terug  begin  verderprepost
[p. 68]

Hoofdstuk 2
Blurb of de contouren van een nieuwe generatie

Was indertijd bij de experimentele groep het initiatief uitgegaan van de schilders, een nieuwe impuls voor poëtische vernieuwing kwam eind april 1950 uit ook vrij onverwachte hoek: vijf maanden nadat het ‘Holland’-nummer van Cobra de tongen van artistiek Nederland in beroering gebracht had en Jan Elburg, Gerrit Kouwenaar en Lucebert de experimentele groep de rug hadden toegekeerd, begon een eenentwintigjarige dichter in Parijs, Simon Vinkenoog, een eenmansblaadje rond te sturen. Dat blaadje zou hooguit enkele honderden mensen bereiken, maar met goed gevoel voor publiciteit - een gevoel dat hem overigens nooit verlaten zou - had Vinkenoog er wel voor gezorgd dat daar opvallend veel critici, journalisten en bekende dichters - kortom: opinion leaders - tussen zaten.

De weerklank die dat blaadje al gauw vond, zou vooral van belang zijn voor een zekere groepsvorming onder de jonge dichters die - zoals Paul Rodenko dat indertijd noemde - in hun verzen ‘de nieuwe toon’ wisten aan te slaan.

De centrale figuur daarbij was de man die dat blaadje grotendeels volschreef, het samenstelde, typte, frankeerde en rondstuurde en daarmee niet alleen de rol van een volledige redactie op zich nam, maar ook van een goed geoutilleerde uitgeverij. Een uitgeverij bovendien, die er voor zorgde - een zeldzaamheid voor een literair tijdschrift in die naoorlogse jaren -, dat het blad ook inderdaad op tijd verscheen. Aan die centrale figuur, Simon Vinkenoog, de motieven die hij voor het uitgeven van zijn blad had en de ontwikkeling die hij in die periode doormaakte, zal in dit hoofdstuk ruime aandacht worden besteed.

Mr. Blurb

Simon Vinkenoog is in 1928 te Amsterdam geboren. Doordat zijn moeder, die gescheiden was, aan een ‘verhuisziekte’ leed, woonde de kleine Simon op verscheidene adressen: in de Jordaan, de Pijp en ook enige tijd in tuindorp Nieuwendam. Toen hij twaalf jaar was, ging hij naar de mulo in de Van Ostadestraat. Vinkenoog vertelde in 1983: ‘De eerste klas heb ik in de school op de Van Ostadestraat doorgebracht. Toen moesten alle joodse kinderen van school af en daardoor bleven er zo weinig kinderen over, dat die over andere

[p. 69]

scholen verspreid werden. Daarna ben ik in de Stadstimmertuinen op school geweest.’1 Daar behaalde hij in 1944 het mulo-a-diploma.

Tijdens zijn schooljaren kreeg hij uitstekende lessen Frans, Duits en Engels, zodat hij later met die talen goed uit de voeten kon. Vinkenoog: ‘Van de mulo herinner ik me vooral dat ik mijn opstellen voor de klas mocht voorlezen.’ Vinkenoog, die enig kind was in een gezin waar nauwelijks boeken aanwezig waren, begon ook gedichten te schrijven: ‘Ik probeerde meisjes te versieren door gedichten in hun jas te doen. Het hele klassieke patroon.’

Nadat hij in de hongerwinter nog een maand lang met een kruiwagen in de weer geweest was bij een mitrailleursstelling in Duivendrecht, ging hij na de bevrijding werken bij het reclame- en uitgeversbureau ‘Mentor’. In 1946 stapte hij over naar uitgeverij Querido, waar hij jongste bediende werd. Over de directrice Alice von Eugen-Van Nahuys vertelde hij: ‘Ze zei me wel eens: “Zeg jongen, moet je je haar niet laten knippen?”’

Intussen was hij lid geworden van het Algemeen Nederlands Jeugd Verbond (anjv), dat achteraf een communistische mantelorganisatie bleek te zijn. Daar kwam hij Jenny Lefevre tegen op wie hij verliefd werd. Jenny raakte in verwachting, waarna zij en Simon trouwden. Ze trokken bij haar moeder in en kregen in 1947 een zoon, Robert, maar enkele maanden later liep het huwelijk al stuk.

Bij het anjv ontmoette Vinkenoog ook Niels Augustin, die in 1928 te Leipzig geboren was. Omdat diens moeder, de schrijfster Elisabeth Augustin, van gedeeltelijk joodse afkomst was, was het gezin na de Machtübernahme naar Nederland gevlucht. Na het behalen van zijn mulo-diploma had Niels duizend-en-een baantjes en - zoals het behoort - niet minder artistieke idealen. Al snel schreef hij ook verhalen en gedichten.

Over zijn kennismaking met Vinkenoog vertelde hij: ‘Tussen ons klikte het meteen. We praatten veel over kunst, literatuur, de nieuwste films. We gingen vaak naar de voorstellingen van de Filmliga. Ik heb Simon van het begin af aan bewonderd om zijn reusachtige energie en zijn vastleggen van de meest krankzinnige gegevens.’2

Een andere vriend was Karel N.L. Grazell, die ook in 1928 geboren was en sinds 1946 aan het Amsterdamse studentenblad Propria Cures meewerkte. Hij liep colleges economie, maar werd meer geboeid door de verzen die hij aan de linkerkant van zijn dictaatcahiers schreef. In het zogenaamde ‘debutennummer’ van Criterium (maart 1948) werden onder de schuilnaam Leins Janema zeven gedichten van hem gepubliceerd.

Op een avond bezocht hij een bijeenkomst waarop de psychiater Herman Musaph seksuele voorlichting gaf. In 2000 vertelde Grazell: ‘Ook Niels Augustin was daar. En na afloop riep Niels: “Karel, mag ik je even voorstellen: Simon

[p. 70]

Vinkenoog.” Ik heb Simon toen een hand gegeven, maar ben die avond verder niet met hem opgetrokken, want ik had daar een meisje ontmoet en dat was natuurlijk veel interessanter dan hij. Later leerde ik hem beter kennen: een nog erg jonge jongen, die 't nou niet bepaald wist, die nog erg aan het zoeken was.’3

Zo was er een artistieke vriendenclub ontstaan, die zich vooral rond het Leidseplein ophield met een opvallende voorkeur voor café Eylders. In die kring ontstonden ook enkele gestencilde tijdschriftjes, zoals De Dualist, dat in december 1947 voor het eerst verscheen. In februari 1948, in het tweede nummer van dat blad, publiceerde Vinkenoog onder de schuilnaam Victor Simonsz zijn eerste gedicht. Daarin blijken hetero- en homoseksuele ervaringen voor verwarring te zorgen:

 
als ik een vrouw bezit verlang ik naar een vriend
 
en een vriend doet mij naar een vrouw verlangen
 
en altijd ben ik in mijzelf gevangen
 
en altijd blijf ik ziende blind...4

Een ander blad was Spleen, dat voor het eerst in maart 1950 zou uitkomen en evenals De Dualist door Niels Augustin uitgegeven werd. De ondertitel daarvan was ‘Internationaal maandblad van en voor scheppende verschoppelingen’. Een van de medewerkers aan Spleen was de latere roemruchte schrijver Jan Arends, die zich onder de schuilnaam Jan Arendsz. zonder moeite bij een blad met de naam Spleen zal hebben thuis gevoeld.

Intussen had Vinkenoog een nieuwe geliefde ontmoet, de acht jaar oudere Judic (‘Juc’ - uitspraak: Sjoek) Cohen, een dochter van de actrice en danseres Louise Chrispijn. Zij had een uitstekende administratieve opleiding genoten en zou hem in de komende jaren ook bij zijn literaire activiteiten sterk stimuleren.

Behalve met zijn artistieke jeugdvrienden ging hij in deze jaren om met de al oudere Kees Lekkerkerker, onvermoeibaar beheerder van de literaire nalatenschap van Slauerhoff en kort na de oorlog redactiesecretaris van Proloog, en met de romanschrijver Ferdinand Langen. Vinkenoog herinnert zich: ‘Ferdinand stond voor mij echt op een voetstuk, want hij was volop bezig een oeuvre op te bouwen. Tenminste zo leek het, want naderhand is dat opeens verdwenen, is hij in de reclame gegaan.’

Ferdinand Langen vertelde in 2000 over zijn eerste ontmoeting met de jonge Vinkenoog: ‘Ik kende Juc Cohen al en die kwam op een dag bij me langs met een bleke jongen uit de Pijp die gedichten geschreven had. Ze stelde hem aan me voor en vroeg of ik die verzen wilde beoordelen, waarschijn-

[p. 71]

lijk omdat ik redacteur van Het Woord was. Ik heb ook zijn moeder in de Pijp wel bezocht.’5

Naar Parijs!

Kort daarna, in september 1948, besloot Vinkenoog zijn vleugels breder uit te slaan en vertrok hij samen met Juc Cohen, die door een kleine erfenis over wat geld beschikken kon, naar Parijs. Dat was natuurlijk een groot avontuur! Hoe daar in leven te blijven? Om iets bij te verdienen, ging hij alvast poseren voor Ossip Zadkine en ook voor beginnende beeldhouwers in diens atelier, zoals de jonge Japans-Amerikaan Shinkichi Tajiri. Van haar kant kwam Juc in dienst als secretaresse voor het Internationaal Theaterinstituut. Doordat haar kantoor dicht bij de unesco lag, kreeg Vinkenoog een personeelsadvertentie van die organisatie onder ogen, waardoor hij er als pakknecht op de documentatie-afdeling kon gaan werken. Later promoveerde hij er tot ‘special requests documents officer’.

Met Juc Cohen kwam Vinkenoog in die tijd in Clamart, een voorstad even ten zuidwesten van Parijs, te wonen. Daarbij vormden ze met vier Amerikanen een soort commune: er was een gemeenschappelijke keuken en een grote kamer, waarin gezamenlijk gegeten werd. Kort daarna vonden Juc en Simon aan de avenue Victor Hugo in hetzelfde Clamart een bescheiden eigen huis met zelfs een tuin en twee katjes.

Intussen was Vinkenoog een alerte, altijd wel nieuwsgierige jongeman geworden met een brede interesse in eigentijdse ontwikkelingen, waarbij hij vooral voortgedreven werd door een drang tot avontuurlijk leven. Mede door zijn beperkte schoolopleiding voelde hij zich soms onzeker, maar dat betekende niet dat hij dan een schuchtere indruk maakte. Streetwise als hij was, had hij in het leven geleerd met een zekere charmante assertiviteit op te treden.

Tijdens zijn verblijf in Parijs probeerde hij intussen zoveel mogelijk in contact met het literaire leven in Nederland te blijven. Naar aanleiding van een uitvoerig artikel over de Franse schrijver en toneelvernieuwer Antonin Artaud, dat Paul Rodenko in oktober 1948 in Litterair Paspoort gepubliceerd had, nam hij in het voorjaar van 1949 contact met Rodenko op. Vinkenoog, die enorm gegrepen was door de radicale levenshouding van Artaud - alleen in uiterste omstandigheden werd volgens hem duidelijk wat de drijfveren van de mensen zijn -, had deze bijdrage met veel enthousiasme gelezen.

Ook de publiciteit over de roemruchte Cobra-avond in het Stedelijk in november 1949 ontging hem niet. Enkele weken later, op 18 november, schreef hij aan Kees Lekkerkerker dat hij ‘die Stedelijk Museum rel eigenlijk wel verd. aardig’6 vond.

[p. 72]

De Gevolgen van een pleuritis

Begin 1950 werd Vinkenoog ziek. In 1983 vertelde hij: ‘Bij de unesco werkte ik in een ondergrondse verwarmingskelder, waar ik boeken moest inpakken. Daarbij ging ik van tijd tot tijd de straat op om die boeken in karretjes en auto's te zetten. Toen heb ik een pleuritis opgelopen.’

Ongeveer een maand daarna, op 5 februari, schreef hij aan Ferdinand Langen, dat hij graag naar de veelbesproken toneelversie van No orchids for miss Blandish van James H. Chase gegaan was, maar dat het er tot dusver nog niet van was gekomen: ‘[...] ik heb namelijk door het te hard in een kelder tussen stoffige documenten, zonder zonlicht en frisse lucht, enfin je kent het verhaal wel, een pleuritis opgelopen, die mij nu al een maand aan het bed “gekluisterd” houdt. Als de berekeningen van mijn dokter uitkomen, wat ik bij God en iedereen hoop, ben ik er binnen nog een maand wel ongeveer af maar zou dan nog een maand naar Zwitserland ofzo moeten.’

En verder: ‘Wat ik in bed doe, waar ik me niet ziek voel en alleen maar rust hoef te houden? Lezen, lezen, lezen. Wat het wel ongeveer is. Ik heb ontdekkingen gedaan, kunnen uitdiepen en verbreden, studeren en lezen.’

Aan Langen, die intussen redacteur van De Gids geworden was, schreef hij ook nog: ‘Een mijner grootste ontdekkingen is Jean Genêt en het heeft me zo geschokt (niet geshockeerd) dat ik er een artikel over geschreven heb. Ik stuur het je hierbij. Als jij denkt dat het niet voor de verjongde? Gids kan dienen, dan gooi je het meteen weg (ik heb een doorslag om te betreuren) zelfs als anderen er verschillend over denken. Mocht dat niet het geval zijn en jij menen, dat misschien de Gids etc. etc., dan zou ik je zeer dankbaar zijn...’7 Langen zou Vinkenoogs recensie van Genêts Journal du voleur (1949) inderdaad in De Gids opnemen.

Kort daarna vertrok Vinkenoog naar Zwitserland om er een maand te kuren. Hij vertelde in 1983: ‘Daar ben ik al mijn thema's van me af gaan schrijven. Ik bedoel: ik zat vol zelfmoord en haat en angst en de pest en Antonin Artaud en Vladimir Majakovski.’

Omdat hij het gevoel had dat er voor zijn ‘thema's’ in de vaderlandse literaire tijdschriften weinig belangstelling bestond, vatte Vinkenoog, die als kind nooit een krantje vervaardigd had, het plan op een eigen blad op te richten. Dat gebeurde tijdens zijn verblijf in het dorpje Gudo (dicht bij Bellinzona) in het kanton Ticino. Vinkenoog: ‘Het ging me daarbij echt om de noodzaak verantwoording af te leggen van wat ik voelde. Ook wilde ik er een steen mee in de vijver gooien. En ik had het idee iets te zeggen te hebben.’

Daarbij is het niet ondenkbaar dat ook de al bestaande tijdschriftjes rond het Leidseplein hem op het idee van een eigen blad gebracht hebben. Niels Augustin merkte hierover in 2000 op: ‘Ik denk dat De Dualist een bron van

[p. 73]

inspiratie geweest is bij de oprichting van Vinkenoogs blad en even later ook van Braak.’

Vinkenoog bedacht als naam voor zijn tijdschrift Blurb. Die naam, oorspronkelijk afkomstig uit het Engels, waarmee een flaptekst op boeken of de korte inhoud boven een artikel aangeduid wordt, gaf aan dat het blad weinig pretenties zou hebben, en verder werd Blurb natuurlijk ook gekozen omdat het woord zo aardig klinkt.

Na zijn terugkeer in Clamart ontdekte Vinkenoog de Parijse drukkerij Rotaphot, die geschikt leek om de geplande tweehonderd exemplaren van het blad met een omvang van telkens acht pagina's op de rotatiepers te drukken. De kosten daarvan zouden tienduizend oude francs (ongeveer vijfenzestig gulden) bedragen. De bladzijden moesten daarna nog door Vinkenoog zelf gevouwen worden. Vervolgens diende hij ook de adressen te schrijven en alles te frankeren.

Op 5 april schreef Vinkenoog aan Ferdinand Langen: ‘Gisteren hier de Unesco-doctor gezien, ik heb nog twee supplementaire maanden rust gekregen die ik op dezelfde prettige manier mag doorbrengen als totnutoe, wandelen en lopen en lezen enzo en als er nu maar weer betaald wordt vind ik het allang goed.’

Hij schreef in deze brief ook over zijn nieuwe tijdschrift: ‘Blurb komt binnenkort uit, het is eerder het tegendeel van dualist en spleen [...] n.l. eerder té philosophisch dan grappig, puber-grappig wat het in geen geval is. Vertrouw je me? Het schaadt m'n naam niet.’8.

‘Mes très chers amis’

Kort daarna kwam het eerste nummer van Blurb inderdaad uit. Het bovenste deel van de eerste bladzijde bevatte in zwarte letters de naam van het blad, waarvan vooral de U en de B groot afgedrukt waren. Andere aanduidingen als de naam van de redacteur, de plaats en de maand van uitgave bleven daarbij achterwege. Wel werd verder in het nummer over een redactie van Blurb gesproken en werd ook de naam Simon Vinkenoog enkele keren genoemd.

De eerste bijdrage, getiteld ‘A propos Reflex’, was duidelijk bedoeld om direct de maximale aandacht van jonge kunstenaars te trekken: een waarschuwing aan het adres van de experimentele groep! Zij werd ingeleid met een citaat van de dadaïst Tristan Tzara: ‘Toute aquisition [acquisition] valable dans le domaine d'esprit doit être niée et assimilée à la fois. Le retour pur et simple à des formes périmées est mi démenti à la loi de progression et doit être considéré comme réactionnaire.’ (‘Iedere waardevolle aanwinst op geestelijk gebied moet tegelijkertijd verloochend en aanvaard worden. Het zui-

[p. 74]

vere en eenvoudige terugvallen op verouderde vormen is een ontkenning van de wet van de vooruitgang en moet als reactionair worden beschouwd.’)

Hierna schreef Vinkenoog: ‘Met deze woorden uit 1948 van de oprichter van dada, wil ik mijn waarschuwing aan de experimentele groep in Holland, Reflex aanvangen.

Want, mes très chers amis, gij zijt - en niemand die het inniger betreurt dan ik - op een verkeerde weg. Een weg, waarvan ik zou willen trachten U terug te houden, maar ik weet het: ik ben de roepende in de woestijn...

Experimentelen van Holland, als ik nergens in Uw werk enige vernieuwing kan vinden, nóch in Uw programmas & manifesten, kan dan niet het gezegde van Tzara op Uw groep van toepassing worden gebracht, en is dat gebrek aan vernieuwing niet te wijten aan de politiek die gij zo armoedig bedrijft en die gij in Uw kunst (of hoe gij het noemt) wenst te betrekken? Is het dan niet de afhankelijkheid van een verouderd materialistisch ideaal, dat U terughoudt iets nieuws te creëren?

Want denkt niet, experimentelen, dat in een maatschappij zoals Marx die zich zag (en waarvan op het ogenblik een wanstaltige imitatie een armzalig leven leidt) de kunstenaar een betere plaats zou bezetten dan die hij nu inneemt. Geen gemeenschap zo burgerlijk en conformistisch als de marxistische, stalinistische...

[...] De komende generaties zullen geen revolutie met de wapenen moeten doormaken, maar een revolutie in de geest.’

Hierna vroeg hij zich af: ‘Wat hebt gij aan creativiteit gebracht? Niets, als ik Klee, Picasso, Arp en Schwitters buiten beschouwing laat; Uw programma's zijn zwaar aan woorden en woorden die als drachtige koeien datgene herkauwen wat zo'n dertig jaren geleden dada en het surrealisme in oprechte afschuw uitschreeuwden.’

En daarom: ‘Experimentelen, trekt U uit de politiek en de daarbij behorende intriges terug, werkt, werkt en werkt, denkt na over onafhankelijkheid en leef.’9

Vinkenoog verweet de experimentelen dus vooral dat zij te veel bleven vasthouden aan collectivistische idealen en daardoor in marxistisch vaarwater terechtgekomen waren. Bovendien stelde hij dat zij op gemakzuchtige wijze de artistieke revoluties van kort na de Eerste Wereldoorlog herhaalden.

In 1983 merkte Vinkenoog over zijn waarschuwing aan de experimentelen op: ‘Ik zag in Constants Reflex dingen die me deden terugdenken aan mijn ervaringen met het Algemeen Nederlands Jeugd Verbond. Ik had echt geloofd in het algemeen karakter daarvan, maar to en bleek het een mantelorganisatie van de communistische partij te zijn. Daar ben ik ontzettend op afgeknapt. Mijn aanval op Constant en Reflex kwam daaruit voort. Daar kwam

[p. 75]

bij dat ik nog geen werk van die experimentele jongens gezien had. Ik zat toen nog niet dicht genoeg op ze.’

‘De revolutie van de geest’

Na zijn waarschuwing aan het adres van de experimentelen volgde een bijdrage onder de titel ‘Bij wijze van program’, waarin Simon Vinkenoog zijn artistieke standpunten en zijn bedoelingen met Blurb onder woorden bracht: ‘Als wij, in een moment van bezinning, het terrein in ogenschouw nemen dat de Europese mens in de vijf jaren na 1945 heeft ontgonnen, moeten wij wel opmerken dat deze mens - om in de terminologie te blijven - vele dode bomen heeft laten staan, het onkruid heeft vermeden, nog niets heeft gezaaid en er ook verder niet veel van heeft gemaakt. Zien wij dan nader om ons heen en wagen we ons in het struikgewas, dan valt ons ook op dat nóch het surrealisme zoals dit door Breton wordt gesanctionneerd, nóch het existentialisme van Sartre, noch, om dichter bij huis te blijven, het zogenaamde Cobraexperimentalisme [...] maar iets aan een hopeloze situatie hebben veranderd en niet het minste aan “nieuwe vormen” hebben voortgebracht.

Een teken des tijds, denken velen wellicht en weer anderen zijn het waarschijnlijk niet met mij eens, maar hen die met mij willen instemmen, moet deze volkomen leegte, dit gemis aan nieuwe horizonten wel verbijsterend voorkomen, zo het ons al niet onverschillig laat.’

Vinkenoog schreef verder - met een verwijzing naar ‘dit nog steeds braakliggende land’, waarmee hij onbewust al een groet bracht aan het tijdschrift Braak dat enkele weken later verschijnen zou -: ‘Als wij dan ook van de overtuiging uitgaan dat wij tenminste onszelf en onze onafhankelijkheid zullen moeten redden uit de gevaren die ons van alle kanten bedreigen, zullen wij tevens moeten beseffen dat eventuele nieuwe vormen die ons daarbij zullen helpen, zullen moeten uitgaan van deze volkomen leegte, dit nog steeds braakliggende land. Dze [Deze] vormen, waarover wij hier spreken zullen zich moeten openbaren voor of tijdens een catastrophe die over onze hoofden kan losbarsten, en moeten ons tegelijkertijd een handelwijze aangeven, willen wij niet voortijdig vergaan aan onszelf en ons gehecht-zijn aan het verleden. Deze nieuwe vormen, die we “x” kunnen noemen (of “blurb”) brengt Blurb dat wij hierbij aan U voorstellen, niet. Dit om geen verkeerde indruk te wekken en om eventuele boosaardigen het zwijgen op te leggen.’

En verder: ‘Maar - en dit is een taak die Blurb op zich heeft willen nemen - wij kunnen U ontvankelijk maken voor “nieuwe vormen”, U voorbereiden tot “x” en Uw pogingen onafhankelijk te zijn, stimuleren. Wij hebben geen keuze, de revolutie van de geest is ons meer waard dan de synthetische revo-

[p. 76]

lutie uit het Oosten. Maar - en onweerlegbare feiten getuigen hiervan - dat wat wij nog “x” noemen, de nieuwe denkvormen, kondigt zich aan, zowel door barensweeën als door stuiptrekkingen, die een duidelijke taal spreken. En als het Blurb mag gelukken tien lucide geesten om zich te verenigen zal zij zich al op de goede weg voelen, zelfs al is onze luciditeit een “lucidité du désespoir”.’

Hierna constateerde hij: ‘Dada, dat zich voorstelde de gemeenschap, de moraal, de logica en de taal te vernietigen, tekende hiermee haar eigen doodvonnis. Tzara en Hülsenbeck leven nog, wij geven toe, maar de eerste heeft zich aan Stalin en de tweede aan Hollywood verkocht. Toch zijn er slechts een 30-tal jaren verlopen sinds die dag die belangrijker is dan vele andere uit deze eeuw: 8 Februari 1916, de dag dat een dictionnaire werd opengeslagen op het woord dada.

Wij zijn een a-romantische generatie, al zouden wij ook vele dictionnaires willen en kunnen openen. Maar wij geloven niet meer in het vinden van sabreuze [scabreuze] woorden in nog niet bestaande woordenboeken en wij hebben dus gekozen: blurb. Waarvan éen betekenis gebrabbel is. Onze mogelijkheden zijn nog ongelimiteerd al moeten wij ons verdedigen tegen uiterst links en uiterst rechts en nochtans het gevaarlijke midden mijden.’10

Op de laatste pagina van deze aflevering schreef Vinkenoog ten slotte: ‘blurb verschijnt onregelmatig. Dit was het eerste nummer. Waar wij ons tot een min of meer uitgezocht publiek wenden, bedraagt de oplage van elk nummer niet meer dan 100 à 150 exemplaren.

Abonnementen worden niet aangenomen, verzoeken om toezending worden al of niet ingewilligd, toezending geschiedt gratis. Het adres van blurb is: 121, avenue Victor Hugo, clamart (Seine), Frankrijk.’

En verder: ‘Antwoord van de Firma Reflex, filiaal van Cobra, op blurb's aantijgingen van pagina een en twee wordt ingewacht. Publicatie daarvan in een volgend nummer van blurb. Beledigingen worden geslikt, waarheden aanvaard.’11

De eerste aflevering bevatte verder een ‘sportrubriek’, een kruiswoordpuzzle en een reproductie van een pentekening, vervaardigd door de Amerikaanse kunstenaar Russell Sully, die Vinkenoog in Parijs had leren kennen.

De eerste reacties

Dit eerste nummer was voor Vinkenoog als een explosie geweest van alles wat hij de afgelopen maanden gedacht en ervaren had. Hij had er zich voor 100% in proberen uit te schrijven, maar hij voelde zich ook erg onzeker over hoe anderen erop zouden reageren. Daarom leek het hem verstandig eerst eens bij enkele bevriende schrijvers poolshoogte te nemen.

[p. 77]

Nog op dezelfde dag waarop het nummer gereedgekomen was, op vrijdag 14 april, schreef hij vanuit Clamart aan Ferdinand Langen: ‘Even in haast. Mag ik je voorstellen mijn tweede zoon, het eerste nummer van blurb?

Je mag nu je plichten als peetvader gaan vervullen, zoals ik je dat reeds vagelijk heb uitgelegd: wil jij me even vertellen of ik dit naar een 100 mensen kan sturen? (Wél zijn die 100 mensen iedereen & alles in Nederland).

Je weet, waarom het gaat: is het kwajongensachtig of niet, verspeel ik iets wat een literaire-reputatie-in-wording genoemd zou kunnen worden of niet enz.

Ik denk van niet, Juc is er niet zeker van; jij bent ons beider criterium, en omdat hier die 100 exx. maar liggen, sinds hedenmiddag, zou ik graag, indien mogelijk zo spoedig mogelijk hierover van je horen.

Neem me niet kwalijk, ik weet hoe druk je het hebt en het zal je waarschijnlijk helemaal niet zo belangrijk schijnen als het mij op het moment voorkomt, maar nogmaals: ik weet zelf niet met wat soort vuur ik aan het spelen ben enzovoort. dank bij voorbaat, excuses!’

En verder aan het slot van deze brief: ‘Dat is alles, nogmaals heel erg bedankt en ik hoop dat je oordeel gunstig uitvalt, heer examinator! en als je denkt dat het niet aan heren hh Grootheden gezonden mag worden, doe ik het wel aan vriendjes, kennisjes en andere hele kleine godjes.’12

Twee dagen later, 16 april, stuurde Vinkenoog ook een exemplaar aan Kees Lekkerkerker. Over zijn aanval op Reflex schreef hij daarbij: ‘[...] ik heb geen remmen, die mij hinderen, geen dogma's die mij voorschrijven hoe ik te denken heb, geen ideeën die mij een bepaalde richting indwingen. Juist deze twijfel en deze onzekerheid brengen mij in de goede richting, mijn eigen richting. En als ik zeg dat alleen het eigen ik mij interesseert kan men mij vragen waarom dus Blurb? dan is het alleen omdat er mij een schijnbeetje verantwoordelijkheidsgevoel is gebleven. Waarom ik dus Reflex aanval, naast het plezier van het aanvallen zelf.’13

Na enkele dagen bleek dat Ferdinand Langen enthousiast over Vinkenoogs initiatief was: ‘Hartelijk dank voor Blurb. Ik vind het blad stukken beter dan Dualist of Spleen. Vooral de artikels zijn uitstekend. [...] (Over de experimentelen zeg je zeer juiste woorden, maar die opgenomen pentekening, is dat iets anders dan experimenteel?) In elk geval hartelijk gelukgewenst! Ik zal aan Blurb misschien enkele regels wijden in De Gids.’14

Pas na ontvangst van deze brief van Langen, eind april, besloot Vinkenoog het eerste nummer van Blurb rond te sturen. De precieze oplage bedroeg volgens zijn opgave in het tweede nummer 141 exemplaren.

Op 2 mei antwoordde Vinkenoog op Langens positieve reactie: ‘Bedankt, zeer bedankt voor je briefje dat ik alweer enige tijd geleden ontving. Bedankt

[p. 78]

ook bij voorbaat voor je idee misschien aan de Heer Blurb enkele regels in De Gids te wijden.

Natuurlijk vind ik dat een prachtidee en dat ik het heel graag zou zien begrijp je ook. Maar weet je wel wat je dan doet? Tenslotte ben ik maar een rotjochie met hoogmoedswaanzin waar het over mezelf gaat en blurb is toch in de eerste instantie alleen maar belangrijk voor mezelf’.

En verder - met een toespeling op de kritiek die zijn aanval op de experimentelen vooral rond het Leidseplein gewekt had -: ‘Wel heb ik nu al ruzie met verschillende mensen wat dus een heel goed teken is en ikzelf beschouw het, al is het klein werk, absoluut niet als Kleinwerk in de betekenis van Kleinkunst. Zelfs pover, gepolycopieerd en zo kan men groot zijn, wat ik dus ben. Amen.

En de stijl, de gedachten zijn vanzelfsprekend ook die van een nauwelijks meerderjarige, het is toch maar een strijdschrift en stelt zich voor meer dingen en mensen aan te vallen in de toekomst.’15 Ferdinand Langen zou wel een kort commentaar op Blurb voor De Gids schrijven, maar de andere redacteuren voelden niets voor publicatie ervan.

Wel reageerde het satirische maandblad Mandril op het verschijnen van Blurb: ‘[...] het is een van de meest aanstellerige en impotente blaadjes die wij ooit in handen kregen, hetgeen (op onze hoge leeftijd) wat zeggen wil. Ondanks die leeftijd van ons zijn wij altijd nog wild op wilde blaadjes. Maar het lijkt of de tijd der pamflettisten voorbij is. Wie van huis uit fel, gemeen en prachtig schelden kunnen zijn dood, te bejaard, of gerangeerd. In ieder geval Blurb is een prul. Dat is jammer. Omdat alles wat prullig is jammer is. Het ergste is dat de heer Vinkenoog bijzonder slecht Nederlands schrijft. En dat in Parijs. Waartoe? Waartoe?’16

‘Slaat iedereen nauwlettend gade’

Enkele weken later, op 1 juni, ging Vinkenoog, zoals afgesproken was, weer voor de unesco aan het werk, maar juist daarvoor was het hem nog gelukt de tweede aflevering van Blurb klaar te krijgen. Bij dertig exemplaren ervan voegde hij een los blaadje waarop hij sommige abonnees een wat meer persoonlijk antwoord op de door hen gestuurde reacties gaf.

In zijn inleiding tot deze aflevering ging Vinkenoog vooral in op allerlei misverstanden waartoe de publicatie van het eerste nummer aanleiding gegeven had. Daarbij nam hij - na het aanbrengen van enkele rookgordijnen - wat gas terug in zijn kritiek op Reflex: ‘De opvattingen van Blurb zijn [...] géén philosophische axiomas met eeuwigheidswaarden noch tijdsrecepten met gebruiksaanwijzing maar gedachten, groeiende met de ontwikkeling

[p. 79]



illustratie
Simon Vinkenoog

collectie letterkundig museum




illustratie
De eerste bladzijde van het eerste nummer van Blurb



illustratie
Hans Andreus

collectie letterkundig museum giny oederkerk


[p. 80]

van de persoonlijkheid achter Blurb. Een persoonlijkheid die niet met het waanidee rondloopt de wereld te “verbeteren”, zelfs geen remedies daartoe op de markt brengt behalve de twee grondwaarheden: vrijheid met zo min mogelijk concessies en ten tweede: een volstrekte onafhankelijkheid. Maar die daarbij tevens inziet, dat reeds het onderbrengen van zijn ideeën in Blurb een concessies-verlenen is aan een - zij het nog zo beperkt - publiek en een aanslag op de waarde van zijn persoonlijkheid. Een der middelen echter om die onafhankelijkheid te bevestigen, en daarbij ook een der bestaansredenen van dit tijdschrift, is de agressiviteit die van te voren een (wellicht fictieve) medeplichtigheid tracht te elimineren. Vandaar dus ons “aanmatigend aanblaffen” van Reflex, een groep experimentele kunstenaars, die overigens uitstekend werk verricht maar de kunst met haar pseudo-progressieve gemeenschapsidealen op de inderdaad revolutionaire helling terugzet.’17

Een opvallende publicatie in dit nummer is een essay onder de titel ‘inleiding tot een phenomenologie van de haat’ dat Vinkenoog deels in Zwitserland geschreven had. Hij betoogde hierin: ‘Om de dood te kunnen overwinnen moet ik van het leven afstand kunnen doen. Hoe intenser mijn haat, hoe meer kansen ik heb de dood te bedwingen; zelfs uitstel is een tijdelijke overwinning. Toch erken ik dood noch leven, ik leef in een wereld haat.’18

Ook deze keer was op de laatste pagina een reeks mededelingen opgenomen, waaronder: ‘Gegrepen door de ernst der politieke toestand, moet Blurb ertoe overgaan enige practische inlichtingen te verstrekken:

1)Gaat nooit in een kamer, trein of andere ruimte met Uw rug naar een raam of deur zitten of staan.
2)Slaat iedereen nauwlettend gade die zich, naar Uw mening, te dicht in Uw nabijheid waagt. Let ook op, dat dit niet steeds dezelfde personen zijn. Neemt in dat geval een tram of taxi naar huis terug en gaat meteen slapen.
3)Vergewist U ervan dat U niet te vaak op dezelfde dag dezelfde personen ziet, zelfs niet als het vrienden van U zijn. Hebt altijd een alibi om te bewijzen dat U om die en die tijd juist ergens anders was of iemand die altijd ja zegt als hem iets gevraagd wordt. Adressen bij Blurb verkrijgbaar.’19

En verder - met een toespeling op het internationale symbool van het communisme -: ‘Tot afscheid stellen wij nog aan U voor het eerste levende exemplaar van de hamervogel, opgegraven in de nabijheid van de Siberische Sikkelmijnen. Is ook reeds in Amerika gesignaleerd. (Uranium-detector.) Plant zich kloppend voort, het voedsel (zaagsel, houtwormen en bloed) wordt toegediend door middel van slagen. Kruisingen komen voor, voor verwarring met Nijptangvogel die zich uitsluitend in timmermanswerkplaatsen ophoudt, wordt gewaarschuwd. Verschil tussen man en vrouw: lengte van de steel.’20

[p. 81]

De tweede aflevering bevatte verder een bijdrage over de Russische dichter Vladimir Majakovski en een reproductie van een recent in Parijs vervaardigde tekening van de Haagse schilder Jaap Nanninga.

Kort na het uitkomen van het tweede nummer, op 3 juni, schreef Vinkenoog aan Ferdinand Langen, die intussen getrouwd was en van de Stadhouderskade naar een huis aan de Amstel verhuisd: ‘Ik ben sinds eergsieteren [eergisteren] weer aan het werk na vijf maanden niets-doen, het bevalt me maar het is moeilijk en ik móet veel blijven lezen, heb ik mezelf bezworen.’

Hij berichtte verder: ‘Dan is Blurb/2 verschenen, ik stuurde het je. Ik vind het beter dan het eerste nummer [...]. Het wordt wel iets. (Blurb is geen bergplaats voor creatief werk van me, ik bedoel proza of poëzie, dit ter verduideliking).’21

Hierna stuurde hij ook een aflevering aan Hans Andreus, die aan de Stadhouderskade een buurman van Ferdinand Langen geweest was, maar die hijzelf nog niet eerder ontmoet had. Met deze toen vierentwintigjarige dichter zou Vinkenoog in drukke briefwisseling raken: Andreus zou bovendien aan Blurb gaan meewerken en ook in andere opzichten een belangrijke rol in de ‘Beweging van Vijftig’ spelen.

Hans Andreus

Johan Wilhelm van der Zant (1926-'77), zoals Andreus eigenlijk heette, was in Amsterdam geboren. Na de echtscheiding van zijn ouders groeide hij op in Scheveningen, waarna hij op zijn elfde jaar naar Amsterdam terugkeerde. Daar bezocht hij de hbs aan de Keizersgracht waar indertijd ook Jacques Perk en Willem Kloos op school geweest waren. Intussen was hij bevriend geraakt met Bertus Swaanswijk, de latere dichter Lucebert, die evenals hij deel uitmaakte van een clubje vrienden in de Jordaan.

In maart 1943 - Johan was toen zeventien jaar - verliet hij plotseling de school en gaf hij zich op voor het- onder auspiciën van de bezetters strijdende - Vrijwilligerslegioen Nederland. Hij vertrok naar Duitsland en kreeg een verdere militaire opleiding in Oostenrijk, waarna de soldaten van het legioen in de Waffen-ss opgenomen werden. Intussen kreeg Johan vooral corveediensten te verrichten. Zijn legeronderdeel vertrok vervolgens naar Kroatië en daarna naar het front bij Leningrad, waarna hij in de stad Narva bij een granaatexplosie gewond raakte. Hij werd hierna naar Duitsland teruggestuurd. Doordat zijn ouders bezwaar gemaakt hadden tegen het in dienst treden van Johan op zo jonge leeftijd, werd hij daaruit in het voorjaar van 1944 ontslagen.22

Kort na de oorlog - Johan van der Zant was zich intussen Hans gaan

[p. 82]

noemen - slaagde hij voor het toelatingsexamen aan de Amsterdamse Toneelschool. Hij ging gedichten schrijven en werd verliefd op zijn medestudente IJda Andrea, die in het laatste bezettingsjaar aan het clandestiene blad Zaans Groen meegewerkt had. Haar achternaam inspireerde hem bij de keuze van zijn pseudoniem Hans Andreus. In de zomer van 1947 - hij was niet toegelaten tot de derde klas - zegde hij de Toneelschool vaarwel.

Intussen had hij een aantal verzen aan de redactie van Proloog toegestuurd, maar deze werden geweigerd. Meer succes had hij bij Podium: in dat blad werden in de zomer van 1949 drie gedichten van hem gepubliceerd. In hetzelfde nummer verscheen ook Vinkenoogs vers ‘Afrekening’.

Hans Andreus, die na het vertrek van de Toneelschool besloten had van de pen te gaan leven - een voor die tijd, waarin subsidieregelingen nog nauwelijks bestonden, opvallend besluit - was iemand die van een al te geregeld bestaan niets moest hebben. Op velen maakte hij met zijn zachte stem en dromerige oogopslag een romantische indruk. Zijn belevenissen tijdens de oorlogsjaren probeerde hij daarbij zoveel mogelijk geheim te houden, wat zonder twijfel met innerlijke spanningen gepaard zal zijn gegaan.

Enkele weken nadat Andreus het tweede nummer van Blurb ontvangen had, op 17 juni, schreef hij vanuit Amsterdam aan Vinkenoog: ‘Ik had eerst als aanhef: Geachte heer Blurb gezet, niet als een flauw grapje, maar gewoon als verschrijving. Ik vind Blurb dan ook een mooi woord. Het woord van iemand met Het Niets in voor-, achterhoofd en de verdere edele en onedele delen van het lichaam. Ik weet niet of dat bij U precies zo het geval is, dat doet er ook niet toe, ik vind het gewoon een mooi woord. Uw hamervogel kan me niet bekoren. Het lijkt me dat U het meeste plezier van uw Blurb moet hebben door de reacties van anderen.’

Hij schreef verder nog: ‘Vindt U dat reflex opbouwend werk verricht? Ik vind het leuk om naar te kijken, het werk, maar het meeste verveelt me gauw. Maar dat is bij mij met bijna alle schilderijen het geval. De schrijversgroep van reflex - alle interne splitsingen verwaarloos ik - zegt mij niet veel maar Lucebert heeft soms een tik van het geniale.’23

Twee dagen later, op 19 juni, antwoordde Vinkenoog hem: ‘Hedenochtend Uw brief ontvangen die ik trouwens al weer schijn te hebben verloren. Gewoonlijk waag ik me niet aan het beantwoorden van mensen die mij naar aanleiding van Blurb schrijven (Blurb maakt voor mij het bestaan niet uit, is er slechts een minimaal gedeelte van), maar iets in Uw brief is mij opgevallen. Uw brief als geheel kwam mij als enigszins raadselachtig voor en überhaupt, laat ik het maar zeggen ik heb de gedichten die ik zo hier en daar wel eens van de Heer Andreus las, altijd wel sympathiek gevonden.’

Als reactie op Andreus' opmerking dat Lucebert, die onlangs verzen ge-

[p. 83]

publiceerd had in het pas opgerichte blad Braak, ‘soms een tik van het geniale’ had, schreef Vinkenoog verder: ‘Tijdens mijn laatste bezoek aan Holland dan, toen ik Ferdinand Langen op de Amstel opzocht, kwam ik daar bij het bekijken van boeken, oude en nieuwe papieren (ik ben erg nieuwsgierig) een stapel manuscripten van de door U als geniaal gekenschetste heer Lucebert tegen. Hij interesseerde mij als zodanig, als lid van reflex, die ik schijnbaar niet mocht aanvallen, zoals mij verteld geworden is en ik heb die ms. nader bekeken, er op vertrouwende dat de heer Lucebert als auteur dat wel op prijs zou stellen. Welnu, inderdaad troffen mij een aantal gedichten, ik heb er weer wat gelezen in Braak, in de nummers van Cobra en Reflex, die ik heb, maar ik wil eerlijk zeggen dat iemand die een stapel drukwerk bij elkaar heeft geschreven die eerder de drie decimeter dan de twee nabijkomt, voor mijn gevoel geen genie kan zijn, nog afgezien van het feit dat het rumoer dat deze lieden maken, de heer Lucebert daarbij, niet het genie-rumoer is, en geen uiting van een genie.’

En verder: ‘Dat is dat dus, ten tweede wil ik even vertellen dat het plezier dat ik totnutoe aan Blurb heb, niet zozeer de reacties zijn als wel het feit dat een aantal mensen het woord blurb uitspreken, het op schrift zetten, het een mooi of lelijk woord vinden, me daarop aanvallen, in elk geval dit woord gebruiken. Iets, wat zij - laten we eerlijk zijn - zonder Simon V. nooit gedaan zouden hebben, nietwaar? Dit woord, dat van achteren naar voren even mooi is, dat men kan omkeren en “husselen”, dat bovendien nog twee betekenissen heeft, hoort in ere gehouden te worden. En dat is waarschijnlijk de bestaansreden van mijn blaadje, dat al deze drukte (werkelijk!) waarschijnlijk niet eens verdient. Want wat ben ik tenslotte?’

En in een naschrift: ‘Ik vind zojuist Uw brief terug, dit is (deze brief) dan eigenlijk geen antwoord. Kan me niet eens schelen, ook niet dat U me wsch. niet eens mag.’24

Kort hierna - in een brief, die ‘Juni’ 50' gedateerd was - antwoordde Hans Andreus hem: ‘U waagt U gewoonlijk niet aan het beantwoorden van brieven van mensen die etc. Ik ben evenmin schrijfziek. U stuurde mij Blurb, ik vond dat sympathiek. Ik las en hoorde een en ander van de Heer Vinkenoog, de Heer Vinkenoog beviel mij. Ik hou er niet van zoiets als het laatste botweg neer te schrijven, Uw P.S. staat het mij toe. Om de voorgaande redenen schreef ik, beantwoord ik nu uw antwoord. Er is ook wel iets te beantwoorden.

Ik moet toegeven dat ik wat de inhoud van Blurb betreft er een beetje omheen heb gepraat. Ik vond het “als gebaar mooi” - vat u deze woordkeus alstublieft zeer bij wijze van spreken op - de inhoud, d.w.z. De Haat was mij trop de zèle. Nu U mijn brief heeft teruggevonden zult u zelf hebben gemerkt

[p. 84]

dat ik helemaal niet de Reflex-groep bewierookt heb, integendeel zachtjes protesteerde tegen uw “baanbrekend werk”, beter: de toon die zo'n uitspraak heeft. Zachtjes geprotesteerd omdat ik het nu eenmaal toch leuk vind om naar dit werk te kijken. Wat uw overige opmerkingen over deze groep betreft ben ik het natuurlijk volmaakt met u eens, wat betreft de “Collectieven” onder deze mensen. U zult ook gemerkt hebben, dat ik Lucebert geen genie heb genoemd maar iemand die “soms een tik heeft van het geniale”. Het spijt me, dit blijft mijn mening, zelfs al zou het gelden voor tien gedichten op de honderd. En “rumoer” vind ik niet zo erg al ben ik zelf niet eens in staat een handrateltje te zwaaien.’25

‘Niets nieuws’

Intussen waren Juc en Simon Vinkenoog erin geslaagd een ruimer huis te vinden: een appartement aan de boulevard Jean-Jaurès in de ten noorden van Parijs gelegen voorstad Clichy. Daarin zouden ze ook logés kunnen ontvangen.

Ondanks de beslommeringen die met de verhuizing gepaard gingen, slaagde Vinkenoog erin eind juli het derde nummer van Blurb uit te brengen. Deze aflevering opende met een bijdrage waarin hij schreef: ‘Blurb, nogmaals en dat niettegenstaande de grappenmakers en misverstaanders brengt niets nieuws, is louter de uiting van een jongere (hear, hear) die zich misschien wel zou willen verzetten tegen de geschiedenis maar daar de onmogelijkheid van inziet en zich toch niet wil laten onderwerpen. Blurb is niet trots op het feit niets nieuws te brengen maar kan dat ook niet betreuren in een wereld waar onafhankelijkheid al nieuw is, omdat het daarin voor niets en niemand anders onder doet, anderen die wél de indruk geven nieuwe waarden te brengen en daar het benodigde lawaai bij schoppen. Maar de inhoud van Blurb (ik heb u gezegd, lezer, dat mijn verhaal eentonig is) pretendeert nièt origineel te zijn maar tracht een onafhankelijkheid van alles en iedereen nabij te komen.’26 De zin tussen haakjes is natuurlijk daarom zo effectief, omdat ook deze zin niet origineel is: hij is immers ontleend aan het beroemde verhaal over Saïdjah en Adinda in Multatuli's Max Havelaar.

Hierna werd Vinkenoogs gedicht ‘Leger-des-Heils bijeenkomst in het Zwarte Woud’ gepubliceerd, waarin de associaties zich op de uiterste ‘wild side of the road’ lijken op te houden, zoals al uit de eerste strofe duidelijk wordt:

 
nu gaan we een gedicht maken, kameraden
 
en dus een ainsi-soit-il om mee
 
te beginnen tegenaan en vergeet
[p. 85]
 
vooral niet het hanekraaien
 
om er bij het hoge zeebos genoeg
 
van te krijgen, en een merde om mee
 
uit te scheiden herhaald geschal
 
de technische woorden dus thuislaten
 
piet en hans en koek en klaas
 
nooit hun tranen de overmacht de
 
baas... stamelend en boe-boer berustend
 
bekeren
 
en het abc van voren naar achteren
 
leren27

Vinkenoog zou ruim een week na het verschijnen van deze aflevering, op 9 augustus, over dit vers aan Ad den Besten schrijven: ‘ik zet me achter mijn schrijfmachine, laat remmen los, schakel over op een of meer versnellingen en zie wat ervan komt. Ik bekijk het, zie wat het geworden is en lach of lach niet, al naar mijn stemming. Die bijeenkomst in Blurb 3 begint zelfs: Nu gaan we een gedicht maken, titel is naderhand bedacht.’28

Verder schreef Vinkenoog in de derde aflevering over het staatsbezoek dat koningin Juliana eind mei aan Parijs gebracht had, en over de daarbij door haar gehouden toespraken: ‘Voorzover het koninklijk bezoek al niet vergeten is, hoort men steeds dezelfde geluiden (met welk een sarcasme een dezer dagen een dagblad vermeldde dat de particuliere secretaresse van hkh danseres in een Miami-nachtclub geworden is, is ongehoord) en wij mogen ons dan ook vanzelfsprekend afvragen: Met welk recht werd hier, in deze redevoeringen, uit naam van het Nederlandse Volk gesproken? Daarbij mogen we niet vergeten en uit het oog verliezen, datgene waaraan J.B. Charles ons in een recent nummer van Podium heeft herinnerd, n.l. dat “de Oranjes nimmer een gram nederlands, de Coburgen nooit belgisch en de engelse vorsten geen enkele druppel engels bloed in de aderen hadden stromen. Men kan vaststellen, dat in de laatste anderhalve eeuw van de leden der europese vorstenhuizen, als men de echtgenoten meetelt, minstens vijftig procent de taal van zijn natie niet, gebrekkig of slechts met duidelijke vreemde accenten spreken kon”. - Men mag dus wel zeggen, dat hier Holland in de vorm van zijn vorstin een figuur heeft geslagen dat wel zeer moeilijk te herstellen is. Waarom had Koningin Juliana niet een tekst van de een of andere hoogleraar mee naar Frankrijk genomen, die geweten zou hebben wat hij schreef? Desnoods zonder te vermelden dat het de tekst van iemand anders was. Dan hadden dergelijke schromelijke vergissingen vermeden kunnen worden, nu delen wij allen in de schande: Onze Koningin heeft Onzin gesproken in Onze Naam.’29

[p. 86]

Op de laatste pagina van dit nummer schreef Vinkenoog - zonder twijfel naar aanleiding van het uitbreken van de Koreaanse oorlog -: ‘De practische mededelingen op de achterpagina van het vorige nummer schijnen niet veel geholpen te hebben, weer zijn duizenden zo achterlijk geweest elkaar in de haren te vliegen. blurb stelt zich op het punt van de uiterste neutraliteit, in elk conflict van welke macht tegenover welke andere macht. Zodra dit zelfbehoudsprincipe, deze neutraliteit illegaal wordt, zal Blurb daarvan de consequenties trekken. Blurb heeft geen onderduikadres.’30

Vinkenoog voegde nog aan het exemplaar van het nummer dat hij aan Hans Andreus stuurde, in een gestencilde bijlage een mededeling voor ‘H.A. te A.’ toe: ‘Zijn we nu tot een slotsom gekomen of niet? Dat wij beiden sympathiek zijn, weten we samen en de een van de ander.’31

‘Zwaaiend met “Blurb”’

Een van de bijverschijnselen van Blurb was dat de tot voor kort vrijwel onbekende naam Simon Vinkenoog in de omgeving van het Leidseplein een grotere bekendheid begon te krijgen dan toen de drager van deze naam er nog zelf vrijwel dagelijks rondliep. Niet tot diens verdriet. Vinkenoog, gretig op zoek naar nieuwe contacten, kon zich verheugen in talloze reacties, waardoor hij het gevoel kreeg dat zijn eenmansonderneming inderdaad de moeite waard was.

Van belang was daarbij vooral zijn nog prille correspondentie met Hans Andreus: de eerste dichter uit de groep van de latere Vijftigers met wie hij in contact gekomen was. Dat hij dat contact op prijs stelde, maar er ook weer niet al te uitbundig over wilde doen, blijkt uit wat hij ongeveer twee weken na het verschijnen van het derde nummer, op 15 augustus, aan Ferdinand Langen schreef: ‘Ik heb destijds [...] n.a.v. Blurb wat aardige briefjes van je vm. buurman Andreus gehad, hij lijkt me sympathiek.’32

Anderhalve week later, 26 augustus, schreef de redactiesecretaris van Podium Gerrit Borgers, met wie Vinkenoog al eerder gecorrespondeerd had, hem vanuit zijn vakantie-adres in Egmond aan Zee: ‘Hartelijk dank voor de toezending van Blurb, dat er om te beginnen heel innemend uitziet en bovendien nog steeds amusant, dikwijls leesbaar en soms goed is!’33

Ook Ferdinand Langen bleef over Blurb enthousiast. Op 6 september schreef hij Vinkenoog - met een verwijzing naar de uitgever Reinold Kuipers -: ‘Hartelijk dank voor [...] Blurb 3 (Reinold Kuipers vertelde mij een dezer dagen voor het eerst wat een Blurb eigenlijk is) de beste van al [...].’34

Intussen had Daisy Wolthers, de secretaresse van de Haagse uitgever Bert Bakker, aan Vinkenoog geschreven dat de door deze vurig bewonderde

[p. 87]

dichter Gerrit Achterberg graag met zijn vrouw Cathrien een bezoek wilde brengen aan Parijs. Daarop had Vinkenoog hen uitgenodigd binnenkort bij Juc en hem te komen logeren. Omdat hij van plan was de laatste twee weken van september in Amsterdam door te brengen, leek het hem het beste als het bezoek daarna zou plaatsvinden.

Op 1 september schreef Gerrit Achterberg vanuit de Mariahoeve in Neede aan Juc en Simon terug: ‘toen wij gisteren van een trip naar het westen weer in Neede arriveerden, vonden wij hier tot onze grote verrassing Uw brief, waar we U hartelijk voor danken. Onze vriendin Daisy Wolthers had met ons over U en Parijs gesproken en nu ligt daar Uw spontane uitnodiging op tafel! Heel graag zouden we er in October gevolg aan geven - behoudens onvoorziene omstandigheden.

We zijn nog nooit in Parijs geweest, zodat we ons er bijzonder op verheugen, temeer waar U de stad kent en ons wilt begeleiden.

Mag ik U dan over enige weken onze komst nader aankondigen?

Mocht U intussen tijdens Uw verblijf in Amsterdam lust en gelegenheid hebben ons in Neede op te zoeken, dan is U vanzelfsprekend hartelijk wel kom!’35

Tot een ontmoeting met Achterberg kwam het tijdens Vinkenoogs verblijf in Nederland niet, maar wel kwam hij in contact met andere schrijvers. Zo zag hij voor het eerst in café Eylders Remco Campert en Rudy Kousbroek, redacteuren van het kort na Blurb verschenen Braak.

Vinkenoog vond Campert bij die gelegenheid sympathiek, maar op Kousbroek reageerde hij kennelijk met gemengde gevoelens: enkele weken later, op 15 oktober, zou hij hem in een brief aan Andreus met het weinig complimenteuze ‘dinges’36 omschrijven.

Over de relatie tussen Rudy Kousbroek en Vinkenoog vertelde Campert in 1999: ‘Die lagen elkaar niet. Er was wel waardering tussen die twee, maar ook veel irritatie.’37

Rudy Kousbroek vertelde op zijn beurt over Vinkenoog: ‘ Ik kwas geïnteresseerd in wat hij deed, maar onder de oppervlakte was er ongetwijfeld een gevoel van rivaliteit. Ik was me er overigens niet van bewust dat Vinkenoog een zekere afstand voelde. Daarbij zullen standsverschillen een rol hebben gespeeld. Er werd niet over gepraat en het was geen groot punt, maar ze waren er wel. We kwamen uit een andere wereld. Simon praatte toen nog een beetje plat Amsterdams, maar dat is er snel afgegaan. Ook bij Hugo Claus, die ik in het begin met zijn Vlaams moeilijk verstaan kon, is dat gauw verdwenen.’38

Verder had Vinkenoog ook verscheidene ontmoetingen met Hans Andreus. De eerste keer gebeurde dat onder hilarische omstandigheden: juist toen Andreus in het huis van Ferdinand Langen een vaas omgegooid had en

[p. 88]

zich stond af te drogen, betrad Vinkenoog - als in een film met Peter Sellers - het toneel.39 Tenslotte bezocht hij samen met Ad den Besten ook Paul Rodenko in Den Haag.

Over Vinkenoog vertelde Den Besten in 2000: ‘Hij was een lange sliert. Dat was ik ook wel, maar hij overtrof me nog. Een bijzonder aardige jongen, die niets achterbaks had’.

En over diens poëzie: ‘Zijn verzen hadden in sterke mate een eigen geluid. Een geluid dat je toen verder nergens in Nederland aantrof. Via Simon ben ik toen op enkele Fransen, zoals Antonin Artaud, gestuit, van wie je achteraf zegt: “Daar heeft hij wel een deel van de mosterd vandaan gehaald.” Bij Rodenko vind je een vergelijkbaar levensklimaat, maar bij hem wordt het intellectualistischer verwoord en bij Simon is het allemaal veel eruptiever.’40

Terwijl Vinkenoog in Amsterdam was, op 20 september, schreef Cathrien Achterberg-Van Baak aan Juc Cohen: ‘In de prachtige brief, die we 23 Aug. van Uw man mochten ontvangen, lazen wij dat hij de laatste twee weken van Sept. in A'dam vertoeft. Derhalve schrijf ik aan U.

We hopen intusschen dat Uw man nog tijd vindt om ons op te zoeken, maar voor het geval dit niet zoo zou zijn (we zitten n.l. met recht in “de Achterhoek”) wilde ik U vragen of het U schikt dat we Dinsdag 3 October de reis aanvaarden.

We nemen de dagtrein en arriveren om ± 6 uur aan het Gare du Nord.

We vinden het heerlijk dat U ons wilt afhalen, zoals Uw man al schreef. Zwaaiend met “Blurb” zal het elkaar herkennen wel geen moeilijkheden geven.’41

De logeerpartij van de Achterbergs - Gerrit mocht van zijn vrouw nooit meer dan één glas wijn drinken - was niet steeds tot áller genoegen. In 2000 vertelde Juc Cohen, die wist dat de dichter ooit zijn hospita doodgeschoten had en sindsdien langdurig psychiatrisch behandeld was: ‘De eerste avond al zei mevrouw Achterberg, toen haar man even de kamer uit was, dat we niet moesten schrikken als hij soms vreemd zou reageren. Ik schrok daarvan en - wat ik verder in mijn hele leven nog nooit gedaan heb - die nacht heb ik onze slaapkamerdeur op slot gedaan.’42

Vinkenoog maakte met de Achterbergs verscheidene uitstapjes door Parijs. Zo bezochten ze een expositie van psychopathologische kunst in het Saint-Anne-hospitaal, waarop een door een geesteszieke geschreven brief van maar liefst 300 meter lengte tentoongesteld was.43

Kort na zijn terugkeer, op 18 oktober, schreef het echtpaar Achterberg aan de Vinkenoogs: ‘We zijn Maandag thuis gekomen en hebben het hier weer rustig. De kiekjes lagen al te wachten, wat zijn ze leuk geworden. Hartelijk dank ervoor, Simon.

[p. 89]

We hebben het nog veel over Parijs en zijn blij, dat we zoveel gezien hebben.

We danken jullie nog wel voor alle gastvrijheid.’44

‘Duizelig van moeheid’

Tussen alle drukte rond de reis naar Amsterdam en de expedities met de Achterbergs door lukte het Vinkenoog toch nog een Blurb te vervaardigen: de vierde aflevering die halverwege oktober uitkwam. In dit nummer werden voor het eerst ook bijdragen van anderen opgenomen.

Vinkenoog schreef hierover in een inleidend artikel: ‘Blurb/4 dus. Na 2½ maand een nieuw nummer. Le journal n'est plus un seul monsieur, wat natuurlijk niet zeggen wil dat zij die aan Blurb medewerken ook de theoriën [theorieën] van het blad aanhangen. Gelukkig niet!’

En verder - met kennelijk tegenstrijdige gevoelens over de medewerking van die anderen -: ‘Ik zou eigenlijk niet eens moeten proberen aan Blurb jongeren oftewel jongsten te verbinden die zoals b.v. Hans Andreus en Remco Campert zomaar goede gedichten schrijven (jullie begrijpen me verkeerd), ik zou van dit leven een verwarde hel moeten maken, eenzaam, een kooi, een donker trappenhuis, een schietschijf voor ouden van dagen.

Maar néé, ik leef toch en zonder hoop, zonder vertrouwen in wat wij eens een toekomst noemden, gaan wij verder. Wat wij hebben, is niets anders dan onszelf, niet eens aan ruinitis zouden wij mogen lijden. Waarom niet? Omdat wij, jongsten, de ruïnes niet eens gekend hebben, maar opgroeiden en onze ogen leerden gebruiken toen men alweer aan het dichtspijkeren van het verleden was.

Blurb/4 dus, tot de volgende keer, mede-slachtoffers.’45

Hierna kwam Hans Andreus als eerste ‘buitenstaander’ aan het woord met het gedicht ‘Lied’, dat later onder de titel ‘Liefste en dood’ bekend zou worden:

 
Duizelig van moeheid na het schrijven van letters
 
schrijf ik weer letters en woorden en zinnen
 
ik kan het niet helpen het schiet mij te binnen
 
het schiet mij te binnen ik schrijf het maar neer.
 
 
 
Wat weet ik een vogel met ogen van sterven
 
met ogen naar binnen het oog ingekeerd
 
die stond in de zee waar de zee bijna eindigt
 
met ogen van sterven ik wist er niet van.
[p. 90]
 
Wat weet ik wat overal rondloopt met ogen
 
met ogen van droefheid-van-tin maar er valt
 
toch wel iets te zien het is net hoe het uitkomt
 
het leven de dood niemand weet er iets van.
 
 
 
Wat weet ik wat weet ik de liefste haar lichaam
 
haar mond en haar ogen wat weet ik misschien
 
de dood in haar lichaam het licht staat te huilen
 
nee dat niet ik dank je ik dank je nog wel.
 
 
 
Wat weet ik de straten de stenen de huizen
 
de kranten de wereld het gaan en het staan
 
maar het is niets waard zeggen 3 millioen sterren
 
maar wat weten sterren niet eens mijn adieu.
 
 
 
Niet eens mijn adieu het moment dat ik wegga
 
niet eens mijn ik wil wel de tijd dat ik blijf
 
niet eens maar een vogel met ogen van sterven
 
niet eens maar een wereld van liefste en dood.46

In dit nummer werden ook twee korte essays opgenomen, die de voor Vinkenoog typerende titels ‘De zelfmoord’ en ‘De pest’ hadden meegekregen. In het eerste daarvan schreef hij: ‘De zelfmoord is de geschiedenis der mensheid, het wapen waarmee de vijand in onszelf wordt verslagen en veldslagen met anderen worden gewonnen. Wij zoeken onze feiten niet in de leerboeken der o.l. scholen, noch in de cumulatieve index van tijdschriftartikelen dezer eeuw, maar wij vinden de bewijzen daarentegen in de gezichten van hen die ons voorbijgaan. Hun gezichten drukken de vrees uit en de angst zichzelf te overleven.’47

In de rubriek ‘Gemengde berichten’ werden verder enkele impressies naar aanleiding van Vinkenoogs bezoek aan Amsterdam gepubliceerd: ‘Het regent er in de cafés, zelfs in die op het Leidseplein, de koffie was rot en bejaard proza van verschaalde bakvissen blijft walgelijk, zeker als het knipoogt.

Er is niet veel over Amsterdam te zeggen als men er negentien jaren gewoond heeft, maar ik heb nu de stad aan de man gebracht (als los zand) en ik ging er weg met de dienstmededeling dat de Nederlandse Spoorwegen geen verantwoordelijkheid op zich namen voor de onbetrouwbaarheid der klokken op het Centraal Station. En ook dat deed pijn, nietwaar?’48

De dag na het uitkomen van het vierde nummer, 15 oktober, schreef Vinkenoog aan Hans Andreus: ‘een der prettigste herinneringen aan Amsterdam

[p. 91]

ben jij. Punt een, mij is verweten affectgeladen te zijn (i.v.m. Blurb), vooruit dan maar, dan handel ik daar ook naar.’

Vinkenoog schreef verder: ‘Gisteren zond ik [...] 153 exemplaren van Blurb/ 4 de deur uit, waarvan 3 aan jouw adres. Ik tikte van de week het gedicht over en ik bekeek gisteren het resultaat, zodat ik het dus wéer las. Om met jou te spreken: trop de zèle, maar dit gedicht, dit lied, cher Hans, is goed. En hier moet ik weer gaan uitleggen, biechten a.h.w.: ik, die n.b. beschouwd word zelf hm een poheet te zijn, houd niet van gedichten-lezen. Er zijn maar enkele dichters die ik überhaupt lezen kan, al doe ik natuurlijk wel mooi met hier vele verzamelde werken te hebben en kwartjes-bundels enzo, maar gedichten lezen en van een gedicht houden alsof het een deel van mezelf is, nee dat is zeer moeilijk. Ik houd n.b. niet eens van mijn eigen arme ik-gedichten!’49

Nog in oktober antwoordde Andreus hem: ‘Je Blurb is altijd de moeite van het lezen waard. Weet je dat je een zeer goed polemist - o.a. - zou kunnen zijn? Je hebt er de beweeglijke stijl en het temperament en zo goed als de intelligentie voor. Dat is de indruk wanneer ik je lees, tenminste. “In de omgang” heb ik je polemisch temperament nog niet ontdekt, maar dan houd je je ook meer op de vlakte. Om redenen die ik wel meen te weten maar je zelf het beste weet natuurlijk.’

Andreus schreef verder - met in de passage over het ‘verledendichtspijkeren’ mogelijk een toespeling op zijn zich aanmelden voor krijgsdienst bij het Vrijwilligerslegioen in 1943,50 waarvan Vinkenoog toen niets wist -: ‘De aanhef van dit schrijven is wel wat dwaas en plechtstatig, maar ik wou je schrijven over Blurb 4. Het begin is goed, àls begin. Wij, jongsten, ben je zelf zeker, ik heb al vòòr het verledendichtspijkeren met mijn ogen moeten rondkijken. Helaas? Waarschijnlijk wel. Van het gedicht van mij kan ik niets zeggen, weet het niet. Tekening Paul Rodenko mooi. De zelfmoord en de pest. Jij zult verdomd goed proza kunnen schrijven, een beetje te veel woorden nu. Wat je wilt zeggen, of niet wilt zeggen, het gaat uiteindelijk langs me heen. De zelfmoord, in daad, woord of beeld, kan ik niet op mijzelf betrekken, nog niet. Je zou het niet zeggen, maar ik probeer altijd door te vechten, niet toe te geven, er “iets van te maken”, zolang het kan.’

En verder: ‘Het gedicht van Campert vind ik gaat wel. De gemengde berichten zijn gemengd. De dienstmededeling en dat het ook pijn doet vind ik mooi. [...] En dat is het dus. Blurb is de moeite van het lezen waard, hoera voor Blurb, ik zie met verlangen uit naar het volgende nummer, en ook dat doet pijn, nietwaar?’51

Intussen was Vinkenoog ook met Paul Rodenko in correspondentie geraakt. Op 26 oktober schreef deze hem dat de dichtbundel waarmee hij hoopte te debuteren, niet in de Podium-reeks verschijnen zou: uitgeverij De

[p. 92]

Driehoek, die Podium tot dusver uitgegeven had, wilde er geen geld meer in steken. Rodenko besloot daarop zijn bundel aan Ad den Besten, die sinds begin van dat jaar de serie ‘De Windroos’ uitgaf, aan te bieden. Rodenko: ‘Zodoende ben ik toch weer bij Ad terecht gekomen, hij zal nu zien mij in het januari-nummer of zo van de volgende jaargang te plaatsen. Ik heb wel enorme pech met mijn gedichten. Ik ga die oude bundel nu niet meer afzonderlijk uitgeven, maar maak een keuze uit vroeger en later werk.’52

Nieuwe contacten

Intussen had Vinkenoog tot dusver nog geen van de dichters uit de experimentele groep, die zich indertijd bij Cobra aangesloten had, ontmoet. We hebben gezien dat hij veel kritiek had op het manifest van Constant Nieuwenhuys dat in het eerste nummer van Reflex verschenen was, en dat hij gereserveerd stond tegenover de poëzie van Lucebert. Ook de verzen van Gerrit Kouwenaar spraken hem niet aan: zo schreef hij op 27 oktober aan Rodenko dat hij diens werk ‘vreemd’ vond en dat het hem niet beviel.53

Wel was hij in die tijd in contact gekomen met enkele experimentele schilders. Daarover vertelde Vinkenoog in 1983: ‘De vrouw van Karel Appel, Tonie, kende ik al uit de oorlogsjaren en die zag ik terug in Parijs. Ik denk dat zij mij aan Karel voorgesteld heeft. En via Appel ontmoette ik weer Corneille. En Corneille kwam op zijn beurt met Hugo Claus aan. En aan de andere kant was het Tajiri die op een gegeven moment zei: “Kijk, ik heb een brief gekregen van die Cobra-jongens.”’

Hugo Claus zou later over deze eerste ontmoeting schrijven: ‘Corneille nam me mee naar Simon Vinkenoog. Er werd heftig gediscussieerd. Ook fel gedronken. Midden in een betoog van mezelf viel Simon in slaap. Met zijn duim in zijn mond.’54

Intussen had Vinkenoog besloten contact met Jan G. Elburg op te nemen. Op 4 november schreef hij hem onder de aanhef ‘Geachte Heer Elburg’: ‘U kent mijn onregelmatig verschijnend blad blurb waar u abonné van bent. Het laat mij niet zó koud wat U daarvan denkt maar daar gaat het nu niet om, ik wilde U n.l. vragen of U ter plaatsing in Blurb mij wat gedichten zoudt kunnen sturen waaruit ik dan een keus zou kunnen maken. Ik verander geen woord, hoe schunnig, communistisch of anderszins “gewaagd” eraan, de uiteindelijke keus uit wat U stuurt behoud ik mij als redacteur wél voor.’55 Van Elburg zou overigens geen poëzie in Blurb gepubliceerd worden.

De ontmoeting met Hugo Claus, die in september in Parijs was gaan wonen, betekende voor Vinkenoog veel, zoals blijkt uit een brief die hij op 10 november aan Ad den Besten stuurde. Hij omschreef hem hierin als ‘een

[p. 93]

Vlaamse Romein waarvan ik gedichten uit Podium kende en een prachtig pantomime-gedicht dat hij waarschijnlijk in een franse vertaling hier in Parijs opgevoerd krijgt: Zonder Vorm van Proces, een belgische Cobra-uitgave.’ Enkele maanden eerder, in juni, was dat pantomime-gedicht, geïllustreerd met lithografieën van Pierre Alechinsky, in boekvorm uitgekomen.

Over Claus schreef hij verder: ‘Enfin, hij gaat me voor Blurb gedichten laten lezen, maar hij is in ons zo poëzieloos bestaan, herstel in het poëziearme taalgebied (ik bedoel weer: goede poëzie) zulk een verademing en mijnerzijds zo'n ontdekking dat ik me a.h.w. gelukkig voel.’56

De volgende dag, 11 november, schreef Vinkenoog aan Hans Andreus: ‘Rudi K. vindt Lucebert eveneens een presque-genie en ik moest aan een van je eerste brieven denken. Toch mag ik die poëzie nog steeds niet zo erg, dat gedicht in Braak/4 is bijna volkomen onleesbaar. Anders wel een aardig nr dat viertje, het werd mooi geopend en door Campert even aardig besloten. [...] Míjn vijfde nummer, je ziet hoe het een tegen elkaar opwerken wordt (ik wás en blijf eerder en exclusiever) is eveneens in de maak.’ In de vierde aflevering van Braak hadden onmiddellijk na elkaar twee gedichten van Lucebert gestaan;57 waarschijnlijk heeft Vinkenoog beide verzen als één opgevat. Die vierde aflevering was geopend met poëzie van Andreus.

Vinkenoog schreef verder, waarbij hij met ‘ons kwajongens-genie’ Rudy Kousbroek bedoelde: ‘Over de zogenaamde nieuwe toon gesproken, of ontken jij enige verwantschap? Überhaupt enige verwantschap tussen haha weer jongsten, Campert, Lodeizen, jij en ik [...], Kouwenaar, zelfs ons kwajongensgenie of Elburg?’ Uit deze opmerking wordt duidelijk dat Vinkenoog op dat moment, halverwege november, nog geen duidelijk nieuwe groepering van jongere dichters voor zich zag.

Hij vroeg zich hierna af wat het leven de moeite waard maakt - met een verwijzing naar ‘Ad’ waarmee Ad den Besten bedoeld werd -: ‘Vechten? Überhaupt niet, voor niets niemendal en nergens tenzij ik uit zelfbehoud gedreven het voor mezelf zou moeten doen maar veel liever dook ik onder met redactie en medewerkers Braak of ging ermee naar een eilandje en speelde pantomimes van Claus, las Den Brabander achterstevoren en toetste mijn kennis van andere talen aan die van Schierbert, Lucidem, en Broekje. Jij doet tóch ook mee? Maar in weetikveelwiensnaam (in brieven aan Ad zeg ik altijd: in haatsnaam, om mijn gedichten aannemelijk te maken...) wáár gaan we dat doen? Hier in Frankrijk? Nee, aan de friese meren? Nee want dan kom je [...] in de sport en Sierksma terecht.’58

[p. 94]

De Elsevier-enquête

Kort daarna zouden de verhoudingen in literair Nederland plotseling op scherp komen te staan met een enquête die op zaterdag 25 november in Elseviers Weekblad gepubliceerd werd. Die enquête ging over de situatie van de eigentijdse poëzie.

Aan die enquête, georganiseerd door de Elsevier-redacteur Michel van der Plas, werkten schrijvers van diverse pluimage mee: de dichters Herman van den Bergh, J.C. Bloem, Gabriël Smit en Hendrik de Vries, de prozaïsten en critici Godfried Bomans, Karel Meeuwesse, P.H. Ritter jr en Maurice Roelants en de befaamde uitgever van poïzie A.A.M. Stols.

In die enquête werd uiteraard een gevarieerd beeld van de stand der jongste dichtkunst gegeven. Zo noteerde Herman van den Bergh, ‘dat er in de Nederlandse jongeren-poëzie thans goede, soms zelfs zeer mooie verzen zijn aan te wijzen’, terwijl Stols meende: ‘Experimenten? Vernieuwing? Zij dringt, althans tot mij, niet door.’ Met als klap op de vuurpijl: ‘Het lijkt mij dat er rondweg een groot gebrek aan talent is.’59

Opvallend was dat van de jongeren alleen maar de namen genoemd werden van Leo Vroman, Guillaume van der Graft, Nico Verhoeven en Michel van der Plas, maar dat over Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Jan G. Elburg, Hans Andreus, Remco Campert, Paul Rodenko, Simon Vinkenoog, Hugo Claus en bovendien over vrijwel alle dichters uit ‘De Windroos-reeks’ met geen woord gerept werd, met geen letter, niets.

Verontwaardigd over deze scheve voorstelling van zaken, schreef de dichter H.J. van Tienhoven, die toen bij Ad den Besten in Amsterdam logeerde, een protestbrief, waarvoor Den Besten handtekeningen ging verzamelen. Hij benaderde daartoe Vinkenoog, maar deze - weinig gelukkig met de toon van Van Tienhovens brief - aarzelde en besloot ten slotte vooral onder invloed van Remco Campert niet te tekenen. Het leek hem beter met een eigen enquête in Blurb te reageren.

In 1983 vertelde hij: ‘Eerst wou Ad den Besten die protestbrief publiceren en zocht hij er ondertekenaars voor. Maar dat is niet doorgegaan, want hij nodigde ook al die andere Windroos-dichters uit, mensen waarmee ik niets te maken wilde hebben. Maar mede daardoor gestimuleerd, wilde ik wel een Blurb-nummer samenstellen in antwoord op die enquête.’

Den Besten herinnert zich: ‘Henk van Tienhoven en ik wilden een zo breed mogelijk protest, waarbij Van der Molen, Meulenbelt en Van der Graft èn de experimentelen samen zouden gaan. Dat gemeenschappelijk protest tegen Elsevier is dus niet gelukt, maar wel is door de enquête in dat blad de groepsvorming onder de experimentelen sterk bevorderd.’

[p. 95]

Een logeerpartij in huize Vinkenoog

In dezelfde periode waarin de Elsevier-enquête de gemoederen in literair Nederland bezighield, logeerden Remco Campert en Lucebert, die beiden deel uitmaakten van de redactie van Braak, bij Juc Cohen en Simon Vinkenoog in Clichy. Ook een andere Braak-redacteur, Rudy Kousbroek, had Amsterdam intussen verlaten: hij was op het Internationaal Theaterinstituut in Parijs gaan werken, waaraan ook Juc verbonden was, en kwam in die tijd geregeld bij de Vinkenoogs over de vloer.

Door dit alles raakten Braak en Blurb in ieder geval geografisch sterker met elkaar verstrengeld. Of dat ook literair het geval was, is de vraag. Er heerste tussen beide tijdschriften natuurlijk een opgewekte sfeer van concurrentie, terwijl we bovendien gezien hebben dat Vinkenoog met gemengde gevoelens over Kousbroek dacht.

Over de logeerpartij van Lucebert en hemzelf in Huize Vinkenoog vertelde Remco Campert in 1999: ‘Simon woonde op de bovenste verdieping in een groot appartement met wel vier kamers. Je moest eindeloos trappen lopen. Er werd ook wel op een matras op de vloer geslapen.’

En verder: ‘Lucebert maakte toen een ontheemde indruk. Hij had soms narrige buien en dan zat hij er vervaarlijk zwijgend bij. Aan de andere kant kon je ook verschrikkelijk met hem lachen. Maar als de stemming omsloeg, was hij onbenaderbaar.’

Rudy Kousbroek vertelde hierover: ‘Als Lucebert bedroefd was, was iedereen bedroefd. Het was een enorm sterke persoonlijkheid.’

Hoe Vinkenoog zelf over de logeerpartij dacht, blijkt uit een brief die hij op zaterdagavond 2 december aan Andreus schreef: ‘Beste Hans, hier zijn we dan en we zijn er met plezier, niettegenstaande het uiterst vermoeiende van 2½ logé, Lucebert, Remco en Rudy K. voor de helft, d.w.z. in Parijs wonende en bij Juc op het kantoor werkende, hetgeen inhoudt: bij ons wonende.

Logés hebben is prettig als het mensen [zijn] die leven, als het dichters zijn die er uitzien alsof ze liever huilen, word ikzelf treurig en ook kan ik me nooit verheffen tot het uittentreure herhalen van off-color stories.60 Enfin, het is al met al toch wel prettig, vooral waar ik af en toe de gelegenheid heb er goede poëzie door te lezen. Lucebert las deze week zes gedichten, die mij deden omslaan naar jouw meningen destijds geboekstaafd en door mij onder protest aanvaard, herinner je je? Zes gedichten, maar werelden en vol eerbied moet ik knielen enzovoort enzovoort: ja hoor vol met bedolven onder confetti en vlaggen achter Lucebert aan. Dag Lucebert.’61

Vinkenoog schreef verder: ‘[...] Blurb komt morgen, ik bedoel Maandag van de drukker, ik verzend het dezelfde dag, je hebt het dus Woensdag of Donderdag. - Iets anders, ik wil een bijdrage in Blurb hebben, waarin R., L.

[p. 96]

en ik (desnoods Rudy ook nog) het onze (fijn hè, het onze! wat zijn we al ver) zeggen over dat enquêtetje. Misschien.’

Vinkenoog merkte verder op: ‘Hugo Claus [...] heeft drie gedichten in dit nr. van Blurb. Zouden wij een blurb-poëzie krijgen over twintig jaar? Ik bedoel: zal er iets als zodanig in de leerboekjes komen?’62 De gedichten van Claus werden in Blurb toegeschreven aan de jonggestorven dichter P.D.: ze zouden door Claus aan Blurb zijn afgestaan.

‘Ik vind hoofdletters heel nuttige instrumenten’

Intussen was Simon Vinkenoog ook met de al oudere dichter Jan Hanlo (1912-'69) in correspondentie geraakt. Deze toen achtendertigjarige Amsterdamse leraar Engels had begin 1947 sterk de aandacht getrokken met drie verzen in Criterium, waaronder het schitterende ‘Wij komen ter wereld’. Kort daarna was hij in ernstige psychische moeilijkheden geraakt, wat tot opname in de Amsterdamse Valeriuskliniek en later in de psychiatrische inrichting ‘Sint-Willibrordus’ te Heiloo geleid had. Nadat Hanlo daaruit ontslagen was, had hij in 1950 contact met de redactie van Braak gezocht. Aan dat blad bood hij liefst twaalf gedichten aan.63

Enkele weken voordat Lucebert en Remco Campert bij hem zouden komen logeren, op 17 november, schreef Vinkenoog aan Hanlo: ‘ik hoorde dat Braak gedichten van U gaat plaatsen - mijn felicitaties ook aan dit frisse en opgewekte jongerenblad met de prettige redactieleden.’64

Tien dagen later, op 27 november, schreef Hanlo hem vanuit het huis van zijn moeder in Valkenburg, waar hij in die tijd een kuur tegen maagklachten onderging, een brief onder de aanhef ‘Zeer ge 8 e Vinkenoog’. Over zijn gedicht ‘Naar Archangel’, dat in het vijfde nummer van Blurb gepubliceerd zou worden, merkte hij hierin op: ‘Zoals U ziet houd ik voor mijn gedicht Arch. de kapitalen graag aan. Ik vind hoofdletters heel nuttige instrumenten.’

En verder: ‘Zijn Rudy en Remco bij U? Mijn hartelijke groeten dan aan hun. Ze zouden me nog schrijven: antwoorden op mijn brief aan Braak, maar ik hoorde nog niets. Wil hun dat s.v.p. zeggen; wel kreeg ik een nummer van Braak gestuurd. - ik zal abonnement eerstdaags betalen.’

Hanlo schreef verder nog: ‘Ik merk op uit uw brief dat U, hoewel jong van jaren, reeds getrouwd bent. Ik hoop dat U aan uw levensgezellin mijn hartelijke groeten wilt geven, echter niet zonder hier een gedeelte van als voor U bestemd te willen beschouwen.’65 Juc Cohen en Simon Vinkenoog zouden in december trouwen.

[p. 97]

‘Dit familiegraf genaamd Nederland’

Kort na Hanlo's brief, begin december, verscheen het vijfde nummer van Blurb. Deze aflevering opende met Hanlo's vers ‘Naar Archangel’:

 
Ik wandelde in 't park in de lente
 
En het rook er naar kamelen
 
Er waren weliswaar veel mensen
 
Maar toch kwam het waarschijnlijk
 
Van het water in de vijvers
 
Ik kan
 
Kamelen
 
Uw lucht
 
Niet velen
 
Met kameelhaar wil ik vissen
 
Tussen lotussen en lissen
 
Met mijn engel
 
Zonder hengel
 
Zonder angel
 
In Archangel
 
Mijn engel ruikt naar
 
Korenaren
 
Pasgevallen sneeuw
 
En blaren66

Verder werd in dit nummer een open brief van Vinkenoog gepubliceerd, die gericht was aan een zekere ‘Jan-Willem’, een van de geregelde lezers van het blad. In die brief ging Vinkenoog op de situatie van de jonge dichters in en op het belang dat Braak en zijn eigen tijdschrift daarbij konden hebben. Hij schreef dat Braak ‘een eigen (sympathieke) vorm’ gekregen had, maar dat er verder geen plaats was waar de jongeren ‘- enigszins geregeld en dus vertrouwenswekkend - aan het woord’ komen konden.

Hij stelde verder vast: ‘Als zodanig zie ik de rel-avond in het Stedelijk Museum van November vorig jaar als een noodsprong: niet in de tijdschriften, dan maar in het publiek. Over de afloop van dit experiment doe ik er liever het zwijgen toe: dit familiegraf genaamd Nederland is niet rijp voor literaire manifestaties met een enigszins onstuimig karakter en zeer zeker niet als die manifestaties niet staan onder auspicien [auspiciën] van mensen met titels, medailles, warme kussens en oude baarden, dit laatste in tegenstelling tot de jonge baarden van braak-redactie en medewerkers.

-De achtergebleven sfeer van de reflex-groep (schilders die jazz-platen

[p. 98]

draaien voor belangstellenden enzo) moeten we maar op de koop toenemen, tenslotte worden wij allemaal of wij willen of niet door de stompzinnigheid van die nijlpaardenhuidlaag der bevolking die wij eens bourgeoisie noemden in een min-of-meer revolutionnaire richting gedwongen, waarin wij als protest wel een agressieve houding moeten aannemen.’

En verder: ‘Ik houd trouwens van schandalen en relletjes. Ben ik wat de experimentelen betreft niet sinds het eerste nr. van Blurb van gedachten veranderd? Jij noemt dat: op weg zijn naar beroemdheid en onschadelijkheid. Nuja, Jan-Willem! Waarom zou ik niet zo eerlijk zijn te bekennen dat ik graag Blurb/1 uit de nog eventuele circulatie zou nemen? Ook typografisch was dit maar een lelijk eendje.’

Over het verschil tussen Blurb en Braak merkte hij hierna op: ‘Onder de huidige omstandigheden beschouw ik braak [...] als zijnde een groter podium voor de gaande en komende man dan blurb als een eigen podium (met stemmen in de coulissen) kan en wil zijn, als ja als een noodzakelijkheid. Blurb zou dan ook best weg kunnen als ik het niet zo plezierig vond een eigen blaadje te hebben en te kunnen zeggen wat ik zomaar denk, braak echter niet. Dit is niet in het voordeel van braak, de redacteuren hebben een verantwoordelijkheid die ikzelf niet graag op mijn schouders zou willen nemen.’

Vinkenoog voegde hier als naschrift nog aan toe: ‘Laat je vooral deze brief aan niemand lezen?’

Onder deze brief leverden Remco Campert, Lucebert en Rudy Kousbroek - juist in die dagen te gast bij de Vinkenoogs - ieder in hun eigen handschrift relativerend commentaar: ‘Wie is die meneer? Hij heeft ons wel helemaal door, geloof ik. Overigens: ik houd van jazz, meisjes en oude munten. Ik heb er al een heleboel (oude munten). braak is een goed blad. Simon zegt het ook. Remco C.’

En: ‘ik ben niet agressief, alleen maar bang en we komen er nooit, wij de stemhebbenden niet en de mompelaars niet. dank je voor de gastvrijheid Simon en iedereen mag overlijden net als lucebert nu nog 1950’

En hierna: ‘We staan bij Blurb in een goed blaadje merk ik. Gekke Simon leuk dat iedereen dit nu leest. Rudy Kousbroek

En verder in Kousbroeks handschrift: ‘Tevens voor Bert Schierbeek toevallig even niet in Parijs.’67

Verder werden in dit nummer de eerder genoemde drie verzen van Hugo Claus opgenomen, achtereenvolgens getiteld ‘Absalon’, ‘Blauwbaard’ en ‘Caligula’. Over de dichter ervan deelde Vinkenoog mee dat het hier ging om ‘de jonggestorven P.D. (de nog levende ouders verzetten zich tegen de bekendmaking van de ware naam) waarvan de hier gepubliceerde 3 gedichten [...] ons bereidwillig werden afgestaan door Hugo Claus. De gedichten zijn uit

[p. 99]

een groter geheel: “Schetsen over geschiedkundige figuren” welk geheel mij de indruk geeft dat uit de dichter P.D. een boeiende persoonlijkheid gevormd had kunnen worden. Laten wij hopen dat de literaire nalatenschap, die eerlangs verschijnt de nodige aandacht zal trekken.’68

Over deze jonggestorven dichter deelde Claus in 2000 mee dat het hier een ‘verzinsel’ betreft. Hij voegde eraan toe: ‘En P.D. staat waarschijnlijk voor pé dé raste.’69

In het vers ‘Blauwbaard’ worden erotische sensaties verbonden met een gevoel van bezoedeling:

 
In het gespleten onderaardse woud
 
van zijn zeven vrouwen
 
heeft Blauwbaard (Zoals hij op hen te paard
 
heeft niemand ooit gepaard.)
 
zijn zeven honden losgelaten.
 
 
 
Hoor het hooglied dat hij in hun wouden
 
op de horen blaast.
 
 
 
Zoals hij en ik en gij
 
in een aquarium in een cel of in een bos
 
bij paarden dode vrouwen of kinderen van dertien jaar
 
een uitweg vinden en naderhand
 
verblind naar onze bevlekte handen staren.70

Zoals we gezien hebben, stond Vinkenoog in die tijd gereserveerd tegenover het werk van Gerrit Kouwenaar. Dat blijkt ook uit wat hij in dit nummer over diens roman Negentien-Nu (1950) te berde bracht: ‘Het [...] heeft alle mogelijkheden van het nieuwe in zich al zou men in dit boek niets nieuws kunnen aanwijzen in vormgeving taal of stijl, maar het gebruik dat Kouwenaar daarvan maakt is echt en eenvoudig. Eenvoudig is ook de psychologie, welhaast rudimentair, maar dat kan men verklaren. De psychologische roman immers en het zou overbodig moeten zijn hier nog eens de nadruk op te leggen is overleefd (sinds Joyce o.a.) en geen waardevol boek zal kunnen ontstaan waarin de leringen van het verleden niet gepaard gaan aan nieuw-opgedane ondervindingen, door de schrijver op eigen wijze aan de man gebracht. Het proza van heden en de toekomst zal geen voortzetting mogen zijn van wat anderen gevoeld en geschapen hebben. De poezie [poëzie] evenmin, maar dat zou een ander chapiter zijn. - Ik kan me echter indenken dat een debuterend romancier dit nog niet in de gaten heeft, zelfs al heeft hij tot de experi-

[p. 100]

mentele groep behoord en zijn de gedichten die hij nog steeds publiceert, ook al experimenteel. Een sprekend voorbeeld van een dergelijke vergissing is Bert Schierbeek die ook eerst twee “gewone” romans moest schrijven alvorens tot een proza te komen dat het experimentele paart aan het persoonlijke en vaak intelligente.

Kouwenaar echter heeft, deze nadelen in ogenschouw genomen, zijn taak naar behoren vervuld: dit romandebuut moge bezien worden als het tijdverdrijf (of de poging tot broodwinning) van een schrijver die naar ik hoop op zekere dag eerlijker zal tonen waartoe hij in staat is.’71

Op de laatste pagina werd nog meegedeeld: ‘Blurb als steeds gratis. Daar het aantal mensen dat dit blad ontvangt gestadig groeiende is zal binnenkort wel tot een onkruid-wieding moeten worden overgegaan. Helaas weet ik echter niet bij wie Blurb als ongevraagd drukwerk in de prullenmand wordt gesmeten en zij die dus erge vrezen koesteren over het aflopen van hun abonnement, laten mij dit dan maar weten. Nummertje een van dit blad wordt gaarne indien nog in Uw bezit teruggenomen zoals elders in dit nummer gesuggereerd.’72 Zoals we gezien hebben, had Vinkenoog in zijn brief aan ‘Jan-Willem’ geschreven dat hij het eerste nummer graag uit de circulatie zou nemen. Dat had ongetwijfeld te maken met zijn veranderde opvattingen over de Experimentele Groep in Holland.

Als om dit te onderstrepen, bevatte de vijfde aflevering een tekening van Corneille, die van de opdracht voorzien was: ‘Pour Hugo Claus’.

Kort na het uitkomen van deze aflevering schreef Hans Andreus in een ongedateerde brief aan Vinkenoog dat hij Blurb steeds meer begon te waarderen: ‘Je schrijft beter en je zegt meer dingen maar nog niet genoeg. Je bent ook te onzeker, te bescheiden, doe ik het wel goed, te beïnloedbaar, te weinig alleen, en te weinig “ik ben ik al ben ik het niet”. Ik heb het nu weer over S.V. zoals deze uit zijn geschriften tot mij komt. Je ziet daarbij nog te veel tegen mensen en dingen op, - de jongen uit de pijp? de jongen met 4 jaar m.u.l.o.? de jongen van 22? - het heeft me geërgerd, je merkt het in je werk als je goed leest, vooral in Blurb.’

Andreus bleek hierna over de in Blurb gepubliceerde verzen van Claus en Hanlo niet zo enthousiast te zijn: ‘Dat van P.D. is een mooi grapje. De gedichten zelf och..., hanlo och... het beste vind ik wat je er zelf in schrijft.’73

Enkele weken na het uitkomen van het vijfde nummer, op 24 december, reageerde ook Bert Schierbeek, mede namens zijn vrouw Fried, op deze aflevering. Daarbij had hij het, zonder twijfel zwevend op vleugelen van alcohol, al over het zesde nummer, dat nog niet eens verschenen was: ‘Gisteren ontving ik Blurb 6. Simon V. en Corneille - Dag Simon - Dag Juc - Een mooi cadeau - blurb 5 ook een mooi cadeau - Wij spreken veel met elkaar - over elkaar

[p. 101]

en door elkaar - Wij houden allemaal veel van elkaar en zijn de onschuldigste mensen ter wereld -Wij bederven nooit iets in't groot - Wij worden ver- keerd begrepen en niet gewaardeerd - Niettemin blijft de engel zingen!’74

W.F. Hermans over de eigentijdse poëzie

Intussen had Willem Frederik Hermans, aan wie Blurb geregeld toegestuurd werd en die wilde laten merken ook verdere toezending op prijs te stellen, op 8 december75 vanuit Voorburg een kaart aan Vinkenoog gestuurd onder de aanhef ‘Beste Blurb’. Hij schreef hierop: ‘De experimentele kunst in Holland wil niets en bereikt ook niets. De niet-exp. k. wil wèl wat, maar bereikt ook niets. Daarom bemin ik de laatste nog minder dan de eerste. - Je moet niet zoveel in Joyce lezen en meer in een wiskundeboek.’

En verder: ‘Luister goed: het beoefenen van kunst is over 100 jaar een even zonderlinge bezigheid als het leggen van de kaart nù. Dag Blurb! Schrap mij niet van de abonné-lijst.’76

Vinkenoog besloot hierna Hermans uit te nodigen aan zijn contraenquête over de eigentijdse poëzie mee te doen. Op 14 december antwoordde deze hem: ‘Hartelijk dank voor je brief. Niet dat ìk zoveel belangstelling voor of vaardigheid in de wiskunde bezit, ik heb alleen maar iets opgenoemd ter afwisseling met Joyce.’

Verder schreef Hermans, die twee jaar eerder in Amerika een bezoek aan Leo Vroman gebracht had, bij wijze van antwoord op Vinkenoogs enquête: ‘Jonge moderne dichters die sonnetten maken interesseren mij niet. Kort na de oorlog heb ik aan deze opvatting lucht gegeven in het blad Centaur. Haast niemand is het met mij eens geweest, want de sonnettenbakkerij gaat in Holland vlijtig verder. Onlangs nog werd een jong sonnettenbreier, een redacteur van Elsevier's Weekblad, bekroond. De ondervraagden van Elsevier's enquête waren dusdanig gekozen, dat de verdiensten van genoemde redacteur ruimschoots in het licht werden gesteld. De enquête geeft daarom een archaïserend beeld van de situatie. Al moet ik toegeven dat, terecht, in genoemde enquête eveneens sprake was van Leo Vroman, een dichter die ook ik hogelijk bewonder. Vroman bewoont met zijn vrouw, een hamster in een kooitje (zijn “pet”) en een althans ten tijde van mijn bezoek enigszins kapotte frigidaire die blaffende geluiden maakt als hij aanslaat, een étage in het plaatsje New Brunswick (N. Jersey). Hij leest enkel luchtige boekwerkjes; geen enkele klassieke is hem bekend, zelfs niet, als ik mij wel herinner, Robinson Crusoe en Gulliver. Hij houdt van tekenen en fotograferen. Hij is werkzaam in de schuur van een ziekenhuis, waar hij vivisectie bedrijft. Onlangs hield een als dierentemmer geklede man mij staande en vroeg mij een

[p. 102]

bijdrage “voor de anti-vivisectie”. Daar doet u zeer verkeerd aan, zei ik. Hij trok een brochure. Ik gaf hem een kwartje, weigerde de brochure en zei nog: Ik weet er alles van! - Dat is niet waar, maar ik liep juist aan Vroman te denken. Vroman is een groot dichter. Het is een gelukkige omstandigheid dat hij bovendien succes heeft.

Dit laatste kan niet gezegd worden over de twee andere na-oorlogse dichters die mij weten te ontroeren.

Dat zijn: Ten eerste Paul Rodenko. Hij doet aan yoga 's morgens na het opstaan, kan kunstschaatsen berijden, raakt wel eens in gevecht, éénmaal zelfs met echte rovers. Het poëtisch oeuvre dat hij tot dusverre, alleen in tijdschriften, heeft gepubliceerd is zeer beperkt van omvang. Er staan regels in als nikkel-ijzer meteorieten: tot ons gekomen uit het heelal, dodelijk voor wie ze op het hoofd krijgt, gekristalliseerd op een wijze als géén ander, aards ijzer. Paul Rodenko is een groot dichter. Allang zou een bundel van hem verschenen zijn, hadden verschillende uitgevers er zich niet met succes op toegelegd de manuscripten zoek te maken.

Tenslotte Lucebert. Ook Lucebert is een groot dichter. Zijn gedichten zijn zèlfs indrukwekkend, wanneer men ze léést, niet alleen wanneer hij ze u vóórzingt, zoals hij ten onrechte van mening schijnt te zijn (Waarom zingt hij anders?) Pittoreske trekjes omtrent Lucebert zijn mij niet bekend, zodat ik daarmede de fundamenten van mijn waardering in dit geval niet verstevigen kan.’

Hermans voegde hieraan toe: ‘Tot zover het officiële antwoord op je enquête. Over de dichter W.F.H. kan ik je niet inlichten, doordien zijn poëzie mij sinds lang niet meer interesseert. Wel zijn er, voor zover ik mij herinner, zeer veel zeer slechte verzen bij, doch slechts één sonnet, dat door bloot toeval niet tot de allerslechtste behoort. Maar toch nog slecht genoeg.’

En in een naschrift - met een toespeling op Vinkenoogs inleiding tot het derde nummer van Blurb -: ‘In Simon Vinkenoog waardeer ik hogelijk de uiteenzetting die hij onlangs gaf over het probleem der originaliteit. Openlijk toegeven dat men mogelijk niet origineel is! Het is zoiets als de raad die Henry Miller aan lafaards geeft: geen enkele aanspraak meer op moed te maken.’77

Intussen had Vinkenoog op 12 december ook Hans Andreus, die sinds kort redacteur van Podium was, voor zijn enquête uitgenodigd: ‘Ik wil dat je meedoet aan Blurb/6 en wel door me in een tien-of-zo-tal regels te zeggen wat je van de huidige stand der poëzie denkt. Je mag dit als grap opvatten, je mag ook of liefst zelfs vertellen waarom Hans A. zo'n groot dichter is, hetzelfde van wie dan ook (uitgez. M. v.d. Plas) zeggen, als je het maar doet! Heb je tijd ervoor, Ad schreef me dat je ontzettend druk bezig bent voor Podium; ik zie in dat dat belangrijker is dan de enquête die ik wil houden.’78

[p. 103]

Kort hierna stuurde Hans Andreus in een ongedateerde brief aan Vinkenoog zijn antwoord op diens enquête. Hij schreef erbij: ‘Dat ik niet uitweid over mijn eigen kwaliteiten zoals jij het noemt ligt niet aan een valse bescheidenheid, al of niet goed, ik geloof dat mijn gedichten volstaan. Wat vind ik het ontzettend zo'n vraag als van jou over poëzie hedendaagse nederlandse stand te beantwoorden. Ik heb je al eerder gezegd: ik kan en/of wil als criticus eigenlijk alleen maar Grrrr of Tjoeptjiep zeggen. Of hoera wat zoals je weet sla dood betekent.’79

‘Zou jij persoonlijk het erg vinden’

In dezelfde periode kwam er een eind aan de logeerpartij van Lucebert en Remco Campert in Clichy en verscheen, eind december, Vinkenoogs eerste dichtbundel, Wondkoorts. Dat gebeurde in de door Ad den Besten geredigeerde poëziereeks ‘De Windroos’, die door Uitgeversmaatschappij Holland gepubliceerd werd: een ambitieus avontuur, want ook toen viel het aantal lezers van poëzie, en zeker van hele bundels, telkens weer tegen bij de toch al bescheiden verwachtingen.

Om zijn onderneming wat meer publiciteit onder een jonge lezerskring te bezorgen, vroeg Den Besten daarom aan Vinkenoog in het volgende nummer van Blurb een circulaire over ‘De Windroos’-reeks te mogen meesturen. Dat was ook daarom zo handig omdat het de bedoeling was een extra groot aantal exemplaren van die aflevering te laten vervaardigen, omdat in dat nummer de antwoorden op Vinkenoogs enquête gepubliceerd zouden worden. Vinkenoog stemde met Den Bestens verzoek in.

Intussen was hij zich wel gaan realiseren dat hij - ook al had hij in het voorgaande nummer nog opgewekt meegedeeld het ‘plezierig’ te vinden een eigen blaadje te hebben - gaandeweg steeds meer tegenzin was gaan krijgen in de uitvoerige beslommeringen die met de uitgave van weer een Blurb-nummer gepaard gingen. De gedachte daarmee te stoppen, werd met de maand aanlokkelijker. Aan de andere kant had hij er geen idee van hoe daarop onder de jonge dichters gereageerd zou worden en dus besloot hij hierover bij Hans Andreus een balletje op te gooien.

Op 22 januari 1951 schreef hij hem: ‘Je zult wel schrikken van Ad's circulaire in Blurb/6, het nr. wordt wel zeer aardig, van belang voor literatuurhistorici, heet dat in vaktermen. Ja, ik moest - en dit is me ernst - gedogen dat 2 of 3 keer mijn naam genoemd werd.’

Hierna beschreef hij wat er allemaal bij kwam kijken voordat er weer een nummer van Blurb het levenslicht kon zien: ‘[...] nauwelijks is er een nr uit, of dacht je dan dat ik op mijn lauweren kon rusten? Nikshoor, de abonnés

[p. 104]

beginnen te verhuizen, mensen vragen oude nrs die ik dan stuur, mensen vragen me wat bedoel je als ik allang vergeten heb wat ik schreef, ik moet weer schrijven en denken aan dat is mooi en sensationeel, de adressen moeten weer geschreven worden, ik moet weer tikken, naar de drukker, geld opzijleggen, enveloppen kopen stelen of braken (nu heb ik een mooi systeem daarvoor) enzovoort enzovoort een mens mag niet eens af en toe een slechte film zien. Bovendien, ach, we weten het wel. Zou jij persoonlijk het erg vinden als Blurb verdween? Ook dit is een klein enquêtetje entre nous, jij bent trouwens de eerste aan wie ik dit vraag, de eerste die ik lekker schrijf in het jaar 1951.’80

Drie dagen later, 25 januari, schreef Ferdinand Langen vanuit Terschelling, waar hij met zijn vrouw Paula ongeveer een half jaar logeerde, aan Simon Vinkenoog: ‘[...] wat een lijst van bedankjes moet ik je schrijven, als ik zo na ga. Bedankjes voor al je Blurbs, voor al je brieven, voor al je regels op rijm tijdens de jaarswisseling, voor je poëtische wondkoorts... Ik sta bij je in 't krijt m'n waarde. Maar kom over naar hier, eet eend met ons en drink een goede bourgogne en ik zal je voor alles belonen zoals mijn hart mij ingeeft [...].’.

En verder: ‘O ja, je had in je Blurb niet moeten zetten dat onze Koningin in Parijs zulke nare woorden heeft gezegd. Want dat heeft ze niet en dat kun je als Nederlander in het buitenland niet zeggen. Dat is onbehoorlijk. Je kunt haten en moorden, je kunt alles heerlijk met een laag vieze woorden bedekken, en tòch behoorlijk blijven. Maar laat onze koningin er buiten. Dat eist nu eenmaal de