terug  begin  verderprepost
[p. 279]

Hoofdstuk 5
Podium (4): ‘hinkend slaags’

De zomer van 1947 zal de redactie van Podium met warme gevoelens hebben vervuld. Niet alleen omdat de temperatuur uitzonderlijk hoog was, maar ook omdat de vooruitzichten voor het blad nog nooit zo goed waren geweest als toen. Podium zou bij een gerenommeerde literaire uitgeverij gaan verschijnen en wel twaalf keer per jaar: een lang gekoesterde wens ging daarmee in vervulling. De redactie bestond uit jonge, ambitieuze schrijvers die getoond hadden iets te kunnen presteren. Drie van de vier redacteuren - Fokke Sierksma, Anne Wadman en secretaris Gerrit Borgers - wisten wat ze aan elkaar hadden; hoe de samenwerking met de vierde redacteur, Paul Rodenko, zou verlopen, was de vraag, maar de eerste contacten waren goed geweest. Kortom: er bestond alle reden de handen stevig uit de mouwen te steken. Zo er ooit grote kansen voor Podium waren, dan toen.

De redactie besefte dat - nu het blad maandelijks ging verschijnen - er meer medewerkers gezocht moesten worden dan in voorgaande jaren. Of haar dat gemakkelijk zou afgaan, was niet zeker. Zij was in dat opzicht altijd uiterst selectief geweest.

Een van de schrijvers aan wie Gerrit Borgers in die zomer vroeg mee te werken, was de bioloog en dichter Leo Vroman, die in mei 1940 uit Nederland gevlucht was en sinds enige tijd in New Brunswick in de Verenigde Staten woonde. Op 27 juli 1947 antwoordde Vroman hem: ‘Het is jammer dat U zo snel antwoord wilt hebben, want voor ik ja zeg op Uw uitnodiging zou ik wel graag eens een nummer van Podium of Columbus zien. U moet namelijk niet vergeten dat ik sinds Mei '40 niet in Holland geweest ben en op het ogenblik, bedolven door het lab-werk, niet veel tijd heb om op de hoogte te blijven van wat er in Holland gebeurt.’

Vroman schreef verder: ‘Zo moet ik ook bekennen dat alle door U genoemde redactieleden, Uzelf inbegrepen, mij volkomen onbekend zijn. Naar de klank hunner namen te oordelen houd ik Paul Rodenko voor een korte athleet met zwart gemillimeterd haar, die enigszins pornografische detective-romans schrijft; Fokke Sierksma is neem ik aan voor de culturele zaken en schrijft zo nu en dan een woordje over zoetemelks pluimvee, terwijl Anne Wadman, een vrouw van onbeschrijflijke leeftijd en onophoude-

[p. 280]

lijk gekleed in bruin colbertjasje, groene broek met opgerolde pijpen, en klompen met open tenen, haar gevechten met de straatjeugd omzet in zware epische rijmen. Ik hoop dat U mij uit deze droom wilt helpen, indien zulks tenminste een verbetering zou zijn [...].’1 Paul Rodenko zou later zijn steentje aan de juistheid van dit signalement bijdragen, toen hij zijn bewerkingen uit Duizend-en-één-nacht publiceerde!

Nadat Borgers vervolgens een aantal afleveringen van Podium aan Vroman toegestuurd had, antwoordde deze hem op 28 augustus: ‘Met veel plezier heb ik de nummers van Podium ontvangen en geheel doorgesnuffeld (ik ben daar speciaal op gebouwd). Gaarne wil ik aan het blad medewerken, hoewel U daar, vrees ik, wel niet al te veel van zal kunnen bemerken.

‘De laatste maand heb ik namelijk, wel geteld, geen enkel gedicht of wat dan ook geschreven en, hoewel ik wellicht nog nieuwsgieriger ben dan U is naar mijn eerstvolgende product, er is niet de minste aanduiding van zijn komst.

‘Ik heb er niet het minste bezwaar tegen dat U mijn vorige brief publiceert als, zoals U het noemt, de gelegenheid zich voordoet, maar ik voel me momenteel uitstekend. Ik heb overigens nog wel een paar oude rekeningen en visitekaartjes waar mijn naam op voorkomt en die daardoor wellicht gepubliceerd kunnen worden.’2

Hermans' medewerking afgewezen

Intussen had Willem Frederik Hermans aan zijn vriend Paul Rodenko, die enkele weken lang op vakantie in Nederland was, een kort verhaal gegeven ter publikatie in Podium. Hermans, die toen deel uitmaakte van de redactie van Criterium , was ervan overtuigd dat zijn mederedacteur Adriaan Morriën tot samenwerking probeerde te komen met de essayist Hans Gomperts, iets waartegen hij grote bezwaren had. Het aanbieden van een verhaal aan Podium was een stap van Hermans in de richting van dit blad.

Hermans had zijn verhaal, dat oorspronkelijk ‘De lichtautomaat’ heette, maar dat later onder de titel ‘Het lek in de eeuwigheid’ in de bundel Moedwil en misverstand (1948) gepubliceerd zou worden, kort daarvoor - blijkens het onderschrift in Moedwil en misverstand : op zondag 13 juli 19473 - geschreven. De hoofdpersoon van ‘De lichtautomaat’ is een vrouw, die ieder moment verwacht dat haar man haar zal verlaten. Op een avond gaat ze in het kantoorcomplex waar ze wonen, naar de wc, na van haar man een kop koffie gekregen te hebben. Labiel als ze is, wordt ze op de wc door duizeligheid bevangen en valt in slaap. Ver na middernacht treft de man de wc gesloten aan, waarna hij wanhopig probeert de knip los te schroeven.

[p. 281]



illustratie
Paul Rodenko en Willem Frederik Hermans hadden beiden veel belangstelling voor het surrealisme. Een speelse uiting hiervan is deze collage die Hermans in 1954 als ansichtkaart aan Rodenko stuurde.

[p. 282]



illustratie
Willem Frederik Hermans.

[p. 283]

Intussen gaat het licht in de gang om de paar minuten uit. De laatste zin van het verhaal luidt: ‘Zo liep hij ontelbare malen op en neer om het licht weer aan te doen en telkens dacht hij: Nu is het voor het laatst, ik kan het niet meer uithouden.’4

Op 28 juli stuurde Paul Rodenko dit verhaal aan Gerrit Borgers en schreef hem in een begeleidende brief: ‘Hierbij het verhaal van Hermans. Het is niet “geniaal” maar m.i. toch wel heel goed en erg suggestief geschreven. Het troosteloze van dit vrouwenleven, het gore niet-eens-tragische van die Kleinbürgertragödie lijkt mij bijzonder goed getroffen; om het hele geval te laten culmineren (het is allemaal zo grauw dat je eigenlijk helemaal niet van culmineren kunt spreken) in een w.c. vind ik werkelijk een geniale vondst. Ook de truc om deze grauwe tragedie steeds weer te laten “scanderen” door de onverbiddelijke zes of drie minuten van een automaat, is een goede vondst (jammer alleen dat hij zelf te veel de aandacht op die truc vestigt door het verhaal De Lichtautomaat te noemen). Het slot lijkt mij niet helemaal uit de verf te komen; het had hallucinerend kunnen zijn, dat werken op die schroeven en het om de drie minuten uitgaan van het licht (gecombineerd met het feit dat de vrouw hem eigenlijk onverschillig laat, maar dat hij alleen maar “zo nodig moet”) - maar het lijkt me dat je meer de Bedoeling dan het werkelijke effect voelt. Toch is de slotzin op zichzelf uitstekend. Het is een wreed verhaal, maar ik vind die op een w.c. doodlopende tragedie van deze oudwordende vrouw, die nooit “iemands leven heeft kunnen opvrolijken” toch wel bijzonder raak van atmosfeer. Het hele drama “loopt” inderdaad op de w.c. “dood”; eerst denk je een ogenblik dat de man vergif in haar koffie gedaan heeft, maar nee, dat zou te romantisch geweest zijn; daarom gaat zij niet dood in de w.c. - in dat geval zou het drama “opgelost” zijn en zou zij toch nog een soort heroïsch einde gevonden hebben. Nee, zij is alleen maar overspannen en oververmoeid geweest en valt gewoon in slaap en daarmee loopt het geval eenvoudig dood. In plaats van een romantisch culminatiepunt krijgen we aan het slot alleen maar de man, die nodig naar de w.c. moet en in 't zweet des aanschijns probeert de schroefjes los te krijgen, steeds onderbroken door het uitgaande licht.’ In 1986 zou in het boek Vormen van literatuurwetenschap (Moderne richtingen en hun mogelijkheden voor tekstinterpretatie) , dat onder redactie van R.T. Segers verscheen, het verhaal ‘Het lek in de eeuwigheid’ vanuit maar liefst negen verschillende literair-theoretische standpunten worden geïnterpreteerd!

Rodenko schreef verder aan Borgers: ‘Enfin, ik ben benieuwd wat jij er van vindt. De lengte zal wel een elf à twaalf Proloog-pagina's zijn.’5 Uit Rodenko's uitvoerige beschouwing over ‘De lichtautomaat’ kan worden op-

[p. 284]

gemaakt dat hij dit verhaal graag in Podium zou zien opgenomen.

Kennelijk reageerde Gerrit Borgers hierop door te vragen of Hermans van plan was uit de redactie van Criterium te stappen, want op 31 juli schreef Paul Rodenko hem terug: ‘Ik heb Hermans geschreven en om een spoedig antwoord gevraagd omtrent zijn al dan niet aanblijven bij Criterium. Dat moeten we natuurlijk vast weten voor we iets van hem plaatsen [...].’6

Kort hierna bleek dat Hermans op dat ogenblik nog niet van plan was Criterium vaarwel te zeggen. Dat bracht Fokke Sierksma ertoe zich fel tegen publikatie van diens verhaal in Podium te keren. In een ongedateerde brief schreef hij aan Gerrit Borgers: ‘Als Hermans in Criterium blijft zitten, dan wil ik dat ding er niet in hebben. Is hij bedonderd! Het lijkt verdacht veel op een manoeuvre. Bericht: ik ga eruit. Komt niet in Podium. Bericht: ik blijf in Criterium. Intussen is dit niet interessant. Wel dat die novelle dan maar in Criterium moet. Later kunnen we nog wel eens zien of we het een of ander van hem opnemen. Maar in geen geval in een van de eerste nummers. De Neve zou zich terecht beroerd schrikken.’7 Uit de laatste zin kan worden opgemaakt dat Sierksma in die tijd geen hoge dunk had van Hermans' reputatie in literair Nederland.

Ongetwijfeld teleurgesteld dat Hermans' verhaal niet geplaatst zou worden, schreef Paul Rodenko hierna in een ongedateerde brief aan Gerrit Borgers: ‘Stuur hem [...] de novelle maar terug (schrijf maar dat je van mij hoorde dat hij, als we hem niet in het eerste no plaatsten de novelle terug wilde hebben; dat wij intussen op verdere medewerking hopen, etc.).’8 Rodenko suggereerde Borgers dus bewoordingen te kiezen die Hermans' weg naar Podium zoveel mogelijk zouden openhouden.

Intussen was er in de afgelopen maanden in het ‘Podium Building’ een onaangename sfeer ontstaan. Dat kwam - een klassieke situatie! - doordat de verdeling van het huishoudelijk werk tot allerlei irritaties (vooral tussen Martha en Anne Wadman aan de ene kant en het echtpaar Borgers aan de andere kant) had geleid. Annie en Gerrit Borgers waren in die tijd druk bezig een ander huis te zoeken. Op 12 augustus schreef Fokke Sierksma hierover aan Gerrit Borgers: ‘Dat Anne en jullie zo uit elkaar gaan, spijt me erg. Hij is onhandelbaar, maar jij hebt ook schuld. Jij was de man, die aan een zéér openhartig gesprek had moeten beginnen. Zo'n samenwoning lijkt me toch ook min of meer een last. Enfin, ik heb makkelijk praten.’9 De ‘samenwoning’ in het ‘Podium Building’ zou overigens nog tot ver in de herfst van dat jaar duren, toen Anne Wadman naar Langweer in Friesland vertrok en het echtpaar Borgers naar Bussum verhuisde.

[p. 285]

Drie inleidingen!

Intussen had Paul Rodenko voor het eerste nummer van de nieuwe jaargang een programmatische inleiding geschreven. Op 1 augustus schreef Fokke Sierksma hierover vanuit Vlieland, waar hij zijn vakantie doorbracht, aan Borgers: ‘Wat Pauls “program” betreft - och ja, ik had het vast anders gedaan en ik zou het ook liever zelf gedaan hebben. Maar God man, hier merk ik pas hoe verdomd moe ik ben van de laatste maanden.’10

Al snel bleek dat de andere redacteuren met Rodenko's tekst niet gelukkig waren: ze vonden deze te zwaar op de hand. Fokke Sierksma, die ook al in de vorige jaargangen met dit bijltje gehakt had, schreef hierna een nieuwe inleiding, waarover hij op 12 augustus aan Gerrit Borgers opmerkte: ‘Die doelstelling van mij heb ik nog eens over gelezen. Goed is anders. De enige winst die er behaald is, ligt voor mijn gevoel in de droge toon. Licht is het niet geworden, geestig nog minder. Wil jij dat er ook in hebben, doe het dan zelf. Ik verdom het om er weer aan te beginnen. Zonder klaagzangen kan ik slechts constateren dat mijn algemene toestand dat nog niet toestaat.’

Gerrit Borgers had Sierksma kort daarvoor een citaat uit het werk van Paul van Ostaijen gestuurd dat Sierksma misschien als motto voor zijn inleiding zou kunnen gebruiken. Dat citaat luidde: ‘Vóór alles een verklaring, of, zoals men ook nog zegt, een geloofsbelijdenis. Gelijk een koe een kalf, zo draagt het literaire credo het tijdschrift. Althans zo meent men. En het menen van “men” is een gevaarlijke wet.’11 Sierksma schreef hierover in zijn brief van 12 augustus: ‘Je wordt zwaar bedankt voor het citaat van Van Ostayen [Ostaijen]. Die brengt het lichte element er ongetwijfeld in en met dit citaat is veel stugheid plezierig genuanceerd.

‘Nooit meer doelstellingen!’12

Omdat Gerrit Borgers ook over de inleiding van Sierksma niet enthousiast was, was het hierna zijn beurt de derde inleiding te vervaardigen! Op 3 september schreef Sierksma hem hierover: ‘Jouw program zal wel in orde zijn. Ik hoop alleen dat er nog een program overgebleven is; anders krijgen we een zeer geslaagde Jordaanruzie.’

En verder - naar aanleiding van een voorstel van Borgers om onder de titel ‘Hinkend slaags’ een aparte rubriek te starten, waarin de redacteuren hun onderlinge meningsverschillen zouden kunnen uitvechten -: ‘Hinkend slaags niet als aparte rubriek voorlopig, daarvoor ben ik te gestoord. Die Paul is een prachtkerel en onverwoestbaar ook nog. Maar ik niet iedere maand hinkend slaags!!’13

Ruim twee weken later, op 20 september, schreef Fokke Sierksma over de samenwerking met Paul Rodenko aan Gerrit Borgers: ‘Paul heb ik een brief geschreven: indruk, dat hij zich niet helemaal thuis voelt. Moet zich niet als

[p. 286]

1 + 3 voelen, maar als 1 + 1 + 1 + 1. Hoop dat dit meewerkt om een team te maken. En anders, soit.’14

Loge en engelenbak

Het was de bedoeling de eerste aflevering van de vierde jaargang op 1 oktober te laten verschijnen, maar op het laatste moment ontstonden er problemen rond de papiertoewijzing. Na enig heen en weer geschrijf werd tenslotte door de verantwoordelijke instantie in Den Haag bepaald dat het blad vierenzestig pagina's zou mogen tellen, maar dat was ‘inclusief omslag’, terwijl door de uitgeverij ‘exclusief omslag’ was aangevraagd. Ook de officiële vergunning liet nog op zich wachten. Door deze strubbelingen verscheen de eerste aflevering pas omstreeks 20 oktober met een omvang van zesenvijftig pagina's.

Dit nummer, gedateerd oktober 1947, was gedrukt bij Joh. Enschedé & Zonen te Haarlem, de vaste drukkerij van Contact, en had als ondertitel ‘Literair maandblad’. Het omslag, ontworpen door Helmut Salden, was in bruin en wit uitgevoerd (in latere afleveringen van deze jaargang zouden telkens andere kleuren worden gebruikt). Op de binnenzijde van het omslag werd meegedeeld: ‘Ontstaan door fusie van de tijdschriften Podium en Columbus. De abonnementsprijs - in de tweede en derde jaargang f 7,50 - was tot f 10,- verhoogd.

De eerste aflevering opende met de door Gerrit Borgers geschreven redactionele inleiding. Hieruit kan worden afgeleid dat Borgers intussen niet alleen als redactiesecretaris werd beschouwd, maar ook als volwaardig redacteur: een afwijking dus van wat begin juni - na bezwaren vanuit de Columbus-hoek tegen het overwicht van de vroegere Podium-redactie - was afgesproken.

De inleiding, getiteld ‘Op zoek naar een programma’, werd voorafgegaan door het al eerder vermelde, in cursieve letters gedrukte motto uit het werk van Paul van Ostaijen. Hierna verklaarde de redactie: ‘Gelijk met het verschijnen van dit eerste nummer van het gefuseerde Podium, doet zich weer de noodzaak voor een “programma” te formuleren. Temeer, daar bij de diverse fusie-besprekingen die gevoerd zijn om tot een kleiner aantal en beter gehalte van literaire tijdschriften te komen, steeds het beslissende punt voor ons geweest is: programmatisch of niet? Op programmatische basis bleken alleen Columbus en Podium elkaar te kunnen vinden, terwijl Proloog terwille van de tijdschriftenconcentratie zijn uitgave staakte, zodat de twee eerstgenoemde tijdschriften thans door één worden vervangen. De naam Podium werd voor dit tijdschrift behouden, omdat aan deze naam de sterkste programmatische associaties verbonden waren.’

[p. 287]

De redactie vervolgde: ‘Maar ondanks deze programmatische hardnekkigheid, geloven wij toch met slechts enkele aanduidingen te kunnen volstaan. Het is immers voor de lezers van Columbus en Podium voldoende als wij zeggen dat de lijn van deze bladen in het nieuwe Podium zal worden doorgetrokken en bovendien blijkt ook uit de bijdragen in dit nummer duidelijk genoeg, voor hen die deze tijdschriften niet lazen, welke richting wij zijn ingeslagen, zij het dan ook “hinkend”.

‘Het feit trouwens dat wij een richting gekozen hebben in plaats van met louter aesthetische normen in ons tijdschrift bloemen te lezen uit de hof der Nederlandse schone letteren is misschien wel het belangrijkste programmapunt. Het lijkt ons, nu meer dan ooit, onmogelijk alleen op deze normen te leven zonder onszelf zodanig te amputeren dat we lopen noch slaan kunnen. En alleen met de volledige inzet van onze persoonlijkheid is het ons mogelijk een aanvaardbare weg uit de huidige impasse in en buiten de zogenaamde literatuur te vinden, waar het ons tenslotte om gaat. Dat wij hierbij een aantal problemen zullen ontmoeten, die voor ons de essentiële problemen van deze tijd zijn, ligt voor de hand: ons programma ligt dan ook in de keus van onze problematiek.

‘Onder deze essentiële problemen neemt het conflict tussen geest en daad een eerste plaats in. Als mens hebben wij nu eenmaal een dubbele verantwoordelijkheid: niet alleen die van de toeschouwer, die zich - hetzij vanuit een loge, hetzij vanuit de engelenbak - zo oprecht mogelijk rekenschap tracht te geven van het schouwspel dat wij geschiedenis noemen, maar óók die van de acteur die dit schouwspel helpt opvoeren. Zo zoeken wij ook als schrijver een naar twee kanten verantwoorde plaats in de maatschappij.

‘Wij zijn er ons van bewust dat op deze weg het risico groot is om de grens tussen leven en kunst uit te wissen, als het ware roofbouw te plegen op het per slot van rekening toch autonome terrein van de kunst. Maar zonder die roofbouw zal het moeilijk gaan en er zit dus niets anders op dan dat Apollo zich hiertoe voor zolang verkleedt.’

De redactie besloot: ‘Wij willen dus programmatisch zijn - maar met een program dat principieel open blijft. Een aantal vaste punten waar we met feilloos succes op af kunnen koersen is ons tot nu toe niet geopenbaard, veeleer zijn we vanuit de situatie waarin we ons bevinden een bepaalde richting ingeslagen op zoek naar vaste punten, op zoek dus naar een programma. De formulering hiervan moet dus wachten tot het laatste Podium-nummer of tot onze oude dag en we bepalen ons nu met opluchting tot het werk, dat over onze verwachtingen zal beslissen.’15

Geen klaroenstoot, deze verantwoording van de redactie, maar een uiterst voorzichtige verklaring, waarin een grote hoeveelheid geiten en kolen

[p. 288]



illustratie
Paul Rodenko

[p. 289]

gespaard werd. Na een inleiding waarin nauwelijks iets nieuws over de voorgeschiedenis van de fusie tussen Columbus en Podium werd onthuld, werden over het programma van het nieuwe blad weinig stellige uitspraken gedaan. Het meest concreet was nog de keuze voor het maatschappelijk engagement van de schrijver, waarbij de autonomie van de kunst wel werd erkend, maar tegelijkertijd niet werd uitgesloten dat die autonomie van tijd tot tijd zou worden aangetast.

De opmerking dat de formulering van het program zou moeten wachten ‘tot het laatste Podium-nummer of tot onze oude dag’, doet denken aan een opmerking die Gerrit Borgers, de schrijver van deze inleiding, ruim twee jaar eerder gemaakt had. Over het tijdschrift dat hij in die tijd met een aantal vrienden in Amsterdam wilde oprichten, had Borgers begin augustus 1945 aan Anne Wadman geschreven: ‘[...] het enige is nog dat de laatste naam voor dat tijdschrift (al staat-ie ook nog steeds niet vast) de “Wachtkamer” is, omdat wij van te voren juist niet “weten wat wij willen” en ons program niet in het eerste, maar in het laatste nummer hopen te formuleren.’16 De super-relativeerder Gerrit Borgers was zichzelf in die jaren trouw gebleven!

Het rendez-vous met de muze

Hierna verscheen de eerste bijdrage van de nieuwe redacteur Paul Rodenko: het essay ‘Verzoening met de Soldaat’, dat in de volgende maanden heel wat stof in de Podium-gelederen zou doen opwaaien.

Rodenko stelde zich in dit essay allereerst de vraag hoe het kwam dat de jonge generatie van dichters en prozaschrijvers zo'n weinig strijdbare, zo'n ‘conservatieve’ indruk maakte. Hij zocht de oorzaak hiervan in het feit dat deze generatie het gevoel had in een impasse te verkeren, met de neus tegen de muur te staan.

Zich afvragend wat voor een muur het dan was die de ontwikkeling van de jongere schrijvers belemmerde, merkte Rodenko vervolgens op: ‘Ik geloof dat het antwoord op de vraag naar de aard van de muur, waarvoor wij staan, reeds in de laatste werken van Du Perron kan worden gevonden, die zijn In deze grootse tijd schreef, niet omdat hij zich bij voorkeur met de politiek bemoeide, maar omdat de politiek zich nadrukkelijk met hèm ging bemoeien. Het is het spook van de politiek, dat steeds opnieuw zijn hoofd om de deur steekt, juist wanneer het tête-à-tête met de Muze perspectief begint te krijgen; en in de kille presentie van deze ongenode gast kan men nu eenmaal moeilijk intiem worden. Maar waar komt die politiek plotseling vandaan, of liever gezegd - want zij is er natuurlijk altijd al geweest

[p. 290]

en in het practische leven ontkennen wij haar souvereiniteit ook niet - hoe komt zij ineens zo opdringerig? Kunnen wij dan werkelijk niet meer, nadat wij overdag als Burger de krant gelezen, op de Russen of Amerikanen gescholden en in staking gegaan zijn, 's avonds tenminste als Dichter de deur op het nachtslot doen en ongestoord met onze Muze alleen zijn?’17

Nadat Rodenko hierna het begrippenpaar Burger-Dichter, dat Menno ter Braak tot zijn essay Het carnaval der burgers (1930) geïnspireerd had, van een aantal kritische kanttekeningen had voorzien, besteedde hij aandacht aan ontwikkelingen in de maatschappij zelf. Eerst schetste hij hoe daarin eeuwen geleden een tegenstelling was ontstaan tussen de Burger die de cultuur schiep en ervan kon genieten, en de Soldaat die deze cultuur vaak met gewelddadige middelen aan de grenzen moest verdedigen. Later was het politieke geweld ook in de maatschappij zelf doorgedrongen, waardoor een nieuwe tegenstelling ontstond: die tussen de Burger, die zich in de politieke strijd stortte, en de Dichter, die zich zoveel mogelijk alleen met zijn kunst wilde bezighouden.

Rodenko besloot zijn betoog: ‘En hiermee ben ik dan weer op mijn uitgangspunt terug: de vraag waarom de jonge schrijversgeneratie zo “conservatief” is, waarom zij zo weinig durf, zo weinig initiatief heeft en over het geheel zulk een amechtige en armetierige indruk maakt. Het is het spook van de politiek, zei ik - het is het spook van de Soldaat, die wij aan de duivel verkocht hebben, die ons in een hoek drukt. De crisis, waar wij ons door zullen moeten worstelen, is de crisis van de individualistisch-humanistische moraal, die op de mythe van de Schone en Edele Mens berust. Er wordt op het ogenblik veel gepraat over de “Verdediging van Europa”. In werkelijkheid valt er niets te verdedigen; wij zullen doodgewoon opnieuw moeten beginnen. Dat wil natuurlijk niet zeggen “met een schone lei”: schone leien bestaan er in werkelijkheid niet, die komen alleen bij het Leger des Heils voor; wij kunnen een erfenis van zoveel eeuwen niet pardoes ongedaan maken, maar wij zijn al een heel eind, wanneer wij eenmaal het archimedische punt gevonden hebben, van waaruit wij een herwaardering kunnen aanpakken; dan moeten wij echter nog de instrumenten smeden, waarmee wij deze onderneming tot een goed einde kunnen brengen. De westerse cultuur berust op de wegcijfering van de Soldaat, op de ontkenning van het feit dat de Cultuur slechts bestaat bij de gratie van de Macht; door de Macht te negeren en aan haar lot over te laten, plaatst men de Macht echter buiten de moraal, met het logisch gevolg dat de door niets gebonden Macht op hol slaat. Slechts door de organische eenheid van Soldaat en Burger (van Burger en Dichter als men wil) te erkennen, zal men een moraal kunnen scheppen, die - gezien het anthropologisch primaat van de Macht - zeer zeker niet

[p. 291]

ideaal zal zijn en die ongetwijfeld geen “eeuwige vrede” zal brengen, maar die althans de Macht binnen zekere grenzen van Waardigheid en redelijk fatsoen zal kunnen houden.’18

De titel die Paul Rodenko aan zijn essay gaf - ‘Verzoening met de Soldaat’ -, werd tegen de achtergrond van dit betoog duidelijk: het was volgens hem vanuit cultuur-historisch perspectief voor de kunstenaar noodzakelijk zich zo volledig mogelijk met de maatschappij te engageren en dus afstand te nemen van het artistieke ideaal van ‘l'art pour l'art’. Alleen op deze wijze zou het mogelijk zijn een fatale uitbarsting van ongecontroleerd geweld te voorkomen.

Het is aardig hierbij op te merken dat de latere samensteller van de befaamde bloemlezing uit de poëzie der avant-garde Nieuwe griffels schone leien (1954) in deze beschouwing schreef: ‘[...] schone leien bestaan er in werkelijkheid niet, die komen alleen bij het Leger des Heils voor [...].’

Rodenko zelf was in die tijd overigens maar matig tevreden over zijn essay. Enkele weken vóór het verschijnen ervan had hij in een ongedateerde brief aan Borgers geschreven: ‘Ik ben benieuwd wat je van de “Verzoening met de Soldaat” denkt. Toen ik het schreef dacht ik dat het wel aardig werd, maar achteraf heb ik het gevoel dat het geheel niets dan een gegoochel met woorden is. Ook heb ik Ter Braak misschien niet helemaal recht doen wedervaren. Wat ik stel heeft hij tenslotte ook allemaal gezien; en tòch, toen ik hem gisteravond nog eens doorbladerde, had ik toch het gevoel dat hij, al duidt hij zichzelf nog zo graag als “burger” aan en al neemt hij nog zozeer het air van Real politiker aan, toch nooit uit de romantische en christelijke verachting voor “het wereldse” los is kunnen komen. Enfin...’19

In dit nummer van Podium werden ook drie gedichten van Gerrit Achterberg gepubliceerd. Het eerste hiervan was getiteld ‘Veewagen 1945’ en gaf een treffend tijdsbeeld:

 
Hoe kwam ik weer in mijn dijen te staan?
 
Ik stond vastgeschroefd op mijn tenen.
 
Er drong een juffrouw tegen mij aan.
 
Het heeft bijna liefde geschenen.
 
Ik was er misschien nog op in gegaan,
 
doch mijn buik brak boven mijn benen.
 
 
 
Een heer zei tot een vreemde mijnheer:
 
mag ik u eventjes plagen.
 
En hij nam twee centimeter meer,
 
ten koste van de hele wagen.
[p. 292]
 
Dat duurde drie dagen. De geest hing neer
 
in rafels, die rafels kregen.
 
Ik ging middendoor, maar het deed geen zeer,
 
want de anderen hielden het tegen.
 
 
 
Ik keek tussen kragen en achter in ogen
 
en zag het leven aan vel en vernis.
 
Wij voelden ons in elkander bedrogen
 
tot op het canvas, geen vlees en geen vis,
 
maar borende botten en ellebogen,
 
een massa, waarin de mens een logen
 
en stuk voor stuk ongelukkig is.
 
En de wielen joegen over de rails...20

Een andere dichter van wie in deze aflevering poëzie gepubliceerd werd, was de Vlaming Ben Cami (geb. 1920), die evenals Louis Paul Boon tot de zogenaamde Aalster kring behoorde. Van Cami werd het gedicht ‘De blinde knaap’ opgenomen:

 
De blinde knaap
 
Is als op veel te hoge stengel
 
Een bloem wit en giftig.
 
Aan de bocht botst hij aan
 
Tegen zijn moeder.
 
Zij zegt niet:
 
Pas op, wij zijn aan de hoek,
 
Omdat ze zoveel verdraagt
 
Dat ze ook dat botsen verdraagt
 
Uit gewoonte
 
Aan elke hoek.
 
 
 
Aan zijn mond
 
En aan haar mond
 
Hangt dezelfde bitterheid,
 
Gelijk vergif.21

‘Brillantine, rokcostuums en pin-up-girls’

Verder verscheen in deze aflevering een novelle van J.B. Charles (ps. van Wim Nagel), getiteld ‘De menseneter van Nowawes’. De ik-figuur in dit

[p. 293]

verhaal is een rechercheur, die bij zijn speurtocht naar een geval van blankeslavinnenhandel een gruwelijke waarheid ontdekt. Het verhaal speelt zich voor een deel af in Nowawes, een voorstad van Berlijn. De aankomst van de ik-figuur in deze stad wordt als volgt beschreven: ‘Ik nam een taxi, een trein en toen nog een tram, waar ik uitstapte, toen ik bij enige open bouwterreinen op de rand van Nowawes kwam. Na enige honderden meters was ik in de stad. Eerst moest ik aan Arnhem denken; men dringt door een aangename periferie, die, op wat scheef hellende straten na veel open licht behouden heeft en, verspreid in donker parkgroen, hier en daar lichte officiële gebouwen. Soms waren de wegen van gladharde lichtkleurige natuursteen en dan weer dreef het strekzwart van asfaltwegen dwars door het parijsgroen der perken. In die buurt zag ik filmfabrieken met moderne gebouwen en grote hangars. Betere merken auto's gleden daar af en aan; de sfeer wekte associaties aan brillantine, rokcostuums en pin-up-girls bij mij op. Maar over een zeer brede straat, met de moorddadig snelle trams van Potsdam, dichter naar de Havel, was het geen Arnhem meer. Het licht plensde niet wit en open neer op parken en pleinen, maar zweefde langs morsige gevels. Spinnerijen zag ik, en tapijtfabrieken. De erfenis van de wevers uit Bohemen, die Frederik de Grote hier neergeplant had. Waarom zouden zij niet in hun eigen land hebben kunnen blijven? Het was hier langs de Havel glooiend weiland geweest en enig bos; waarom moest de Koning van Pruisen hier voor zijn Tsjechen een nieuwe stad bouwen? Nowawes, noemden zij dit Nieuw Tehuis in hun eigen taal.’22

Een andere novelle van J.B. Charles, Ontmoeting in den vreemde (1946), kwam in dit nummer ter sprake in een essay van Fokke Sierksma, getiteld ‘Hinkend onderweg’. In deze beschouwing ging Sierksma in op het verschijnsel dat sommige boeken wat vormgeving betreft te kort schieten, maar dat de problematiek die erin verwerkt is, boeit. Volgens hem was dit het geval met Charles' novelle Ontmoeting in den vreemde en ook met de nog niet gepubliceerde roman De angst bedankt van D. Opsomer (ps. van Dick Vriesman). Sierksma schreef: ‘Omdat een ideaal tenslotte ideaal is, moet nadrukkelijk worden vastgesteld, dat werken als “Ontmoeting in den vreemde...” en “De angst bedankt...” ernstig hinken. Eén been wil krachtig voorwaarts. Het andere is te kort. En het kunstwerk maakt zware slagzij. Maar al lopen zij dan ook zo kreupel als een overjarig karrepaard, zij zijn hinkend onderweg. Laat men op de vraag: waarheen? niet met te grote idealen goochelen, maar zich beperken tot een psychologische terminologie. Er zijn mensen, die zich op weg begeven hebben naar een toekomst, die voorzover het van hen afhangt, althans minder barsten vertoont dan deze rotwereld. Dat is voorlopig het belangrijkste. Het is althans belangrijker

[p. 294]

dan de trage en zelfgenoegzame pas op de plaats der ambachtslieden.’23 De roman De angst bedankt van D. Opsomer zou in 1948 verschijnen.

De eerste aflevering bevatte verder een kort verhaal van Paul Rodenko's jongere zuster Olga Rodenko, die al eerder aan het clandestiene Haagse blad Maecenas en aan Columbus had meegewerkt; haar verhaal, getiteld ‘Lijn Oe’, zou later gepubliceerd worden in de bundel Antichambreren (1979).

Aan het slot van de eerste aflevering werd meegedeeld: ‘Met ingang van het 2e nummer publiceren wij in deze jaargang de complete roman “ De Andere School ” van s. vestdijk , het vierde deel van de Anton Wachterserie[.]’

Eén exemplaar van de eerste aflevering werd naar uitgeverij Van Gorcum gestuurd. Op de omslag hiervan had G.P. de Neve geschreven: ‘Met erkentelijkheid van de nieuwe uitgever voor de eerste uitgever, die dit belangrijke tijdschrift ten doop hield.’ En F. Sierksma: ‘Met respect van oude en nieuwe redactie voor de Uitgever, die de durf tot een begin had.’24

Over het eerste nummer schreef Fokke Sierksma op een ongedateerde briefkaart - het poststempel vermeldt: 23 oktober 1947 - aan Gerrit Borgers: ‘Het ziet er goed, dus Proloog-achtig uit. De aesthetische bijdrage komt natuurlijk van de overleden firmanten. Voor de inhoud behoeven we ons niet te schamen, geloof ik, al staat er in mijn stuk maar één goed woord: rotwereld. Maar dat is dan tenminste raak.’25 Met de ‘overleden firmanten’ zal hij de typograaf Helmut Salden en andere ontwerpers van het intussen ‘overleden’ tijdschrift Proloog bedoeld hebben.

Sierksma, die met teleurstelling kennis genomen had van Rodenko's ‘Verzoening met de Soldaat’, schreef daartegen een beschouwing onder de titel ‘Nieuwe stenen of een kwastje verf’. Op 26 oktober merkte hij hierover aan Borgers op: ‘'k Had beloofd zo nu en dan nog een prop te schrijven. En nu Pauls essay mij erg tegengevallen is (een paar goede dingen, maar hol en au fond een krantenartikel) en ik me weer goed voelde (Morgen weer aan het werk) heb ik bijgaand geval maar geschreven. Het lijkt een heel ding, maar omdat ik nu weer goed in Ter Braak zit, ging het me uiteraard vlot af. 'k Hoop dat jullie het kunnen waarderen. Paul zal ik een doorslag sturen voor zijn antwoord.’26

In dezelfde periode schreef Sierksma in een ongedateerde brief aan Borgers: ‘Hans van Straten gaf zijn reactie op Podium. Mijn stuk min of meer plagiaat van Du Perron. (Ken jij een dergelijk stuk van EdP? 't Moet in Cahiers staan). Nagel goed voor Astra en meer niet. Paul OK. Ik zeg maar: schoonheid als eigenbelang. Dat mist nou nooit, hè?’27 Met ‘Astra’ werd het gelijknamige damesblad bedoeld.

Op 6 november antwoordde Borgers hierop: ‘Die mening van Hans

[p. 295]

v. Straten. 1o Hij heeft vast La Peste in 2o heeft ie wat tegen ons? [...] Ja, schoonheid eigenbelang - voor zover ik gehoord heb is, kort samengevat, iedere bijdrage in no. 1 een verdomd goed rotstuk. Het leukste is dat ik nog weinig zo-zo gehoord heb: wit of zwart, leve Podium (ik word langzaam al schrijvende “gestoord”).’28 De opmerking over ‘La Peste’ sloeg op een bespreking van de roman La peste (1947) van de Franse schrijver Albert Camus, die Hans van Straten geschreven had en die in het derde nummer van deze jaargang van Podium verschijnen zou.

Fokke Sierksma merkte over de eerste aflevering in een ongedateerde brief aan Hans van Straten op, dat hij hierover ‘in ieder opzicht’ met hem van mening verschilde. Sierksma's oordeel was: ‘Paul ver beneden zijn stand, Nowawes real stuff etc.’ En verder: ‘Het Du Perron-stukje heb ik doorgelezen. Zoals je weet, ken ik EduP als incidenteel schrijver slechts incidenteel. Het viel me tegen, want ik had graag verwantschap gehad met een forse atheologische schrijver. Intussen lijk jij hier op de theologen die alles in hun bijbel terugvinden.’29

Intussen had ook Paul Rodenko in Parijs de eerste aflevering van Podium ontvangen. Op 26 oktober schreef hij hierover aan Gerrit Borgers: ‘Ontvang zojuist “Podium”. Hm... vind het er niet zo bijzonder uitzien. Omslag laat gemakkelijk los. Bovendien: ik dacht dat we dik papier kregen, ik heb een hekel aan dat slappe papier. Overigens is het wel goed verzorgd.’

Rodenko voegde hieraan toe: ‘(Persoonlijk hindert mij ook altijd de spelling “Literair” - zoals op het omslag - met één t. Het doet mij zo Duits aan. Maar misschien is dat een vooroordeel).’30

Bijna veertien dagen later, op 8 november, kwam Rodenko in een brief aan Borgers op het eerste nummer terug: ‘Ik schreef je al dat ik over 1 niet erg enthousiast was; ook de Inleiding vond ik in deze vorm wel erg slapjes en nietszeggend, en allesbehalve helder trouwens. Die van mij was inderdaad wat zwaar op de hand, maar zei tenminste waar het op aankwam. Deze zegt twee bladzijden lang niets (waarom het niet bij het citaat van Ostayen [Van Ostaijen] gelaten? - dat was nog een beetje origineel geweest). A propos, een parafrase van Jan Trapman - een hollands architect uit Parijs - op de Inleiding: “De redactie stelt zich ten doel het zich ten doel stellen van een doelstelling”.’

In het vervolg van zijn brief schreef Rodenko over Sierksma's essay ‘Nieuwe stenen of een kwastje verf’: ‘[...] ik had liever gehad dat Fokke's Nieuwe Stenen... pas in no. 4 kwam. Ofschoon ik het met zijn aanmerkingen voor een goed deel eens ben, heb ik er toch nog het een en ander op te antwoorden en aangezien no. 4 blijkbaar binnen enkele dagen de deur uitgaat, zal ik noch in hetzelfde noch in het volgende no. kunnen antwoorden

[p. 296]

- wat mij niet fair lijkt, omdat ik daardoor de indruk wek geheel verslagen te zijn en niets meer te zeggen te hebben. Maar het nummer is blijkbaar al bij de drukker, het zal er dus wel niet meer uit te halen zijn. Hoe moet dat nu? Vooral omdat het stuk van Fokke vanwege het programmatische in grote letter gedrukt wordt, lijkt het mij van belang dat ik ook tijdig reageer.’31

‘Dit machteloze rukken aan de kosmos’

Intussen had de Friese dichter en essayist Fedde Schurer, die - zoals we in het vorige hoofdstuk gezien hebben - in het najaar van 1946 al kritische opmerkingen over Podium gemaakt had, in de Heerenveense Koerier van 31 oktober over het eerste nummer van de vierde jaargang een uitgebreide recensie gepubliceerd onder de titel ‘Programmisten zonder program’. Na op een aantal bijdragen te zijn ingegaan, merkte Schurer in zijn bespreking op: ‘En tenslotte - eigenlijk moesten we daarmee beginnen - het programma door de vier redacteuren ondertekend, dat het beeld oproept van de literaire poes, die om de politieke brij heendraait. “Onder de essentiële problemen neemt het conflict tussen geest en daad een eerste plaats in”. Welke daad, dat blijft voorlopig een open vraag. “Een aantal vaste punten waar we met feilloos succes op af kunnen koersen is ons tot nu toe niet geopenbaard”.’

Schurer vervolgde: ‘We zullen dus omtrent het karakter van de daad in het duister blijven tasten. Dat is jammer. Want dat eindeloos gedreig van “hou me vast of ik ga in de politiek” mist allang de bekoring van het nieuwe. Er is niets op tegen dat tenslotte een aantal jonge mannen meer voor politiek dan voor de verachtelijke literatuur voelt, en op dit terrein een daad wil plegen. De bestaande partijen zullen wel stuk voor stuk te burgerlijk zijn, maar ze kunnen een nieuwe stichten, de partij van de “honnête homme” b.v. Wij geloven echter zeer beslist, dat ze zich vergissen in het karakter van de daad. Er is maar een daad die met recht van deze schrijvers verwacht mag worden, en dat is een literaire daad. Hun roeping is, goed te schrijven, mooi te schrijven, de schrijfkunst of literatuur te beoefenen. Ze kunnen dat. En voor dit alleszins verantwoord bedrijf is het niet strikt noodzakelijk minder begaafde vakgenoten voor “kwijlgeesten” te schelden, noch voor te geven dat men aan iets anders bezig is.

‘De eenvoudige verklaring “wij zijn schrijvers, en we willen trachten zo goed mogelijk te schrijven” ware duidelijker geweest dan dit machteloze rukken aan de kosmos.’32

Kort hierna verscheen het tweede nummer van Podium, gedateerd november 1947 en met een omvang van - eindelijk! - vierenzestig bladzijden.

[p. 297]

Deze aflevering opende met het lange gedicht ‘Zee’ van de Vlaamse dichter Gaston Burssens, die in 1896 te Dendermonde geboren was en in de jaren twintig bevriend was geweest met Paul van Ostaijen. Het begin van dit gedicht luidt:

 
De zee hier is de zee
 
Zij werd geboren in 't jaar Onzes Heren
 
Plus minus nul en nul is zij gebleven
 
De Grote Nul die zij gebleven is
 
Door alle eeuwen van belijdenis
 
Van nul is nul en één plus één is twee
 
 
 
De zee hier is de zee
 
Die nul geboren is en nul gebleven
 
Maar dwaas is en gedwee
 
Want zij is niets van wat men heeft geschreven
 
Het niets waarvan men zegt dat het oneindig is
 
En niets oneindig dat niet eindig is
 
 
 
Hier is de zee en zij is hier
 
Zij is alleen van water zout en wier
 
Van krabben kwallen schollen en garnalen
 
Maar niet van zeemeerminnen en koralen
 
Misschien - maar het is niet bewezen - van sardijnen
 
En zeker niet van haaien en dolfijnen
 
 
 
En honden paarden koeien leeuwen en sirenen
 
Jawel sirenen zegt men met één oog
 
In al de kleuren van de regenboog
 
En zwijnen - met rozige schubben bovendien -
 
En katten - heb-je van je leven
 
Zeg Kees heb-jij ooit katten in de zee gezien
 
 
 
Jawel jawel maar in de bioscoop
 
Maar daar eilaas is alles zoveel fraaier
 
Men ziet er geel- en blauwgelakte papegaaien
 
Die ons doen twijfelen aan geloof en hoop
 
Waarvan de beelden om en ommedraaien
 
In 't kleurenprisma van een telescoop
[p. 298]
 
Ach laten wij het houden hij de deining
 
Bij deze deining die niet eeuwig is
 
Maar eeuwig schijnt als een verschijning
 
Van eind' en van begin 'lijk d'ergernis
 
En herbegint en weder eindigt als de waan
 
Die eind' krijgt en begin bij komen en bij gaan
 
 
 
En als wij gaan begint het - als wij komen
 
Dan eindigt alles nog in wonderdromen
 
Er zijn eilaas geen papegaaien in de zee
 
Laat ons alleen maar spelevaren
 
Al op de baren
 
Van zilver of verguld op snee 33

‘Ontzaglijke herrie’

Het tweede nummer bevatte verder een uitvoerig essay van Paul Rodenko over de poëzie van Gerrit Achterberg, getiteld ‘Don Quichot in het schimmenrijk’ Nadat Rodenko in deze beschouwing een analyse gegeven had van de mythe van de gestorven geliefde in Achterbergs poëzie, merkte hij op: ‘Bladeren wij de diverse bundels van Achterberg door dan valt het ons op dat op de voorpagina van elke bundel - afgezien van de eerste bundel Afvaart , die aan niemand, en Morendo dat aan “de zuivere” is opgedragen - een “Voor-die-en-die” prijkt: voor Roel Houwink, voor Ed. Hoornik, voor Gerrit Kamphuis, voor Dr. A.L.C. Palies, voor Aafjes, voor Vestdijk, voor Mr Jan Thomassen, voor Jan Vermeulen, voor A. Roland Holst, enz. enz. Valt ons op, zei ik: want waar het in de verzen van Achterberg om niets dan zijn relatie tot de geliefde gaat, waar elk vers een nieuw rendez-vous met de geliefde wil zijn, vraagt men zich met enige verwondering af, wat al die pottenkijkers, als [al] die Dr Paliesen, Hoornikken en Mr Jan Thomassen daarbij eigenlijk komen doen. Het is toch alleen maar een affaire tussen hem en haar, zou men zo zeggen; vanwaar al die gasten op het rendez-vous van “bruid” en “bruidegom”?’34

Nadat Rodenko vervolgens had betoogd dat de aanwezigheid van bruiloftsgasten onder meer dient om het huwelijk uit de sfeer van het mysterie in de sfeer van de realiteit te brengen, schreef hij verder: ‘Wanneer Achterberg dus een hele reeks gasten op zijn bruiloft nodigt, dan kunnen we aannemen dat het om dezelfde reden geschiedt: om realiteit aan de gebeurtenis te geven, om het “voltooide lot” wáár te maken. En hij heeft deze gasten, deze getuigen des te dringender nodig, naarmate het feit - het winnen van

[p. 299]

de geliefde in duel met “het Niet” - onmogelijker schijnt. Het is alleen hun commentaar dat het feit van de vereniging van de dichter met de geliefde werkelijk kan maken; de plaats, die in de eerste fase van Achterbergs dichterschap door de dood werd ingenomen (immers, het was de dood, waarvan hij de verwerkelijking van de ideale verhouding tot de geliefde verwachtte), wordt thans, nu de dood naar het andere kamp verhuisd is, ingenomen door Jan Vermeulen, Dr A.L.C. Palies en A. Roland Holst. Telkens opnieuw brengt de dichter het schouwspel van zijn duel met het Niet, de vernietiging van het Niet, en het redden van de geliefde, voor het voetlicht (“ik sta met u in scène”, zegt hij in een van zijn verzen), om in het applaus van zijn gehoor de zekerheid te vinden dat het allemaal werkelijk is geweest.’35

Gerrit Achterberg zou met verontwaardiging op Rodenko's essay reageren. Hij vond dat deze zich bij zijn verklaring voor de opdrachten in zijn bundels op psychologisch te glad ijs had gewaagd en daardoor onverantwoord aan het speculeren was geslagen. Op de achtergrond hiervan speelde dat Achterberg doodsbenauwd was voor publikaties over het feit dat hij ongeveer tien jaar eerder - in december 1937 - zijn hospita had doodgeschoten. Achterbergs boosheid zou ook gevolgen kunnen hebben voor de bundel Commentaar op Achterberg , die in die tijd in voorbereiding was en die door Bert Bakker gepubliceerd zou worden. Het was immers de bedoeling dat Rodenko's essay in deze bundel zou verschijnen; ook zouden er foto's van Emmy Andriesse in worden geplaatst.

In zijn Gerrit Achterberg. Een biografie (1988) schreef Wim Hazeu over Achterbergs reactie: ‘Achterberg raakte door Rodenko's essay in Podium volledig overstuur. In plaats van blij te zijn dat de min of meer negatieve kritiek op de laatste bundels werd opgevolgd door positieve aandacht van zo'n jong essayist, dreigde hij via Bert Bakker met advocaten en wilde hij de fotoreportage, die nota bene binnen het katern van Rodenko's artikel geplaatst zou worden, doen verwijderen uit de bundel.’36

In een brief van 9 december 1947 schreef Fokke Sierksma aan Gerrit Borgers: ‘Groot gedonder, A. is volkomen van streek door Pauls essay en protesteert tegen het hele boek!’37

Kort daarna kwam het tot een gesprek tussen Achterberg en Rodenko. Hazeu schreef hierover: ‘Rodenko hield voet bij stuk, maar gaf in de boekuitgave van zijn essay wel een nawoord “om eventuele misverstanden, waarvoor het nederlands-litteraire klimaat bijzonder gunstig schijnt te zijn, uit de weg te ruimen”.’38

In dit nawoord ging Rodenko in op de constatering in zijn essay dat de opdrachten aan allerlei personen in Achterbergs bundels mede dienden om aan diens mythe meer realiteit te geven: ‘In een persoonlijk gesprek wees

[p. 300]



illustratie
Wim Nagel met zijn dochter Froukje.

[p. 301]

Achterberg mij er op dat de “opdrachten” van zijn bundels, waar ik zo vergaande conclusies uit getrokken had, stuk voor stuk psychologisch zònder een beroep op de publiek-theorie te verklaren zijn. Dat is heel goed mogelijk, maar de psychologie is een gecompliceerde zaak en het resultaat - het enige waar ik als criticus mee te maken heb! - is in ieder geval, dat wij in elke bundel een mijnheer op de voorste rij instemmend zien zitten knikken (een mijnheer, die daar zit als symbool voor het feit, waar het hier om gaat: de gevoeligheid voor andermans oordeel, de behoefte aan “medestanders”). Ik heb het recht, dit bij een zo uitgesproken “absolutistisch” dichter als Achterberg vreemd te vinden.’39

Op 22 april 1948, enkele maanden na de publikatie van zijn essay in Podium , schreef Rodenko over de strekking ervan aan A. Marja: ‘[...] tot dusver schijnt niemand het met mij eens te zijn, ofschoon iedereen het stuk wel goed vindt. Met Achterberg zelf heb ik er, zoals je waarschijnlijk weet, aanvankelijk ontzaglijke herrie over gehad, maar we zijn nu goede vrienden.’40

Behalve Rodenko's beschouwing over Achterberg werd in het tweede nummer ook een ‘prop’ opgenomen, waarin Rodenko in discussie ging met Fokke Sierksma over zijn essay ‘Het einde van de psychologische roman’ dat in oktober 1946 in Columbus gepubliceerd was. Zoals we in het vorige hoofdstuk gezien hebben, had Sierksma hierover in maart 1947 in Podium een aantal kritische opmerkingen gemaakt. In antwoord op Sierksma's verwijt dat Rodenko ‘de psychologie wat al te vlot overboord’41 had gezet, wees deze laatste opnieuw de psychologie als een al te rationele verklaring van allerlei - volgens hem - absurde levensverschijnselen van de hand en sprak hij zijn voorkeur uit voor een type roman waarin de verwarrende diversiteit van het leven niet wordt verdonkeremaand, maar juist zichtbaar gemaakt.

Onmiddellijk na deze ‘prop’ van Rodenko werd het antwoord hierop van Sierksma geplaatst, waarin deze het nog altijd actuele belang van de psychologie verdedigde. Hij besloot: ‘Tot mijn spijt moest ik beknopter zijn dan ik wilde. Mijn antwoord is zo al lang genoeg. Intussen, het staat wel vast, dat wij hetzelfde bedoelen en dat er hier slechts van nuances sprake was. Wat het nut van deze gedachtenwisseling dan ook moge zijn of niet zijn, het is in ieder geval aangenaam, dat Rodenko bewezen heeft, hoe men in een literaire groep de gebruikelijke schouderklopjes achterwege kan laten en beter hinkend slaags kan zijn. Dat stimuleert meer.’42

Het tweede nummer bevatte verder poëzie van J.B. Charles en Fokke Sierksma en het openingsfragment van Vestdijks roman De andere school . Deze roman met als ondertitel: ‘De geschiedenis van een verraad’ zou in de loop van de vierde jaargang volledig gepubliceerd worden.

Kort na het verschijnen van de tweede aflevering, op 12 november,

[p. 302]

schreef Paul Rodenko vanuit Parijs aan Gerrit Borgers: ‘No. 2 intussen ontvangen. Tussen haakjes: mijn ontevredenheid over 1 gold niet zozeer de inhoud (afgezien van de Inleiding dan en ofschoon Nowawes mij bij herlezing toch weer tegenviel), dan wel het uiterlijk, het slappe, gladde papier en het direct-uit-het-kaft-vallen; maar enfin, daar zal wel niets aan te doen zijn, men moet nu eenmaal roeien met de riemen die men heeft. Heb de beide nummers hier aan enkele Hollanders laten lezen, die er wel mee ingenomen waren (helaas zijn ze hier geen van allen rijk genoeg om een abonnement te nemen).’43

Intussen bleek dat niet alleen Fokke Sierksma bezwaren had tegen Rodenko's ‘Verzoening met de Soldaat’, maar ook Wim Nagel. Deze schreef een ‘Open brief’, die Sierksma op 14 november aan Borgers stuurde. Sierksma schreef erbij: ‘Hierbij een aardig briefje van Nagel, dat wel niet meer in 3 zal kunnen. Jammer, maar Paul moet ook werk houden.’

Sierksma vervolgde: ‘Van Hermans kreeg ik een merkwaardige brief, waarin hij Podium en speciaal mij “vriendjespolitiek” verwijt, om zijn uitgebreide beschouwingen tot hun kern terug te brengen. Het is aardig te zien, hoe Hermans en Paul in bijna ieder opzicht gelijk denken over de literatuur, de literatoren en Podium. Bovendien verwijt hij mij een gebrek aan waardering voor Pauls werk. Paul is een crack en Charles is een kitschkakker. Podium heeft ook nog wel belangrijke bijdragen, voegt hij er verzoenend aan toe: Verzoening met de Soldaat en Don Quichote [Quichot] in het Schimmenrijk.’ Twee bijdragen van Rodenko dus!

Sierksma schreef verder: ‘Ik ben van plan Paul openhartig over deze zaken te schrijven, al verveelt het me bij voorbaat al. 'k Heb het gevoel een socialist te zijn, die door communisten als heuler met de kapitalisten wordt gedoodverfd. Soit.

‘Eén punt wordt hier acuut en is ietwat belangrijker. We zouden de redactie tegen het nieuwe jaar uitbreiden. Wat denk jij en wat denkt Anne van een uitbreiding met Nagel èn Hermans? Het is een griezelige stunt, maar deze zal ongetwijfeld klaarheid brengen in de situatie, ook als de zaak over een jaar met een knal ploft. Men weet dan tenminste waar de breukwanden precies liggen - scherven kunnen leerzaam zijn.’

En verder: ‘Hermans zal Podium 1 in Criterium afkraken, beloofde hij. Vooral Hinkend onderweg, dat reclame zou zijn. 'k Ben benieuwd hoe hard ik terug zal moeten slaan.’44 In ‘Hinkend onderweg’ had Sierksma prijzend geschreven over Charles’ novelle Ontmoeting in den vreemde .

Gerrit Borgers vroeg zich na ontvangst van deze brief en de ‘Open brief’ van Wim Nagel af of een tweede stuk tegen Rodenko's ‘Verzoening met de Soldaat’, na Sierksma's ‘prop’, niet iets te veel van het goede zou zijn.

[p. 303]

Op 24 november antwoordde Sierksma hem dat hijzelf voor plaatsing was: ‘Wat Nagels brief betreft: vóór. Omdat hij geestig is en een totaal ander punt de zaak raakt dan mijn “Nieuwe stenen”. Hij is een militante anti-militarist. Het lijkt me dus niet helemaal onbelangrijk. Omdat het geestig is, zal het de lezers niet vervelen, Gerrit. Gelukkig dat je erbij zet - dat is Contact zijn zaak. Laat die lezers barsten.’

Kennelijk had Borgers aan Sierksma ook geschreven dat hij niet zoveel zag in diens voorstel zowel Nagel als Hermans in de redactie op te nemen. Sierksma merkte hierover in zijn brief op: ‘Dat voorstel Hermans-Nagel was zuiver informatorisch. Dat snap je. Er zit een lollig kantje aan. Maar zelf weifel ik sterk over deze poging tot grappigheid van mij. Serieus zat er dit achter: H. hoort als schrijver bij ons. Laat ie er bij komen. Barst het dan, dan weten we waarom het barst en waarom hij tòch niet bij ons hoort. You see.’45

Intussen was in het najaar van 1947 de - met de Reina Prinsen Geerligsprijs bekroonde - roman De avonden van Simon van het Reve uitgekomen. In Het Parool van vrijdag 28 november werd dit boek besproken door S. Vestdijk, die in zijn recensie schreef: ‘Twee elementen zijn het, die Van het Reve glansrijk hebben behoed voor een afglijden in grauwe alledaagsheid: zijn bevrijdende humor, die, van een zeer persoonlijk cachet, vooral op de lange baan werkzaam is (de eindeloos herhaalde gesprekken over kaalhoofdigheid b.v., maar er zouden fijnere voorbeelden te geven zijn), en de religieuze apotheose aan het slot, waar Frits van Egters, als niets dan meer helpen wil, God uitnodigt om met een zeker zakelijk en ironisch doorlicht erbarmen op zijn ouders neer te zien.’ En verder: ‘Van dit zeldzaam navrante slot, dat de gehele roman draagt, is geen denkbeeld te geven, men moet het gelezen hebben. Het behoort tot het aangrijpendste wat ik ooit onder de ogen kreeg.’46

Dezelfde dag of de dag erna schreef Fokke Sierksma over De avonden op een ongedateerde briefkaart - het poststempel vermeldt 29 november 1947 - aan Gerrit Borgers: ‘Eerst wilde ik de zaak maar laten lopen, maar nu ik Vestdijk over dit boek in Het Parool net gelezen heb, moeten er toch een paar puntjes op de i's gezet worden - tegen Vestdijk.’47

Enkele dagen hierna verscheen de derde aflevering van Podium . In dit nummer, gedateerd december 1947, waren twee gedichten van Leo Vroman opgenomen, van wie Gerrit Borgers in de afgelopen zomer zulke aardige brieven ontvangen had. Het eerste van deze gedichten was getiteld ‘Uitgestreeld’:

[p. 304]
 
Brood of honingraat wil mij
 
tot leven niet meer verwarmen.
 
Enkel de zachte binnenzij
 
in de witte knik van je armen.
 
 
 
Jouw glimlachen deden het zachte
 
van de vacht van een wezentje,
 
vaag, maar niet weg te vagen
 
en trippelend als je lachte.
 
 
 
Bij de oogleden, wier dichte zoemen
 
onder de muizen van mijn handen
 
tranen tot sterren deden verbranden
 
waren de rozen haast niet meer bloemen.
 
 
 
Ach hoe wilden wij verwelken,
 
hoe droevig waren wij beiden.
 
Alsof de dood reeds ‘tik’ zeide
 
tegen de bladerval der kelken.
 
 
 
Wat moesten zij ooit zo levend?
 
Onze rompen, elk het eigen
 
sterven toegestevend
 
verkregen iets varends, maar mist
 
had het water uitgewist.
 
 
 
Mistig was mij te meer
 
deze kruisvaart van lijven
 
door de roep van boot naar boot:
 
eenmaal - dan niet weer.48

Later zou Vroman dit gedicht onder de titel ‘In tederheid’ en in een licht gewijzigde versie - zo werd ‘tot leven’ in de tweede regel vervangen door ‘de slapen’ - opnemen in zijn bundel Gedichten vroegere en latere (1949).49

Een andere dichter die aan dit nummer van Podium meewerkte, was Gerrit Achterberg, van wie vijf gedichten over zijn verblijf in een psychiatrische inrichting werden gepubliceerd. Deze verzen had Achterberg al ingestuurd, voordat Rodenko's beschouwing over zijn poëzie verschenen was. Een van deze gedichten was getiteld ‘Riool’:

[p. 305]
 
In welk riool ben ik terecht gekomen.
 
Samengelegen in afzichtelijke verzwering,
 
vormen wij met elkander één legering
 
ziektebezinksel en vergiftigingsfantomen.
 
 
 
Afval van vorig leven, nimmer weggenomen,
 
dat zich heenvreet door de grondwaterkering,
 
veroorzaakt in de ziel een doffe fermentering.
 
Modder en vuilnis staan in onze ogen.50

Zoals in een voetnoot bij deze gedichten werd meegedeeld, was het de bedoeling dat deze vijf verzen ‘binnenkort’ zouden worden opgenomen in de bundel Asyl, maar deze bundel is nooit verschenen. De verzen werden pas na Achterbergs dood in 1962 gebundeld in Blauwzuur (1969). De reden hiervoor was dat de bittere toon van deze gedichten moeilijkheden zou kunnen opleveren met de juridische autoriteiten, die Achterberg in die tijd in observatie hielden.

Sierksma contra Rodenko

In de polemische rubriek ‘De proppenschieter’ schoot Fokke Sierksma hierna zijn wel erg omvangrijke ‘prop’, getiteld ‘Nieuwe stenen of een kwastje verf’, af op Paul Rodenko's essay ‘Verzoening met de Soldaat’. Sierksma maakte daarin vooral bezwaar tegen de manier waarop Rodenko de opvattingen van Menno ter Braak over de tegenstelling Burger-Dichter weergegeven had. Ook Rodenko's slotbeschouwing, waarin hij een pleidooi gehouden had voor het erkennen van de ‘organische eenheid van Soldaat en Burger’, beviel hem niet. Sierksma: ‘Mijn spanning steeg tot een ondragelijke hoogte, toen ik merkte dat nu tenslotte Rodenko zijn bouwsteentjes voor een nieuwe samenleving op de nieuwe basis van een nieuwe moraal ging aandragen. Maar ik werd gedwongen toe te zien, hoe hij met lege handen moest boeten voor de glibberige paden, die hij tussen stof en ruïnes voor Ter Braak had gemaakt om hem te laten uitglijden, toen hij zelf uitgleed en over de volgende zeep-gladde woordenmassa wegrutschte naar het onzichtbaar verschiet van domineesland: “Slechts door de organische eenheid van Soldaat en Burger (van Burger en Dichter als men wil) te erkennen, zal men een moraal kunnen scheppen, die gezien het anthropologisch primaat van de Macht, zeer zeker niet ideaal zal zijn en die ongetwijfeld geen “eeuwige vrede” zal brengen, maar die althans de Macht binnen zekere grenzen van Waardigheid en redelijk fatsoen (waarom niet Redelijk

[p. 306]

Fatsoen?) zal kunnen houden.” Toen heb ik het hoofd gebogen.’

Sierksma merkte verder op: ‘Deze cocktail Nietzsche-Vorrink smaakt niet. De menselijke hoogspanning liquideert men niet door de draad aan de kant van geest en norm door te snijden, of bijna door te snijden. Als het geval dan knapt heeft Rodenko op de vraag: hoe knoop ik de eindjes weer aan elkaar? het afdoende antwoord klaar: door ze aan elkaar te knopen. “Organische eenheid”, maar natuurlijk. In de s.s. elite waren waardigheid en macht ontegenzeggelijk organisch verbonden. Diese herrliche Kerle...’51

De derde aflevering bevatte verder een viertal kwatrijnen van A. Marja, een beschouwing van Sierksma over de poëzie van J.C. Bloem en een recensie van Camus' roman La peste door Hans van Straten.

Kort hierna, op 9 december, stuurde Fokke Sierksma aan Gerrit Borgers zijn al eerder aangekondigde essay over De avonden van Simon van het Reve. Hij schreef: ‘Hierbij mijn critiek op De avonden. Sjoerd Leiker, Nagel en Rodenko zijn ook met De avonden bezig. Dan kunnen we alle vier mooi in no. 5 plaatsen, 'k Vind het een aardig idee. Sjoerd Leikers bericht dat hij erover zou schrijven was voor mij reden om Wim en Paul op te poken.’52 Het zesde nummer van Podium, dat in maart zou verschijnen, zou grotendeels aan Van het Reve's boek gewijd zijn.

Eind november was intussen aan het samenwonen in het ‘Podium Building’ een eind gekomen. Op 15 december schreef Gerrit Borgers aan Hans van Straten: ‘Verder weinig nieuws dan dat ik razend druk ben en we de kelder met een bloedend hart vaarwel hebben moeten zeggen [...].’53 Borgers' vrouw, die een kind verwachtte, en hij hadden in die tijd van woningnood nog steeds geen eigen huis gevonden en waren daarom maar bij zijn ouders in Bussum ingetrokken. Anne Wadman, die begin 1948 leraar Nederlands aan het Heerenveens Lyceum zou worden, was naar het Friese dorp Langweer verhuisd. Dat de huiselijke irritaties in het ‘Podium Building’, waarvan eerder sprake was, aan hun vriendschap geen einde hadden gemaakt, blijkt uit het feit dat Annie en Gerrit Borgers hun zoon, die eind december 1947 geboren werd, de naam Eise Anne zouden geven.

Kort daarna kwam het vierde nummer (januari 1948) van Podium uit. In de rubriek ‘De proppenschieter’ van deze aflevering werd een ballade van S. Vestdijk opgenomen, waarin deze zich keerde tegen de gewoonte van allerlei critici om hem in navolging van Menno ter Braak een ‘duivelskunstenaar’ te noemen. Het gedicht van Vestdijk was getiteld ‘Ballade van de oorspronkelijkheid’:

 
Hoe zou het toch de laatste jaren komen
 
Dat in elk daag'lijksch en elk maand'lijksch blad
[p. 307]
 
't Woord ‘duivelskunstenaar’ is opgenomen,
 
Dat toch voordien niet zooveel aftrek had?
 
Naar 't schijnt wordt de oorsprong iemand toegeschreven
 
Die aan oorspronk'lijkheid zijn oordeel mat.
 
Tsa aapjes, fiks de kop maar opgeheven.
 
Ter Braak is dood, en doet dus niemand wat.
 
 
 
Er zijn toch waarlijk nog wel and're woorden,
 
Ook voor 't geval gij Koenen niet bezat.
 
Gij zijt toch geen Urbanus van de Voorde?
 
Gij gaat op eigen been toch op pad?
 
O spaar mij deze Kelk met zijn aankleve
 
Van 't zuurzoet woord verzuurd in 't holste vat.
 
Oorspronk'lijkheid werd ook u meegegeven...
 
‘Och stik, hij's dood, en doet dus niemand wat.’
 
 
 
Hoe zou het wezen wanneer in den lijve
 
Menno ter Braak eens bij u binnentrad,
 
Terwijl gij aan uw opstel zat te schrijven,
 
Het hem ontleende woord reeds ferm in 't klad?
 
Gij zoudt toch wel heel even voor hem beven,
 
Als 't kleine muisje voor de groote kat...
 
Tsa di