A.[A]A, v. 1e letter van het alfabet; (muz.) de noot la; (rom. get.) 500; A, 5000; (alg.) aanduiding meestal voor het bekende getal in de vergelijkingen; in de scheik. beteekent A azijnzuur; op recepten van geneesheeren beteekent āā van elk evenveel; Frankfort a/M., am Main; A of Ao., anno, in het jaar, ten jare; van - tot z, alles, zonder iets te vergeten; wie - zegt, moet ook b zeggen, eens begonnen, moet men ook voortgaan en eindigen. A.B., Aurea bulla, de gouden bul; A.C. Anno Christi, in het jaar van Christus; (ook) Anno currentis, van het loopende jaar; A. Chr., Ante Christum, vóór Christus; A.C.N. of A. Chr. N., Ante Christum natum, vóór de geboorte van Christus; Ac., Academia, hoogeschool; A.D., Anno Domini, in het jaar des Heeren; A.E., Archi-episcopius, aartsbisschop; A.F., Anni futuri of Anno futuro, van of in het toekomende jaar; A.H.L., Ad hunc locum, te dezer plaatse; A.L.M. Artium liberalium magister, meester in de vrije kunsten; A.M., Anno mundi, in het jaar der wereld; (ook) Amica manu, door of met de hand eens vriends (op het adres van eenen brief); An. of Annex., Annexum, aangehecht; A.O.C., Ab orbe condito, sedert de schepping der wereld; A.O.R., Anno orbis redemti, in het jaar na de verlossing der wereld; A.P., Amsterdamsch peil; A.P. of Ao. Po., Ao. Pr., Anno passato, Anno praeterito, in het afgeloopen of voorgaande jaar; A. SS., Acta Sanctorum, de handelingen der heiligen; A.U.C., Ante urbem conditam, vóór de stichting der stad (Rome); (ook) Anno urbis conditae of ab urbe condita, na de stichting der stad (Rome); A.U.S., Actum ut supra, gedaan als boven (op akten enz.). [Aa]Aa, v. water; naam eener rivier. [Aaf, Ave]Aaf, Ave, v. (aven), naaf, gat in een rad of wiel voor de as. *-BAND, m. -en), aaf-, naafbeslag. *-SCH, ↑ bn. en bijw. *-S-HANDS, ↑ bijw. averegts, verkeerd; onhandig; links. [Aagt]Aagt, v. (B.m. en v.) (-en), appel. *-, verkorte vrouwen-naam, Agatha. *-APPEL, AAGJESAPPEL, m. (-en). [Aai]Aai, m. liefkozing. *-, tw. smartkreet. *-JEN, bw. gel. (ik aaide, heb geaaid), liefkozen, streelen. [Aak]Aak, v. (aken) platbodemd vaartuig; bovenlandsche -, = NAAK. *-ROER, o. (-en). *-SCHIPPER, m. (-s). *-SCHUIT, v. (-en). [Aakse]Aakse, (B. AKST, AKSTE, AXT), v. (-n), bijl. *...STER, m. EKSTER, (-s), vogel. [Aal]Aal, m. (alen), visch; een gladde -, (fig.) iets onbestendigs, onbepaalds; hij is zoo glad als een -, § hij is doodarm. *-, v. ale (drank, bier). *-, ↑ bijw. zeer, in hooge mate, in: aaloud enz. *-, *-TJE, (B. *-TJEN), o. kleine aal. -, v. verkorte vrouwennaam, Alida. *-FUIK, v. (-en), korf. *-GEER, m. (...geren), elger, vork om aal te steken. *-IJZER, o. (-s). *-KAAR, v. (...karen), vischhouwer waarin aal of paling wordt opgefokt. *-KORF, m. (...korven) = AALFUIK. *-MAAL, o. (...malen) geregt -, spijs van aal. *-LIJK, ↑ bijw. geheel en al, ten eenenmale. *-RIJK, bn. (-er, -st), overvloedig van aal voorzien. *-SCHAAR, v. (...scharen). *-SOEP, v. (-en). *-SPEER, v. (...speren) = AALGEER. *-SPEET, v. (B.v. en o.) (...speten). *-STAART, m. (-en). *-STEEK, m. gmv. het regt aal te steken; het steken van aal. *-STEKER, m. = AALGEER; (ook) aalvanger, de persoon die aal vangt. *-VORMIG, bn. (-er, -st). [Aalbes]Aalbes, v. (-sen), *...BEZIE, v. (...beziën). *-SENBOOM, m. (-en). *-SENGAARD, m. (-en). *-SENGELEI, v. (-jen). *-SENNAT, o. *-SENNAP, o. *-SENSOP, o. gmv. *-SENSTRUIK, m. (-en). *-SENTROS, m. (-sen). *-SENWIJN, m. gmv. [Aalmoes]Aalmoes, v. (...moezen), gift aan eenen arme of bedelaar. *-, o. geregt van aal. *-NIER, m. = AALMOEZENIER. *-SENIERSKAMER, v. de - te Utrecht, het burgerlijk armbestuur aldaar. [Aalmoezenier]Aalmoezenier, m. (-s). *-STER, v. (-s), (oudt.) die belast was met het uitdeelen van aalmoezen. *-, groot-, zekere waardigheidsbekleeder. *-SHUIS, o. (...huizen). *-SKIND, o. (-eren). *-SCHAP, o. betrekking -, waardigheid van aalmoezenier. [↑ Aaloud]↑ Aaloud, bn. aloud, zeer oud. *-HEID, v. gmv. [Aalst]Aalst, m. en v. (-en), elst, priem. *-, v. gmv. zekere plant. [Aalsvel]Aalsvel, o. (-len), vel -, huid van eenen aal. [Aaltolletje]Aaltolletje, o. (-s), draaitolletje. [Aam]Aam, o. (B.m. en o.) (amen), vat; een - jenever, = 1.552 ned. vat; een - olie, = 1.455 ned. vat. [Aamborstig]Aamborstig, bn. (-er, -st), aan eene borstkwaal lijdende. *-HEID, v. gmv. *...ECHTIG, *...ACHTIG, bn. (-er, -st), hijgende, bijna ademloos. *...TOGT, (B.4.TOCHT), m. ademtogt, ademhaling. [Aan]Aan, vz. en bijw. het vuur is -, het vuur brandt; ik heb mijnen jas -, aangetrokken; dat gaat niet -, dat kan zoo niet gaan of geschieden; daar ligt het -, dit is het moeijelijke van de zaak; de schuit is -, aangekomen; zijt gij er reeds -? reeds zoo ver gevorderd? *-AARDEN, bw. gel. (ik aardde aan, heb aangeaard), met aarde ophoopen, bijwerken, ophoogen. *-AARDING, v. gmv. *-ADEMEN, *-ASEMEN, bw. gel. (ik ademde of asemde aan, heb aangeademd, ...asemd, met den adem over iets heengaan; (boekb.) het goud aanademen. *-ARBEIDEN, bw. gel. (ik arbeidde aan, heb aangearbeid), bijwerken, doorwerken. [Aanbaffen]Aanbaffen, bw. gel. (ik bafte aan, heb aangebaft), aanblaffen; § iem. naschreeuwen, vinnig toespreken. *...BAGGEREN, bw. gel. (ik baggerde aan, heb aangebaggerd). *...BAKKEN, ow. bw. gel. (het of
ik bakte aan, het is of ik heb aangebakken), vastbakken aan de pan enz.; vlijtig doorbakken. *...BAKKING, v. gmv. *...BAKSEL, o. (-s), het aangebakkene. *...BALKEN, bw. ow. gel. (ik balkte aan, heb aangebalkt), aanblaffen; gedurig balken, schreeuwen, tieren. *...BAREN, ow. gel. (ik baarde aan, heb aangebaard), (zeew.) aanvaren; alle zeilen bijzetten; aan boord komen. *...BARING, v. (-en), aanzeiling. *...BASSEN, bw. gel. (ik baste aan, heb aangebast), aanblaffen. [Aanbeeld]Aanbeeld, o. (B.m.) (-en), smidswerktuig; § altoos op hetzelfde - slaan, altoos op hetzelfde onderwerp terugkomen. *-BEEN, o. (ontl.). *-BLOK, o. (-ken). *-BLOKJE, (B. -N), o. (-s.), stuk hout waarop het aanbeeld rust. [Aanbeeren]Aanbeeren, ow. gel. (ik beerde aan, heb aangebeerd), alle zeilen bijzetten. *...BEGIN, o. = BEGIN. -NEN, ow. ong. = BEGINNEN. *...BEHOOREN, ow. gel. (ik behoorde aan, heb behoord aan), toebehooren. [Aanbei]Aanbei, (B. AMBEI), v. (-jen, B. -en), gezwollen speenaders. [Aanbelang]Aanbelang, o. = BELANG; gewigt. *-EN, onp. w. gel. (wat aanbelangt, en in geen anderen vorm gebruikelijk), betreffen. *...BELLEN, ow. gel. (ik belde aan, heb aangebeld), aan eene bel of schel trekken. *...BERG, m. (-en), steile kaap, voorgebergte, heuvel. *...BESTEDEN, bw. gel. (ik besteedde aan, heb aanbesteed), de uitvoering van eenig werk of de levering van zekere voorwerpen tegen een bepaalden prijs opdragen. *...BESTEDER, m. (-s.) *...BESTEDING, v. (-en). *...BESTEEDSTER, v. (-s.) *...BESTELLEN, bw. gel. (ik bestelde aan, heb aanbesteld), laten maken, opdragen te leveren. *...BESTERVEN, ow. ong. (het bestierf aan, is aanbestorven), bij erfenis toevallen. *...BESTERVING, v. (-en). *...BETEREN, ow. gel. (ik beterde aan, ben aangebeterd), beginnen te beteren. *...BETROUWEN, bw. gel. (ik betrouwde aan, heb aanbetrouwd), toevertrouwen. *...BEUREN, bw. gel. (ik beurde aan, heb aangebeurd). *...BEVELEN, bw. ong. (ik beval aan, heb aanbevolen), verzoeken aan iets bevorderlijk te zijn, - iemand bij te staan, - zorg voor iem. of iets te dragen. *...BEVELENSWAARD, -IG, bn. (-er, -iger, -st, -igst). *...BEVELER, m. (-s). *...BEVELING, v. (-en). -SBRIEF, m. (...brieven), recommandatie-brief. *...BEVEELSTER, v. (-s). *...BIDDELIJK, (B...BIDLIJK), bn. en bijw. (-er, -st), aanbiddenswaard; uitstekend, uitmuntend. *...BIDDELIJKHEID, v. gmv. *...BIDDEN, bw. ong. (ik bad aan, heb aangebeden). *...BIDDENSWAARD, -IG, bn. en bijw. (-er, -iger, -st, -igst). *...BIDDER, m. (-s). *...BIDDING, v. gmv. *...BIDSTER, v. (-s). *...BIEDEN, bw. ong. (ik bood aan, heb aangeboden), ter aanneming voorstellen of vertoonen. *...BIEDER, m. (-s). *...BIEDING, v. (-en). *...BIEDSTER, v. (-s). *...BIJT, o. gmv. ontbijt. *...BIJTEN, bw. ong. (ik beet aan, heb aangebeten), bijten in, op of aan iets; sterk persen; (fig.) zich tot iets laten overhalen. *...BINDEN, bw. ong. (ik bond aan, heb aangebonden), vereenigen, vasthechten; zamenkoppelen; (ook tuin.); (fig.) dringend aanbevelen, doordrijven; kort aangebonden zijn, driftig van aard zijn. *...BINDER, m. (-s). *...BINDING, v. gmv. *...BINDSTER, v. (-s). *...BLAFFEN, bw. gel. (ik blafte aan, heb aangeblaft), blaffende naderen. *...BLAFFER, m. (-s). *...BLAFFING, v. (-en). *...BLAFSTER, v. (-s). *...BLATEN, bw. gel. (ik blaatte aan, heb aangeblaat).
*...BLAZEN, bw. ong. (ik blies aan, heb aangeblazen), door blazen doen ontvlammen; (fig.) aanhitsen, aanzetten, opstoken. *...BLAZER, m. (-s). *...BLAASSTER, v. (-s); (ook fig.) stokebrand. *...BLAZING, v. (-en). *...BLIJVEN, ow. ong. (ik bleef aan, ben of heb aangebleven), voortdurend vastgehecht zijn; een ambt -, eene betrekking blijven waarnemen. *...BLIK, m. gmv. *...BLIKKEN, bw. ow. gel. (ik blikte aan, heb aangeblikt), beschouwen, zien, het oog op iets of iem. gevestigd houden; fonkelen, licht afwerpen; aanbreken. *...BLINKEN, ow. gel. (ik blonk aan, heb aangeblonken), beginnen te schijnen, aanbreken. *...BOD, o. gmv. aanbieding. *...BOFFEN, bw. gel. (ik bofte aan, heb aangeboft), op iets of iem. slaan. *...BONZEN, ow. gel. (ik bonsde aan, heb aangebonsd), ruwelijk tegen iets stooten. *...BOORDEN, ow. gel. (ik boordde aan, heb aangeboord), aan boord komen; ijverig voortboorden (schoenen enz.); = AANBAREN. *...BOTSEN, ow. gel. (ik botste aan, heb aangebotst), tegen iets stooten. *...BOTSING, v. (-en). *...BOUW, m. -ING, v. gmv. het bouwen, bebouwen. *...BOUWEN, bw. gel. (ik bouwde aan, heb aangebouwd), bijbouwen. *...BOUWER, m. (-s). *...BOUWSTER, v. (-s). *...BRAAK, v. (B). het aanbreken. *...BRANDEN, ow. gel. (ik brandde aan, heb aangebrand), door te zware hitte zich met eene korst vasthechten (aan eene pan enz.); § eene venerische ziekte opdoen. *...BRANDING, v. gmv. *...BRANDSEL, o. gmv. het aangebrande. *...BRASSEN, bw. gel. (ik braste aan, heb aangebrast), (zeew.) de brassen aanhalen; de zeilen tegen de masten -. *...BREIJEN, (B. *...BREIEN), bw. ow. gel. (ik breide aan, heb aangebreid), stukken aan kousen zetten; vlug breijen. *...BREKEN, ow. bw. ong. (ik of het brak aan, ik heb of het is aangebroken); beginnen, opkomen, ontluiken; aan iets beginnen; het - van den dag. *...BREKING, v. mv. *...BRENGEN, bw. onr. (ik bragt aan, heb aangebragt), ergens heen voeren, dragen; (fig.) verklikken; bekend maken, berigten, veroorzaken, te weeg brengen. *...BRENGER, m. (-s). *...BRENGING, v. gmv. *...BRENGSTER, v. (-s). *...BRIESCHEN, ow. gel. (het paard briescht aan, heeft aangebriescht). *...BROMMEN, bw. gel. (ik bromde aan, heb aangebromd). *...BRUIJEN, (B. *...BRUIEN), bw. ow. gel. (ik bruide aan, ben of heb aangebruid), werpen -, smijten tegen. *...BRUISEN, (B. *...BRUISCHEN), ow. bw. gel. (ik bruiste aan, heb aangebruist), een suizend geluid maken; (fig.) onstuimig bejegenen. *...BRUISING, v. gmv. *...BRULLEN, bw. gel. (de leeuw brulde aan, heeft aangebruld). *...BRULLING, v. gmv. *...BUIGEN, bw. ong. (ik boog aan, heb aangebogen), naar iets toe- of heenbuigen). [Aandacht]Aandacht, v. gmv. *-IG, bn. (-er, -st), *-IGLIJK, bijw. *-ELOOS, bn. (-eloozer, -eloosst), (beter: meest aandachteloos), zonder aandacht. [Aandansen]Aandansen, ow. gel. (ik danste aan, heb aangedanst), dansende naderen; doordansen. [Aandeel]Aandeel, o. (-en). *-HEBBER, *-HOUDER, m. (-s), *-HOUDSTER, v. (-s), bezitter (bezitster) van aandeelen, deelnemer in eene zaak. [Aandenken]Aandenken, o. gmv. herinnering. *...DICHTEN, bw. gel. (ik dichtte aan, heb aangedicht), verzinnen, uitdenken, te last leggen. *...DICHTING, v. (-en). *...DIENEN, bw. gel. (ik diende aan, heb aangediend),
voorstellen, aanmelden; zich laten -. *...DIEPEN, bw. gel. (ik diepte aan, heb aangediept), dieper maken; (zeew.) loodende en peilende het land naderen. *...DIKKEN, ow. bw. gel. (ik dikte aan, ben of heb aangedikt), dikker worden; dikker maken. *...DISSCHEN, bw. gel. (ik dischte aan, heb aangedischt) = AANREGTEN. *...DISSCHING, v. gmv. [Aandoen]Aandoen, bw. onr. (ik deed aan, heb aangedaan), aantrekken, zich bekleeden met; (zeew.) in eene haven binnenvallen; landen; aantasten, aanranden; (fig.) schokken, gevoelig maken, treffen; veroorzaken (verdriet); te weeg brengen (overlast); iemand een proces -, in regten vervolgen. *-ING, v. (-en). *-LIJK, bn. (-er, -st). *-LIJKHEID, v. gmv. [Aandoren]Aandoren, m. (-s), zekere plant; = ANDOREN. [Aandouwen]Aandouwen, bw. gel. (ik douwde aan, heb aangedouwd) = AANDUWEN. *...DRAAIJEN, (B. DRAAIEN), bw. gel. (ik draaide aan, heb aangedraaid), draaijende digter maken of beter doen sluiten; twee voorwerpen aan elkander draaijen; (fig.) iemand een wassen neus -, om den tuin leiden; duur verkoopen; (zeew.) touwwerk bij elk. houden; (fig.) komen -, talmende aankomen; (ook) weder te laat komen. *...DRAAIJING, v. gmv. *...DRAGEN, bw. ong. (ik droeg aan, heb aangedragen), ergens heen dragen; (fig.) klikken; voorstellen, voorslaan; een huwelijk -. *...DRAGER, m. (-s). *...DRAAGSTER, v. (-s). *...DRANG, m. gmv. opeenhooping van menschen enz.; nadruk bij het doen van een verzoek. *...DRAVEN, ow. gel. (ik draafde aan, heb aangedraafd), hard loopen. *...DRENTELEN, ow. gel. (ik drentelde aan, heb of ben aangedrenteld), zeer langzaam voortloopen. *...DRIBBELEN, ow. gel. (ik dribbelde aan, heb of ben aangedribbeld), met kleine sprongen naderen. *...DRIFT, v. gmv. neiging der natuur; vuur, geestdrift. *...DRIJVEN, bw. ow. ong. (ik dreef aan, heb of ben aangedreven), voortstuwen, jagen; (fig.) bezielen, aansporen, aanzetten; dieper inslaan (eenen spijker); door het water enz. aangespoeld worden; (fig.) uit den vreemde komen. *...DRIJVER, m. (-s). *...DRIJFSTER, v. (-s). *...DRIJVING, v. (-en). *...DRINGEN, bw. ow. ong. (ik drong aan, heb of ben aangedrongen), digter aaneensluiten, zamenpakken; (fig.) aanhooren, bewegen, nopen; vooruitdrijven (eenen volkshoop); aangesloten -, opeengepakt worden; op iets -, met aandrang begeeren of verlangen. *...DRINGER, m. (-s). *...DRINGSTER, v. (-s). *...DRINGING, v. gmv. *...DRUISCHEN, ow. gel. (ik druischte aan, heb aangedruischt), stuiten tegen, in strijd zijn met; dit druischte tegen het verstand aan. *...DRUISCHING, v. (-en). *...DRUKKEN, bw. gel. (ik drukte aan, heb aangedrukt), digter of vaster drukken; vlijtig doordrukken. *...DRUKKING, v. (-en). *...DUIDEN, bw. gel. (ik duidde aan, heb aangeduid), verklaren, uitleggen; wijten, toeschrijven. *...DUIDING, v. (-en). *...DURVEN, bw. gel. en onr. (ik durfde of dorst aan, heb aangedurfd), iets of iem. -, tegen iets of iem. opgewassen zijn. *...DUWEN, bw. gel. (ik duwde aan, heb aangeduwd), tegen iets of iem. duwen. [Aaneen]Aaneen, bijw. (B. AAN EEN), achtereenvolgens, te zamen. *-, vz. aan elkander vast; scheidb. bij sommige werkwoorden, b.v.
*-BINDEN, *-BRENGEN, *-DOEN, *-FLANSEN, *-GROEIJEN, *-HANGEN, *-HECHTEN, *-KETENEN, *-KLAMPEN, *-KNOOPEN, *-LASSCHEN, *-LIJMEN, *-NAAIJEN, *-RIJGEN, *-SCHAKELEN, *-SPIJKEREN, *-VOEGEN, wier beteekenis en verandering op de hoofdwoorden zelven te vinden zijn; van deze werkwoorden zijn afgeleid de v. zn. *-BINDING, *-BRENGING, *-FLANSING, *-GROEIJING, *-HECHTING, *-KETENING, *-KLAMPING, *-KNOOPING, *-LASSCHING, *-LIJMING, *-NAAIJING, *-RIJGING, *-SCHAKELING, *-SPIJKERING, *-VOEGING. [Aanerven]Aanerven, bw. gel. (ik erfde aan, heb aangeërfd), erfelijk of bij erfenis ontvangen, met de geboorte mede ter wereld brengen. *-ERVING, v. (-en). *...FLUITEN, bw. ong. (ik floot aan, heb aangefloten), zeker door den wind veroorzaakt geluid van het riet of de bladeren met de lippen nabootsen; tot of tegen iets fluiten; (fig.) uitjouwen. *...FLUITING, v. (-en). *...FOKKEN, bw. gel. (ik fokte aan, heb aangefokt), aankweeken, opvoeden (vee, geboomte). *...FOKKER, m. (-s). *...FOKKING, v. (-en). *...FOKSTER, v. (-s). [Aangaaf]Aangaaf, *...gave, v. (...gaven), ontwerp, plan, schets; mededeeling, verklaring (ter veraccijnsing); beschuldiging. *...GAAN, ow. bw. onr. (ik ging aan, ben of heb aangegaan), schielijk gaan, vooruit komen; (fig.) beginnen (te branden); goed uitvallen, slagen; dat gaat niet aan; uitvoerbaar -, mogelijk -, dragelijk zijn; tieren, razen; vertrouwen op; sluiten (een huwelijk, een verbond); betreffen, wat mij aangaat; wat gaat het u aan? wat raakt het u? welk belang hebt gij er bij? *...GAANDE, vz. betreffende. *...GANG, m. gmv. begin; eerste stap; - maken, (zeew.) sturen, stevenen, koers leggen of houden. *...GALOPPEREN, ow. gel. (ik galoppeerde aan, heb aangegaloppeerd), in galop naderen. *...GAPEN, bw. gel. (ik gaapte aan, heb aangegaapt), verwonderd of dom met den open mond aanstaren. *...GAPING, v. gmv. [Aangeboren]Aangeboren, 1) vd. en bn. eigenaardig, natuurlijk, ingeschapen. *...GEDAAN, vd. en bn. getroffen, bewogen, verteederd. *...GEHAALD, *...GEHOUDEN, vd. en bn. in beslag genomen; (fig.) (plaats) aan (een boek) ontleend. *...GEHUWD, vd. en bn. door huwelijk vermaagschapt. *...GEKLAAGD, vd. en bn. beschuldigd, betigt. -E, m. en v. (-n). *...GEKOMEN, vd. en bn. (fig.) toegenomen (in krachten). *...GELEERD, dw. en bn. geoefend, bedreven. *...GELEGEN, vd. en bn. digtbijgelegen, belendende; belangrijk, gewigtig. -HEID, v. (...heden), belangrijkheid; zaak. *...GEMERKT, vd. en bn. opgemerkt. -, vw. naardien, vermits, dewijl. |
1) Niet alle verleden deelwoorden met AANGE beginnende zijn hier opgenomen; wij hebben ons bepaald tot de vermelding van de voornaamste onder dezulken die meestal als bijvoegelijke naamwoorden gebezigd worden.
|
[Aangenaam]Aangenaam, bn. en bijw. (...namer, ...naamst). *-HEID, v. (...heden). *...GENAMELIJK, bijw. [Aangenomen]Aangenomen, vd. en bn. een - werk (bij aanbesteding); een - kind. *-, vz. gesteld; verondersteld. [Aangespen]Aangespen, bw. gel. (ik gespte aan, heb aangegespt), met eene gesp vastmaken, toehalen; den degen -. *...GESPING, v. gmv. [Aangesteld]Aangesteld, vd. en bn. benoemd. *...GESTORVEN, vd. en bn. door erfenis verkregen. *...GETOGEN, vd. en bn. aangetrokken; (fig.) aangehaald, bijgebragt; zie AANTIJGEN. [Aangeven]Aangeven, bw. ong. (ik gaf aan, heb aangegeven), overgeven, toereiken, aanklagen, beschuldigen; (muz.) opheffen; den toon -, de eerste zijn;(zich) aanmelden; verklaren, declareren (bij de voldoening van regten). *...GEVER, m. (-s). *...GEEFSTER, v. (-s). *...GEVING, v. (-en), declaratie (van accijns enz.). [Aangevroren]Aangevroren, vd. en bn. vastgevroren. *...GEZET, vd. en bn. scherp gemaakt, gewet; (fig.) vervalscht (van wijn). *...GEZIEN, vd. en bn. -, vw. dewijl, vermits, omdat. [Aangezigt]Aangezigt, o. (-en), gelaat. *-SKENNER, m. (-s). *-SKUNDE, v. gmv. *-SKUNDIGE, m. (-n). *-SPIJN, v. (-en). *-SWIKKER, m. (-s), beoefenaar der gelaatkunde. [Aangieten]Aangieten, bw. ow. ong. (ik goot aan, heb aangegoten), gietende aaneenvoegen; ijverig-, vol gieten. *...GIETING, v. (-en). *...GIFT, -E, v. (-en, -n) = AANGAAF. *...GLIJDEN, ow. ong. (ik gleed aan, heb of ben aangegleden), glijdende naderen; vlug glijden. *...GLIMMEN, ow. ong. (ik glom aan, ben aangeglommen), vuur vatten, ontvlammen. *...GLINSTEREN, ow. gel. (ik glinsterde aan, heb aangeglinsterd), glanzen, beschijnen. *...GLOEIJEN, bw. ow. gel. (ik gloeide aan, heb of ben aangegloeid), ontsteken, in vuur zetten; in gloed of vuur geraken. *...GLOEIJING, v. (gmv.) *...GLUREN, bw. gel. (ik gluurde aan, heb aangegluurd), steelsgewijs aanzien, van ter zijde beschouwen. *...GLURING, v. (-en), steelsche blik. *...GLUURDER, m. (-s.) ...STER, v. (-s.) *...GOOIJEN, (B. *...GOOIEN), bw. gel. (ik gooide aan, heb aangegooid), tegen of op iets werpen. *...GOOIJING, v. (-en). *...GORDEN, bw. gel. (ik gordde aan, heb aangegord), door middel van eenen gordel vasthechten. *...GORDING, v. (-en.) *...GRAAUWEN, bw. gel. (ik graauwde aan, heb aangegraauwd), norsch bejegenen, ruw toespreken. *...GRAAUWER, m. (-s). *...GRAAUWSTER, v. (-s). *...GRAAUWING, v. (-en). *...GRENIKEN, *...GRINNIKEN, bw. gel. (ik grenikte of grinnikte aan, heb aangegrenikt of aangegrinnikt), met eenen spottenden glimlach aanzien. *...GRENZEN, ow. gel. (ik grensde aan, heb gegrensd aan), digt bij liggen, aanpalen, belenden. *...GRENZEND, td., bn. *...GRENZING, v. gmv. *...GRIJNEN, bw. gel. (ik grijnde aan, heb aangegrijnd), met eene vertrekking van den mond aanschouwen of toespreken. *...GRIJNING, v. (-en). *...GRIJNZEN, bw. gel. (ik grijnsde aan, heb aangegrijnsd), kuren (tegen iem.) maken. *...GRIJNZING, v. (-en). *...GRIJPEN, bw. ong. (ik greep aan, heb aangegrepen), met de hand aanvatten, vasthouden; (fig.) aanranden, aanvallen; (fig.) zich -, zich bijzonder inspannen. *...GRIJPER, m. (-s). *...GRIJPSTER, v. (-s). *...GRIJPING, v. (-en). *...GRIMMEN, bw. gel. (ik grimde aan, heb aangegrimd), toornige blikken (op iem.) werpen. [Aangroei]Aangroei, m. *...JING, v. (-en), toeneming, vergrooting; (gen.) uitwas. *-JEN, (B. *-EN), ow. gel. (ik groeide aan, ben aangegroeid),
goed opgroeijen, opwassen; (aan iets) vastgroeijen. *...GROMMEN, bw. gel. (ik gromde aan, heb aangegromd), knorrende -, morrende bejegenen. *...GROMMER, m. (-s). *...GROMSTER, v. (-s). *...GROMMING, v. (-en). [Aanhaken]Aanhaken, bw. ow. gel. (ik haakte aan, heb of ben aangehaakt), met eenen haak vasthechten of vastgehecht zijn; (ook) vasthaken. *...HAKING, v. (-en). *...HALEN, bw. gel. (ik haalde aan, heb aangehaald), naar zich toetrekken; aanhouden, in beslag nemen; lokken; ontleenen (eene plaats uit een boek enz.); eene streep of een teeken (bij iets) plaatsen. *...HALER, m. (-s). *...HAALSTER, v. (-s). *...HALIG, bn. (-er, -st), aanlokkend, innemend. -HEID, v. gmv. *...HALING, v. (-en). -STEEKEN, o. dubbele kommaas, guillemets, (,,). [Aanhang]Aanhang, m. gmv. partij, vereeniging. *-EN, bw. ow. ong. (ik hing aan, heb of ben aangehangen), op of bij iets hangen, zamenhangen, vereenigen; lang in het geheugen blijven; (fig.) besteden (geld aan iets); aan (iets) gehangen zijn; hangende vast zijn; (iem. of iets) toegedaan zijn, aan (iem. of iets) gehecht zijn; eigen zijn (van ziekten, kwade gewoonten); (fig.) der kat de bel -, een waagstuk ondernemen; aan den spijker -, verschoven -, uitgesteld zijn; het hangt alleen daaraan, alleen daarvan kan men den afloop (eener zaak) verwachten; aan een zijden draad hangen, onzeker zijn. *-END, td. en bn. er toe behoorende. *-ER, m. (-s). *-IG, bn. en bijw. de zaak is -, in geschil, nog niet beslist. *-ING, v. gmv. *-SEL, o. (-s), toe-, bijvoegsel, vervolg; codicil; bijlage. *-STER, v. (-s). [Aanharken]Aanharken, bw. gel. (ik harkte aan, heb aangeharkt), vlijtig -, vlug harken. *...HEBBEN, bw. onr. (ik had aan, heb aangehad), dragen (een kleedingstuk); verliezen de partij (in het spel); wat heb ik er aan? welk nut kan ik er uit trekken? *...HECHTEN, bw. gel. (ik hechtte aan, heb aangehecht), vast maken, zamenvoegen; annexeren. *...HECHTER, m. (-s). *...HECHTING, v. (-en); - van grondgebied, vergrooting van eenen staat; annexatie. *...HECHTSTER, v. (-s). *...HEER, ↑ m. (-en), eerste stamvader. *...HEF, m. gmv. begin, aanvang (inz. bij muz. en zang). *...HEFFEN, bw. ong. (ik hief aan, heb aangeheven), beginnen, instellen. *...HEFFER, m. (-s). *...HEFFING, v. (-en). *...HEFSTER, v. (-s). *...HEFTEN, bw. gel. = AANHECHTEN. *...HELPEN, bw. ong. (ik hielp aan, heb geholpen aan), behulpzaam zijn (ter verkrijging van eene betrekking enz.); helpen aantrekken (een kleed). *...HIJGEN, ow. gel. en ong. (ik hijgde of heeg aan, heb aangehijgd of aangehegen), buiten adem komen aanloopen; hijgende toeademen. *...HIJSCHEN, bw. gel. en ong. (ik hijschte of heesch aan, heb aangehijscht of aangeheschen), ijverig hijschen. *...HITSEN, bw. gel. (ik hitste aan, heb aangehitst), door vuur heeter maken; opstoken, opruijen, aanzetten. *...HITSER, m. (s). *...HITSING, v. (-en). *...HITSTER, v. (-s). *...HOOGEN, bw. gel. (ik hoogde aan, heb aangehoogd), hooger maken. *...HOOGING, v. (-en). *...HOOPEN, bw. gel. (ik hoopte aan, heb aangehoopt), tot eenen hoop maken. *...HOOPING, v. (-en). *...HOOREN, bw. ow. gel. (ik hoorde aan, heb aangehoord, of heb gehoord aan), luisteren; toebehooren. *...HOORDER, m. (-s). *...HOORING, v. gmv. *...HOORSTER, v. (-s). *...HOORIG, bn. toebehoorende
aan; de -en, de huisgenooten; allen die tot het huis of het gevolg (van eenen koning enz.) behooren. -HEID, v. (...heden), belendende perceelen, landerijen enz. *...HOUDELIJK, bn. voortdurend, onafgebroken. *...HOUDEN, bw. ow. onr. (ik hield aan, heb aangehouden), - op iets; vasthouden, benaderen, in beslag nemen; handhaven; ophouden, verbergen; volharden; voortduren, met aandrang vragen of verzoeken; niet beslissen, opschorten; niet uittrekken of afleggen (kleedingstukken); (zeew.) koers zetten. -D, bn. zonder tusschenpoozen. *...HOUDER, m. (-s). *...HOUDING, v. (-en), beslag; benadering. *...HOUDSTER, v. (-s). *...HUILEN, bw. gel. (ik huilde aan, heb aangehuild), huilende of jankende iem. toeschreeuwen; blaffen (van eenen waakhond). *...HUPPELEN, ow. gel. (ik huppelde aan, ben aangehuppeld); komen -, springende of huppelende naderen. *...HUWELIJKING, v. (-en), (regt.) vermaagschapping door huwelijk. *...HUWEN, bw. gel. (ik huwde aan, heb of ben aangehuwd), door den echt verbinden, zich vereenigen. *...HUWING, v. (-en). [Aanjagen]Aanjagen, bw. ow. gel. en ong. (ik jaagde of joeg aan, heb aangejaagd), aan-, voortdrijven, vooruitduwen; veroorzaken (eenen schrik aan iem.); snel voortrijden. *...JAGING, v. (-en). *...JUICHEN, bw. gel. (ik juichte aan, heb aangejuicht) = TOEJUICHEN. [Aankanten]Aankanten (ZICH), ww. gel. (ik kantte mij aan, heb mij aangekant), zich verzetten. *...KANTING, v. (-en). *...KIJKEN, bw. ong. (ik keek aan, heb aangekeken), aanzien. *...KIJKING, v. gmv. aanblik. *...KLAGE, v. = AANKLAGT. *...KLAGEN, bw. gel. (ik klaagde aan, heb aangeklaagd), beschuldigen. *...KLAGER, m. (-s). *...KLAAGSTER, v. (-s). *...KLAGT, -E, (B. ...KLACHT) v. (-en, -n), beschuldiging. *...KLAMPEN, bw. gel. (ik klampte aan, heb aangeklampt), met klampen vastmaken; (fig.) (iem.) aanspreken, staande houden om hem aan te spreken; (zeew.) voor op zijde schieten, aan boord komen; aan boord klampen, (fig.) medeslepen. *...KLAMPER, m. (-s). *...KLAMPING, v. (-en). *...KLAMPSTER, v. (-s). *...KLEEDEN, bw. gel. ZICH -, ww. (ik kleedde (mij) aan, heb (mij) aangekleed), kleederen aantrekken. *...KLEEDER, m. (-s). *...KLEEDING, v. (-en). *...KLEEDSTER, v. (-s). *...KLEEFSEL, o. (-s), wat aan iets vast zit, wat tot iets behoort. *...KLEMMEN, bw. gel. (ik klemde aan, heb aangeklemd), drukken tegen; (fig.) ondersteunen. *...KLEMMING, v. (-en). *...KLEVE, v. gmv. toevoegsel, aanhoorigheid; met de - van dien, met al wat er toe behoort of er betrekking op heeft. *...KLEVEN, bw. ow. gel. (ik kleefde aan, heb of ben aangekleefd), met of door middel van kleefsel aan iets vastmaken of vastgemaakt zijn; (fig.) aan iets gehecht zijn, met iets verbonden zijn; blijven of volharden (bij een gevoelen enz.). *...KLEVING, v. gmv. *...KLIJVEN, (B.) = AANKLEVEN. *...KLOPPEN, bw. gel. (ik klopte aan, heb aangeklopt), tegen iets stooten, slaan, tikken; (fig.) bij iem. -, iem. om iets verzoeken. *...KLOPPING, v. gmv. *...KLOUWEN, bw. gel. (ik klouwde aan, heb aangeklouwd), door middel van splijting openen; (tuin.) harken. *...KNEDEN, bw. gel. (ik kneedde aan, heb aangekneed), knedende zamenvoegen; vlijtigkneden. *...KNIELEN, bw. gel. (ik knielde aan, heb aangeknield), met eerbied de knieën buigen; ten outer aangeknield. *...KNIJPEN, bw. ong. (ik kneep
aan, heb aangeknepen), knijpende twee voorwerpen aan elk. brengen. *...KNIJPING, v. (-en). *...KNIKKEN, bw. gel. (ik knikte aan, heb aangeknikt), = TOEKNIKKEN. *...KNIKKING, v. (-en). *...KNOOPEN, bw. gel. (ik knoopte aan, heb aangeknoopt), door middel van eenen knoop aan iets vastmaken of verbinden; (fig.) verbinden, in verband brengen met; beginnen (onderhandelingen) te voeren; handelsbetrekkingen -. *...KNOOPER, m. (-s). *...KNOOPING, v. (-en). *...KNOOPSTER, v. (-s). *...KOMELIJK, bn. (-er, -st), te naderen, waartoe men geraken of komen kan. *...KOMELING, m. en v. (-en), nieuw-, pas aangekomene, nieuweling; beginner, aanvanger; jonge knaap, -dochter. -SCHAP, v. gmv. jongelingschap. *...KOMEN, ow., onp. w., onr. (ik kwam aan, ben aangekomen); naderen; overkomen (van eene ziekte, een ongeluk); opschieten, groot worden; bekomen, erlangen, verkrijgen (eene erfenis); ik wil het daarop laten -, ik wil het er op wagen; het komt er op aan, het betreft, het is de vraag; het komt maar op u aan, het hangt slechts van u af; het komt er niet op aan, het behoeft niet; daarop zal het niet -, daaraan is zulk een groote behoefte niet; dit zal geen beletsel opleveren; er is geen - aan, het is niet te krijgen (door de groote navraag of de duurte); het komt op een paar dagen niet aan, het kan zeer goed een paar dagen langer duren; aangekomen goederen, (regt.) goederen welke eene vrouw bij het aangaan van haar huwelijk zich voorbehoudt of naderhand verkrijgt. *...KOMEND, bn. aanstaande; opgroeijende. *...KOMST, v. gmv. *...KONDIGEN, bw. gel. (ik kondigde aan, heb aangekondigd), bekend maken. *...KONDIGER, m. (-s). *...KONDIGING, v. (-en). *...KONDIGSTER, v. (-s). *...KOOIJEN, (B ...IEN), bw. gel. (ik kooide aan, heb aangekooid), (boekdr.) de vormen digt aanslaan. *...KOOP, m. (-en), gekocht eigendom. *...KOOPEN, bw. onr. (ik kocht aan, heb aangekocht), door koopen eigenaar worden van iets. *...KOOPING, v. gmv. *...KOPPELEN, bw. gel. (ik koppelde aan, heb aangekoppeld), zamenbinden, bijeenvoegen; (ook jag.) zes aan zes of vier aan vier koppelen; (fig.) paren, een huwelijk tot stand brengen. *...KOPPELING, v. (-en). *...KRAMMEN, bw. gel. (ik kramde aan, heb aangekramd), door middel van krammen vastmaken; ijverig krammen. *...KRAMMING, v. (-en). *...KRIJGEN, bw. ong. (ik kreeg aan, heb aangekregen), met moeite aantrekken (een kleed); verliezen (in het spel). *...KRIJTEN, bw. ong. (ik kreet aan, heb aangekreten), tegen iem. schreijen; doorschreijen. *...KRUIJEN, (B ...IEN), bw. gel. en ong. (ik kruide, krooi, krood aan, heb aangekruid, gekrooijen, gekroden), kruijende nader brengen; snel voortkruijen; opeenhoopen (van ijs). *...KRUIPEN, ow. ong. (ik kroop aan, heb of ben aangekropen), kruipende naderen. *...KRUIPING, v. (-en). *...KWAKKEN, bw. ow. gel. (ik kwakte aan, heb of ben aangekwakt), tegen iets smijten of aangesmeten zijn. *...KWEEKBAAR, bn. (-der, -st), geschikt-, vatbaar om aangekweekt te worden. *...KWEEKELING, m. en v. (-en) = KWEEKELING; (tuin.) jonge scheut of telg. *...KWEEKEN, (B. ook ...KWEKEN), bw. gel. (ik kweekte aan, heb aangekweekt), voeden, opvoeden, grootbrengen, verzorgen; (fig.) begunstigen; de ontwikkeling bevorderen. *...KWEEKER, m. (-s). *...KWEEKING, v. gmv. *...KWEEKSTER, v. (-s). *...KWISPELEN, ow. gel. (ik kwispelde aan, heb aangekwispeld), van vreugde -, vleijende kwispelstaarten (van honden enz.); (fig.) vleijen, streelen. [Aanlagchen]Aanlagchen, bw. gel. (ik lachte aan, heb aangelagchen, B. gelachen), = TOELAGCHEN; (fig.) het geluk lacht hem aan, de fortuin is hem gunstig; stille vreugde lacht mij aan, ik ondervind een aangename gewaarwording. *...LANDEN, ow. gel. (ik landde aan, ben aangeland), aan land varen of komen. *...LANDING, v. gmv. *...LANGEN, bw. gel. (ik langde aan, heb aangelangd), aan-, overreiken. *...LANGER, m. (-s). *...LANGING, v. gmv. *...LANGSTER, v. (-s). *...LAPPEN, bw. gel. (ik lapte aan, heb aangelapt), met lappen aaneenhechten; (fig.) te duur verkoopen; ik zal het hem wel -, ik zal wel zorgen dat hij het van mij koopt; aangelapt, verkocht (bij effectenhandelaars). *...LASSCHEN, bw. gel. (ik laschte aan, heb aangelascht), met lasschen aaneenhechten; (zeew.) in elkander splitsen (touwwerk). *...LASSCHING, v. (-en). *...LATEN, bw. ong. (ik liet aan, heb aangelaten), voorwerpen aan elk. vast laten; laten aanhouden (een kleedingstuk). *...LAVEREN, bw. gel. (ik laveerde aan, heb aangelaveerd), (zeew.) de zeilen heen en weder wenden opdat zij den vereischten wind krijgen; ijverig laveren. *...LEEREN, bw. ow. gel. (ik leerde aan, heb aangeleerd), vooruit komen in het leeren; een ambacht -. *...LEERING, v. gmv. [Aanleg]Aanleg, m. gmv. ontwerp, schets, plan; doel; bedoeling; natuurlijke geschiktheid; - hebben tot; (regt.) regtbank van eersten - of eerste instantie, regtbank van wier uitspraak hooger beroep toegelaten is. *-GEN, bw. ow. gel. en onr. (ik legde of leide aan, heb aangelegd of aangeleid), digt bij elkander leggen; schetsen; ontwerpen (eene teekening, schilderij enz.); stil houden, aan wal komen (van een vaartuig); doelen; zorgen te mikken (bij schieten); eischen (in regten); het er op -, iets opzettelijk doen; zijn geld wel -, wel besteden; eene stad -, stichten, grondvesten; eene fabriek -, oprigten; zich rijtuig -, aanschaffen; § met iem. -, zich met iem. inlaten. *-GER, m. (-s). *-GING, v. (-en). *-STER, v. (-s). [Aanleiden]Aanleiden, bw. gel. (ik leidde aan, heb aangeleid), leidende nader brengen, ergens heen brengen of voeren. -D, bn. de aanleidende (eerste of grond-) oorzaak. *...LEIDER, m. (-s). *...LEIDING, v. (-en); - geven tot, oorzaak zijn van, bewerken, te weeg brengen|; aanwijzing, opleiding, beginselen (eener spraakkunst). *...LENEN, ow. = AANLEUNEN. *...LENGEN, bw. gel. (ik lengde aan, heb aangelengd), eene vloeistof door het bijvoegen eener andere dunner maken. *...LENGING, v. (-en). *...LEUNEN, ow. gel. (ik leunde aan, heb aangeleund), schuinsch tegen iets steunen of rusten; (fig.) zich iets laten -, zich iets laten toeschrijven. *...LICHTEN, ow. gel. (ik lichtte aan, heb aangelicht), beginnen te schijnen, helder te worden. *...LIGGEN, ow. ong. (ik lag aan, heb aangelegen), tegen of bij iets rusten of liggen; (fig.) aangelegen zijn, van gewigt zijn. -D, bn. aangrenzend, belendend; de aanliggenden, (oudh.) de gasten aan tafel, de dischgenooten. *...LIGTEN, bw. gel. (ik ligtte aan, heb aangeligt),
tillende of heffende nader brengen. *...LIJDEN, ow. ong. (ik leed aan, heb aangeleden); dit kan niet lang - of duren. *...LIJKEN, bw. gel. (ik lijkte aan, heb aangelijkt), (zeew.) de zeilen levendig brassen of killen. *...LIJMEN, bw. gel. (ik lijmde aan, heb aangelijmd), met lijm vasthechten; ijverig lijmen. *...LIJMER, m. (-s). *...LIJMING, v. (-en). *...LIJMSTER, v. (-s). *...LOEVEN, ow. gel. (ik loefde aan, heb aangeloefd), (zeew.) scherp tegen den wind houden, den wind inkrimpen of afknijpen. *...LOKKELIJK, bn. (-er, -st), behagende -, verleidelijk door kunstmiddelen. *...LOKKELIJKHEID, v. (...heden), bevalligheid, aantrekkelijkheid. *...LOKKEN, bw. gel. (ik lokte aan, heb aangelokt), doen naderen door geluiden, - gebaren enz.; (fig.) trachten te verleiden; overhalen in zijn belang. *...LOKKER, m. (-s). *...LOKKING, v. (-en). *...LOKSEL, o. (-en). *...LOKSTER, v. (-s). *...LONKEN, bw. gel. (ik lonkte aan, heb aangelonkt), vriendelijk toeknikken met de oogen. *...LONKING, v. (-en). [Aanloop]Aanloop, m. gmv. eerste beweging om snel loopende ergens heen te gaan; (fig.) vlugt; veel - hebben, door vele menschen bezocht worden. *-EN, bw. ow. ong. (ik liep aan, ben en heb aangeloopen), naar iem. toeloopen; (fig.) iemand lastig vallen; snel loopende naderen; zich onder het loopen tegen iets stooten; (fig.) duren, aanhouden; ergens -, iem. in het voorbijgaan bezoeken; er tegen -, zich tot den verkeerde wenden, in zijne poging niet slagen; (ook) aandruischen tegen, in strijd zijn met; (schild.) zwart doen -, een zwarten tint geven; langs de kust -, (zeew.) digt bij de kust varen. [Aanmaken]Aanmaken, bw. gel. (ik maakte aan, heb aangemaakt), vasthechten; ontsteken, doen branden (vuur); toebereiden (spijzen). *...MAKER, m. (-s). *...MAKING, v. gmv.. *...MAAKSTER, v. (-s). *...MANEN, bw. gel. (ik maande aan, heb aangemaand), aanzetten, aanporren, vermanen, opwekken; herinneren (aan de betaling). *...MANER, m. (-s). *...MAANSTER, v. (-s). *...MANING, v. (-en). *...MARREN, bw. gel. (ik marde aan, heb aangemard), (zeew.) met touwen vastleggen (een schip). *...MARSCH, m. gmv. optogt, aantogt (van krijgsvolk). *...MARSCHEREN, bw. gel. (ik marscheerde aan, heb aangemarscheerd). *...MATIGEN (ZICH), ww. gel. (ik matigde mij aan, heb mij aangematigd), zich onregtmatig toeëigenen, met geweld bemagtigen. *...MATIGER, m. (-s). *...MATIGING, v. (-en). *...MATIGSTER, v. (-s). *...MELDEN, bw. gel. (ik meldde aan, heb aangemeld), bekend maken; noemen; zich laten -, zijne komst laten aankondigen; zich -, zich voorstellen, zich aanbieden. *...MELDING, v. (-en). *...MENGEN, bw. gel. (ik mengde aan, heb aangemengd) = MENGEN, VERMENGEN. *...MENGING, v. (-en). *...MENNEN, bw. gel. (ik mende aan, heb aangemend), met eenen toom besturen (paarpen). *...MERKELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), kenbaar, kennelijk; voornaam, belangrijk, aanzienlijk, groot. *...MERKELIJKHEID, v. gmv. groot gewigt. *...MERKEN, bw. gel. (ik merkte aan, heb aangemerkt), waarnemen, gadeslaan, opmerken, beschouwen, opteekenen; bedenking opperen. -SWAARD, -WAARDIG, bn. (-er, -iger, -st, -igst). *...MERKER, m. (-s). *...MERKING, v. (-en). *...MERKSTER, v. (-s). *...METEN, bw. ong. (ik mat aan, heb aangemeten), de maat nemen
(van een kleedingstuk). *...METING, v. (-en). *...METSELEN, bw. ow. gel. (ik metselde aan, heb aangemetseld), metselende verbinden; vlug voortmetselen. *...METSELING, v. (-en). *...MINNELIJK, *...MINNIG, bn. (-er, -st). *...MINNIGLIJK, bijw. bevallig, innemend, lief. *...MINNIGHEID, v. (...heden). *...MOEDIGEN, bw. gel. (ik moedigde aan, heb aangemoedigd), aansporen, opwekken; moed inboezemen. *...MOEDIGER, m. (-s). *...MOEDIGING, v. (-en). *...MOEDIGSTER, v. (-s). [Aannaaijen]Aannaaijen, bw. gel. (ik naaide aan, heb aangenaaid), naaijende vasthechten; (fig.) iemand ooren -, iem. iets wijs maken, op de mouw spelden. *...NAAIJING, v. gmv. *...NADEREN, bw. gel. (ik naderde aan, heb of ben aangenaderd), nader komen. -D, bn. naderbij komende. *...NADERING, v. (-en). *...NAGELEN, bw. gel. (ik nagelde aan, heb aangenageld), met nagels of spijkers vastmaken. *...NAGELING, v. (-en). *...NEMELIJK, bn. (-er, -st), aangenomen kunnende of behoorende te worden; toe te staan, in te willigen; geloofbaar; (fig.) bevattelijk (van verstandsvermogen); op -e voorwaarden. -HEID, v. gmv. *...NEMEN, bw. ow. ong. (ik nam aan, heb aangenomen), ontvangen; toestaan, bewilligen; (als zoon) aannemen; (zich tot iets) verbinden; (eene godsdienst) omhelzen; (eene partij) kiezen; op zich nemen (iets te leveren of te maken); belang stellen in iets of iem.; (als lidmaat in een kerkgenootschap) toelaten; onderstellen; (krijgsvolk enz.) in dienst nemen; aanvangen, ondernemen; schatten, berekenen; geregtelijk goedkeuren; gekleurd kunnen worden (van eene stof); vooruit-komen (in het leeren), vorderingen maken. *...NEMER, m. (-s). *...NEEMSTER, v. (-s). *...NEMING, v. (-en). *...NOPEN, bw. gel. (ik noopte aan, heb aangenoopt), aanzetten, aansporen. *...NOPER, m. (-s). *...NOPING, v. gmv. *...NOOPSTER, v. (-s). [Aanpakken]Aanpakken, bw. gel. (ik pakte aan, heb aangepakt), vatten, grijpen; iets ongemakkelijks bij de hand nemen; aanvallen, aanranden; (fig.) iem. toespreken. *...PAKKER, m. (-s). *...PAKKING, v. gmv. *...PAKSTER, v. (-s). *...PALEN, ow. gel. (ik paalde aan, heb aangepaald), aangrenzen, belenden. -D, bn. aangrenzend, belendend. *...PALING, v. gmv. *...PASSEN, bw. gel. (ik paste aan, heb aangepast), beproeven of (een kleed) goed zit. *...PASSING, v. (-en). *...PERSEN, bw. gel. (ik perste aan, heb aangeperst), persende zamendrukken. *...PERSING, v. (-en). *...PIEPEN, bw. gel. (ik piepte aan, heb aangepiept), vogeltjes lokken. *...PIEPING, v. (-en). *...PLAKKEN, bw. gel. (ik plakte aan, heb aangeplakt), door middel van stijfsel of gom enz. vasthechten; (fig.) te duur verkoopen; bekend maken. *...PLAKKER, m. (-s). *...PLAKKING, v. (-en). *...PLAKSTER, v. (-s). *...PLANT, m. gmv. teelt, het aankweeken, bouw. *...PLANTEN, bw. gel. (ik plantte aan, heb aangeplant), een beplant stuk grond vergrooten. *...PLANTER, m. (-s). *...PLANTING, v. (ook) jong plantsoen. *...PLEISTEREN, bw. gel. (ik pleisterde aan, heb aangepleisterd), met fijnen kalk bestrijken. *...PLEISTERING, v. gmv. *...PLEMPEN, bw. gel. (ik plempte aan, heb aangeplempt), water dempen en het drooggemaakte met den vasten grond vereenigen. *...PLEMPING, v. (-en). *...PLOEGEN, bw. gel. (ik ploegde aan, heb aangeploegd), voortgaan met ploegen, een stuk land verder beploegen.
*...PLOEGING, v. gmv. *...PORREN, bw. gel. (ik porde aan, heb aangepord), aanzetten, aansporen. *...PORRING, v. (-en). *...PORDER, m. (-s). *...PORSTER, v. (-s). *...PRATEN, bw. gel. (ik praatte aan, heb aangepraat), door praten opdringen, - doen koopen; hij heeft mij dit aangepraat, hij praatte zoo lang tot dat ik het nemen moest. *...PRATING, v. gmv. *...PREKEN, bw. gel. (ik preekte aan, heb aangepreekt) = AANPRATEN. *...PRIJZEN, bw. ong. (ik prees aan, heb aangeprezen), aanbevelen, den lof (van iem. of iets) verheffen. *...PRIJZER, m. (-s). *...PRIJSSTER, v. (-s). *...PRIJZING, v. (-en). *...PRIKKELEN, bw. gel. (ik prikkelde aan, heb aangeprikkeld), met eenen prikkel of puntigen stok steken of stooten; (fig.) aanzetten, aansporen. *...PRIKKELING, v. (-en). *...PUNTEN, bw. gel. (ik puntte aan, heb aangepunt), een punt (aan iets) maken of scherper maken; (iem. in eenen woordenstrijd) wikkelen. *...PUNTER, m. (-s). *...PUNTING, v. (-en). *...PUNTSTER, v. (-s). [Aanraden]Aanraden, bw. gel. en ong. (ik raadde of ried aan, heb aangeraden), raad geven om iets te doen. *...RADER, m. (-s). *...RAADSTER, v. (-s). *...RADING, v. (-en). *...RAKEN, bw. gel. (ik raakte aan, heb aangeraakt), met de hand aan (iets of iem.) komen, aanroeren. *...RAKING, v. (-en), met iem. in - komen, iem. ontmoeten, - ergens aantreffen; met iem. betrekkingen aanknoopen. *...RANDEN, bw. gel. (ik randde aan, heb aangerand), aantasten, aanvallen. *...RANDER, m. (-s). *...RANDING, v. (-en). *...RANDSTER, v. (-s). *...RANZEN, bw. gel. (ik ransde aan, heb aangeransd), iem. aanvallen of ruw bejegenen. *...REGTBANK, v. (-en) of ...TAFEL, v. (-s), bank of tafel waarop spijzen worden gereed gemaakt. *...REGTEN, bw. gel. (ik regtte aan, heb aangeregt), opdisschen, (de spijzen) opbrengen; (een feest) geven; (fig.) veroorzaken, bedrijven, uitrigten. *...REGTER, m. (-s). *...REGTING, v. (-en). *...REGTSTER, v. (-s). *...REIKEN, bw. gel. (ik reikte aan, heb aangereikt), geven, overgeven, van hand tot hand laten gaan. *...REIKING, v. (en). *...REKENBAAR, bn. (-der, -st), (regt.) = TOEREKENBAAR. *...REKENEN, bw. gel. (ik rekende aan, heb aangerekend), op rekening stellen; (fig.) toeëigenen; toeschrijven, toedichten; opleggen. *...REKENING, v. (-en). *...RENNEN, ow. gel. (ik rende aan, heb aangerend), rennende naderen; in galop rijden. *...RENNING, v. gmv. *...RID, m. gmv. spoedige aannadering van ruiterij, charge. *...RIDSELEN, bw. gel. (ik ridselde aan, heb aangeridseld), zachtjes bewegen, ligt -, even aanraken. *...RIDSELING, v. (-en). *...RIDSEN, bw. gel. (ik ridste aan, heb aangeridst), aanzetten, aansporen (tot ijver); opstoken (tot kwaad); door list aanwerven. *...RIDSER, m. (-s). *...RIDSING, v. (-en). *...RIDSTER, v. (-s). *...RIDSGELD, o. (-en) handgeld bij de aanwerving. *...RIGTEN, bw. (gel.) (ik rigtte aan, heb aangerigt) = AANREGTEN. *...RIJDEN, ow. bw. ong. (ik reed aan, heb of ben aangereden), rijdende naderen; snel rijden; bij iem. -, in het voorbijrijden aan iem. een bezoek brengen; (fig.) slecht van eene zaak afkomen; dingen naar iets. *...RIJDER, m. (-s). *...RIJDING, v. gmv. *...RIJDSTER, v. (-s). *...RIJGEN, bw. ong. (ik reeg aan, heb aangeregen), in eene rij -, aan eenen draad vastmaken of bijeenvoegen (koralen, paarlen enz.); (fig.) aan den degen rijgen, doorsteken;
(zeew.) twee zeilen door middel van een touw rijgende aan elkander verbinden. *...RIJGER, m. (-s). *...RIJGING, v. (-en). *...RIJGSTER, v. (-s). *...ROEIJEN, ow. bw. gel. (ik roeide aan, heb aangeroeid), vooruitkomen met riemslagen op het water; roeijende snel naderen; aanleggen (met eene schuit); in het voorbijroeijen aan iem. een bezoek brengen. *...ROEIJER, m. (-s). *...ROEIJING, v. gmv. *...ROEISTER, v. (-s). *...ROEP, m. gmv. *...ROEPEN, bw. ong. (ik riep aan, heb aangeroepen), iem. roepende aanspreken; (fig.) om hulp smeeken; afhalen in het voorbijgaan enz. *...ROEPER, m. (-s). *...ROEPING, v. (-en). *...ROEPSTER, v. (-s). *...ROEREN, bw. gel. (ik roerde aan, heb aangeroerd), aanraken; doen bewegen; aanhalen, vermelden; oppervlakkig behandelen (een onderwerp); gij hadt die snaar niet moeten -, gij hadt hiervan moeten zwijgen. *...ROERER, *...ROERDER, m. (-s). *...ROERING, v. (-en). *...ROERSTER, v. (-s). *...ROLLEN, bw. ow. gel. (ik rolde aan, heb of ben aangerold), rollende voortgaan of doen voortgaan. *...ROLLER, m. (-s). *...ROLLING, v. (-en). *...ROLSTER, v. (-s). *...RUKKEN, ow. bw. gel. (ik rukte aan, heb of ben aangerukt), rukkende of schuivende nader brengen; naderen (van troepen). *...RUKKING, v. (-en). [Aansarren]Aansarren, bw. gel. (ik sarde aan, heb aangesard), sterk aanhitsen op iem.; tergen; loslaten (eenen hond). *...SARRER, m. (-s). *...SARRING, v. (-en). *...SARSTER, v. (-s). *...SCHAFFEN, bw. ZICH -, ww. gel. (ik schafte (mij) aan, heb (mij) aangeschaft), (doen) verkrijgen, koopen; zich (van iets) voorzien. *...SCHAFFING, v. gmv. *...SCHAKELEN, bw. gel. (ik schakelde aan, heb aangeschakeld), met schakels verbinden. *...SCHAKELING, *...EENSCHAKELING, v. (-en), (fig.) volgorde van verscheidene gelijksoortige voorwerpen, (ook) van gedachten. *...SCHARRELEN, ow. gel. (ik scharrelde aan, ben aangescharreld), met ongelijke schreden naderen; met de beenen slingeren. *...SCHARRELING, v. gmv. *...SCHELLEN, ow. gel. (ik schelde aan, heb aangescheld) = AANBELLEN. *...SCHERPEN, bw. gel. (ik scherpte aan, heb aangescherpt), spits of dunner maken. *...SCHERPER, m. (-s). *...SCHERPING, v. (-en). *...SCHIETEN, bw. ow. ong. (ik schoot aan, heb of ben aangeschoten), voor de eerste maal afvuren, (een geweer) beproeven; aantrekken (een kleed); (fig.) kwetsen; zich werpen op; toesnellen; komen, aankomen; vooruitkomen (van een werk). *...SCHIETING, v. gmv. *...SCHIJN, o. gmv. uiterlijke gedaante, voorkomen, aanzien (eener zaak); in het zweet zijns -s, zwaar werkende, zwoegende. *...SCHIJNEN, bw. ow. ong. (ik scheen aan, heb aangeschenen), beginnen te schijnen. *...SCHIJNING, v. gmv. *...SCHIKKEN, ow. gel. (ik schikte aan, heb aangeschikt), schuivende naderen. *...SCHITTEREN, bw. gel. (ik schitterde aan, heb aangeschitterd). *...SCHITTERING, v. gmv. *...SCHOEIJEN, bw. ZICH -, ww. gel. (ik schoeide (mij) aan, heb (mij) aangeschoeid), schoenen aandoen; (ook) schoeijingen maken (tegen eenen wal enz.). *...SCHOEIJING, v. gmv. [Aanschouw]Aanschouw, m. gmv. gezigt; blik (op iets); met den eersten -, op het eerste gezigt. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), gezien of aanschouwd kunnende worden, zigtbaar; bespiegelend; het - onderwijs
(dat van Pestalozzi). *-EN, bw. gel. (ik schouwde aan of aanschouwde, heb aanschouwd of aangeschouwd), beschouwen, aanzien, toezien, gadeslaan; (fig.) gewaar worden; -de kennis, (wijsb.) kennis die door de gewaarwording wordt verkregen. *-ING, v. (-en). *-ER, m. (-s). *-STER, v. (-s). *...SCHRAPPEN, bw. gel. (ik schrapte aan, heb aangeschrapt), met een schrap aanteekenen of aanhalen. *...SCHRAPPING, v. (-en). *...SCHREEUWEN, bw. gel. (ik schreeuwde aan, heb aangeschreeuwd), tot iem. schreeuwen, iem. beknorren. *...SCHREIJEN, bw. gel. (ik schreide aan, heb aangeschreid); iemand om hulp -, schreijende smeeken. *...SCHRIJVEN, bw. ong. (ik schreef aan, heb aangeschreven), aan- of opteekenen; op rekening stellen; schriftelijk bevelen; oproepen, beleggen (eene vergadering); bij iem. goed of kwaad aangeschreven staan, bij iem. al of niet in gunst zijn. *...SCHRIJVER, m. (-s). *...SCHRIJFSTER, v. (-s). *...SCHRIJVING, v. (-en). *...SCHROEVEN, bw. gel. (ik schroefde aan, heb aangeschroefd), de schroef vaster draaijen. *...SCHROEVING, v. (-en). *...SCHUDDEN, bw. gel. (ik schudde aan, heb aangeschud), heen en weder bewegen. *...SCHUDDING, v. (-en). *...SCHUIVEN, bw. ow. ong. (ik schoof aan, heb aangeschoven), schuivende nader brengen of nader komen. *...SCHUIVING, v. (-en). *...SCHUREN, bw. gel. (ik schuurde aan, heb aangeschuurd), wrijven (tegen of iets). [Aanslaan]Aanslaan, bw. ow. onr. (ik sloeg aan, heb of ben aangeslagen), slaande raken (in het kolfspel enz.); vastspijkeren; vastmaken (de lijn eener trekschuit, het aas van eenen vischhoek); beginnen te zingen; geluid geven (van vogels); aanplakken; te koop stellen (een huis, eenen inboedel); schatten, waarderen; blaffen (van honden); bepalen het bedrag door de belastingschuldigen te voldoen; groeten (van militairen); beginnen te werken; in het loopen de pooten tegen elkander slaan (van paarden); het geweer presenteren (van schildwachten); groeten (van militairen); gedijen, beterschap aanbrengen (van geneesmiddelen); de zeilen -, (zeew.) vastmaken, (ook fig.) alle middelen te baat nemen; eenen boedel niet willen -, niet willen aanvaarden of in bezit nemen. *...SLAG, m. (-en), in al de bet. van het ww.; (ook) plaats waar eene trekschuitlijn geslagen wordt; kwaadaardige toeleg, komplot; aanranding; raming, begrooting (van kosten); juist op den - komen, juist bij het begin komen; (muz.) eenen goeden - hebben (op het klavier). -BILJET, o. (-ten), papier waarop het door den belastingschuldige te betalen bedrag is vermeld. *...SLAGING, v. (-en), inbeslagneming van goederen. *...SLAPPEN, ow. gel. (ik slapte aan, ben aangeslapt), verslappen, verflaauwen. *...SLAPPING, v. gmv. *...SLEPEN, bw. gel. (ik sleepte aan, heb aangesleept), slepende nader brengen; daar komt hij -, (fig.) daar nadert hij schoorvoetende. *...SLIBBEN, ow. gel. (het slibde aan, is aangeslibd) = AANSLIJKEN; aangeslibd land. *...SLIJKEN, ow. gel. (het slijkte aan, is aangeslijkt, ook aangesleken), door aangezet slijk grooter worden (van land). *...SLIJPEN, bw. ong. (ik sleep aan, heb aangeslepen), scherper maken (eene punt enz.). *...SLINGEREN, bw. ow. gel. (ik slingerde aan, heb aangeslingerd), slingerende nader brengen;
waggelende aankomen. *...SLUIPEN, ow. ong. (ik sloop aan, ben aangeslopen), sluipende naderen, stil of heimelijk aankomen. *...SLUIPING, v. (-en). *...SLUITEN, bw. ong. (ik sloot aan, heb aangesloten), een slot op iets leggen; de eene zaak bij de andere zoodanig voegen dat zij in elkander passen; (mil.) de gelederen -. ZICH -, ww. zich bij iem. voegen, eene partij omhelzen. *...SLUITER, m. (-s). *...SLUITING, v. (-en). *...SLUITSTER, v. (-s). [Aansmeden]Aansmeden, bw. ow. gel. (ik smeedde aan, heb aangesmeed), smedende zamenvoegen; vlug doorsmeden. *...SMEDING, v. (-en). *...SMELTEN, bw. ow. ong. (ik smolt aan, heb aangesmolten), smeltende zamenvoegen; vlug doorsmelten. *...SMELTING, v. (-en). *...SMEREN, bw. gel. (ik smeerde aan, heb aangesmeerd), met smeer bestrijken of bemorsen; (eenen muur) grof met kalk aanstrijken; (fig.) bedriegelijk iem, iets opdringen, te duur verkoopen; bedriegen. *...SMEERDER, m. (-s). *...SMEERSTER, v. (-s). *...SMERING, v. (-en). *...SMIJTEN, bw. ow. ong. (ik smeet aan, heb aangesmeten), hard tegen iets aanwerpen of vallen. *...SMIJTING, v. (-en). *...SNELLEN, ow. gel. (ik snelde aan, ben aangesneld), vlug -, haastig komen aanloopen. *...SNOEREN, bw. gel. (ik snoerde aan, heb aangesnoerd), door snoeren of veters verbinden, vast aanrijgen. *...SNOERING, v. (-en). *...SPANNEN, bw. ow. gel. (ik spande aan, heb aangespannen), paarden -, ossen spannen; (al zijne krachten) inspannen, zich beijveren; iets sterker uitrekken; met iem. -, zamenzweren; zich vereenigen. *...SPANNER, m. (-s). *...SPANSTER, v. (-s). *...SPANNING, v. (-en). *...SPATTEN, bw. ow. gel. (ik spatte aan, heb of ben aangespat), uitspringen (van water, bloed enz.); aansprenkelen. *...SPATTING, v. (-en). *...SPELDEN, bw. gel. (ik spelde aan, heb aangespeld), met spelden vastmaken of vasthechten. *...SPELDING, v. (-en). *...SPELEN, ow. gel. (ik speelde aan, heb aangespeeld), de voorhand hebben (in het spel), het eerste spelen, opspelen; sneller spelen; (fig.) zinspelen. *...SPELING, v. (-en) = TOESPELING. *...SPETEN, bw. gel. (ik speette aan, heb aangespeet), aan het spit steken. *...SPIJKEREN, bw. gel. (ik spijkerde aan, heb aangespijkerd), met spijkers vastnagelen. *...SPINNEN, bw. ow. ong. (ik spon aan, heb aangesponnen), vastmaken -, aaneenvoegen door spinnen; (fig.) aanleggen, smeden (een komplot); vlugger spinnen. *...SPOEGEN, bw. gel. (ik spoegde aan, heb aangespoegd) = AANSPUWEN. *...SPOELEN, bw. ow. gel. (ik spoelde aan, heb of ben aangespoeld), op het strand werpen (door de zee), aan wal komen drijven; snel wasschen (goed); door het water op het drooge geworpen worden. *...SPOELING, v. (-en), aanwas, aanslijking (aan de oevers der zee of eener rivier); gronden die droog liggen na door de zee overdekt te zijn geweest; door de zee op het strand geworpen voorwerpen. *...SPOREN, bw. gel. (ik spoorde aan, heb aangespoord), met sporen aandrijven, de sporen geven; (fig.) aanmoedigen, aanzetten; ophitsen. *...SPORING, v. (-en). *...SPRAAK, v. (...aken), redevoering, toespraak; eisch, regt; - op iets maken, beweren regt op iets te hebben; dank voor uwe -, dank voor uw bezoek; wij hebben weinig -, er komen niet veel menschen bij ons. *...SPRAKELIJK, bn.
verantwoordelijk. -HEID, v. gmv. *...SPREKEN, bw. ow. ong. (ik sprak aan, heb aangesproken), het woord tot iem. rigten, toespreken, vragen; bezoeken (in het voorbijgaan); verkoopen (goederen enz.); gebruiken, zich bedienen van; (muz.) eenen toon geven; de flesch -, drinken; ter begrafenis -, noodigen. *...SPREKER, m. (-s), in alle bet.; (ook) begrafenis-bidder. *...SPREKING, v. (-en). *..SPRINGEN, ow. ong. (ik sprong aan, heb of ben aangesprongen), tegen iets opspringen; springende naderen. § *...SPUGEN, bw. ow. ong. (ik spoog aan, heb aangespogen), en *...SPUWEN, bw. ow. gel. (ik spuwde aan, heb aangespuwd), tegen -, op iets spuwen, voortgaan met spuwen; (fig.) groot bewijs van verachting geven. [Aanstaan]Aanstaan, ow. onr. (ik stond aan, heb aangestaan), behagen, bevallen, aangenaam zijn; half geopend zijn (van eene deur); het zal nog wel wat - of duren; het staat niet aan mij, het hangt van mij niet af, het is niet in mijne magt. *-DE, td. en bn., in alle bet.; (ook) eerstkomende, op handen zijnde, b.v. de - week, het - jaar, zijne - vrouw. *-DE, m. en v. toekomende man of vrouw (echtgenoot), verloofde. *...STAMPEN, bw. gel. (ik stampte aan, heb aangestampt), stampende fijn maken; de lading van een vuurwapen indrukken. *...STAMPING, v. (-en). *...STAMPER, m. (-s). *...STAMPSTER, v. (-s). *...STAPPEN, ow. gel. (ik stapte aan, heb aangestapt), naderbij komen; sneller loopen, sterk stappen. *...STAPPER, m. (-s). *...STAPSTER, v. (-s). *...STAREN, bw. gel. (ik staarde aan, heb aangestaard), aanschouwen, strak aanzien. *...STARING, v. gmv. *...STEKEN, bw. ow. ong. (ik stak aan, heb aangestoken), steken (aan het spit); vasthechten (door middel van eene pen, speld of naald); ontsteken, opsteken (licht); aanmaken (vuur); besmetten; opsteken (een vat bier); beginnen te rotten (van vruchten). -D, td. en bn., eene -e ziekte. *...STEKER, m. (-s). *...STEEKSTER, v. (-s). *...STEKING, v. (-en). *...STELLEN, bw. gel. (ik stelde aan, heb aangesteld), tegen iets zetten, - stellen of plaatsen; benoemen, in dienst stellen; zich - als, zich gedragen als (een gek enz.). *...STELLER, m. (-s). *...STELLING, v. (-en), akte van -, bewijs van benoeming. *...STERVEN, of *...BESTERVEN, ow. ong. (het sterft aan, is aangestorven), bij erfenis toevallen. *...STERVING, v. gmv. erfenis, successie. *...STEVENEN, ow. gel. (ik stevende aan, heb aangestevend), ergens heen zeilen. *...STICHTEN, bw. gel. (ik stichtte aan, heb aangesticht), veroorzaken, te weeg brengen (in een kwaden zin). *...STIKKEN, bw. gel. (ik stikte aan, heb aangestikt), door stikken aan elkander hechten; vlijtig doorstikken. *...STIKKING, v. (-en). *...STIPPEN, bw. gel. (ik stipte aan, heb aangestipt), met eene stip aanteekenen; (fig.) iets even aanroeren, ter loops van iets melding maken. *...STIPPING, v. gmv. *...STOFFEN, bw. gel. (ik stofte aan, heb aangestoft), het stof bijeen vegen. *...STOKEN, bw. gel. (ik stookte aan, heb aangestookt), vuur aanmaken, beter doen branden; (fig.) opruijen, aanhitsen. -D, td. en bn. *...STOKER, m. (-s). *...STOOKSTER, v. (-s). *...STOKING, v. (-en). [Aanstonds]Aanstonds, bijw. terstond, dadelijk, onmiddellijk. [Aanstoomen]Aanstoomen, ow. gel. (ik stoomde aan. heb of ben aangestoomd),
stoomende naderen; hard aanstoomen; het schip is tegen de brug aangestoomd, heeft er stoomende tegen gestooten. [Aanstoot]Aanstoot, m. (-en), schok door het stooten of vallen van twee voorwerpen tegen elk.; beletsel, hinderpaal, belemmering; (fig.) schandaal, ergernis; - geven, ergernis veroorzaken; hij is de steen des -s, door hem mislukt de zaak; (ook) hij is een voorwerp van berisping; veel - lijden, veel tegenkanting ondervinden; § veel - s hebben, veel gezocht zijn. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), ergerlijk, kwetsend, onbetamelijk. *-ELIJKHEID, v. (...heden). *-EN, bw. ow. ong. (ik stiet aan, heb aangestooten); dieper instooten, aanstampen; tegen iets of iem. stooten; met de tong -, stameren. *-ING, v. (-en). [Aanstoppen]Aanstoppen, bw. gel. (ik stopte aan, heb aangestopt), eene opening aanvullen. *...STOPPER, m. (-s). *...STOPSTER, v. (-s). *...STOPPING, v. (-en). *...STORMEN, bw. ow. gel. (ik stormde aan, heb aangestormd), met geweld aanvallen; heftig aanloopen; voortstormen (van harden wind). *...STORMING, v. (-en). *...STOUWEN, bw. gel. (ik stouwde aan, heb aangestouwd), ophoopen; (fig.) aanzetten, aansporen. *...STOUWING, v. (-en). *...STRALEN, bw. gel. (ik straalde aan, heb aangestraald), stralen op iets werpen. *...STRALING, v. (-en). *...STRANDEN, ow. gel. (ik strandde aan, ben aangestrand), op het strand geworpen worden, op het drooge loopen; (fig.) iets zien mislukken. *...STRANDING, v. (-en). *...STREELEN, bw. gel. (ik streelde aan, heb aangestreeld), aanhoudend streelen. *...STREELING, v. gmv. *...STREPEN, bw. gel. (ik streepte aan, heb aangestreept), met eene streep aanhalen, eene streep ergens bij plaatsen. *...STREEPING, v. (-en). *...STREVEN, bw. ow. gel. (ik streefde aan, heb of ben aangestreefd), ligt aanraken, even beroeren; blijven zijn best doen. *...STREVING, v. (-en). *...STRIJKEN, bw. ow. ong. (ik streek aan, heb aangestreken), bepleisteren; met verf bestrijken; de pooten onder het loopen tegen elk. schuren (van paarden); aannaderen (van vogels enz.); moedig aanstappen, trotsch naderen; neêrlaten (een zwaren last). *...STRIJKING, v. (-en). *...STRIKKEN, bw. ow. gel. (ik strikte aan, heb aangestrikt), met linten of koorden vastmaken, met eenen strik vasthechten; vlug strikken. *...STRIKKING, v. gmv. *...STROMPELEN, ow. gel. (ik strompelde aan, ben aangestrompeld), waggelende (van ouderdom) aannaderen. *...STROMPELING, v. gmv. *...STROOMEN, bw. ow. gel. (ik stroomde aan, heb of ben aangestroomd), b.v. de rivier stroomt tegen het kasteel aan; door de zee aangestroomd land; - AANSPOELEN. *...STRUIKELEN, ow. gel. (ik struikelde aan, ben aangestruikeld), struikelende naderen. *...STRUIKELING, v. gmv. *...STUIVEN, ow. ong. (ik stoof aan, ben aangestoven), ophoopen (van stof of zand); (fig.) komen -, ijlings aanloopen. *...STUWEN, bw. gel. (ik stuwde aan, heb aangestuwd) = AANSTOUWEN. *...SULLEN, ow. gel. (ik sulde aan, ben aangesuld), sullende of glijdende naderen. [↑ Aantaal]↑ Aantaal, v. gmv. het aanspreken in regten. *...TALEN, bw. gel. (ik taalde aan, heb aangetaald). [Aantal]Aantal, o. gmv. menigte, hoeveelheid. [Aantasten]Aantasten, bw. gel. (ik tastte aan, heb aangetast), met de
volle hand aanvatten of omvatten; (fig.) aanvallen, aanranden; omkoopen, vervreemden (zijne bezittingen); aanspreken; dat is een heet ijzer om aan te tasten, of het is geene kat om zonder handschoenen aan te tasten, dat is eene moeijelijke zaak om te beginnen. *...TASTING, v. (-en). *...TEEKENAAR, m. (...naren). *...TEEKENBOEK, o. (-en). *...TEEKENEN, ow. gel. (ik teekende aan, heb aangeteekend), met een teeken merken; opschrijven, te boek stellen; in ondertrouw laten opnemen; brieven -, laten inschrijven vóór de verzending. *...TEEKENING, v. (-en); ter - gaan, in ondertrouw laten opnemen. *...TEEKENKANTOOR, o. (...toren). *...TELEN, (B. *...TEELEN) bw. gel. (ik teelde aan, heb aangeteeld), aankweeken (dieren, boomen, planten). *...TELING, v. gmv. *...TELLEN, bw. gel. (ik telde aan, heb aangeteld), toetellen, geven; vlug tellen. *...TELLING, v. gmv. *...TIJGEN, bw. gel. en ong. (ik tijgde of teeg aan, heb aangetijgd of aangetegen), beschuldigen. *...TIJGER, m. (-s). *...TIJGSTER, v. (-s). *...TIJGING, v. (-en). *...TILLEN, bw. gel. (ik tilde aan, heb aangetild), tillende nader brengen. *...TIMMEREN, bw. gel. (ik timmerde aan, heb aangetimmerd), aanbouwen. *...TIMMERING, v. gmv. *...TOGT, (B. *...TOCHT), m. gmv. nadering, het optrekken van een leger; in - zijn, naderen. *...TOKKELEN, bw. gel. (ik tokkelde aan, heb aangetokkeld), kittelen; (fig.) aansporen, aanzetten, aandrijven. *...TOKKELING, v. (-en). *...TOKKEN, bw. gel. (ik tokte aan, heb aangetokt) = AANTOKKELEN. *...TOONEN, bw. gel. (ik toonde aan, heb aangetoond), aanwijzen; betoogen. -D, td. en bn. (taalk.) de -e wijze. *...TOONER, m. (-s). *...TOONING, v. (-en). *...TOOVEREN, bw. gel. (ik tooverde aan, heb aangetooverd), door tooverij doen ontstaan, b.v. iem. eene ziekte -. *...TONNEN, bw. gel. (ik tonde aan, heb aangetond), vlug met tonnen vullen, - meten. *...TRED, m. *...TREDING, v. gmv. aantogt, nadering. *...TREDEN, ow. bw. ong. (ik trad aan, ben aangetreden), nader treden; sneller voorttreden; aarde aan eenen boom -, de aarde digter bij den boom brengen; ten zes ure -, op de loopplaats (van militairen, schutters enz.). *...TREDING, v. (-en). *...TREFFEN, bw. ong. (ik trof aan, heb aangetroffen), toevallig ontmoeten, vinden. *...TREFFING, v. gmv. *...TREKKELIJK, (B. ook ...TREKLIJK), bn. (-er, -st), aanlokkelijk, bekoorlijk, aanminnig, aanvallig, behagelijk; gevoelig, vatbaar voor gewaarwordingen. -HEID, v. (...heden). *...TREKKEN, bw. ow. ong. (ik trok aan, heb of ben aangetrokken), naar zich toe halen, trekkende nader brengen; aanschuiven; (nat.) zonder aanraking andere ligchamen tot zich doen naderen, b.v. het ijzer wordt door den zeilsteen aangetrokken; (kleedingstukken) aandoen; zich iets -, zich iets ter harte nemen, belang in iets stellen, zich op iets toeleggen; (den vijand) naderen (van een leger); goed worden, dik worden (van lijm); glad worden (van geplakt papier of linnen). *...TREKKEND, bn. (-er, -st), (nat.). *...TREKKER, m. (-s), (ook) laarzentrekker, laarzenknecht, hoorn (om schoenen aan te trekken). *...TREKKING, v. (-en). -SKRACHT, v. gmv. (nat.). ...VERMOGEN, o. gmv. (nat.). *...TROUWEN, bw. gel. (ik trouwde aan, heb of ben aangetrouwd), door huwelijk verwant worden. *...TROUWING, v. gmv. [Aanvaarden]Aanvaarden, bw. gel. (ik aanvaardde, heb aanvaard), zich belasten met, op zich nemen; aannemen; bezit nemen van; beginnen uit te oefenen (een ambt). *...VAARDER, m. (-s). *...VAARDING, v. gmv. *...VAARDSTER, v. (-s). *...VAART, v. (-en), haven, reede. *...VAL, m. (-len). *...VALLEN, bw. ow. ong. (ik viel aan, heb of ben aangevallen), naar of tot iets vallen; aantasten, aangrijpen; (fig.) hekelen, tegenspreken. -D, td. en bn. een - en verdedigend verbond, of- en defensieve alliantie; aanvallenderwijze handelen, het gevecht -, den strijd beginnen. *...VALLIG, bn. (-er, -st), bevallig, bekoorlijk. *...VALLIGHEID v. (...heden). *...VALLING, v. (-en). *...VANG, m. gmv. begin; opening (van eenen veldtogt enz.). *...VANGEN, bw. ow. ong. (ik ving aan, heb of ben aangevangen), beginnen, een begin maken; ondernemen; (fig.) wat moet ik -? hoe mij te helpen? *...VANGER, m. (-s). *...VANGSTER, v. (-s). *...VANKELIJK, (B. *...VANKLIJK), bn. en bijw. oorspronkelijk, eerst, eerstbeginnend; in den beginnne. *...VAREN, ow. bw. ong. (ik voer aan, heb of ben aangevaren), met eene schuit te water naderen, aanlanden; binnenloopen (eene haven); onder het varen stooten tegen iets; onder het varen iem. bezoeken. *...VARING, v. gmv. *...VATTEN, bw. gel. (ik vatte (v.s. vattede) aan, heb aangevat), aantasten, aanpakken, aangrijpen; (fig.) ondernemen. *...VATTING, v. gmv. *...VECHTEN, bw. ong. (ik vocht aan, heb aangevochten); (fig.) in verzoeking brengen of leiden. *...VECHTER, m. (-s). *...VECHTING, v. (-en). *...VECHTSTER, v. (-s). *...VEGEN, bw. gel. (ik veegde aan, heb aangeveegd). *...VERSTERVEN, ow. ong. = AANBESTERVEN. *...VERTROUWEN, bw. gel. = AANBETROUWEN. *...VERWANT, bn. vermaagschapt. -, m. en v. (-en), bloedverwant. *...VLECHTEN, bw. ong. (ik vlocht aan, heb aangevlochten). *...VLECHTING, v. gmv. *...VLIEGEN, ow. bw. ong. (ik vloog aan, heb of ben aangevlogen), vliegende nader komen; zeer snel aanloopen; (iem.) onverwachts op het lijf vallen; (fig.) beleedigen, hevig (tegen iem.) uitvaren. *...VLIEGING, v. gmv. *...VLIETEN, ow. ong. (ik vloot aan, ben aangevloten), zachtjes aanstroomen, vlietende naderen. *...VLIETING, v. gmv. *...VLOTTEN, ow. gel. (ik vlotte (v.s. vlottede) aan, ben aangevlot), vlottende of drijvende aan land komen; aangroeijen (door aanslibbing). *...VLOTTING, v. (-en). *...VOEDEN, ow. gel. (ik voedde aan, heb aangevoed), aankweeken, opkweeken. *...VOEGEN, bw. gel. (ik voegde aan, heb aangevoegd), vereenigen, bij of in elkander -, te zamen voegen. -D, bn. (taalk.) de -e wijze. *...VOEGING, v. (-en). *...VOEGSEL, o. (-s, -en). *...VOELEN, bw. gel. (ik voelde aan, heb aangevoeld), bevoelen, betasten. *...VOELING, v. gmv. *...VOER, m. (-en), invoer, het ter markt brengen van koopwaren; het ruim voorhanden zijn, b.v. het ruim stroomen van gas of water in de geleidingsbuizen. *...VOERDER, (B. *...VOERER), m. (-s), bevelhebber, leider, hoofd. *...VOEREN, bw. gel. (ik voerde aan, heb aangevoerd), nader brengen op een voertuig; invoeren, ter markt brengen; het bevel voeren (over een leger enz.); geleiden (tot den strijd); aanhalen (eene plaats uit een boek); bijbrengen (een getuige). *...VOERING, v. (-en). *...VOERSTER, v. (-s). *...VRAAG, v. (B.m. en v.)
(...agen). *...VRAGE, v. (-n), - doen bij iem., iem. om iets verzoeken. *...VRAGEN, bw. gel. en ong. (ik vraagde of vroeg aan, heb aangevraagd). ↑*...VROUW, v. (-en), stammoeder. *...VRIEZEN, ow. ong. (ik vroor of vroos aan, ben aangevroren of aangevrozen), door de vorst met iets verbonden worden. *...VRIEZING, v. gmv. *...VRIJVEN, zie AANWRIJVEN. *...VULLEN, bw. gel. (ik vulde aan, heb aangevuld), het ontbrekende bijvoegen. *...VULLING, v. (-en). *...VUREN, bw. gel. (ik vuurde aan, heb aangevuurd), aanzetten, aansporen, aanmoedigen. *...VURING, v. gmv. *...VUURDER, m. (-s). *...VUURSTER, v. (-s). [Aanwaaijen]Aanwaaijen, (B. *...WAAIEN), bw. ow. gel. en ong. (ik waaide of woei aan, heb of ben aangewaaid), door den wind nader brengen of aangebragt worden; tegen iets waaijen; (fig.) onverwachts -, zonder moeite -, bij toeval iets krijgen; § van zijne geboorte erven of bezitten. *...WAKKEREN, bw. ow. ong. (ik wakkerde aan, heb of ben aangewakkerd), aanmoedigen; sterker -, heviger worden (van den wind). *...WAKKERING, v. (-en). *...WANDELEN, ow. gel. (ik wandelde aan, heb aangewandeld), wandelende naderen. *...WAS, m. gmv. vermeerdering, toeneming, vergrooting, aangroeijing; vloed (der zee); aanslijking. *...WASSEN, ow. ong. (ik wies aan, ben aangewassen), zich door aangroeijing vasthechten; vermeerderen, grooter worden; deze koe is aangewassen, de longen dezer koe zitten aan de ribben vast. *...WASSING, v. (-en). *...WENDEN, bw. gel. (ik wendde aan, heb aangewend), ergens heen wenden, naar iem. of iets toekeeren; (fig.) gebruiken, besteden, zich bedienen van. *...WENDING, v. gmv. *...WENNEN, bw. gel. (ik wendde aan, heb aangewend), zich iets -, tot eene gewoonte maken. *...WENNING, v. (-en). *...WENSEL, o. (-s). *...WENST, v. (-en), gewoonte, hebbelijkheid. *...WENTELEN, bw. gel. (ik wentelde aan, heb aangewenteld), door rollen nader brengen (een vat enz.). *...WENTELING, v. gmv. *...WERKEN, bw. ow. gel. (ik werkte aan, heb aangewerkt), aan (iets) vastmaken; vlijtig doorwerken. *...WERKING, v. (-en). *...WERPEN, bw. ong. (ik wierp aan, heb aangeworpen), werpende nader brengen; tegen (iets) werpen; (fig.) schielijk aantrekken (een kleedingstuk). *...WERPING, v. (-en). *...WERVEN, bw. ong. (ik wierf aan, heb aangeworven), krijgsvolk enz. in dienst nemen; (leden) winnen. *...WERVER, m. (-s). *...WERFSTER, v. (-s). *...WERVING, v. (-en). *...WEVEN, bw. gel. (ik weefde aan, heb aangeweefd), door weven zamenvoegen; vlijtig weven. [Aanwezen]Aanwezen, ow. onr. (ik ben aan, was aan, ben aan geweest), aanzijn; tot iets behooren, helpen iets uitmaken; aan het bewind zijn; aan dit stuk zijn nog drie ellen, dit stuk is nog drie ellen lang; er is niet veel aan, het heeft niets te beduiden, het is de moeite niet waard; ik ben er niet aan geweest, ik heb er niet aan geraakt; de bal is aan geweest, heeft geraakt; er slecht aan wezen, in een ongunstigen toestand verkeeren. (Zie ook op AAN). -, o. gmv. *-D, bn. aanwezig, bestaande, tegenwoordig. *-DE, m. en v. de -n, de tegenwoordig zijnde personen. *-DHEID, v. gmv. tegenwoordigheid. *...WEZIG, bn. -HEID, v. gmv. *...WIJZEN, bw. ong.
(ik wees aan, heb aangewezen), aantoonen, doen of laten zien; (gelden) tot zeker gebruik bestemmen. -D, bn. (taalk.) aanwijzend voornaamwoord. *...WIJZER, m. (-s). *...WIJSSTER, v. (-s). *...WIJZING, v. (-en), aantooning enz.; (ook) geldswaardig papier, welks bedrag op een bepaalde plaats en tijd is betaalbaar gesteld. *...WINDEN, bw. ow. ong. (ik wond aan, heb aangewonden), door winden nader brengen; vlug winden. *...WINDING, v. gmv. (zeev.) wending van een schip. *...WINNEN, bw. ow. (ik won aan, heb aangewonnen), voordeel trekken; verkrijgen; toenemen. *...WINNING, v. (-en). *...WINST, v. (-en). *...WOEKEREN, ow. bw. gel. (ik woekerde aan, heb aangewoekerd), door woeker verkrijgen; steeds voortwoekeren; (fig.) voordeel trekken; voortgroeijen (van planten). *...WOEKERING, v. (-en). *...WORTELEN, ow. gel. (ik wortelde aan, heb of ben aangeworteld), wortel schieten; (fig.) hij stond daar als aangeworteld, als vastgenageld aan den grond. *...WRIJVEN, bw. (ong.) (ik wreef aan, heb aangewreven), tegen of op iets wrijven; (fig.) toedichten, toerekenen, aantijgen, te last leggen. *...WRIJVING, v. (-en). *...WROETEN, ow. gel. (ik wroette aan, heb aangewroet), wroetende nader komen; (fig.) slaafs werken. *...WROETING, v. (-en). *...WUIVEN, bw. gel. (ik wuifde aan, heb aangewuifd), groeten (met eenen hoed of doek zwaaijende). [Aanzaaijen]Aanzaaijen, (B. *...ZAAIEN), bw. gel. (ik zaaide aan, heb aangezaaid), bezaaijen; snel voortzaaijen. *...ZAKKEN, ow. gel. (ik zakte aan, ben aangezakt), (laten) neêrkomen; bijeenzakken (van nieuwe gronden); (fig.) langzaam naderen. *...ZAKKING, v. (-en). *...ZANDEN, bw. gel. (ik zandde aan, heb aangezand), met zand bestrooijen; verzanden. *...ZEGELEN, bw. gel. (ik zegelde aan, heb aangezegeld), door middel van een zegel vasthechten of verbinden. *...ZEGELING, v. gmv. *...ZEGGEN, bw. onr. (ik zeide aan, heb aangezegd), boodschappen, berigten, doen weten, mondeling bekend maken; beleggen, beroepen (eene vergadering); geregtelijk -, dagvaarden, beteekenen. *...ZEGGER, m. (-s), bode. *...ZEGSTER, v. (-s). *...ZEILEN, bw. ow. gel. (ik zeilde aan, heb of ben aangezeild), zeilende naderen; onder het zeilen stooten (tegen); (fig.) waggelende (van dronkenschap) aankomen; daar zult gij -, gij zult daar niet te regt komen, - niet goed ontvangen worden. *...ZEILING, v. gmv. *...ZETTEN, bw. ow. gel. (ik zette (v.s. zettede) aan, heb of ben aangezet), aan-, toevoegen, verbinden, vasthechten; aan elkander naaijen; plaatsen, stellen (bij, tegen of naast iets); instampen (de lading van een kanon); wetten, slijpen (een mes); aanhitsen, opstoken; aanmoedigen; vervalschen (wijn); scherper -, sterker maken (van dranken of vochten); zitten blijven (van droesem tegen den bodem eener flesch); te veel of ten onregte op rekening stellen; bezwalken (zwart worden, van zilver enz.); aan land -, aan wal zetten; (een blaasspeeltuig aan den mond) zetten; besmet worden (door eene ziekte); aanbranden (van spijs enz.); snel aankomen; ik wil het er op -, wagen; de partij -, doen verliezen (in het spel). *...ZETTEND, bn. aanhitsend, opwekkend. *...ZETTER, m. (-s); aanzetters-stop, gereedschap bij het laden van
geschut. *...ZETSTER, v. (-s). *...ZETTING, v. (-en). *...ZETSEL, o. (-s), aangezet stuk; droesem, moer, bezinksel. [Aanzien]Aanzien, bw. ow. onr. (ik zag aan, heb aangezien), de oogen (naar iets of iem.) rigten, het oog op (iets of iem.) vestigen; beschouwen, aanschouwen; oordeelen (over iets); medelijden hebben (met); schijnen als of. *-, o. gmv. gezigt, uiterlijk, aanblik, hoedanigheid; (fig.) achting, eer, onderscheiding; gewigt, invloed; tegenwoordigheid; zonder - (of verschil) des persoons; ten - van, wat betreft, aangaande. *-ER, m. (-s), aanschouwer. *-LIJK, bn. en bijw. (-er, -st), voornaam, aanmerkelijk; de aanzienlijken, de deftige -, voorname-, hooggeplaatste personen; (fr. gesch.) de vergadering der aanzienlijken (1788). -HEID, v. gmv. *...ZIGT, o. gmv. aangezigt; uitzigt, vertooning, aanblik. -KUNDE, v. gmv. gelaatkunde. *...ZIJN, ow. onr. -, o. gmv. = AANWEZEN. *...ZITTEN, ow. ong. (ik zat aan, heb of ben aangezeten), zich (aan tafel) zetten; (aan tafel) gezeten zijn. *...ZOEK, o. gmv. verzoek, bede, vraag; verzoekschrift; - doen (om iets). *...ZOEKEN, bw. onr. (ik zocht aan, heb of ben aangezocht), verzoeken. *...ZOEKER, m. (-s). *...ZOEKSTER, v. (-s). *...ZOEKING, v. (-en). *...ZOETEN, bw. ow. gel. (ik zoette aan, heb aangezoet), zoeter maken of worden, verzoeten; (fig.) aanlokken. *...ZOETING, v. (-en). *...ZUIVEREN, bw. gel. (ik zuiverde aan, heb aangezuiverd), (eene rekening) vereffenen, het achterstallige (eener schuld) voldoen. *...ZUIVERING, v. (-en). *...ZUREN, (B. *...ZUUREN), bw. ow. gel. (ik zuurde aan, heb aangezuurd), zuurder maken of worden. *...ZWELLEN, ow. ong. (ik zwol aan, ben aangezwollen). *...ZWELLING, v. (-en). *...ZWEMMEN, ow. ong. (ik zwom aan, heb of ben aangezwommen), zwemmende naderen; vlug zwemmen; aanspoelen (van hout). [Aap]Aap, m. (apen), dier; (fig.) nabootser; teekengereedschap; § groote som geld, schat; (fig.) dom -, onbehagelijk kind of mensch; den - in de mouw hebben, loosheid verbergen; hij laat den - uit de mouw kijken, hij toont wat hij is. (Zie de zamenstellingen op APEN). *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als een aap, gelijkende op eenen aap. *-ACHTIGHEID, v. (...heden). *-JE, (B. -N), o. (-s); (fig.) aapjes, voorwendsels. *-JES-SNUIF, v. soort van snuiftabak. [Aar]Aar, v. (aren) een water, vliet. *-, (B. AIR), (aren), bovenste gedeelte van een korenhalm. *-, ader. [Aard]Aard, m. gmv. (B. AART, v.) natuurlijke gesteldheid, natuur, eigenschap, neiging, inborst, karakter; naar den -, zoo als het behoort; dat heeft geen -, dat past niet, is niet welvoegelijk; hij heeft een -je naar zijn vaârtje, hij gelijkt op zijnen vader. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), naar aarde gelijkende; aarde bevattende. -HEID, v. gmv. *-AKER, m. (-s), vrucht. [Aardappel]Aardappel, m. (-en). *-BOUW, m. gmv. *-BRIJ, m. gmv. *-LAND, o. (-en). *-LOOF, o. gmv. *-MARKT, v. (-en). *-MEEL, o. gmv. *-SCHILLEN, v. mv. *-SOEP, v. (-en). *-TAART., v. (-en). *-TEELT, v. gmv. *-VELD, o. (-en). *-ZIEKTE, v. gmv. [Aardbei]Aardbei, v. (-jen), aardbezie (vrucht). *...BESCHRIJVER, m. (-s). *...BESCHRIJVING, v. (-en). [Aardbeving]Aardbeving, v. (-en). *-SAANWIJZER, m. (-s), (nat.) magneet waaraan een stukje ijzer hangt. *-SAFLEIDER, m. (-s), werktuig. *-SMETER, m. (-s), werktuig. [Aardbezie]Aardbezie, v. (...ziën). *...BEZIËNBED, o. (-den). ...BOOM, m. (-en). ...BOOMPJE, o. (-s). ...PLANT, v. (-en). [Aardbodem]Aardbodem, m. gmv. *...BOL, m. gmv. *...BOOR, v. (...boren), gereedschap. [Aarde]Aarde, v. gmv. een der vier hoofdstoffen; aardbol; als planeet aangewezen door het teeken [Aarden]Aarden, bn. van aarde; eene -baan, een weg. *-, (B. of AARTEN), ow. gel. (ik aarde, heb geaard), tieren, welig groeijen (van planten en gewassen); (fig.) zich aan eene luchtstreek gewennen (van menschen); van inborst gelijken (op iem.). [Aardeikel]Aardeikel, m. (-s), vrucht. *...ETER, m. (-s), zekere worm. [Aardewerk]Aardewerk, o. gmv. potten, pannen, (steengoed). *-ER, m. (-s). *-SFABRIEK, v. (-en). *-SWINKEL, m. (-s). [Aardgeest]Aardgeest, m. (-en), kabouter, fabelachtig wezen. *...GEWAS, o. (-sen). *...GOED, o. gmv. bladen (tabak enz.) van geringe hoedanigheid. *...GORDEL, m. (-s). *...Haling, v. (-en). *...HARS, v. gmv. asphalt. *...HOOP, m. (-en). [Aardig]Aardig, bn. en bijw. (-er, -st), lief, aanvallig, behagelijk, aangenaam; (fig.) wonderlijk (van aard); ongewoon, zonderling, vreemd; netjes. *-HEID, v. (...heden). *-LIJK, bijw. [Aarding]Aarding, v. het aarden. [Aardje]Aardje, o. gmv. zie op AARD. [Aardkleur]Aardkleur, v. gmv. *...KLOOT, m. gmv. aardbol. *...KLUIT, v. (-en). *...KOBALT, o. gmv. *...KORST, v. gmv. *...KREKEL, m. (-s), zekere worm. *...KUIL, m. (-en). *...KUNDE, v. gmv. geologie. *...LUIS, v. (...zen). *...MANNETJE, o. (B. -N), (-s), fabelachtig wezen. *...MASSA, v. (-as). *...MEETKUNDE, v. gmv. *...METER, m. (-s), landmeter. *...METING, v. gmv. *...MUIS, v. (...zen), dier; (ook) aardaker. *...NABIJHEID, v. gmv. *...NOOT, v. (...noten), aardaker. *...PLAKKER, m. (-s), gereedschap der kanonniers. *...OLIE, v. gmv. naphtha. [Aardrijk]Aardrijk, o. gmv. de aarde met al wat er op en in is. *-SBESCHRIJVER, m. (-s). *-SBESCHRIJVING, v. gmv. de wiskundige -, de natuurkundige -, de staatkundige -. *-SKUNDE, v. gmv. *-SKUNDIGE, m. en v. (-n). [Aardsch]Aardsch, bn. werelsch. [Aardschors]Aardschors, v. gmv. [Aardsgezind]Aardsgezind, ook AARDGEZIND, bn. (-er, -st), verknocht aan de aarde. *-HEID, v. gmv. [Aardslak]Aardslak, v. (-ken). *...SLANG, v. (-en). *...SPIN, v. (-nen). *...STAMPER, m. (-s), gereedschap der kanonniers. *...STORTING, v. (-en). *...STROOM, m. de galvanische -. *...VAL, m. *...VEIL, o. gmv. zeker kruid. *...VERTE, v. gmv. *...VLAKTE, v. (-n). *...VLOO, v. (-ijen, B. -ien). *...VRUCHT, v. (-en). *...WERK, o. (-en), werk in de aarde; (ook) het kruijen van aarde. *...WORM, m. (-en); (ook fig.) arm-, ellendig mensch. [Aäronsblad]Aäronsblad, o. gmv. zeker kruid. [Aars]Aars, m. (...zen), opening in het achterlijf, anus. *-DARM, m. (-en). § *-GAT, (B. -N) o. *-JE, (B -N,) o. (-s). *-VOET, m. (-en), vogel. § *-WISCH, m. (...wisschen). *-WORMEN, m. mv. [Aarts]Aarts, beteekent: eerste, voornaamste, zoo als: *-BEDRIEGER, m. (-s). *-BISDOM, o. (-men). *-BISSCHOP, m. (-pen). -PELIJK, bn. *-BOOSWICHT, m. (-en). *-DEKEN, m. (-en). *-DIAKEN, m. (-en). -SCHAP, o. gmv. *-DIEF, m. (...ven). *-DOM, bn. *-DOMKOP, m. (-pen). *-DOMOOR, m. (-en). *-ENGEL, m. (-en). *-GEK, m. (-ken). -KIN, v. (-nen). *-GIERIGAARD, m. (-s). *-GUIT, m. (-en). *-HERTOG, m. (-en). *-HERTOGDOM, o. (-men). *-HERTOGELIJK, bn. en bijw. *-HERTOGIN, v. (-nen). *-HUICHELAAR, m. (-s). *-KAMERHEER, m. (-en). *-KETTER, m. (-s). *-LEUGENAAR, *-LOGENAAR, m. (-s). -STER, v. (-s). *-PRIESTER, m. (-s). *-PRIESTERLIJK, bn. en bijw. ...SCHAP, o. gmv. *-SCHALK, m. (-en). *-SCHELM, m. (-en). *-SCHENKER, m. (-s), opperschenker ten hove. *-SPELER, m. (-s). *-VADER, m. (-s). -LIJK, bn. en bijw. *-VIJAND, m. (-en). -IN, v. (-nen). *-WOEKERAAR, m. (-s). *-ZUIPER, m. (-s). [Aarzelen]Aarzelen, ow. gel. (ik aarzelde, heb geaarzeld), weifelen, talmen, dralen, besluiteloos zijn. *...ZELING, v. (-en). [Aas]Aas, o. gmv. voedsel der dieren, voeder; dood ligchaam (van dieren), kreng; aanloksel (om vogels, visschen enz. te vangen), het kleinste gewigt; (fig.) het geringste, het minste; een of elf (in het kaartspel); schoppen aas, spadilje (de hoogste); (fig.) slecht vrouwspersoon. *-VRETEND, bn. *-ZAK, m. (-ken). [Aasem]Aasem, AASSEM, ASEM, m. gmv. zie ADEM. [↑ Aatmaal]↑ Aatmaal, o. (...malen), = EETMAAL. [† Ab]† Ab, v. (hebr. woord) elfde maand van den israelietischen kerkelijken kalender; na den 10den Ab heet deze maand Menachem. [† Abaliënatie]† Abaliënatie, v. (...ën), (regt.) vervreemding, eigendomsovergang. [† Abanatie]† Abanatie, v. (...ën), jaarban, verbanning voor den tijd van een jaar. [† Abandon]† Abandon, o. gmv. afstand, overgave; afstandsregt; verlatenheid, hulpelooze toestand. *-NEREN, bw. gel. (ik abandonneerde, heb geabandonneerd), afstaan; de partij opgeven (in het schaakspel). [Abberdaan]Abberdaan, (B. ABERDAAN). LABBERDAAN, m. gmv. gezouten visch. [† Abbreviatie]† Abbreviatie, v. (...ën), ver-, afkorting. *...VIËREN, bw. gel. (ik abbreviëerde, heb geabbreviëerd), afkorten, verkorten. [† Abcès]† Abcès, o. (-sen), etterbuil, ettergezwel. [† Abderitisch]† Abderitisch, bn. en bijw. (fig.) onnoozel, belagchelijk; op de wijze der Abderieten. [† Abdicatie]† Abdicatie, v. (...ën), afstand, vrijwillige aftreding, nederlegging eener waardigheid; afdanking; uitsluiting. *...CEREN, *...QUEREN, bw. gel. (ik abdiceerde, heb geabdiceerd), afstand doen, nederleggen (eene waardigheid). [Abdij]Abdij, (B. ABDY), v. (-en), klooster met eenen abt tot bestuurder. *...DIS, v. (-sen), kloostervoogdes. [Abé]Abé, ABECÉ, o. gmv. alfabet, letterlijst; (fig.) hij is nog aan het -,
hij is nog zeer onervaren. *-BANK, v. (-en). *-BOEK, o. (-en). *-BORD, o. (-en). *-JONGEN, m. (-s). *-KIND, o. (-eren), (fig.) domoor, weetniet. [Abeel]Abeel, *-BOOM, m. (-en), witte populier. [Abel]Abel, bn. (-er, -st), handig, bekwaam, aardig. *-HEID, v. gmv. [† Ab intestato]† Ab intestato, bijw. zonder testament. [† Abjectie]† Abjectie, v. gmv. weg-, verwerping; laagheid; zelfvernedering. *...JURECTIE, v. (...ën), afzwering, loochening met eenen eed. *...JUREREN, bw. gel. (ik abjureerde, heb geabjureerd), afzweren. [† Ablutie]† Ablutie, v. (...ën), wassching, reiniging (als godsdienstpligt). [† Abnorm]† Abnorm, *-AAL, bn. (-er, -aler, -st, -aalst), tegen den regel, afwijkende van de vormen; misvormd, wanvormig, ziekelijk. *-ITEIT, v. (-en). [† Aboleren]† Aboleren, bw. gel. (ik aboleerde, heb geaboleerd), afschaffen, opheffen, intrekken; uitdelgen. *...LITIE, v. (-ën), afschaffing. *...LITIONIST, m. (-en), afschaffer, voorstander van de afschaffing der slavernij. [† Abominabel]† Abominabel, bn. (-er, -st), afschuwelijk, verfoeijelijk. *...NATIE, v. gmv. *...NEREN, bw. gel. (ik abomineerde, heb geabomineerd), verfoeijen, verafschuwen. [† Abondant]† Abondant, bn. (-er, -st), overvloedig, rijkelijk, ruim voorhanden. *-IE, v. gmv. overvloed. [† Abonnement]† Abonnement, o. gmv. verbindtenis door inteekening. *...NEREN (ZICH), ww. gel. (ik abonneerde mij, heb mij geabonneerd); - op, zich door inteekening verbinden. [† Aborderen]† Aborderen, ow. bw. gel. (ik abordeerde, heb geabordeerd), aanlanden, aanklampen; (fig. en zeew.) op zijde komen; staande houden, aanspreken. *...TEREN, ow. gel. (ik aborteerde, heb geaborteerd), eene miskraam hebben, ontijdig bevallen. [† Abracadabra]† Abracadabra, o. gmv. kabbalistisch tooverwoord. [Abrikoos]Abrikoos, v. en m. (...ozen), (m. boom, v. vrucht). *-BOOM, m. (-en). *-PIT, v. ten). [† Abrogatie]† Abrogatie, v. (...ën) afschaffing, opheffing, intrekking (eener wet); vervanging (eener wet door eene andere). *...GEREN, bw. gel. (ik abrogeerde, heb geabrogeerd), afschaffen, opheffen. [† Absent]† Absent, bn. afwezig; (fig.) verstrooid van gedachten, verward; de -en, de afwezigen. *-EREN (ZICH), ww. gel. (ik absenteerde mij, heb mij geabsenteerd), zich verwijderen, heengaan, verlaten (eene vergadering enz.). *-IE, v. gmv. afwezigheid; verstrooidheid (van gedachten). [Absinth]Absinth, o. gmv. sterk bittere plant; ook zeker likeur. [† Absolutie]† Absolutie, v. gmv. (r.k.) vrijspraak, vergeving (van zonden), aflaat. *...LUTISMUS, o. gmv. willekeur-heerschappij, onbeperkte gezagvoering. *...LUTIST, m. (-en), aanhanger der onbeperkte alleenheersching. *...LUUT, bn. (...luter, -st), volstrekt, op zich zelf; onbepaald, onafhankelijk. [† Absolveren]† Absolveren, bw. gel. (ik absolveerde, heb geabsolveerd), vrijspreken; ontbinden; voleinden. *...SORBEREN, bw. gel. (ik absorbeerde, heb geabsorbeerd), inzuigen, in zich opnemen, opslorpen, verzwelgen; (ook fig.). *...SORPTIE, v. gmv. inzuiging, opslorping. [† Abstinent]† Abstinent, bn. (-er, -st), matig, ingetogen, met onthouding.
*-IE, v. (...iën), onthouding (van spijs en drank). *...STRACT, bn. (-er, -st), afgetrokken, op zich zelf beschouwd; de abstracte wetenschappen, wiskunde, sterrekunde enz.. *...STRAHEREN, bw. gel. (ik abstraheerde, heb geabstraheerd), afzonderen, aftrekken, afleiden. [† Absurd]† Absurd, bn. (-er, -st), ongerijmd, dwaas, zot, onverstandig, onnoozel; strijdig met de rede. *-ITEIT, v. (-en), ongerijmdheid. [Abt]Abt, m. (-en), kloostervoogd. [Abuis]Abuis, o. (...zen), vergissing; misvatting; per -, bij vergissing. [† Abundant]† Abundant, bn. *-IE, v. = ABONDANT. *...DEREN, ow. gel. (ik abundeerde, heb geabundeerd), overvloeijen, in overvloed voorhanden zijn; overvloed hebben. [† Abuseren]† Abuseren, bw. gel. (ik abuseerde, heb geabuseerd), misbruik maken, misleiden. ZICH -, ww. zich vergissen. *...SIEF, bn. verkeerd, mis. *...SIEVELIJK, bijw. bij vergissing. [† Acacia]† Acacia, m. (-as), zevenboom; (ook) plant. *...JOU, o. mahoniehout. [† Accableren]† Accableren, bw. gel. (ik accableerde, heb geaccableerd), overladen, bezwaren, ter neêr drukken. [† Accederen]† Accederen, ow. gel. (ik accedeerde, heb geaccedeerd), bijvallen, toestemmen, toetreden. [† Acceleratie]† Acceleratie, v. gmv. (werkt.) toeneming van snelheid, versnelling. *...LEREREN, bw. gel. (ik accelereerde, heb geaccelereerd), bespoedigen, versnellen. [† Accent]† Accent, o. (-en), klankteeken, toonteeken; toon, klemtoon; nadruk. *-LETTER, v. (-s), (boekdr.) letter met een toonteeken. [† Acceptatie]† Acceptatie, v. (...iën), (ook ACCEPT, o.) aanneming; handteekening (op eenen wissel) van den acceptant; wissel. *...TANT, m. (-en), aannemer. *...TEREN, bw. gel. (ik accepteerde, heb geaccepteerd), aannemen (te betalen eenen wissel). *...TIE, v. (...ën), aanneming; aangenomen beteekenis of zin van een woord, woordduiding. [† Accès]† Accès, m. toegang. *-SIBEL, bn. toegankelijk, genaakbaar. *-SIE, v. (-ën), toestemming, toetreding; bewijs van toegang. *-IST, m. (-en), voorloopig onbezoldigd ambtenaar. *-SIT, o. (-s), tweede prijs (op middelbare en hooge scholen, bij prijsuitschrijvingen enz.). *-SOIR, bn. bijkomend, toegevoegd, er bij -, ertoe behoorende; de -en, het bijkomende (op het tooneel, op eene schilderij). [† Accident]† Accident, o. (-en), ongeval, ongeluk, uitwas, gezwel (op het ligchaam). *-EEL, bn. toevallig. *-IËN, v. mv. buitenkansjes, emolumenten, toevallige ambtsvoordeelen. [† Accijns]† Accijns, ACCIJS, m. (-en), belasting (op levensmiddelen enz.), verbruiksbelasting. *-KANTOOR, o. (...oren). *-PLIGTIG, bn. *-WET, v. (-ten). [† Acclamatie]† Acclamatie, v. gmv. vreugdegejuich; iets bij - (zonder stemming, met algemeene goedkeuring) aannemen. [† Acclimatisering]† Acclimatisering, *...SATIE, v. gmv. het gewennen aan een andere lucht en klimaat dan die van het geboorteland; het inheemsch maken. [† Accolade]† Accolade, v. (-n), omhelzing; ridderslag; (boekdr.) strik. [† Accommodatie]† Accommodatie, v. gmv. schikking; inschikkelijkheid, toegeeflijkheid. *-VERMOGEN, o. gmv. het - van het oog. *...DEMENT, o. gmv. inrigting; schikking, vergelijk (tot afbetaling van schulden). *...DEREN,
bw. gel. (ik accomodeerde, heb geaccomodeerd), in orde brengen; opmaken. ZICH -, ww. een vergelijk treffen, overeenkomen. [† Accompagnement]† Accompagnement, o. gmv. (muz.) begeleiding. *...PAGNEREN, bw. gel. (ik accompagneerde, heb geaccompagneerd), (muz.) begeleiden. [† Accoord]† Accoord, o. (-en), overeenkomst, schikking; overeenstemming; (muz.) toon, geluid. *...CORDEREN, bw. gel. (ik accordeerde, heb geaccordeerd), overeenkomen, overeenstemmen; bewilligen, toestaan. [† Accordeon]† Accordeon, ACCORDION, o. (-s), speeltuig. [† Accoucheur]† Accoucheur, m. (-s), vroedmeester. [† Accrediteren]† Accrediteren, bw. gel. (ik accrediteerde, heb geaccrediteerd), in vertrouwen brengen, krediet verschaffen; een geaccrediteerd gezant, een officiëel toegelaten gezant (na aanneming zijner geloofsbrieven.) |