|
|
|
| | | | | | | |
I
‘Van waar toch’ - met deze vraag besluit ongeveer
Mr. Da Costa zijne apologie van
Bilderdijk als mensch en dichter
1 - ‘van waar
én by den tijdgenoot, én by een later geslacht, immers tot op dit
oogenblik, eene zoo algemeene miskenning van den man, gelijk wy hem uit zijne
werken schetsten, van zoo hooge dichterlijke gestalte, van zoo zelden
geëvenaarde gaven?’ En hij antwoordt: ‘Alles, ook het meest
onregelmatige en vreemde, heeft zijne dieper liggende oorzaken, welke op te
delven eene taak is, voor de kennis én van den mensch én van de
kunst vol aanbelang en vol aantreklijkheid. Maar ten aanzien van de vraag, die
wy hier ons voorstellen, behoeven wy voorwaar zoo zeer diep niet te gaan. De
miskenning van Bilderdijks grootheid ligt eenvoudig in de vooroordeelen zijner
natie.’
Dit antwoord dunkt ons, op zijn minst genomen, onvolledig; en wij
zullen niet in gebreke blijven opgaaf te doen van de redenen waarom. Doch ook
de vraag-zelve wenschten wij eenigszins anders gesteld te zien. Door te gewagen
van Bilderdijks miskenning en deze als een feit op den voorgrond | | | | te
plaatsen, wordt onzes inziens de kwestie ten onregte gepraejudicieerd. Zal men
toch regt hebben te stellen dat Bilderdijk te onzent is en wordt miskend, zoo
moet vooraf als eene uitgemaakte zaak kunnen aangemerkt worden dat Bilderdijks
grootheid als mensch en dichter aan geen redelijken twijfel onderhevig is. En
wij voor ons zijn dienaangaande nog geenszins met onszelven in het reine. Wij
stelden de bewuste vraag dus liever zoo: Vanwaar Bilderdijks impopulariteit?
Hoe men toch denke over de regtmatigheid zijner aanspraken op nationale
vereering, dit staat vast en is boven alle onzekerheid verheven: Bilderdijk was
en is hier te lande impopulair.
Ga slechts de lotgevallen na dier kostbare en lofwaardige
onderneming, die op Donderdag den 10den November jongstleden, den
100sten verjaardag van Schillers geboorte, tot een gelukkig einde
werd gebragt. Vier jaren lang en daarboven heeft de heer
Kruseman met voorbeeldigen ijver ons
vaderland overstroomd met afleveringen van Bilderdijks kompleete dichtwerken.
Men spreekt van twee duizend drie honderd inteekenaren op deze vijftien lijvige
boekdeelen, te zamen ongeveer zeven duizend vijf honderd bladzijden, waarop
driemaal honderd duizend verzen. Niemand zal dus ontkennen dat de kern onzer
natie in den jongsten tijd althans één oogenblik ernstig gepoogd
heeft Bilderdijk te waarderen, Bilderdijk te wreken van die miskenning waarover
men zoo dikwerf had hooren klagen. Van die kern onzer natie mag getuigd worden
hetgeen eenmaal de hoogste lofspraak was op eene der edelste onder de vrouwen:
Zij heeft gedaan wat zij konde. En de uitslag, hoe is die geweest? Van de drie
en twintig honderd inteekenaren hebben minstens twee duizend - wij zouden er op
durven zweeren - de vier en veertig laatste afleveringen van Bilderdijks
kompleete dichtwerken wrevelig en zonder opensnijden in hunne boekenkast te
slapen gezet, regt overeind. En de eerste aflevering? Zij lazen haar en
getuigden: Goed voor eens, maar nooit weder. En Nederland achtte zich bekocht,
en de oogst was groot maar de arbeiders weinigen, en wederom had de een eenen
akker ge- | | | | mijnd, de ander eene vrouw getrouwd, de derde eene erfenis
gebeurd, maar niemand had moed noch lust om de verzen van Bilderdijk te lezen.
Er is ontveinzen noch bemantelen aan: geen dichter hier te lande zoo impopulair
als deze.
Vanwaar dit verschijnsel? Wij hoorden het antwoord van Mr. Da
Costa: de reden ligt, en eenvoudig, in de vooroordeelen der natie. En zoodanig
is de apologeet van de juistheid dezer oplossing overtuigd, dat hij om haar te
vinden het niet eenmaal noodig keurt ‘zoo zeer diep te gaan’.
Ofschoon wij dit antwoord niet kunnen beamen, wij stellen het niettemin op
prijs. Het verraadt althans in Mr. Da Costa eene belangstelling die aan te
velen in ons vaderland vreemd is, dan dat wij haar niet bij iedere ontmoeting
zouden waarderen: de belangstelling in een verschijnsel zoo ongewoon als
Bilderdijks impopulariteit. Dat zulk een onmiskenbaar genie, eene door haar
lijden en hare tegenspoeden zoo poëtische persoonlijkheid, de dichter van
zoo menig onsterfelijk vers; dat hij, nu dertig jaren of daaromtrent na zijnen
dood zijne kompleete dichtwerken worden uitgegeven, nu derhalve alle
persoonlijke antipathie geacht moet worden vergeten te zijn, ja volgens den
gewonen loop der dingen gerekend mag worden in haar tegenovergestelde te zijn
omgeslagen; dat hij door niemand gelezen wordt, dat hij onbekend is, onbemind
blijft - wij zouden ons niet mogen beroemen eenig hart te hebben voor de
nederlandsche litteratuur, indien wij van dit feit akte verzuimden te nemen of
het niet eenigszins trachtten te verklaren. En al hadden wij aan Mr. Da Costa's
bijdrage tot de kennis van Bilderdijks leven en karakter en schriften geene
andere verpligting dan deze ééne, de door haar geopende en als
uitgelokte gelegenheid om tot zulk eene verklaring te geraken, heeft en behoudt
aanspraak op onze erkentelijkheid.
Hoewel dan niet blind voor de betrekkelijke waarheid van hetgeen
Mr. Da Costa omtrent de vooroordeelen onzer natie
zegt, zijn wij er niettemin verre af deze oorzaak van Bilderdijks
impopulariteit op den voorgrond te plaatsen; verre af inzonderheid haar als
éénige en allesomvattende verklaring te laten gelden. Onzes
inziens ligt de schuld dier impopu- | | | | lariteit niet in de eerste plaats
aan de natie, maar aan Bilderdijk-zelven; aan de gebreken van diens
poëzie, aan de gebreken ook van het karakter dat uit die poëzie ons
toespreekt. Bijna grenzeloos ijdel, hartstogtelijk zonder teederheid, scherp
maar grof, log en laborieus van humor, een onvermoeibaar versifex, een bezinger
van het onbezingbare, onkiesch, smakeloos, duister, onnaauwkeurig,
breedsprakig, is het niet mogelijk dat
Bilderdijk de dichter zij of worde naar het hart eener
natie als de onze. De poëzie van dezen ‘in alles singulieren
man’ vertoont een mengsel van boerschheid en genialiteit zoo zonderling,
dat hij evenveel kans heeft hier te lande populair te worden als - wij noemen
met opzet een bij uitstek heterogeen voorbeeld - de muze van
Heinrich Heine. Eenerzijds veel te
verheven om door het gros onzer landgenooten in zijne somtijds arendshooge
vlugt te worden gevolgd, en aan den anderen kant veel te veel Paysan du
Danube dan dat hij den smaak der groote meerderheid van ons beschaafd
publiek zou kunnen voldoen, zal Bilderdijk in zijn geheel te onzent steeds een
vreemdeling en bijwoner blijven. Het éénige middel om de
kortelings in hem als dichter opgewekte belangstelling levendig te houden, is
dat zoodra mogelijk eene bloemlezing uit zijne dichtwerken - twee of hoogstens
drie niet al te lijvige boekdeelen - afzonderlijk worde uitgegeven. En zelfs
dan nog zou het te bezien staan of wel aan Bilderdijk eene ruime plaats in de
sympathie van ons volk te verzekeren zij.
Wij zijn niet onkundig van het betrekkelijk gewigt onzer bezwaren
tegen karakter en poëzie des zeldzamen mans. Althans ontbreekt ons de
vrijmoedigheid het daareven ingebragte gansch en al onbewezen te laten. Alles
op eens te behandelen zou niet aangaan. Ook kunnen wij ons niet aanstonds tot
de hoofdbron begeven. Voor'shands dus alleen over één of twee
punten. En wat onze aanhalingen betreft, voor ditmaal bepalen wij ons
uitsluitend tot dezelfde fragmenten van Bilderdijks poëzie die ook in Mr.
Da Costa's bijdrage tot opheldering worden aangevoerd. Best wapenen wij
onszelven zoodoende beide tegen wijdloopigheid en onbillijkheid.
| | | |
Wij noemden Bilderdijks humor laborieus en log. Lees
het versje De Wissel en oordeel:
‘Op zicht betaal voor my, aan d'eersten dien ge
ontmoet
En hulp benoodigd ziet, al wat ge kunt voor goed:
Het zal u jegens my in reekning valideeren.’
Zie daar een Wisselbrief, u daaglijks voorgelegd!
Wat doet ge, ô Christenmensch? Gy laat hem
protesteeren?
ô Vrees de strengheid dan van 't Hemelsch Wisselrecht.
Mr. Da Costa noemt dit stukje een ‘los vliegend
blaadje,’ of ook wel ‘een los aanspraakloos versje,’ gelijk
er zich menig ander in Bilderdijks Nieuwe Mengelingen, tusschen statiger verzen
in ‘bevallig en als ter verpozing schakeert.’ Wij voor ons
daarentegen merken niet alleen aanstonds op dat de uitdrukking ‘iemand
hulp benoodigd zien,’ in den tweeden regel, kreupel nederduitsch is en
slordigheid van dictie verraadt, maar meenen ook zeker van onze zaak te zijn
wanneer wij dit versje gezocht en stijf noemen en het betrekken tot de
kategorie van den bastaardhumor. Laat
Luther, neen laat
Spurgeon of een ander
methodisten-prediker dezelfde gedachte uitwerken, en gij zult iets tintelends
bekomen, iets boeijends en pikants. Doch Bilderdijk, met zijn ondichterlijk
‘zie daar’ in den vierden, met zijn nog onbevalliger, ja in
waarheid ploertig ‘o vrees’ in den zesden regel, is als humorist
onmiddellijk het spoor van kunst en gratie bijster. Het versje, gelijk het daar
ligt, zou hoogstens kunnen dienen als chassinet in het voorhuis van een
verloofd bankier of van een makelaar-bruidegom.
Omstreeks 1797 - de dichterlijke balling leefde destijds in
Engeland - werd hem de raad gegeven zich als advokaat te gaan nederzetten te
Demerary. Blijkens hetgeen hij er zelf van zegt in zijne
Geboortsbestemming, lachte het denkbeeld hem aanvankelijk toe, en wel om
zijne oude voorliefde voor studie en praktijk der regten; maar weldra gruwde
hij er van:
Wat dan? - Mijn boezem hangt aan de oefning van mijn recht.
Naar Demerary heen, daar pleiten! - wel gezegd!
| | | |
Een vriend geeft vrije reis. Nu. gaan wy: 't is
geklonken. -
Ja wel, ik meende 't zoo, en was van vreugde dronken.
Een andre morgenzon scheen voor my op te gaan.
Ik vaarde alreeds in hoop mijn eersten kring weêr aan.
Maar neen. Men zegt my toe, ‘daar is fortuin te maken,
In 't korte zijt gy rijk.’ Ik voel mijn beenders
kraken,
Zoo schudden ze in mijn lijf van ijzing! - Ik, fortuin!
Ach, dat rampzalig woord stak me eindloos in de kruin,
Dat me in één oogenblik van eerlijk
rechtsgeleerde
Met al 't verachtlijkst schuim, tot éénen graad
verneerde.
Neen, riep ik, naar geen land, dat m' om fortuin bezoekt:
Geen Christen zoekt fortuin, de Mammon is vervloekt. -
Naar Brunswijk! zei de Prins...
Mr. Da Costa noemt deze schets ‘luimig en, als altijd,
karakteristiek.’ Op dit laatste bijvoegelijk naamwoord dingen wij niets
af. Het gansche fragment is inderdaad karakteristiek; inzonderheid deze
regel:
Ik vaarde alreeds in hoop mijn eersten kring weer aan.
Deze splitsing van ‘ik aanvaardde’ in ‘ik vaarde
aan’ verraadt werkelijk voor een deel het karakteristieke van Bilderdijks
meesterschap over de taal zoowel als van zijne versificatie. Hij staat voor
niets; in de gedachte zoo min als in hare uitdrukking. ‘Een kring
aanvaarden’ geeft volgens hem een goeden zin; met name als er sprake is
van een voormalig advokaat, voornemens de regtspraktijk weder op te vatten.
Doch hoe is het met den humor in deze schets gesteld? Herinneren wij ons het
liedje waarin Goeverneur, na zich beklaagd te hebben dat hij slechts twee
balladen en in het geheel geen hekelwerk in voorraad bezit, aldus
voortgaat:
Maar luimig goed? - Verbeeldt u, Heeren,
'k Laat Freija in een hoepelrok,
God Thor met pruik en wandelstok,
Langs 's Heeren straten patrouilleren.
Le dieu des mers vertoont een visch;
Thiasse een hond met zeven koppen;
Iduna vent haar Weesper-moppen...
En 'k vraag of dat niet luimig is!
| | | |
Zoo zouden wij ook met billijke ironie wenschen te
vragen: of het niet luimig is wanneer Bilderdijk zijne beenders kraken en ze
van ijzing voelt schudden in zijn lijf, louter omdat iemand hem gezegd heeft
dat er in Demerary - wat hij zoo gemakkelijk had kunnen vermijden - fortuin
valt te maken; of wanneer hij, vreezende tot éénen graad te
zullen vernederd worden met al het verachtelijkst schuim - te weten, met
volgens tarief praktiserende advokaten - dit denkbeeld zich eindeloos in de
kruin voelt steken? Hier wedijvert, dunkt ons, de zouteloosheid van den uitval
met de pruikerigheid der inkleeding.
| |
II
Men spreekt met afkeuring van de al te subjectieve poëzie
onzer dagen; men verzoekt, en niet zonder regt, verschoond te blijven van dien
overvloed van persoonlijke mededeelingen omtrent den zielstoestand,
inzonderheid omtrent het zielelijden, van zoo menigen dichter; men noemt dit
met billijk verwijt expectoratiën van ijdelheid en zelfbehagen. Doch
zeldzaam - wij bezitten thans van hem acht honderd bladzijden
gelegenheidsverzen, benevens vier honderd andere, onder den titel van
dichterlijke zelfbeschrijving - zeldzaam heeft een dichter in dezelfde mate als
Bilderdijk het publiek gedwongen kennis
te nemen van zijne persoonlijkheid, zijn uit- en inwendig lijden, zijne
levensgeschiedenis, ja tot van zijne maag en ingewanden toe. Wat
Mr. Da Costa dan ook meene te moeten
afdingen op het beschermend, maar in zijn beschermenden toon genoegzaam
doorschijnend getuigenis van
Jeronimo de Vries: ‘Met Bilderdijk
had Bilderdijk niet zoo zeer op,’ vruchteloos schier zoeken wij naar de
grenzen van Bilderdijks inbeelding. Men schijnt destijds hier te lande, met
name in de dagen van Bilderdijks jongelingschap, vooral niet minder dan daarna
en thans, in de letterkundige wereld met deze menschelijke zwakheid behebt te
zijn geweest; en Mr. Da Costa deelt ons onwillens dienaangaande menige
opmerkelijke bijzonderheid mede. Het zijn onder andere deze regels uit Van
| | | | der Palms lofgedicht ter eere van Bilderdijks promotie tot doctor
in de regten:
Hoor lang dien dankbren vreugdegalm,
o Gy, tot ieders hulp steeds vaerdig!
Vaarwel - denk soms aan my - misschien was
Van der Palm
Een Bilderdijk niet gansch onwaerdig...
Waar men omstreeks het tijdstip der promotiepartij zulk een
uitnemenden dunk van zichzelven heeft, daar deinst men in vervolg van tijd voor
niets terug. Doch Bilderdijk had Van der Palms opwekkend voorbeeld geenszins
noodig; hij was ijdel de son propre crû. Van het zestiende zijner
levensuren af is hij in eigen oogen een belangrijk persoon geweest en heeft aan
zijne belangrijkheid geloofd:
'k Lag, pas uit moeders schoot ontbonden,
Met d'eersten zwachteldoek bewonden,
In 't wiegjen, nog in zwijmelslaap,
Een zestien uren oude knaap;
Wanneer, in volle woede aan 't koken
De uit d'afgrond opgeborsten haat,
In schaduw van de nacht gedoken,
My met een hagel kwam bestoken
Van kei en klinkers, uitgebroken
Aan 't steenplaveisel van de straat.
Nu moet men weten dat deze uit den afgrond opgeborsten en in dolle
woede kookende haat, nog daarenboven, gedoken in de schaduwen van den nacht,
bij zijne van keijen en klinkers vergezelde ontploffing, volstrekt niet het
pasgeboren knaapje, maar zeer bepaald 's knaapjes vader op het oog had. Er
schijnt namelijk, uit staatkundige opgewondenheid, in den nacht van 7 September
1756 - denzelfden waarin onze dichter geboren werd - een onbetamelijk
straatrumoer te hebben plaats gehad voor het huis van den streng
Oranje-gezinden ouden heer Bilderdijk te Amsterdam. De zoon heeft zich dit
later aangetrokken en daarin een eerste zamenspanning van het noodlot tegen
hemzelven gezien.
Ook op het tijdvak van 1782 en vervolgens, dat hij te | | | |
's Hage als praktiserend advokaat werkzaam was, schijnt Bilderdijk zijn gansche
leven door met blijvend zelfbehagen te hebben teruggezien. Mr. Da Costa haalt
de volgende regels
1 aan, die wij hier van hem
overnemen:
Waar diende ik ooit om 't geld, om aanzien of om gaven?
Waar schuwde ik haat of leed om recht en wet te staven?
Waar heeft mijn teedre zorg in Maagschapsband of Echt,
De scheuring niet geheeld, den wrevel niet geslecht,
En liefde en heil hersteld? Wie onzer in 't ontwikkelen
Der duisterheên van 't recht, gevoelde heeter
prikkelen?
Wie ijveriger gloed? wat scherpziend linxgezicht
Zag redding waar ik dubde, of waar ik 't opgaf, licht?
Wij twijfelen geen oogenblik aan de werkelijkheid noch van die
teedere zorg, noch van dien ijverigen gloed, noch ook van dat meer dan
linxenoog bij het ontcijferen van ingewikkelde regtskwesties. Doch wij bidden,
sints wanneer heeft bescheidenheid den vereenigden bezitter van zoovele deugden
en talenten de vrijheid verleend er tijdgenoot en nakomelingschap in persoon
opmerkzaam op te maken? De Haagsche advokaat heeft het intusschen bij deze
mededeeling niet gelaten. Aan de vermelding zijner ingenomenheid met de
regtspraktijk knoopt hij ook eenige bijzonderheden vast omtrent zijn
diëet:
Ik zwoer met hart en ziel aan dees mijn roeping trouw.
Om haar verduurde ik leed en arbeid, zweet, en koû;
Om haar doorwaakte ik nacht aan nachten, en verzaakte
Wat andren d'arbeid zoet, het leven dierbaar maakte,
Kleefde aan mijn schrijfdisch vast, en at mijn tweebak
droog,
En dronk mijn slappe thee, gelukkig in mijn oog;
Waar voor? voor d'armen wees, den lijdende en verdrukte;
D'onnoozle wien mijn moed uit band en kerker rukte.
Wij willen ons te niemands koste vermaken; willen niet drukken op
hetgeen Mr. Da Costa ons van Bilderdijks levenswijze in dit tijdvak verhaalt,
het tijdvak van de slappe thee en van het drooge tweebak: ‘In zijn eigen
huis werden | | | | [in die dagen] nog al menschen ontfangen, en op eenen
voet onthaald, met dat grootsche en ruime overeenkomend, het welk in alle
dingen, maar in al wat finantiëel is vooral tot zijn eigen groot nadeel,
aan den fier gestemden Dichter eigen was.’ Doch wij hebben recht ons te
beklagen, allereerst, over eene inbeelding als die van Bilderdijk, wanneer hij
zoo goed als de éénige jonge man onder zijne tijdgenooten meent
te zijn die met onverdroten ijver zich wijdt aan zijne betrekking; de
éénige die zich om harentwil een zeker aantal ontberingen van
gezelligheid en huiselijke genoegens laat welgevallen. Immers onder elk
geslacht wordt een zeker aantal begaafde jonge mannen aangetroffen wier
verborgen leven niet anders is als een gestadige arbeid en strijd, ook al
stoffen zij niet in rijm of onrijm op hun persoonlijken moed en diens
heldenfeiten. En dan - dat drooge tweebak en die slappe thee! Waarlijk, wanneer
een dichter dusdanig verzot is op zijn eigen persoon en hare importantie dat
hij de natie lastig valt met particulariteiten als deze, dan is die natie tot
op zekere hoogte geregtigd niet naar hem te luisteren. Uw thee zij slap of
sterk, uw tweebak droog of eenigszins bezuiveld, wat gaat ons dat aan? Wij
hebben niet met uw beschuit, maar met uwe muze van doen. Noode gelooft men dat
deze bijzonderheden afkomstig zijn van denzelfden dichter die elders zoo
nadrukkelijk heeft verklaard, toen men hem beschuldigde niet oorspronkelijk
genoeg en al te zeer een vertaler te zijn:
Wat zegt men, 'k ben een bloot vertaler,
Geen Dichter? - 't Mag zoo zijn, ik wederspreek het niet.
Maar 'k ben, voor 't minst, geen koude praler,
Die de eerzucht verzen wijdt, waar 't hart met overvliet.
Ik stort mijn boezem uit, als 't vinkjen in de abeelen,
En vraag niet, wien mijn stem kan streelen,
Maar vier behoefte bot. Mijn dichtkunst is gevoel,
En, 't zij uit eigen bron gevloten,
Of, uit een andre bron mijn' boezem ingegoten,
Ik zing en ken geen ander doel.
1
| | | |
Pas dit toe op de twee fragmenten uit de
Geboortsbestemming, daareven aangehaald, en gij zult
erkennen dat noch die zelfverheffing noch die wansmaak afkomstig kunnen zijn
van het vinkje in de abeelen. Mr. Da Costa intusschen trekt voor dien wansmaak
partij. Dat zelfde: ‘ik at mijn tweebak droog, en dronk mijn slappe
thee’ - dus lezen wij in de Aanteekeningen - ‘vindt men meermalen
in zeer eenvoudig proza in Bilderdijks schriften herhaald.’ Wien
bevreemdt niet deze tegenoverstelling? Wij voor ons althans kennen geen
eenvoudiger proza dan juist dat aangehaalde vers.
Het is niet algemeen bekend dat Bilderdijk, tijdens hij den
Hertog van Brunswijk in 1787 op diens
krijgstogt tegen Amsterdam als afgevaardigde van den Prins vergezelde,
tegenwoordig geweest is bij eenige schermutselingen van min of meer ernstigen
aard. Over zijn aandeel aan die krijgsverrigtingen heeft hij zich in 1827 in
zijn Haarlem aldus uitgelaten:
'k Heb 't schutgedonder mede op 't bloedig veld gehoord:
En, midden in 't gedruis onaangedaan.
Hier geschiedt niet zoozeer zinspeling op persoonlijke dapperheid,
gelijk men uit dat ‘onaangedaan’ alligt zou opmaken, maar
mededeeling van de voormalige ongevoeligheid van Bilderdijks trommelvlies. In
zijne jeugd - dit moest, meende hij, de Nederlandsche natie weten - kon hij
ongedeerd het gebulder der kanonnen verdragen; toen hij zich daarentegen als
grijsaard te Haarlem had nedergezet, waren zelfs de stemmen der eerzame
Haarlemmers hinderlijk voor zijn gehoor. Hij vergelijkt ze, de stemmen dier
eerzamen, bij ‘donderend wolkgekraak’ en zegt er van dat zij
schijnen op te stijgen ‘uit de kluft der barstende aarde.’
Evenmin algemeen bekend, waarschijnlijk, is dat Bilderdijk, toen
hij in 1785 bij het Hof van Holland de zaak bepleit had van zeker rotterdamsch
vrouwspersoon, bijgenaamd
Kaat Mossel - onaesthetischer
gedachtenis - de plaats van den juridieken veldslag niet verlaten heeft zonder
- wij halen de eigen woorden van Mr. Da Costa aan - ‘eene lichte wond in
de zij ontfangen te hebben, hem (het mag | | | | bij ongeluk geweest
zijn!) door de bajonet van een der vrijkorpsmannen bij den uitgang
toegebracht.’ Men ziet, de wond was ligt, denkelijk niet meer dan een
schram; en Mr. Da Costa erkent de mogelijkheid dat er een ongeluk hebbe plaats
gehad. Nu is het evenwel den dichter overkomen ‘in onderscheidene verzen
van later tijd op dit toeval te zinspelen’ niet-alleen, gelijk de
levensbeschrijver zich uitdrukt, maar ook daaraan eene beteekenis te geven, die
wederom niet geschikt is ons te doen terugkomen van ons oordeel over
Bilderdijks ijdelheid. Eerst dan - en gelijk tot hiertoe overal in dit opstel
zoo putten wij ook thans uitsluitend uit de aanhalingen van den warmen
apologeet - eerst een fragment uit zeker vers aan
Jhr. Willem van Hogendorp(1819):
Vaar voort! op 't veld der eer, waar Themis vanen zwieren,
Groeit eedler groen voor 't hoofd dan Mavors
krijgslauwrieren.
't Eischt zuiverheid van 't hart by onbezweken moed;
En 't is met Jezus zelf op d'afgrond zegevieren
Wanneer men 't purpert met zijn bloed.
Zijn bloed? - Wy, grijsaards, ja, beleefden zulke dagen,
Toen pen en tong in band, en werktuig was van dwang;
De willekeur was wet; de Godheid, 't zelf belang;
En (wee! ja driewerf wee den oogen die dit zagen!)
Het Vaderland bezweek en vond zijn ondergang.
Zijn bloed? - Ook 't mijne vloeide, als Themis weegschaal
beefde
En waggelde in de hand die ze in heur palm besloot;
Maar d'Engel stompte 't staal, dat naar mijn boezem
streefde,
(Hy die mijn schedel steeds omzweefde)
En stelpte 't daar het willig vloot.
Hier is, met zijn ‘wee! ja driewerf wee!’, met zijn
weegschaal van Themis bevend in de hand die deze weegschaal besluit in haar
palm, met zijn door een engel omzweefden schedel, de versifex in vollen gang.
Hier een stoplap, daar eene gemeenplaats, ginds eene stijlfout - zooals in den
laatsten regel, waar ‘stelpte 't’ betrekking heet te hebben op het
vroeger vermeld ‘bloed’ doch in waarheid terugslaat op het later
genoemd ‘staal’ - alles is hem wel en | | | | welkom mits hij
zijnen vers-maaklust boete en hem den teugel viere. Doch laten wij dit aan
zijne plaats. Men ziet wat er met behulp van 's dichters ijdelheid en haar
vergrootglas in den tijd van omstreeks dertig jaren uit die zekere ligte wond
in de zijde gegroeid is. De door ons gecursiveerde woorden, zelfs al rekent men
dat fanatieke ‘met Jezus-zelf’ niet opzettelijk mede, zijn
daaromtrent welsprekend genoeg. Het prikje met de bajonet is onderwijl eene
breede wond geworden; de bajonet-zelf, een naar des martelaars boezem strevend
staal; zijn bloed heeft gevloeid; hij heeft er het eereveld van Themis mede
gepurperd; er is een engel aan te pas gekomen (een soort van huis- of
familieengel, elders door den dichter ‘Geleigeest van mijn stam’
geheeten) om het te stelpen. Doch reeds in 1802, tijdens de brunswijksche
ballingschap en onder het vertalen van Delille's Homme des Champs, was
Bilderdijk van dezelfde illusie bezeten. ‘Neen’, dus spreekt hij in
den vierden zang van het Buitenleven den vaderlandschen
bodem toe:
Neen, 'k zal, gewijde grond, u nimmer weêr betreden,
Om wien, voor wiens behoud ik zooveel heb geleden!
De plaatsen niet weêr zien, waar ik voor de onschuld
streed,
En, sterk met God en 't recht, verdrukkers blozen deed!
De wanden, waar mijn stem de wetten dorst verweeren,
Toen 't wetteloos geweld zijn rechters kwam braveeren,
Schavot en kluisters aâmde, en tong en gorgel bond,
Maar mijne onwrikbre borst door niets ontzetbaar vond!
Wat zeg ik? waar mijn bloed, verpand aan recht en
wetten,
De spits bezoedlen moest der Vrijcorps-bajonetten!
Kwam braveeren is kreupel en vulgair; gorgel ruw en
plat; ontzetbaar dubbelzinnig; wat zeg ik? een dier kunstmatige
verlengstukken waardoor redenaars en dichters hunne magteloosheid in het
ongedwongen stijgen verraden. Overigens wederom die zelfde ijdelheid die zich
nu eenmaal inbeeldt martelares te zijn geweest en iets roods te hebben
vergoten. Door zich te laten ontvallen dat zijn bloed de bajonetten der
vijanden heeft bezoedeld, is de dichter daarenboven ditmaal minder
gelukkig geweest in zijne woordenkeus.
Niet zijn | | | | bloed heeft de bajonetten, maar deze hebben
zijn bloed verontreinigd: zoo er althans verontreiniging heeft plaats
gehad.
| |
III
Reeds bewijzen genoeg gaven wij, dunkt ons, dat de schuld der
onwedersprekelijke verwijdering tusschen dichter en natie in Bilderdijks geval
niet enkel aan de vooroordeelen van laatstgenoemde ligt. Onze natie staat door
haren aard ongetwijfeld bloot voor het gevaar een echten dichter te miskennen,
en daarentegen klanken voor poëzie aan te zien, gemoedelijke
middelmatigheden te kroonen, slaapmuts-rijmelarij bij voorkeur te huldigen.
Litterarisch kunstgevoel is niet van nature aan onzen landaard eigen. Doch
wanneer wij in Bilderdijk bewonderen eene oorspronkelijkheid, eene stoutheid
van vlugt, waardoor zijne impopulariteit te onzent genoegzaam verklaard en
gansch en al in het voordeel van hem en van zijn genie verklaard wordt, kan aan
den anderen kant niemand ontkennen dat ook de dichtlievendste natie, door
gebreken van smaak en karakter als die waarop door ons gewezen werd, zich zou
voelen afgestooten en gekwetst. Neem daarbij in aanmerking dat wij deze
gebreken constateerden met behulp derzelfde bewijsstukken, waarop de vurigte
aller nog levende bewonderaars van
Bilderdijk onze aandacht vestigt als op
zoovele merkwaardige proeven van grootheid en talent. En vergeet evenmin dat
wij nog niet alles gezegd hebben. Ons blijft namelijk overig met een enkel
woord terug te komen op die zekere boerschheid waarvan wij zeiden dat zij op
zoo singuliere wijze met Bilderdijks genialiteit dooreen is gemengd.
Niemand die niet weet dat Bilderdijk als student meer dan
één bundel zeer warme erotische poëzie heeft uitgegeven.
Mr. Da Costa tracht door deze en gene
menschkundige opmerking den al te fellen gloed dier minnedichten - en wij mogen
dit in zichzelf wel lijden - eenigszins te temperen. Alle poëzie is rein
mits zij den naam van poëzie verdiene. Doch waarmede wij minder vrede
hebben is wederom een tot verontschuldiging van den dichter door den
pleitbe- | | | | zorger aangevoerd fragment. Het behoort tot het vers Aan
Cats en is naar den vorm eene apostrophe aan dezen vroegsten letterkundigen
vriend van Bilderdijks kindsheid. ‘In die stond,’ zegt Bilderdijk
tot
Cats, doelende op den tijd dat hij als
jongeling het meest tegen den hartstogt der zinnelijkheid had te strijden:
Wat waart gy me in die stond een trooster, een vertrouwde!
Een spiegel, waar mijn ziel haar beeltnis in beschouwde!
Een gids, die me, in mijn leed, hoe hoog mijn jammer rees,
De hand bood, steunde, en steeds op beter toekomst wees!
Die midden in 't verval der hoogstverbasterde aarde,
Door jonglingschap en jeugd mijn ligchaam rein bewaarde,
En 's levens zaligheid, van dartlen onbesmet,
Alleen verwachten deed van 't kuische huwlijksbed.
Vergeefs mogt me een gestel vol vuurs en veerkrachts
dringen,
Vergeefs verbeeldingskracht uit alle banden springen,
Vergeefs mijn ligchaam zelfs bezwijken in dien strijd:
'k Leed alles: 'k had mijn jeugd één voorwerp
toegewijd!
Één voorwerp, ach, dat God my eenmaal op mijn
smeeken
In de armen voeren mocht, om dierbaar kroost te kweeken.
Groot is hier de verlegenheid der welopgevoede kritiek. Zal zij
den vinger zetten op hetgeen zij aanstootelijk acht? Doch reeds door naar het
onkiesche met naam en toenaam te verwijzen zou zij zelve in het oog van velen,
inzonderheid der keurigsten en beschaafdsten, een steen des aanstoots worden en
ergernis geven. Bilderdijk toch dringt in zijne gedichten, ook en telkens in
zijne niet-erotische poëzie, tot eene soort van intimiteiten door,
waarover nu eenmaal geen fatsoenlijk man zich in fatsoenlijk gezelschap durft
uitlaten. Boerschheid was het woord - een zachter wilde ons niet te binnen
schieten - waarvan wij ons ter kwalificatie van dit gebrek bedienden. En
wetende dat wij niet uitsluitend schrijven voor een publiek van mannen en
letterkundigen, blijft ons geen nadere middenweg over als deze eenmaal gekozen
uitdrukking te handhaven. Weet dus, beschaafde Nederlandsche vrouwen en
meisjes, dat Bilderdijks kompleete dichtwerken overvloeijen van bladzijden die
| | | | men zich in uwe tegenwoordigheid vergenoegen moet zonder nadere
verklaring en zoo zeldzaam mogelijk aan te halen. Wij zullen nu en voortaan uwe
ooren sparen; doch mogten de omstandigheden medebrengen dat in een volgend
opstel door ons op Bilderdijks ongemanierdheid wierd teruggekomen, weest dan,
bidden wij u, regtvaardig en wijt niet aan den beoordeelaar hetgeen voor de
ééne helft de eigen schuld des dichters, en voor de andere helft
die eens onvoorzigtigen lofredenaars is.
Hij verstond de kunst van schertsen niet. Zijne muze was niet ook
tevens, hetgeen op het gebied der geestigheid onontbeerlijk is, eene der
gratiën. Zij is van adel ja; maar slechts voor zoolang zij zich beweegt in
haar natuurlijke sfeer. Verlaat zij dezen kring voor dien van humor en
kortswijl, aanstonds verzaakt zij hare hooge geboorte en redeneert als eene
wijsneuzige blaauwkous of praat haar neus voorbij als eene kwalijk opgevoede
deerne. De beperkte grenzen, waarbinnen zich tot hiertoe onze aanhalingen
bewogen, veroorloofden niet dat wij deze zijde van Bilderdijks poëzie ten
volle in het licht stelden. Thans hebben wij de handen ruimer.
Uit de groote menigte van 's dichters min of meer luimige verzen -
men vindt ze onder zijne Romancen en Vertellingen, zijne Minne- en
Huwelijksliederen, zijne Gelegenheidsverzen en Mengelingen, en ook elders - kan
slechts een zeer klein gedeelte den toets van een eenigszins gezuiverden smaak
doorstaan. Gansch onberispelijk is van dien breeden stroom misschien alleen de
Opdragt van den Muis- en Kikvorschkrijg aan Jonkvrouw de Lannoy, of liever, aan
de schim van het overleden poesje dier dame:
Poesjen, dat met vurige oogen
Altijd vlijtig op den loer,
Zonder zweem van mededogen
't Muisjen in de knevels voer...
Weerde ik u, om 't lieve Moschjen
Van een snoepig Maagdelijn,
Uit het Elyseesche boschjen,
Naar het recht van Proserpijn;
| | | |
Zit mij uit de donkre wijken
Van de bleeke Geestenschaar
Toch zoo boos niet aan te kijken
Of ik zelf een moschjen waar...
'k Wij' u 't bloed van honderd muizen,
Meer dan ge ooit of immer vrat.
't Moge u hier met volle sluizen
Langs de doodsche grafterp bruizen,
En omlaag door de ooren suizen,
Als een waardig offernat! -
Zulk een lijkgaaf voegt een Kat.
Onder de Romancen en Balladen munt Robbert de Vries boven
alle zijns gelijken uit door gemakkelijkheid van versificatie en natuurlijkheid
van toon. Desnoods zou hetzelfde kunnen getuigd worden van de Vloek, het
populairste misschien van alle Bilderdijks kleinere gedichten; doch de ruwheid
van sommige aldaar voorkomende uitdrukkingen, als ‘duivelssloor’ en
‘vuile teef’, en niet minder de ondichterlijke benaming van
‘de sexe’ aldaar aan het vrouwelijk geslacht gegeven -
‘kunne’ alleen is nog onaesthetischer dan ‘sexe’ -
maken eenige terughouding hier noodzakelijk. Onder de Vertellingen en Fabelen
behoort de palm der overwinning niet onmogelijk aan Rechtsgeding,
terwijl daarentegen het eindeloos gerekte Koekeloer, door volslagen
gebrek aan radheid, duidelijkst van alle toont hoe weinig de dichter vertrouwd
was met de verborgenheden der geestigheid in de litteratuur. Ook zouden wij aan
kiesche ooren, welligt reeds geërgerd door des
Schoolmeesters:
Het is een vaste gewoonte by den haan
Om met de kippetjes naar bed te gaan,
de kennismaking met Bilderdijks Koekeloer naauwelijks
durven aanraden. Men leest daar van Juffer Partelot, Koekeloers favoriethoen
onder de zeven:
Die zat hy op een dag wel twintigmaal op 't lijf.
En een weinig verder, want onze dichter heeft het ongelukkig zwak
niet te kunnen schertsen, zonder telkens terug | | | | te komen en te
drukken op datgene waar de man van smaak luchtig over heen pleegt te
loopen:
Nu riep hij tok, tok, tok, en al de hennen
Verschenen straks om hem als heer te erkennen,
En welgemoed liep hij zijn Harem door,
En deed zijn plicht; maar Partelot ging voor,
En naderhand, wel meer dan twintig keeren,
Zat hy ze nog, by poosjens, in de veêren.
Koekeloer, gelijk men ziet, heeft tusschentijds vorderingen
gemaakt. Straks waren het wel twintig, thans zijn het wel meer dan twintig
keeren. Den haan kan men dit vergeven; doch de poëzie is geene turftonster
die met een stuk krijt aanteekening houdt van het hoe dikwijls der dingen. Zij
bloost om zulke vernederingen en het beschaafde Nederland bloost mede.
Ook in het genre der parodie, is Bilderdijk of stijf of ruw. Een
opmerkelijk voorbeeld van dit laatste zijn onder de Romancen en Balladen de
Danaïden, een stukje, waarin op schertsenden toon de misdaad der
vijftig bruiden uit de grieksche mythologie bezongen wordt. Onder 's dichters
motieven waarom de straf dier schuldigen hem wel gruwzaam maar niet te streng
voorkomt, behoort ook dit:
Zag men zulke boze nukken
Wat toch wierd er van op 't lest!
Wie zou ooit weer willen trouwen?
En hoe ging het met de vrouwen,
Als geen haan meer kwam op 't nest?
En alsof deze herinnering aan Koekeloer en diens heldendaden den
dichter nog niet mannelijk genoeg ware, legt hij aan de vrouwelijke
Hypermnestra, de éénige der vijftig zusters die haren bruidegom
gespaard had, deze niet zeer fijngevoelde bedoelingen in den mond:
‘Neen; dan wou ik onder 't laken
| | | |
Doch begeven wij ons tot de Minne- en
Huwelijksliederen, tot de Gelegenheidsverzen en Mengelingen. Hier spreekt de
dichter zijne eigen taal en beweegt zich in den kring zijner levende
medemenschen, zijner tijdgenooten, zijner bloedverwanten en vrienden. Schertst
hij bijwijlen op dit gebied - en welk dichter kan ongetroffen blijven door den
onuitputtelijken humor van het menschelijk leven? - wij zijn dan dubbel goed in
de gelegenheid ons te vergewissen welkes geestes kind en of hij tevens een kind
der geestigheid is. Meer dan ergens elders toch zullen, gelijk vanzelf spreekt,
in deze lokale en accidentele uitstortingen zijner muze, de schuilhoeken van
zijn vernuft ons benevens de verborgen gedachten zijns harten openbaar
worden.
Gij zijt een niet ongelukkig echtgenoot en vader. Uw jonge vrouw
schonk u verleden jaar een frisschen zoon en - reeds dit jaar, gisteren aan den
dag, een dochtertje daarbij. Kraamvrouw en kind zijn redelijk welvarend. Onder
de ouder en jonger vrienden buiten de stad, aan wie gij u gedrongen voelt dit
blijde nieuws onmiddellijk mede te deelen, behoort ook Bilderdijk. En zie, na
niet vele dagen ontvangt gij op uw schrijven van dezen uwen dichterlijken, uw
bijna vaderlijken vriend - want wij zijn in 1812 en Bilderdijk is reeds zes en
vijftig jaren oud - het volgend antwoord:
Hou op, mijn goede vriend, hou op!
Halt ein! cessez! piano! stop!
Of 'k heb den brui van 't verzenmaken.
Dat houdt geen arme Dichter by,
Al hieldt gy hem het rijmwoord vrij:
Daar is een maat in alle zaken.
Pas zong ik u een stouten knaap
Met d'eersten wiegzang in den slaap,
Of, eer men 't jaartal rond kan tellen,
Daar komt op nieuw een kleine meid,
Die ook al om een versjen schreit,
En 'k moet haar ook tevreden stellen.
Nu, tot zoo ver gaat alles goed; en in niets behoefde het u
voorloopig te berouwen Bilderdijk deelgenoot te hebben | | | | gemaakt van
uwe vadervreugd. Het éénige vreemde toch in deze twee strophen,
dat namelijk een dichter, die zelf vader van een veel talrijker huisgezin was,
u, die nog pas aan uw tweede spruitje zijt, daarover zoo schrikkelijk hard
valt, juist dit is niet van allen luim ontbloot. Doch indien gij meent dat hij
het bij het daarover geschrevene laten, en van nu af tot iets gemoedelijks of
prettigs zal overgaan - iets dat gij aan de lieve kraamvrouw voor kunt lezen om
haar wat op te vrolijken - zoo hebt gij buiten den dichter en den waard
gerekend. Want dat gedrag van u, zoo gaat hij voort,
Dat schikt niet, vriendlief, dat gij 't weet!
Ik schei er uit als kraampoëet,
Of 't dient wat minder drok te loopen.
Geloof niet dat ik met zoo'n hort
De verzen uit mijn koker stort,
Als gy uw borstrok los kunt knoopen.
Voor u is 't wel. Gy neemt uw pret,
En legt uw hoofd weêr neêr in 't bed,
En denkt om kraam noch kraamdichtmaken:
Maar 't vrouwtjen zucht dan maanden rond,
En trekt zoo menig zuren mond;
En ik, ik moet een nacht aan 't waken.
Een nacht? Ja mooglijk tien of meer;
En zit, en denk den kop my zeer,
Met woorden aan malkaâr te lijmen,
Op dat, na honderd jaar misschien,
Uw achterkleinzoonskind moog zien
Hoe meesterlijk onze eeuw kon rijmen.
Op de meening van het achterkleinzoonskind loopen wij ongaarne
vooruit. Doch wij gelooven de welgevestigde overtuiging van het thans levend
geslacht uit te spreken, wanneer wij, in naam der tijdelijke wetten van onze
beschaving en in dien der altoosblijvende van het gezond verstand en van den
goeden toon, dit gedeelte van Bilderdijks nalatenschap openlijk
repudiëren. Ook hier wederom, te midden dier schijnbaar zoo vloeijende
versificatie, stuiten wij op onnaauwkeurigheden van | | | | uitdrukking.
Ergens den brui van hebben is geen nederduitsch; evenmin, gelijk mede in
de eerste strophe te lezen staat, aan iemand iets vrijhouden. Zoo is ook
de uitdrukking dat gij 't weet, in den aanhef der derde strophe,
kwalijk opgevangen uit den mond des volks. Men leze: of gij 't weet.
Doch dit zijn kleinigheden. Daarentegen is de laatste regel der tweede strophe:
‘En 'k moet haar ook tevreden stellen,’ een handtastelijke stoplap;
terwijl het eerste vers der laatste: ‘Een nacht? Ja mooglijk tien of
meer’, wederom tot de klasse dier hinkende verlengstukken behoort
waarover wij reeds vroeger spraken en waaraan niet slechts de luimige, maar ook
de ernstige verzen van dezen dichter tot hunne groote schade telkens mankgaan.
Eindelijk zouden wij ook nog protest wenschen aan te teekenen tegen den lompen
regel in de voorlaatste strophe: ‘En trekt zoo menig zuren mond’;
een regel die niet-alleen afkeuring verdient om dat kreupele ‘zoo
menig’, maar bovendien en allermeest om dat onbarmhartig doorgaan van den
dichter op een toestand - wij hadden 't vrouwtje in den voorgaanden regel
maanden achtereen hooren zuchten en wisten dus immers reeds hoe laat het was? -
waarbij de goede smaak niet gedoogt langer dan een oogenblik en dan nog als in
het voorbijgaan te verwijlen. Doch de omstandigheid dat Bilderdijk zichzelven
in dit versje een ‘kraampoëet’ noemt - wij twijfelen of het
mogelijk zij dat een dichter ooit ploertiger bijnaam voor zichzelven uitdenke -
maakt alle verdere kritiek overbodig. En zoo moge dan, nevens den
kraampoëet, deze kraampoëzie ten grave dalen.
En men meene niet dat onze dichter beter op zijne plaats is in de
gemoedelijke dan in de vrolijke, beter in de Claudiaansche dan in de
Anacreontiesche scherts. Ziehier tot ieders teregtwijzing een tweeregelig
versje onder het opschrift: By 't geschenk van een zilveren drinknap aan 't
kindtjen van een vriend:
Lief wichtjen, smaak de melk die u dit napjen biedt,
En Jezus schenke u die, die uit Zijn bronaâr vliet!
Hier was gelegenheid iets van dien verheven humor te toonen
waardoor
Matthias Claudius zoo beroemd geworden
| | | | is. Doch van den overigens aandoenlijken wensch, dat nevens de
melk uit den dichterlijken nap aan dit kind in vervolg van tijd ook nog een
hooger zielevoedsel mogt geschonken worden, van dit wel niet ongewone, maar
toch voor treffende uitdrukking vatbare denkbeeld is onder de ruwe handen van
dezen minst bevalligen aller beroemde dichters iets zoo terugstootends gegroeid
dat wij van den zilveren drinknap en zijn bijschrift hoe eer hoe liever
afscheid nemen.
Wederom dus zijt gij in uwe verbeelding bij Anacreon Bilderdijk te
gast. Of juister gesproken, Anacreon Bilderdijk is te gast bij u. Want gij hebt
hem op uwe bruiloft genoodigd; en de dichter heeft, tot uwe niet geringe
blijdschap - wij zijn in het jaar 1793 en de zeven en dertigjarige muzenzoon is
op dit tijdstip in den weelderigsten bloei van zijn talent; dit belooft iets -
de uitnoodiging aangenomen. Uwe bruid - zij heet Celia - en desgelijks gijzelf
- uw naam is Petrus - zijt om het zeerst met de gedachte aan zijne komst
vervuld en verguld. Er is geen twijfel aan, uwe bruiloft zal worden
opgeluisterd door een gedicht van Bilderdijk. Naauwelijks is dan ook het
nageregt opgedragen en zijn de officiële toasten achter den rug, of
werkelijk - reeds was hij in de laatste oogenblikken bezig, half onder tafel en
met zijn knie tot lessenaar, een stuk papier te beschrijven - daar rijst de
welkome gast van zijnen zetel op en onthaalt u, terwijl het gansche gezelschap
aan zijne lippen hangt, op het volgend extempore, anders gezegd kniedicht:
De lieve Celia vereend met braven Peter:
Stort, Hemel, op dit paar uw' dierbren zegen uit!
Geen hart was ooit zoo goed, geen zielsgestemdheid beter,
Dan 's Bruigoms borst vervult, en uitblinkt in de Bruid.
Vereen, gezaligde Echt, hun beider hart en zinnen,
En blijv' hun huwlijkskoets, van twistrook onbesmet,
Tot beider grijsheid toe, in wederzijdsch beminnen,
Een groenend Peterceliebed!
Al wederom komt hier uw taalkundig bewustzijn in opstand, en
teregt. Want gij kunt niet goedkeuren dat de zalige echt, | | | |
enkel en alleen ter wille van het metrum en om de geringe aanwinst van
hoogstens één voet lengtemaat, tegen alle regelen der logica in
wordt veranderd in een gezaligde. En evenmin kunt gij goedschiks
verdragen dat hetzelfde werkwoord vereenen in den vijfden regel een
activum worde, nadat het nog zoo kort geleden en in den eersten den besten een
neutrum geweest was. Bovendien acht gij de zamenvoeging der begrippen rook en
huwlijkskoets uiterst gewrongen en allesbehalve zindelijk. Overigens - doch
vóór wij naar aanleiding van dit onzindelijke de kwetsuren
gedenken die door dit bruiloftsversje aan uw schoonheidsgevoel werden
toegebragt, houden wij ons vooraf nog eenige oogenblikken bij eene uwer
herinneringen van later dagteekening op.
Volle dertig jaren zijn voorbijgegaan. In plaats van 1793
schrijven wij 1825 of daaromtrent. Uw peterceliebed is middelerwijl niet gansch
onvruchtbaar gebleven; en uw volwassen dochter, naar den naam harer moeder
Celia geheeten, staat zich dezer dagen in den echt te verbinden met den heer
Pieter N., u welbekend. Bilderdijk leeft nog en maakt, schoon nu bijkans
zeventig jaren oud, nog altoos verzen. Gij noodigt hem dus op de bruiloft uwer
dochter gelijk weleer op de uwe. Wel protesteert uwe vrouw; want de gedachtenis
aan die hagchelijke woordspeling van het jaar 93 is haar bijgebleven en, wat
gij ook beweren moogt dat de bard intusschen niet-alleen ouder maar ook wijzer
is geworden, zij vreest het ergste. Intusschen, gij krijgt uw zin en Bilderdijk
wordt genoodigd. Hij verschijnt. Wederom wordt het nageregt opgedragen, wederom
zijn de noodige onvrijwillige feestdronken ingesteld, en wederom rijst de
dichter van zijnen zetel. Wel is hij ditmaal met een volledigen bruiloftszang
gewapend; doch, wees gewaarschuwd, ofschoon breedsprakiger dan in de dagen van
het kniedicht , hij is er niet geestiger op geworden:
Kroonen wy naar de oude zeden
't Hoofd met Pieterceliekruid!
Pieter is in de Echt getreden
En maakt Celia zijn bruid:
Alles roep' hier Pieter-Celie! alles galm' dit echtpaar uit.
| | | |
Spreidt naar Oudren feestmanieren,
Pietercelie op den disch!
Pietercelie moet hem sieren,
Voegt bij Doop- en Watervisch,
Pietercelie, Pietercelie, maakt de harten blij en frisch.
Pietercelie plach te pronken
Om het heerlijkst Paterstuk
Dat den gasten toe mocht lonken;
Was eens zwijnshoofds tafelsmuk.
Pietercelie, Pietercelie, bracht gezondheid en geluk!
Flakkus ook omvlocht zijn slapen
Met het pietercelie- blad,
't Slingerde om Alcéus wapen:
't Kroonde Bacchus Godennat.
Pietercelie, Pietercelie! Pietercelie is een schat.
Pietercelie, lieve vrinden,
By dit juichend Echtverbinden,
Moet ook thands op 't Bed gestrooid,
Pietercelie, pietercelie, tusschen 't laken ingeplooid.
Pietercelie, roem der Hoven,
Ja, gy watert ons den mond!
Laat vrij Pieter Celie stoven,
Dat Gerechtjen is gezond.
Leve, leve Pieter, Gelie! Ga dit blijde glaasjen rond!
't Maantjen schiet een glurend lonkjen
Op dit Pieter- celie bed,
Dit vereischt een tweede dronkjen:
Groene 't spoedig, vol en vet!
Pietercelie, Pietercelie! dit's de rechte Bruiloftspret!
Bruigom, Bruigom, niet te draaien!
Man, ge moet hier tuinman zijn.
Pietercelie moet gy zaaien
In dees schoonen maneschijn.
Pietercelie, pietercelie! dat is vreugdemedicijn.
| | | |
Pietercelie moet er groeien,
(Dat is Hymens hoog bevel,
Of men vechten wil of stoeien,)
Voor den winnaar van het spel.
Ja, die krans van Pietercelie staat op alle hoofden wel!
Ja, zoo'n krans van Pietercelie
Siert de Bruid op 't blonde hair
Schooner dan jasmijn of lelie;
Zy vernieuw' zich ieder jaar!
Pieter Celie, Pieter Celie, zij den roem van 't Echtaltaar!
Deze laatste regel geeft geen gezonden zin. Men kan wel stellen
dat iets de roem van het echtaltaar is, maar niet wenschen dat iets de
roem van dit altaar zij. Evenmin is het mogelijk, wat ons verstand en
onze verbeelding ook aanvangen, uit het woord vreugdemedicijn een
dragelijk denkbeeld te ontwikkelen. Om hunne duldelooze stroefheid zijn de
woorden eens zwijnshoofds tafelsmuk onbestaanbaar met de regels eener
goede versificatie. Een echtpaar uitgalmen is onhollandsch; men galmt
wel zangnooten maar geen echtgenooten uit. Te zeggen, eindelijk, dat deze of
gene tuin- of boomvrucht ons den mond watert is het bewijs leveren dat
men als dichter een speeltuig hanteert welks manipulatie men slechts voor een
gedeelte meester is.
‘De miskenning van Bilderdijks grootheid ligt eenvoudig in
de vooroordeelen zijner natie.’ Toch niet, zeiden wij, maar allermeest in
enkele gebreken van 's dichters muze en karakter. De in de laatste plaats door
ons aangehaalde proeven van pieterceliepoësie, ook al onthielden wij ons
met opzet van iedere kwalificatie dezer verzen uit het oogpunt van zielenadel
en goeden smaak, mogen, in verband met andere reeds aangevoerde of later nog
bij te brengen fragmenten, de vraag beslissen of het goed regt der ontkenning
en teregtwijzing al dan niet aan onze zijde was.
| | | | | |
IV
Ik stort mijn boezem uit, als 't vinkjen in de abeelen,
En vraag niet, wien mijn stem kan streelen,
Maar vier behoefte bot. Mijn dichtkunst is gevoel...
Wie voor eene kleinigheid vervaard en tegen een onheusch of
hooghartig antwoord niet bestand is, onthoude zich van
Bilderdijk te ondervragen omtrent den aard en de bron
zijner poësie. Dichter, waarom zingt gij? deze vraag en hare
onbescheidenheid (hijzelf formuleert haar in zijnen ouderdom met de hem
eigenaardige forschheid van uitdrukking aldus: ‘Waartoe toch dat eindloos
zingen uit een heeschgeworden strot?’) doen hem in de woordenrijkste
verontwaardiging op u ontsteken:
Rust die van zijn ademhalen
eer zijn ligchaam keert tot asch?
Waarom ruischt het murmelend beekjen?
waarom vloeit het stroomnat af?
Waarom zuist het popelboschjen,
't geen de Lente schaduw gaf?
Waarom bruischt het ruim der golven
op het blazen van de lucht?
Waarom heft de maagdeboezem
Waarom klatert, gromt, en dondert
de op elkaâr gedrongen wolk?
Waarom bromt de holle weerklank
uit de diepte van de kolk?
Waarom schreit de droefheid tranen,
en ontfrontselt zich de vreugd,
Bleekt de schrik het blozend aanschijn,
de ouderdom de glans der jeugd?...
Misschien keurt gij de uitwerking derzelfde gedachte in
Lamartine's Poëte Mourant
aandoenlijker, ook omdat zij soberder is. Doch het zou de eerste reis wezen dat
Bilderdijk zich | | | | om uw of iemands vergelijkend oordeel bekommerde.
Gij zijt een raaf, hij een nachtegaal; en, voegt hij u toe, ook namens zijne
mededichters:
En, wat kan ons dan verschelen nachtegaals in 't Cederloof
Of er raven tegen knarsen uit een dorre steenrotskloof!
Voor de kennis van Bilderdijks muze geven deze beeldsprakige
inlichtingen weinig of niets. Wel herhaalt de dichter ook elders:
'k Zing, als de nachtegaal in 't donkre boschgewelf,
Mijn onverkunsteld lied voor niemand dan my-zelf;
doch zoolang de physiologie van vink en nachtegaal niet tot de
wereldkundige zaken zal behooren, brengen zelfs deze herhaalde verzekeringen
niemand verder. Is uit dien hoofde de boven vermelde en reeds eenmaal door ons
aangehaalde verzekering: ‘Mijn dichtkunst is gevoel’ - zij behoort
tot den Voorzang van het leerdicht de Mensch - is zij ons om hare
duidelijkheid en algemeene verstaanbaarheid in onderscheiding van veel duisters
en orakelspreukigs dubbel welkom, aan den anderen kant is het ons niet mogelijk
haar in allen deele te onderschrijven. ‘Ik vier behoefte bot’: zoo
mogt
Bilderdijk van zichzelven spreken.
Verzen maken was hem werkelijk eene behoefte. Gelijk bij predikanten van
gevorderden leeftijd elk denkbeeld aanstonds en ongemerkt den preekvorm
aanneemt, zoo verging het hem met zijne verzen. Alles, zegt hij:
Alles voegt zich in die vormen;
Anders denken kan ik niet.
Hij zegt dit schertsend, zulks verstaat zich; doch (hij was toen
één en zeventig jaren oud) de vergelijking waarvan hij zich bij
dezelfde gelegenheid tot kenschetsing zijner zangdrift bedient:
| | | |
Wen een piepend nachtkaars-end
In de pijp brandt op haar blaker,
Dadelijk haar knie doet trillen
Of ze een kindjen had te stillen -
deze vergelijking is in hare naieveteit veel karakteristieker dan
de dichter haar waarschijnlijk bedoelde; en met ondeugend genoegen plaatsen wij
deze oude baker met haar in de pijp gebrande kaars onder het cederloof van
daareven met zijne nachtegalen. Moesten wij evenwel, ofschoon met volmondige
erkenning dat hij als dichter den teugel vierde aan eene werkelijk bij hem
bestaande en nimmer voldane behoefte, moesten wij met zijne eigen woorden onze
meening zeggen over het aandeel dat in zijne gedichten aan het menschelijk
gevoel toekomt, wij zouden het doen met deze aanhaling uit een zijner verzen
aan de Poëzie, waar hij aan de dichters zijner eeuw verwijt:
En, zoo ik 't zeggen moet als 't by my ligt: Het hoofd
Beveelt te veel aan 't hart.
Zelfkennis is eene moeijelijke zaak; niet minder
zelf-prosopografie. Doch ongetwijfeld heeft zelden een dichter in de
karakteristiek van zijne eigen muze kennelijker misgetast dan Bilderdijk met
dat: ‘Mijn dichtkunst is gevoel.’ Zijne dichtkunst is hartstogt ja.
Maar gevoel? haast zullen de steenen roepen. En gelijk wij vroeger de stelling
verdedigden dat Bilderdijks muze de kunst van schertsen niet verstond, zoo
begeven wij ons thans tot de adstructie dier andere stelling, in den aanvang
door ons genoemd: hartstogtelijk zonder teederheid.
A Jove principium! Bij overlevering, zoo niet tengevolge
van eigen kennismaking met zijne geschriften, is Bilderdijks vurige gehechtheid
aan de christelijke godsdienst, in den bijzonderen vorm dien hij lief had en
voor den alleen waren hield, genoegzaam bekend. Evenzeer zijne daarmede in
verband | | | | staande gebetenheid op het moderne liberalisme in al zijne
vertakkingen. Tegen dit liberalisme, dat hij steeds vereenzelvigde met
ongodisterij, dat volgens hem onze christelijke natie niet slechts
verfilosoofde, maar ook verwarelde, ook versodomde, ook verduivelde, ja als de
vorsch uit de fabel ook door opgeblazenheid verkikkerde - al deze werkwoorden
zijn van zijne vinding - daartegen strijd te voeren was zijn lust en zijn
leven, was hem eene zielsbehoefte. Ja, zegt hij, te getuigen en zoo mogelijk
met bewijzen te staven dat deze rigting ons volk in het opkomend geslacht door
hel- en duivelendienst heeft verpest, dat zij de stem des Evangelies uit het
hart van onzen landaard heeft uitgedreven:
Ja, dit erken ik, dit belijde ik: dit te staven
In spijt van 't woest gebrul der dolle duivlenslaven
Is balsem voor mijn hart, en (koste 't ook mijn bloed),
Dit is my 't menschelijk recht en vrijheid van gemoed.
Zoo schrijft hij in 1827, toen intusschen niemand er aan dacht
zijn bloed te vragen en hij te Haarlem als grijsaard rustig leefde, van het
pensioen door koning
Willem I hem toegekend. Hooren wij hem
thans (1826) over een bepaald punt waarin volgens hem genoemde rigting,
inzonderheid waar zij optrad als kerkelijk liberalisme, faalde en zich
bezondigde. Het stukje heet te zijn gevolgd ‘naar den Oudvader
Gregorius,’ doch is dit in denzelfden zin waarin des dichters
Ahacha door hem eene ‘Guineesche Romance’ wordt genoemd:
Uw godheid wordt ontkend, ô Jezus! ô mijn God!
't Heelal erkende haar en boog voor uw gebod.
Een star verkondigde Uw geboorte; de Englenscharen
Verbreidden haar met glans en lofzang door de lucht;
De zee strekte u een baan en effende u zijn baren,
En de aarde schokte in angst by uwen stervenszucht:
De zon verborg heur licht; de harde rotsen spleten:
De Hel bezwijkt, de dood slaakt zijne onbreekbre keten,
En 't graf hergeeft zijn prooi. Slechts Jood en Filosoof
Blijft roerloos, blijft verhard, gevoelloos, blind, en doof.
| | | |
Doch neen. de Jood keert weêr, zijn boezem
wordt bewogen,
De Filosoof alleen heeft voor geen waarheid oogen,
Zijn paddengloriezucht is 't domblind ongeloof,
Godslastering is zijne eer, zijn waarheid Duivlenlogen;
En 't kroost, by 't addrengift dier wijsheid opgetogen,
Valt argloos aan de Hel ten roof.
Het is in zichzelf niet onbestaanbaar met echt menschelijk gevoel
dat een dichter verslonden worde door ijver voor de zaak van zijnen God. Er kan
een gebed voor de moordenaren wonen in hetzelfde hart dat de geveinsden tot het
adderengebroedsel rekent en ze daar openlijk onder rangschikt. Doch van zulke
gebeden voor den vijand is nergens in Bilderdijks poëzie een spoor. Alleen
in vloekpsalmen is zijne muze volleerd. Paddengloriezucht: het smeden van zulk
een woord is ‘balsem voor zijn hart,’ en deze werkzaamheid vervangt
bij hem de meer menschelijke van het gevoel.
Doch ook wanneer zij alleen voor zichzelve bidt en - wat haar niet
alle dagen overkomt - hare hateren voor een keer met vrede laat, is deze muze
tot in haar verhevenste vlugt met dien zekeren hartstogt bezield, die wel de
lippen verdroogt maar het oog niet vochtig maakt:
Gy, vogel die op rots en klip,
Van 't golfschuim overbruischt,
In 't schuddend nest gehuisd,
Aan 't in den storm geslingerd schip
Den klaaggalm toekrijscht van uw wee,
Gy, jammer volle Alcyone,
Daar ge in het weduwlijke kermen
De winden noodigt tot erbermen,
En eindloos Ceïx, Ceïx krijt;
Tot op 't geklepper van uw vleugelen
Het stormgeweld zich in laat teugelen,
Waar 't woedende op de baren rijdt!
Al overschreeuwt het piepend lied
Den heeschen, schorren kreet
Van uw ontembaar krijschen niet,
Niet minder scheurt het wolk en lucht
Wanneer mijn borst ten hemel zucht,
| | | |
Om door een duizendtal van kringen
Tot 's Hoogsten zetel door te dringen,
Naar aller zielen toeverlaat.
Dan, dan ontplooit het vlugger wieken
Dan 't wolkdoorsteigrend arendskieken
En die geen stormwind nederslaat.
Deze beide strophen behooren in hunne bijna ontzettende schoonheid
tot de bewonderenswaardigste van Bilderdijks verzen; en zulke uitboezemingen
hadden wij op het oog toen wij onder de redenen zijner impopulariteit
medetelden zijne somtijds arendshooge vlugt. Voorwaar, wiens borst aldus
‘ten hemel zucht,’ en zulks op meer dan zeventigjarigen ouderdom -
het gedicht voert het jaartal 1827 - hij is een groot dichter; de grootste
misschien op wien onze letterkunde te wijzen heeft. Maar hij mag niet zeggen:
‘Mijn dichtkunst is gevoel.’ Want het éénige wat aan
dit wonderschoon maar marmerkoud Gebed ontbreekt, is juist dat roerende
en teedere, dat mannelijk-vrouwelijke, dat ook de steenen weet te doen
uitbarsten in tranen. De Mont-Blanc is grootsch en verheven; maar daarboven op
die besneeuwde kruin, door de morgenzon als in het vuur verguld, bloeit geen
Alpenroos. Men vriest er dood.
Dichter, vroegen wij, wat voelt gij voor uwen God? Op de vraag: En
voor uw vaderland? bekomen wij een eensluidend antwoord. Neen, tintelender
verzen zijn er in de gansche hollandsche dichtergaard, zijn er zelfs in de
kompleete dichtwerken van Bilderdijk niet te vinden dan dit Zeestukje
waarmede hij bij zijne terugkomst uit de Brunswijksche ballingschap den
vaderlandschen grond het welkom toezong:
'k Heb dan met mijn strammen voet,
Eindlijk uit d'onstuimen vloed,
Hollands vasten wal betreden!
'k Heb mijn kromgesloofde leden
Op zijn bodem uitgestrekt;
'k Heb hem met mijn lijf bedekt;
'k Heb hem met mijn arm omvademd;
'k Heb zijn lucht weêr ingeademd;
'k Heb zijn hemel weêrgezien,
God geprezen op mijn kniên.
| | | |
Wesgebannen uit mijn harte,
En het graf van mijn geslacht,
Dit mijn rif te rug gebracht! -
'k Heb dit, en, genadig God!
Hier voleinde ik thands mijn lot!
Laat, na zoo veel jarig sterven,
My dat einde thands verwerven!
Dit, o God, is al mijn hoop
Na zoo wreed een levensloop!
Onwillekeurig beven wij bij de uitbarsting eener zoodanige mate
van hartstogtelijkheid; en in zoover kan niemand de grootheid eens dichters
betwisten die, door de teekening zijner schier epileptische aanvallen van
patriotisme, de harten zijner lezers nog op vijftig jaren afstands hun van
schrik weet te doen kloppen in het lijf. Doch aan het wegpinken eener traan
denkt hier wel niemand. Straks woei ons op den top des Mont-Blancs, ijzig koud,
de doodelijke bergwind tegen. Hier, bij de hitte van een indisch klimaat, staan
wij aan den rand des Bromo's en van zijn vuurspuwenden krater. En wederom mist
men, te midden van dien storm en dien gloed der vaderlandsliefde die ons uit
deze verzen te gemoet waaijen, dat zachte koeltje dat weleer op Horeb suisde.
En wat inzonderheid die kromgesloofde leden en dat veeljarig sterven en dien
strammen voet en dat teruggebragte rif betreft - het volle vierde nog eener
eeuw heeft de dichter een en ander hier op aarde met zich omgedragen - van hoe
naderbij men Bilderdijks dichtwerken beziet, des te onbekwamer wordt men om in
den hoogeren zin des woords aan deze dingen te gelooven. Hoe zou het dan
mogelijk zijn er iets voor te gevoelen? Doch stellen wij onze meening nader in
het licht.
| |
V
Te beginnen met het jaar 1795, 's dichters negen en dertigste
levensjaar, ontmoet men in Bilderdijks nu uit elkan- | | | | der genomen
dichtbundels, met name in de onderscheiden voorredenen dier bundels, de met
telkens grooter aandrang herhaalde betuiging van zijn naderend einde. In
genoemd jaar verscheen de Treurzang van Ibn Doreid,
eerste druk; en de dichter gewaagt in het voorberigt van ‘'t afgaan zijn
levens’, dat hem het regt geeft met Ibn Doreid van zichzelven te zeggen:
‘Beschouw mijn grijzend hoofd.’ In 1798, bij de verschijning van
twee deelen Mengelpoëzy, spreekt hij van zijn
‘vroegen ouderdom’, als die hem vóór den tijd
‘het hoofd heeft besneeuwd;’ en hij voegt hij erbij:
‘Waarschijnlijk zullen deze bondels wel de laatste snik mijner Poëzy
wezen.’ In 1801 meent hij aan het slot zijner voorrede voor vier deelen
Poëzy niet beter te kunnen doen dan aan zijne lezers
‘mooglijk het jongste vaarwel’ toe te roepen, nadat hij in den loop
dierzelfde voorrede bereids gezinspeeld had op ‘de flaauwe overblijfsels
van zijn uitgeblaakten tonder, die eens zijn tijd van glimmen had.’ Met
1802 keert hij terug naar den reeds genoemden ‘waarschijnlijk laatsten
snik’ zijner poëzie; ditmaal het Buitenleven in vier zangen.
In 1803 is het ‘hoogstwaarschijnlijk wel de laatste reize’ dat hij
zijne landgenooten in eene voorrede toespreekt en belooft hij, ‘zoo de
Hemel hem nog eenige maanden levens vergunt’, de hand te zullen leggen
aan eene nederlandsche spraakkunst. In 1804 biedt hij vier deelen
Mengelingen aan, ‘als de laatste vrucht die zijn
winter te wachten geeft’, en rekent hij hiermede ‘zijn
poëetischen loopbaan voleind.’ In 1805 is het, aan den ingang van
twee deelen Nieuwe Mengelingen, ‘naar allen uiterlijken schijn
thans voor de laatste maal’ en vraagt hij den lezer verschooning zoo hij
‘tusschen beide eens knikkebolt.’ In 1808 is de lamp ‘by hem
leeg gebrand’ en zinkt hij ‘met gebogen hoofd en knikkende
kniën’ in het graf. In 1811 opent hij twee deelen
Winterbloemen met een versje waarin hij aan de lezers
vraagt of zijne ‘oude zanggodin’ nog niet als eene tanige heldin
een spitse kin bekomen en rimpelen in het voorhoofd heeft? haar in dit geval op
de danszaal te wagen, zulks bekent en dus rijmt hij, ‘waar toch al te
stout een spel voor zoo'n drooge totebel.’ Met | | | | 1813, het jaar
waarin hij het voorberigt der Affodillen schreef, begint
eene reeks bundels door wier titels reeds genoegzaam wordt aangeduid dat men ze
heeft aan te merken als even zoovele jongste wilsuitingen zijner muze. Doch
eerst in 1829, zestien jaren later, wordt met den bundel Schemerschijn
deze reeks gesloten. Van de Affodillen - eene graf bloem waarmede
Homerus in zijne Odyssee den toegang des
doodenrijks beplant - luidt het in het voorberigt: ‘Welaan, plukken wij
ook hiervan een handvol, eer wij uit het oog onzer tijdgenooten
verdwijnen!’ Van de Nieuwe Uitspruitsels:
‘Zoo heb ik dan heel mijne lange Poëtische baan voleindigd, en ben,
als Dichter, geweest. Maar zouden door de reten des grafsteens niet nog eenige
lovertjes wassen? dus vraagde een mijner vrienden.’ Van Wit en
Rood: ‘Anakreon zegt dat de witte leliën bij de blozende
rozen wel en bevallig schakeeren. Zie daar dan ook mijn verouderde en
verbleekte graauwtjes met de frisch gekleurde tafreelen van een bloeiender
levensdag saamgeschikt.’ Van de
Nieuwe Dichtschakeering , afgedrukt
terwijl 's dichters hart treurende was over het verlies van een beminden zoon:
‘En hoe zou dan zulk een hart nu belang stellen in dezen afval van een
veellicht al te lang dragenden grond, die noch hof noch akker meer is.’
Van de Sprokkelingen: ‘Dat men, bij eene geduurzaam
meer en meer toenemende verzwakking, mijne Dichterlijke voortbrengsels nog op
den zelfden prijs zou mogen stellen als die van de kracht mijns levens of van
het naauwelijks veertien- of vijftiental jaren mijner rijkste en rijpste
vruchtbaarheid, is wat ik my zeer bezwaarlijk kan opdringen.’ Van de
Krekelzangen: ‘Mijne Sprokkelingen hadden
dit voorregt, dat er hier en daar nog wat jeugdiger borst door ademde; doch
hier is het nu alles de onbehaaglijke ouderdom; en, indien de afwisseling zelve
wellicht nog het latere door het vroegere deed gelden, hier zweeft niet
één zomer-, ja geen herfstluchtjen meer, door de drooge bladen en
takken.’ Van de Rotsgalmen: ‘Het krekeltjen
huppelt en zingt wel een tijd lang, maar 't verdwijnt en verdroogt, en welhaast
blijft er niet van hem dan het flaauwe gepiep in het schoorsteenhol.
| | | | 't Is het galmen in bosschen en rotsen gelijk.’ Van de
Navonkeling: ‘Zoo iemand mij ooit eenig Dichtvuur
heeft toegeschreven, hy zal in een ouderdom als de mijne den tytel (vertrouw
ik) niet wraken.’ Van de Oprakeling: ‘Navonkelen doe ik niet
meer; doch wat het oprakelen mijne asch nog ontdelven kon, moge de lezer
zien.’ Van de Nieuwe Oprakeling: ‘Minder dan
een aschhoop laat zich wel niet denken.’ Van de Voet in 't Graf:
‘Aan den zich overleefd hebbenden grijsaard zal niemand (vertrouw ik) het
mijmeren kwalijk afnemen, 't Is het recht der dompige levensavond.’ Van
de Naklank: ‘Vernieuwe dit boekdeeltjen weder 't
vaarwel aan mijne landgenooten, dat ik hun reeds meermalen toeriep, doch dat
eenmaal het laatste moet zijn.’ Van de
Avondschemering: ‘Die uit den uitgedorden tronk
sierlijke bloesems verwachtede, zou zich-zelven bedriegen; en even zoo die in
de Avondschemering helderen zonneschijn.’ Van de
Vermaking: ‘By veege grijsheid, zich zelve lastig,
is weinig vermaaklijks te vinden. Men zij dus gewaarschuwd den tytel dezes
dichtbundels niet verkeerdelijk op te vatten.’ Van de Nieuwe
Vermaking: ‘Wellicht bedrieg ik my in het uitzicht van nog
voor deze late vruchten eener meer en meer vervallende grijsheid een genoegzaam
belang te wekken; doch ten minste durf ik my verbeelden dat niemand de
proefneming daarvan aan den afgeleefden en uitgedienden des
vaderlandschen zangbergs misduiden zal.’ Van den Schemerschijn
eindelijk, want het voorberigt der Nasprokkeling, 's
dichters laatsten bundel, is niet van hem: ‘Ook de schemering by eene
onder de kimmen zinkende zon is nog met eenig schijnsel van licht
vermengd.’
Waarom nu, terwijl toch in zichzelf het voorgevoel van den
naderenden dood noch ondichterlijk, noch onaandoenlijk is, het tegendeel van
dien, waarom blijft men onder het lezen dezer over een tijdvak van volle vijf
en dertig jaren zich uitstrekkende zinspelingen op het graf, onaangedaan en
koud? Niet-alleen om de toevallige omstandigheid dat het voorgevoel waarvan wij
spreken, in Bilderdijks geval, omstreeks drie zevenden eener eeuw heeft
aangehouden, en omdat de | | | | poëzie, zelfs wanneer het onze
uitzigten in eene betere wereld geldt, geen zulke langademige aspiratiën
gedoogt. Ook niet omdat de verbazende en onvermoeide werkzaamheid des dichters,
door zulk eene breede rij van dichtbundels roemvol geboekstaafd, reeds uit een
louter materieel oogpunt beschouwd, veeleer eene stalen constitutie doet
vermoeden dan een vóór den tijd gesloopt of althans ondermijnd
gestel. Evenmin eindelijk omdat de inhoud dier bundels nergens het beeld der
suffende grijsheid vertoont; nergens, zeggen wij, want juist eenige der
schoonste en inzonderheid al de scherpste en boosaardigste van Bilderdijks
verzen behooren tot het tijdperk der genoemde vijf en dertig jaren. Maar
hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend, omdat in diezelfde voorredenen waarin de
dichter zoo herhaaldelijk afscheid neemt van het leven, bij tijd en wijle
niet-alleen sommige zeer gezonde redenen worden opgegeven waarom juist de
poëzie van een grijsaard de aandacht van het dichtlievend publiek
verdient, maar ook uitdrukkingen worden gebezigd waarvan een ieder aanstonds
gevoelt dat zij onvereenigbaar zijn met de sombere voorgevoelens van daareven.
Aldus in een versje aan het slot der voorrede van Wit en Rood en met
zinspeling op den titel van dezen bundel:
't Schelde alles my voor oud en stram,
Ik neem het dankbaar aan:
Maar echter 'k voel nog dichtervlam,
En 't hart nog jeugdig slaan.
Nog jeugdig? - Neen, belemmerd, zwaar;
Maar 't heeft nog vonkend vier,
En, is het met een doffer snaar,
Toch span ik nog de Lier.
Doch lacht men met mijn zilvren kruin,
Zy paart aan blonder kroon;
De lelie staat in krans en tuin
By 't blozend roosjen schoon.
Dit wekt het vermoeden dat Bilderdijks tijdgenooten den grijzen
dichter om de gebreken zijns ouderdoms op onedele wijze hebben bespot. Reeds in
1805 schreef hij uit Brunswijk: | | | | ‘Vindt men goed met mijn
kwalen te lachen, ik gun dit genoegen aan wien het lust.’ Doch ons is
gebleken dat niemand vroeger begonnen is Bilderdijk voor oud en stram te
schelden dan Bilderdijk-zelf; en, ware de herinnering aan zijn zilveren kruin
daartoe bij ons niet te levendig door hem gehouden, wij zouden meenen dat uit
het aangehaald versje de kloekheid spreekt van een wakker grijsaard die in het
minst geen aandrang gevoelt om met gebogen hoofd en knikkende knieën in
het graf te zinken. En nog veel krachtiger spreekt die bewustheid uit een
versje van eenigzins later dagteekening:
Het was, wat eenmaal was. Dat alles is vervlogen;
En laat me een hoofd, naar 't graf gebogen,
Door grijsheid witter dan een duif.
Maar 't geen my overbleef eischt jonglings moed in de
aâren;
En 'k durf, by dees myn blanke hairen,
Mijn ouderdom misschien nog ruim zoo knap verklaren
Als veler jongren blonde kuif.
Zoo zingt hij in 1820, vierenzestig jaren oud,
Aristophanes na; en wel aan het slot der
voorafspraak vóór den allesbehalve malschen bundel
Perzius Hekeldichten. Voorzeker, met alle vromen en
verstandigen wenschen wij ons te oefenen in de leerzaamheid; doch wij wanhopen
of het ons gelukken zal daarin ooit genoegzame vorderingen te maken om te
leeren gelooven dat wie in 1820 zoo grappig protesteerde tegen de inbeelding
der blonde kuiven, in 1795 met waarachtig gevoel kan gesproken hebben van den
afgang zijns levens. Overigens wordt de plaats des gevoels in dit gedichtje
minder door hartstogtelijkheid dan wel door eene daaraan niet gansch en al
afgestorven kribbigheid ingenomen.
Doch laten wij dit daar. Met de vraag, hoe en wat
Bilderdijk gevoeld heeft als echtgenoot
en vader, opent zich voor ons eene nieuwe afdeeling van het onderwerp dat wij
thans behandelen. Om aanstonds tot de zaak te komen, ziehier eene der vele
strophen uit een gedicht getiteld Ter uitvaart van mijn jongste
kind (1807):
| | | |
Ach! zou uw zieltjen reeds gevoelen
Hoe veel het by dit sterven wint?
Gewis, gy doet het, ja mijn kind!
Gy hebt genoeg van 't aardsche woelen.
Gy zaagt uwe Ouders - hoeft er meer,
Op dat men de aard vervloeken leer!
Wij schrijven geene geschiedenis van Bilderdijks excentriciteiten.
Ook is deze aanhaling geene bijdrage daartoe. Zij karakteriseert den vader in
hem, dit is al. Steeds hartstogt voor teederheid. Steeds herinneringen aan een
ander leed als hetgeen bezongen moest worden. Steeds eene zich ongevraagd op
den voorgrond dringende subjectiviteit. Ditmaal is het zoover gekomen dat men
met een wanhopig jobsbeklag deze aarde zal hebben te vloeken - waarom? omdat
Willem Bilderdijk en zijne vrouw hierbeneden in menig opzigt zeer ongelukkig
zijn geweest en veel hebben uitgestaan. En instede dat de dichterlijke vader
bij het graf van zijn kindje met weemoed denken zou aan ook wederom déze
vóór den tijd geknakte bloem, en welverre dat zijn christelijk
gemoed in het geloof aan eene hooger wereldorde reeds nu de oplossing zoeken
zou van dezen wanklank, wenscht hij het wicht geluk met zijne ontkoming uit dit
vermaledijd jammerdal onzes aardschen levens, vermaledijd omdat zijne ouders er
geleden en gestreden hadden. Men neme daarbij in aanmerking dat Bilderdijk
omstreeks 1807 in de blakende gunst van koning Lodewijk deelde, zeer in aanzien
was, onbekrompen leven kon, en destijds geene redenen had de aarde om
zijnentwil doemniswaardig te heeten. Men vindt hier dan ook niet de in hare
eenzijdigheid toch aandoenlijke levensbeschouwing der Hervormde kerkleer die,
het menschelijk leven opvattend als eene gestadige droefheid,
vóór alle dingen vraagt: Welke is uw éénige troost,
beide in leven en sterven? Neen, ongetroost en onverzoend drukt onze dichter
voor het laatst de lippen van zijn vroeggestorven kind; of, zoo er nog eenige
vertroosting voor hem is overgebleven, zij ligt opgesloten in de wanhopige
zelfvermaning:
| | | |
Duikt neder, smart en wanbegrippen!
Duikt, ouderzucht en menschlijkheid;
Of - schreit van vreugde, zoo gy schreit!
Is daar iets gespannens en overspannens, iets opgeschroefds in
dezen bij het lijkje van zijn kind van vreugde schreijenden vader - de
Franschen spreker van s'échauffer à froid - omtrent den
echtgenoot in Bilderdijk valt iets dergelijks mede op te merken. In zijne
zestig of zeventig gedichten van langer en korter adem die onmiddellijk of
zijdelings ten opschrift voeren Aan mijne Egade, heerscht
natuurlijk niet overal dezelfde toon. En toch, het ontbreekt in deze somtijds
zeer fraaije verzen niet-alleen schier overal aan de innigheid van dat: Waar
werd opregter trouw dan tusschen man en vrouw ter wereld ooit gevonden? maar
men zou kunnen zeggen dat Bilderdijk, bij al deze uitingen zijns gevoels als
echtgenoot, steeds gelegenheid vindt één dezer drie daarmede
naauwlijks zamenhangende snaren aan te roeren: òf de bevrediging zijner
zinnelijkheid, òf het onregt hem door zijne vijanden aangedaan,
òf eindelijk de verdorvenheid zijner eeuw en van zijn volk. Om met
betrekking tot dit laatste onze bedoeling aanstonds door een voorbeeld op te
helderen, in den nieuwjaarsnacht van 1827 zingt hij zijne vrouw op deze wijze
toe:
Leef, wat ook word' van 't land dat, van God afgevallen,
Op onafhanklijkheid en zelfbeheer durft brallen,
En vloekbren eigenwaan afgodische outers sticht -
Wat van een wareld word' die Heiland kent noch plicht -
Wat oordeel van Gods wraak 't versodomt schuim der volken
Of wegspoele in één zee, of inzwelge in den
gloed
Der opgeborsten zwavelkolken,
Die 't onkruid, lang geduld, in 't eind verteeren moet -
Leef gy in 't vol genot van 's Hoogsten zegeningen...
Al viel op gedachte of inkleeding van dezen nieuwjaarswensch niets
aan te merken, ja al deelden wij 's dichters inzigt in den toenmaligen
politieken en maatschappelijken toestand der europesche en andere
christenvolken, nog zouden | | | | wij, met volle erkenning van
Bilderdijks singulariteit en van hare regten, in deze verzen ieder spoor van
gevoel, met name echtelijk gevoel, gelooven te missen. Het denkbeeld dat 's
dichters vrouw, overladen zij-alleen met al de zegeningen des hemels, blijft
voortleven op de puinhoopen eener als Sodom en Gomorra door vuur en zwavel
verteerde maatschappij, laat ons, om niets meer te zeggen, volmaakt
onverschillig; en liever dan aan zijne ega zulk een levenslot toe te wenschen,
had hij om ons gemoed te bevredigen de verwachting mogen uitspreken dat het
aanstaand voorjaar haar een zinnebeeld wierd van nog menig ontluikend bloempje
op haren levensweg en bij het klimmen harer jaren. Maar neen, de dichter houdt
niet het meest van lenteknoppen of groene velden; hij wandelt bij voorkeur met
zijne verbeelding over gloeijende asch.
Zoo menigmaal in deze verzen aan zijne vrouw ook zijne kinderen en
in het gemeen zijne huiselijke omstandigheden ter sprake komen - en dit
geschiedt als vanzelf spreekt telkens en menigvuldig - wordt ook die andere
snaar aangeroerd waarvan wij gewaagden: 's dichters vijanden en het onregt door
hen aan hem gepleegd. Ten voorbeeld strekke een verjaardagsvers van 1814
waarin, met zinspeling op de edelmoedigheid van koning
Willem I, die gaarne aan Bilderdijk een
leerstoel of eenige andere nuttige betrekking gegund had, gesproken wordt
van:
Ja, de Vorst, zijn stamhuis waardig,
En hy leest my in 't gemoed.
‘Maar,’ vraagt de dichter aan zijne jarige echtgenoot,
en hiermede treden de vijanden op het tooneel:
Maar zou 't giftig slangenbroed
Zich niet om zijn' zetel wringen;
ln zijn kabinetten dringen;
Zich niet kronklen om zijn voet?
En weldra volgt er in denzelfden vragenden toon, want eenmaal op
dit terrein gekomen laat Bilderdijk zich daarvan | | | | zoo gemakkelijk
niet afbrengen, zullen wij zeggen zelfs niet of vooral niet op den geboortedag
zijner echtgenoot:
Zou my 't heilloos helgebroedsel
Niet verpesten door zijn gif?
Ja, ontging mijn stervend rif
't Grimmen, biezen, en bezwadderen
Van die menschgedaantige adderen
Op den doodschen kerkhofklif?
Wees hoegenaamd niet sentimenteel; denk u het menschelijk gevoel
zoo mannelijk en onverwijfd als met eene onontbeerlijke hoeveelheid
levenswarmte slechts eenigzins bestaanbaar is: gij zult niettemin moeten
erkennen dat er in den etymologischen zin van het woord iets monsterachtigs is
gelegen in dien dichterlijken echtgenoot en huisvader, die op het verjaarfeest
zijner dichterlijke vrouw dus grimt en biest over het biezen en grimmen zijner
hateren. En nu laten wij voorloopig de vraag nog terzijde, wat er billijks of
onbillijks in dien hartstogt mag geweest zijn, en wie zij waren, die
menschgedaantige adderen, die zelfs op het kerkhof of doodschen klif gaarne
iets zouden hebben medegebragt van hun verpestend gif tot bezwaddering van 's
dichters rif.
Om ons eindelijk niet geheel en al van ophelderingen te onthouden
omtrent de eerste der drie door ons genoemde snaren op dit gedeelte van
Bilderdijks lier, kiezen wij den aanhef van een gedicht Aan mijne Egade
dat het cijfer 1822 voert en derhalve behoort tot een tijdperk toen onze
dichter- zelf zijn zes en zestigste en zijne echtgenoot (mevrouw Bilderdijk was
van 1777) haar 45ste levensjaar bereikt had:
'k Heb dan niet vergeefs gebeden,
Als ik op mijn Egaâs borst
En omstrengeld van haar leden,
In 't gevoel dier zaligheden
Tot u opzag, Levensvorst!
'k Hief dan in de Huwlijksweelde
't Hart niet vruchtloos tot mijn God,
| | | |
En het uitzicht dat ons streelde
(Gij die mijn vervoering deelde!)
Was waarachtig zielsgenot -
Dierbre, de Engel van het leven
Daalde neêr op ons gebed.
Ja, ons hart tot God geheven,
Heeft zijn adem voelen zweven
Over 't eens weer vruchtbaar bed.
Dankend smolten we en verzonken
In de zwijmeling der lust;
En ontwaakten, hemeldronken,
Gloeiende van liefdevonken
Die geen zielsverzading bluscht...
Wat zullen wij tot deze dingen zeggen? te meer daar de titel van
het gedicht in zijn geheel aldus luidt: Aan mijne Egade, in
hare langdurige en eindelijk te loor gestelde zwangerheid. Wat ons
betreft, om eene uitdrukking van Bilderdijk-zelven te bezigen, de
‘ongoddelijke wildzang’ van
Byron, van
Alfred de Musset, verloren zonen der
genialiteit en der groote wereld, is een minder groote wanklank in onze ooren,
en eene minder zware proef voor onzen al of niet zuiveren smaak, dan de
huisvaderlijke weelderigheid van dien bejaarden burgerman, die niet-alleen
alles bezingt, tot de verborgenste uitingen van zijn dierlijk leven toe, maar
die ook bovendien, godvreezend wellusteling, op de zinnelijkste wijze en te
midden van het snikken der hartstogtelijkheid, den naam en de gedachte van
zijnen God onder deze zangen mengt. Waarbij nog komt dat het ons onmenschelijk
toeschijnt dat een man, hij zij sjouwerman of dichter, de vrouw die hij
liefheeft, en die hem acht kinderen schonk, na volle vijf en twintig jaren
huwelijks aldus in het openbaar prostitueert.
Wij sluiten dit gedeelte onzer beschouwing met de mededeeling van
twee kleine dichtstukjes, beide over hetzelfde tragisch onderwerp, maar in
geheel verschillenden toon. De titel van het ééne luidt:
Op het huwelijksbed van een Bruid en Bruidegom, in hun eersten
huwelijksnacht door den bliksem getroffen. De voorwaar niet
ondichterlijke of voor geen gevoelvolle | | | | behandeling vatbare
toestand wordt aldus beschreven en bejammerd, of zoo men wil uit hooger oogpunt
gezegend:
Een teedre en lieve Bruid sliep hier in 's Bruigoms armen,
Op 't eerbre huwlijksbed ten hemelwellust in.
De Algoedheid zag hun vlam met zegenvol erbarmen,
En één, één bliksemstraal verzegelt
beider min.
ô Welgelukkig paar! Elkaâr om 't hart
gestrengeld,
Geniet ge de eêlste vreugd den sterv'ling toegelegd;
Verliest ge u in heur lust; en - vindt u weêr,
verengeld;
En zalige eeuwigheid is de aanvang van uwe Echt.
Gy Maagden, strooit hier palm, strooit lelien en rozen!
Dees lijk-, dees huwlijkskoets eischt al uw eerbied af:
Gods englen zweven ze om met Godgeheiligd blozen,
En zeegnen 't bruiloftsbed vereenigd met het graf.
Bepaald meesterlijk is deze bearbeiding niet. De toestand is te
veel geschilderd, te weinig geëffleureerd; de toetsen zijn niet fijn
genoeg om dichterlijk te heeten. Met name hadden de acht eerste regels
geschrapt behooren te worden en had het versje eenvoudig moeten bestaan uit de
vier laatste met het opschrift. Dan zou de voorstelling poëzie zijn
geweest, want zij zou iets te vermoeden hebben gegeven. Doch met dat al, hoewel
niet van zijne schoonste, het versje doet Bilderdijk in geen enkel opzigt oneer
aan; het vereert integendeel zijn hart en menschelijk gevoel. Het andere versje
daarentegen, onder het hoofd Grafschrift op twee gelieven, door den
donder getroffen en dat zich aanbiedt als getrokken uit de brieven
van Lady Montague, doet hem in onze schatting aanstonds onheelbare afbreuk:
Hier ligt Jan Grut met Grietjen Pry.
Wat henker, vraagt ge, raakt dit my?
Als of er van dat goêlijk paar
Niet vrij wat meer te zeggen waar.
Lees toe! Op zondag, zonder fout,
Zou 't jonge volkjen zijn getrouwd.
Maar zie! verleden Donderdag
Verscheen er juist een bliksemslag,
Daar vast exprès toe opgemaakt,
Die beide heeft op 't hart geraakt,
| | | |
En bevend, siddrend, heet en warm,
Verpletterd in elkanders arm.
Dat 's spijtig, zegt ge. Mooglijk neen:
Want had het slechts een jaar geleên,
Wat weet men of zy niet bedroefd
Van Janbaas vuisten had geproefd,
En hy, door 't wijfjen fraai gekroond,
Een schaamrood bullenhoofd getoond;
Zoo dat en meid en arme knecht
Het uur vervloekt had van hun echt.
Nu zijn zy voor dat onheil vrij,
En winnen er een Grafschrift bij.
Het eerste stukje is van 1796, dit laatste van 1808 of 1809. Over
de dichterlijke waarde dezer geschiedenis van Jan en Grietjen behoeven wij niet
vele volzinnen te verspillen. Zoo uitgeschreven, zoo gevonnisd. Wij komen dus
alleen terug op de onmenschelijkheid eener dusdanige behandeling van een zoo
aandoenlijken toestand. Na zulke dingen gelezen te hebben kan men bezwaarlijk
langer zeggen: Bilderdijk is een zielkundig raadsel. Want het raadsel is,
schijnt het, opgelost. Slechts één ding kan hem bewogen hebben
dit versje, dat ten aanzien van den vorm niets te beduiden heeft, uit eene
vreemde taal in de onze over te brengen: te weten, zijn instinctmatig
welbehagen in den geest, die hardvochtig is, en in den toon, die aan het
onbeschofte grenst. En nu vragen wij, na de ondervinding te hebben opgedaan hoe
er naauwlijks één gebied is waarop uit de verzen van dezen
dichter een gevoelig hart tot ons spreekt, of men alle natuurlijke teederheid,
allen ongeveinsden weemoed, iederen vorm ongeveer der menschelijkheid niet voor
een poos moet hebben afgelegd en uitgeschud, om dezelfde gelieven, over wier
lijk- en huwelijkskoets men op het ééne oogenblik met
godgeheiligd blozen de engelen heeft laten zweven, op een ander oogenblik, tien
of twaalf jaren later, onder de vernederende namen van Jan Grut en Grietjen
Pry, door een expresselijk daartoe vervaardigden en op donderdag nederkomenden
bliksemslag, in elkanders armen te doen getroffen worden - de vuisten van
Janbaas en diens schaamrood bullenhoofd, | | | | als behoorende alleen tot
het gebied der hypothese, niet eenmaal medegerekend? Of strekt het der
nederlandsche natie tot schande indien zij op dit terrein Bilderdijks grootheid
in vollen ernst ontkent?
| |
VI
Onder Bilderdijks beste stukjes in het vak der satire behooren
de Nachtegaal en de Koekoek (1811), waarin hij tegen de
smakelooze oordeelvellingen des publieks in het letterkundige, en daarnevens
de Volksstem (1818), waarin hij zoo wij ons niet bedriegen tegen eene
hem bijzonder hinderlijke souvereiniteitsleer onzer dagen tevelde trekt. In
vergelijkenderwijs zeer humane en gematigde evenredigheden bereiden deze
gedichtjes ons voor op de bij andere gelegenheden zooveel feller door
Bilderdijk gevoerde oppositie in kerk en staat en
litteratuur.
De Nachtegaal en de Koekoek is eene fabel waarin door deze
beide vogels om den zangprijs wordt gedongen. Op voorstel van den koekoek zal
Langoor scheidsregter zijn. De ezel komt en hoort eerst den nachtegaal.
‘Gants niet kwaad’, zegt hij:
Maar het is te wild gezongen,
En het blijft niet in de maat.
De koekoek krijgt daarop insgelijks gehoor; en nadat de vogel
aanstonds aan het koekoekschreeuwen is gegaan, koekoek, koekoek, na als voor,
luidt het vonnis van den regter aldus:
Bravo! ja, dat noem ik zingen,
(Zegt hy) dat's de rechte toon!
't Nachtegaaltjen piept wel aardig,
Maar de Koekoek spant de kroon.
Dat zijn klinkklaar zuivre jamben;
Dat's een maat naar mijn verstand:
Daar is 't zoet by in te slapen;
'k Hou niet van dien Griekschen trant.
| | | |
Oorspronkelijkheid is eene van Bilderdijks groote
verdiensten. Hij was een nieuw man in onze litteratuur, met name in de
geschiedenis onzer versificatie. Op dit gebied heeft hij letterlijk
geïnaugureerd. En behalve deze ééne onvervreemdbare kroon
draagt hij nog eene andere, eene meer betrekkelijke: hij was ongemeten de
voortreffelijkste dichter van zijnen tijd, een nachtegaal onder de
bastaard-nachtegalen. Daar hij nu bovendien vaak niet begrepen werd door het
publiek, en zijn lied van deze zijde niet-alleen zeer doove maar somtijds ook
zeer lange ooren ontmoette, kunnen wij ons niets gemakkelijker verklaren en in
hem dragen dan een hooge mate van zelfgevoel. Hoe zou deze man zichzelven
gansch en al onbewust hebben kunnen zijn van zijne superioriteit? Geen groot
kunstenaar met pen of penseel of luit, of hij zal te eeniger tijd zijne
instemming schenken aan den hooghartigen regel uit
Goethe's Epigrammen en zijnen troost vinden in de
gedachte:
Werke des Geists und der Kunst sind für den Pöbel
nicht da.
En toch - want daar is onderscheid tusschen deze dingen bij
zichzelf te denken of zelfs in een kring van vertrouwden uit te spreken, en ze
te laten drukken - toch is de ware maat van het zelfgevoel reeds overschreden,
schijnt het, wanneer iemand, van hoe groote en buitengewone dichterlijke
talenten overigens ook, openlijk de overtuiging uitspreekt dat zijn publiek een
ezel is, zijn mededinger een koekoek, en hijzelf een nachtegaal.
Doch
Bilderdijk heeft het bij deze getemperde
hooghartigheden van 1811 niet gelaten. In 1824 is zijn dichterlijk odi
profanum overgeslagen in een ruwen geest van invective en recriminatie. En
ditmaal zijn het niet de mededichters of het publiek, maar de recensenten die
's dichters verbolgenheid gaande maken. ‘Waar zijn wij?’ zoo luidt
de vraag waarmede de strafrede tegen hen wordt ingeleid:
Waar zijn wy? in wat land, in welke hemelstreken?
By 't Apendom veellicht, waar 't filozoofs geslacht
Zich uit gesproten roemt...
| | | |
Maar neen, niet over de politieke of kerkelijke
liberalen, niet over dit bavianendom wil de dichter ditmaal handelen. Deze
zinspeling op de, zoo wij wel hebben, Blumenbachsche theorie over den oorsprong
van het menschelijk geslacht, laat hij dus voor ditmaal varen. Niet op de
geperfectioneerde boomklimmers, maar gelijk gezegd is op de letterkundige
kritiek zijner dagen heeft hij het deze reis gemunt:
Maar 'k heb het tegen u, volmakend ras van apen,
Qua tales, niet; och neen, gy moogt gerust gaan
slapen.
Maar 't dommer nog dan dom Recensieschrijvrendom
Dat d'algemeenen Leer- en Rechterstoel beklom
En achter 't sluipgordijn der naamloosheid gezeten,
't Onfeilbre vonnis wijst aan Proza en Poëeten.
Tot zoover kan het er mede door. Die regel inzonderheid van het
recensieschrijvrendom is even meesterlijk van vorm als grappig van zaamgeperste
kwaadaardigheid. Ook van de zijde eens acht en zestigjarigen grijsaards? Maar
hetgeen volgt behoort gansch en al op de 's Gravenhaagsche vischmarkt
thuis:
Gy, kwakend kikkrengrom uit Neêrlands moddersloot,
(Zoo 't waar is evenwel, dat ge uit ons Neêrland
sproot)
Van waar toch komt u 't recht, ik zeg niet om te kwaken,
Kwaakt u te barsten! maar om zwadder uit te braken
Op wie 't ook zy, als waar 't een beedlaar of een zot
Die met de gekskolf liep of met den rommelpot?
Leefde Bilderdijk nog, het zou ons hopen wij niet aan den moed
ontbreken zijne poëzie te kritiseren; en in één opzigt
althans zou hij ons geen kikkergrom uit de nederlandsche moddersloot kunnen
heeten, want hij zou ons niet gezeten vinden achter het sluipgordijn der
naamloosheid. En wanneer in het onderstelde geval zijn vers aan de recensenten
onder onze oogen kwam, zouden wij de vrijheid nemen hem te zeggen dat zich boos
te maken over naamlooze recensies van onbevoegden het werk van geen verstandig,
en weder te schelden wanneer men gescholden wordt de handelwijze van geen edel
dichter is.
| | | |
Scherp maar grof, zeiden wij van Bilderdijks muze. En
onze lezers zullen bespeuren dat ook deze kwalificatie niet zonder overleg in
ons eerste opstel werd neergeschreven. Blijven wij nog eenige oogenblikken bij
's dichters strijd tegen zijne meer bepaald letterkundige tegenpartijders
staan, en leggen wij telkens den vinger op de plaats waar de eerlijke satire in
mateloos schimpen ontaardt. Men mag - te weten uit het oogpunt der bellettrie;
dat der zedelijkheid nemen wij hier slechts in zoover op als deze laatste met
de kunst zamenhangt - men mag onwaardige tegenstanders ook in het openbaar ten
toon stellen en hekelen; maar men mag hun niet toevoegen: ‘Kwaakt u te
barsten!’ Men mag spotten met eene verachtelijke camaraderie die meent
dat niemand geest heeft behalve zij en hare vrienden; maar wanneer men haar
begroet gelijk Bilderdijk doet in zijne Letterklubs onzes tijds (1820):
Ga, laf gebroed van eeuwige uitvaartzingers,
Dat by dien lof, van eigen hoogmoed zwelt;
Maar 's Hemels vloek verstijve u tong en vingers,
Zoo ge ooit één woord van mijn verscheiden
meldt!
dan heeft men opgehouden satiricus te wezen, want men is dan niet
langer een fatsoenlijk man. Men mag zich vrolijk maken over den uitbundigen lof
dien partijzucht aan middelmatige dooden toezwaait, maar men mag geen vers
laten drukken Op een partij huilende Lijkzangers onzes
tijds (1821), dat in dezer voege aanvangt:
Rekels, laat den doode slapen!
Waarom toch zijn vredige asch
Met uw nagels los te schrapen
In dat valsche Luitgekras?
Of, wat meent gy, zoo zijne ooren
In den donkren kelderkuil
Dat vervloekt geraaskal hooren
Van uw jankend hondsgehuil,
Dat hy niet, van spijt aan 't branden,
Om zal keeren in de kist?
Ja, niet knarsen met de tanden
Of zijn grafkuil wierd bepist?
| | | |
En een even groote ongelikte, geen satiricus langer,
is hij die eene Rondedans om zijne eigen doodkist vervaardigt, waarin de
letterkundige vijanden aldus jubelend worden ingevoerd:
Dulden moet nu Bilderdijk
Dat wy dansen op zijn lijk
Al de kikkers uit de sloot,
Zingen vrolijk: ‘Louw is dood,
Vergelijk zulke verzen met bijvoorbeeld dat slot van
Heine's Deutschland, waar hij den
Koning van Pruissen voor de vierschaar der nakomelingschap daagt; en, welke
hulde men ook brenge aan de puntige dictie en schitterende versificatie door
Bilderdijk in de aangehaalde verzen ten toon gespreid, men kan niet nalaten te
bekennen dat de palm der grootheid hier niet is aan de zijde van den
regtzinnigen hervormde, maar aan die van den bekeerden jood en onbekeerden
christen.
Behalve enkelen die Bilderdijk in persoon en van nabij gekend
hebben, heeft niemand hem ooit voor zachtzinnig gehouden. Hij behoefde dit ook
niet te zijn om een groot dichter te wezen. Wij althans nemen hem gaarne zoo
als hij is en gunnen hem de volle vrijheid die aan den hekeldichter toekomt;
ook dan wanneer hij ons persoonlijk beleedigt in de gevoelens die wij zijn
toegedaan, of de herinnering aantast van mannen aan wie wij meenen dat het
vaderland groote verpligting heeft. Zelfs zouden wij ons openlijk aan
Bilderdijks zijde scharen, indien hem het regt wierd betwist om te zijn die hij
was of indien hij om zijne hetzij kerkelijke hetzij politieke gevoelens in den
ban wierd gedaan. En gelijk wij tot hiertoe in deze opstellen ons met den
strengsten ernst meenen onthouden te hebben van alle kleingeestigheid, en in
het gemeen van alle denigrerende en onwaardige kritiek, zoo wenschen wij ook de
eersten te zijn in de erkenning van het goede in Bilderdijks muze, wanneer zij,
nu niet langer tegen | | | | letterkundige vijanden alleen, maar ook tegen
andere wederpartijders en met name tegen den geest der eeuw hare pijlen
afzendt.
Zoo bewonderen wij van harte het in den aanvang door ons genoemde
versje De Volksstem, onzes insziens eene der gelukkigste van Bilderdijks
proeven op het gebied der hekelpoëzie. Hij verhaalt daar hoe weleer het
varkensknorren, door de menschelijke stem van een troepje kermisgasten
nagebootst, tot de uitgezochtste volksvermakelijkheden van het oude Rome
behoorde. Reeds onder gewone omstandigheden, wanneer ridderschap of
honderdmannen uitspraak deden in den knorkunsttwist en den prijs uitreikten aan
den vaardigsten der zwijnzangkunstenaren, reeds dan was de belangstelling der
menigte groot. Doch nooit was zij dit zoo zeer als bij zekere gelegenheid toen
het volk-zelf den kamp voor een keer beslissen mogt en derhalve de volksstem
als hoogste uitspraak gelden zou. Ditmaal namen slechts twee personen aan den
wedstrijd deel. De een was een beroemd goochelaar, trotsch op de blakende gunst
waarin hij sints lang bij de menigte stond, en nu de kampplaats in de
uitgezochtste praalkleedij fier op en neder stappend. Aan hem is de beurt; zijn
triomf is volkomen:
De kunstnaar knort. Met duizend handen
Klapt alles alles doof en stom,
En 't scheen, men smeet by turftonmanden
Bravissimoos en bravoos om.
Zijn mededinger was een eenvoudige boerenkinkel van achter de
ploeg; ‘zoo groen als een mof,’ gelijk de dichter met
éénen trek hem teekent. Hij staat en gluipt met de oogen; zijn
hals hangt scheef voorover, zijn mond is halfverscholen in zijn kleed, en hij
houdt de armen kruislings voor het lijf. De beurt is aan hem; en, ofschoon hij
het er beter afbrengt dan iemand had durven hopen, toch is het volk hoogst
ontevreden:
Men hoort het. Alles slaat aan 't morren;
Weg (roept men), voort maar! weg met hem!
Die eerste, ja! dat heet ik knorren;
Maar dit gelijkt geen varkensstem.
| | | |
En wat doet nu de boerenjongen? Op het hooren dezer
kreten van afkeuring haalt hij uit zijn kleed een levend varkentje te
voorschijn, bijt het in den oorlap, en toont aan de menigte het dier welks stem
zij hoorden:
Ziet daar (dus zegt hy), Kunstbeslechters,
Hoe juist, hoe wijs gy vonnis velt!
Zijnerzijds voegt de dichter er aanstonds deze zedeles bij en
besluit daarmede:
Erken nu 't domme volk voor rechters,
Gy die belang in waarheid stelt.
Dit, en evenzoo de fabel van De Visschen en den
Reiger, een uitmuntend bijgebragte persiflage van het
constitutioneel koningschap, waarin desgelijks de zin der beeldspraak in een
paar kernachtige slotregels eensklaps duidelijk wordt - dit en enkele
dergelijke van 's dichters satiren zijn echte kunststukjes. Constitutionele
regeringsvorm en volkssouvereiniteit: niemand ontzegge aan Bilderdijk het regt
niet ingenomen te zijn geweest met deze moderne instellingen; en indien ons
vermoeden gegrond is dat zijn aanval op de kunstbeslechters, in het aangehaalde
versje, naar de bedoeling van den dichter ook tevens een protest tegen
laatstgenoemde is geweest - onwillekeurig toch denken wij bij de volksstem aan
iets meer dan aan een uiting van kunstgevoel-alleen - dan mag het niemand aan
de noodige onpartijdigheid haperen om ditmaal hulde te doen aan Bilderdijks
geestigheid en aan Bilderdijks talent. Een geheel ander oordeel daarentegen
moet zulke verzen treffen waarin 's dichters antipathie tegen den tijdgeest
ontaardt in de schromelijkste personaliteiten, in een uitvaren niet tegen
naamlooze recensiën en hare auteurs, maar tegen mannen wier
éénige misdaad was dat zij met al den invloed hunner groote
talenten, in wetenschap en staat en kerk, eene andere rigting dienden dan die
van Bilderdijk:
| | | |
Neen, Kemper, 'k meng geen stem, geen harptoon aan
't gekrijsch
Van 't snode slangenbroed, wier Duivlen eerbewijs
U in uw grafsteen hoont en lastert. Onverlaten
Die God en Vaderland en zoen en Heiland haten,
En, vuige zwaluwen, voor 't gastvrij rietverdek
Hun dank betalen in verfoeibren gruweldrek....
Dus is de aanhef van een vers (1824) vervaardigd bij het lezen,
niet van sommige schimpredenen, maar ‘van sommige lofspraken op den
braven Kemper.’ De schuldigen, hier onverlaten
en vuige zwaluwen genoemd, behooren tot hetzelfde ras der menschgedaantige
adderen en ander helgebroedsel als vroeger. Zij vormen als het ware eene
commissie uit de partij huilende lijkzangers des tijds; en de gruweldrek, door
hen op het gastvrij rietverdek gedeponeerd, vult slechts aan hetgeen de rekels
reeds tevoren op dien zekeren grafsteen hadden verrigt. Voorts worden zij in
hunne sympathiën, steeds naar aanleiding hunner lofspraken op Kemper,
aldus met naam en toenaam aangeduid:
Gaat, Vorstbestrijders! gaat, afvallig wangeslacht,
Dat Vaderland beroert en plicht en recht verkracht,
Draaft met uw duizenden verwaatnen en misleiden
In dronken woede voort, met gift en moord te spreiden.
Roemt, roemt uw Borgers, roemt uw Kinkers, en dat soort
Dat, uwer waardig, van de Fichtsche Heltoorts gloort;
Verwaten mistteelt, dat God-zelf in 't aanzicht lastert,
Uit apen voortgebroed, tot apen weêr verbasterd;
Maar noemt geen Kemper. Neen: mijn Dichtlier was hem waard;
Hy was mijn Vriend. Verstomt! en rust' hy zacht in de aard!
Dit personele was overigens bij Bilderdijk slechts de tijdelijke
en toepasselijke losbarting van zijn nooit uitgedoofden wrok tegen den geest
der eeuw. Ziehier een fragment van het vers Wijsheid (1820) waaruit men
zijne gevoelens omtrent de heerschende rigting van zijnen tijd en hare afkomst,
doch zonder bijvoeging van eigennamen, in twaalf regels beschreven vindt. Na
eenige klagten over de omdolingen der menschelijke rede, laatstelijk over de
onzinnigheid der beeldendienst, gaat hij aldus voort:
| | | |
Ik zwijg van 't vreemde slag, dat niet tot mensch
geschapen
Maar de afkomst wezen wil van 't achtbre ras der Apen,
't Geen, duizend jaren aap, door 't maaksel van zijn hand
In 't eind werd opgewekt tot oefning van 't verstand;
Om (buiten 't Godsbestel, door 't vormen van zijn reden,
Van uit der dieren kring in hooger rang getreden,
En thands, door eigen kracht al meer en meer volmaakt,)
Den God gelijk te zijn, dien 't lastert en verzaakt.
Och! kon men nog een wijl dit apenbroed belezen,
Om thands op nieuw weêr aap, of immers, mensch te
wezen,
En Wetten, Kerk, en Staat, te laten in haar stand,
Tot ze in volmaaktheid eerst aan 't toppunt zijn beland!
Deze was Bilderdijks hoogachting voor zijne tegenpartij. Wij
voegen er aanstonds bij: dit is de sleutel tot het geheim zijner magteloosheid.
Nooit staat hij boven, altoos slechts tegenover de partij die hij bestrijdt;
steeds gelijkvloers met haar. Er is in zijne polemiek geene schaduw van
waardigheid. Instede dat hij zich boven de vulgariteiten van den partijgeest
zou verheffen, daalt hij er onophoudelijk zelf toe af. Wordt er geschuimbekt,
hij schuimbekt mede en terug. Hij spreekt over de dingen van den modernen tijd
met dezelfde hinderlijke minachting en domme miskenning als waarmede de mannen
der verlichting weleer over triniteit en satisfactie spraken:
Verlichting - vrijheid - menschenwaarde -!
Ja, heerlijk klinkt het in 't geluid;
Maar 't is slechts jammer voor onze aarde,
Dat al die poespas niets beduidt.
Hij is tegen den geest zijner eeuw bezield met denzelfden weerzin
als de vaderlandlievende joden uit het Makkabeesche heldentijdvak tegen het
binnendringen der grieksche beschaving. Nog in zijn negen-en-zestigste
levensjaar bezit en bezigt hij al het vuur van een jongen fanaticus tot het
uitvinden der verachtelijkste bijnamen voor de leiders der openbare meening
zijner dagen:
| | | |
Als 't geslacht van schoorsteenvegers,
En geheel die eedle hoop,
Ketellappers, mandjens-koop,
Modderscheppers, drekkuillegers,
't Lieve Vaderland regeert,
Is men nimmer te geleerd.
Hij kent het edel beginsel der verdraagzaamheid, anders onder den
naam van gewetensvrijheid eene der kostbaarste paarlen in de kroon van het
moderne leven, en waarvoor een man als Vinet bijvoorbeeld in de kracht des
christendoms tot aan zijn laatsten ademtogt gestreden heeft, enkel en alleen
onder den kleingeestigen vorm van indifferentisme:
Verdragen, dulden! Ja, 't is thands een tijd van dulden;
De tijgers grijnen thands die eerst afgrijslijk brulden;
En 't lachj' is om den mond, al is de Hel in 't oog.
Een enkle moord zegt niets, men moet zoo naauw niet ziften;
Het dulden maakt de kern der liberale schriften.
Men duldt al 't geen gy wilt, tot zelfs een God omhoog,
Mits duivel en geboeft hier meester spelen moog.
Men ziet, ook Bilderdijk schrijft hier en overal aan den geest der
eeuw, met name aan den geest der fransche omwenteling, een satanisch karakter
toe. Doch hij doet het zonder één sprankje dier genialiteit die
uit ditzelfde oogpunt de geschriften van
Joseph de Maistre, zonder een zweem der
meesterschap die
Mr. Groen van Prinsterers
Ongeloof en Revolutie kenmerkt. Zijn geraas is plomp en
zouteloos. Maar zijn haat is groot en blijft zichzelven getrouw. De volken van
den nieuwen tijd zijn hem hetgeen de Gojiem weleer voor Israel waren. Hunne
talen klinken in zijn oor als het varkensgeknor der zwijnzangkunstenaren in de
vertelling uit den ouden romeinschen tijd. Het spaansch, de taal van den
grooten kettermoorder
Filips II gaat goed:
ô Spruit van 't zelfde grootsch Latijn,
Waar 't Oost in gloort met avondwederschijn
En 't fier Romeinsch met stug Wandaalsch vereenigt,
Van 't Noord gehard, door Zuiderlucht gelenigd;
U minne ik meê in d'echten adeltrots
En stouten moed des oorlogshaften Goths.
| | | |
Nog beter het pauselijk italiaansch, tot welks lof
zelfs de hulp van Byron (‘I love the language, that soft bastard
Latin’) door Bilderdijk niet versmaad wordt:
U minne ik teêr, ô taal van lust en weelde,
Die 't stug Latijn in dartele ontucht teelde;
Die als de kus op malsche lippen smelt,
En 't hart doorstroomt met Liefdes algeweld.
Een gruwel daarentegen is hem de spraak van het land der
omwenteling, van dat Frankrijk dat bij monde van zijne edelste
vertegenwoordigers in onze dagen, onder alle landen van Europa zelf het eerste
wezen zou om Bilderdijk uit den droom te helpen omtrent den overgrooten invloed
dien hij er aan toeschrijft:
Maar weg met u, ô spraak van bastertklanken,
Waarin hyeen en valsche schakals janken;
Verloochnares van afkomst en geslacht,
Gevormd voor spot die met de waarheid lacht;
Wier staamlary, by eeuwig woordverbreken,
In 't neusgehuil, zich-zelv niet uit durft spreken;
Verfoeilijk Fransch, alleen den Duivel waard,
Die met uw aapgegrijns zich meester maakt van de aard!
En, wat uit Bilderdijks standpunt echt oud-joodsch gevoeld en
gedacht is, terwijl met en benevens hunne kagchels en hunne politieke
instellingen de talen der Gojiem hem eene niet uit te spreken walging
veroorzaken, ziet hij alleen in Hollands taal, zoo zij slechts niet besmet ware
door de aanraking met vreemde en schuldige pestlijderessen, eene hope voor de
toekomst. ‘Weg,’ zoo roept hij aan de Hedendaagsche
Talen toe:
Weg 't sijflend mondgebies en rochlend keelgegrom,
Weg 't klepprig kaakgekwak of snorkend neusgebrom,
Dat ge uitsist, spuwt, en spritst met hakklend
woordverslikken,
Belachlijk slangenbroed of varkensras! Verstom!
Ons Neêrland slechts bracht de aard heur morgenstond
weêrom,
Deed hier 't onduitsch gekrijsch van 't waanziek meesterdom
De Goddelijke taal in d'adem niet verstikken.
| | | |
Een niet onduidelijk bewijs dat
Bilderdijk in al deze verzen zijne eigen
waardigheid verspeeld, ontrouw aan zijne roeping gepleegd, de zaak die hij
voorstond bedorven, en zich met eigen hand veroordeeld heeft tot eene in dit
opzigt welverdiende impopulariteit, is dat niemand onder zijne begaafdste
leerlingen ooit na hem in onze litteratuur denzelfden toon heeft aangeslagen
als hij. Om van
Mr. Da Costa niet te spreken, wien de
eer toekomt dat zelfs zijne felste bladzijden altoos nog in vergelijking van
Bilderdijks uitvallen toonbeelden zijn van hoffelijkheid: heeft ooit
Mr. Groen van Prinsterer in zijne
geschriften eene taal gevoerd als uit de in dit onderdeel onzer beschouwing
aangehaalde proeven spreekt? Tijdens deze staatsman het dagblad De
Nederlander schreef, de éénige met talent
geredigeerde hollandsche courant die wij ons herinneren tot hiertoe gelezen te
hebben, heeft hij altoos, ook in de hitte van den strijd, en zonder ergens
ontrouw te worden aan ook zijn geloof in het satanisch karakter der fransche
revolutie, den regel in het oog gehouden dat er bepaalde grenzen zijn die
niemand overschrijden mag of hij verbeurt de aanspraak des eerlijken mans op de
kennisneming en repliek van den eerlijken man zijnen tegenpartijder. Het is dan
ook niet-alleen in naam eener aan die van Bilderdijk tegenovergestelde en haar
antipathetische rigting, maar tevens in dien der praktijk van Bilderdijks eigen
discipelen en bewonderaars dat wij den staf breken over zijne tegelijk door
overdrijving belagchelijke en door blinde woede onedele polemiek.
En een bewijs dat dit oordeel, ofschoon gesproten uit eene geheel
andere rigting als die van Bilderdijk, evenwel in den hatelijken zin des woords
door geen partijgeest en allerminst door kerkelijke sektegeest wordt bestuurd,
is voor onszelven onze hooge ingenomenheid en ongeveinsde eerbied voor de
persoonlijkheid en de geschriften van den man dien wij zoo- even in het
voorbijgaan noemden en aan wiens invloed op onze eigen vorming wij ons leven
lang met dankbaarheid hopen te blijven denken:
Alexandre Vinet. Zoo iemand, Vinet staat
hier te lande bij de naar Bilderdijk genoemde staat- | | | | kundige en
kerkelijke partij in hoog aanzien. En voor een deel teregt. Welke kiemen toch
eener andere en meer vrijzinnige rigting men ook in zijne geschriften moge
weten aan te wijzen, Vinet bleef tot den einde toe regtzinnig hervormd en een
welsprekend voorvechter van het overal bij de oudkerkelijke dogmatiek zich
aansluitend en aangesloten réveil van zijnen tijd. In de
politiek, voor zoover hij zich daarover heeft uitgelaten, was hij bovendien
conservatief; althans allesbehalve revolutionair. De Waadlandsche radikalen
hebben dit in 1845 en vroeger ondervonden. Getuige zijne kritiek van
Soumet's Divine
Épopée, had zijn kerkgeloof ook invloed op sommige
zijner letterkundige vonnissen. Wij mogen hem dus in menig opzigt en om
velerlei redenen naast Bilderdijk plaatsen. Doch juist in dezelfde mate als
Bilderdijk ons afstoot trekt Vinet ons aan. Vooreerst om zijne
bewonderenswaardige billijkheid, die hem in staat stelde een parallel te
trekken tusschen
Bossuet enVoltaire waartegen de kleingeestigheid van
bijvoorbeeld Bungeners voorstelling van deze mannen
beklagelijk afsteekt. Dan ook om zijn satiriek vernuft, dat hij meestal
onderdrukt, maar dat toch somtijds, zooals in zijne kritiek van
Victor Hugo's Burgraves, en
desgelijks door de wijze waarop hij aan
Chateaubriand doet gevoelen dat het nous in diens latere
geschriften slechts een masker is voor het menigvuldig voorkomend moi in
zijne vroegere, meesterlijk aan het licht komt. Eindelijk en allermeest om zijn
weldadigen ernst. Wie zijne vernietigende beschouwing over
Lamartine's Jocelyn gelezen
heeft, twijfelt geen oogenblik of aan Vinet komt de eer toe, en voor dien
nederigen Zwitserschen hoogleeraar in de praktische godgeleerdheid, voor dien
woordvoerder der oud-protestantsche kerkleer, is het weggelegd geweest - en
noch door
Souvestre, noch door
Sainte-Beuve wordt hem die hooge roem
betwist - de apostel te zijn eener kritiek zooals vóór hem door
niemand in Europa geoefend was, en zooals in Frankrijk inzonderheid niemand tot
dien tijd toe den moed had gehad te oefenen. Wij voor ons althans, zulke
bladzijden lezende, zetten van lieverlede alle kerkelijke vooroordeelen ter
zijde, laten des schrijvers dog- | | | | matiek voor zijne rekening, en
kennen slechts één ding dat in onze vereering zijne
scherpzinnigheid overtreft: den adem uit hooger sfeer, den christelijken
zielenadel, den reinen en verheven smaak, die ons uit zijne werken
tegenstroomt. Dat wij niet met Bilderdijk dweepen ligt dus onzerzijds niet aan
vooringenomenheid tegen den vorm van Bilderdijks christendom of tegen zijne
rigting in litteratuur en politiek. Neen, maar juist zij die onder den invloed
mede van een geestdrijver en kerkelijk regtzinnige als Vinet iets leerden
gevoelen voor hetgeen men noemt christelijke grootheid bij litterarische kunst,
iets van den moed in zich voelden ontwaken die noodig is om ook aan mannen als
Chateaubriand, als Hugo, als
Lamartine, hunne ontrouw te verwijten,
staan op in den geest tegen Bilderdijks idumeeschen haat en protesteren bij
zichzelven tegen Bilderdijks onhebbelijken wansmaak. Waarover nader.
| |
VII
Een van Bilderdijks vrienden, de dichter
Maurits Cornelis van Hall, heeft hem met
den meesten ernst en zonder een zweem van ondeugende bedoeling bij eene
aloë vergeleken:
Wie zijt ge, o wonderschoone plant,
Die 't blad, met scherpen doornen-rand,
Zoo statig houdt ter aard gebogen;
Die, rijzende als uit stalen voet,
Daar achtbaar schittert voor mijne oogen,
Als 't beeld van majesteit en moed?...
Een vers uit de oude doos, gelijk men bemerkt. Geen dichter van
den tegenwoordigen tijd zou een lied, waarboven met ronde woorden te lezen
staat De Aloë, durven aanvangen met de vraag: Wie
zijt ge, o plant? Omtrent zulke dingen althans is onze poëzie in de
jongste periode werkelijk en aanmerkelijk vooruitgegaan. Doch het zonderlingst
is nog niet dat Bilderdijk hier door zijn dichterlijken vriend reeds in den
tweeden regel vergeleken wordt bij eene plant met scherpen | | | |
doornen-rand om hare bladeren. Aan het slot des gedichts, met één
dier ‘ja's’ tot aanhef waaruit blijkt dat sommige gebreken van de
versificatie des bezongenen ook den bezinger eigen waren, geeft de jongere
dichter den ouderen deze les in de zachtmoedigheid:
Ja, de Aloë, zij is uw beeld,
o Grijze Bard, wiens dichtvuur speelt
En blaakt in steeds hernieuwde spranken!
Vaak boeit mij uw zoo heerlijk lied;
Maar spreekt de wrevel in uw klanken,
Dan huldig, maar ik min het niet.
Op welke van Bilderdijks verzen hier gezinspeeld wordt, halen wij
thans niet weder op: de belangstellende lezer raadplege dienaangaande ons vorig
opstel. De gang onzer beschouwingen brengt mede dat wij ditmaal over iets
anders spreken, en wel over dien aan Bilderdijks muze eigenaardigen wansmaak,
dien wij de laatste reis op eene voor ons doen zeer forsche wijze waagden te
kwalificeren. Ook ditmaal nemen wij ons uitgangspunt in iets waarlijk schoons
of althans kunstigs - het bekende versje Eierkoken - om
daarna met enkele voorbeelden aan te toonen in welk opzicht de dichter onzes
inziens ontrouw is geworden aan zichzelven en aan zijn eigen talent:
De luchtstroom ruisch' door 't vier, dat uit zijne asch
geschoten,
In vlammen om zich grijp' en Meroos God doorgloei';
Zijn hitte dring' door 't vocht, in 't hol metaal besloten,
En bruische in golven op met bonzend stormgeloei.
Daar wiegele in den plasch het scheppings-al van 't kuiken,
Dat in zijn zilvren lucht een gouden aardbol sluit;
En 't beuk' de krijtaardschors dier breekbre wareldkruiken,
En dove 's levens aâm in 't bobblend windvlies uit.
Zoo word' de ommuurde zee ten bergklomp door 't
verschroeien,
Waar 't half gesmolten goud verbalsemd door blijft vloeien!
Niet zoozeer uit persoonlijke ingenomenheid halen wij dit versje
aan als een voorbeeld van zuiveren smaak. Er is, zoo schijnt ons, in dit genre
iets geforceerds, iets dat meer tot het vak der oude rethorijkerskunst dan tot
het gebied der | | | | ware dichtkunst behoort. Doch wij geven dit oordeel
gaarne voor beter en tellen met sommige zeer bevoegde kunstkenners dit tiental
regels zonder voorbehoud mede onder Bilderdijks kleinere meesterstukjes.
Één ding evenwel, hopen wij, zal men ons toegeven: dat namelijk
een vernuft als in dit Eierkoken doorstraalt zich bevindt op hetgeen men
in de volkstaal eene gladde baan pleegt te noemen. Tusschen dit en wansmaak
ligt naauwlijks meer dan ééne schrede; en het is te voorzien dat
een dichter zonder zelfbeheersching - eene deugd waardoor Bilderdijk als
poëet nooit heeft geschitterd - door toe te geven aan zijne aangeboren
overhelling tot het gewrongene en gezochte, inplaats van enkel vernuftig te
blijven meer dan eens schipbreuk zal lijden op de klip van het valsch vernuft.
Dat dit ongeval bij menige gelegenheid, in het groot en in het klein, aan
Bilderdijk is overkomen, en dat derhalve ook te dezen aanzien zijne poëzie
behoort gezift te worden als de tarwe, hiervan hebben wij niet-alleen voor
onszelven de overtuiging opgedaan, maar het zou ons verwonderen indien deze
zelfde overtuiging niet ook weldra in den geest onzer lezers geboren wierd.
Een vers of gezegde van
Haller omtrent de menschelijke natuur
(Unselig Mittelding von Englen und vom Vieh!) gaf Bilderdijk aanleiding
om in 1824 een gedicht te schrijven Aan den Mensch,
waarvan de twee eerste regels aldus luiden:
o Gy die tusschen Vee en Engelen
't Gewichtig middelvak beslaat...
Dit is slechts belagchelijk; om de deftigheid van den aanhef
(‘o Gy!’) in verband met dat koddige vee; om de dwaze en stijve
voorstelling van een door den mensch beslagen middelvak, als ware het bezield
heelal een schrijflessenaar met drie loketten of eene door beschotten
afgedeelde arke Noachs; en ook om dat potsierlijke woord
‘gewichtig’, waardoor de dichter aan het denkbeeld
‘middelvak’ eenige waardigheid schijnt te hebben willen bijzetten -
immers er is in het gansche vers geen zweem van ironie te bespeuren - maar dat
men veeleer uit den mand eens ambtenaars van | | | | den burgerlijken
stand dan uit dien eens lierzangers verwacht zou hebben. Ziehier intusschen
iets ergers dan belagchelijk, dat evenwel hoog ernstig bedoeld is en geschreven
heet in christelijke geestvervoering:
Ja, 'k mocht in 't hart die troosttaal hooren:
‘Koomt tot my, die beladen kruipt;
De balsem voor uw vuile wonden
Is 't bloed dat uit de mijne druipt’....
Zelfonderzoek is de titel van het vers aan
welks laatste strofe wij deze regels ontleenden (1827), en wij staan verbaasd
daaronder hetzelfde jaartal te lezen als aan den voet van dien schoonen
lierzang 't Gebed, waarvan de beide eerste strofen - de
fraaije vergelijking van 's dichters gebeden bij het krijschen van den vogel
Alcyon - vroeger door ons werden aangehaald. Gaarne bekennen wij ons onvermogen
om eene zoodanige ongelijkheid te begrijpen; eene zoo uitnemende verhevenheid
in het ééne, eene zoo afzigtelijke platheid in het andere
gedicht; zooveel rein en zooveel bezoedeld water opwellend uit den mond
derzelfde fontein in hetzelfde jaargetijde. Doch het onderwerp in dit viertal
regels aangeroerd is te teeder om er lang bij stil te staan. Kiezen wij een
ander voorbeeld:
Dierbre Heiland! in zijn broedren
U te geven wat men geeft,
Is de wellust der gemoedren
Waar uw geest het hart doorzweeft....
Wat aan U behoort, niet ons;
En zich anders niet te denken
Dan als uitgeperste spons;
Blij, de droppels uit te stroomen
Waar Uw hand haar mede drenkt;
Die zy, dankbaar ingenomen,
Even dankbaar wederschenkt!
Blij, dat haar Uw hand wil drukken,
En door haar Uw weldaân spreidt!
Dit is 't echte hartverrukken,
| | | |
Zoo leest men in het gedicht
Mededeelzaamheid (1829), en de door ons uitgeschreven
hulde aan haar wordt onmiddellijk gevolgd door dit gebed om vervulling met den
geest dier edele christendeugd:
Doe ons geven, Hemelvader,
Maak een sprankjen uit Uw ader
Van dees lekke waterton -
met welke waterton, een beeld dat van verre ontleend schijnt aan
de profetiën des Ouden Testaments, de dichter zichzelven
bedoelt; en wij nemen deze gelegenheid te baat om den lezer opmerkzaam te maken
op de volgende omstandigheid.
Wie Bilderdijks kompleete dichtwerken niet gelezen heeft - en al
voortschrijvend aan deze beschouwingen stelden wij ons gelijk van den aanvang
af een publiek voor oogen dat grootendeels in dit geval verkeert - zal alligt
van onze kritiek den indruk ontvangen alsof haar toeleg ware bij voorkeur op de
schaduwzijden van het talent diens dichters te wijzen. Halen wij toch uit een
gedicht van hem enkele regels aan die van platheid of ruwheid, van bitterheid
of van hartstogtelijkheid, en nu ook wederom enkele die van wansmaak getuigen,
het kan den schijn hebben dat wij zoodoende, al zijn onze aanhalingen geenszins
vervalscht, evenwel onregtvaardig handelen jegens hem aan wiens verzen wij ze
ontleenen; den schijn dat wij, instede van in den misthoop naar paarlen te
zoeken, het omgekeerde verrigten en de paarlen laten liggen om des te
onverdeelder onze aandacht te kunnen wijden aan het stalvaagsel waarin zij
schuilen. De betuiging dat wij tot zoo iets onbekwaam meenen te zijn, ware hier
welligt minder op hare plaats. Doch tot onze regtvaardiging kunnen wij aan onze
lezers de verzekering geven, eene verklaring die evenwel door niemand hunner op
ons gezag behoeft te worden aangenomen en van wier getrouwheid zij zich
desverkiezend met eigen oogen kunnen overtuigen, dat juist het tegendeel waar
is van hetgeen eene | | | | bevooroordeelde kennisneming onzer kritiek zou
kunnen doen vermoeden. Wanneer, om ons bij deze zeer weinige voorbeelden te
bepalen, wanneer wij uit het vers tegen de recensenten de regels aanhalen
waarin dit geslacht bestempeld wordt met den naam van kikkergrom uit Nederlands
moddersloot; uit het vers getiteld Volmaking de strofe
waarin de destijds in ons vaderland bovendrijvende partij een ras van
schoorsteenvegers en drekkuillegers heet; uit het vers ten verjaardage van
mevrouw Bilderdijk het couplet waarin de raadslieden van koning Willem I ons worden voorgesteld als menschgedaantige
adderen; uit het vers tegen de lofredenaars van den overleden
Kemper de plaats waar Borger en
Kinker met hunne vrienden voor den lezer
optreden als eene uit apen voortgebroede en tot apen weder verbasterde misteelt
- dan halen wij niet aan hetgeen deze (zou men welligt meenen) overigens
schoone gedichten ontsiert, maar integendeel het éénige wat deze
reddeloos alledaagsche gedichten nog eenigszins boven hunne anders volstrekte
vulgariteit verheft. Schandelijke sieraden, zegt iemand, en wij durven het niet
ontkennen; doch niettemin zijn deze uitgezochte schimpnamen en is dit
gesublimeerd bordeel-nederduitsch nog het éénige teeken waaraan
men in deze verzen den man van talent herkent, zij het ook dat zijne ster bij
al deze gelegenheden eene regte dwaalster is geweest. En ditzelfde geldt van
het gedicht Mededeelzaamheid, zoo even bij uittreksel geciteerd. Die
lekke waterton, die uitgeperste spons, wederom stemmen wij het u desnoods toe,
zijn door smakeloosheid onuitstaanbaar; doch hoe naar vorm en inhoud tevens
mislukt de beeldspraak zij, deze beeldspraak is het éénige
waardoor de dichter toont dat hij althans eene poging heeft gedaan om
dichterlijk te wezen. Al hetgeen voorafgaat, al hetgeen volgt, zijn
onbeduidende gemeenplaatsen, woorden zonder gedachten, verzen zonder
poëzie, en waaruit slechts al te duidelijk blijkt hoe juist en naar
waarheid, zonder daarmede evenwel in het minst eene wezenlijke verkleining van
zijne eigen gaven te bedoelen, Bilderdijk zichzelven geteekend heeft in deze
regels aan een vriend, die | | | | zijne poëtische vruchtbaarheid
geprezen had (niet onmogelijk komen wij later op deze bekentenis terug):
Die my van een toren stiet,
Zou me in gruizels doen verbrijzelen;
Maar dat gruis, naar allen schijn,
Zou gebroken verzen zijn.
En inderdaad, konden Bilderdijks kompleete dichtwerken in een
vijzel worden fijngestampt, men zou geen gruis van denkbeelden, van gevoel, van
fantasie bekomen, van hetgeen bij uitnemendheid de dichtkunst kenmerkt, maar
hoofdzakelijk gruis van verzen. En geen wonder, want de dichter heeft er van
deze laatste driemaal honderdduizend op zijne rekening.
Om tot ons onderwerp terug te keeren, wij deden gevoelen welke
misstanden Bilderdijks muze somtijds aanneemt wanneer zij het zacht gebied der
godsdienstige poëzie betreedt. Na de godsdienst nu is er geen huldebetoon
dat aan het dichterlijk gemoed liefelijker toonen pleegt te ontlokken dan de
eeredienst der vrouwen. Wiens aangeboren ruwheid onverteederd blijft zelfs in
de tegenwoordigheid der vrouw die hij liefheeft en hoogacht, aan diens goeden
smaak mag veilig worden gewanhoopt. Laat ons zien welke kans er voor Bilderdijk
te dezen aanzien op eene goede plaats in onze dankbare herinnering
overblijft.
Dat hij, twee en vijftig jaren oud, in staat was een meisje, naar
den nieuwsten smaak gekleed, gelijk het opschrift boven het vierregelig versje
luidt, op de volgende wijs in zijne verbeelding toe te spreken:
Wat zoekt gy voor 't gelaat een sluier?
De zon, onnoozle Meid, steekt nog zoo hevig niet.
Vraag liever om een kinderluier,
Dat niemand door dit kleed uw bloote schaamte ziet....
dit vergeven wij hem desgevraagd. Welligt bezat hij in zijne
vierkante kuischheid een zeker regt om, met voorbijzien van het zooveel
gedecolleteerder vrouwelijk voorgeslacht, aldus | | | | voor een keer als
boetprediker op te treden tegen het onbetamelijk toilet van sommige zijner
schoone tijdgenooten. Welligt ook was het bewuste meisje werkelijk een ietwat
schaamteloos nuf. In elk geval, de dichter was hier niet tevens minnaar; de
liefde blinddoekte ditmaal zijn daemonium niet. Nemen wij dus iets anders, iets
huiselijks. Ziehier het coupletje dat tot begeleiding heeft gediend van een
paar oorringen, verbeeldende harten, in 1806 uit 's Hage door den dichter aan
zijne echtgenoot toegezonden:
Praalzucht pronk met gouden spangen,
Harten aan het oor te hangen,
Dierbre, voegt aan u-alleen.
Dit is 't voorrecht van uw zangen!
Dit zijn uwe Dichttrofeên!
Mevrouw Bilderdijk met harten aan de ooren, de harten van hen die
door hare poëzie getroffen werden - onze verbeelding weet niet of zij hier
bij voorkeur aan een vleeschhouwerswinkel of aan een kermiskraam vol
snuisterijen denken moet. Ook heeft ieder onzer wel menigmaal gehoord van eene
medegesleepte schare die aan de lippen eens welsprekenden redenaars hing, maar
nooit van een redenaar die met eigen hand deze schare vasthechtte aan zijne
ooren. Mogelijk zegt men: een dichter is ook weder iets anders als een
redenaar. Het zij zoo, doch wij meenen niettemin dat Bilderdijk, op het
oogenblik-zelf dat hij protesteerde tegen smakelooze nietigheden, door deze
zesregelige nietigheid zijne dichterlijke gade op de meest smakelooze wijze
belagchelijk heeft gemaakt. Minder evenwel dan hij het haar tien jaren vroeger
deed, toen zij nog een jong meisje was, aan wie hij het hof maakte. Destijds
beminde hij haar vurig, met al de kracht eens veertigjarigen mans. O, riep hij
haar toe, en noemde zijne ziel eene droeve vlugteling, ten boezem uitgerukt
door den magneet van Glycere's kus en dientengevolge buitengaats
omzwervend:
| | | |
o Weiger dan in dat aanbidlijk harte
De schuilplaats aan die droeve vluchtling niet,
Die, afgefoold door onverduurbre smarte,
Om lafenis tot uwen boezem vliedt!
En als zy, dus in d'uwen uitgegoten,
Mijn boezem koud en zonder leven laat;
Zich in den stroom van uwen adem baadt;
En, in uw hart met de uwen saamgevloten,
In uwe borst van Hemelwellust slaat;
Gun dan mijn hart, van zijne ziel begeven,
Een nieuwe ziel te zuigen uit uw borst!
En zoo jaloersch was hij van Glycere's liefde, dat hij zelfs aan
haar hondje Filidor het voorregt misgunde van door haar te worden gestreeld en
gekust:
Hy op uw schoot, (dien schoot van zaligheden!)
Een zoeten lach verrassen op uw mond!
Een zucht misschien, uw teder hart ontgleden,
Die... uit uw borst zich uitstort in den hond!
Doch zoo gemakkelijk komt Kalyce - dus luidt ditmaal Glycere's
toenaam - er bij haren aanbidder niet af. Die genegenheid van het meisje voor
haren hond, hij wil er meer er alles van weten en vraagt haar, beter
catechiseermeester dan dichter:
ô Ziet gy dan in die afgrijsbre blikken
De afschuwlijkheid der gruwzaamste ontucht niet?
Doet u de vlam, de vloekvlam, niet verschrikken,
Die 't geile dier uit schaamtlooze oogen schiet?
En als ware ook dit nog te weinig voor den afgunstigen en
weetgierigen minnaar, slaat hij onmiddellijk daarop den hollen preektoon
aan:
Laat andren, wien, van God en deugd vervallen,
't Ontaarte hart ontmenscht, verbeestlijkt is,
In arm en schoot met vuig gedierte brallen,
Tot mijn, tot uw, tot 's Hemels ergernis!
U, lieve Maagd, u voegen zuivre bloemen
Op blanke borst en Maagdelijken schoot....
| | | |
Arme Katharijne Wilhelmine, waarom is Filidor niet uw
éénige liefde gebleven! Wederom openen wij te dezer gelegenheid
eenen tusschenzin, en wel tot aanzuivering ditmaal eener nog altoos onvoldane
rekening. ‘Niet licht’, zoo leest men bij
Mr. Da Costa, en deze plaats heeft
betrekking op verzen als de daareven aangehaalde, ‘is door een teder en
ridderlijk gemoed in meer uitgezocht edele vormen, op meer zieldoordringende en
hartinnemende wijze, een hof gemaakt.’ En onmiddellijk daarop: ‘Wat
de dichterlijke harp versmeltendst en vertederenst heeft, werd hier, op
Engelschen (daarom alleen reeds onvergetelijken) bodem, door den Nederlandschen
Minstreel uitgestort en aangeboden als van dag tot dag.’ Wij eerbiedigen
deze piëteit van den dichterlijken geloofszoon voor den man van wien hij
ergens getuigd heeft: ‘mij een onvergeetlijk weldoener, o laat my veeleer
zeggen! in liefde en kweeking een vader.’ Doch zij vermag niet ons aan
het wankelen te brengen in onze overtuiging dat Bilderdijks amourette met jufvrouw Schweickhardt tot de zeer diepe schaduwzijden
van 's dichters karakter behoort. Toen hij in Maart of April 1795 het land
verliet en over Hamburg naar Londen reisde, was hij
van zijne eerste vrouw, en van zijne kinderen bij haar, slechts door den
afstand gescheiden. Wel schreef hij te Hamburg een vers waarin hij zich over
hare koelheid en gevoelloosheid beklaagde, en zulks in zeer sterke
bewoordingen, maar tevens ook een ander vers, tot opdragt aan haar van zijne
romance Urzijn en Valentijn, waarin hij haar zijne
‘lieve lot- en leedgenoot’ noemt, en haar verzekert dat zijn
geslacht en het hare van deze edele helden afstammen, het hare van Urzijn, het
zijne van Valentijn, of omgekeerd. Te Londen aangekomen, nog altoos in den loop
van 1795, had hij geen ander oogmerk als haar uit Holland derwaarts te laten
oversteken en een nieuw leven met haar te beginnen.
Schoon de Abeel met tak en wortel
Door het onweêr nedersla,
Rots en steenklip stort' te mortel,
't Scheurt geen trouwgepaarden tortel
| | | |
Neen, hy dekt haar met zijn vlerken,
Houdt haar aan zijn borst geprest,
Weet haar 't trillend hart te sterken,
En op een der lage berken
Sticht hy haar een ander nest.
zoo zong hij haar (1795) uit zijne wijkplaats toe, in het fraaije
versje Troost. En niet slechts bleef hij met haar in
correspondentie, gelijk blijkt uit dien brief van 26 Februarij 1796 aan
Uylenbroek, waarin hij aan dezen opdraagt
haar op haar verzoek een exemplaar zijner verzen te doen geworden en met
teederheid van haar spreekt, maar in de maand Mei van datzelfde jaar zond hij
haar ook zijn miniatuurportret, door den vader van jufvrouw Schweickhardt
geschilderd, tot een borstsiersel over; ja sprak, in een begeleidend vers, dit
portret op de volgende wijze toe:
En, als ge, in spijt van haat en Dwingelanden,
In mijne plaats op 't zuiverst harte rust,
Heur blanke borst of eeuwigdierbre handen,
Als sluiksgewijs, met koude lippen kust;
Hoe eeuwig dierbaar nu in de werkelijkheid hem de handen zijner
echtgenoot waren leert ons de omstandigheid dat, blijkens de dagteekening der
verzen aan Gloorroos, aan Glycere, aan Melitta, aan Panarete, aan Kalyce,
anders gezegd aan
Katharina Wilhelmina Schweickhart, des
Londenschen kunstschilders jonge, schoone en begaafde dochter, deze gedichten
juist afkomstig zijn uit denzelfden tijd waarin mevrouw Bilderdijk, geboren
Woesthoven, de lieve wedergade van haren trouwgepaarden tortel heette en diens
miniatuurportret tot een borstsiersel van hem ontving. Bilderdijks huisbijbel,
vernemen wij, meldt dat hij den 18den Mei 1797 met jufvrouw
Schweickhardt in het huwelijk trad. Waarschijnlijkst moet dit worden opgevat in
den zin waarin hij haar in 1799 toezong:
Wat leggen Priesterlijke handen
By andren, menschelijke banden;
ô De onzen zijn door God gelegd -
| | | |
of wel in dien waarin hij schertsend de relatie
tusschen Koekeloer en Partelot karakteriseert (1817):
Zy wisten 't met hun beiden,
En meenden 't wel. Dit immers is genoeg.
Mogelijk ook, hoewel minder waarschijnlijk, is er tijdens 's
dichters verblijf in Engeland en het achterblijven zijner vrouw in Holland,
tusschen Mei 1796 (de datum van het miniatuur-portret en van de eeuwigdierbre
handen) en Mei 1797 (die van het tweede huwelijk naar den huisbijbel), eene
wettige scheiding uitgesproken en een geregeld huwelijk daardoor mogelijk
gemaakt. Doch in ieder geval moet hier bij de beoordeeling van Bilderdijks
gedrag niet-alleen gezwegen worden van de poëtische waarde zijner
minneliederen uit de tweede periode (wij stelden den lezer instaat zich van
hunne geringe verhevenheid eenig denkbeeld te vormen), maar allermeest gezwegen
van de ridderlijkheid van zijn karakter. Trachten anderen zichzelven en de
natie hieromtrent te misleiden, wij meenen wel te doen met daartegen te
protesteren; latende voorts de verantwoordelijkheid wegens dit gerakel in de
asch eens zeldzamen mans voor de rekening van hen die goedgevonden hebben
daaruit meer dan ééne fabel op te delven. En hiermede sluiten wij
onze parenthesis.
| |
VIII
Men leest in de Verpoozingen van
Nicolaas Beets, ter plaatse waar deze in
sommige opzigten uitnemende beoordeelaar hulde brengt aan Bilderdijks ongemeene
verbeeldingskracht: ‘Aan den rijkdom dezer verbeelding, door een schat
van kennis ondersteund en met gadelooze naauwkeurigheid gepaard, is het toe te
schrijven dat Bilderdijk in het wijsgeerig Leerdicht, want ook daar is hy
altijd aanschouwelijk, zich niet minder Dichter toont dan in de pindarische
Ode, en dat de Ziekte der Geleerden, voorwaar geen
uitlokkend onderwerp, alles te zamen genomen, voor zijn meesterstuk gehouden
moet worden, voor een stuk waarin de poëzy een harer schoonste | | | | triomfen viert, en nadrukkelijk dat woord (uit een der voor- afspraken
bij de voorlezing des dichtstuks) waar maakt:
Geen veld is dor, waar Dichtkunst zich vertreedt.
Het bloemtjen wast, waar slechts haar voeten drukken!
En, zoo de hand den echten toongreep weet,
Ook wat verscheurt, kan streelen en verrukken.’
Zoo leest men bij
Dr. Beets; en bij
Mr. Da Costa, wanneer deze op zijne
beurt den lof van genoemd dichtstuk verheft: ‘Weet gy dan inderdaad niet,
gy mannen der aesthetische kritiek van onze eeuw of liever van ons land, dat
juist daarin (in de schatten van kundigheden die in deze Zes Zangen, vol kunst
bovendien van schikking zoowel als van orde in de denkbeelden, voorhanden of
verborgen liggen) juist daarin de bezielende, alles adelende, alles met zich
assimileerende kracht der poëzy ligt, haar werk van onophoudelijke
beeldspraak, persoonsverbeelding, verwisselen, ontleenen, en of het ware ruilen
van voorstellingen en uitdrukkingen uit de schijnbaar meest verwijderde kringen
van denken en gevoelen, toe te passen op allerlei onderwerpen, hoe ook, naar
het oordeel van eene oppervlakkige kritiek, wederspannig of dor.’
Ofschoon nu in deze laatste woorden het vonnis over onze
onderneming reeds van te voren is uitgesproken - oppervlakkige kritiek! - wagen
wij het niettemin op dit tweestemmig loflied ter eere van Bilderdijks
Ziekte der Geleerden een en ander af te dingen.
Eenerzijds om Bilderdijks wil, en opdat niemand de meesterschap van dezen
dichter zoeke op een terrein waar zij niet te vinden is. Doch ook aan den
anderen kant, ten einde hetgeen wij laatstelijk van zijnen wansmaak zeiden en
met voorbeelden uit zijne kleinere dichtwerken staafden, thans nader aan te
dringen en ditmaal op te helderen door een voorbeeld in het groot.
Onze karakteristiek van Bilderdijks talent zou tot hiertoe wel
zeer valsch zijn geweest, indien de lezer niet aanstonds vermoedde dat ook en
juist een onderwerp als dat van de Ziekte der Geleerden onder de handen
van dezen dichter aanleiding geworden is tot menige echt dichterlijke
uitweiding. En werke- | | | | lijk, aan schoone divagatiën is in dit
dichtstuk geen gebrek. Minder gebrek althans dan men geneigd zou wezen af te
leiden uit het telkens en telkens weder, als uit armoede, aanhalen eener plaats
gelijk in den eersten zang de vergelijking van de Pijn bij een getrouwen
wachter. Bilderdijk heeft meer dan dit om ons te geven. Even schoon toch voor
het minst als die gelijkenis is bij dezelfde gelegenheid deze uitboezeming:
o Aartsweldadigheid, in 't pijngevoel besloten!
Behoud der dierlijkheid, behoud van Adams loten!
Wie eert, wie roemt u niet in dees zoo wondre gift! -
Ach! streelend zy 't vermaak, vervoerend zy de drift,
Betoovrend 't zelfgenot in geest- en krachtvermogen;
Hun stroking, hun gevlei, zijn zielbedrog en logen!
Gy, gy zijt waarheid, gy getrouwe wachterin!
Gy logenstraft den waan by 't tokklen van den zin.
Niet minder dichterlijk is ook de beeldspraak uit den tweeden
zang, waar van het hersengestel gezegd wordt dat het heerschappij voert over
alle andere deelen van het organisme en in dit zijn leenheerschap alleen
geëvenaard wordt door het hart:
Geen deel, of 't moet dien vorst zijn leen verheergewaden,
Geen deel, dat hem weêrstaan, zijn wetten kan
versmaden!
Verlijftocht aan het bloed, erkent hy 't hart alleen,
Dat met dien overheer in bondgenootschap treên,
En zelfs hem, in zijn burcht door 't noodlot ingesloten,
Verhongren, prangen kan, of van den zetel stoten,
Maar niet, dan om, met hem, rampzalig te vergaan.
De volgende regels wederom, insgelijks behoorende tot den tweeden
zang, en waarin verhaald wordt van de bloedrivier en hare mengeling:
Datzelfde mengsel, rijk in duizend eigenschappen,
Geeft elke scheidingbuis heure onderscheiden sappen:
De Lever put daar gal, de slijmklier speeksel uit,
De Nier, de scherpe loog, wier naam ons walglijk luidt:
Een andre klier, het vocht dat d'oorsprong voert van 't
leven-
zijn wel is waar reeds een weinig vies; doch uiterst bevallig
steekt daartegen de onmiddellijk volgende vergelijking af:
| | | |
Zoo gaat in 't zelfde veld, door eigen aart
gedreven,
Het ros op spichtig gras, en wilde chicorei
Met gouden bloemen en gekorven blad, ter wei;
Het lam op klaver, en de geit op netelbladen
En heesterstruiken die den voet in 't water baden;
De lichte vlinder, op viool of boterblom;
Natuur toont elk zijn aas en wettig eigendom.
Doch wij zijn nog niet aan het einde der schoonheden. De derde
zang, en om niet meer te noemen vestigen wij inzonderheid hierop de aandacht
van den lezer, wordt geopend met eene soort van hellevaart. De dichter is
nedergedaald in de onderwereld en beschrijft allereerst, onder den vorm van
even zoovele fantastische allegoriën, een drietal ziekten. Van deze
ligchamelijke pijnen en hare schildering brengt zijne verbeelding hem naar het
oord der zedelijke verdoemenis en hij staat aan den ingang van den Hades:
Wat make ik, Hemel, in dit treurtooneel van schrikken!
Dus riep ik; maar een geest blies me adem in en moed.
Toen hief ik de oogen, en een sombre fakkelgloed
Deed me in een nevelwolk een stalen poort aanschouwen,
En 't vreeslijk bovenschrift, in diamant gehouwen:
‘Hier tuchtigt de Oppermagt met nimmer eindbre straf.
Die intreedt, legg' de hoop voor eeuwig, eeuwig af!’
'k Zag om my, 'k zag de koets waarin de Zorgen baren;
De Vrees, met bleeke kaak en vroeg vergrijsde hairen;
De gruwzame Achterdocht, wier boezem slangen voedt,
De Wraakzucht, dronken, en steeds dorstende, van bloed;
Den Nijd, den Honger, die hun eigen spieren knagen;
En 't bevende Gebrek, met Kommer, oud van dagen;
En d'onaanzienbre Dood, waar 't menschelijk gezicht
Van afkeert, slechts gekend aan 't snorren van zijn schicht.
'k Zag d'Arbeid, krom van nek, met ingetrapte lenden;
En u, ô geesselroê die de Almacht af will'
wenden!
Afgrijsselijke Krijg, ontvolker van deze aard,
Die, op den drempel, leunde op 't uitgetogen zwaard;
En Twist, het bloedig hoofd met addren overladen,
Die tot de ontbloote knie door tranen scheen te waden.
'k Zag 't koopren Wachthuis, met het ijzren voorportaal
En Galleryen op haar zuilenreeks van staal,
| | | |
Waar Razernyen by de blaauwe vuurvlam waken,
en plagen telen uit het zaad der helsche draken;
En, midden onder hen (geloof my, aardsch geslacht!)
De Wellust, maar ontmomd, aan 't hoofd der Hellewacht,
Wij zouden nog sommige andere schoone plaatsen kunnen aanhalen.
Zooals uit den vierden zang, omstreeks het slot, de aldus aanvangende
apostrophe:
Ga stervling, ga het land met drupplend zweet besproeien:
Eet brood, van 't zweet doorweekt, waarvan uw wangen
vloeien:
Roei doornen, distels uit, breek kei en rotsgrond door;
En drijf de scherpe ploeg al knikkende in de voor!
Of uit den vijfden, insgelijks aan het slot, den lofzang op het
staal en zijne geneeskracht. Of uit den zesden, behalve de in waarheid prachtig
ingekleede episode der Colchische beulin, deze bezwering der krankzinnigheid in
hare onderscheiden vormen, die van kindsheid zoowel als van razernij:
ô Wrange, ô gruwbre vrucht der lange
breinverkrachting!
Helaas! die sterke geest, die, aarde en lijf te groot,
't Oneindige als 't Heelal in zijn omvaâming sloot;
Die Godheid, die Monarch, die met den donder speelde,
Zich zetelde op het niet, en wareldstelsels teelde,
Den tijd en 't lot beval, de schepping buigen deê,
Ligt, van zijn' throon gebonsd, by 't onvernuftig vee!
De hand, voor wie heel de aard eerbiedig nederknielde,
Die klei en marmersteen, die hout en doek bezielde,
Die 't hart betooverde in de luitsnaar (ach, mijn God!)
Voert thans de zeepblaaspijp, bekrast het traliekot,
Of krimpt voor 's tuchtknaaps roê - ô God van dood
en leven,
Bewaar, bewaar het hoofd, waarin uw gaven zweven!
ô! Rukke, eer zulk een lot het woedend brein verrass',
't Genadig woord ons weg: ‘Keer, stervling, keer tot
asch’!
Doch genoeg voor ons oogmerk en voor Bilderdijks roem. Wanneer wij
nu in weerwil zulker schoonheden van den eersten rang niettemin beweren dat de
Ziekte der Geleerden in hare zes zangen eene daad van wansmaak, van
pyramidalen wansmaak is, dan leiden wij de verdere toelichting van dit | | | | oordeel
allereerst met eene rectificatie in, ‘Het is zoo,’ lezen wij bij
Mr. Da Costa, ‘juist dat heldere, dat bestemde, dat grondige (in
Bilderdijks poëzie en ook in zijne Ziekte der Geleerden), staat die
ziekelijke richting in den weg, die zich meer en meer van zoo velen op het
gebied van dichtkunst en aesthetische kritiek in onzen tijd en in ons land
heeft meester gemaakt, en die zoo gaarne het wezen der poëzy ziet in dat
dus geheeten half-donker, zoo gunstig aan een - niet smaken en waardeeren van,
maar - fantaiseeren en subtiliseeren met de kunstwerken van anderen, - zich
zelven ten slotte tot een krans uit de lauweren, door den Dichter
geplukt.’ Dat de apologeet ditmaal door zijne groote piëteit tot
aesthetische ketterij vervoerd en plus royaliste que le roi geworden
is, dit zullen niet wij, maar dit zal Bilderdijk-zelf den lezer leeren.
‘Indien,’ zegt Bilderdijk in zijne aanteekening op de driedubbele
allegorie waarmede de derde zang van zijn gedicht geopend wordt, ‘indien
de Tooneelen, hier voorgesteld, aak'lig zijn, 't is de aart der zaak, die dit
meêbrengt; doch wellicht vindt men ze duister. Men zegge mij echter, zoo
de Allegorie al te duidelijk sprak, ging dan de geheele kracht der
Poëtische schildering niet verloren? Geene Allegorie! of, heeft men ze
noodig, eene zoodanige, waarin zich, terwijl men haar leest, de beteekende zaak
niet opdringt! Eene zoodanige als de Mythologie der Ouden! - Edoch hetgeen hier
voorgesteld wordt heeft niets met de Mythologie der ouden gemeen. - Ik beken
het; maar het zijn hier bloote verschijningen, die alle de twijfelachtigheid
van een' droom moesten hebben, zouden zy haren aart niet te buiten gaan.’
Jammer slechts dat Bilderdijk niet aan alle de deelen van zijn leerdicht deze
twijfelachtigheid als van een droom heeft weten te geven of te laten, en dat
hij bladzijde aan bladzijde, van den eersten zang tot aan den zesden, door al
te duidelijk te spreken, de geheele kracht der poëtische schildering, in
sommige fragmenten zoo meesterlijk door hem gehandhaafd, reddeloos heeft
vernietigd. Een enkel woord tot verontschuldiging van dezen dichterlijken
zelfmoord.
| | | |
De Ziekte der Geleerden is geschreven in een
tijd toen kunstvaardigheid en poëzie nog vaak als woorden van
ééne beteekenis werden aangemerkt. Hoe onmogelijker het
onderwerp, hoe grooter dichter hij die het aandurfde en uitwerkte. Bilderdijk
heeft meermalen tegen deze valsche rigting geprotesteerd; doch het gedicht
waarvan wij thans spreken (1806) bewijst dat hij ook nog op later leeftijd, en
niet, gelijk hijzelf herhaaldelijk heeft bekend, in zijne jeugd alleen, voor de
verzoeking is bezweken. Reeds het motto, aan Manilius' Astronomicon
ontleend, leert ons de Ziekte der Geleerden als een kunstmatigen tour
de force kennen. Alle paden naar Parnas, zoo luidt het het daar, zijn
platgetreden; de bronnen zijn ineen gevloten tot een waterpoel. De dichter wil
zijnerzijds niet leppen uit dit drabbig vocht; veeleer zoekt hij zich eene nog
ongeopende ader. ‘Ja,’ roept hij uit:
Ja, oopnen we ons in 't hart een ontoegangbre bron!
Geen Dichter borge ons stof! geen heimlijk opgevangen,
Geen nagebootste kunst make aanspraak op mijn zangen!
Verheffen we ons alleen door 't eenzaam hemelspoor,
En streve onze eigen hulk een nieuwen zeeplasch door!
In verband met deze nieuwe zeeplas, zinnebeeld eener opgeschroefde
originaliteit van inspiratie, luidt het in den eersten zang, bij de aanroeping
der menschlievendheid en der sympathie jegens medelijders aan de kwaal der
Letterzwoegren:
o Liefde, ontsteek mijn borst! o zalig Gy mijn lijden!
Gy ziet my kwijnen, Gy in 't grievendst leed vergaan:
o Vuur mijn klanken, vuur mijn zwakke tonen aan:
En leeren ze op een meir, hetgeen nooit Zeeman peilde,
De klippen mijden, waar mijn kiel zich op verzeilde!
Van ernstige inspiratie kan bij zulk eene onderneming, zulk
uitbesteed en aangenomen werk, geene sprake zijn; en hetgeen de dichter met
overgroote nederigheid in een zijner voorafspraken aan de toehoorders zegt,
sprekend van zijne borst:
Geen zangdrift vlamt haar aan:
Indien zy gloeit, zy gloeit van onvermogen -
| | | |
is helaas, wat betreft de eerste helft dezer
bekentenis, slechts al te waar. Zijne muze, telkens bekaf en uitgeput van
vermoeijenis, heeft dan ook onophoudelijk een woord van aanmoediging
noodig:
Wat trekt ge, o Zangeres, 't verandrend voorhoofd samen?
Hoe! zoudt ge u 't dorre veld van mijn beschouwing schamen?
Of slaat u de aakligheid van 't kerkhof dus om 't hart?
Zoo luidt het, niet ver van den ingang des tweeden zangs. En
omstreeks het slot van datzelfde onderdeel des gedichts:
Maar, teedre zangeres, haal adem! rust, mijn tonen!
Hier groeit de lauwer niet, die 't zangrig hoofd mag kronen.
En ter uitvaart van den derden zang, den op drie na den laatsten
pas, met een slotregel die wel eerst een weinig had mogen worden opgeknapt en
in de lendenen versterkt, alvorens daar voor onze oogen van magteloosheid in
elkander te zinken:
Neen, Zangster, 't is te veel! Leg neêr de schorre
Lier;
Haar matte Zangtoon heeft noch nadruk meer, noch zwier.
Geef snaar en boezem rust. Mijn moede leden trillen;
Ik voel 't geschokte hart in borst en aders lillen;
Geef artsenijen, ô Beschermgeest! stut mijn kracht!
Of 'k zinke in onmagt; neen, in d'eindeloozen nacht.
Gedurende den vierden zang schijnt de muze door sluimering (in
meer dan éénen zin) wederom eenigermate op hare krachten te zijn
gekomen; althans de vijfde wordt met deze toespraak aan haar geopend:
Te wapen, zangeres! de vijand moet bestreden!
Welaan dan, gespen wij het harnas om de leden -
en van nu af tot aan het einde toe gedraagt zij zich als eene
regte
Kenau Hasselaar. En dat wij niet
overdrijven door te beweren dat eigenlijk gezegde inspiratie aan dit gansche
dichtstuk vreemd is, moge wederom de dichter-zelf ons in zijne naieveteit doen
gevoelen, wanneer hij den tweeden zang met deze apostrophe aan zijne zangster
besluit:
| | | |
Helaas! Gy deinst van schrik! uw bloed verstijft in
de aâren!
Onnoozle! 'k schrik met u, dien afgrond door te varen.
Maar 't voorwerp eischt het, 't is de vordring van het lot.
Welaan, omgorden we ons! de nooddwang kent geen God.
God Apollo althans, dien kent de nooddwang niet; hij heeft voor
dien God niet het minste ontzag en bekommert zich weinig om zijne aanblazing.
Wat intusschen het onvermijdelijk gevolg is van zulke impiëteit, dit, tot
marteling van ons schoonheidsgevoel, tot beleediging van onzen smaak, tot
overgieting van onzen geest met een gevoel van onuitsprekelijke verveling, dit
leert ons - meer een gedicht van leder nog dan een leerdicht - die taaije en
eindeloos gerekte en onverduwbare Ziekte der Geleerden waarvan men zegt
dat zij, alles te zamen genomen, voor Bilderdijks meesterstuk moet gehouden
worden. Gelukkig voor hem en voor zijne reputatie is dit laatste onnaauwkeurig.
Wij zeiden het reeds: men zou gevaar loopen het misgeboortige in een dichtstuk
als dit zesledig monstrum te overdrijven, en zoodoende den vervaardiger harder
te vallen dan met de billijkheid bestaanbaar is, indien men de
tijdsomstandigheden gansch en al in rekening verzuimde te brengen.
Doch keeren wij tot onze bedenkingen terug. Bilderdijk, gaven wij
te kennen, heeft in zijne Ziekte der Geleerden de poëzie vermoord.
Eerstens heeft hij dit gedaan door ruwheden in den trant als deze, voorkomende
in den aanhef zijner strafrede tegen den wellust:
Zie 't bandloos loshoofd, dat, verzonken in de lust,
Zijn heete tochten viert en meer dan dierlijk bluscht;
In hoerenschoot by schoot zijn jeugd ten roof komt brengen,
En zelfs aan 't stinkendst vuur zijn vleugels waagt te
zengen.
Dan, door zich op te houden bij de schildering van bijzonderheden,
van jammeren en ellenden, waarvan het de taak der poëzie is ons te
troosten, niet ze voor onze oogen uit te stallen en er ons als bij de haren
doorheen te slepen; gelijk in deze opsomming der kwalen, aangerigt door
onreinheid en verkeerde voeding:
| | | |
Van daar die plagen dan van 't menschelijk
geslacht;
Die noodpest, die het bloed vergiftigt in de longen,
Of, door de gorgelbuis in 't ingewand gedrongen,
De gal aan 't gisten brengt; van daar de felle smet
Van 't ettrend pokvenijn, en dat van 't eerloos bed,
Onmerkbaar door de pomp der poren ingezogen.
Van daar zoo 't bijtend schurft, zoo walglijk aan onze
oogen,
Zich voortplant! zoo een zweet, met rottinggeest bevrucht,
Of 't speeksel van den hond die 't frissche water ducht,
Zich in ons ligchaam vest, en (heeft het stand gegrepen)
Tienduizenden in 't wee eens enklen meê kan sleepen.
Dit geeft ons de dichter. Ziehier, bij wijze van tusschenrede,
iets van hetgeen hij belooft ons te zullen sparen:
Neen, 'k wil op 't leergestoelt' voor geen verwonderde oogen
Den doolhof van het bloed door long of brein betoogen,
Het moeilijk chijlproces, van 't kleinzen met den tand,
Niet volgen door 't kanaal van 't bochtige ingewand,
De spijs met speeksel, gal, en alvleeschvocht vermengen,
Door persing, melking, gloed, in 't darmgehevelt' brengen,
Door de enge melkvochtbuis ontlasten onder 't bloed,
En voeren 't door het hart den adem in 't gemoet.
Moordenaar der poëzie van zijn onderwerp wordt voorts de
dichter, wanneer hij tot genezing van de Ziekte der Geleerden na
allerhande ligchaamsbeweging en onschuldige uitspanningen (waaronder ook
paardrijden) te hebben aangeraden, dit laatste onderwerp aldus invoert en
besluit:
Zijn schudding maakt den last der ingewanden los,
En drijft de bloedrivier, waar ze in verstopte buizen
Tot staan kwam; doet het vocht door milt en darmscheil
bruizen;
Besproeit den dorren huid als met een zachte waas,
En zet de scheiding af door nier en waterblaas.
Moordenaar evenzeer dier poëzie is hij in de volgende
uitboezeming over de spijsverteering der letterzwoegeren:
Wat maakt ge u spijs en drank, des levens eersten stut,
Door traagheid walglijk, en ten ligchaamsteun onnut;
Gebruikt de weldaân van den goddelijken zegen,
Gevoelloos voor 't genot, in hare gaaf gelegen;
| | | |
En zwelgt onachtzaam in, wat, kwalijk
doorgemengd,
In 't kwijnende ingewand onkleinsbre brokken brengt,
En, gistende, verzuurd, met rottinglucht ontsteken,
U straks, als scherpe loog, ten gorgel uit koomt breken,
Of maag en hartskuil knaagt, gedarmte en netvlies spant,
Of met een koortsig vuur door hart en aders brandt!
En ook in de volgende gadeloos naauwkeurige schildering der
kwaadsappigheid door slechte voeding in het gemeen; eene schildering waarvan
niemand zeggen kan dat zij aan overdreven halfdonker laboreert:
Te grof, te veel met aarde en stijvend lijm bezwaard,
Van deelen te ongelijk, en van natuur ontaart,
Doet slechtgekookte chijl uit spijs en drank getogen,
De deelen die hy voedt, verstijven en verdroogen.
De buigzaamheid, de geest, des weefsels tederheid,
Neemt af, en 't vocht verdikt, dat uit den bloedstroom
scheidt.
De fijner vaten, straks verlijmd en toegesloten,
Beperken de omloopkreits der sappen door de grooten.
De vezel, taaier, gaat en spier- en veêrkracht kwijt.
Het bloed vloeit trager langs de wanden die het slijt.
De muskel wordt tot pees, de pees, steeds hard en harder,
Wordt kraakbeen, 't kraakbeen, been; en't kwaad streeft t'elkens
verder:
Tot eindlijk 't hart verstramt, zijn schroefkracht zich
verliest,
De slagaâr roerloos blijft, en 't stallend bloed
bevriest.
Niet minder ondichterlijk is het volgend recept tegen obstructies,
waarbij de keuze wordt gelaten tusschen 1 ontlasting van het kwaad, en 2
keering van 't verderf:
Geneeskunst doe hier 't eerste, in 't vuil der eerste wegen
Door zachte ontbindingen bedachtzaam uit te vegen:
Waarmeê de zuivring paart der vochten, gants ontaart,
Met vreemde deelen en oneigen stof bezwaard,
Zich scheidende in hun loop door 't onvolkomen mengen,
't Geen ongeregeldheid, verstopping, voort moet brengen;
't Zij dat men ze uitwerp' door der nieren taaie zeef,
Of door de zeep van 't bloed volmaakter samenkleev,
Of met een zachten gloed den poren uit doe stijgen,
Of in den stoelgang-zelv' onmerkbaar nederzijgen.
| | | |
Even onbestaanbaar met de poëzie als dit recept,
is, in den zesden zang, waar gehandeld wordt over drie voorname kwalen der
geleerden: hartvang, hoofdpijnen, en opzettingen van winden (dus verdeelt ze de
dichter-zelf in de inhoudsopgaaf vóór het dichtstuk), de volgende
uitweiding over laatstgenoemd euvel, zes en vijftig verzen lang en ingeleid
door deze aanroeping der genezende Natuur:
Wat middel dan, ô Gy, weldadige behoedster,
Der kranken weêrparty, des levens teedre voedster!
Heeft, heeft uw voorzorg niet een plantjen voor dit leed,
Geen windbedarend kruid, geen' wortel toegereed?
Of wist de schrandre kunst geen' vluggen geest te kweken,
Geen sapbereiding, om hun stormgeblaas te breken?...
Somwijlen baat er niets om 't groeiend leed te stuiten,
Ten zij de spierkracht-zelv' zich samentrekt van buiten;
't Zij zachte stroking met de levenwarme hand
Haar opwekke, en den huid uit d'onbeweegbren stand
Verwrikke en rimpel', of, met wol en lamrenvachten,
Den vochten omloop geev', en, door dien omloop, krachten.
Somwijlen grijpt hier drooge of vochte stoving stand,
Of zachte spoeling van het lijdende ingewand.
Men zag, daar niets verlichtte in 't gruwzaamst
windbeklemmen,
Een luchtkop op de buik den kramp der spanning temmen;
Ja, 't bladertrekken van 't Iberisch paardinsekt.
Wil men zich eindelijk een denkbeeld vormen dier ‘unendliche
Langeweile,’ zooals de Duitschers zeggen, waarmede het gedicht dat wij
behandelen den lezer overgiet, men wage zich aan de ontcijfering van het
volgend fragment. Het behelst niet meer of minder dan de beschrijving van de
ziekte-zelve der geleerden en mag dus eenigszins worden aangemerkt als de spil
waarom het gansche dichtstuk draait. De dichter, wederom tot in de geringste
bijzonderheden naauwkeurig, na op het uitlokkende zijner zangstof gewezen en
verschooning te hebben gevraagd voor zijn schorren gorgel (wij zijn omstreeks
halverwege den vierden zang genaderd), vangt met de oorzaak der ongesteldheid
aan:
| | | |
Haar oorzaak rust in 't brein. Maar schriklijk zou
hy dwalen
Die hier haar werking, hier haar broeinest zou bepalen.
't Gaat vast, haar invloed is door 't ligchaam algemeen;
Breidt zich in 't zenuwstel door alle leden heen;
Door alle vezelen en vliezen, ingewanden,
En klieren, saamverknocht met onverbreekbre banden,
En al, afhanklijk van het weeke zenuwkoord,
Dat ze allen als bezielt en tot beweging spoort.
Die wondre hersenklier, dit zamenstel van klieren,
Het rijk der planten vreemd, maar eigen aan de dieren,
Dat brein, waaraan de wil van 't dierlijk schepsel hangt,
Waardoor 't bewustheid heeft en 't zelfbesef ontvangt,
Geeft, in zijn duizenden van takken uitgeschoten,
De zelfbeweegbaarheid, uit zelfgevoel ontsproten.
De zenuw zij verlamd, gebonden, afgesneên;
Gevoel, beweging, stokt, en 't levenssap met
één'.
Te aandoenlijk zij haar merg, te teder haar omkleeding,
Geheel het ligchaam boet de onmerkbaarste overtreding.
Te aandoenlijk, als het ros, dat, al te week van mond,
Den teugel niet weêrstaat, die 't onverdraaglijk
wondt,
Maar, stuivende in de lucht, het bit neemt op de tanden,
Springt elke vezel op in spier en ingewanden.
Dan zwelt de muskel by de minste prikkling uit;
De vliezen spannen; de aâr, de teedre klierbuisspuit,
Wordt uitgewrongen, wordt ontledigd door 't beklemmen:
De oneven drukking doet het snarentuig verstemmen:
't Geperste vocht blijft staan door schrikbre muskelkramp
En de uitgezette lucht verdikt zich tot een' damp,
Die ingewand of aâr door spanning schijnt te breken,
Of, even als een priem, in vlies of vleesch te steken;
Die aan de zenuw-zelve, of 't waar met tanden knaagt,
Den ademtocht belet, den boesem siddrend jaagt,
Of 't hart beangstigt door het middelrif te dringen.
Gedarmte en buik zet op, en dreigt uit één te
springen:
De gorgel wordt bekneld: de zetel van 't gevoel
Lijdt gruwzaam: 't Rijk, in roer, bestookt den hersenstoel,
Als onderdanen, die, door muitery aan 't hollen,
De wetten breken, en hunn' heer doen zuizebollen...
Voorloopig laten wij het hierbij blijven. Ook is dit weinige
genoeg opdat men zich een oordeel vorme over de afwijkingen van meer bij
zonderen aard waaraan
Bilderdijk zich in | | | | zijne Ziekte der
Geleerden schuldig maakt. Velerlei vezelen en vliezen, clisma's en
bedenkelijke kruiden, niet medegerekend, had de dichter het tot hiertoe
inzonderheid over ons darmscheil en darmgehevelte, over klierbuisspuit en
muskelkramp, hersenstoel en waterblaas, chijlproces en alvleeschvocht; ook over
etterend pokvenijn en bijtend schurft, over melkvochtbuis en rottinglucht, over
kraakbeen wordende peezen en been wordend kraakbeen; desgelijks over
onkleinsbre brokken in de maag van dyspeptische geleerden: particulariteiten
waarin slechts weinigen onder onze lezers, vreezen wij met Dr. Beets een van de
schoonste triomfen der poëzie, of met
Mr. Da Costa een onwaardeerbaar
voorbeeld meer bepaald van didactische dichtkunst zullen weten te erkennen. De
volgende reis spreken wij over de zamenstelling en groepering van het dichtstuk
in het algemeen.
| |
IX
Als dichterlijk geheel is de Ziekte der
Geleerden een organisme ja, maar een met stroeve en krakende
scharnieren; een dier organismen gelijk men ze in het piepend wassenbeeldenspel
vertoont. De kunstmatige aaneenschakeling der deelen is bijna nergens of met
bevalligheid gemaskeerd, of bestreken met dat zacht vernis dat beurtelings aan
het waas van rijpe druiven of aan de donzige huid van blozende perziken
herinnert. Le duvet de la poésie is schier overal afwezig. De
botten van het rif zijn telkens zigtbaar onder het strakgespannen vel dat ze
bij elkander houdt. Ook is de dichter nu eens genoodzaakt zichzelven aan te
porren om met zingen voort te gaan, dan weder, wanneer hij al te ver van zijn
onderwerp is afgedwaald, of al te lang bij dezelfde bijzonderheid heeft
stilgestaan, zichzelven te interpelleren en tot de orde te roepen. De
éénheid des gedichts is die eener ouderwetsche Nutsverhandeling:
‘inleiding en voorbereiding, oorsprong en aart dezer ziekte, algemeen
overzicht der ziekten, de gezondheid, genezing, besluit.’ Deze
inhoudsopgaaf is | | | | tevens het vonnis der conceptie. Alleen in de
keus der stof - de kwaal der letterzwoegeren, dat is te zeggen het minst
aantrekkelijk moment uit het leven der onoogelijkste vertegenwoordigers van het
mannelijk geslacht - bespeurt men eene soort van dichterlijke brooddronkenheid,
die voor inspiratie kan doorgaan. Het gedicht werd geschreven te Katwijk: eene
als zinnebeeld niet gansch en al onbeduidende omstandigheid. Gelijk daar ter
plaatse de wateren van den Rijn zich in het duin verliezen en zonder de hulp
van menschelijke inspanning hunnen weg niet zouden vinden naar de zee, zoo
sterft ook de Ziekte der Geleerden aan een toenemend verval van
krachten, en blijft in eene benaauwdheid. Zij gaat uit als een flikkerend
nachtlicht; en in zoover, doch ook in zoover-alleen, is de episode van den
ouden Pelias een gepast besluit van dit leerdicht. Het kon zonder
bloedvernieuwing niet langer blijven leven; bloed vernieuwing nu, dit leert ons
het noodlottig uiteinde van Ezons broeder, is eene hersenschim. Overigens
ontbreekt het in dit dichtstuk noch aan omslag en langdradigheid, noch aan
misplaatste personaliteiten, noch ook aan uit overgroote naauwkeurigheid
geboren duisterheden; terwijl eindelijk de toon, inzonderheid in de pathetische
gedeelten, ten gevolge van kunstmatige opwinding iets tegennatuurlijks en
onwaarachtigs heeft, waardoor aan ons geloof in de echtheid van 's dichters
warmte telkens de bodem wordt ingeslagen. Doch, vóór wij dit een
en ander nader in het licht stellen, eerst een woord van zelfverdediging.
Er bestaat van de hand des Leuvenschen hoogleeraars David, die
reeds vroeger eene diergelijke zorg aan Bilderdijks
Geestenwareld en aan zijn Waarachtig
Goed besteedde, ook een kommentaar op de Ziekte der
Geleerden, ten jare 1855 voor de tweede maal uitgegeven en in deze tweede
uitgaaf een boekdeel vormend van meer dan zevend'half honderd bladzijden. De
reden nu dat wij van dezen arbeid van
Prof. David tot hiertoe gansch en al
zwegen, is voorwaar niet dat wij de medewerking onzer vlaamsche broeders aan de
studie der hollandsche litteratuur over het algemeen geringschatten. Niets
integendeel zou ons gemakkelijker vallen dan aan onze blijd- | | | | schap
daarover en aan onze erkentelijkheid daarvoor te dezer plaatse in meer dan
ééne bladzijde lucht te geven. Doch liever laten wij onze
lezers-zelf uit een tweetal voorbeelden zich een oordeel vormen over de waarde
die door ons Noord-Nederlanders, aan Prof. Davids kommentaar op de Ziekte
der Geleerden toe te kennen zij.
De slotregels van den derden zang des gedichts, gelijk men zich
uit eene vroegere aanhaling herinneren zal, luiden aldus:
Neen, Zangster, 't is te veel! Leg neêr de schorre
Lier;
Haar matte zangtoon heeft noch nadruk meer, noch zwier.
Geef snaar en boezem rust. Mijn moede leden trillen;
Ik voel 't geschokte hart in borst en aders lillen;
Geef artsenyen, ô Beschermgeest! stut mijn kracht!
Of 'k zinke in onmacht; neen, in d'eindeloozen nacht.
Prof. Davids doorloopende aanteekening nu op dit zestal regels,
enkele niet noemenswaardige uitlatingen buiten rekening gesteld, is van de
volgende diepte en vlugt: ‘'t Is te veel. Gy kunt niet meer. - De
gewone constructie vraegt het bywoord neêr op het einde van 't
vers. Daer mag men in poëzy wel eens van afwyken, doch zeldzaem. - Haar
matte zangtoon. Mat is synoniem van moede, maer sterker van
beteekenis. - Heeft noch nadruk meer. Het woord nadruk brengt
hier het denkbeeld meê van het fransche expression, in de
toonkunst gebruikelyk. - Noch zwier, dat is bevalligheid,
afgeleid van het laten zwieren en slingeren der kleederen om zich bevallig voor
te doen. - Geef snaar en boezem rust. De boezem die zingt, en de snaren
die zijn zang begeleiden. - Mijn moede leden trillen, of beven. - Ik
voel 't geschokte hart. Het epitheton is zinryk, en beteekent hier een
hart dat door al te hevige aendoeningen ontsteld is, in 't Fransch
agité. - In borst en aders lillen. Door lillen, zegt Weiland,
verstaet men de beweging der spieren in een geopend slagtbeest, of de uiterste
kracht des levens, zich door trekkingen en bevingen openbarende in het ingewand
der zieltogende dieren. In dien zelfden zin, maer eenigszins gewyzigd, is het
woord hier gebruikt. Daer staet in borst en aders, welk laetste
zinspeelt op | | | | eene koortsachtige beving die zich werkelijk in de
aders doet gevoelen; weshalve de Dichter zeer gepast byvoegt: Geef
artsenyen. - ô Beschermgeest der dichters. In 't Fransch zegt men
génie tutélaire. - Stut, dat is, steun of onderschraeg
mijn kracht! - Of 'k zinke, dat is, ik valle, maer sterker van
beteekenis. Men mag het werkwoord houden voor een praesens subjonctivi, als de
daed niet stellig uitdrukkende, maer met een zekeren twyfel en als met een
soort van vrees. - In onmacht, dat is, in bezwyming, gelyk de Franschen
zeggen tomber en défaillance. - Neen, in geene
oogenblikkelyke, voorbygaende onmagt, maer in d' eindeloozen nacht des
doods! - En zoo is dan deze zang, waer zeker geen andere zang uit gansch de
Nederlandsche Litteratuer meê vergeleken kan worden, voleindigd, zonder
dat wy eene enkele zwakke plaets hebben aengetroffen, ja nauwelyks een vers dat
den stempel niet drage van een grooten Meester.’
Tweede voorbeeld. Bij de vier laatste regels van den daarop
volgenden zang, waarin de balsemende kracht der geneeskunst wordt
aangekondigd:
Maar gy, rampzaligen wier ijvrig letterkweken,
Hoe doodlijk, zich vergat in onbedacht verbreken,
U vloeit haar balsem, u mijn zangtoon, u mijn hart.
Mijn leedgenooten! komt, ik zalve ons aller smart!...
schrijft Prof. David een kommentaar als dezen: ‘Maar gy.
Het voegwoord maekt de transitie, zoo gepast, zoo natuerlyk dat men de
kunst des Dichters niet genoeg bewonderen kan. - Rampzaligen. Hier heet
het niet meer verwaten, maer ongelukkigen, en derhalve deerniswaerdige
kranken. - Wier ijverig letterkweken. Zie wat zachte uitdrukkingen de
Dichter hier gebruikt! Het letterkweken is de vertaling van 't fransche
culture des Lettres, en brengt niet meê dan een edel denkbeeld.
Veelal schryft men het verbum met de scherplange en dus dubbele e: maer
Bilderdijk, die het afleidt van gewekken, dat is, excitare,
educare, pleit voor de zachtlange. - Hoe doodlijk ook dat
letterkweeken voor u wezen mocht. - | | | |
Zich vergat. Het is
geen moedwil meer; het is enkel vergetenis, onvoorzigtigheid. - In onbedacht
verbreken. Uw yver was zoo groot, dat hy vergeten heeft aen uwe
gezondheid te denken, en in zyne onbedachtheid de wetten der Natuer onvrywillig
heeft verbroken. - U, dat is voor u, vloeit haar balsem, de
lenigende balsem der Geneeskunst. - U myn zangtoon, de zangtoon die van
myne snaren vloeit. - U myn hart, dat my de snaren doet tokkelen, en
waer myn zangtoon uit opwelt. - Myn leedgenooten! Zie hoe kunstig de
Dichter zyne zaek weet te vereenigen met die der ongelukkigen welke hy troosten
wil. Hy ook heeft zich vergeten en uit onbedachtheid gezondigd: daerom heet het
hier mijn leedgenooten. - Komt, en leent het oor aan myne zangen.
- Ik zalve ons aller smart. Dat is: laet ik onze gemeene smarten zalven,
namelyk in den volgenden zang, waer het aenkomt op de Genezing. - En zie daer
het heerlyk slot van dezen vierden zang. De Dichter verliest geenen adem: zyn
laetste verzen zyn zoo schoon als de eerste, schooner misschien.’
Doch laten wij deze ezelsbrug, want hoe leerzaam welligt voor een
publiek als het belgische, dat geen Hollandsch verstaat, meer dan zulk een
pons asinorum is Prof. Davids kommentaar voor Noord-Nederland niet, van
nu af aan hare plaats. Slechts meenen wij de verklaring schuldig te zijn dat de
keus onzer citaten geen vrucht is geweest van zeker jagtmaken op
zonderlingheid, maar uitsluitend van onze verpligting om kort te zijn.
Langademiger voorbeelden kan de belangstellende lezer op ieder bladzijde
vinden; geen evenwel zoo lang van adem als het boek-zelf. Wij keeren dus tot
onze beschouwing terug en vermelden nog alleen dat het werk van Prof. David
door Mr. Da Costa aldus omschreven wordt: ‘Wat schatten van kundigheden
in deze Zes Zangen, vol kunst bovendien van schikking zoo wel als van orde in
de denkbeelden, voorhanden of verborgen liggen, heeft met een even groot talent
van stijl, als diepe kennis van taal, esthetisch gevoel, en uitgebreide
geleerdheid, de Leuvensche Hoogleeraar David in zijne niet genoeg te waardeeren
uitgaaf met doorloopende commentarie doen uitkomen.’
| | | |
Dat de Ziekte der Geleerden op nog geen
twintig na drieduizend verzen lang is, deze materiëele uitgebreidheid is
in zichzelve geenszins gelijkluidend met langdradigheid. Met langdradig
bedoelen wij omslagtig, onbelangrijk, en in één woord het
tegenovergestelde van boeijend. Een enkel voorbeeld make onze bedoeling
duidelijk. Wanneer de dichter alle jonge artsen ergens waarschuwt tegen het
zich achteloos ten roof geven aan ijdele nieuwigheden in het vak der
geneeskunst, en wanneer hij hun bij die gelegenheid toeroept:
Zegt eens, aan d'eindpaal van uw glorierijke baan:
'k Heb - niet mijn licht gevolgd (dat licht was mooglijk
waan;
Misleidend flikkren van de Eubeesche strandslottoren;
Gericht om 't Grieksche bloed in 't vlotte zand te smooren,
Of weemlend dwaallicht, dat in zwarte nevels hangt,
En, op den adem van den wind die 't ondervangt,
Nu her- dan derwaarts drijft, en eindlijk uitgeflonkerd,
Te loor stelt, wie het volgt, in vale nacht verdonkerd.)
Maar - 'k zocht de waarheid steeds, en brak mijn trouw haar
nooit...
dan is deze meer dan zesregelige tusschenzin met dubbele
comparatie, een niet ten eenemale ongelijkend beeld van het dichtstuk als
geheel. Belangrijk is hier niets: noch de vermaning-zelve, noch ook het kleed
waarin zij is gestoken. Eene gemeenplaats tot inhoud, twee andere
gemeenplaatsen ten vorm, ziedaar al. Waarbij nog komt dat de gekozen beelden,
buiten en behalve hunne vulgariteit, in geen het minste verband staan zoomin
met den geest der toespraak als met de maatschappelijke betrekking van hen aan
wie zij gerigt wordt. Zoodat de dichter acht volle verzen, een strandslottoren,
eenig grieksch bloed, een weemlend dwaallicht, ettelijke zwarte nevels benevens
een valen nacht heeft te baat genomen, om ons te leeren - want dit is een
leerdicht - dat jonge medici niet eigenwijs behooren te zijn. Minstens twee
derden nu van de drieduizend regels waaruit de Ziekte der Geleerden
bestaat, en deze berekening is zeer gematigd, wordt ingenomen door verbiage van
deze zelfde soort. Aldus, om nog dit ééne te noemen, worden in
den laatsten zang, | | | | niet ver van den aanhef - die ook zelf uit eene
twintig verzen lange vergelijking bestaat, waarbij
Alexander de Groote en de slag van
Arbela te pas komen - bijna zestig verzen verspild aan het bijbrengen en
uitwerken eener schildering van den Etna en diens uitbarstingen; welke
schildering intusschen tot geen ander resultaat leidt als dit:
Ziedaar wat damp vermag, die 's lichaams hol besluit!
Neemt men daarbij in aanmerking dat al deze omslag eenvoudig
dienen moet tot voorafspraak van het hoofdstuk over de opzettingen van winden,
dan zal niemand ons van bedilzucht verdenken indien wij bij gelegenheid van
deze Etna-vergelijking aan de muisbarende bergen van den latijnschen dichter en
kunstregter herinneren.
Personeel noemden wij de Ziekte der Geleerden, en wel om de
menigvuldige berigten die de dichter ons in deze zangen omtrent zijn eigen
levensgeschiedenis en gezondheidstoestand geeft. Daartoe behooren in den
vierden zang de veertig regels ongeveer, aan wier einde hij toestemt dat de
wijsheid eene gave Gods is en dan aldus voortgaat:
Maar wee een' hersenbeul die zoo veel onheils stift!
Ach, waarom zulk een zucht mijn kindsheid ingegoten,
Die 't leven van zijn doel, zijn waarde, moest ontbloten?
Waar, waarom 't peinzend hoofd niet van zich-zelv' gered?
Of, zoo 't onheelbaar waar, voor 't derde jaar verplet?
Allerminst het leerdicht verdraagt zulke uitboezemingen van het
ik. Doch wij zijn aan het op den voorgrond treden van Bilderdijks
subjectiviteit, ook dan wanneer zij dit of niet of slechts voor den vorm moest
doen, van ouds gewend. De aangehaalde verzen zijn echter ook nog uit een ander
oogpunt opmerkelijk, en wel uit hoofde hunner voelbare onwaarheid; eene fout
waaraan de Ziekte der Geleerden elk oogenblik laboreert. Even overdreven
als het volgend beweren omtrent de nadeelen eener onregelmatige voeding bij den
letterzwoeger:
| | | |
Eén oogenblik te laat van 't afgepast
ontbijt,
Maakt hem zich-zelv', zijn kracht, een dag des levens,
kwijt!
Even opgeschroefd als deze beschrijving der hoofdpijn:
Wat is kerven, wat verscheuren, rijten, prangen,
Wat vuurvlam, staal, of lood, of schroef, of gloênde
tangen,
By 't wringend, scheurend, slaand, en teistrend
hersenwoên
Even gezocht als de volgende uitroep met betrekking tot den
onbedreven arts die ligtvaardig zou trachten te genezen:
Mij dunkt, ik zie uw ziel met gloênde tangen nijpen
Op 't bloote denkbeeld van de mooglijkheid!
Even kunstmatig opgeblazen ook als deze hulde aan de oranje,
gebruikt als medicijn:
Gy, eedle Oranjeschil, en frissche Oranjebladen,
Ik zou, verzweeg ik u, mijn eigen hart verraden.
Even onopregt gemeend eindelijk als deze kniebuiging voor de
koffij en haar inspirerend vermogen:
Ach! breinbetoovrend zoet! zoo soms een kleene sprank
Van Dichtvuur opwelt uit mijn tonder, 'k wijt ze u dank -
even onwaar en ook onnaauwkeurig uitgedrukt als dit alles is -
want wie hier te lande heeft ooit hooren spreken van een leven dat
ontbloot wordt van zijn doel, of van een oogenblik dat
iemand iets kwijtmaakt, of van tonder waaruit iets opwelt
dat vuur heet en een sprank is? - even onwaar is het ook dat
Bilderdijk ooit ernstig gewenscht heeft dat zijn peinzend hoofd nog
vóór hij drie jaren oud was van Godswege had mogen worden
verplet. En de reden waarom wij, die van ganscher harte in Job
gelooven, wanneer deze aartsvader zijnen dag vervloekt, daarentegen Bilderdijks
zelfverwensching slechts met een ongeloovig hoofdschudden kunnen aanhooren, is
dat deze dichter zichzelven bij zijne lezers | | | | in verdenking brengt
van te spelen met heilige woorden en slechts de helft te gevoelen van hetgeen
men onder zulke woorden pleegt te verstaan. Indien een dichter tot u komt en op
een toon van tragische belangrijkheid tot u zegt: Ik heb gisteren
één minuut te laat ontbeten en moest daarvoor boeten met een dag
mijns levens; of wel: Te zwijgen van het nut der oranjebladen zou in mijne
schatting gelijk staan met verraad te plegen aan mijn hart; of ook: Koffij is
het éénige wat mij nu en dan nog inspireert - dan kunt gij dien
dichter, wanneer hij een oogenblik vroeger of later de wijsheid een hersenbeul
noemt, of beweert dat de bittere vrucht des nadenkens in staat ware hem den dag
van zijn vierde geboortefeest te doen verfoeijen, niet langer op zijn woord
gelooven. Hij heeft uw vertrouwen misbruikt en daardoor verbeurd.
Nieuwe voorbeelden van duisterheid door overnaauwkeurigheid
behoeven wij niet aan te halen. Willekeurige constructies, bedrijvende
werkwoorden onzijdig genomen en omgekeerd, onstandvastigheid in de plaatsing
van het betrekkelijk voornaamwoord, grooter of kleiner dubbelzinnigheden
daaruit geboren, men vindt ze in de meeste onzer vroegere citaten telkens
terug. Hier nog slechts deze drie verzen, waar van de verzwakking des
hersenvezels gezegd wordt:
Somwijlen schijnt ze in 't brein de spierkracht aan te
randen,
Hoezeer dit werktuig slechts uit samenstemming lij'
En de Arts bedriegt zich en mistast in de artzeny.
‘Dit werktuig’: de spierkracht? het brein? welk van
beide? denkelijk het brein, want slechts een brein kan hier een werktuig
heeten; doch al de nadruk valt in het eerste vers op ‘spierkracht’,
en logisch kan de nadere bepaling (‘dit werktuig’) alleen op deze
spierkracht betrekking hebben. ‘Lijden uit samenstemming’: is zulk
een paradoxe zonder nadere toelichting verstaanbaar?
‘Mistásten’: zijn er redelijke gronden om vrede te hebben
met deze verplaatsing van den klemtoon? en kon Bilderdijk, die elders geene
zwarigheid maakt om | | | | van zich zelven te zeggen ik vaard aan,
kon hij ditmaal, zonder zonde tegen metrum of taaleigen, niet van den arts
gezegd hebben hij tast mis? Doch laat ons over belangrijker dingen, en
wel over de zamenstelling-zelve van het uitvoerig dichtstuk spreken.
Tot de fouten der conceptie behoort ongetwijfeld, en zonder mede
te rekenen hetgeen men de eindelijke verzanding des gedichts zou kunnen noemen,
dat de indeeling der stof zoowel als de aard van sommige belangrijke episoden
den dichter nu eens noodzaakt zichzelven te herroepen, dan weder hem dwingt
meer dan eens bij hetzelfde onderwerp stil te staan. Aldus in den vijfden zang.
Meer dan honderd verzen worden daar afgestaan aan de schildering van het nut
der ligchaamsbeweging en andere betamelijke uitspanningen, terwijl reeds
vroeger, halverwege den vierden zang:
Gaat, schudt die logheid uit, dat ledendrukkend lood;
Vertreedt u; neemt de bijl enz.
in een negental zeer goede en zeer teekenachtige verzen, met
voldoende uitvoerigheid over deze zelfde zaak gesproken was. Een voorbeeld van
het andere gebrek is bij den aanhef van den derden zang te vinden in die
hellevaart waarvan een fragment door ons werd aangehaald en die overigens met
de episode van Pelias, aan het slot, onbetwistbaar tot de schoonste deelen van
het dichtstuk behoort. Wanneer de dichter meer dan tweehonderd verzen aan deze
nederdaling in het rijk der pijnen heeft besteed, komt hij, en niet
onnatuurlijk, tot de overtuiging dat zijne gansche hellevaart een
hors-d'oeuvre is. Want zijn leerdicht handelt niet over de pijnen der
toekomende maar der tegenwoordige eeuw, en niet over zedelijke, of met de
zedelijkheid zamenhangende, maar enkel en alleen over ligchamelijke smarten en
straffen. Wat doet hij dan ook? Bij het verlaten der onderwereld improviseert
hij een achtbaren grijsaard, en deze grijsaard spreekt hem aldus toe:
| | | |
Wat foltring van u-zelven,
Onnoozle, met in 't slijk, met d'afgrond uit te delven!
Ja! ken de beulen, waar de menschlijkheid voor beeft!
Maar zoek in d'afgrond niet het geen hun wezen geeft!
Verbeelding schepp' vermaak, in Dichterlijke droomen
Van gloênden Flegeton, Cocytus donkre stroomen,
En 't broeinest van 't verderf aan de overzij van 't graf;
De wijze keere in zich, en legg' den blinddoek af!
Schrap de vaart naar het doodenrijk weg en gij berooft het gedicht
van tweehonderd zijner fraaiste verzen. Laat daarentegen deze episode aan hare
plaats, en, zoo leeren u de door ons gecursiveerde woorden, iedere schrede des
dichters op dien onderaardschen togt wordt een door hemzelf erkende
misstap.
Wij gewaagden van uitstekende botten en krakende scharnieren. Zoo
noemen wij, in den eersten zang, de zesregelige inleiding tot een griekschen
mythe waarvan de dichter zich wenscht te bedienen als van een voorbeeld ter
opheldering:
Aloudheid! leen me een beeld uit een van uw tafreelen.
't Is lieflijk, als de zon door neevlen heen mag spelen.
Haar zuivre lichtstraal treft, maar streelt ons d'oogen
niet;
En de appel trekt zich toe, waar m'op dien luister ziet.
Laat, laat me een luchtig gaas voor 't licht der waarheid
trekken:
Aandoenlijkst is haar schoon door 't kunstig half bedekken.
In eene ouderwetsche Ars Poëtica zouden deze vijf laatste
verzen, zoo zwaar op de hand, welligt niet misstaan. Doch nu wij op deze
breijige gemeenplaatsen onthaald worden in eene Ziekte der Geleerden,
dienen zij, tot groote schade van ons letterkundig genot, slechts om ons te
kwader ure in te wijden in het mecanisme van dit dichtstuk. - Hetzelfde geldt
van regels als de volgende, uit den vijfden zang, wanneer de dichter op het
punt is geweest eene ziekte te vermelden die niet in zijn kader zou hebben
gepast:
Maar neen, wij wenden de oogen.
Die ziekte is dan niet meer het voorwerp van ons pogen;
| | | |
Maar ze is een andre kwaal, uit welk een bron ze
ook spruit'. -
Gy, Zangeres, vervolg, en voer de heeling uit.
Zulke horten en stooten, zulke kommando's aan de Muze, elk gevoelt
dit, zijn ten eenemale ondichterlijk. Doove menschen praten somtijds in
gezelschap overluid en zeggen dan, meenende binnensmonds te spreken, allerlei
koddige impertinenties aan gastheer of medegasten. Dergelijke grofheden, alleen
minder amusant, ontsnappen hier ook aan Bilderdijk, en hij bedenkt niet altoos
dat het gehoor der lezers even goed als het zijne zekere regten heeft. - Door
dezelfde aanmerking worden eindelijk ook nog deze verzen uit den zesden zang
getroffen:
Dan ach! mijn geest dwaalt af....
Vergeef des, zoo mijn Nymf met loome en loden passen
Zich voortsleepe op een pad, waar niet dan dorens wassen!
Zy spoedt naar 't eind, maar moet haar dierste plicht
voldoen.
De lauwer faal haar 't hoofd, en deugd is haar festoen.
Van een dichtstuk dat door zulke paardenmiddelen aan den gang moet
worden gehouden, kan men veilig zeggen dat het als kunstwerk eigen levenskracht
ontbeert. En het mag ons verwonderen dat Bilderdijk, juist in een gedicht
waarin de anatomie van het menschelijk organisme zulk eene hoofdrol speelt,
dermate ontrouw is geworden aan de wetten van het organisch leven die ook in de
wereld der poëzie hare eischen hebben en doen gelden.
Doch scheiden wij van de Ziekte der Geleerden en daarmede
van het negatief gedeelte onzer beschouwingen in haar geheel. Een monument van
wansmaak: beter weten wij deze gedrochtelijke didaktiek niet te kwalificeren.
En dit wanstaltige, door enkele fraaije partijen slechts te duidelijker in het
licht gesteld, schuilt niet hoofdzakelijk in de conceptie, die slechts vulgair
en kreupel is, en evenmin allermeest in het hippocratisch karakter der
uitvoering: niets van dit chicurgicale toch, dit medicinale, dit
pharmaceutische, dat niet in zichzelf voor dichterlijke behandeling vatbaar is.
Het monstrueuse ligt hoofdzakelijk, | | | | indien niet uitsluitend, in de
gekozen stof. De ziekte der geleerden - zij is even onbezingbaar,
onbezingbaarder nog, dan de aardappelen- of de hondenziekte. Geene kwalen zoo
vunzig als die der letterzwoegeren, die van het geconstipeerd en expectorerend
geslacht der kamergeleerden. Wie deze walgelijke stremmingen der psychische
natuur tot het onderwerp van een leerdicht kiest en verheft, zondigt hiermede
tegen den goeden smaak, vergrijpt zich aan de poëzie, en kan te dezen
aanzien slechts als voorbeeld tot waarschuwing bij de nakomelingschap in
aandenken blijven.
Bilderdijk een afschrikkend voorbeeld: hoe vermetel deze uitspraak
ook schijne, toch, dan zelfs wanneer onze kritiek van de Ziekte der
Geleerden ligtvaardig wierd bevonden, zouden wij moed gevoelen de bewering
vol te houden en middel weten haar met bewijzen te staven. Een greep in 's
dichters gewijde poëzie ware daartoe voldoende; en wel naar dat duldeloos
vijftal brieven van Hagar aan Sara,
vanJacob aan Ezau, van Ezau aan Jacob,
vanJacob aan Rachel, van Rachel aan Jacob, te
zamen niet veel minder dan zeshonderd en vijftig verzen lang. Vruchteloos zoekt
men in deze zandwoestijn van onbeduidendheden naar iets dat lafenis zou mogen
heeten voor hoofd of hart, verbeelding of gemoed; terwijl de conceptie dezer
briefwisseling, gelijk reeds de opschriften te vermoeden geven, in
pseudo-klassicisme, in bastaardij van schriftmatigheid, in zonde tegen tijd en
plaats en toon, kortom in alles wat tot den vorm behoort, een in onze
letterkunde welligt ongeëvenaard model van wansmaak oplevert. Doch liever
zwijgen wij hiervan en bepalen ons totde Ziekte der Geleerden; een
gedicht waarin ten minste op enkele plaatsen en van tijd tot tijd de stem eens
echten zangers den lezer tegemoet klinkt. Wat meer zegt, en om met eene
eervolle vergelijking te besluiten, indien niemand onzer den edelen en genialen
Michelet veracht, al gaf deze ons ten vorigen jare onder den heiligen naam van
L' Amour een boekje te lezen waarvan men het zich tot eene eer mag
rekenen gewalgd te hebben - een boekje niet minder vol pretentieuse medische
wetenschap, niet minder wanschapen uit het oogpunt van bouw en zamenstelling,
en vooral niet minder vies en voos dan de Ziekte der Geleerden - dan kan
ook alleen het vooroordeel beweren dat wij, | | | | die dezen telg van
Bilderdijks muze eene misgeboorte noemen en uit dien hoofde verstooten,
zoodoende Bilderdijks grootheid miskennen of zijne roeping als dichter in
twijfel trekken.
1860.
[De redactie van den Nederlandschen
Spectator, waarin de studie over
Bilderdijk werd opgenomen, kondigde een vervolg aan, waarin de schrijver
eene nadere waardeering van Bilderdijks poëzie en persoon zou beproeven.
Dit vervolg is nimmer verschenen. Eene dergelijke schets leverde de auteur
sedert in zijne Voorlezingen over de letterkunde der
Bataafsche Republiek (Litt. Fantasien en Kritieken, dl. XXIV) en in eene
studie over
Geel (Litt. Fant. en Krit. dl. X.)]
|
1De mensch en de dichter Willem
Bilderdijk. Eene bedrage tot de kennis van zijn leven, karakter en
schriften. - Haarlem, A.C. Kruseman, 1859.
1Vg. K. Dichtw. XII, 333.
|
|