[p. 97]
B.
[B]
B, v. 2e letter van het alfabet; (muz.) de noot ci; sleutel van , mol; (rom. get.) 300; {B}, 3000; a plus b (a + b); proef B (tweede afdruk van koperplaten); B. of Ba., (scheik.) bargum.
B., beatus, beata, de zalige; B.C., (muz.) basso continuo, generale grond- of hoofdbas; B.C., balneum cineris, aschbad; Bar. of Boc., baron; B.C.D., bono cum Deo, met (hulp van) den goeden God; Bco., banco, bank; Bibl., Biblia, de Bijbel, de Heilige Schrift; Biblioth., bibliotheek; B.L., benevole lector, goedgunstige -, toegenegen lezer; Bl., blz., bladzijde; B.M., beatae memoriae, zaliger gedachtenis; B.M., balneum maris, zeebad; Br., broeder (vrijmetselaar enz.); B.V., beata Virgo, de heilige Maagd (Maria); b.v., bijv., bij voorbeeld.
[Ba]
Ba, tw. foei! kom, kom!
[Baadster]
Baadster, v. (-s), vrouw die zich baadt.
[Baai]
Baai, v. (-jen, B. -en), gmv. kleine golf of inham. *-, m. wollen stof; § roode wijn. *-JEN, bn. van baai. *-HAL, v. (-len), plaats waar baai verkocht wordt. *-TJE, (B. -N), o. buisje; op zijn - krijgen, bekeven -, afgerost worden. *-VANGEN, ow. (enkel in de onb. wijs), sierlijk op schaatsen rijden. *-VANGER, m. (-s), groenlandsvaarder. -, *-VANGSTER, v. hij -, zij die sierlijk op schaatsen rijdt. *-ZOUT, o. (-en), zeezout.
[Baak]
Baak, v. (baken), teeken tot waarschuwing in zee, vuurtoren; de baken komen uit, het geheim komt aan den dag; als het tij verloopt, verzet men de baken, men schikt zich naar de omstandigheden. *-GELD, o. (-en), zie BAKENGELD. *-LICHT, o. (-en).
[Baal]
Baal, v. (balen), groot pak, groote volle zak (goederen); § eene - slaan, tieren, razen; zie ook BAL. *-, (BAÄL), m. naam van een syrischen afgod; voor den - buigen, voor rijkdom of rang kruipen. *-DOEK, o. *-LINNEN, o. (-s). *-TJE, (B. -N), o. (-s).
[Baan]
Baan, v. (banen), uitgestrektheid; volle breedte van stof; uit de - knikkeren, onderkruipen; ter bane brengen, bespreken; ruim - maken, de - vegen, alles uit den weg ruimen; op de lange - schuiven, onbepaald uitstellen; het katje van de -, de voorste, de opperste (bij een spel).
[Baander]
Baander, m. (-s), touwslager. *-HEER, m. (-en), den - spelen, groot leven, verkwisten. *-IJ, v. (-en), lijnbaan.
[Baandraaijer]
Baandraaijer, m. (-s), touwslager. *...DRAAISTER, v. (-s). *...GELD, o. (-en). *...SPINNER, m. (-s). *...SPINSTER, v. (-s). *...TJE, o. dat is een -, een voordeelige post. *...VEGER, m. (-s). *...VEEGSTER, v. (-s).
[Baar]
Baar, v. (baren), golf; staaf (metaal); burrie; zandbank; dwarsstreep (op wapens); jong matroos. *-, bn. - geld, klinkende munt,
[p. 98]
kontanten. *-BLIJKELIJK, bn. en. bijw. duidelijk, kennelijk. -HEID v. gmv.
[Baard]
Baard, m. (-en), haar op het aangezigt; om 's keizers - spelen, om niets spelen; in den - vliegen, aanvallen; tegen iem. uitvaren; baarden, stekels van korenaren, - van visschen. *-ELOOS, bn. zonder baard. *-EN, ow. gel. (ik baardde, heb gebaard) eenen baard krijgen. § *-HEN, v. (-nen), vrouw met eenen baard. *-IG, bn. met eenen baard; gespierd. *-MANNETJE, (B. -N), o. (s), zekere oude munt (= ƒ0.30); baardige mees. *-SCHEERDER, m. (-s). *-SCHEERSTER, v. (-s). *-SCHRAPER, m. (-s). *-SCHRAAPSTER, v. (-s).
[Baarlip]
Baarlip, v. (-pen). *...LIJK, bn. vleeschelijk, tastbaar. *...MOEDER, v. (-s), (ontl.) lijfmoeder; (fig.) bron.
[Baars]
Baars, m. (...zen), zekere riviervisch; de - vergallen, zie VERGALLEN; (kuip.) dissel, bijl.
[Baarschap]
Baarschap, v. gmv. have, gereed geld.
[Baarsje]
Baarsje, (B. -N), o. (-s), kleine baars.
[Baarskom]
Baarskom, v. (-men). *...MAAL, o. (...malen). -TIJD, m. (-en), geregt van baars. *...KOP, m. (-pen). *...MARKT, v. (-en). *...SCHOTEL, m. (-s). *...SIM, v. (-men), zekere aap.
[Baarvlies]
Baarvlies, o. (...zen), (ontl.).
[Baas]
Baas, m. (bazen), meester (in alle ambachten); (fig.) heer; den - spelen, heerschen; de vrouw is er -, de vrouw heeft er alles te zeggen; hij is mij de - af, hij doet het beter, hij wint het van mij; een - van een visch, een groote visch. *-JE, (B. -N), o. (-s), (fig.) mannetje, ventje.
[Baat]
Baat, v. (baten), winst, voordeel; - vinden bij, bij -, door iets voordeel of vooruitgang vinden (van geneesmiddelen enz.). *-JE, (B. -N), o. (-s), alle -s helpen, alle kleine winsten zijn ook voordeelig; baten en schaden, winst en verliezen. *-ZUCHT, v. gmv. -IG, bn. en bijw. gierig, inhalig. -IGHEID, v. gmv., zie BAATZUCHT.
[Baauwen]
Baauwen, ow. gel. zie NABAAUWEN.
[Babbelaar]
Babbelaar, m. (-s), snapper. *-STER, v. (-s), snapster. *...LARIJ, v. (-en), gesnap, gekakel. *...LEN, ow. gel. (ik babbelde, heb gebabbeld).
[Babbelguigjes]
Babbelguigjes, o. mv. ijdele praat.
[Babijn]
Babijn, v. (-en), klos.
[Babilonisch]
Babilonisch, van -, uit Babel; de -e gevangenschap.
[† Babiolen]
† Babiolen, v. mv. speelgoed; (fig.) wisjewasjes.
[Babok]
Babok, m. en v. (-ken), domoor. *-KIG, bn. en bijw. dom.
[† Baccalaureaat]
† Baccalaureaat, m. (...aten), die den doctorsgraad heeft verkregen.
[Bad]
Bad, o. (-en), een, - nemen; de baden gebruiken. *...BEDIENDE, m. en v. (-n). *-BROEK, v. (-en). *-DOKTER, m. (-s), vaste geneesheer op eene badplaats.
[Baden]
Baden, bw. ow. ZICH -, ww. gel. (ik baadde [mij], heb [mij] gebaden). *...DER, m. (-s), die een bad neemt.
[Badgast]
Badgast, m. en v. (-en), bezoeker -, bezoekster eener badplaats. *...GELD, o. (-en). *...HEMD, o. (-en). *...HOUDER, m. *...HOUDSTER, v. (-s). *...HUIS, o. (...huizen). *..LOON, o. (-en). *...KAMER, v. (-s).
[p. 99]
*...KNECHT, m. (-en). *...KLEED, o. (-en). *...KOETS, v. (-en). *...KUUR, v. (...kuren), bepaalde tijd en wijze van genezing door middel der baden; de - gebruiken. *...MANTEL, m. (-s). *...KUIP, v. (-en). *...PLAATS, v. (-en). *...MEESTER, m. *...STOOF, v. (...oven), zweetbad. -HOUDER, m. (-s). *...WATER, o. (-en). *...ZAAL, v. (...zalen).
[† Badinage]
† Badinage, v. gmv. scherts. *...NE, v. (-s), dunne rotting.
[Baffen]
Baffen, ow. gel. (ik bafte, heb gebaft), blaffen, bassen. *...FER, m. (-s). *...STER, v. (-s).
[Bag]
Bag, v. (-gen) of *-GE, v. (-n), oorhanger.
[Bagaadje, Bagage]
Bagaadje, Bagage, v. gmv. reisgoed. *-KAR, v. (-ren). *-WAGEN, m. (-s). *-STANDAARD, m. (-s, -en), trosvaan.
[† Bagasse]
† Bagasse, v. gmv. uitgeperst suikerriet.
[Bagger]
Bagger, m. (gmv.) slijk, modder. *-BOER, m. (-en). *-BOOM, m. (-en), (waarmede men eene praam boomt). *-EN, bw. (ik baggerde, heb gebaggerd), slijk -, modder uithalen. *-MAN, m. (-nen, ...lieden). *-MOLEN, m. (-s). *-NET, o. (-ten). *-PRAAM, v. (...amen). *-SCHUIT, v. (-en). *-SCHOP, v. (-pen). *-SPADE, v. (-n).
[† Bagno]
† Bagno, o. (-oos), tuchthuis, galei.
[Bagijn]
Bagijn, v. zie BEGIJN. *-RA, v. (zeew.) (-as). *-ETOPPENANT, m. (-en). (zeew.)
[Bajert]
Bajert, m. (gmv.) warlklomp der natuur.
[Bajonet]
Bajonet, v. (-ten), scherpe punt op een geweer.
[Bak]
Bak, m. (-ken), kom, nap; (zeew.) de matrozen voor welke wordt opgedischt; aan den -, aan tafel; (zeew.) voorplecht; platbodemde schuit; middenruim in eenen schouwburg; wang; achterdeel van eene koets. *-BEEST, o. (-en), voorlastig schip; (fig.) log-, lomp gevaarte. *-BOORD, o. (-en), (zeew.) linkerzijde (van het roer gerekend). -SWACHT, v. (-en).
[Bakelaar]
Bakelaar, m. (-s), laurierbezie.
[Bakengeld]
Bakengeld, o. (-en). *...REGT, o. (-en), wat men voor de baken betaalt.
[Bakenen]
Bakenen, bw. gel. (ik bakende, heb gebakend), baken stellen. Zie AFBAKENEN.
[Bakenlicht]
Bakenlicht, o. (-en). *...MEESTER, m. (-s). *...OPPASSER, m. (-s). *...STOK, m. (-ken). *...VUUR, o. (...vuren).
[Baker]
Baker, v. (-s), oppasster eener kraamvrouw. *-EN, ow. bw. gel. (ik bakerde, heb gebakerd); een kind -; eene kraamvrouw oppassen; (fig.) heet gebakerd zijn, driftig van aard zijn; zich in de zon -, zich koesteren. *-GELD, o. (-en). *-LOON, o. (gmv.) *-FOOI, v. (-jen). *-KUSSEN, o. (-s). *-MAND, v. (-en). *-MAT, v. (-ten), vuurmand; (fig.) wieg; de - der kunst, - der vrijheid. *-MOER, v. (-en), baker. *-PENNING, m. (-en), bakerfooi, bakergeld. *-SCHELLING, m. (-en), groote schelling. *-STOEL, m. (-en). *-SPELD, v. (-en), zeer groote speld.
[Bakgeld]
Bakgeld, o. (-en), loon voor het bakken. *...HUIS, o. (...zen), bakkerij, aangezigt; zie BAKKES.
[Bakkebaard]
Bakkebaard, m. (-en).
[Bakken]
Bakken, bw. ow. (ik bakte, heb gebakken; brood -, eene taart-;
[p. 100]
(ook) hard vriezen; (fig.) eene poets -, op slinksche wijze iem. eenen trek spelen; hij zal het hem -; (fig.) mijn brood is overal gebakken, ik vind overal mijn bestaan. *...KER, m. (-s). -IN, v. (-nen). *...KERIJ, v. (-en), de plaats waar gebakken wordt; het vak van bakker.
[Bakkersboekje]
Bakkersboekje, o. (-s). *...BRIEFJE, o. (-s). *...TROG, m. (-gen). *...GEZEL, m. (-len). *...GILD, o. (-en). *...JONGEN, m. (s). *...KNECHT, m. (-s, -en). *...MAND, v. (-en). *...SCHOP, v. (-pen).
[§ Bakkes]
§ Bakkes, o. (gmv.) aangezigt; een leelijk -, een lief -je; iem. op zijn - geven, in het aangezigt slaan; houd je -, wees stil, spreek niet tegen.
[Bakloon]
Bakloon, o. (-en). *...MEESTER, m. (-s), opzigter over het eten der matrozen. *...OVEN, m. (-s). -GAT, o. (-en). *...PAN, v. (-nen). *...REGT, o. (-en), (oudt.) regt om zijn eigen brood te bakken; geld dat men daarvoor betaalde. *...SCHOL, m. (-len), schol geschikt om te bakken. -LETJE, o. (-s). *...SEL, o. (-s), het gebakkene; alle -s en brouwsels zijn niet gelijk, alles valt niet op dezelfde wijze uit. *...SLEDE, v. (-n), groote slede, russische narrenslede met banken. *...SLAG, v. (zeew.) gevlochten touw aan de ra. *...SLAGERIJ, v. (-en), vechtpartij. *...SNOEK, m. (-en). *...TONG, v. (-en). *...SPIER, o. (-en), (op schepen). *...STAG, v. (-gen), zie BAKSLAG. *...STAGKOELTE, v. *...STAGWIND, m. (-en). *...STEEN, m. (-en), gebakken steen; als een -, zwaar, log. *...TAND, m. (-en), kies. *...TROG, m. (-gen). *...VISCH, m. gmv. *...WAGEN, m. (-s), groot voertuig met banken.
[Bal]
Bal, m. (-len), bolrond ligchaam; onderste van den voet; (fig.) den - misslaan, het mis hebben, verkeerd raden; wie kaatst moet den - verwachten, wie iets (kwaads) onderneemt moet op de gevolgen voorbereid zijn; (bilj.) eenen - maken, den bal in den zak drijven. *-, o. dans-partij; het - openen, den dans beginnen; (fig.) den eersten stap doen. *-LETJE, (B. -N), o. (-s), een - van iets opwerpen, iets op het tapijt brengen, eene snaar aanroeren; uithooren.
[Balanceerstok]
Balanceerstok, m. (-ken), stok waarmede men zich bij gymnastische oefeningen in evenwigt houdt.
[Balans]
Balans, v. (-en), boom der weegschaal; weegschaal; (kooph.) eindrekening van het grootboek; voor -, per -, per saldo (op nieuwe rekening); hydrostatische -, werktuig om de wet van Archimedes proefondervindelijk te bewijzen. *-ENMAKER, m. (-s). *-REKENING, v. (-en).
[Baldadig]
Baldadig, bn. en bijw. *-LIJK, bijw. boos, slecht (van natuur). *-HEID, v. (...heden), boosheid, onbeschaamdheid.
[Balddadig]
Balddadig, bn. en bijw. *-LIJK, bijw. stout; brooddronken. *-HEID, v. (...heden), stoutheid, brooddronkenheid.
[Balderen]
Balderen, ow. gel. (ik balderde, heb gebalderd), leven -, getier -, geraas maken, bulderen.
[Balein]
Balein, o. gmv. walvischbeen. *-, v. (-en), reep daarvan gesneden (voor corsetten enz.). *-EN, bn. van balein. *-ACHTIG, bn.
[Balg]
Balg, m. huid van een gevild dier; § buik.
[p. 101]
Balie, v. (-ën), trap-, brugleuning; schutting; leuning; hek; (zeew.) scheepstobbe; ton; (fig.) de regtbank; de orde der advokaten. *-MAND, v. (-en), platte vaschmand.
[Baljuw]
Baljuw, m. (-en), schout. *-SCHAP, o. gmv. schoutsambt.
[Balk]
Balk, m. (-en), rib onder eene zoldering; langwerpig gezaagd hout; (wap.) streep op een schild of veld; kanonstelling; (spr.) den - in eens anderen oog zien en niet den splinter in zijn eigen, de gebreken van zijnen naaste wel, doch zijne eigene niet kennen. *-GAT, o. (-en), (bouwk.) *-HAAK, m. (...aken), (zeew.).
[Balken]
Balken, m. (-s), bovenste gedeelte eener graanschuur. *-, ow. gel. (ik balkte, heb gebalkt), schreeuwen (van ezels).
[Balkleed]
Balkleed, o. (-eren), feestgewaad op eene danspartij.
[Balkon]
Balkon, o. (-s), (bouwk.), uitstek aan den voor- of achtergevel (van een hek voorzien); (toon.) eerste plaats in eenen schouwburg.
[Balksleutel]
Balksleutel, m. (-s), (bouwk.) *...WEGERS, m. mv. (zeew.)
[Ballast]
Ballast, m. gmv. onderste last (in een schip); de - schiet, raakt van zijne plaats; -scheeps, alleen met - geladen; in - varen, zonder lading varen. *-EN, bw. gel. (ik ballastte, heb geballast). *-KLEED, o. (-en), geteerd zeildoek. *-SCHIP, o. (...schepen). *-SCHUIT, v. (-en).
[Ballet]
Ballet o. (-ten), dansspel op een tooneel. *-JE, o. (-s), (met den klemtoon op let), klein ballet, divertissement; (met den klemtoon op bal), kleine bal; gehakt vleesch.
[Balling]
Balling, m. en v. (-en), - 's lands, een uit het land verbannene. *-SCHAP, v. (gmv.)
[† Ballistiek]
† Ballistiek, v. gmv. werpkunst. *...TISCH, bn. -e slinger, werktuig om de snelheid van afgeschoten kogels te meten.
[† Balloteren]
† Balloteren, bw. gel. (ik balloteerde, heb geballoteerd), stemmen over iem. die tot lid eener vereeniging enz. is voorgesteld.
[Balnet]
Balnet, o. (-ten), (in het kaatsspel).
[Baloorig]
Baloorig, bn. en bijw. berooid, vertwijfelend. *-HEID, v. gmv. berooidheid, vertwijfeling.
[Balsem]
Balsem, m. (-s), welriekende zalf; (fig.) - in de wonde gieten, troosten, helpen. *-ACHTIG, bn. *-BOOM, m. (-en). *-DOOS, v. (...zen). *-EN, bw. gel. (ik balsemde, heb gebalsemd). *-GEUR, m. (-en), (dicht.) de - van Arabië, de heerlijke geuren der arabische planten. *-HOUT, o. (-en). *-IJN, v. gmv. zeker geneeskruid. *-ING, v. (gmv.) het balsemen; (fig.) zalving, stichting door de woorden eens geestelijken. *-OLIE v. (...ën).
[Balslaan]
Balslaan, ow. onr. (ik sloeg bal, heb bal geslagen), met den bal spelen; het slaan met den bal. *...SPEL, o. het spelen -, kaatsen met den bal. *...STURIG, bn. en bijw. koppig, halsstarrig; (fig.) het - lot, tegenspoed. -HEID, v. koppigheid, halsstarrigheid. *...ZAK, m. (-ken), (ontl.) zakje der teeldeelen; biljartzak.
[Bamboes]
Bamboes, o. en m. (...zen), (o. het riet, m. de stok). *-RIET, o. (-en). *-STOK, m. (-ken). *...BOEZEN, bn. van bamboes.
[Ban]
Ban, m. (gmv.) uitsluiting van de kerk; zie RIJKSBAN; in den - doen, den ban uitspreken; regtsgebied; klasse der gewapende
[p. 102]
burgers; landvoogd. *-BLIKSEM, m. (-s). *-VLOEK, m. (-en), (fig.) vonnis dat de kerk uitspreekt.
[Banaan]
Banaan, v. (...anen), pisang, voedselplant. *-BOOM, m. (-en).
[† Banco]
† Banco, o. zie BANKGELD.
[Band]
Band, m. (-en), van een boek; boekdeel; lint, hoepel; verband; (bouwk.) astragaal; (fig.) uit den - springen, een buitensporig leven beginnen te leiden.
[Bandelier]
Bandelier, m. (-en), degenhanger. *...LOTTEN, v. mv. oorhangers.
[Bandfabriek]
Bandfabriek, v. (-en). *...JE, (B. -N), o. (-s). *...HOND, m. (-en). *...NAGEL, m. (-s), klinkspijker. *...REKEL, m. (-s), hond die gewoonlijk aan eenen band of ketting ligt; (fig.) luiaard. *...RIJS, o. gmv. dunne teentjes.
[Bandiet]
Bandiet, m. (-en), roover.
[Bandjer]
Bandjer, m. (-s), stortvloed, zware regen (in Oost-Indië).
[Banen]
Banen, bw. gel. (ik baande, heb gebaand), evenen, openen (van eenen weg), (ook fig.).
[Bang]
Bang, bn. en bijw. (-er, -st). *-HEID, v. gmv. bevreesdheid; benaauwdheid.
[Banier]
Banier, v. (-en), veldteeken, vaan; (fig.) de - opsteken, eenen opstand beginnen.
[Bank]
Bank, v. (-en), zitplaats (voor personen); inrigting voor den koophandel; inrigting voor kansspelen; - van leening, lombard; de - houden, het spel ondernemen, den inleg ontvangen en de uitbetalingen doen; de - doen springen, den bankhouder meer afwinnen dan hij heeft; iem. van de - drinken, hem dronken maken; achter de - raken, vergeten worden; door de -, (↑ door den band), het een door het ander gerekend, gemiddeld.
[Bankaard]
Bankaard, m. (-s), onecht kind, bastaard.
[† Bankactie]
† Bankactie, v. (...ën), bewijs van aandeel in de bank. *...BILJET, o. (-ten), papiergeld. *...BREUK, v. (-en), bankroet; bedriegelijke -, door opzettelijk bedrog, door valsche boeken enz. -IG, bn. *...BRIEFJE, o. (-s), bankbiljet; (ook) bewijs van verpanding, lombardbriefje.
[Banken]
Banken, ow. gel. (ik bankte, heb gebankt), aanzitten; spelen; (fig.) hij zal daar niet lang banken, niet lang blijven.
[Banket]
Banket, o. gmv. gebak; (vest.) verhoogd steenen pad. *-BAKKER, m. (-s). *-BAKSTER, v. (-s). *-DEEG, o. gmv. *-TEERDER, m. (-s), *-TEERSTER, v. (-s), smuller, verkwister, smulster. *-TEREN, ow. gel. (ik banketteerde, heb gebanketteerd), smullen, verkwistend leven. *-TERING, v. gmv.
[Bankgeld]
Bankgeld, o. gmv. geld waarvan de koers hooger stond dan kasof kontant geld. *...HOUDER, m. (-s), *..HOUDSTER, v. (-s), hij -, zij die eene speelbank of eene bank van leening houdt, of ze voor eigen rekening bestuurt. *...NOOT, v. (...en), bankbiljet (inz. engelsche).
[Bankier]
Bankier, m. (-s), die zich met wisselzaken en -handel (vooral naar het buitenland) bezig houdt; speelbankhouder; die gelden voor een ander beheert, kassier. *-STER, v. (-s), bankhoudster. *-SHUIS, o. (...zen), handelsinrigting van eenen bankier; deelhebbers van de firma. *-KANTOOR, o. (...oren). *-KLERK, m. (-en).
[p. 103]
[Bankroet, Bankeroet, Bankrot]
Bankroet, Bankeroet, Bankrot, o. (-en), staking van betalingen; - spelen, - gaan, verklaren dat men zijne betalingen staakt. *-IER, m. (-s). *-IERSTER, v. (-s).
[Bankvast]
Bankvast, bn. (fig.) - maken, gevangen zetten.
[Bannen]
Bannen, bw. gel. (ik bande, heb gebannen), in ballingschap zenden; den duivel -, uitjagen, verdrijven; (kaartsp.) aftroeven. *...NING, v. gmv.
[Banus]
Banus, m. (beter BAN), landvoogd.
[Banvloek]
Banvloek, m. (-en), banbliksem, banvonnis.
[Bar]
Bar, bn. en bijw. (-der, -st), ruw; onvruchtbaar, onbebouwd. *-HEID, v. gmv.
[Barak]
Barak, v. (-ken), loods, loots, kazerne.
[Barbaar]
Barbaar, m. (...aren), (fig.) woestaard, wreed mensch. *-SCH, bn. en bijw. wreed, wreedelijk. *-SCHHEID, v. (...heden). *...BARISMUS, m. (-sen), taalfout.
[† Barbe]
† Barbe, v. (-n), halsstrook.
[Barbeel]
Barbeel, m. (-en), zekere visch.
[Barbier]
Barbier, m. (-s, -en), baardscheerder. *-STER, v. (-s). *-SJONGEN, m. (-s).*-SKNECHT, m. (-s). *-SMEID, v. (-en). *-SSTAND, m. gmv. bedrijf -, al de klanten van eenen barbier. *-SWINKEL, m. (-s).
[Bard]
Bard, m. zanger, dichter (bij de Druïden). *-ENLIED, o. (-eren). *-ENZANG, m. (-en).
[Bardezaan]
Bardezaan, m. (...zanen), hellebaard.
[Baren]
Baren, bw. gel. (ik baarde, heb gebaard), ter wereld brengen; (fig.) de tijd baart rozen, de tijd brengt alles weder te regt; (fig.) veroorzaken; dit baart mij kommer. *...RING, v. het baren.
[Barensnood]
Barensnood, m. gmv. *...WEEËN, o. mv.
[† Baret]
† Baret, v. (-ten), muts, pluimhoed zonder rand.
[Barg]
Barg, m. (-en), gesneden varken.
[Bargie, Barge]
Bargie, Barge, v. (-s), trekschuit.
[Bargoensch]
Bargoensch, o. (gmv.) onverstaanbare taal; kramerlatijn; dieventaal.
[† Barilla]
† Barilla, v. gmv. spaansche soda.
[† Bariton]
† Bariton, m. (muz.) hooge bas.
[Bark]
Bark, v. (-en), schuit. *-AS, v. (-en), groote sloep.
[Barkan]
Barkan, o. (-s), zekere grove stof. *-WEEFSTER, v. (-s). *-WEVER, m. (-s).
[Barkhouten]
Barkhouten, o. mv. scheepsbalken.
[Barkoen]
Barkoen, v. (-s). (zeew.) rondhout, windboom.
[Barm]
Barm, m. (-en), zekere visch. *-HARTIG, bn. en bijw. -LIJK, bijw. medelijdend. *-HARTIGHEID, v. gmv. *-TE, v. (-n), hoop; tas.
[Barnen]
Barnen, bw. ow. gel. (ik barnde, heb gebarnd), branden; (fig.) in het - der gevaren, in het ergste gevaar. *...NING, v. het barnen.
[Barnsteen]
Barnsteen, m. (-en). *-ALUIN, o. gmv. *-EN, bn. van barnsteen. *-OLIE, v. gmv. *-VERNIS, o. gmv. *-ZUUR, o. gmv.
[† Barok, Baroque]
† Barok, Baroque, bn. (-ker, -st), (zeew.) scheefrond; (fig.) zonderling, belagchelijk.
[† Barometer]
† Barometer, m. (-s), lucht-zwaartemeter; de - wijst, wijst op. *...METROGRAAF, m. (...afen), zelfregistrerende barometer.
[p. 104]
[Baron]
Baron, m. (-s, -nen), vrijheer; (fig.) den - spelen, den grooten heer uithangen. *-ES of *-NES, v. (-sen). *-NET, m. (-s). *-NIJ, v. -E, v. (-en), vrije heerlijkheid; de - van Breda. *-PEER, v. (...peren), soort peer. *-SCHAP, o. gmv.
[† Baroscoop]
† Baroscoop, v. (...open), werktuig om de drukking of het gewigt der lucht aan te toonen.
[† Barouchet]
† Barouchet, v. (-ten), soort rijtuig.
[Barrevoeter]
Barrevoeter, m. (-s), die blootsvoets loopt. *-MONNIK, m. (-en). *...VOETS, bijw. blootvoets.
[† Barrikade]
† Barrikade, v. (-n), versperring (meest bij oproer). *...DEREN, bw. gel. (ik barrikadeerde, heb gebarrikadeerd). ZICH-, ww. zich versperren.
[† Barrière]
† Barrière, v. (-n), slagboom; (gesch.) het -traktaat.
[Barsch]
Barsch, bw. en bijw. onvriendelijk, ruw. *-HEID, v. gmv.
[Barsie]
Barsie, v. gmv. zeker ruw kamelot.
[Barst]
Barst, v. (-en), spleet. *-EN, ow. gel. (ik barstte, ben gebarsten).
[† Baryt]
† Baryt, o. of *-AARDE, v. gmv. zekere delfstof; koolzure - of whiteriet; zwavelzure - of zwaarspaath.
[† Baryum]
† Baryum, o. gmv. zwaaraarde-metaal.
[Bas]
Bas, m. (-sen), speeltuig met snaren; diepe stem; bij de bassen behooren (in een koor). *-FLUIT, v. (-en). *-SIST, m. (-en), die den bas zingt.
[Basalt]
Basalt, m. gmv. zekere steen, ijzermarmer. *-IET, o. gmv. zekere steensoort.
[† Basaniet]
† Basaniet, o. gmv. zekere steensoort, lydische steen.
[† Bascule]
† Bascule, v. (-s), brugbalans.
[† Basement]
† Basement, o. (bouwk.) grondsteen, fundering (van zuilen).
[† Baseren]
† Baseren, bw. zie GRONDEN. *...SIS, v. gmv. grondslag, (ook fig.).
[† Basiliscus]
† Basiliscus, m. (-sen), zek. slang.
[† Bas-relief]
† Bas-relief, v. (-s), halfverheven beeldwerk.
[Bassa]
Bassa, m. (-as), pacha, bestuurder eener provincie in Turkije.
[Bassen]
Bassen, ow. gel. (ik baste, heb gebast), blaffen.
[† Basse-taille]
† Basse-taille, v. gmv. (muz.) lage tenor.
[Bassetspel]
Bassetspel, o. zeker kaartspel.
[† Bassin]
† Bassin, o. (-s), kom (van dokken enz.).
[Bassleutel]
Bassleutel, m. (-s), sleutel om de bassnaren op te winden; grondtoon voor den bas. *...STEM, v. (-men). *...VIOOL, v. (...olen). *...ZANGER, m. (-s).
[† Bassorine]
† Bassorine, v. zekere gomsoort.
[Bast]
Bast, m. schors; § buik, pens; op zijn - geven, afrossen; den - vullen, veel eten en drinken; ↑ strop.
[† Basta]
† Basta, bijw. en tw. genoeg; afgedaan!
[Bastaard]
Bastaard, m. (-s), onecht kind; tot - maken, onterven. *-IJ, v. gmv. onwettige geboorte. *-BROEDER, m. (-s). *-ZUSTER, v. (-s). *-KIND, o. (-eren). *-SCHRIFT, o. (-en), eigenaardig steil en breed schrift. *-VRUCHT, v. (-en). *-WIJN, m. (-en). *-HOND, m. (-en). *-WOORD, o. (-en), woord uit eene vreemde taal.
[Bastachtig, Bastig]
Bastachtig, Bastig, bn. met bast, op bast gelijkende.
[† Bastille]
† Bastille, v. (oudt.) gevangen-hof (bijz. in het oude Parijs).
[Bataaf]
Bataaf, m. (...taven). *-SCH, bn. en bijw.
[p. 105]
[† Bataljon, Bataillon]
† Bataljon, Bataillon, o. (-s), afdeeling krijgsvolk.
[Bataten]
Bataten, m. mv. groene aardappelen.
[Baten]
Baten, ow. meest onp. w. gel. (het baatte, heeft gebaat), voordeelig zijn; het zal mij niet -, niet helpen; waartoe baatte het? waartoe hielp het?
[Bathengel]
Bathengel, v. gmv. wonderkruid.
[Bathorde]
Bathorde, v. naam eener engelsche ridderorde.
[Batig]
Batig, bn. voordeelig; - slot of saldo, voordeelig overschot (op eene rekening).
[Batist]
Batist, o. zekere fijne stof. *-EN, bn. van batist.
[Batsch]
Batsch, bn. en bij w. trotsch, trotschelijk, overmoedig.
[Batterij]
Batterij, v. (-en), (mil., nat.), eene - opwerpen, de -en laten spelen, de kanonnen er van losbranden; eene electrische -, galvanische -.
[Baviaan]
Baviaan, m. (...anen), groote aap.
[Bazar]
Bazar, m. (-s), winkel, rij winkels.
[↑ Bazin]
↑ Bazin, v. (-en), meesteres.
[Bazuin]
Bazuin, v. (-en), zekere trompet of horen; de - steken; op de - blazen; (org.) kromhoren. *-BLAASSTER, v. (-s). *-BLAZER, m. (-s). *-GESCHAL, o. gmv. *-EN, o. bw. gel. (ik bazuinde, heb gebazuind), met de bazuin verkondigen; (fig.) overdreven hard opdreunen.
[† Bdellion]
† Bdellion, m. (-s), (H.S.) zekere steensoort.
[† Bdellometer]
† Bdellometer, m. (-s), (heelk.), werktuig ter vervanging van de bloedzuigers.
[Beaarden]
Beaarden, bw. gel. (ik beaardde, heb beaard), met aarde bedekken. *...ADEMEN, bw. gel. (ik beademde, heb beademd), over iets den mond laten gaan. *...ADEMING, v. gmv.
[Beambte]
Beambte, m. en v. (-en), ambtenaar (niet van hoogen rang).
[Beamen]
Beamen, bw. gel. (ik beaamde, heb beaamd), toegeven, toestemmen, het eens zijn met... *...AMING, v. gmv. toestemming; het beamen.
[Beangst]
Beangst, bn. en bijw. bevreesd; - maken, vrees inboezemen. *-HEID, v. gmv. vrees, angst. *-IGEN, bw. gel. (ik beangstigde, heb beangstigd), anstig maken, angst aanjagen. *-IGING, v. (-en).
[Beantwoorden]
Beantwoorden, bw. gel. (ik beantwoordde, heb beantwoord). *...DING, v. (-en), ↑ *...DELIJK, bn. een antwoord waard.
[Bearbeiden]
Bearbeiden, bw. gel. (ik bearbeidde, heb bearbeid). *...DER, m. (-s). ...BEIDSTER, v. (-s). *...DING, v. gmv. het bearbeiden.
[Beascht]
Beascht, bn. met asch bedekt. *...ASEMEN, bw. gel. (ik beasemde, heb beasemd), beademen.
[Bebinden]
Bebinden, bw. ong. (ik bebond, heb bebonden), met band -, met windsels omwinden.
[Bebloed]
Bebloed, bn. met bloed bedekt, - bemorst. *-EN, bw. gel. (ik bebloedde, heb bebloed). *...BLOEMEN, bw. gel. (ik bebloemde, heb bebloemd), met bloemen bedekken, - bearbeiden. *...BLOKKEN, bw. (ik beblokte, heb beblokt), met ijver over iets arbeiden. *...BOETEN, bw. gel. (ik beboette, heb beboet), in boete beslaan, tot boete veroordeelen. *...BOLWERKEN, bw. gel. (ik bebolwerkte, heb bebolwerkt),
[p. 106]
met bolwerken omringen; (fig.) ik zal dat wel -, ik zal dat wel klaar krijgen, - bewerken. *...BOUWBAAR, bn. vatbaar om bebouwd (geploegd en bezaaid) te worden. *...BOUWEN, bw. gel. (ik bebouwde, heb bebouwd), met gebouwen bezetten; den grond -, de aarde omspitten, beploegen. *...BOUWING, v. gmv.
[Bed]
Bed, o. (-den), ligging; het - houden, ziek zijn; het - van eer, het slagveld; (regt.) van tafel en - gescheiden zijn, gehuwd zijn doch niet met elkander leven; van het eerste -, uit het eerste huwelijk; het - of de bedding eener rivier. *-, laag (in eene mijn); zelling (door een schip in den modder gemaakt); tuin-, bloem-, aardbeziën-.
[Bedaagd]
Bedaagd, bn. oud, bejaard. *-HEID, v. gmv.
[Bedaard]
Bedaard, vd., bn. en bijw. stil, bezadigd; iem. - aanhooren, naar iemand oplettend luisteren; de pijn is -, verminderd; bedaard! bedaard! zacht, zacht; bedaard aan, zachtjes aan. *-ELIJK, bijw. *-HEID, v. gmv. kalmte.
[Bedacht]
Bedacht, vd. op iets - zijn, iets wel overwegen; zie BEDENKEN. *-ZAAM, bn. en bijw. voorzigtig, omzigtig. -HEID, v. gmv. omzigtigheid.
[Bedammen]
Bedammen, bw. gel. (ik bedamde, heb bedamd), met eenen dam omzetten, - afpalen. *...DAMMING, v. gmv. het bedammen. *...DAMPEN, bw. gel. (ik bedampte, heb bedampt), met damp overtrekken. *...DAMPING, v. (-en), het bedampen.
[Bedanken]
Bedanken, ow. bw. gel. (ik bedankte, heb bedankt); iem. -, afdanken; iemand voor iets -, dank zeggen; zich - voor iets, dank zeggen; van de hand wijzen; zijn ontslag nemen; bedankt worden. *-, dank ontvangen; zijn ontslag krijgen. *...DANKING, v. (-en), dank; ontslag; weigering.
[Bedaren]
Bedaren, ow. gel. (ik bedaarde, ben bedaard); stiller -, kalmer worden; bekomen; het weder bedaart; stillen; bevredigen. *...DAUWEN, bw. gel. (ik bedauwde, heb bedauwd), met dauw bevochtigen; (fig.) bedauwde wangen, met tranen bevochtigd. ...ING, v. gmv. het bedauwen.
[Bedde (Bed-)behangsel]
Bedde (Bed-)behangsel, o. (-s). *...DEKEN, v. (-s). *...FLESCH, v. (...flesschen), beddewarmer. *...GOED, o. gmv. stukken tot een bed behoorende, (onderbed, kussens, peluwen enz.). *...JAK, v. (-ken). *...KLEED, o. (-en), sprei. *...KUSSEN, o. (-s). *...KWAST, m. (-en), (oudt.) kwast van de zoldering eener bedstede afhangende. *...LAKEN, o. (-s).
[Beddenkooper]
Beddenkooper, m. (-s). *...KOOPSTER, v. (-s). *...MAKER, m. bereider -, schikker van bedden. *...MAAKSTER, v. (-s). *...STOPSTER, v. (-s). *...WINKEL, m. (-s).
[Bedde(Bed-)pan]
Bedde(Bed-)pan, v. (-nen), bedwarmer. § *...PISSER, m. die 's nachts in bed watert; zeker insekt. *...PLANK, v. (-en), plank voor of in eene bedstede. *...SPREI, v. (-jen), kleed over een bed (tot sieraad) *...STROO, o. gmv. onzer Lieve Vrouwen -, zeker kruid. *...TAFEL, v. (-s), nachttafel. *...TIJK, v. gmv. zware stof waarin de veêren worden gestopt. *...VULSEL, o. gmv. veêren, dons enz. *...WARMER, m. (-s), beddeflesch. *...ZAK, m. (-ken), zak voor beddegoed; overtreksel.
[Bedding]
Bedding, v. (-en), rivierbed; (vest.) geschutzoldering, batterijplank; sluisvloer.
[p. 107]
[Bede]
Bede, v. (-n), gebed; (oudt.) belasting; op zijne -, op zijn verzoek. *-DAG, m. (-en), dag tot algemeen bidden vastgesteld.
[Bedeelen]
Bedeelen, bw. gel. (ik bedeelde, heb bedeeld), aan de behoeftigen eene vaste uitdeeling geven; bedeeld worden, tot den armenstaat behooren; de bedeelden, de armen, behoeftigen die bedeeld worden; (fig.) met de gaven der fortuin bedeeld zijn, vermogen bezitten; hij is rijk bedeeld, met veel gaven of rijkdommen toegerust. *...DEELER, m. (-s), *...DEELSTER, v. (-s), hij -, zij die gaven uitdeelt. *...DEELING, v. (-en), uitreiking van gaven; in de - zijn, tot de - behooren, uit de armenkas ontvangen.
[Bedeesd]
Bedeesd, bn. en bijw. zedig, beschroomd. *-HEID, v. gmv.
[† Bedeguar]
† Bedeguar, o. gmv. (kruidk.) hondsrozenspons.
[Bedehuis]
Bedehuis, o. (...zen), kerk, kapel.
[Bedekken]
Bedekken, bn. gel. (ik bedekte, heb bedekt). *...DEKKING, v. (-en), het bedekken; (sterr.) verduistering; (oorl.) geleide, wacht. *...DEKSEL, o. gmv. *...DEKT, vd., bn. en bijw. (vest.) de -e weg; (fig.) een - karakter, een geveinsde aard; - te kennen geven, laten raden, laten vermoeden. -ELIJK, bijw.
[Bedelaar]
Bedelaar, m. (-s). *-ACHTIG, bw. en bijw. als bedelaar. *-STER, v. (-s). *-SDEKEN, v. (-s), veelkleurige -, kunstig gestikte sprei. *-SDOELEN, m. gmv. *-SHERBERG, v. (-en).
[Bedelachtig]
Bedelachtig, bn. en bijw. *...ARES, v. (-sen). *...ARM, bn. zeer arm. *...ARIJ, v. gmv.
[Bedelbrief]
Bedelbrief, m. (...ven), vergunning te bedelen; geschreven aanvrage om eene aalmoes. *...BROK, m. en v. (-ken), gebedeld stuk (brood enz.); (fig.) hij -, zij die schaamteloos bedelt. *...BROOD, o. gmv. gebedeld brood; (fig.) het - eten, van aalmoezen leven.
[Bedelen]
Bedelen, bw. en ow. gel. (ik bedelde, heb gebedeld); zijn of het brood -; om iets -, smeekend vragen.
[Bedelmonnik]
Bedelmonnik, m. (-en). *...ORDE, v. (-n), gebroederschap van bedelmonniken. *...STAF, m. gmv. (fig.) iem. tot den - brengen, zeer arm maken. *...VOLK, o. gmv. hoop -, gezin van bedelaars. *...ZAK, m. (-ken), zakje om te bedelen; (fig.) uiterste armoede.
[Bedelven]
Bedelven, bw. ong. (ik bedolf, heb bedolven), met aarde bedekken; bedolven liggen, begraven liggen.
[Bedendelijk]
Bedenkelijk, bn. en bijw. wat bedacht -, overdacht kan of moet worden; denkbaar; (fig.) gevaarlijk; eene -e ziekte, de zieke is -. *-HEID, gmv. zwarigheid; gevaar. *...DENKEN, bw. onr. (ik bedacht, heb bedacht), nadenken over; overleggen; uitvorschen; uitdenken. ZICH -, ww. in beraad nemen; zich anders -, van besluit veranderen. *-, o. gmv. beraad; - hebben, bezwaar vinden; buiten -, buiten twijfel. *...DENKER, m. (-s), ...STER, v. (-s), die zich lang bedenkt, lang overlegt. *...DENKING, v. (-en), overleg, bezwaar; in - geven; in - nemen; geen -en! gij moet niets tegenwerpen. *...DENKTIJD, m. (-en), tijd van overleggen; uitstel.
[Bederf]
Bederf, o. gmv. *-ELIJK, bn. vatbaar voor bederf. *-STER, v. (-s), zij die (een ander) bederft. *...DERVEN, bw. ow. ong. (ik
[p. 108]
bedierf, heb of ben bedorven). *...DERVER, m. (-s), hij die (een ander) bederft. *...DERVING, v. gmv. het bederven, bederf.
[Bedestond]
Bedestond, m. biduur. *...VAART, v. (-en), reis (meest te voet) naar eene heilige plaats; ter - gaan of reizen. -GANGER, m. (-s), -GANGSTER, v. (-s), die eene bedevaart doet.
[Bedflesch]
Bedflesch, v. zie BEDDEFLESCH. *...GANG, m. smalle ruimte tusschen twee ledikanten. *...GENOOT, m. en v. (-en). *...GORDIJN, v. (en).
[↑ Bedieden]
↑ Bedieden, bw. gel. zie BEDUIDEN.
[Bedienaar]
Bedienaar, m. (-s, ...aren); - van het goddelijk woord, geestelijke, predikant; - ter begrafenis, bidder, aanspreker. *...DIENDE, m. en v. (-n). *...DIENEN, bw. gel. (ik bediende, heb bediend), dienen, helpen, ronddienen; (kerk.) het Evangelie -, prediken; eenen stervende -, (r.k.) het laatste vormsel toedienen; (kaarts.) kleur -, bekennen; hij bediende zich van leugens, hij zocht met leugens zich er uit te helpen; zie DIENEN. *...DIENING, v. (-en), het bedienen; ambt, post.
[Bedijen]
Bedijen, ow. gel. (ik bedijde, heb bedijd), gedijen, dijen, zich uitzetten. *...DIJKEN, bw. gel. (ik bedijkte, heb bedijkt), met dijken omringen. *...DIJKING, v. (-en), het bedijken.
[Bedilal]
Bedilal, m. en v. (-len). *...DILLEN, bw. gel. (ik bedilde, heb bedild), vitten; ik laat mij niet -, ik duld niet dat men op alles vit wat ik doe. *...DILLING, v. gmv. het bedillen. *...DILLER, m. (-s), vitter. *...DILSTER, v. (-s), vitster.
[Beding]
Beding, o. gmv. voorwaarde; onder -. *-EN, bw. ong. (ik bedong, heb bedongen), bij verbindtenis bepalen; door loven en bieden verkrijgen. *-ING, v. (-en), bepaling, voorwaarde. *...DISSELEN, bw. gel. (ik bedisselde, heb bedisseld), met den dissel bewerken; § (fig.) in orde -, ten uitvoer brengen. *...DISSELING, v. het bedisselen.
[Bedlegerig]
Bedlegerig, bn. ziekelijk. *-HEID, v. gmv. ziekelijkheid (waardoor men het bed moet houden).
[Bedoelen]
Bedoelen, bw. gel. (ik bedoelde, heb bedoeld), meenen. *...DOELING, v. (-en), doel, meening. §*...DOEN (ZICH), ww. onr. (ik bedeed mij, heb mij bedaan), zich bevuilen, onderdoen.
[Bedolven]
Bedolven, vd. en bn. onder den grond verborgen. *...DOMPT, bn. en dw. benaauwend; dompig. -HEID, v. gmv. § *...DONDEREN, bw. gel. (ik bedonderde, heb bedonderd), foppen, misleiden; bedonderd zijn of kijken, verbaasd zijn, - staan.
[Bedongen]
Bedongen, vd. zie BEDINGEN; (fig.) dat is niet -, niet afgesproken, daarop ben ik niet voorbereid. *...DORVEN, vd. en bn. zie BEDERVEN; een - kindje, een vertroeteld kind; (fig.) een vadzig mensch. § *...DOTTEN, bw. gel. (ik bedotte, heb bedot), foppen. *...DOTTER, m. (-s), bedrieger, fopper. *...DOTSTER, v. (-s), bedriegster. *...DOTTING, v. gmv. het bedotten.
[Bedraaijen]
Bedraaijen, bw. gel. (ik bedraaide, heb bedraaid), (fig.) in iets halen, wikkelen; met iets bedraaid zijn of worden, in iets gewikkeld zijn, - worden.
[Bedrag]
Bedrag, o. gmv. beloop (van geld); tot een - van, ten -e van. *...DRAGEN, onp. w. ong. (het bedroeg, heeft bedragen).
[p. 109]
[Bedreigen]
Bedreigen, bw. gel. (ik bedreigde, heb bedreigd), dreigen; met straf -, met boete -. *...DREIGING, v. (-en), het bedreigen.
[Bedremmelen]
Bedremmelen, bw. gel. (ik bedremmelde, heb bedremmeld), verlegen maken; hij stond bedremmeld. *...DREMMELING, v. gmv. het bedremmelen; verlegenheid.
[Bedreven]
Bedreven, vd. uitgerigt, uitgevoerd, gepleegd. *-, bn. geoefend, ervaren. *-HEID, v. gmv. ervarenheid.
[Bedriegelijk]
Bedriegelijk, bn. en bijw. bedriegend, misleidend. *-HEID, v. gmv. *...DRIEGEN, bw. ong. (ik bedroog, heb bedrogen); schijn bedriegt. ZICH -, ww. zich vergissen; zich zelven -, opzettelijk dwalen; zich de zaken anders voorstellen dan zij zijn. *...DRIEGER, m. (-s). *...DRIEGSTER, v. (-s). *...DRIEGERIJ, v. (-en), bedrog.
[Bedrijf]
Bedrijf, o. (...ven), daad; beroep, handwerk; (toon.) onderdeel van een tooneelstuk; dat is uw -, gij zijt er de oorzaak van. *-AL, m. en v. (-len), hij of zij die alles op zich neemt, alles verrigten wil. *-STER, v. (-s), daderes. *...DRIJTEN, bw. ong. (ik bedreet, heb bedreten). ZICH -, ww. zich bevuilen. *...DRIJVEN, bw. ong. (ik bedreef, heb bedreven), doen; volvoeren, verrigten; rouw -, rouwen, lijkplegtigheden vieren. *...DRIJVEND, bn. en dw. verrigtende; (taalk.) - werkwoord. *...DRIJVER, m. (-s), dader, verrigter. *...DRIJVING, v. het bedrijven; verrigting.
[Bedrillen]
Bedrillen, bw. gel. (ik bedrilde, heb bedrild), doen dreunen; (fig. beschikken. *...DRILAL, m. en v. zie BEDRIJFAL. *...DRILLER, m. (-s). *...DRILSTER, v. (-s). *...DRILLING, v. gmv. het bedrillen. *...DRINKEN, bw. ong. (ik bedronk, heb bedronken), dronken maken. ZICH -, ww. zich dronken drinken.
[Bedroede]
Bedroede, v. (-n), ijzeren stang voor eene bedgordijn.
[Bedroefd]
Bedroefd, vd. bn. en bijw. (fig.) het ziet er - uit, het is er treurig; eene -e (slechte) redevoering; een - (armzalige) redenaar. *-HEID, v. gmv. neêrslagtigheid. *...DROEVEN, bw. gel. (ik bedroefde, heb bedroefd), droefheid veroorzaken. ZICH -, ww. treuren. *...DROEVING, v. gmv. het bedroeven.
[Bedrog]
Bedrog, o. gmv. bedriegerij, bedriegelijke handeling; - plegen; een heilig -, bedriegerij om bestwil. *-, huichelarij.
[Bedrogen]
Bedrogen, vd. en bn. om den tuin geleid; teleurgesteld. *...DROPPELEN, bw. gel. (ik bedroppelde, heb bedroppeld), dropswijze begieten. *...DRUIPEN, bw. ong. (ik bedroop, heb bedropen); (fig.) zich -, zijn kostje winnen; leven kunnen. *...DRUIPING, v. gmv. het bedruipen. *...DRUIPLEPEL, m. lepel tot bedruiping.
[Bedrukken]
Bedrukken, bw. gel. (ik bedrukte, heb bedrukt), voldrukken; (ook) verdrukken. *...DRUKT, bn. bedroefd, neêrslagtig; - uitzien. -HEID, v. gmv. neêrslagtigheid. *...DRUKKING, v. gmv. het vol drukken; (fig.) bedruktheid. *...DRUPPEN, bw. gel. bedroppelen.
[Bedsponde]
Bedsponde, v. (-n), (dicht.), *...STEDE, (-n). *...STEE, v. (-ën), slaapplaats. *...STIJLEN, m. mv. hoekpilaren van een bed. *...STROO, o. gmv. zie BEDDESTROO. *...TAFEL, v. (-s). -TJE, (B. -N), o. (-s), nachttafeltje.
[Beducht]
Beducht, bn. bevreesd, bekommerd; voor iets of iem. - zijn;
[p. 110]
eene zaak -, eenen persoon duchten, (ook) er gevaar voor duchten. *...HEID, v. gmv. kommer, vrees.
[Beduiden]
Beduiden, bw. gel. (ik beduidde, heb beduid), verklaren, aantoonen, uitleggen; beteekenen. *-IS, v. (-sen), beteekenis. *...DUIDSEL, o. *...ING, v. gmv. het beduiden.
[Beduimelen]
Beduimelen, bw. gel. (ik beduimelde, heb beduimeld), door aanraking met de vingers bevlekken. *...DUIVELEN, § BEDUVELEN, bw. gel. (ik beduivelde, heb beduiveld), verlegen maken; bepraten; ben je beduiveld (beduveld)? ben je mal, - verbijsterd? *...DUIVELING, v. gmv. het beduivelen.
[↑ Bedunken]
↑ Bedunken. ow. zich laten -, meenen, gelooven; mijns -s, naar mijne meening.
[B-duur]
B-duur, m. (muz.), hoogere toon in b. *-SLEUTEL, m. (-s), de grondtoon van B-duur.
[Bedvriend]
Bedvriend, m. (-en), *-IN, v. (-nen), echtgenoot.
[Bedwang]
Bedwang, o. gmv. dwang, bedwinging; in - houden, onder - zijn.
[Bedwarmer]
Bedwarmer, m. (-s), flesch -, pan tot verwarming van een bed.
[Bedwelmen]
Bedwelmen, bw. gel. (ik bedwelmde, heb bedwelmd), duizelig maken; benevelen, (ook fig.). *...DWELMD, dw. en bn. beneveld, duizelig. -HEID, v. gmv. *...DWELMING, v. (-en), het bedwelmen; duizeligheid, flaauwte, onmagt.
[Bedwingen]
Bedwingen, bw. ong. (ik bedwong, heb bedwongen), onderdrukken, in toom houden. ZICH -, ww. zijne hartstogten -, zijnen toorn onderdrukken. *...DWINGER, m. (-s), *...DWINGSTER, v. (-s), die in dwang houdt, onderdrukt.
[Beëedigen]
Beëedigen, bw. gel. (ik beëedigde, heb beëedigd), den eed laten afleggen, in den eed nemen; met eede bekrachtigen. *...EEDIGD, dw. en bn. den eed afgelegd hebbende; eene -e verklaring, door eenen eed bekrachtigd; beëedigd translateur. *...EEDIGING, v. (-en), het beëedigen; bekrachtiging door eenen eed.
[Beef-aal]
Beef-aal, m. (...alen), sidderaal.
[Beek]
Beek, v. (-beken), smal stroomend water (aanvang der rivieren).
[Beeld]
Beeld, o. (-en), zigtbare voorstelling van iets; (ook fig.) een - van eene vrouw, eene schoone vrouw; zij is een -, zij is schoon. *-ELIJK, bn. en bijw. figuurlijk. *-EN, bw. gel. (ik beeldde, heb gebeeld); de beeldende kunsten, kunsten die eene zinnelijke aanschouwing geven (de teeken-, schilder-, beeldhouwkunst).
[Beeldenbeschrijver]
Beeldenbeschrijver, m. (-s), oudheidkundige die de beelden der ouden verklaart of beschrijft. *...VING, v. (-en), verklaring van de oude beelden.
[Beeldenaar]
Beeldenaar, m. (-s), beschrijver van beelden en penningen met de voorstellingen er van; munt-, penningboek; model van eenen penning of eene munt.
[Beeldendienaar]
Beeldendienaar, m. (-s, ...aren). *...DIENARES, v. (-sen), die beelden dient of aanbidt. *...DIENST, v. gmv. dienst -, aanbidding van beelden. *...LEER, v. gmv. leer -, eeredienst der afgodsbeelden; verklaring der beelden. *...RIJK, bn. (lett.) rijk aan vergelijkingen, - aan beeldspraak. *...STORM, m. gmv. beeldstormerij.
[Beelderig]
Beelderig, bn. zeer fraai, verrukkelijk.
[p. 111]
[Beeldgieter]
Beeldgieter, m. (-s), *...GIETSTER, v. (-s), die beelden giet (in metaal).
[Beeldhouwen]
Beeldhouwen, bw. gel. (ik beeldhouwde, heb gebeeldhouwd), in hout of steen beelden of andere voorwerpen houwen. *...HOUWER, m. (-s), *...HOUWERES, v. (-sen), die beelden of andere voorwerpen in hout of steen houwt. *...HOUWERIJ, v. gmv. *...HOUWKUNST, v. gmv. kunst van het beeldhouwen. *...HOUWWERK, o. (-en), voorwerpen in hout of steen gehouwen.
[Beeldig]
Beeldig, bn. zeer fraai, verrukkelijk.
[Beeldje]
Beeldje, (B. -N), o. (-s), klein beeld; (fig.) een - van een kind, een zeer mooi kind. *-SKOOP, m. verkooper-, rondventer van beelden (in gips of pleister).
[Beeldkramer]
Beeldkramer, m. (-s), *...KRAAMSTER, v. (-s), die eene kraam of eenen winkel van beelden heeft. *...RIJK, bn. zie BEELDENRIJK. *...SCHRIFT, o. gmv. schrift door afbeeldingen; hierogliefen (als bij de oude Egyptenaren). *...SCHRIJVER, m. (-s), die het beeldschrift kan namaken. *...SNIJDEN, o. het beeldhouwen (in hout). *...SNIJDER, m. (-s), beeldhouwer in hout. -IJ, v. gmv. beeldhouwkunst in hout.
[Beeldspraak]
Beeldspraak, v. gmv. gedachte door middel van zinnebeelden uitgedrukt (roos voor jong en schoon meisje, leeuw voor held, monster voor wreedaard). *...SPRAKIG, bn. in beeldspraak uitgedrukt, figuurlijk. *...STORMER, m. (-s), vernieler van beelden (inz. in de nederl. gesch.). -IJ, v. gmv. vernieling -, verbrijzeling der beelden (in de kerken).
[Beeldtenis]
Beeldtenis, v. (-sen), beeld, afbeelding, portret; in - verbranden, (oudt. van eenen voortvlugtigen ter dood veroordeelde).
[Beeldwerk]
Beeldwerk, o. gmv. gebeeldhouwde voorwerpen; muurschilderingen; verheven -, halfverheven -.
[Beemd]
Beemd, m. (-en), weiland; (dicht.) wandeldreef, bebloemd veld.
[Been]
Been, o. gmv. gebeente, beenige zelfstandigheid. *-, (mv. beenderen), hardste deel van een dierlijk ligchaam; in - werken, voorwerpen van been maken; (fig.) geen - in iets vinden, geen bezwaar vinden; twee honden over één -, twee belangzuchtige personen die over eene zaak twisten, regten. *-, (mv. beenen), ligchaamsdeel tusschen knie en voet; de -en van een paard; (ook van enkele vogels; van dieren over het algemeen poot); (fig.) op de - zijn, werkzaam zijn, zich bewegen; veel loopen, wel ter - (beene) zijn, goed -, vlug kunnen loopen; op de - brengen, (van legers); weder op de - komen; van eene ziekte opstaan; beenen maken, vlugten, gaauw wegloopen; iem. een -tje ligten, onderkruipen. *-, nederhaal van eene letter; puntig uiteinde van een voorwerp, (b.v. van eenen waaijer enz.); (wisk.) de -en van eenen hoek.
[Beenaarde]
Beenaarde, v. gmv. anorganische bestanddeelen der beenderen. *...ACHTIG, bn. als been; van been. *...BEDERF, o. gmv. versterving -, verrotting van de beenderen. *...BESCHRIJVER, m. (-s), die de beenderen -, het beengestel beschrijft, osteoloog. *...BESCHRIJVING, v. (-en), osteologie. *...BLOK, o. (-ken), zwaar stuk hout (tot beletsel in het loopen). *...BOOR, v. (heelk.), werktuig om de beenderen te doorboren, hersenboor. *...BREUK, v. (-en), (heelk.) breking van het been. *...BREKER, m. zekere vogel, zeearend; zie ook BREKEBEEN.
[p. 112]
[Beenderhuis]
Beenderhuis, o. (...zen), knekelhuis (bij een kerkhof). *...KOOL, v. zie BEENZWART. *...LIJM, v. gmv. *...MEEL, o. gmv. gemalen been.
[Beendraaijer]
Beendraaijer, m. (-s), die voorwerpen in been draait. *...DROOG, bn. zeer droog, kurkdroog.
[Beenen]
Beenen, bn. van been.
[Beeneter]
Beeneter, m. (heelk.), soort van kanker in het beengestel. *...GEZWEL, o. (-len), opzwelling in het been. *...HARNAS, o. (-sen), dijstuk (van ijzer of blik over de beenen). *...HOLTE, v. (-n), holte -, uitholing in het been.
[Beenig]
Beenig, bn. van been, van beenen, met been.
[Beenijzer]
Beenijzer, o. (-s), ijzeren boei voor de gevangenen. *...LIJM, o. gmv. lijm van been gemaakt. *...LOOS, bn. zonder been. *...PIJP, v. (-en), (ontl.) het been. *...SCHEUR, v. (-en), (inz.) in de hersenpan. *...STOF, v. gmv. (ontl.) dat tot beenwording dient.
[Beentje]
Beentje, (B. -N), o. (-s), klein been; (fig.) een - ligten, onderkruipen.
[Beenvijl]
Beenvijl, v. (-en), (heelk.). *...VLIES, o. (...zen), (ontl.) vlies dat de beenderen insluit. *...VRETER, m. (-s), zie BEENETER. *...WORDING, v. gmv. de natuurlijke wording der beenderen. *...ZWART, o. gmv. zwart poeder uit gebrande beenderen. *...ZWEER, v. (...eren), zweer aan het been.
[Beer]
Beer, m. (-en), viervoetig wild dier; mannetjes-varken; (fig.) lomperd; ongelikte -, ruw mensch; (fig.) de - is los, de storm begint, de poppen gaan aan het dansen; -en hebben, schulden hebben; (sterr.) de groote -, de kleine -, zeker gestarnte; (gesch.) zeker stormtuig; waterkeering.
[Beerenhoeder]
Beerenhoeder, m. (-s), *...HOEDSTER, v. (-s), die beeren leidt of hoedt. *...HUID, v. (-en), om de - vechten, over eene nietigheid twisten. *...KLAAUW, m. (-en), klaauw van eenen beer; zeker kruid. *...LEIDER, m. (-s). *...MOF, v. (-fen). *...OOR, o. (-en), oor van eenen beer; zekere bloem, kruid. *...POOT, m. (-en). *...VET, o. gmv. vet van eenen beer; soort pommade.
[Beerin]
Beerin, v. (-nen), wijfjes-beer.
[Beersteker]
Beersteker, m. (-s), nachtwerker. *...TJE, (B.-N), o. (-s), kleine beer.
[Beërven]
Beërven, bw. gel. (ik beërfde, heb beërfd), door erfenis verkrijgen; iets -, iem. -. *...ERVING, v. gmv.
[Beest]
Beest, o. (B. en oudt. v.), (-en), redeloos dier; een - slagten, eene koe slagten; (fig.) de - spelen, razen, tieren; een - van eene vrouw, eene duivelin. *-, zeker kaartspel; (fig.) iem. - maken, de noodige trekken doen verliezen. *-ACHTIG, bn. en bijw. als een beest, dierlijk. *-ACHTIGHEID, v. (...heden), dierlijkheid; laagheid.
[Beestendokter]
Beestendokter, o. (-s), veearts. *...HOEDER, m. (-s), veehoeder. *...MARKT, v. (-en), veemarkt. *...STAL, m. (-len), stal voor het vee. *...TAAL, v. gmv. dierentaal. *...TUIN, m. (-en), diergaarde, zoölogische tuin. *...VERSTAND, o. gmv. verstand -, instinkt der dieren. *...VOEDER, m. gmv. voeder voor het vee.
[Beestiaal]
Beestiaal, o. gmv. vee; veestapel; regt op het slagten, geslagt.
[Beestig]
Beestig, bn. en bijw. als een beest, dierlijk, laag.
[p. 113]
[Beestje]
Beestje, (B. -N), o. (-s), klein beest.
[Beet]
Beet, v. (-en), *-WORTEL, m. (-en), zek. suikerhoudende aardvrucht, kroot. *-, m. (beten), hap met de tanden; een - (beter eene bete) broods, een stuk brood. *-, bijw. - hebben, de visch heeft aangebeten; iem. - hebben, iem. foppen, bedriegen; ik heb het -, ik heb het begrepen, (ook) ik ben er door geraakt, - getroffen, - besmet. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine hap, klein stuk; (fig.) bij -s, langzamerhand; lekkere -s, lekkernij; een - geduld, een weinig geduld.
[Beetwortel]
Beetwortel, m. (-en, -s), zie BEET. *-FABRIEK, v. (-en), fabriek waar beetwortelsuiker gestookt wordt. *-STROOP, *-SIROOP, m. gmv. siroop uit beetwortels gestookt. *-SUIKER, v. gmv. suiker uit beetwortelen getrokken. *-VELD, o. (-en), veld waar beetwortelen groeijen.
[Bef]
Bef, v. (-fen), afhangend halslapje (bij geestelijken). § *-DRAGER, m. (-s), *-MAN, m. (-nen), predikant, geestelijke. *-FEN, bw. ow. gel. (ik befte, heb gebeft); gemanteld en gebeft, met mantel en bef, in vol (geestelijk) ornaat.
[Befaamd]
Befaamd, bn. en bijw. (-er, -st), beroemd; berucht; onder alle volkeren -; een -e gaauwdief; zich - maken. *-HEID, v. gmv. beruchtheid; beroemdheid, vermaardheid.
[Befranjen]
Befranjen, bw. gel. (ik befranjede, heb befranjed), met franjen bezetten, opsieren.
[Begaafd]
Begaafd, bn. (-er, -st), (fig.) met natuurgaven bedeeld; een - zanger, - redenaar, -dichter. *-HEID, v. (...heden), natuurg aven talent.
[Begaan]
Begaan, bw. ow. onr. (ik beging, heb begaan), treden over..., - op... de straat -; (mets.) de begane grond, de grond waarop men treedt; bedrijven; doen; eenen moord -; laat mij -, laat mij de zaak, volvoeren. *-, vd. en bn. gevoelig, medelijdend; ik ben wel met hem -, ik heb medelijden met hem. *...GAPEN, bw. gel. (ik begaapte, heb begaapt), gapende aankijken. *...GAPER, m. *...GAAPSTER, v. (-s), die gapende (iets of iem.) bekijkt. *...GAPING, v. gmv. het begapen.
[Begaven]
Begaven, bw. gel. (ik begaafde, heb begaafd), iem. met natuurgaven voorzien; (meest in den lijdenden vorm); begaafd zijn, zie BEGAAFD.
[Begeefster]
Begeefster, v. (-s), zie BEGEVER.
[Begeerder]
Begeerder, m. (-s), *...STER, v. (-s), die iets gretig verlangt. *...GEEREN, bw. gel. (ik begeerde, heb begeerd), gretig verlangen; wat is van uw -? wat verlangt gij? -D, bn. (wijsb.) het - vermogen. *...GEERIG, bw. verlangend; gretig; inhalig; ik ben - te hooren. -HEID, v. gmv. inhaligheid. *...GEERLIJK, bn. waard begeerd te worden; verlokkend. -HEID, v. (...heden), waardij; inhaligheid. *...GEERTE, v. (-n), verlangen; (naar iets).
[Begekken]
Begekken, bw. gel. (ik begekte, heb begekt), bespotten. *...GELEIDEN, bw. gel. (ik begeleidde, heb begeleid), verzellen. *...GELEIDER, m. (-s), *...GELEIDSTER, v. (-s), die verzelt; (muz.) accompagnateur,
[p. 114]
...trice. *...GELEIDING, v. gmv. het begeleiden; (muz.) accompagnement. *...GENADIGEN, bw. gel. (ik begenadigde, heb begenadigd), genade -, kwijtschelding van straf schenken; amnestiëren. *...GING, v. (-en), het begenadigen; kwijtschelding van straf.
[Begeven]
Begeven, bw. ong. (ik begaf, heb begeven), schenken; bedeelen; de ambten worden begeven; verlaten; zijne vrienden, zijne krachten - hem. ZICH -, ww. gaan, zich vervoegen; zich naar den schouwburg -; zich in het huwelijk -. *...GEVER, m. (-s), *...GEEFSTER, v. (-s), die uitdeelt, schenkt. *...GEVING, v. (-en), het schenken, uitdeelen (van ambten).
[Begieten]
Begieten, bw. ong. (ik begoot, heb begoten), besproeijen, nat maken. *...GIETER, m. (-s), *...GIETSTER, vr. (-s), die nat maakt, die besproeit. *...GIETING, v. (-en), het begieten. *...GIFTIGEN, bw. gel. (ik begiftigde, heb begiftigd), beschenken met. *...GIFTIGDE, m. en v. (-n), die begiftigd wordt; donataris. *...GIFTIGER, m. (-s), ...STER, v. (-s), die (met iets) begiftigt, - beschenkt. *...GIFTIGING, v. (-en), het begiftigen, beschenking.
[Begijn]
Begijn, v. (r.k.) zekere non, geestelijke zuster. *-EKOEK, m. (-en), soort koek. *-EMUTS, v. (-en), zekere vrouwenmuts, kap. *-ENHOF, m. (...hoven), klooster der begijnen.
[Begin]
Begin, o. gmv. aanvang; in den -ne; tegen het -; van den -ne aan; alle - heeft een einde. *-NEN, bw. en ow. ong. (ik begon, heb begonnen), aanvangen; met een meisje -, haar onbehoorlijk plagen; wat moet ik nu -? wat moet ik doen? *-NER, m. (-s), *-STER, v. (-s), die begint, aanvangt; ondernemer. *-SEL, o. (-s, -en), aanvang; grondslag; element; alle - is moeijelijk; de eerste - en der taal; een strijd van -en; het - is aangenomen.
[† Begler-Bey]
† Begler-Bey, m. (-s), titel van minister in Turkije.
[Beglimpen]
Beglimpen, bw. gel. (ik beglimpte, heb beglimpt), eenen glimp (aan iets) geven. *...GLIMPING, v. (-en), het beglimpen. *...GLUREN, bw. gel. (ik begluurde, heb begluurd), glurende bezien. *...GLURING, v. (-en), het begluren. *...GLUURDER, m. (-s), ...STER, v. (-s), die begluurt.
[Begoochelaar]
Begoochelaar, m. (-s), *-STER, v. (-s), die begoochelt. *...GOOCHELEN, bw. gel. (ik begoochelde, heb begoocheld), verblinden door kunst; (fig.) misleiden; een rad voor de oogen draaijen. *...GOOCHELING, v. (-en), het begoochelen; verblinding, zinbedrog. § *...GOOIJEN, (B. ...IEN), bw. gel. (ik begooide, heb begooid), met de hand werpende treffen; uit eenen schuilhoek -, (met kluiten, drek enz.).
[Begraafplaats]
Begraafplaats, v. (-en), plaats der begrafenis, kerkhof. *...GRAASD, bn. met gras bedekt; -e boter, zie GRASBOTER. *...GRAAUWEN, bw. gel. (ik begraauwde, heb begraauwd), toegraauwen, bekijven.
[Begrafenis]
Begrafenis, *...GRAVENIS, v. (-sen), begraving van een lijk; lijkplegtigheden, uitvaart. *-BIDDER, m. (-s), dienstdoende bij eene begrafenis, aanspreker. *-FONDS, o. (-en), gebroederschap tot begraving der leden. *-KOSTEN, m. mv. uitgaven voor eene begrafenis. *...GRAVEN,
[p. 115]
bw. ong. (ik begroef, heb begraven), onder de aarde bergen; ter aarde bestellen; (fig.) in vergetelheid verbergen; (oorl.) verschansingen rondom zijne legerplaats opwerpen; zich -, (fig.) zich zelven doen vergeten. *...GRAVING, v. gmv. het begraven.
[Begrensd]
Begrensd, dw. bn. binnen grenzen besloten; (fig.) beperkt. *-HEID, v. gmv. (meest fig.) beperktheid. *...GRENZEN, bw. gel. (ik begrensde, heb begrensd), van grenzen voorzien. *...GRENZING, v. gmv. het begrenzen.
[§ Begrijnen]
§ Begrijnen, bn. ong. (ik begreen, heb begrenen), beweenen, beschreijen (ook fig.). *...GRIJNZEN, bw. gel. (ik begrijnsde, heb begrijnsd), kuren maken; zie AANGRIJNZEN.
[Begrijpelijk]
Begrijpelijk, bw. en bijw. (-er, -st), te begrijpen, ligt te begrijpen; verstaanbaar; vatbaar; - maken. *-HEID, v. gmv. duidelijkheid, vatbaarheid van begrip. *...GRIJPEN, bw. ong. (ik begreep, heb begrepen), bevatten, inhouden; al wat de aarde in zich begrijpt; bevatten (met het verstand), verstaan.
[Begrimmen]
Begrimmen, bw. gel. (ik begrimde, heb begrimd), zie AANGRIMMEN. *...GRINTEN, bw. gel. (ik begrintte, heb begrint), met grof zand of fijn puin beleggen (wegen, paden enz.). *...GRINTING, v. gmv. het begrinten.
[Begrip]
Begrip, o. (-pen), het opvatten (met het verstand), voorstelling; denkbeeld, gedachte; vlug van -; kort -, korte inhoud, compendium.
[Begroeid]
Begroeid, bn. bezet met (gras, haar enz.). *...GROEIJEN, (B. BEGROEIEN), bw. en ow. gel. (ik begroeide, heb of ben begroeid), bedekken, bedekt worden met (gras, haar enz.). *...GROEIJING, v. gmv. het begroeijen, begroeid worden. *...GROETEN, bw. gel. (ik begroette, heb begroet), groetende ontvangen; met gejuich -. *...GROETING, v. (-en), het begroeten; groet.
[Begrommen]
Begrommen, bw. gel. (ik begromde, heb begromd), barsch beknorren. *...GROMMING, v. gmv. het begrommen.
[Begrooten]
Begrooten, bw. gel. (ik begrootte, heb begroot), berekenen, schatten; - op. *...GROOTING, v. (-en), schatting, budget; -swetten, wetten waarbij het bedrag van 's lands inkomsten en uitgaven is vastgesteld.
[Begruizen]
Begruizen, bw. gel. (ik begruisde, heb begruisd), met gruis bestrooijen; (fig.) bevlekken; met bloed en stof begruisd.
[Beguichelen]
Beguichelen, bw. gel. (ik beguichelde, heb beguicheld), zie BEGOOCHELEN. *...LAAR, m. (-s), misleider. -STER, v. (-s), misleidster.
[Begunstigen]
Begunstigen, bw. gel. (ik begunstigde, heb begunstigd), gunst bewijzen aan; bevoordeelen; - met. *...TIGER, m. (-s), *...TIGSTER, v. (-s), die begunstigt, gunst bewijst; beschermer, beschermster; - der kunst, Mecenas. *...GUNSTIGING, v. (-en), het begunstigen; gunst; bescherming; onder - van.
[Behaard]
Behaard, (B. BEHAIRD), dw. en bn. met haren begroeid, ruig.
[Behagelijk]
Behagelijk, bn. en bijw. innemend; op innemende wijze; zich - maken. *-HEID, v. gmv. innemendheid. *...HAGEN, bw. gel. (ik behaagde, heb behaagd), bevallen. -, onp. w. het behaagt mij
[p. 116]
niet, ik verkies het niet; het behage u edel-achtbare; behage het den hemel! -, o. gmv. genoegen, welgevallen; - scheppen of vinden in. *...HAGING, v. gmv. het behagen.
[Behalen]
Behalen, bw. gel. (ik behaalde, heb behaald), verkrijgen (door inspanning); den prijs -, de overwinning -; betrekken, wikkelen (in eene zaak). *...HALING, v. gmv. het behalen; verwerving.
[Behalve]
Behalve, (B. -N), vz. en bijw. uitgenomen, zonder, buiten.
[Behandelen]
Behandelen, bw. gel. (ik behandelde, heb behandeld), met de handen bewerken; (fig.) vormen; bewerken; bejegenen; dit onderwerp is goed behandeld; hij behandelt zijnen naaste goed. *...HANDELING, v. gmv. het behandelen; wijze van bewerking; (fig.) bejegening; is dat eene -? gedraagt men zich dus? *...HANDIGEN, bw. gel. (ik behandigde, heb behandigd), ter hand stellen, in handen geven. ...GING, v. gmv. *...HANGEN, bw. ong. (ik behing, heb behangen), opstaande voorwerpen bedekken met...; (muren) met papier beplakken, met tapijtwerk overdekken. *...HANGER, m. (-s). -SGEREEDSCHAP, o. (-pen). -SKNECHT, m. (-s). -SWINKEL, m. (-s). *...HANGSEL, o. (-s), wat tot het bedekken van ledikanten, wanden enz. dient. -PAPIER, o. (-en).
[Beharen]
Beharen, bw. gel. (ik behaarde, heb behaard), van haren voorzien.
[Behartigen]
Behartigen, bw. gel. (ik behartigde, heb behartigd), ter harte nemen, verzorgen, zorgen voor; iemands belangen -. *...TIGING, v. gmv. het behartigen. *...TIGER, m. (-s), *...TIGSTER, v. (-s), die (iets) behartigt, (voor iets) zorgt.
[Behebt]
Behebt, bn. (oudt. BEHEBBEN, bw.), onderworpen zijn (aan), (altijd in een kwaden zin); met ondeugden - zijn.
[Beheer]
Beheer, o. gmv. bestuur; (geldw.) gestie. *-EN, bw. gel. (ik beheerde, heb beheerd), besturen; bcheerschen. *-ING, v. gmv. het beheeren. *-DER, m. (-s), -ES, (-sen), -ESSE, v. (-n), bestuurder, -ster, *-SCHEN, bw. gel. (ik beheerschte, heb beheerscht), regeren over (ook fig.); een bedrijvend werkwoord beheerscht den vierden naamval. ZICH -, ww. zijne driften betoomen. *-SCHER, m. (-s), meester, heer. -ES, v. (-sen), meesteres. *-SCHING, v. gmv. het beheerschen, regeren; (fig.) het bedwingen.
[Beheinen]
Beheinen, bw. gel. (ik beheinde, heb beheind), zie OMHEINEN. *...HEKSEN, bw. gel. (ik behekste, heb behekst), betooveren; zijt gij behekst? *...HELPEN (ZICH), ww. ong. (ik behielp (B. beholp) mij, heb mij beholpen), zich door iets zoeken te redden; hij behielp zich met leugens; met weinig tevreden zijn; kariglijk moeten leven; met moeite er door komen. *...HELZEN, bw. gel. (ik behelsde, heb behelsd); meest in den 3en persoon), bevatten; de brief behelst, dat ...
[† Behemot]
† Behemot, m. (H.S.), (-ten), zeemonster.
[Behendig]
Behendig, bn. en bijw. *-LIJK, bijw. bedreven, vlug; (fig.) listig. *...HEID, v. gmv. bedrevenheid; vlugheid.
[Behoeden]
Behoeden, bw. gel. (ik behoedde, heb behoed), - voor; beschermen, bewaren. *...HOEDER, m. (-s), *...HOEDSTER, v. (-s), die behoedt, bewaart. *...HOEDING, v. gmv. *...HOEDMIDDEL, o. (-en), middel om
[p. 117]
te behoeden; preservatief. *...HOEDZAAM, bn. en bijw. (...zamer, -st), voorzigtig. -HEID, v. gmv. voorzigtigheid.
[Behoef]
Behoef, o. gmv. gevoeg; zijn - doen; ten behoeve van, ten nutte van. *-TE, v. (-n), benoodigdheid, nooddruft. *-TIG, bn. nooddruftig. -LIJK, bijw. *-TIGHEID, v. gmv. armoede. *...HOEVEN, bw. gel. (ik behoefde, heb behoefd), noodig hebben. -, ow. het behoeft niet.
[Behooren]
Behooren, ow. gel. (ik behoorde, heb behoord), de eigendom zijn van; (fig.) passen, staan. *-, o. gmv. naar -, zoo als het past, naar eisch. *...HOORLIJK, bn. en bijw. (-er, -st). -HEID, v. gmv. gepastheid.
[Behoud]
Behoud, o. gmv. bewaring; met - van; mannen van het -, -smannen, conservatieven. *-ENIS, v. redding; zaligheid; de Spiegel onzer - (een der oudst gedrukte werken). *-ER, m. (-s), redder; (ook) man van het behoud. *-STER, v. (-s).
[Behouwen]
Behouwen, bw. ong. (ik behieuw, heb behouwen), door houwen tot het gebruik geschikt maken. *...ING, v. gmv. het behouwen.
[Behuisd]
Behuisd, bw. wonende; goed - zijn. *...HULP, o. wat tot hulp kan dienen; noodhulp. *...HULPZAAM, bn. (...zamer, -st), gedienstig; in of tot iets - zijn; de behulpzame hand bieden tot ... -HEID, v. gmv. gedienstigheid, hulpvaardigheid.
[Behuwd]
Behuwd, bn. door huwelijk verwant. *-BROEDER, m. (-s). *-DOCHTER, v. (-s). *-MOEDER, v. (-s). *-OOM, m. (-s). *-TANTE, v. (-s). *-VADER, m. (-s). *-ZOON, m. (...zonen). *-ZUSTER, m. (-s).
[Behuwelijken]
Behuwelijken, (B. BEHUWLIJKEN), bw. gel. (ik behuwelijkte, heb behuwelijkt), door huwelijk verkrijgen. *...HUWEN, bw. (ik behuwde, heb behuwd).
[Bei]
Bei, v. (-jen), zie BEZIE.
[† Bei, Bey]
† Bei, Bey, m. (-s), titel der barbarijsche vorsten; de - van Tunis.
[Beide]
Beide, bn., onb. vnw. de een en de ander; alle twee; geen van -; aan - zijden; orde der Beide Siciliën, ridderorde. *-RLEI, bn. van twee soorten; - geslacht.
[Beiden]
Beiden, bw. en ow. gel. (ik beidde, heb gebeid), wachten, toeven.
[Beijeren]
Beijeren, (B. BEIEREN), ow. gel. (ik beijerde, heb gebeijerd), de klok bespelen. *...AAR, m. (-s), klokkenspeler. *...ING, v. gmv. het beijeren.
[Beijert]
Beijert, m. herbergkamer; zie BAJERT.
[Beijveren]
Beijveren (ZICH), ww. gel. (ik beijverde mij, heb mij beijverd), zich bevlijtigen. *...ING, v. gmv. het beijveren.
[Beijzelen]
Beijzelen, bw. gel. (ik beijzelde, heb beijzeld), met ijzel bedekken. *...ING, v. gmv.
[Beitel]
Beitel, m. (-s), zeker scherp gereedschap; kloof-, holle -, fermoor-, kant-, kromme-. *-AAK, m. (...aken), soort vaartuig. *-AAR, m. (-s), die beitelt, ciseleur. *-EN, bw. gel. (ik beitelde, heb gebeiteld), met den beitel bearbeiden; in of uit steen -, in of uit hout -. *-ING, v. gmv. het beitelen. *-WERK, o. (-en), gebeiteld werk.
[Bejaard]
Bejaard, bn. (-er, -st), in jaren gevorderd, bedaagd. *-HEID,
[p. 118]
v. gmv. *...JAÊN, bw. gel. (ik bejade, heb bejaad), bevestigen (met ja). *...JAG, o. gmv. het ijverig streven (naar). *...JAGEN, bw. gel. en ong. (ik bejoeg of bejaagde, heb bejaagd), jagende afloopen; verwerven; streven naar. *...JAGING, v. gmv.
[Bejammeren]
Bejammeren, bw. gel. (ik bejammerde, heb bejammerd), jammeren over. *-SWAARD, -IG, bn. en bijw. (-er, -st). *-SWAARDIGHEID, v. gmv.
[Bejegenen]
Bejegenen, ow. en bw. gel. (ik bejegende, heb bejegend), ontmoeten; behandelen; iem. kwaad -. *...NING, v. (-en).
[Bek]
Bek, m. (-ken), snavel; een paard den - afrijden; zacht in den -; (fig). - af zijn, vermoeid zijn; § houd je -, wees stil.
[Bekaaid]
Bekaaid, bw. en bijw. uitgedroogd; -e visch, bedorven visch; - schip, gebarsten schip; (fig.) verlegen, er - af komen.
[Bekaden]
Bekaden, bw. van kaden voorzien, omringen. *...KAKKEN, bw. gel. (ik bekakte, heb bekakt), bevuilen. ZICH -, ww. *...KALKEN, bw. gel. (ik bekalkte, heb bekalkt), met kalk bestrijken. ...KING, v. gmv. *...KALLEN, bw. gel. (ik bekalde, heb bekald), belasteren, bespreken. *...KAMPEN, bw. gel. (ik bekampte, heb bekampt), bestrijden. ...PING, v. gmv. *...KANEN, ow. gel. (ik bekaande, ben bekaand), beschimmelen. ZICH -, ww. beschimmelen (van vloeistoffen).
[Bekeerde]
Bekeerde, *...KEERLING, m. en v. (-n), die overgegaan is tot eene andere godsdienst, -tot eene andere partij enz. *-R, m. (-s), ...STER, v. (-s), die bekeert; proselietenmaker, -maakster. *...KEEREN, bw. gel. (ik bekeerde, heb bekeerd), overhalen. ZICH -, ww. overgaan; tot inkeer komen. *...KEERING, v. (-en). *...KEERLIJK, bn. (-er, -st), vatbaar voor bekeering. -HEID, v. gmv.
[Bekend]
Bekend, dw. bn. beleden; gekend, openbaar; - maken (aan); zich - maken aan; - met iem. worden; het is algemeen -; naar den -en weg vragen, vragen naar iets dat men weet; - als de bonte hond, overal -, algemeen bekend. *-E, m. en v. (-n). *-MAKING, v. (-en), aan-, afkondiging. *...KENNEN, bw. gel. (ik bekende, heb bekend), erkennen, belijden; (kaarts.) kleur -; (bijbelstijl) eene vrouw -. *...KENNING, v. gmv. *...KENNER, m. (-s), -STER, v. (-s), die erkent, belijdt. *...KENTENIS, v. (-sen), erkenning; belijdenis.
[Beker]
Beker, m. (-s), van den - houden, veel drinken; met of uit -s goochelen. *-EN, ow. gel. (ik bekerde, heb gebekerd), drinken; lustig -. *-TJE, (B. -N), (-s) o. *-HOUTEN, o. mv. (soort) ruw noordsch hout.
[Bekeuren]
Bekeuren, bw. gel. (ik bekeurde, heb bekeurd), beboeten. *...DE, m. en v. (-n), die beboet is. *...DER, m. (-s), *...STER, v. (-s), die beboet.
[Bekje]
Bekje, (B. -N), o. (-s), mijn -! mijn liefje.
[Bekijk]
Bekijk, o. gmv. veel -s hebben. *-EN, bw. ong. (ik bekeek, heb bekeken), bezigtigen, bezien; (fig.) alles wel bekeken! wel overdacht. *-ING, v. gmv. *-ER, m. (-s), *-STER, v. (-s), die beschouwt. *...KIJVEN, bw. ong. (ik bekeef, heb bekeven). *...KIJVING, v. gmv. *...KIJVER, m. (-s). *...KIJFSTER, v. (-s).
[p. 119]
[Bekken]
Bekken, o. (-s), hol gereedschap; (muz.) zeker speeltuig; (ontl.) - eener vrouw; (kooph.) in het - verkoopen, openbaar veilen; het - van eenen stroom. *-, ow. gel. (ik bekkende, heb gebekkend). *-TJE, (B. -N), o. (-s).
[Bekkeneel]
Bekkeneel, o. (-en), hersenpan. *-BERG, m. gmv. (H.S.) berg Calvari. *-NAAD, m. (...naden), (ontl.). *-VLIES, o. (...zen).
[Bekketrekken]
Bekketrekken, o. grijns.
[Bekladden]
Bekladden, bw. gel. (ik bekladde, heb beklad), bevlekken; (ook fig.) iemands eer -. *...KLADDING, v. gmv. *...KLADDER, m. (-s), ...STER, v. (-s), die bekladt, bevlekt, (ook fig.)
[Beklag]
Beklag, o. *-ING, v. gmv. klagt, aanklagt; zijn - doen bij. *...KLAGELIJK, bn. en bijw. te beklagen. -HEID, v. gmv. deerniswaarde toestand. *...KLAGEN, bw. gel. (ik beklaagde, heb beklaagd), betreuren. *...KLAGENSWAARD, -IG, bn. en bijw. (-er, -st).
[Beklant]
Beklant, bn. in het bezit van klanten. *...KLAPPEN, bw. gel. (ik beklapte, heb beklapt), verklikken. *...KLAPPER, m. (-s), *...KLAPSTER, v. (-s), verklikker, -ster. *...KLAUTEREN, bw. gel. (ik beklauterde, heb beklauterd), beklimmen.
[Bekleeden]
Bekleeden, bw. gel. (ik bekleedde, heb bekleed), met kleederen -, met kleeden omhangen; bedekken (met hout, marmer enz.); (zeew.) een schip -; (bouwk.) beschoeijen; (fig.) een ambt -, waarnemen; met een ambt -, iem. een ambt opdragen. *...KLEEDING, v. (-en), bedekking; (fig.) vervulling; bekleedsel. *...KLEEDER, m. (-s), *...KLEEDSTER, v. (-s), die bedekt; (fig.) die vervult. *...KLEEDSEL, o. (-s).
[Beklemd]
Beklemd, vd. en bn. bezet, gedwongen; benaauwd, beangst; (regt.) onder pacht; (ook fig.). *-HEID, v. gmv. drukking; benaauwdheid. *...KLEMMEN, bw. gel. (ik beklemde, heb beklemd), bezetten; dringen; persen; (regt.) onder pacht brengen. ...MING, v. (-en).
[Beklijven]
Beklijven, ow. gel. (ik beklijfde, heb beklijfd); duren, gedijen; spr. blijven doet -. *...KLIMMEN, bw. ong. (ik beklom, heb beklommen), door klimmen bereiken. *...KLIMMING, v. (-en). *...KLIMMER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *...KLINKEN, bw. ong. (ik beklonk, heb beklonken), vastklinken, (ook fig.); vastleggen; schikken.
[Beknaauwen]
Beknaauwen, bw. gel. (ik beknaauwde, heb beknaauwd), beknagen. *...KNABBELEN, bw. gel. (ik beknabbelde, heb beknabbeld), beknagen. *...KLONTEREN, bw. gel. (ik beklonterde, heb beklonterd), bespatten (met modder enz.). ...RING, v. gmv. *...KNELLEN, bw. gel. (ik beknelde, heb bekneld), vastknellen; (fig.) hinderen. *...KNELD, vd. en bn. gedrongen; (fig.) benaauwd. *...KNELLING, v. (-en). *...KNIBBELEN, bw. gel. (ik beknibbelde, heb beknibbeld), naauw bedingen. *...KNIBBELAAR, m. (-s), -STER, v. (-s), afdinger, -ster; gierigaard. *...KNIBBELING, v. gmv. *...KNIJPEN, bw. ong. (ik bekneep, heb beknepen); knijpend omvatten; (zeew.) een beknepen touw.
[Beknopt]
Beknopt, bn. en bijw. (-er, -st), kort zamengevat; een - overzigt. *-ELIJK, bijw. *-HEID, v. gmv.
[Beknorren]
Beknorren, bw. gel. (ik beknorde, heb beknord), over -, op iets knorren; iem. bestraffen. *...KNORDER, m. (-s), *...KNORSTER, v. (-s), die beknort, bestraft. *...KNORRING, v. gmv.
[p. 120]
[Bekocht]
Bekocht, vd. en bn. - zijn, te duur -, slecht gekocht hebben.
[Bekoelen]
Bekoelen, bw. en ow. gel. (ik bekoelde, heb of ben bekoeld), koel maken; koel worden, (ook fig.). *...LING, v. gmv. (ook fig.).
[Bekoken]
Bekoken, bw. gel. (ik bekookte, heb bekookt); voor iem. koken, zijn middageten verzorgen; (fig.) dit is niet bekookt, niet rijpelijk overwogen, niet goed voorbereid; zie ONBEKOOKT. *...KOMEN, bw. en ow. onr. (ik bekwam, heb of ben bekomen), verkrijgen; ontvangen; weder bijkomen, herleven; wel bekome het u! dat zal hem kwalijk -; van den schrik -. *...KOMELIJK, bn. verkrijgbaar. *...KOMING, v. gmv. *...KOMMERD, bn. ongerust. *...KOMMEREN, bw. gel. (ik bekommerde, heb bekommerd), ongerust -, angstig maken. ZICH -, ww. bekommer u daarover niet. *...KOMMERING, v. (-en), ongerustheid, angst. *...KOMMERLIJK, bn. angstwekkend. *...KOMMERNIS, v. (-sen).
[Bekomst]
Bekomst, v. gmv. verzadiging; zijne - hebben.
[Bekoopen]
Bekoopen, bw. onr. (ik bekocht, heb bekocht), betalen; omkoopen; (fig.) het met den dood - of boeten. *...KOORDER, m. (-s), ...STER, v. (-s), die behaagt, bekoort; verleider, -ster. *...KOORLIJK, bn. en bijw. (-er, -st). -HEID, v. (...heden). *...KOREN, bw. gel. (ik bekoorde, heb bekoord). *...KORING, v. gmv. betoovering; verleiding. *...KORSTEN, bw. gel. (ik bekorstte, heb bekorst), met eene korst omringen. *...KORTEN, bw. gel. (ik bekortte, heb bekort). ...TING, v. (-en). *..KOSTIGEN, bw. gel. (ik bekostigde, heb bekostigd), ten koste leggen; betalen voor. *...KOSTIGER, m. (-s), ...STER, v. (-s). *...KOSTIGING, v. gmv. *...KOUTEN, bw. gel. (ik bekoutte, heb bekout), bepraten.
[Bekrabbelen]
Bekrabbelen, bw. gel. (ik bekrabbelde, heb bekrabbeld), krabben over; morsig schrijven op.... *...KRABBEN, bw. gel. (ik bekrabde, heb bekrabd). *...KRACHTIGEN, bw. gel. (ik bekrachtigde, heb bekrachtigd), bevestigen; wettigen; legaliseren; (ook fig.). ...TIGER, (-s), m. ...TIGSTER, v. (-s). ...TIGING, v. (-en).
[Bekransen]
Bekransen, bw. gel. (ik bekranste, heb bekranst), met kransen versieren. *...SING, v. (-en). *...SER, m. (-s). *...SSTER, v. (-s).
[Bekrassen]
Bekrassen, bw. gel. (ik bekraste, heb bekrast), krassen maken op. *...SING, v. (-en).
[Bekreunen]
Bekreunen (ZICH), ww. gel. (ik bekreunde mij, heb mij bekreund); - om, - over; zich bekommeren.
[Bekrijgen]
Bekrijgen, bw. gel. (ik bekrijgde, heb bekrijgd), oorlog voeren tegen. *...KRIJGING, v. gmv. *...KRIJTEN, bw. ong. (ik bekreet, heb bekreten), beweenen; bekreten oogen, oogen rood van schreijen. *...KRIMPEN (ZICH), ww. ong. (ik bekromp mij, heb mij bekrompen), zijne verteringen inkrimpen, - beperken. ...PING, v. gmv. *...KROMPEN, vd. bn. en bijw. beperkt, schraal, niet ruim; (ook fig.); -e denkbeelden, een - verstand; - leven. -HEID, v. gmv.
[Bekroonen]
Bekroonen, bw. gel. (ik bekroonde, heb bekroond), eene kroon opzetten; (fig.) den prijs toekennen; bekransen. *...KROONING, v. (-en), het bekroonen; toekenning van eenen prijs. *...KROONER, m. (-s). ...STER, v. (-s).
[Bekrozen]
Bekrozen, bn. roetig, met roet besmeerd.
[p. 121]
[Bekruiden]
Bekruiden, bw. gel. (ik bekruidde, heb bekruid), zie KRUIDEN. *...KRUIJEN, bw. gel. en ong. (ik bekruide of bekrooi, heb bekruid of bekrooijen), kruijen over. *...KRUIPEN, bw. ong. (ik bekroop, heb bekropen), kruipende (eenen weg) afleggen, kruipende bereiken; (fig.) binnensluipen; de lust bekroop mij; § een meisje -, onteeren. *...KRUISEN, bw. gel. ik bekruiste, heb bekruist), (art.) bestrijken; onder het bereik hebben. ZICH -, ww. (r.k.) het teeken van het kruis maken, ↑ *...KRUIZEN, bw. ong. (ik bekroos, heb bekrozen), met roet besmeren. *...KUIPEN, bw. gel. (ik bekuipte, heb bekuipt), inkuipen; (fig.) listig verkrijgen; een ambt -. *...KUIPING, v. gmv. het bekuipen; (ook fig.)
[Bekwaam]
Bekwaam, bn. en bijw. (...amer, -st), geschikt; - tot, - om; (fig.) nuchteren, niet dronken. *-HEID, v. (...heden), geschiktheid. *-MAKER, m. (-s). *-MAAKSTER, v. (-s). *...KWAMEN, bw. gel. (ik bekwaamde, heb bekwaamd), in staat stellen (tot iets). ZICH -, ww. - tot iets.
[† Be-kwadraat]
† Be-kwadraat, (wisk.) b in de tweede magt (b2).
[Bekwelen]
Bekwelen, bw. gel. (ik bekweelde, heb bekweeld), kwelen over (van vogels). *...KWIJLEN, bw. gel. (ik bekwijlde, heb bekwijld), kwijlen over, bezeeveren. *...KWIJLING, v. gmv.
[Bel]
Bel, v. (B.m. en v.), (-len), klein werktuig om te luiden, schel; (spr.) der kat de - aanbinden, de eerste zijn bij eene hagchelijke onderneming. *-, opborreling (van water); hopbloem.
[§ Belabben]
§ Belabben, bw. gel. (ik belabde, heb belabd), lasteren. § *...LABBERD, bn. en bijw. (-er, -st), ellendig; vervallen. -HEID, v. gmv. *...LADDEREN, bw. gel. (ik beladderde, heb beladderd), met ladders beklimmen. *...LADDERING, v. gmv. *...LADDERAAR, m. -STER, (-s). *...LADEN, bw. gel. (ik belaadde, heb beladen), lasten opleggen; (ook (fig.). *...LAGCHELIJK, (B. BELACHELIJK), bn. en bijw. (-er, -st). -HEID, v. (...heden). *...LAGCHEN, (B. BELACHEN), bw. gel. (ik belachte (B. beloeg), heb belagchen), lagchen over ...; ↑ vriendelijk toelagchen. -SWAARD, -IG, bn. en bijw. (-er, -st), bespottelijk. *...LAGCHER, m. (-s). *...LACHSTER, v. (-s). *...LAGCHING, v. gmv.
[Belagen]
Belagen, bw. gel. (ik belaagde, heb belaagd), lagen leggen aan; belasteren. *...LAGING, v. gmv. lastering. *...LAGER, m. (-s), *...LAAGSTER, v. (-s), lasteraar, -ster. *...LAKKEN, bw. gel. (ik belakte, heb belakt), lak doen over of op ...; (fig.) beluisteren. *...LAKKER, m. (-s), *...LAKSTER, v. (-s); (fig.) lasteraar, -ster.
[Belanden]
Belanden, ow. gel. (ik belandde, ben beland), aanlanden; (fig.) heen komen; waar moet ik -? *...ING, v. gmv.
[Belang]
Belang, o. (-en), gewigt; zaak; eene zaak van -, iemands belangen behartigen of waarnemen; - bij iets hebben. *-ELOOS, *-LOOS, bn. en bijw. (...loozer, meest -), zonder belang. -HEID, v. gmv. *-EN, bw. gel. (het belangde, heeft belangd), betreffen, aanbelangen. *-ENDE, vz. aangaande. *-HEBBENDE, m. en v. (-n), -bij, geïnteresseerde. *-HEBBER, m. *-HEBSTER, v. (-s). *-RIJK, bn. en bijw. (-er, -st), gewigtig. -HEID, v. gmv. gewigt, belang. *-STELLENDE, m. en v. (-n). *-STELLING, v. gmv. deelneming. *-ZOEKER, m. (-s). *-ZOEKSTER,
[p. 122]
v. (-s), baatzuchtige. *-ZUCHT, v. gmv. baatzucht. -IG, bn. en bijw. (-er, -st). -IGLIJK, bijw. *-ZUCHTIGE, m. en v. (-n).
[Belappen]
Belappen, bw. gel. (ik belapte, heb belapt), het verstellen van iemands kleêren bezorgen, - bekostigen.
[Belastbaar]
Belastbaar, bn. en bijw. dat aan belasting kan onderworpen worden; vatbaar voor belasting; een - inkomen. *...LASTEN, bw. gel. (ik belastte, heb belast), lasten -, (ook) belastingen opleggen; iem. - met; hij kwam bij mij belast en beladen; de hoogstbelasten, die het meest in de belasting betalen. *...LASTING, v. (-en), last, opbrengst; direkte en indirekte -en; verbruiks-en; oorlogs-, brandschatting. -SCHULDIGE, m. en v. (-n). -VERORDENING, v. (-en). -WET, v. (-ten).
[Belasteren]
Belasteren, bw. gel. (ik belasterde, heb belasterd), logenachtig kwaadspreken van. *...ING, v. gmv. laster.
[Belatten]
Belatten, bw. gel. (ik belatte, heb belat), met latten beslaan.
[Belderos]
Belderos, m. zie GILDOS.
[Beleedigen]
Beleedigen, bw. gel. (ik beleedigde, heb beleedigd), honen; (fig.) kwetsen. *...ER, m. (-s). *...STER, v. (-s). *...ING, v. (-en), hoon; -en ondergaan, verduren, verkroppen.
[Beleefd]
Beleefd, bn. en bijw. (-er, -st), hoffelijk. *-ELIJK, bijw. *-HEID, v. (...heden); - bewijzen.
[Beleemen]
Beleemen, bw. gel. (ik beleemde, heb beleemd), met leem bestrijken. *...ING, v. gmv.
[Beleenbank]
Beleenbank, v. (-en), waar effekten of goud en zilver enz. worden beleend; (ook) bank van leening; lombard. *...BRIEFJE, (B. -N), o. (-s), bewijs van beleening.
[Beleenen]
Beleenen, bw. gel. (ik beleende, heb beleend), geld voorschieten; (geld) opnemen op onderpand; (leenst.) een land of grond leenroerig maken, - verklaren. *...LEENER, m. (-s). *...LEENSTER, v. (-s). *...LEENING, v. (-en), leen op pand; hypotheek.
[Beleg]
Beleg, o gmv. insluiting eener vesting; het - slaan om; het - opbreken; in staat van - verklaren.
[Belegen]
Belegen, dw. en bn. waarop gelegen is; lang gelegen; - brood; - kaas.
[Belegeraar]
Belegeraar, m. (-s). *-STER, v. (-s). *...LEGEREN, bw. gel. (ik belegerde, heb belegerd). *...LEGERING, v. (-en), zie BELEG.
[Beleggen]
Beleggen, bw. gel. (ik belegde of beleide, heb belegd of beleid), dekken met; beslaan; geld -, op intrest plaatsen; eene vergadering -, bijeenroepen; (zeew.), een touw -, vastmaken, -sjorren; (regt.) met arrest -. *...GER, m. (-s). *...STER, v. (-s). *...GING, v. zie OPGELD. *...HOUTEN, o. mv. (zeew.) kruislampen. *...SEL, o. (-s), (met platen, hout, koordjes), borduurwerk.
[Beleid]
Beleid, o. gmv. overleg; omzigtigheid; met - te werk gaan; - aan moed paren. *...LEIDEN, bw. gel. (ik beleidde, heb beleid), besturen. *...LEIDER, m. (-s), *...LEIDSTER, v. (-s), bestuurder, -es, ...ster.
[Belekken]
Belekken, bw. gel. (ik belekte, heb belekt), lekkende bevochtigen. *...LEMMEREN, bw. gel. (ik belemmerde, heb belemmerd), verhinderen; versperren; verzwaren; den weg -; zijne spraak is belemmerd.
[p. 123]
*...LEMMERING, v. (-en), verhindering; verzwaring. *...LEMMERAAR, m. (-s). -STER, v. (-s).
[† Belemnieten]
† Belemnieten, m. mv. (nat.) pijlsteenen.
[Belenden]
Belenden, ow. gel. (ik belendde, heb belend), grenzen -, palen aan; een -d vertrek, -d huis, de -de aanhoorigheden, ap- en dependentiën. *...ING, v. (-en).
[Belet]
Belet, o. gmv. verhindering; beletsel; - laten vragen, vragen of men kan ontvangen worden. *-SEL, o. (-s), -TJE, (B. -N), o. (-s), hinderpaal. *-TEN, bw. gel. (ik belette, heb belet), verhinderen. *-TING, v. (-en), verhindering.
[† Bel-étage]
† Bel-étage, v. (-n), eerste bovenverdieping aan de straat.
[Beleven]
Beleven, bw. gel. (ik beleefde, heb beleefd), leven tot...; ondervinden, bijwonen; wat zal ik nog -? vreugde -.
[Belezen]
Belezen, bw. onr. (ik belas, heb belezen), bannen (den duivel); verleiden; een meisje -; zich laten -, overhalen. *-, vd. en bn. een - man, die veel gelezen heeft. *-HEID, v. gmv. kennis uit de boeken gehaald. *...LEZER, m. (-s), duivelbanner, bezweerder; verleider. *...LEZING, v. (-en), duivelbezwering.
[Belgen]
Belgen (ZICH), ww. gel. (ik belgde mij, heb mij gebelgd); - over, zich boos maken. *-, bw. het belge u niet; gebelgd zijn. *...GING, v. gmv.
[Belgziek]
Belgziek, *...ZUCHTIG, bn. driftig, oploopend. *-TE, *...ZUCHT, v. gmv. oploopendheid, ligtgeraaktheid.
[Belhamel]
Belhamel, m. (-s), ram die de bel draagt en dien de kudde volgt; (fig.) voorste; leider; voorvechter.
[Belial]
Belial, m. (H.S.) een der kwade geesten. *-SKIND, o. (-eren), slechtaard; afvallige.
[Beliegen]
Beliegen, bw. ong. (ik beloog, heb belogen); logentaal nazeggen. *...LIEGER, m. (-s). ...LIEGSTER, v. (-s).
[Believen]
Believen, ow. gel. (ik beliefde, heb beliefd), behagen aan; als het u belieft; wat belieft u? *-, o. gmv. hij doet naar zijn -; dat staat aan uw -. *...VING, v. gmv. gedienstigheid; welgevallen.
[Beligchamen]
Beligchamen, (B...CHAMEN), bw. gel. (ik beligchaamde, heb beligchaamd), in een ligchaam vatten, - hullen.
[Belijden]
Belijden, bw. ong. (ik beleed, heb beleden), bekennen; eene godsdienst -; erkennen. ZICH -, ww. - met, zich behelpen. *-IS, v. (-sen), verklaring van geloof; zijne - afleggen of doen; tot eene - behooren; de augsburgsche -, de helvetische -. *...DER, m. (-s), *...DERES, v. (-sen), die iets belijdt, tot een geloof behoort.
[Belijmen]
Belijmen, bw. gel. (ik belijmde, heb belijmd), met lijm bestrijken. *...LIJNEN, bw. gel. (ik belijnde, heb belijnd), lijnen halen of trekken over; (mets.) met lijnen werken. *...LIJNING, v. gmv. *...LIK |