste letterkundige
waarde bezitten en al de lichtstralen van zijn talent er als in een bundel zijn
zamengevat.
Van
De Génestet's ernst, wanneer hij
enkel ernstig was, heb ik een voorbeeld bijgebragt. Met zijne luim, wanneer hij
enkel luimig is, wil ik even zoo handelen. Om de juistheid van mijn oordeel
over zijne drie hoofdgedichten te staven moet ik het bewijs leveren dat ernst
en luim daarin niet op zichzelf of nevens elkander staan, maar - toppunt der
kunst - elkander doordringen. Ziehier een Liedtjen in de
Maneschijn, dat ons in zijne soort dezelfde dienst bewijzen zal als
de zoo sterk daarmede kontrasterende Levensvoorwaarde
gedaan heeft:
Hoe 't koomt toch, dat zoo garen
De meisjes - vraagt ge my -
In 't lieve maantjen staren
Wel, hebt gy nooit vernomen
Van 't mannetje' in de Maan?
Zy zien het in heur droomen,
Zy lokken 't met een traan.
Schijnt later - als de morgen
Haar naast een wiegjen wekt,
En de avond uit de zorgen
Haar in de veêren trekt -
Schijnt later van den hoogen
Het maantjen op de ruit, -
Men kijkt met andere oogen:
Zelfs ziet men menig spannetjen
Dat vaak de vrouw het mannetjen
Terugwenscht naar de maan.
| | | |
Wie smaak heeft voor geest en bevalligheid, behoeft
na deze aanwijzing
De Génestet's dichtbundels
slechts op te slaan om, zonder iemands voorlichting, daarin slag op slag kleine
bloedverwanten van dit Liedtjen aan te treffen. Zelfs
onder de Leekedichtjens zal men ze vinden. Wel is hun
aantal zoo groot niet als dat der ernstige of zwaarmoedige liederen, maar zij
zijn in hunne soort even echt; en hen vooral dieDe
Génestet persoonlijk gekend hebben, zult gij uit
één mond hooren getuigen dat die humor hem aangeboren was. Aan
een geopend hart voor de indrukken van het vele en velerlei lijden in deze
wereld, paarde hij een open oog voor het komische en vond, bijna altijd zonder
te kwetsen, voor zijne luim een bekoorlijken en tot glimlagchen stemmenden
vorm.
Velen zullen van oordeel zijn, en teregt, dat die vrolijke
invallen min of meer schreeuwen met de schijnbaar doorgaande stemming van den
altijd eenigszins plegtstatigen herder en leeraar, hoe jong en levenslustig
deze wezen mogt. Zij zullen de meening voorstaan, en men zal hun daarin niet
geheel ongelijk kunnen geven, dat waar zooveel weemoed zamengaat met zulk een
gullen lach, aan de zuiverheid van of den eenen, of den anderen, iets schijnt
te ontbreken. Eene gereede verschooning dier tegenstrijdigheden is ongetwijfeld
's dichters jeugd. Op dien leeftijd staan de indrukken, welke men ontvangt, nog
scherp en grillig tegen elkander over, en is men het eene oogenblik even opregt
bedroefd, als men het andere ondeugend of uitgelaten is. Eerst naderhand, met
het langere leven en de langere kunst, komt de ineensmelting. Doch waarom
verontschuldigingen bijgebragt? De drie groote gedichten, die ik noemde, maken
ze overbodig. Zij getuigen dat reeds in de vroegste dagen zijner jongelingschap
- want zoo de Mailbrief, indien hij voltooid ware, het
werk van een man geweest zou zijn, de Sint-Nikolaasavond
was het werk van een knaap, Fantasio van een kind bijna,
- zij getuigen dat reeds toen het besef van den hoogsten kunstvorm levendig bij
hem geweest is en zijn dichterlijk instinkt hem den waren weg heeft
aangeduid.
Toen
De Génestet zijne nieuwe
dichtsoort nog niet door
‘afschrikwekkende meesterstukken’ vertegenwoordigd noemde, | | | | althans in Nederland niet, kritiseerde hij in het voorbijgaan, met
opzet of onbewust, de Masquerade van
Nicolaas Beets. Evenzeer in het
voorbijgaan veroorloof ik mij de opmerking dat
De Génestet's oorspronkelijkheid
dikwijls geleden heeft onder den diepen indruk dien de poëzie van
Beets op hem maakte, en voeg er de
voorspelling bij dat zijne afhankelijkheid te dien aanzien, ofschoon zijn
dichterlijk talent even groot was, in vervolg van tijd bij toeneming aan het
licht zal komen. Op dit oogenblik weet ieder nog te goed dat de oud-predikant
Beets eene andere kerkelijke rigting
volgt dan die waartoe
De Génestet behoorde, en deze
levendige herinnering is oorzaak dat beider aanhangers en vereerders twee
verschillende groepen vormen. Doch over eenige jaren, wanneer eene
onverschilliger nakomelingschap tot het inzigt zal gekomen zijn dat de
poëzie van
De Génestet, al helt zij meer
naar het rationalisme over, nogtans met die van
Beets, waarin het autoriteitsgeloof eene
grootere plaats beslaat, op denzelfden bodem eener geadelde mystiek gewassen
is, zal men daar anders over gaan denken. Dan zal men
De Génesteteen vervolg op
Beets,
Beets een voorlooper van
De Génestet noemen; den ouderen
dichter zal men geluk wenschen den jongeren vaak bezield te hebben; den
jongeren zal men prijzen dat hij van menig vruchtbaar denkbeeld, door den
ouderen aangegeven, doch onvoltooid gelaten of te vondeling gelegd, partij
heeft getrokken.
Ten opzigte der
Masquerade echter heeft van
De Génestet's zijde te minder
navolging plaats gehad, omdat de vorm der
Masquerade zelve niet begrepen kan worden,
tenzij men tot Byron's Don Juan opklimt. Beide nederlandsche dichters
ondergingen, ofschoon hunne vertellingen voor het overige de kinderlijkheid en
de onschuld zelve zijn, den invloed van één meester. Meer en meer
ga ik gelooven dat geen ander werk der 19de eeuw, Faust alleen
uitgezonderd misschien, zulke diepe sporen in de dicht- en denkwijze van onzen
tijd heeft nagelaten, als die laatste groote arbeid van Engelands
verstooteling. En geen wonder! Indien het de 19de eeuw bovenal kenmerkt de
onherroepelijkste breuk met het verledene te vertegenwoordigen, van welke de
beschaafde wereld sedert den val van het romeinsche rijk getuige geweest is, in
de canto's van Don Juan
| | | | vindt men daarvan de
aanstootelijke, maar ook de treffende, stoute, welsprekende uitdrukking.
Doch Don Juan is ook nog iets anders dan een tijdzang. De
vorm van het gedicht is even merkwaardig, even kenmerkend in zijne soort, als
zijn geest en zijn inhoud. Het is de gemeenzaamheid dienstbaar gemaakt aan het
verhevene, de inval des oogenbliks dienstbaar aan het onvergankelijke, de luim
aan den ernst, de lach aan den traan.
Dit zijn de grenzen binnen welke het vaderschap van
De Génestet's vertellingen aan
Byron toekomt; hetzij hij regtstreeks en alleen bij hém ter school
gegaan is, hetzij hij tevens in zijn kring twee medeleerlingen en
lievelingspoëten opgenomen heeft: Heine en Musset. Een driemanschap, van
wier gezelschap men met de woorden van één hunner getuigen
mag:
Si l'on peut être mieux, on pourrait rêver
pire.
Fantasio en den
Sint-Nikolaasavond laat ik rusten. Het doel dezer kritiek
is niet
De Génestet's meesterstukken te
ontleden, maar een gezigtspunt aan te duiden waaruit men ze met vernieuwd genot
beschouwen moge. Van den Mailbrief echter mag ik niet
zwijgen. Het fragmentarische dier Delftsche Vertelling - gelijk de dichter haar
in onderscheiding zijner Amsterdamsche noemt - heeft haar schoon te zeer uit
het oog doen verliezen; en zij is mijn beste argument. Om 's lezers instemming
te winnen moet ik eene schitterende bewijsplaats kunnen aanvoeren; daarom volgt
hier van den tweeden Zang, - dat die tweede ook de laatste moest zijn! - de
volledige inleiding:
Wat is daar zoet op aarde en lieflyk in dit leven, -
De erinring doet nog vast het hart des grijzaarts beven
Van zachte ontroering; en, o jong en zalig Paar,
Uw boezem trilt gewis, by 't trillen dezer snaar
-
Wat is daar zoet en rein en lieflijk hier op aarde,
Als - 't eerste huwlyksreisje' in 's Levens rozengaarde?
't Is wel de liefste dag op 't reisjen hier beneden,
Een kijkjen nog eens weer in 't lang verloren Eden!
| | | |
Zoo eigen, stille haard u dieper weelde
biedt,
Een zorgeloozer dag geeft ons de Hemel niet!
En menig paartjen wie 't zal spijten, al hun dagen,
Dat zy toen niet meteen Genève en Rome zagen!
Straks koomt de heilge Zorg! men ziet met andere oogen:
Uw ampt, uw zaak, uw beurs, wil 't zwerven niet gedoogen;
Ons boeit het piepend kroost aan 't nestjen van de
trouw,
En - vogels zijn we niet! Maar wat ik zeggen
woû,
Nogtans zoo treurig niets, als juist de huwlyksreisjens,
Die vaak het voorland zijn der liefste delftsche meisjens.
Gy, voor dien feesttijd, zoekt en kiest de lieflykste
oorden,
Gy doolt te saam langs Rijn- of Maas- of Neckarboorden,
Gy juicht: Exelsior! en trekt naar de Alpen heen,
Of de Alpen over, naar de koningin der
steên,
Of naar Venetië, de stad der Gondelieren,
Of naar Luilekkerland, of waar ge ook heen wilt zwieren.
Gij gaat en - koomt terug, gelukkig, opgetogen!
Verrassend staat ge op eens uw dierbren weêr voor de
oogen!
En 't uur van thuiskomst is niet zelden vaak, by
slot
Van reekning, 't zoetste nog van al uw reisgenot.
Men prijst uw uiterlyk; gy bloost; gy hebt apartjens;
Gy geeft presenten en u kloppen alle hartjens.
Doch ànders is het voor myn delftsche bruid besloten.
De Bruiloftsnoga is, in tranen, pas genoten,
Of 't heet: Zeilreê, aan Boord! en 't jonge
paartje' aanvaardt
Een reisje' op de' oceaan, naar de andere helft der
aard,
Naar Java, verder niet! het hart vol zoete droomen,
Om over twintig jaar - of nimmer! weer te komen.
Men viert zijn honeymoon op Zee! 't Is wel verheven,
Althans, by storm! doch ik verkoos de lieve dreven
Der aarde in zoo'n geval. 't Verheevne wordt ook
vrij
Eentonig ras, op zee, als in de poëzy.
En - werdt ge eens zeeziek in de honeymoon - 't zou wezen,
Om 't meest romantisch paar voor altijd te genezen.
| | | |
Maar wee mijn valsche jok! Zoo 'k glimlach, 't is van
smarte,
Als een die tandpijn heeft, ja - tandpijn in zijn harte.
Die reislust toch naar de Oost is 't groote Delftsche
leed!
Een bron van wanhoop soms, van lijden lang en
wreed,
Niet voor die heengaan juist, maar voor die achterblijven,
Wier leven is geknakt, wier troost is - brieven schrijven!
Verliefden zijn tevreê, te land of op de baren.
‘Uw hart en - een kajuit!’ is 't woord der jonge paren.
Philippe en Philippine, in éene notendop,
Zijn zeer gelukkig saam, ook op het ruime sop.
Het afscheid viel wel zwaar - doch Jonkheid, Moed en Liefde,
Zy kwamen 't hart ter hulp, eer 't schip de golven kliefde!
Maar wee die bleven! Hoor, het stormt! De scheeve Toren
Van Delft houdt zich weer flink en taai, als ooit te voren.
Maar 't stormt in menig borst, vol angst en onrust,
meê.
De moeder strijdt en bidt: de kindren zijn op
zee!
En de arme vader gaat zijn weêrglas bestudeeren,
Dat zegt: ‘veranderlyk’ - als
Breêroo:
‘'t kan verkeeren.’
En och, deze angst is een beginsel maar der smarte,
Steeds dreigend nu voortaan uit de onbekende verte,
Waar 't aangebeden kind, naar 't oude
Bijbelwoord,
Den man gevolgd is, wien haar teeder hart
behoort;
Den man - den Roover, dien de moeder in haar droomen
Reeds bij haar dochters wieg, uit Java, aan zag komen.
Want zoo is 't noodlot van een teedren delftschen vader
En moeder: steeds vervolgt hen de oostersche verrader,
Die op hun kindren loert, hun dochtren lief en
schoon,
Steun van hun ouderdom of hunner liefde kroon! -
Verraders noemt men hier Studiosi die naar de Oost gaan,
En hun verliefden blik op 't zoete delftsche kroost slaan.
Trekvogels zijn ze, die vaak de eêlste delftsche
duifjens
Meêvoeren als hun schat, hun kroon, hun prooi, hun
kluifjens;
| | | |
Wreed - als de lammergier, die, hoe de
moeder treurt,
Het eenig ooilam aan haar droeve borst ontscheurt.
De waarheid evenwel dringt my er by te voegen:
Het lammetjen neemt, in dat scheuren, ook genoegen!
‘Kleine bijdrage tot de kennis van het hollandsch familieleven in
de 19de eeuw 2de helft’, staat in miniatuurdruk en tusschen haakjes boven
het dichtstuk te lezen, aan hetwelk deze beminlijke strofen ontleend zijn.
Werkelijk is de Mailbrief zulk eene bijdrage. Een greep
in het hollandsch familieleven is hij, het familieleven van den tegenwoordigen
tijd.
De Onderonsjes zijn eene verwerpelijk genre, omdat zij ten koste
van het nationale en bovenal van het kosmopolitische, hetwelk de eenige
passende vorm van bestaan voor de hoogere dichtkunst is, de ijdelheid voeden
eener coterie, en het geslacht helpen voortplanten van gezelschaps- of
genootschapsdichters. Doch zoodra een dichter, - al wil hij niet meer zijn dan
een schilder van stadsgezigten of binnenhuizen met de pen, - zoodra hij zich
losmaakt van zichzelf en buiten de hem omringende wereld gaat staan; zoodra hij
van medespeler waarnemer, van waarnemer verslaggever geworden is, - dichterlijk
waarnemer en dichterlijk verslaggever, - heeft hij de grenzen van het
Onderonsje verbroken. Het kleinsteedsche, het bekrompene, het burgerlijke, zit
niet hierin dat men burgerlijke tooneelen voorstelt, maar dat men dit doet op
burgerlijke wijze.
Zie de aangehaalde strofen! Dagelijksche gebeurtenissen worden er
voorgesteld van eene ongemeene zijde; en dat ongemeene is niet gezocht of aan
de gebeurtenissen opgedrongen: het vormt er, mits men oogen hebbe om te zien en
ooren om te hooren, werkelijk een deel van. Ook spreekt de dichter wel steeds
van zichzelf in den eersten persoon, maar zijn
‘ik’ is het
‘ik’ van iemand die noch eene bepaalde betrekking in de
maatschappij bekleedt, noch eene afzonderlijke roeping vervult, noch in eenig
opzigt u noodzaakt, hem als den vertegenwoordiger eener rigting te beschouwen.
Het gezelschap dezer ikheid is den lezer te gevalliger, naar mate zij zichzelf
minder gewigtig maakt. Wat eindelijk den algemeenen toon betreft waarin de
verzen geschreven zijn, de ligtzinnigheid is hun even | | | | vreemd als
de ziekelijkheid. Zij bieden de schoonste vereeniging aan van hetgeen alle
menschen de poëzie doet liefhebben en haar gelijken doet op het leven-zelf
in zijne schoonste oogenblikken: eene mengeling van licht en bruin, iets
vrolijks met iets teders tot achtergrond, een nietig voorval welks oorsprong
met de vroegste geschiedenis van al wat menschelijk is zamenhangt, en welks
gevolgen tot in de eeuwigheid reiken.
‘Klein’ heeft
De Génestet die bijdrage genoemd,
en
‘klein’ was ook de plaats welke hij voor haar en haars
gelijken op het gebied der nederlandsche letteren vroeg. Die trek voltooit
zijne beeldtenis. Een groot dichter is iemand die in zijn persoon een geheel
tijdperk van het leven zijner natie uitdrukt; in de geschiedenis zijner
moedertaal een afzonderlijk hoofdstuk beslaat; in de meest tegenstrijdige
dichtsoorten gelijkelijk uitmunt; grootsche ontwerpen en grootsche karakters
schept; nieuwe werelden ontsluit; hemel- en hellevaarten doet medemaken. Zulk
een dichter is
De Génestet nooit geweest en zou
hij nimmer geworden zijn; al behoort het mede tot zijne voortreffelijkheid, dit
gevoeld en erkend te hebben. Nooit heeft hij zich ingebeeld, tot de dichters
van den eersten rang te behooren. Nooit heeft zijne eerzucht verder gereikt
dan, op hoe beperkte schaal het zijn mogt, zich een echten dichter te toonen
onder de nagemaakte. En binnen die engere grenzen heeft hij zeldzame dingen tot
stand gebragt. Gelijk men in eene familie, van het eene geslacht op het andere,
elkander een kleinood vertoont hetwelk de trots der grootouders geweest is en
bij feestelijke gelegenheden door de kleinkinderen gedragen wordt, evenzoo
zullen, zoo lang het hollandsch eene afzonderlijke taal blijft, de verzen van
De Génestet in hollandsche
kringen van hand tot hand en van heugenis tot heugenis gaan.
1869.
|
|
|