D.

[D]

D, v. vierde letter van het alfabet; re, een der muzieknoten; rom. getalmerk 500; 5000; D., don, heer; in de scheikunde beteekent D vitriool; Dt, debet of debent; Dat., dativus, derde naamval; dd., de do., de dato (van den zooveelsten der maand); d.i., dat is; do. dito, nog eens, hetzelfde; Dr., doctor; Ds., dominé (predikant); Dec., December; del., delineavit, geteekend door; Deut., Deuteronomium, het vijfde boek Mozes; Div., divus, heilige; D.G., dei gratia, door Gods genade; D.H., doorluchtige hoogheid; D.J.U., doctor juris utriusque, meester in de beide regten; D.L.C.D.J., de la compagnie de Jésus, lid der societeit van Jezus, jezüit; D.O.M.,

[p. 245]

deo optimo maximo, aan den heerlijksten, oppersten God; D.S., del segno, (muz.) van het teeken.

[Daad]

Daad, v. (daden), handeling, verrigting; in der -, werkelijk; op heeter -, terwijl men bezig is, gedurende het bedrijven der daad; met raad en - bijstaan, krachtig ondersteunen; de daden moeten spreken, men moet zich door zijne daden toonen. *-ZAAK, v. (...aken), feit.

[Daags]

Daags, bijw. iederen dag; hij wint een gulden -, per dag; -te voren, den dag te voren. *-ANKER, o. (-s), (zeew.) werpanker.

[Daagsch]

Daagsch, bn. door den dag, in de werkdagen; een -e jas, hoed, die niet op zon- en feestdagen gedragen wordt.

[Daagster]

Daagster, v. (-s), (regt.) eischeres, klaagster.

[Daal]

Daal, v. (dalen), buis (eener pomp). *-DER, m. (-s), oud holl. munt (= ƒ1.50), in Duitschland ook rijksdaalder (= ƒ1.80).

[Daan]

Daan, bijw. alleen gebr. met van: waar komt gij van -? van welke plaats komt gij? hij is daar van -; hij is er al van -, reeds vertrokken.

[Daar]

Daar, bijw. op -, in die plaats; er; ginds; wie komt-? hij is -; - ligt het; - hebt gij het; hier en -, op enkele punten of plaatsen; van -. *-, vw. alzoo, nademaal; immers, derhalve; - het zoo is; - gij het toch weet; gij gaat uit - (terwijl) gij weet dat het u verboden is. *-AAN, bijw. aan dit, aan dat, aan deze of die zaak (of zaken), er aan; mij is veel - gelegen; - (daarmede) heb ik genoeg; wat hebt gij -? *-ACHTER, bijw. er achter; - schuilt iets of daar schuilt iets achter. *-BIJ, bijw. bij dit of dat, - deze of gene zaak, daarenboven; vlak -, zeer digt bij; - komt dat....; - blijft het; reken nog 100 gulden -. *-BENEDEN, bijw. onder, beneden dit of dat. *-BENEVEN, -s, bijw. naast, met dit of dat. *-BINNEN, bijw. binnen (deze of gene plaats); hij is -, in die kamer. *-BOVEN, boven dit, - dat, - deze of gene zaak; niets gaat -, niets overtreft het; (fig.) God -, in den hemel. *-BUITEN, bijw. buiten deze of gene plaats, behalve deze of gene zaak; - staat hij; gij moet - blijven, er u niet mede bemoeijen. *-DOOR, bijw. door dit of dat, door deze of gene plaats; ga niet -; - zult gij mij zeer verpligten; - zult gij in uwe onderneming slagen. *-ENBOVEN, bijw. bovendien. *-ENTEGEN, bijw. integendeel, buitendien; hij is kundig maar - zeer verwaand. *-HEEN, bijw. naar die plaats, naar dit of dat heen; wij willen -; (fig.) - (zoo ver) moet gij het brengen. *-IN, bijw. in die plaats; in die zaak; - (daarbinnen) is niemand; - (in die kan of flesch) is niets meer; dit is ook - begrepen, wordt ook medegerekend; - stem ik toe. *-LANGS, bijw. langs die plaats, -dat punt; ga -. *-MEDE, bijw. met dit of dat, met die zaak; - heeft hij zich verdedigd (ook fig.); hoe zal het - gaan? wat zal er de uitslag van wezen? *-NA, bijw. na dit of dat; na dien tijd; eerst leeren, - spelen; in het begin waren zij vrienden, - vijanden. *-NAAR, bijw. er naar, naar dit of dat; - zal ik mij rigten. *-NAAST, bijw. er naast, naast dit of dat; weet gij de kerk? - woont hij. *-NEVENS, bijw. er nevens, er bij, bovendien. *-OM, bijw. om dit of

[p. 246]

dat heen; om die oorzaak, wegens; - doe ik het juist. *-OMTRENT, bijw. in den omtrek. *-ONDER, bijw. er onder, onder dit of dat; ziet gij die kast? zoek - kinderen van 12 jaar en - (beneden, of nog zoo oud niet); die lieden zeggen het, doch - (of onder hen) zijn enkelen die het ontkennen. *-OP, bijw. boven, op dit of dat; leg het boek -; (fig.) - komt het aan; verlaat u -; - kunt gij bouwen, u verlaten; - (toen, daarna), sprak hij. *-OVER, bijw. er boven, er over heen, over -, op dit of dat; (ook fig.) - vloog de kogel heen; leg een kleed -; - beklaag ik mij; - ben ik ongerust. *-STELLEN, bw. gel. (ik stelde daar, heb daargesteld) (nog niet algemeen als goed hollandsch erkend), scheppen, vormen. *-TEGEN, bijw. tegen dit of dat (ook fig.); zet den stoel -; (fig.) - verzet ik mij; wat hebt gij -? *-TOE, bijw. tot dit of dat, er toe; - heb ik geen tijd, geen moed. *-TUSSCHEN, bijw. tusschen dit of dat, er tusschen; (ook fig.) zet het-; - wierp de zon hare stralen; - geschiedde het volgende. *-UIT, bijw. uit dit of dat, er uit (ook fig.); neem het - en doe het hierin; - kan ik niet wijs worden; - komt niets, het gebeurt niet; - vloeit voort dat... *-VAN, bijw. van dit of dat, er van; - moet gij hem iets geven; neem - en, niet hiervan; - weet ik niets. *-VOOR, bijw. voor dit of dat, er voor (ook fig.); vroeger dan dit of dat; in de plaats van; schuif de tafel -; hij is een eerlijk man, men houdt hem ten minste -; - sta ik u in; neem u - in acht - zal ik zorgen; - zeg ik u dank; - is dit geneesmiddel goed; de hemel behoede mij -! ik moet het - houden dat...; - is hij goed en voor niets anders.

[† Da capo]

Da capo, bijw. nog eens over, van het begin, bis.

[† Dactylologie]

Dactylologie, v. gmv. vingerspraak (der doofstommen).

[Dadel]

Dadel, m. (-s), zekere fijne zuidvrucht. *-BOOM, m. (-en). *-PIT, m. (-ten). *-OLIE, v. gmv. *-STROOP, v. gmv. *-WIJN, m. gmv.

[Dadelijk]

Dadelijk, bn. en bijw. regtstreeksch, werkelijk; onmiddellijk; regtstreeks; ik zal u - antwoorden; dit huis is - te aanvaarden, oogenblikkelijk te betrekken. *-HEID, v. gmv. het werkelijke, het oogenblikkelijke. -, (...heden), feitelijkheden, slagen, vechtpartij; van woorden kwam het tot dadelijkheden.

[Dader]

Dader, m. (-s), bedrijver, uitvoerder. *...DIG, bn. schuldig; hij was er aan -. *...DING, v. (-en), vergelijk, transactie.

[Dag]

Dag, m. (-en), glans -, zigtbaarheid der voorwerpen door het zonlicht; tijdsverloop van het opgaan tot het ondergaan der zon; (fig.) tijdsverloop van 24 uren; de - breekt aan; het is reeds -; bij klaren lichten -; vóór - en dauw; alle -, iederen dag; (godg.) de jongste -, de dag des oordeels; (fig.) een gat in den - slapen, lang te bed blijven; aan den - komen, ontdekt worden; aan den - brengen, ontdekken; hij komt op zijne dagen, wordt oud; geruste, goede dagen hebben, pleizierig leven; dit heeft zijne dagen (zijn leven) verkort; wie heeft dit nu al zijn dagen (ooit) gezien? (mets.) in den -, boven den grond. *-, v. (-gen), ponjaard; (zeew.) end touw.



[p. 247]

[Dagblad]

Dagblad, o. (-en), krant, nieuwspapier. *-ARTIKEL, o. (-en).. *-PERS, v. gmv. de couranten, dagbladen. *-SCHRIJVER m. (-s) *-ZEGEL, o. gmv. *...BLIND, bn. bij den dag niet ziende (als de vledermuizen en uilen). -HEID, v. gmv. *...BLOEM, v. (-en), bloem die slechts één dag leeft. *...BOEK, o. (-en), aanteekeningen die alle dag worden bijgehouden, journaal. *...BOOG, m. (...ogen), (sterr.) deel van den parallelcirkel eens hemelligchaams. *...CIRKEL, m. (-s), (sterr.) (van een hemelligchaam). *...DIEF, m. (...ven), die zijnen tijd verluijert, luije werkman. *...DIEVEN, ow. gel. (ik dagdiefde, heb gedagdiefd), zijnen tijd verluijeren, - verslenderen. *...DIEVERIJ, v. gmv. luiheid in het werken.

[Dagelijks]

Dagelijks, bijw. alle dag, iederen dag. *-SCH, bn. alle dag; dat is zijne -e gewoonte; de -e omwenteling der aarde om hare as; (fig.) ik heb mijn (het) - brood, een matig bestaan; het - bestuur eener gemeente, burgemeester en wethouders.

[Dagen]

Dagen, onp. w. gel. (het daagde, heeft gedaagd), dag worden; schijnen (van zonlicht); (fig.) die dag zal nimmer -, komen, verschijnen. *-, bw. (ik daagde, heb gedaagd), (regt.) roepen (voor de regtbank), dagvaarden; vorderen (tot een tweegevecht). *...GER, m. (-s), deurwaarder, eischer.

[Dageraad]

Dageraad, m. gmv. het aanbreken van den dag; (fab.) Aurora.

[Dagge]

Dagge, v. (-n), ponjaard.

[Daggeld]

Daggeld, o. (-en), loon dat men iederen dag verdient of ontvangt. *-ER, m. daglooner; (oudt.) waardgelder, die bij den dag dient of betaald wordt. *...HUUR, v. daggeld; op - werken; (fig.) een goede - verdienen (aan iets). -DER, m., -STER, v. (-s), die op daggeld werkt.

[Daging]

Daging, v. het dagen, dagvaarden.

[Daglicht]

Daglicht, o. gmv. het licht van den dag; hij zag het eerste - te, werd geboren te; hij is niet waard dat hem het - beschijne; (fig.) iets in een fraai - plaatsen, het vergoêlijken. *...LIJST, v. (-en), lijst van de dagelijks aankomenden; dagelijksche aanteekening enz. *...LOON, o. (-en), betaling voor één dag arbeid. -ER, m. (-s), -STER, v. (-s), werkman -, werkvrouw die bij den dag zich verhuurt. *...MAT, v. (oudt.) overijsselsche vlaktemaat. *...ORDE, v. gmv. (in vergaderingen) lijst der te behandelen onderwerpen. *...ORDER, v. (-s), bekendmaking, afkondiging aan het leger. *...REGISTER, o. (-s), dagboek. *...REIS, v. (...zen), reis gedurende den dag; bepaalde weg dien men gedurende een dag kan afleggen; die stad ligt op 20 dagreizen van; met kleine dagreizen voorttrekken. *...SCHOLIER, m. (-en), -STER, v. (-s), die de dagschool en niet de avondschool bezoekt, (ook) die niet in den kost is; externe. *...SCHOOL, v. (...olen), die alleen bij den dag gehouden wordt. *...SEINEN, o. mv. (zeew.). *...STER, v. gmv. morgenster, Orion; (ook) de zon. *...TEEKENEN, bw. en ow. gel. (ik dagteekende, heb of ben gedagteekend), den datum plaatsen; den datum dragen; (fig.) dat dagteekent van dien tijd. *...TEEKENING, v. (-en), datum, aanwijzing van den hoeveelsten der maand. *...TEEKENS, o. mv. (sterrew.) de zes teekens van den Dierenriem, die des daags zekeren invloed uitoefenen (Ram, Tweelingen, Leeuw, Weegschaal, Schutter, Waterman).

[p. 248]

*...VAARD(T), v. (oudt.) vergadering der afgevaardigden (van een land); ter - verschijnen; - houden. -EN, bw. gel. (ik dagvaardde, heb gedagvaard), ter dagvaart beschrijven, oproepen; (regt.) voor het geregt dagen (bij deurwaarders-akte). *...VAARDING, v. (-en), geregtelijke indaging; deurwaarders-akte, exploit (van indaging). *...VERHAAL, o. (...alen), verhaal van hetgeen elken dag voorvalt. *...VLINDER, m. (-s), vlinder die één dag leeft. *...VOGEL, m. (-s), gewone vogel die zich bij den dag laat zien (in tegenst. van nachtvogel, als uil, vledermuis enz.). *...WACHT, v. (-en), (zeew.) eerste wacht na den nacht (van 4 tot 8 uur in den morgen). *...WERK, o. (-en), zoo veel arbeid als men in éénen dag kan afwerken; (fig.) mijn - is volbragt, mijn levensdraad is afgesponnen. -ER, m. (-s), -STER, v. (-s), daglooner, dagloonster. *...WIJZER, m. (-s), boekje -, blaadje-, werktuigje dat de dagteekening aantoont, almanak, agenda.

[† Daguerreotype]

Daguerreotype, v. (-n), lichtbeeld (door middel der camera obscura verkregen afbeelding, naar den uitvinder Daguerre aldus genoemd). *...TYPEREN, bw. gel. (ik daguerreotypeerde, heb gedaguerreotypeerd), vaste lichtbeelden verkrijgen (door middel der daguerreotype).

[† Dahlia]

Dahlia, v. (-as), zekere sierplant.

[Dak]

Dak, o. (-en), dekstuk; (meestal) bedekking van een gebouw;, schuin-, vlak -; een leijen -, met leijen gedekt; onder - komen, huisvesting bekomen; onder één - wonen, hetzelfde huis bewonen; onder mijn nederig -, in mijne burgerlijke woning; iem. iets op zijn - schuiven, toeduwen, (ook) hem er verantwoordelijk voor stellen; dat krijg ik op mijn -, daar zal ik voor moeten boeten; iets van de -en verkondigen, alom bekend maken. *-BALK, m. (-en). *-DEKKER, m. (-s), die met stroo dekt (in tegenst. van leidekker). *-BORD, o. (-en), plank voor aan het dak (ter bekleeding). *-DIGT, bn. goed van dak, beveiligd tegen doorregenen enz. *-DROP, o. gmv. het droppen -, lekken van een dak. *-GERAAMTE, o. (-n), de verzameling van al de sparren enz. *-GOOT, v. (...oten). *-JE, (B. -N), o. (-s), klein -, laag dak; (fig.) het gaat er als van een leijen -, het gaat gemakkelijk, zonder stoornis. *-LAT, v. (-ten), lat over de sparren geslagen. *-PAN, v. (-nen), pan tot dekking. *-PIJP, v. (-en), loodregt of schuin staande pijp om het water van de daken op te vangen. *-RIB, v. (-ben), *-SPAR, v. (-ren), (dienende tot het zamenstellen van het dakgeraamte). *-RIET, *-STROO, o. gmv. waarmede men daken enz. (op het platte land) dekt. *-STOEL, m. (-en), (bouwk.) getimmerte waarop het dak rust. *-VENSTER, o. (-s). -TJE, (B. -N), o. (-s). *-WERK, o. (-en), zamenstel van een dak.

[Dal]

Dal, o. (-en), laagte -, vlakte tusschen bergen; de zwitsersche dalen, (van Zwitserland); het - Tempé, (bekoorlijkste streek van Griekenland); (bijb.) het - Josaphat, waar de steden Sodom en Gomorrha lagen; (spr.) over berg en -, van alle kanten, (ook) van verre oorden; bergen en dalen ontmoeten elkander niet, maar wel menschen, een mensch kan vaak den ander noodig hebben. *-BEWONER, m. (-s). *-BEWOONSTER, v. (-s).



[p. 249]

[Dalen]

Dalen, ow. gel. (ik daalde, ben gedaald), zacht naar beneden komen; zakken; vallen, verminderen (van prijzen); de zon daalt in het westen; de prijzen-; de markt(prijs) daalt, is dalende; bij dalende prijzen; de actiën -, worden minder waard, (ook fig.) de zaak wordt, minder goed, het vertrouwen vermindert; in het graf -, sterven; hij is zeer in mijne achting gedaald. *...LING, v. het naar beneden komen; vermindering; de - der fondsen; op - speculeren, (in fondsen) contramineren; verkoop op -, contramine.

[† Daltonismus]

Daltonismus, o. (ook CHROMATOPSEUDOPSIE genoemd), gebrek aan het gezigtsvermogen van vele menschen, eenige kleuren (vooral rood en groen) niet te kunnen onderscheiden.

[Dam]

Dam, m. (-men), opgeworpen waterkeering (van aarde of steenen); eenen - opwerpen, maken; (fig.) een haan is stout op zijn eigen -, te huis is men moediger dan elders; dit breekt -men en dijken door, (ook fig.) sleept alles mede, ontziet niets. *-, (zeker spel met schijven op een bord met 100 velden of ruiten); - spelen; eenen - halen; - hebben, eene schijf verdubbelen; eenen - slaan (nemen).

[† Damasceren]

Damasceren, bw. gel. (ik damasceerde, heb gedamasceerd), staal bloemen, vlammen, met goud of zilver inleggen (dus genoemd naar de stad Damaskus in Syrië, waar dit het eerst geschiedde); een gedamasceerde kling.

[Damast]

Damast, o. gebloemde zijden -, wollen stof. *-BLOEM, v. (-en), plant. *-EN, bn. van damast. *-GOED, o. gmv. stof tot damast geweven. *-PRUIM, v. (-en), zekere pruim. *-TAFELLINNEN, o. (-s). *-WERK, o. (-en). *-WEVER, m. (-s).

[Dambord]

Dambord, o. (-en), bord waarop dam wordt gespeeld.

[† Dame]

Dame, v. (-s), vrouw van rang; (schaak- en kaartspel) koningin; titel in het algemeen gegeven aan vrouwen van den fatsoenlijken stand die men niet kent; - d'honneur, eere -, hofdame.

[Damhert]

Damhert, o. (-en), (soort) das, viervoetig dier. *...LOOPER, m. (-s), (soort) vaartuig, bijlander.

[Dammen]

Dammen, bw. ow. gel. (ik damde, heb gedamd), eenen dam leggen; dam spelen. *...MER, m. (-s), *...STER, v. (-s), damspeler, damspeelster.

[Damp]

Damp, m. (-en), wasem; rook; stoom; - van kokend water; de -en van de maag; - uit of van de aarde opstijgende. *-BAD, o. het baden in damp; (ook) de plaats waar men zulk een bad neemt. *-EN, ow. gel. (ik dampte, heb gedampt), damp opgeven, - van zich geven; uitwasemen; sterk (tabak) rooken; gij zijt weder geducht aan het-. *-ER, m. (-s), sterke -, onvermoeide rooker; (ook) (goudsche of duitsche) pijp. *-IG, bn. nevelig; vol rook; kortademig (van paarden). -HEID, v. kortademigheid (van paarden). *-ING, v. het dampen. *-KOGEL, m. (-s), soort windkogel. *-KRING, m. het onmetelijke ruim waarin onze aarde, de zon en sterren zich bewegen, atmosfeer. -LUCHT, v. gmv. *-METER, m. (-s), werktuig om de hoeveelheid of de dikte (ook de digtheid) van eene damplaag te meten.

[Damschijf]

Damschijf, v. (...ven), schijf waarmede men dam speelt. *...SPEL,

[p. 250]

o gmv. (mv. damspelen, in de beteekenis van het bord met de schijven). *...SPELER, m. (-s). *...SPEELSTER, v. (-s).

[Dan]

Dan, bijw. later, daarna; schrijf mij eerst, - zal ik u antwoorden; leer nu eerst, - spelen wij; nu en -; en-? en verder? (altijd na den vergrootenden trap): hij is grooter - ik; er was niemand - ik (buiten mij); hij is erger - gij denkt.

[† Danaïden]

Danaïden, v. mv. het vat der - vullen, vergeefschen arbeid verrigten; (ook) aan eenen verkwister gedurig geld geven.

[† Dandin]

Dandin, m. (-s), onnoozele sukkel. *...DY, m. (-s), poppe-, modegek. *...DINEREN (ZICH), ww. gel. (ik dandineerde mij, heb mij gedandineerd), zich op bespottelijke of gemaakte wijze op eenen stoel wiegen, ook zijn ligchaam in allerlei plooijen krommen.

[Danebrog-orde]

Danebrog-orde, v. deensche ridderorde.

[§ Danig]

§ Danig, bijw. buitengemeen, zeer; hij heeft - zich bedrogen.

[Dank]

Dank, m. gmv. betuiging van erkentelijkheid; in - aannemen (iets); iem. - betuigen voor; iem. - weten voor, iem. beschouwen of erkennen als den bewerker van iets; (ook) slechten - weten voor; God -! God zij-! aanvaard mijnen -; is dat nu mijn -? tegen wil en -, ondanks. *-ALTAAR, o. (...aren), (oudt.) altaar voor de offeranden. *-BAAR, bn. en bijw. gevoelig -, erkentelijk voor genoten goed; ik zal u eeuwig - zijn; een - mensch, iem. die de deugd der dankbaarheid bezit. -HEID, v. gmv. dankbaar gevoel; erkentelijkheid. *-BETUIGING, v. (-en). *-DAG, m. (-en), *-FEEST, o. (-en), dag of feest door eene regering tot openlijke dankgebeden in de kerken vastgesteld. *-EN, bw. gel. (ik dankte, heb gedankt), dank betuigen, iem. (voor iets) -; gij hebt niet te -; verschuldigd zijn; dit heb ik u te - (ook in kwade beteekenis); God -, het dankgebed na den eten zeggen; hebt gij al gedankt? *-GEBED, o. (-en), *-LIED, o. (-eren), lofzang, hymne. *-OFFER, o. (-s). *-PREÊK, v. (-en). *-STOND, m. (-en), *-UUR, o. (uren), uur van openbare dankzegging. *-ZEGGEN, o. *-ZEGGING, v. (-en), dankbetuiging, voordragt van het dankgebed (door den predikant).

[Dans]

Dans, m. (-en), kunstmatige beweging der voeten en van het ligchaam naar muziek of zangtoonen; ten - leiden, ten - noodigen; er gaat geen - voor eten, eten gaat vóór alles: (spr.) geen pijp (fluit) geen -, niets zonder geld; Sint-Vytsdans, danswoede (zekere ziekte); (fig.) den - ontsnappen, het gevaar ontkomen; aan den - komen, - geraken, slaags raken, (ook met iem.) in gevecht komen. *-EN, ow. gel. (ik danste, heb gedanst), voeten en ligchaam naar muziek of, zang bewegen; huppelen; (fig.) naar iemands pijpen -, in alles zijnen wil moeten doen. -, bw. eene menuet -, eene quadrille -. *-ER, m. (-s). *-ERES, v. (-sen), (ook wel danseuse). *-FEEST, o. (-en), danspartij. *-GEZELSCHAP, o. (-pen). *-KUNST, v. gmv. *-LES, v. (-sen). *-LIED, o. (-eren). *-MEESTER, m. (-s).*-MUZIEK, v. gmv. muziek waarop men danst. *-OEFENING, v. (-en). *-PARTIJ, v. (-en). *-REI, m. (-jen, B. -en), dansgezelschap. *-RIJ, v. (-en), dansers in eene rij staande. *-SCHOEN, m. (-en). *-SCHOOL, v. (...olen). *-TEEKENING, v. (-en), kunstmatige afteekening naar lijnen van de onderscheidene

[p. 251]

dansbewegingen. *-UUR, o. uur met dansen doorgebragt; (ook) dansles. *-WOEDE, v. Sint-Vytsdans; (ook) onbedwingbare lust tot dansen. *-ZIEKTE, v. gmv. danswoede.

[† Dantes]

Dantes, v. mv. speel-, rekenpenningen.

[Dapper]

Dapper, bn. en bijw. (-der, -st), onversaagd, moedig; een - soldaat, veldheer; eene -e verdediging; - vechten; (fig.) sterk; hij ziet er - uit; iem. - afrossen, - uitschelden. *-HEID, v. gmv. onversaagdheid, moed. *-LIJK, bijw. met dapperheid.

[† Darink]

Darink, v. zeeslib waaruit de oude Zeeuwen zout stookten.

[Darm]

Darm, m. (-en), deel der ingewanden; (fig.) den - vullen, onmatig -, gulzig eten; (fig.) een holle -, een gulzigaard. *-BEEN, o. gmv. -SPIER, v. (-en). *-BREUK, v. gmv. *-JICHT, v. gmv. kolijk. *-KRONKEL, m. gmv. darmjicht. *-NET, o. gmv. *-ONTSTELLING, v. gmv. *-PIJN, v. (-en). *-SAP, o. (-pen). *-SCHEEL, o. gmv. *-SNAAR, v. (-snaren), snaar van kattendarmen. *-SNIJDING, v. (-en). *-VET, o. gmv. *-VLIES, o. *-VLIES, *-ONTSTEKING, v. gmv. *-WEE, o. (-ën).

[Dartel]

Dartel, bn. en bijw. weelderig, brooddronken, loszinnig, baldadig; wulpsch; de -e jeugd; een - kind; het hondje is -, (speelsch). *-EN, ow. gel. (ik dartelde, heb gedarteld), spelen, fladderen; wulpschheid toonen; de kinderen - op het veld; het vischje dartelt in den stroom; de lammeren - in de weide. *-HEID, v. gmv. losheid, speelschheid; baldadigheid; wulpschheid.

[Das]

Das, v. (-sen), halsdoek; eene - omdoen, omknoopen. *-, m. *(-sen), damhert, zeker viervoetig dier. *-JE, (B. -N), o. (-s), een vrouwen -, fichu. *-HOND, m. (-en), keffer. *-SENVEL, o. (-len). *-SENVET, o. gmv.

[† Dasymeter]

Dasymeter, m. (-s), toestel om de digtheid van verschillende luchtsoorten te meten.

[Dat]

Dat, aanw. vnw. (mv. die), - gaat niet; welk eene vrouw is -! is - een man? - is te zeggen. *-, betr. vnw. daar is het boek - gij zoekt; dit is het huis, - (hetwelk) mij zooveel heeft gekost. *-, vw. ik geloof niet - hij komt; wij hopen - dit gebeuren moge; - hij kome, laat hem komen.

[† Data]

Data, v. mv. gegevens; feiten. *...TEREN, bw. gel. (ik dateerde, heb gedateerd), dagteekenen; de dagteekening (op iets) zetten; dat dateert reeds van... *...TO, bijw. heden, den vermelden dag; de - van den zooveelsten der maand. *...TUM, m. (...ta), dagteekening, aanwijzing van den hoeveelsten der maand.

[Datgene]

Datgene, aanw. vnw. men moet op - acht geven wat waar is.

[† Dauphin, Dauphyn]

Dauphin, Dauphyn, m. (oudt.) titel der kroonprinsen van Frankrijk. *-E, v. gmv. gemalin van den dauphin, kroonprinses.

[Dauw]

Dauw, m. gmv. vocht dat (inz. des zomers) in de morgen- en avondschemering uit de lucht onmerkbaar neêrvalt; (fig.) hij is vóór dag en - op; de hemelsche -, (regen). *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als dauw. *-DROPPEL, *-DRUPPEL, m. (-s). *-EL, v. (-s), traag -, onbe hobbeld vrouwspersoon. *-ELACHTIG, bn. (-er, -st), traag, vadzig *-ELACHTIGHEID, v. gmv. vadzigheid, luiheid. *-ELEN, ow. gel. (ik dauwelde, heb gedauweld), vadzig -, traag in alles zijn. *-EN,

[p. 252]

onp. w., ow. gel. (het dauwde, heeft gedauwd), het vallen vanden dauw; druppelen; de tranen - op zijne wangen. *-METER, m. (-s), zeker werktuig. *-PUNT, o. zekere thermometerstand. *-WATER, o. zeer zuiver water. *-WORM, m. zekere huidziekte (inz. bij kinderen).

[Daveren]

Daveren, ow. gel. (ik daverde, heb gedaverd), dreunen, schudden; de grond daverde van den schok. *...ING, v. gmv. schudding, dreuning, schok.

[Davids]

Davids, m. mv. (zeew.) ijzeren staanders.

[De]

De, DEN, DER, DES, bep. lidw.

[† Deballeren]

Deballeren, bw. gel. (ik deballeerde, heb gedeballeerd), ontpakken; gedeballeerd zijn, de goederen ter verkoop uitgepakt hebben. *...BALLOTEREN, bw. gel. (ik deballoteerde, heb gedeballoteerd), bij stemming afkeuren (iem. die tot lid voorgesteld is). *...BANDEREN, ow. gel. (wij debandeerden, zijn gedebandeerd), uit elkander loopen, zich wijd en zijd verstrooijen (van een leger); slap worden; de boog is gedebandeerd. *...BANQUEREN, bw. gel. (ik debanqueerde, heb gedebanqueerd), de (speel)bank doen springen. *...BARCADÈRE, v. (-s), aanlegplaats, steiger; los- en laadplaats (aan de spoorwegstations). *...BARQUEREN, bw. en ow. gel. (ik debarqueerde, heb of ben gedebarqueerd), ontschepen, aan land zetten, - gaan. *...BARRASSEREN, bw. gel. (ik debarrasseerde, heb gedebarrasseerd), ontwarren; uit de verlegenheid redden; zich van iem. -, van een lastig mensch ontslaan. *...BATTEN, o. mv. beraadslagingen; behandeling (eener zaak voor de regtbank); de - zijn gesloten. *...BATTEREN, bw. gel. (ik debatteerde, heb gedebatteerd), beraadslagen over. *...BAUCHE, v. (-s), ontucht, losbandigheid; zwelgerij. *...BAUCHEREN, bw. gel. (ik debaucheerde, heb gedebaucheerd), tot ontucht verleiden; zich -, een ontuchtig -, losbandig leven leiden; hij ziet er gedebaucheerd uit; een gedebaucheerde. *...BELLEREN, bw. gel. (ik debelleerde, heb gedebelleerd), bestrijden; overmeesteren; in bedwang houden.

[† Debet]

Debet, bn. (mv. DEBENT), schuldig (geld); gij zijt mij nog -; (fig.) hij is er aan -, medepligtig; het -, de linkerzijde van een folio in het grootboek. *...BIET, o. gmv. aftrek, verkoop. *...BILITEREN, bw. gel. (ik debiliteerde, heb gedebiliteerd), verzwakken, ontzenuwen. *..BITANT, m. (-en), verkooper (in het klein); slijter van sterken drank, (ook) van tabak (in Frankrijk); - in de loterij. *...BITEREN, bw. gel. (ik debiteerde, heb gedebiteerd), verkoopen; aan den man brengen (van goederen); iem. voor iets -, in het boek aan de debetzijde opschrijven; (fig.) opsnijden, vertellen; leugens -, uijen (grappen)-. *...BITEUR, m. (-en), schuldenaar. *...BITRICE, (-s), v. schuldenaarster.

[† Debloqueren]

Debloqueren, bw. gel. (ik debloqueerde, heb gedebloqueerd), ontzetten, de blokkade opheffen. *...BORDEREN, bw. gel. (ik debordeerde, heb gedebordeerd), uit -, buiten de oevers treden; (ook) overvleugelen.

[† Debouché]

Debouché, o. (-s), engte, bergpas; geschikte plaats tot afzet van goederen; vertierweg. *...BOUCHEREN, ow. gel. (wij deboucheerden, zijn gebedeboucheerd), uit eene engte in het open veld rukken (van krijgslieden). *...BOURSEREN, bw. gel. (ik debourseerde, heb gedebourseerd), voorschieten (geld).



[p. 253]

[† Debut, Debuut]

Debut, Debuut, o. (-en), eerst optreden (in het publiek, inz. op het tooneel); aanvang; zijn - was niet gelukkig. *-ANT, m.(-en), -E, v. (-s), die het eerst (voor het publiek) optreedt.

[† Décagramme]

Décagramme, v. (-n), tien ned. wigtjes = 1 ned. lood. *...LITER, o. (-s), tien ned. kop = 1 schepel, (ook 10 ned. kan). *...LOGUS, m. de tien geboden. *...METER, m. (-s), tien ned. el = 1 ned. roede.

[Decamperen]

Decamperen, ow. gel. (ik decampeerde, heb of ben gedecam-peerd), opbreken, aftrekken; § de plaat poetsen, zijn biezen pakken.

[Decastère]

Decastère, v. (-s), tien ned. kubiek-ellen.

[Decatisseren]

Decatisseren, bw. gel. (ik decatisseerde, heb gedecatisseerd), laken ontglanzen, den waterglans ontnemen, een duurzamen persglans geven. *...CELEREN, bw. gel. (ik deceleerde, heb gedeceleerd), ontdekken, aan den dag brengen.

[December]

December, m. (-s), de twaalfde maand van het jaar, Winter-maand, (31 dagen).

[† Decennium]

Decennium, o. tijdruimte van 10 jaren. *...CEMVIR, m. (-s), (rom. gesch.) tienman. -AAT, o. tienmanschap. *...CENSIE, v. gmv. welvoegelijkheid. *...CENT, bn. (-er, -st), welvoegelijk, zedig. *...CEPTIE, v. (...ën), teleurstelling; bedrog. *...CERNEREN, bw. gel. (ik decerneerde, heb gedecerneerd), toekennen, toewijzen.

[† Décharge]

Décharge, v. ont-, opheffing, vrijspreking; ontlading, losbranding (van vuurwapenen); (regt.) handligting; getuige à -, die ter gunste van den aangeklaagde getuigt. *...CHARGEREN, bw. gel. (ik dechargeerde, heb gedechargeerd), afladen; ont-, opheffen; ontlasten; kwitantie geven, afschrijven (eene schuld); losbranden. *...CHAUSSEREN, bw. gel. (ik dechausseerde, heb gedechausseerd), het schoeisel afleggen, - afnemen. *...CHER, *...CHENT, *...CHEND, o. (kooph.) 10 stuks huiden; 40 stuks russische pelterijen. *...CHIFFREREN, bw. gel. (ik dechiffreerde, heb gedechiffreerd), ontcijferen.

[† Déci]

Déci, tiende (in zamenstellingen). *-DEREN, bw. gel. (ik decideerde, heb gedecideerd). *-MAAL, bn. tiendeelig; de decimale breuken; de decimale rekening; het - stelsel. *-MATIE, v. (...ën), vertiending; loting om den tienden man (eene krijgsstraf bij de ouden). *-ME, v. (muz.) de 10e toon van den grondtoon gerekend. *-MEREN, bw. gel. (ik decimeerde, heb gedecimeerd), loten om den tienden man; (fig.) wegrukken, ontvolken (bij heerschende ziekten, groote volksrampen enz.).

[† Decisie]

Decisie, v. (...ën), beslissing, regterlijk vonnis. *...SIEF, bn. (...ver, -st), beslissend, afdoend.

[† Declamatie]

Declamatie, v. (...ën), voordragt, kunst van (verzen) opzeggen; § opsnijderij, hoogdravendheid (van stijl); de gansche redevoering is louter -. *...MATOR, m. (-en), opsnijder. *...MATRICE, v. (-s), opzegster, zij die (verzen) voordraagt. *...MATORIUM, o. (...ia), vers dat met afwisselende begeleiding van muziek wordt opgezegd. *...MEREN, bw. gel. (ik declameerde, heb gedeclameerd), opzeggen, voordragen (verzen), § opsnijden; al dat - zegt niets, het zijn holle woorden.

[† Declaratie]

Declaratie, v. (...ën), verklaring; rekening; nota; aangifte. *...CLAREREN, bw. gel. (ik declareerde, heb gedeclareerd), verklaren; aangifte doen van (goederen enz.). CLINATIE, v. (...ën), (taalk.)

[p. 254]

verbuiging; (nat. en sterr.) afwijking. *...CLINEREN, bw. gel. (ik declineerde, heb gedeclineerd), (taalk.) verbuigen; (nat.) afwijken; afwijzen. ZICH -, ww. zich vernederen, zijne armoede bekennen. *...COCT, o. afkooksel. *...COLOREREN, bw. en ow. gel. (ik decoloreerde, heb of ben gedecoloreerd), verkleuren, verbleeken, verschieten. *...CONFITURE, v. tegenspoed. *...CONCERTEREN, bw. gel. (ik deconcerteerde, heb gedeconcerteerd), verijdelen; (iem.) in de war brengen. *...CONTENANCEREN, bw. gel. (ik decontenanceerde, heb gedecontenanceerd), verlegen -, bedremmeld maken.

[† Decorateur]

Decorateur, m. (-s), tooneelschilder; behanger; versierder. *...RATIE, v. (...ën), tooneelschilderwerk, -versiering; ridderorde, ridderkruis, -lint. *...REREN, bw. gel. (ik decoreerde, heb gedecoreerd), versieren, beschilderen (een tooneel); verfraaijen, opluisteren; met een ridderkruis begiftigen, (fig.) ridderen; een gedecoreeerde, die een ridderkruis of lintje draagt. *...RUM, v. gmv. welvoegelijkheid, uiterlijke eerbaarheid, al wat welstaat; het - in acht nemen, zijn fatsoen ophouden.

[† Decouperen]

Decouperen, bw. gel. (ik decoupeerde, heb gedecoupeerd), voor-, opensnijden; ontleden. *...COURAGEREN, bw. gel. (ik decourageerde, heb gedecourageerd), ontmoedigen. *...CREDITEREN, bw. gel. (ik decrediteerde, heb gedecrediteerd), in opspraak brengen. *...CREET, o. (...eten), besluit, edict. *...CREMENT, o. (stelk.) verschil der termen van eene dalende reeks. *...CREPITEREN, ow. (nat.) ontknappen (van kristallen). *...CRETEREN, bw. gel. (ik decreteerde, heb gedecreteerd), afkondigen (een besluit); bij besluit vaststellen. *...CRESCENDO, bijw. (muz.) afnemend. *...CROTTEREN, bw. gel. (ik decrotteerde, heb gedecrotteerd), poetsen, den modder wegnemen, afwrijven. *...CUPLEREN, bw. gel. (ik decupleerde, heb gedecupleerd), vertienvoudigen. *...DALISCH, bn. moeijelijk te ontwarren; schrander ineengevlochten. *...DICATIE, v. (...ën), opdragt, toewijding. *...DOMMAGEREN, bw. gel. (ik dedommageerde, heb gededommageerd), - voor, - van, schadeloos stellen; vergoeden. *...DUCEREN, bw. gel. (ik deduceerde, heb gededuceerd), aftrekken; afleiden; verklaren. *...DUCTIE, v. gmv. aftrekking, vermindering; afleiding, gevolgtrekking; de - daaruit te maken is deze.

[Deeg]

Deeg, o. gmv. mengsel van eenige vaste zelfstandigheid met eene vloeistof, (inz. van meel met water); (fig.) zij zijn allen van één -, allen van dezelfde soort; ter -, zie DEGE. *-ACHTIG, bn. naar deeg gelijkende. *-BROOD, o. gmv. *-ZUUR, o. gest.

[Deel]

Deel, o. (-en), wat tot een geheel behoort; een geheel is altijd grooter dan een zijner -en; de vijf -en der aarde; een werk in vijf -en (boekdeelen); hij moet zijn - van de winst hebben; - aan iets nemen; ten -e (te beurt) vallen; eens-s, ander-s, aan de eene -, aan de andere zijde; (spr.) elk zijn -, aan ieder wat hem toebehoort. *-, v. (-en), plank (van gezaagd hout); (ook) dorschvloer. *-ACHTIG, bn. den zegen van God - worden of maken. *-ACHTIGHEID, v. deelneming aan. *-BAAR, bn. gedeeld kunnende worden; (rek.) deelbare getallen (als 4, 6, 8, 9 enz.), in tegenst. van ondeelbare (als: 2, 3, 5, 7 enz.). -HEID, v. gmv. *-EN,

[p. 255]

bw. gel. (ik deelde, heb gedeeld), tot deelen maken; uitdeelen; de spijzen (aan tafel) ronddeelen; (rek.) onderzoeken hoe veel malen eene grootheid in eene andere begrepen is; het eene getal op of in het andere -; de winst -; (fig.) deel nemen; ik deel in uwe droefheid. *-ER, m. (-s), die deelt, uit-, verdeelt; (rek.) het getal -, de grootheid waarmede men eene andere deelt of meet. *-STER, v. (-s), zij die deelt of verdeelt. *-GENOOT, m. en v. (-en), *-HEBBER, m. (-s), *-HEBSTER, v. (-s), die deel of aandeel heeft in eene onderneming, (ook) aan gevaren enz.; aandeelhouder. *-GENOOTSCHAP, o. gmv. *-ING, v. (-en), het deelen; (ook rek.) het deelen of meten van grootheden onderling, divisie; de - gaat niet op, de verhouding tot de eenheid is niet in heele getallen aan te wijzen. *-NEMEND, bn. (-er, -st), deel hebbende, mededoogend; hij zag hem met een - oog aan. *-NEMER, m. (-s), *-NEEMSTER, v. (-s), deelhebber, -hebster. *-NEMING, v. (ook fig.) medelijden, mededoogen, sympathie; zijne - betuigen.

[Deels]

Deels, bijw. gedeeltelijk; - om die reden, - om eene andere.

[Deeltal]

Deeltal, o. (-len), (rek.) getal dat door een ander (den deeler) gedeeld of gemeten moet worden. *...TJE, (B. -N), o. (-s), klein gedeelte; (ook) klein boekdeel. *...WOORD, o. (spr.) zekere vorm van het werkwoord; verleden -, tegenwoordig -.

[Deerlijk]

Deerlijk, bn. (-er, -st), jammerlijk, bedroevend; hij heeft zich - bedrogen.

[Deern]

Deern, *-E, v. (-en), jonge dochter, vrijster (thans meest in verachtelijken zin). *-IS, v. gmv. medelijden; - wekken. *-ISWAARD, -IG, bn. (-er, -st).

[Deesem]

Deesem, m. (-s), zuurdeesem; (fig.) wrok. *-EN, bw. gel. (ik deesemde, heb gedeesemd), het brood -.

[† De facto]

De facto, bijw. feitelijk (in tegenst. van de juro, regtens).

[† Defaeceren]

Defaeceren, bw. gel. (scheik.) louteren, zuiveren. *...FAILLEREN, ow. gel. (ik defailleerde, heb gedefailleerd), missen, in gebreke blijven; (ook) bezwijmen. *...FAITE, v. (-s), nederlaag. *...FALQUEREN, bw. gel. (ik defalqueerde, heb gedefalqueerd), aftrekken, korten. *...FAUT, m. in -, bij -, bij verstek, bij niet-verschijning. *...FAVEUR, v. gmv. ongenade, ongunst; deze koopwaar, dit fonds is in -, vindt weinig koopers, -geen navraag. *...FAVORABEL, bn. (-er, -st), ongunstig. *...FECT, o. (-en), gebrek. -, bn. en bijw. onvoltallig; geschonden; het werk is -, er ontbreken bladen (of deelen) aan. *...FENDEREN, bw. gel. (ik defendeerde, heb gedefendeerd), verdedigen, verweren.

[† Defensie]

Defensie, v. verdediging; verwering; de raad, het comité van -. *...SIEF, bn. verdedigend; een of- en defensief verbond, een aanvallend en verdedigend verbond. *...SOR, m. (-en), verdediger.

[† Deferent]

Deferent, m. (-en), die (iem.) op eenen eed vordert; (sterr.) loopbaan eener planeet. *-IE, v. eerbied, ontzag; afvordering (van eenen eed).

[† Defereren]

Defereren, bw. gel. (ik defereerde, heb gedefereerd), opdragen, toekennen; toegeven; opleggen, afvorderen (eenen eed).

[† Défi]

Défi, o. gmv. uitdaging; terging.



[p. 256]

[† Deficiëren]

Deficiëren, ow. gel. (het deficiëerde, heeft gedeficiëerd), ontbreken, te kort schieten. *...CIT, o. (-s), te-kort, het ontbrekende; er is een - in de kas. *...GUREREN, bw. gel. (ik defigureerde, heb gedefigureerd), misvormen. *...LEREN, ow. gel. (ik defileerde, heb gedefileerd), door-, voorbij-, optrekken (in gelederen), doortrekken. *...FINIËREN, bw. gel. (ik definiëerde, heb gedefiniëerd), bepalen, omschrijven. *...LÉ, o. (-s), bergpas, bergengte. *...NITIE, v. (-ën), bepaling, omschrijving, verklaring. *...NITIEF, bn. beslissend, afdoende; een - antwoord.

[† Defloreren]

Defloreren, bw. en ow. gel. (ik defloreerde, heb of ben gedefloreerd), onteeren, van den maagdom berooven; verwelken (van bloemen).

[† Deformeren]

Deformeren, bw. gel. (ik deformeerde, heb gedeformeerd), misvormen. *...FRAYEREN, bw. gel. (ik defrayeerde, heb gedefrayeerd), vrijhouden, betalen (voor een ander), de kosten teruggeven. *...FRAUDEREN, bw. gel. (ik defraudeerde, heb gedefraudeerd), bedriegen, binnensmokkelen. *...FRICHEREN, bw. gel. (ik defricheerde, heb gedefricheerd), ontginnen.

[† Defterdar]

Defterdar, m. (-s), rijksontvanger, minister van financiën in Turkije.

[Deftig]

Deftig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. gegoed; statig, aanzienlijk; de -e stand; de -e stijl; - leven; (§) hij heeft hem - (geducht) doorgehaald, afgeranseld. *-HEID, v. gmv. met veel - ter aarde bestellen.

[† Degageren]

Degageren, bw. gel. (ik degageerde, heb gedegageerd), los-, vrij maken; ontslaan; (schermk.) een vrijen stoot doen; een gedegageerd (ongedwongen) voorkomen. *...GANTEREN (ZICH), ww. gel. (ik deganteerde mij, heb mij gedeganteerd), zijne handschoenen uittrekken. *...GARNEREN, bw. gel. (ik degarneerde, heb gedegarneerd), ontblooten, ontdoen van (versierselen enz.)

[Dege, Ter]

Dege, Ter-, TER DEEG, bijw. zoo als het behoort; goed; geducht; hij heeft hem - de waarheid gezegd. *-LIJK, bn. (-er, -st), braaf, geschikt, echt; op geschikte -, brave wijze; een - mensch, een innig eerlijk-, gemoedelijk mensch; ik meen het -, waarlijk; geef mij toch eindelijk eerst een - (goed, groot) stuk. -HEID, v. gmv. gemoedelijkheid; geschiktheid, bekwaamheid.

[Degel]

Degel, m. (-s), (drukk.) persplaat.

[Degen]

Degen, m. (-s), zeker lang scherp wapentuig; den - trekken, opsteken; (fig.) hij is de - (de verdediger) van den Staat; een beproefde -, een oud ervaren krijgsman. *-DRAGER, m. (-s), krijgsman; (fig.) voorvechter. *-GEVEST, o. (-en), bovendeel van den degen waar men de hand om slaat. *-GREEP, v. (...epen), degengevest. *-KLING, v. (-en), de degen zonder het gevest. *-KNOP, m. (-pen), knop boven het gevest. *-KWAST, m. (-en), gestikt geborduurd versiersel aan den degen. *-RIEM, m. (-en). *-SCHEEDE, m. (-n). *-STOOT, m. (-en). *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine degen.

[Degene]

Degene, (B. DE GENE), aanw. vnw., hij of zij; - die zoo handelt is prijzenswaard.



[p. 257]

[† Degenereren]

Degenereren, ow. gel. (ik degenereerde, ben gedegenereerd), ontaarden. *...GENERATIE, v. gmv. ontaarding. *...GOÛT, m. gmv. afkeer, walging. *...GLUTITIE, v. het doorzwelgen, slikken. *...GOÛTANT, bn. en bijw. (altijd fig.) walgelijk. *...GOÛTEREN, bw. gel. (ik degoûteerde, heb gedegoûteerd), afkeer verwekken, walgen. *...GRADEREN, bw. gel. (ik degradeerde, heb gedegradeerd), van zijnen rang afzetten; eerloos verklaren. *...GRADATIE, v. (...ën), verlaging, afzetting van eenen post; verlaging (van eenen militair). *...GUISEREN, bw. gel. (ik deguiseerde, heb gedeguiseerd), veinzen; vermommen.

[† Dehors]

Dehors, o. (ook mv.), buitenzijde, (ook fig.); uiterlijk voorkomen.

[Deimt, Deimat]

Deimt, Deimat, v. (oudt.) nederlandsche vlaktemaat.

[Deining]

Deining, v. (-en), (zeew.) flaauwe branding; golving.

[Deinzen]

Deinzen, ow. gel. (ik deinsde, heb gedeinsd), achteruit wijken; zich langzaam verwijderen. *...ZING, v. gmv. terugwijking, langzame aftogt.

[† Deïsmus]

Deïsmus, o. *...ÏSTERIJ, v. gmv. geloof aan één God (zonder openbaring), (in tegenst. van atheïsmus, godverzaking). *...ÏST, m. (-en), godist, die alleen door de rede aan één God gelooft.

[† Dejectie]

Dejectie, v. verstooting; wanhoop, verslagenheid. *...JEUNÉ, *...JEUNER, o. (-s), ontbijt; servies tot een ontbijt; - à la fourchette, vorkontbijt. *...JEUNEREN, ow. gel. (ik dejeuneerde, heb gedejeuneerd), ontbijten.

[Dek]

Dek, o. (-ken), bedekking; (zeew.) verdek, gestreken -, half -, loos -; deken, zonder - of kleed. *-BALKEN, m. mv. (zeew.). *-DEELEN, v. mv. planken; boegplanken. *-BED, o. (-den), veeren bovenbed. *-BLAD, v. (-en), schutblad (ook bij sigarenmakers).

[Deken]

Deken, v. (-s), bedbekleedsel; wollen -; katoenen -; bedelaars-, deken uit een aantal veelkleurige stukken symetrisch gevormd; (fig.) te zamen onder ééne - liggen, het met elkander eens zijn (ten kwade). *-, m. (-s, -en), oudste, overste (van een gild); de - der hoogeschool; de - van de orde der advokaten; - (oudste) van jaren (in eene vergadering, bij ontstentenis van den voorzitter). *-KOOPER, *-VERKOOPER, m. (-s), (ook *-KOOP), koopman in dekens. *-SCHAP, v. gmv. waardigheid van deken. *-TJE, o. (-s), (B. -N), kleine deken.

[Dekhamer]

Dekhamer, m. (-s), (soort) nijptang.

[Dekken]

Dekken, bw. gel. (ik dekte, heb gedekt), een dak met stroo -; de tafel -, het tafellaken opleggen; wees gedekt, dek u, zet uwen hoed op; (fig.) zich -, zich door inkoop voor verlies bij de levering beschutten (inz. bij fondsen); (fin.) een tekort -, in het ontbrekende voorzien; wees gerust, ik ben gedekt, ik heb waarde in onderpand; de vesting dekt (bestrijkt, beschermt) de stad. *-, (vee) bevruchten, bespringen; eene merrie laten - (door eenen hengst bespringen). *...KER, m. (-s). *...KING, v. het dekken; bedekking; zonder kleed of -.

[Dekkleed]

Dekkleed, o. (-en), linnen -, doek dat men over iets uitspreidt. *...KNIËN, v. mv. (zeew.) kromhouten. *...LOOD, o. (leid.) geplet -, bladlood. *...MANTEL, m. gmv. (fig.) voorwendsel, glimp; onder den

[p. 258]

- van heiligheid. *...PAN, v. (-nen), dakpan. *...PENNEN, v. mv. zekere pennen der vogels. *...PLANK, v. (-en). -JE, (B. -N), o. (-s). *...RIET, o. gmv. dekstroo. *...SCHILD, o. (-en). *...SEL, o. (-s), al wat tot dekking dient, hoofddeksel, kleederen; een houten -, (op eenen pot enz.); (plant.) hoedje (van den kelk). *...STEEN, m. (-en). *...STROO, o. gmv. stroo voor daken. *...STUK, o. (-ken), (bouwk.) waterbord, schoeijing. *...STUTTEN, m. mv. (zeew.) berkoenen. *...VERF, v. (...wen).

[Del]

Del, m. (B.) zie DAL.

[† Delabreren]

Delabreren, bw. gel. bederven, vernielen; wat ziet dat huis gedelabreerd (verwaarloosd, vervallen) uit. *...LAI, o. (-s), uitstel, opschorting. *...LAYEREN, bw. gel. (ik delayeerde, heb gedelayeerd), uitstellen, opschorten; vloeijend, dun maken. *...LATEUR, m. (-s), verklikker, aanbrenger.

[† Del credere]

Del credere, bijw. op krediet; borg (in wisselzaken).

[† Deleatur]

Deleatur, o. (-s), wisch uit, haal door (naam van een teeken op drukproeven).

[↑ Delecteren]

Delecteren, bw. gel. (ik delecteerde, heb gedelecteerd), verlustigen; zich - aan iets. *...LEGEREN, bw. gel. (ik delegeerde, heb gedelegeerd), magtigen, afzenden; overdragen; een gedelegeerde van de staatsloterij, iem. die gemagtigd is loterijbriefjes te verkoopen.

[Delfster]

Delfster, v. (-s), graafster, spitster.

[Delfstof]

Delfstof, v. (-fen), berg-, mijnstof. *-FELIJK, bn. het - rijk, (een der drie rijken van de natuur). *-KUNDE, v. gmv. mineralogie.

[Delgen]

Delgen, bw. gel. (ik delgde, heb gedelgd), vernietigen; schulden -, amortiseren; schulddelging, amortisatie.

[† Delibereren]

Delibereren, bw. gel. (ik delibereerde, heb gedelibereerd), - over, beraadslagen, bepraten, overleggen. *...BERATIE, v. (...ën), beraadslaging, overleg. *...CAAT, bn. en bijw. (...ater, -st), lekker, smakelijk; teêr, zwak; dat eten is -; een - (kiesch, netelig) punt. *...LICATESSE, v. (-n), lekkernij; (fig.) kieschheid. *...LICE, v. lekkernij; wellust. *...LICIEUS, bn. welsmakend, overheerlijk; kostelijk (ook fig.).

[† Delicti (Corpus)]

Delicti (Corpus), o. voorwerp waardoor de schuld overtuigend blijkt.

[† Delineatie]

Delineatie, v. (-en), grondteekening; afbakening. *...LINEAVIT, heeft geteekend (onder platen enz.). *...LINIËREN, bw. gel. (ik deliniëerde, heb gedeliniëerd), afteekenen, ontwerpen.

[† Delinquent]

Delinquent, m. (en), dader, bedrijver (eener misdaad). *...LIRIUM, o. waanzinnigheid, ijlende koorts; - tremens, waanzin uit dronkenschap, dronkaards ijlhoofdigheid. *...LIREREN, ow. gel. (ik delireerde, heb gedelireerd), ijlen, in ijlhoofdigheid spreken. *...LIVREREN, bw. gel. (ik delivreerde, heb gedelivreerd), verlossen, bevrijden.

[↑ Delling]

Delling, v. (-en), vallei.

[† Delogeren]

Delogeren, ow. en bw. gel. (ik delogeerde, heb gedelogeerd), verhuizen; doen verhuizen, verjagen. *...LOYAAL, bn. en bijw. (...aler, -st), oneerlijk, onopregt; op oneerlijke wijze.

[† Delphienen]

Delphienen, v. mv. handvatsels (aan kanonnen); zie DOLPHIJNEN. *...PHININE, o. zeker alcaloïde.



[p. 259]

[† Delta]

Delta, v. (-as), de 4e letter van het grieksche alfabet; (aardr.) land door twee armen eener rivier bespoeld; de - van Egypte, Beneden-Egypte aan de Nijlarmen.

[† Deluderen]

Deluderen, bn. gel. (ik deludeerde, heb gedeludeerd), bespotten, foppen. *...LUSIE, v. (...ën), bespotting.

[Delven]

Delven, bw. gel. en ong. (ik dolf of delfde, heb gedolven), graven, uit-, omspitten, opgraven; een graf -. *...VER, m. (-s), graver, spitter. *...VING, v. gmv.

[† Demagoog]

Demagoog, m. (...ogen), volksleider, -menner; valsche volksvriend. *...GOGISCH, bn. volkleidend; oproerstokend.

[† Demanderen]

Demanderen, bw. gel. (alleen in het verl. dw.) opdragen, toevertrouwen; het is best aan u gedemandeerd. *...MANTELEREN, bw. gel. (ik demanteleerde, heb gedemanteleerd), ontmantelen (eene vesting), slechten, afbreken (de muren). *...MARCATIE, v. (...ën), afbakening, grensscheiding; eene lijn van - trekken; -troepen, grenstroepen. *...MARCHE, v. (-s), gang, houding in het loopen; stap, handeling, poging. *...MARQUEREN, bw. gel. (ik demarqueerde, heb gedemarqueerd), (bilj.) punten tellen bij aftrekking. *...MASQUEREN, bw. gel. (ik demasqueerde, heb gedemasqueerd), ontmaskeren, aan de kaak stellen. *...MÊLEREN, bw. gel. (ik demêleerde, heb gedemêleerd), ontwarren; onderscheiden (in de verte); schikken; wat hebt gij hier te -? wat zoekt gij hier? *...MEMBREREN, bw. gel. (ik demembreerde, heb gedemembreerd), verbrokkelen; (fig.) verscheuren. *...MENAGEREN, ow. gel. (ik demenageerde, ben gedemenageerd), verhuizen.

[† Démenti]

Démenti, o. gmv. logenstraffing, loochening; iem. een - geven, in het aangezigt van logen betigten; (ook) in iemands afwezigheid zijn onregt bewijzen. *...MEUBLEREN, bw. gel. (ik demeubleerde, heb gedemeubleerd), van huisraad ontblooten. *...MITTEREN, bw. gel. (ik demitteerde, heb gedemitteerd), afzetten, ontslaan (uit eenen post). *...MISSIE, v. (...ën), ontslag, ontzetting, afdanking; zijne - geven, nemen, - krijgen. *...MOBILISEREN, bw. gel. (ik demobiliseerde, heb gedemobiliseerd), (een leger) op den voet van vrede terugbrengen; (regt.) roerend goed tot onroerend verklaren. *...MOCRAAT, m. en v. (...aten), aanhanger -, vriend der volksregering (in tegenst. van aristocraat). *...MOCRATIE, v. gmv. volksregering, -heerschappij. *...MOCRATISCH, bn. tot de volksregering behoorende. *...MOCRIET, m. naam van een ouden griekschen wijsgeer die om de dwaasheden der menschen lachte.

[Demoed]

Demoed, (B. DEEMOED), m. gmv. ootmoed, onderworpenheid. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), ootmoedig. *-IGEN, bn. gel. (ik demoedigde, heb gedemoedigd), vernederen, verootmoedigen. *-IGHEID, v. gmv. onderwerping, nederigheid. *-IGING, v. gmv. verootmoediging. *-IGLIJK, bijw.

[† Demoliëren]

Demoliëren, bw. gel. (ik demoliëerde, heb gedemoliëerd), afbreken, sloopen, slechten. *...MOLITIE, v. (...ën), afbreking, slechting, afbraak. *...MONSTREREN, bw. gel. (ik demonstreerde, heb gedemonstreerd), bewijzen, betoogen. *...MONSTRATIE, v. (...ën), bewijs, betoog;

[p. 260]

betuiging; volks-, volksbeweging. *...MONSTRANDUM, quod erat -, hetgeen te bewijzen was. *...MONTEREN, bw. gel. (ik demonteerde, heb gedemonteerd), onbruikbaar maken, vernagelen (kanonnen); uit den zadel ligten. *...MORALISEREN, bw. gel. (ik demoraliseerde, heb gedemoraliseerd), ontzedelijken; moedeloos maken; gedemoraliseerde troepen. *...MORALISATIE, v. ontzedelijking; zedenverbastering; moedeloosheid.

[Dempen]

Dempen, bw. gel. (ik dempte, heb gedempt), smoren, uitdooven; droog maken, vullen; (zeew.) een zeil -, met de gordings digthalen; (spr.) als het kalf verdronken is, dempt men den put, de hulp-, het herstel komt doorgaans te laat. *...ER, m. (-s). *...STER, v. (-s). *...ING, v. gmv.

[Den]

Den, m. (soort) sterke noordsche boom. *-, bep. lw. ik schrijf - (aan den) vader; ik zie - man; ik zend het - (aan de) mannen, kinderen; - lande, aan het land. *...GENE, aanw. vnw. enk.

[† Denatureren]

Denatureren, bw. gel. (ik denatureerde, heb gedenatureerd), van natuur doen veranderen; kwaadwillig anders navertellen.

[† Dendragaat]

Dendragaat, m. boomagaat (zek. fijne steen). *...DRIETEN, m. mv. zekere steenen. ...DROGRAPHIE, v. gmv. boombeschrijving. *...DROLITHEN, m. mv. versteende boomstammen en heesters. *...DROLOGIE, v. gmv. boomkennis. *...DROMETER, m. (-s), boommeter (zek. werktuig).

[† Denegeren]

Denegeren, bw. gel. (ik denegeerde, heb gedenegeerd) loochenen, ontkennen. *...GATIE, v. (...ën), loochening, ontkenning.

[† Denigreren]

Denigreren, bw. gel. (ik denigreerde, heb gedenigreerd), aan de kaak stellen, belasteren, bespotten.

[Denkbaar]

Denkbaar, bn. en bijw. (-der, B. ...arer, -st), vatbaar -, geschikt om gedacht te worden; op eene denkbare wijze. *-HEID, v. gmv. *...BEELD, o. (-en), zamenvatting van het gedachte tot één geheel; begrip; zich een - van iets vormen; iem. zijne -en over iets mededeelen, openbaren; de leer der vorming van -en, idéologie. *...BEELDIG, bn. slechts in het begrip bestaande; (in tegenst. van ligchamelijk, tast- of voelbaar).

[Denkelijk]

Denkelijk, (B. DENKLIJK), bn. en bijw. mogelijk, waarschijnlijk.

[Denken]

Denken, bw. en ow. onr. (ik dacht, heb gedacht), met zijnen geest of zijn verstand voorstellingen vormen; -aan, -over, -op (iets); wat denkt (meent) gij wel? ik denk er zoo over; dat is mijne manier van -; hij zit gedurig te - (te peinzen); ik heb er waarlijk niet om (beter: aan) gedacht; ik denk (ben voornemens) overmorgen te vertrekken; zie BEDENKEN. *-SWIJZE, v. gmv. *...KER, m. (-s), wijsgeer, scherpe geest; Kant was een groot (diep) -.

[Denkster]

Denkster, v. (-s), zij die denkt.

[Denkvermogen]

Denkvermogen, o. gmv. menschelijke rede, eigenschap der ziel zich voorstellingen te vormen. *...WIJZE, v. (-n), meening, gevoelen.

[Dennen]

Dennen, bn. van dennenhout; van eenen dennenboom. *-APPEL, m. (-s, -en). *-BOOM, m. (-en). *-BOSCH, o. (-bosschen). *-HOUT, o. gmv. -EN, bn. van dennenhout. *-PLANK, v. (-en). *-WOUD, o. (-en). *-ZWAM, v. gmv. (zek.) uitwas van den dennenboom.

[† Denominatie]

Denominatie, v. (...ën), benaming. *...NOMINEREN, bw. gel.

[p. 261]

(ik denomineerde, heb gedenomineerd), benamingen geven; benoemen. *...NONCEREN, *...NUNCIËREN, bw. gel. (ik denonceerde of denuncieerde, heb gedenonceerd of gedenunciëerd), aangeven; verklikken.

[† Densimeter]

Densimeter, m. (-s), vochtweger. *...TEIT, v. gmv. digtheid.

[Denzelven]

Denzelven, aanw. en pers. vnw. (in den gekuischten stijl niet meer gebezigd), hem, hun, hen.

[Departement]

Departement, o. (-en), gewest; werkkring; afdeeling, bestuur; Frankrijk is thans verdeeld in 88 -en (provinciën); de maatschappij Tot Nut van 't Algemeen is verdeeld in -en; het - (ministerie) van oorlog; dit behoort niet tot mijn -, tot mijne afdeeling, mijn bestuur, (ook fig.) tot mijne bevoegdheid. *-AAL, bn. tot een departement behoorende, er van uitgaande. *...PARTITIE, v. (...ën), omslag, overslag, verdeeling. *...PASSEREN, bw. gel. (ik depasseerde, heb gedepasseerd), voorbij streven; te boven -, te buiten gaan. *...PÊCHEREN, bw. en ow. gel. (ik depêcheerde, heb gedêpecheerd), afzenden; afvaardigen; bespoedigen. *...PÊCHE, v. (-s), berigt; ambtelijke mededeeling; lastgeving. *...PENDEREN, ow. gel. (ik dependeerde, heb gedependeerd), afhangen; het dependeert niet van mij. *...PENDENTIE, v. (...ën), afhankelijkheid; ap- en dependentiën, al wat tot een huis en erve behoort. *...PENSE, v. (-s), vertering; veel -s maken. *...PENSEREN, bw. gel. (ik depenseerde, heb gedepenseerd), verteren, doorbrengen. *...PEUPLEREN, bw. gel. (ik depeupleerde, heb gedepeupleerd), ontvolken. *...PLACEREN, bw. gel. (ik deplaceerde, heb gedeplaceerd), verplaatsen. *...PLORABEL, bn. (-er, -st), jammerlijk, ellendig. *...PLOREREN, bw. gel. (ik deploreerde, heb gedeploreerd), bejammeren, beklagen. *...PLOYEREN, bw. gel. (ik deployeerde, heb gedeployeerd), ontplooijen, ontwikkelen; (fig.) ten toon spreiden. *...POLARISEREN, bw. gel. (ik depolariseerde, heb gedepolariseerd), (nat.) van polariteit berooven. *...PONEREN, bw. gel. (ik deponeerde, heb gedeponeerd), in bewaring geven; nederleggen; overleggen (in eene vergadering); ontgroenen; getuigenis afleggen. *...PORTEREN, bw. gel. (ik deporteerde, heb gedeporteerd), overvoeren, naar eene verbanningsplaats brengen; een gedeporteerde, een banneling. *...POSITAIRE, m. en v. (-s), bewaarder-, bewaarster van vertrouwd goed. *...POSITIE, v. (...ën), getuigenis, verklaring; afzetting. *...POSITO, geld à - geven; bij iem. geld op rente uitzetten. -BANK, v. (-en), die gelden tegen rente aanneemt. *...PÔT, o. (-s), bewaarplaats, verzamelplaats; (ook) het bewaarde, in bewaring gegevene; voorraad (van zekere koopwaren) ten verkoop gegeven; een - van wijnen. *...POUILLEREN, bw. gel. (ik depouilleerde, heb gedepouilleerd), berooven, uitkleeden; de stembus -, de stembriefjes openen. *...PRAVEREN, bw. en ow. gel. (ik depraveerde, heb of ben gedepraveerd), verderven, bederven, ontaarden. *...PRECIATIE, o. waarde-vermindering. *...PRECIÊREN, bw. gel. (ik depreciëerde, heb gedepreciëerd), de waarde -, den koers verlagen (van muntspeciën enz.). *...PREDATIE, v. (-en), beschadiging, plundering. *...PRIMEREN, bw. gel. (ik deprimeerde, heb gedeprimeerd), onderdrukken. *...PUTATIE, v. (...ën), afvaardiging; bezending. *...PUTEREN, bw. gel. (ik deputeerde, heb gedeputeerd), afvaardigen.

[p. 262]

*...BAISONNEREN, ow. gel. (ik deraisonneerde, heb gederaisonneerd), raaskallen, onzin praten. *...RANGEREN, bw. gel. (ik derangeerde, heb gederangeerd), in de war brengen, storen, verbijsteren.

[Der]

Der, verbogen bep. lw. van de, aan de.

[Derde]

Derde, telw. en bn. het is nu de - week; gij zijt de -; de - (dag der maand); die brief is van den -; dit is gewijd aan Willem den - (III); - deel (van iets); iets met een - verhoogen; twee en een -, 2 1/3; (gesch.) de - stand, de onadellijken of burgers; iets uit de - hand (van den kleinhandelaar) koopen; (fig.) een ander, een vreemde; wat behoeft een - dit te weten? *-, v. (kaartsp.) drie opvolgende kaarten; ik roem een -; is mijn - goed? *-, bijw. ten -, in de derde plaats. *-HALF, bn. twee en een half, 2 1/2. *-NDAAGSCH, bn. om de drie dagen terugkeerende; de -e koorts.

[† Derelictie]

Derelictie, v. (regt.) eigendomsverlating.

[Deren]

Deren, (B. DEEREN), bw. gel. (ik deerde, heb gedeerd), hinderen, schade doen; dat zal mij niet -; wat deert u? (ook fig.).

[Derfster]

Derfster, v. (-s), zij die (iets) derft, aan wie iets ontbreekt.

[Dergelijk]

Dergelijk, bn. zoodanig; deze en -e werken; -e menschen; iets -s heb ik nooit gezien. *...GENE, aanw. vnw. van degene, van deze. *...HALVE, bijw. bijgevolg, dus. *...MATE, bijw. op zoodanige wijze; in dier voege.

[† Derideren]

Derideren, bw. gel. (ik derideerde, heb gederideerd), bespotten, uitlagchen; (ook) ontrimpelen. *...RISIE, v. gmv. bespotting. *...RIVEREN, bw. en ow. gel. (ik deriveerde, heb of ben gederiveerd), afleiden; afstammen (van woorden). *...ROBEREN, bw. gel. (ik derobeerde, heb gederobeerd), ontstelen, verbergen. *...ROGEREN, bw. gel. (ik derogeerde, heb gederogeerd), afbreuk doen (aan), inbreuk maken (op); den adel schenden; gij derogeert daardoor aan uwe waardigheid. *...ROUTE, v. (-s), nederlaag, wanordelijke vlugt.

[Derrie]

Derrie, m. (B.v.) gmv. harde aardsoort onder de modderlaag. *-ACHTIG, bn.

[Dertel]

Dertel, bn. zie DARTEL.

[Dertien]

Dertien, telw. en bn. wij waren met ons -en; de -en, vergadering uit 13 leden bestaande. *-DAAGSCH, *-DAGIG, bn. dat dertien dagen duurt, - oud is. *-DE, bn. heden is de -e (dag der maand); Lodewijk de - (XIII). -, o. dertiende deel; een en een - 1 1/13; ten -, bijw. *-HALF, m. (...ven), (dertiend'half), oude holl. munt (= 12 1/2 stuivers of ƒ0.625). *-ER, m. een -, lid eener vergadering van 13 leden. *-JARIG, bn. dertien jaren durende. *-MAAL, bijw. *-MAANDSCH, *-MAANDIG, bn. *-TJE, (B. -N), o. (-s) (= oude zeeuwsche munt 13 stuivers of ƒ0.65). *-URIG, bn. dertien uren durende.

[Dertig]

Dertig, telw. en bn. zij waren met hun -en; een en -, twee en -; de - (stuks) kosten mij ...; het -, (wijze van verkoop bij dertig). *-DAAGSCH, *-DAGIG, bn. *-ER, m. (-s), lid eener vergadering van 30 leden, (ook) die of dat 30 jaar oud is; hij is een goede -,

[p. 263]

meer dan 30 jaar oud. *-JARIG, bn. de -e oorlog, (godsdienst-oorlog in Duitschland van 1618 tot 1648). *-MAAL, bijw. *-STE, bn. heden is de - (dag der maand). -, o. dertigste deel, zeven -n, 7/30; ten -, bijw. (spr.) op zijn elf-en-dertigst, op zijn gemak, langzaam aan. *-TAL, o. (-len), een -, ongeveer 30. *-VOUD, o. het vermenigvuldigde met 30. *-VOUDIG bn. = 30 maal zoo veel.

[Derven]

Derven, bw. gel. (ik derfde, heb gederfd), ontberen, missen. *...VER, m. (-s), hij die (iets) derft, mist; (oudt.) ablativus. *...VING, v. gmv. gemis. *...WAARTS, (B. ook DERWAART), bijw. daarheen; zij liepen her- en -, hier en daar.

[† Derwisch]

Derwisch, m. (-en), muzelmansche bedelmonnik.

[† Derzelve]

Derzelve, pers. vnw. haar, hare. *-R, bez. vnw. haar, hun.

[Des]

Des, verbogen bep. lw. - vaders (van den vader); de zoon - huizes. * -, vz. gedurende; in de, -avonds, -morgens ('s avonds, 's morgens); hij verdient twintig gulden 's maands. *-, vw. dus, derhalve; hij veracht mij, - kan ik niet met hem omgaan; - te (zoo veel te) erger.

[† Desabuseren]

Desabuseren, bw. gel. (ik desabuseerde, heb gedesabuseerd), uit de dwaling helpen, beter onderrigten. *...ANIMEREN, bw. gel. (ik desanimeerde, heb gedesanimeerd), afraden, ontmoedigen. *...APPOINTEREN, bw. gel. (ik desappointeerde, heb gedesappointeerd), te leur stellen. *...APPROBEREN, *...APPROUVEREN, bw. gel. (ik desapprobeerde, heb gedesapprobeerd), afkeuren. *...APPROBATIE, v. gmv. afkeuring. *...ARMEREN, bw. gel. ik desarmeerde, heb gedesarmeerd), ontwapenen.

[† Desassimilatie]

Desassimilatie, v. (scheik.) ontvorming. *...ASTER, o. (-s), ramp; tegenspoed. *...ASTREUS, bn. (-er, -st), rampspoedig. *...AVANTAGEUS, bn. onvoordeelig. *...AVOUEREN, bw. gel. (ik desavoueerde, heb gedesavoueerd), ontkennen, loochenen (iets); iem. -, zijne handelingen afkeuren.

[† Descendenten]

Descendenten, m. mv. af-, nakomelingen. *...DENSIE, v. gmv. afstamming; (sterr.) daling.

[† Descriptie]

Descriptie, v. (-s, ...ën), beschrijving. *...SCRIPTIEF, bn. beschrijvend; de descriptieve poëzie, de beschrijvende dichtkunst.

[† Desennuyeren]

Desennuyeren, bw. gel. (ik desennuyeerde, heb gedesennuyeerd), vermaken, den tijd verdrijven.

[† Deserteren]

Deserteren, ow. gel. (ik deserteerde, ben gedeserteerd), wegloopen, zich wegpakken, § de plaat poetsen. *...SERTEUR, m. (-s), vlugteling, overlooper. *...SERTIE, v. (...ën), vlugt, het wegloopen (van eenen soldaat).

[Desespereren]

Desespereren, ow. gel. (ik desespereerde, heb gedesespereerd), wanhopen; - aan (iets).

[Desgelijks]

Desgelijks, bijw. op dezelfde wijze; even zoo. *...GENEN, aanw. vnw. van dengene, van hetgene.

[† Déshabillé]

Déshabillé, o. (-s), nachtgewaad, ochtendkleeding; en -, ongekleed. *...HONORABLE, bn. (-er, -st), onfatsoenlijk, niet eervol. *...HONOREREN, bw. gel. (ik deshonoreerde, heb gedeshonoreerd), schande aandoen, onteeren.



[p. 264]

[† Desiratum]

Desiratum, o. gmv. vereischte, (het) begeerde. *...SICCATIE, v. (...ën), uit-, verdrooging. *...SIGNATIE, v. (...ën), aanwijzing. *...SIGNEREN, bw. gel. (ik designeerde, heb gedesigneerd), aanwijzen, aantoonen; voor de krijgsdienst -, geschikt verklaren om te dienen.

[† Desinfectie]

Desinfectie, v. gmv. reiniging van smetstof, verjaging der besmetting.

[† Desirabel]

Desirabel, (-er, -st), wenschenswaard. *...REREN, bw. gel. (ik desireerde, heb gedesireerd), wenschen, begeeren; hij laat zich -, hij wenscht dat men zijne afwezigheid opmerke. *...REUS, bn. begeerig.

[† Desisteren]

Desisteren, bw. gel. (ik desisteerde, heb gedesisteerd), afzien van, afstaan.

[Deskundig]

Deskundig, bn. (-er, -st), bedreven, onderwezen in; een -e, iem. die de zaak verstaat, tot het vak behoort. *...NIETTEMIN, *...NIETTEGENSTAANDE, bijw. ondanks.

[† Desobediëren]

Desobediëren, bw. gel. (ik desobediëerde, heb gedesobedieerd), ongehoorzaam zijn.

[† Desolaat]

Desolaat, bn. (...ater, -st), wanhopig, berooid; de desolate boedelkamer, zie op BOEDEL. *...LANT, bn. bedroevend.

[† Desorganisatie]

Desorganisatie, v. gmv. verstoring, ordeloosheid; ontbinding. *...ORGANISEREN, bw. gel. (ik desorganiseerde, heb gedesorganiseerd), in de war sturen, ontbinden. *...ORIËNTEREN, bw. gel. (ik desoriënteerde, heb gedesoriënteerd), van den regten weg afhelpen, het spoor bijster doen worden.

[† Desperaat]

Desperaat, bn. (...ater, -st), wanhopig, radeloos. *...PERATIE, v. radeloosheid. *...POOT, m. (...oten), dwingeland; zelfheerscher. *...POTISMUS, o. gmv. dwingelandij. *...POTIE, v. gmv. willekeurigheid. *...POTISCH, bn. willekeurig, eigendunkelijk.

[Dessa]

Dessa, v. (-as), oostindisch dorp.

[Dessendiaan]

Dessendiaan, v. (boekdr.) zekere lettersoort.

[† Dessert]

Dessert, o. gmv. nageregt.

[† Dessin]

Dessin, o. (-s), teekening, patroon; stoffen in verschillende -s.

[† Destilleren]

Destilleren, bw. zie DISTILLEREN. *...TINATIE, v. (...ën), bestemming lot; plaats van bestemming. *...TINEREN, bw. gel. (ik destineerde, heb gedestineerd), bestemmen, beschikken. *...TITUEREN, bw. gel. (ik destitueerde, heb gedestitueerd), af-, ontzetten (van eenen post). *...TITUTIE, v. (...ën), af-, ontzetting, afdanking.

[Destrueren]

Destrueren, bw. gel. (ik destrueerde, heb gedestrueerd), verwoesten, vernielen. *...TRUCTIEF, bn. verwoestend, vernielend.

[Desuniëren]

Desuniëren, bw. gel. (ik desuniëerde, heb gedesuniëerd), oneenig maken.

[Deswegen]

Deswegen, bijw. daarom. *...ZELFS, bez. vnw. zijn, zijns.

[† Detachement]

Detachement, o. (-en), afgezonden troep soldaten, rot, drom. *...TACHEREN, bw. gel. (ik detacheerde, heb gedetacheerd), afzonderen, losmaken; afzenden. ZICH -, ww. zich afzonderen, afvallen. *...TAIL, o. (-s), bijzonderheid (meest mv.); en gros et en -, in het groot en klein. *...TAILLISTE, m. en v. verkooper-, verkoopster in het klein. *...TAILLEREN, bw. gel. (ik detailleerde, heb gedetailleerd), uiteenzetten, omstandig verhalen. *...TEGEREN, bw. gel. (ik detegeerde,

[p. 265]

heb gedetegeerd), (fig.) ontdekken, onthullen. *...TINEREN, *...TENEREN, bw. gel. (ik detineerde, heb gedetineerd), gevangen -, opgesloten houden; een gedetineerde, een gevangene. *...TENTIE, v. gmv. opsluiting; huis, plaats van -, gevangenis. *...TERIOREREN, bw. en ow. gel. (ik deterioreerde, heb gedeterioreerd), bederven, vervallen; door ledig staan is dit huis geheel en al gedeterioreerd. *...TERMINEREN, bw. gel. (ik determineerde, heb gedetermineerd), bepalen, vaststellen, bestemmen. *...TERMINISMUS, o. gmv. voorbeschikking. *...TERREREN, bw. gel. (ik deterreerde, heb gedeterreerd), weder opgraven; (fig.) oprakelen, weder aan het daglicht brengen. *...TESTEREN, bw. gel. (ik detesteerde, heb gedetesteerd), verfoeijen. *...TONEREN, ow. gel. (ik detoneerde, heb gedetoneerd), valsch zingen, uit den toon raken; ontploffen, afgaan (van vuurwapenen). *...TONATIE, v. (...ën), ontploffing. *...TORQUEREN, bw. gel. (ik detorqueerde, heb gedetorqueerd), verdraaijen, buigen, (ook fig.). *...TOUR, o. (-s), omweg; kromming; (fig.) uitvlugt. -NEREN, bw. gel. (ik detourneerde, heb gedetourneerd), afleiden, afwenden; (fig.) verduisteren (gelden). *...TRACT, o. (-en), korting (op pensioen dat buitenslands verteerd wordt). *...TRACTEUR, m. (-s), lasteraar, eerroover, bekladder (van den goeden naam). *...TRACTIE, v. laster, eerroof. *...TRAHEREN, bw. gel. (ik detraheerde, heb gedetraheerd), aftrekken, korten; (fig.) belasteren. *...TREMPEREN, bw. gel. (ik detrempeerde, heb gedetrempeerd), aan een ligchaam (b.v. gehard staal) zijne hardheid ontnemen. *...TRESSE, v. nood, angst, radeloosheid. *...TRITUS, m. (nat.) iets dat afgewreven is, zich van de aardkorst losgemaakt heeft. *...TROMPEREN, bw. gel. (ik detrompeerde, heb gedetrompeerd), uit den waan helpen, teregtwijzen.

[Deugd]

Deugd, v. (-en), gemoedsgesteldheid die ten goede drijft; braafheid; innerlijke waarde; een man van onverzettelijke -; hij vereenigde de -en van den burger met die des huisvaders; de - vindt haar loon in zich zelve; (spr.) van den nood eene - maken, tegen zijnen zin tot iets besluiten; (fig.) duurzaamheid, ik sta u in voor de - van dit laken. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), echt, waar, regtmatig; dit is - bewezen; hij is het mij - schuldig. -HEID, v. gmv. echtheid, regtmatigheid. *-RIJK, bn. *-ZAAM, bn. en bijw. (B. DEUGZAAM), (...amer, -st), vol deugd, deugd -, zeden bezittende; een - meisje; (fig.) deugdzame stof, die innerlijke waarde bezit, die duur is. -HEID, v. deugd; (fig.) duurzaamheid.

[Deugen]

Deugen, ow. gel. (ik deugde, heb gedeugd), braaf-, deugdzaam zijn; dienstig zijn tot (iets); niet -, zich slecht gedragen, een slecht hart bezitten.

[Deugniet]

Deugniet, m. (-en), onzedelijk -, slecht mensch; zeer stoute knaap; wat doet gij daar, -!

[Deuk]

Deuk, v. (B.m.), (-en), holligheid in eene gladde oppervlakte (door eenen stoot veroorzaakt); die hoed heeft eenen - gekregen. *-EN, bw. gel. (ik deukte, heb gedeukt), deuken maken.

[Deun]

Deun, m. (-en), zangwijze, liedje; (fig.) hij zingt altijd denzelfden -, hij komt altijd op hetzelfde terug; om den -, uit de grap,

[p. 266]

uit kortswijl. *-, bn. en bijw. gierig, inhalig, korzelig; het ziet er - (armoedig) bij hem uit. *-TJE, (B. -N), o. liedje, wijsje; -s spelen, een - fluiten. *-HEID, v. gmv. karigheid, gierigheid *-EN, ow. gel. (ik deunde, heb gedeund), zingen, neuriën.

[Deur]

Deur, v. (-en), sluiting (van hout, ijzer of glas) aan huizen enz.; (ook) ingang; aan de - kloppen; door de - binnenkomen; de - uitgaan; de - bijzetten, bijhalen, niet geheel sluiten; eene dubbele -, (zoogenaamde) groene of winterdeur, (ook) deur met twee vleugels, porte brisée; van - tot - bedelen; eene regtszaak met gesloten -en behandelen, (die te onzedelijk of te netelig is om in het openbaar te behandelen); eene vergadering met gesloten -, (welker beraadslagingen niet mogen bekend worden); voor eene gesloten - komen, iem. niet te huis vinden; ik kom niet voor de -, ga niet uit; (fig.) met de - in het huis vallen, plotseling met iets voor den dag komen; dat doet de - toe, dat bekroont de zaak, daarop valt niets meer te zeggen (ten goede of ten kwade); de winter staat voor de -, is nabij; dat zet de - voor alle misbruiken open, geeft aanleiding daartoe; deur- en venstergeld, zekere belasting. *-, bijw. verbasterde uitdrukking voor DOOR. *-BESLAG, o. (-en), slot, grendels, hengsels, knieren (aan eene deur). *-BLAD, o. (plant.) zek. kruid. *-DORPEL, *-DREMPEL, o. (-s). *-DUIM, m. (-en), waarop het hengsel draait. *-HENGSEL, o. (-s). *-KLINK, v. (-en). *-KLOPPER, m. (-s). *-KNOP, m. (-pen). *-KOZIJN, o. (-en). *-LIJST, v. (-en). *-POST, v. (-en). *-RING, m. (-en). *-STIJL, m. (-en), deurpost. *-VLEUGEL, m. (-s). *-WAARDER, m. (-s), geregtelijk beambte. -SCHAP, o. gmv. *-WACHTER, m. (-s), portier. -ES, v. (-sen), portierster. *-WAS, o. (plant.) deurblad.

[Deutel]

Deutel, m. (-s), wig, klink. *-IJZER, o. (-s).

[Deuvekater]

Deuvekater, m. (-s), soort koek; de -! drommelsch! die -sche meid! *...VIK, m. (-ken), (kuip.) tap. -KEN, bw. gel. (ik deuvikte, heb gedeuvikt), den tap uittrekken.

[† Deus ex machina]

Deus ex machina, (bij de ouden) god -, engel die op het einde van een treurspel verscheen om den knoop op te lossen.

[† Devaliseren]

Devaliseren, bw. gel. (ik devaliseerde, heb gedevaliseerd), berooven, uitschudden. *...VALVEREN, bw. gel. (ik devalveerde, heb gedevalveerd), verminderen, verlagen. *...VALVATIE, v. (...en), waardevermindering; versterf. *...VANCEREN, bw. en ow. gel. (ik devanceerde, heb gedevanceerd), voorbij streven, (iem.) vooruit komen; vroeger komen dan (een ander). *...VASTATIE, v. (...ën), verwoesting. *...VASTEREN, bw. gel. (ik devasteerde, heb gedevasteerd), verwoesten. *...VELOPPEREN, bw. gel. (ik developpeerde, heb gedeveloppeerd), ontwikkelen, ontplooijen; (fig.) toonen, verraden. *...VESTEREN, bw. gel. (ik devesteerde, heb gedevesteerd), ontzetten (van eene priesterlijke waardigheid). *...VESTITUUR, v. gmv. zoodanige ontzetting. *...VIATIE, v. (sterr. en zeew.) afwijking; verzeiling. *...VIES, o. (...zen), zinspreuk; leus; rijmpje (in ulevellen gewikkeld); (kooph.) wissel op het buitenland. *...VOLUTIE, v. (...ën), (regt.) overgangsregt, versterf. *...VOLVEREN, ow. gel. (ik devolveerde, heb gedevolveerd), (regt.) toevallen,

[p. 267]

overgaan, versterven op.... *...VOOT, bn. en bijw. (...ster, -st), vroom, godsdienstig; de devoten, de vromen, (ook) schijnheiligen. *...VOTIE, v. gmv. vroomheid; schijnheiligheid. *...VOREREN, bw. gel. (ik devoreerde, heb gedevoreerd), verslinden, (ook fig.).

[Dewelke]

Dewelke, betr. vnw. zie WELKE. *...WIJL, vw. omdat, daar.

[† Dexteriteit]

Dexteriteit, v. gmv. behendigheid. *...TRINE, v. (scheik.) zetmeelgom.

[† Dey]

Dey, m. (-s), landvoogd, vorst (der Barbarijsche Staten).

[Deze]

Deze, aanw. vnw. en bn. dit of deze voor nabij zijnde, die of gene voor meer verwijderde zaken; meent gij -, of die? bij -n (in dezen brief) meld ik u; brenger -s, (van dezen brief); den twaalfden -r (maand); (op een adres) den heer N.N., -.

[Dezelfde, De zelfde]

Dezelfde, De zelfde, aanw. vnw. is dat de heer N.? Dezelfde; dat is - man van wien ik u sprak. *...ZELVE, pers. vnw. hij, zij.

[† Diabolisch]

Diabolisch, bn. en bijw. duivelsch; op duivelsche wijze. *...DEEM, v. (...emen), koningskroon, wrong. *...DROMUS, m. (muz.) trilling der snaren. *...GNOSE, v. gmv. ziekteleer naar kenteekenen. *...GONAAL, v. (...alen), (meetk.) hoekpuntslijn, snijlijn. -, bn. tegenovergesteld. *...GRAM, o. (-en), schets; (muz.) notenbalk.

[Diaken]

Diaken, m. (-en), *...KONES, v. (-sen), armenverzorger, armenverzorgster. *-SCHAP, o. *-IE, *...KONIE, v. (...ën), kerkelijk armbestuur; kerkelijke armenverzorging; (fig.) er is hier veel -, er zijn veel niet-betalenden onder het publiek (b.v. in eenen schouwburg). -SCHOOL, v. (...olen), armenschool (eener kerkelijke gemeente). *...LECT, o. (-en), tongval, uitspraak (eener taal). *...LECTICUS, m. (...ci), twistredenaar. *...LOOG, m. (...ogen), tweespraak, zamenspraak. *...LOGISCH, bijw. bij wijze van tweespraak.

[† Diallage]

Diallage, v. straalsteen (zekere delfstof).

[† Diamagnetismus]

Diamagnetismus, o. gmv. eigenschap der ligchamen om door een sterken magneet aangetrokken of afgestooten te worden.

[Diamant]

Diamant, o. (als delfstof), m. (als enkele steen), (-en), het fijnste en hardste edelgesteente; ruwe of grove -; geslepen -; - kloven; - snijden; - slijpen, - zetten. *-EN, bn. van diamant, met diamanten bezet. *-GRUIS, *-POEDER, o. gmv. afslijpsel van diamant. *-KLOOFSTER, v. (-s). *-KLOVER, m. (-s). *-MIJN, v. (-en). *-SLIJPER, m. *-SLIJPSTER, v. (-s), grove-diamantslijper; (ook fig.) straatlooper. *-SNIJDER, m. (-s). *-SNIJDSTER, v. (s). *-WERKER, m. (-s). *-WERKSTER, v. (-s). *-ZETTER, m. (-s). *-ZETSTER, v. (-s).

[† Diameter]

Diameter, m. (-s), middellijn, doorsnede, (die eenen cirkel of bol in twee gelijke deelen verdeelt). *...NA, v. jagtgodin; maan; (scheik.) zilver; (oorl.) ochtendwake; boom van Diana, zilverboom. *...PALM, v. gmv. zekere zalf. *...PASON, m. gmv. (muz.) harmonie-akkoord; grondtoon; stemvork. *...PENTE, v. (-n), (muz.) de regte kwint. *...PHAAN, bn. (...aner, -st), doorzigtig. *...PHONISCH, bn. volstemmig. *...PHRAGMA, o. (-as), (ontl.) middenrif. *...RIUM, o. (...ia), dagboek, legger.

[† Diarrhaea]

Diarrhaea, v. buikloop, loslijvigheid.

[† Diastimeter]

Diastimeter, m. (-s), afstandsmeter (werktuig).



[p. 268]

[† Diatonisch]

Diatonisch, bn. (muz.) tot de klankladder of schaal behoorende. *...TBIBE, v. (-n), uitval, hevige kritiek; geleerde verhandeling.

[† Dichotomisch]

Dichotomisch, bn. gaffelsgewijze verdeeld.

[Dicht]

Dicht, o. gmv. gedicht. *-ADER, v. gmv. aanleg tot -, gemakkelijkheid in het dichten. *-EN, ow. en bw. (ik dichtte, heb gedicht), verzen maken; (iets) in dichtmaat behandelen; uitdenken, verzinnen. *-ER, m. (-s), *-ERES, v. (-sen), hij of zij is - geboren of geboren -. *-ERLIJK, bn. en bijw. (-er, -st), als -, van eenen dichter of dichters; -e bloemlezing; -e vrijheid, (iets wat den dichter en niet den prozaschrijver vrij staat te doen). *-ERSCHAAR, v. gmv., *-ERSTOET, m. gmv. de gezamenlijke dichters. *-GENOOTSCHAP, o. (-pen), vereeniging tot beoefening der poëzie. *-KUNDE, *-KUNST, v. gmv. poëzie. *-KUNDIG, bn. *-LUIM, v. gmv. *-LUST, m. gmv. *-MAAT, v. gmv. maat der verzen; (ook) vers; iets in - behandelen. *-MATIG, bn. *-STUK, o. (-ken), gedicht, vers. *-VUUR, o. gmv. bezieling des dichters. *-WERK, o. (-en).

[† Dictaat]

Dictaat, o. (...ata, ...aten), geschrift door een ander voorgezegd. *...TEREN, bw. gel. (ik dicteerde, heb gedicteerd), voorzeggen, in de pen geven; (ook) ingeven; (fig.) voorschrijven.

[† Dictator]

Dictator, m. (-s), (rom. gesch.) algemeen bevelvoerder (voor bepaalden tijd); onbeperkte heerscher. *-IAAL, *-ISCH, bn. *...TATUUR, v., *-SCHAP, o. gmv. waardigheid van dictator; het - uitoefenen.

[† Dictie]

Dictie, v. gmv. voordragt, zegswijze.

[Dictionnaire]

Dictionnaire, m. (-s), woordenboek.

[† Didactiek]

Didactiek, v. gmv. leerkunst. *...TISCH, bn. leerend, onderwijzend; - gedicht, leerdicht. *...TICI, m. mv. leerende wijsgeeren.

[Die]

Die, aanw. en betr. vnw.

[Diêet]

Diêet, o. gmv. levensregel; een streng - in acht nemen. *...ÊTISCH, bn. en bijw. volgens den voorgeschreven leefregel. *...ÊTEN, m. mv. toelage der ambtenaren buiten 's lands.

[† Dieu et mon droit]

Dieu et mon droit, God en mijn regt (kenspreuk op het engelsche wapen).

[Dief]

Dief, m. (...ven), steler, roover (in het geheim); (spr.) de gelegenheid maakt den -, men maakt meestal van de verzoeking gebruik; elk is een - in zijne nering, de meeste menschen zoeken op slinksche wijze voordeel met hun beroep te doen; een - aan de kaars, vonk door de verkoolde pit ontstaan. *-ACHTIG, bn. en bijw. genegen tot diefstal, snoeplustig, steelsch, op steelsche wijze. -HEID, v. trek tot stelen; trek tot heimelijk snoepen (van katten). *-EGGE, v. (-n), meisje dat steelt, vrouw die steelt. *-HANGER, m. (-s), beul, beulsknecht. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine dief; dief en -smaat, de misdadiger en zijne gezellen. *-IJZER, o. (-s), breekijzer. *-KELDER, m. (-s), kerkerhol, -hok. *-LEIDER, m. (-s). *-SCH, bn. diefachtig. *-STAL, m. (-len), de daad van stelen; eenen - begaan; van - beschuldigen.

[Diegene]

Diegene, zie DEGENE.

[Diemet]

Diemet, (B. DIEMIT), o. (-ten), zekere witte katoenen stof. *-EN, bn. van diemet.



[p. 269]

[Dien]

Dien, verbogen aanw. en betr. vnw. aan dezen, aan dien; aan welken; ten - einde, ten - opzigte. *-AANGAANDE, bijw. wat die zaak betreft; ik heb hem - (hierover) gesproken.

[Dienaar]

Dienaar, m. (...aren, -s), ondergeschikte; beambte; de ministers zijn de dienaren des konings; de koning is de eerste - van den Staat; de priester is de - Gods; woord van beleefdheid: uw - mijnheer! (ook aan het slot van brieven: UEd. Dw. Dienaar (U Edelens dienstwillige -); een - maken, vriendelijk buigen (van knaapjes); de dienaren der politie; (fig.) een - van den buik, een gulzigaard; een - van den mammon (van het geld), een vrek. *...NARES, v. (-sen).

[§ Diender]

§ Diender, m. (-s), geregtsdienaar.

[Dienen]

Dienen, bw. en ow. gel. (ik diende, heb gediend), dienst verrigten, - doen; in dienst zijn, - staan; nuttig -, dienstig zijn tot...; God -; zijn vaderland -; in den oorlog -; te land -; ter zee -; bij iem. - (als knecht of meid); (fig.) waarmede kan ik u -? daar-op zal ik u - (antwoorden); gij dient (behoort) te weten dat...; dat dient mij, komt mij van pas; hij wil van zijne raadgevingen niet gediend (zijn); een stuk aan ..... zenden om te - van berigt, van advies (om er rapport over uit te brengen); (briefstijl) deze dient u te melden.

[Diens]

Diens, verbogen aanw. en betr. vnw. van dien, van dat.

[Dienst]

Dienst, v. (-en), bijstand, verrigting ten behoeve of ten nutte eens anderen; kerk-, krijgsdienst; - doen bij (iem.); eene - doen of bewijzen aan (iem.); hij is in - bij; waarmede kan ik u van - zijn? hij heeft daar eene gemakkelijke -; uit de - gaan, de - verlaten; iem. zijne goede -en (bemiddeling) aanbieden; - nemen als (soldaat); de adjudant van -, die de wacht heeft; twaalf jaren - tellen (als militair); (fin.) de - (het boekjaar) van 1861. *-AANBIEDING, v. (-en). *-BAAR, bn. dienende, ondergeschikt; dat meisje is -, is ergens in dienst; de dienstbare stand, de stand der bedienden; (fig.) een volk - maken, onderwerpen, onder het juk brengen. -HEID, v. verslaving, schatpligtigheid. *-BODE, m. en v. (-n), bediende. *-HUIS, o. (...zen), waar men dient. *-IG, bn. (-er, -st), nuttig, kunnende dienen, geschikt; waartoe is dat -? dat middel is - voor die kwaal, geschikt om haar te bestrijden; (zeew.) -e (gunstige) wind. - HEID, v. gmv. nut. *-JAAR, o. (...jaren), jaar van dienst; in den oorlog telt elk jaar voor twee dienstjaren; (fin.) boekjaar. *-KNECHT, m. (-en). *-LOON, o. huur, werkloon. *-MAAGD, *-MEID, v. (-en). *-PLIGTIG, bn. *-VAARDIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. bereid om iem. eene dienst te bewijzen. -HEID, v. gmv. *-WILLIG, bn. (-er, -st), dienstvaardig. *-VRIJ, bn.

[Diensvolgens]

Diensvolgens, bijw. bijgevolg, derhalve.

[Diep]

Diep, bn. en bijw. (-er, -st), hol, ledig (tot op zekeren afstand van de oppervlakte) inzakkende, eene -e gracht; een -e kuil; - water; eene -e wond; een - huis, dat zich ver naar achteren uitstrekt; een - bord, soepbord; -e buiging; -e (zware) rouw; -e (vaste) slaap; een - stilzwijgen, waarbij geen enkel woord of klank wordt geuit; (muz.) een -e toon, bastoon; in den -en nacht, of - in den nacht; - in

[p. 270]

de schulden steken; hij is - in de zeventig, zeer ver over de 70 jaar oud; - (zwaar) zuchten; zijnen hoed - op de oogen drukken; zijne oogen liggen - in zijn voorhoofd; dit gaat -, is zeer wijsgeerig; iem. zeer - (nederig) groeten; (zeew.) een - verbonden schip, dat hoog op het water ligt; (fig.) het zit er niet -, hij weet niet veel; (spr.) stille waters hebben -e gronden, een dom of goedaardig voorkomen verbergt dikwijls veel verstand of veel slechtheid. *-, o. haven-ingang; diepte. *-ACHTIG, bn. (-er, -st). *-DENKEND, bn. (-er, -st). -HEID, v. gmv. *-EN, bw. gel. (ik diepte, heb gediept), uithalen, baggeren; (schild.) schaduwen. *-ER, m. (-s), graver, baggeraar; (schild.) die schaduwt. *-GAAND, bn. (van schepen). *-GANG, m. gmv. (zeew.) een vaartuig van 20 voet -. *-GRONDIG, bn. zeer diep (ook fig.). *-ING, v. het diepen, schaduwing. *-LOOD, o. (-en), (zeew.) werktuig om de diepte van het water te peilen. *-TE, v. (-n), tegenstelling van hoogte; (ook) lengte (van een gebouw); grond; binnenste; de - van eenen put, - van een huis; (fig.) God kent de - onzer harten; de - zijner gedachten. *-ZINNIG, bn. en bijw. (-er, -st). -LIJK, bijw. -HEID, v. gmv.

[Dier]

Dier, o. (-en), levend, zich zelf bewegend schepsel; redeloos -; redelijk -, mensch; kruipend -, worm, slang; wild -, dat in de bosschen leeft; tweeslachtig -, dat op het land en in het water leeft, amphibie; gekorven -, insekt; (fig.) (oudt.) meisje, vrouw; een leelijk -, een leelijk mensch. *-, verbogen aanw. vnw. van die, aan die; in - voege, op zoodanige wijze. *-, bn. duur, dierbaar; de dierste belangen.

[Dierbaar]

Dierbaar, bn. (-der, B. ...barer, ...brer, -st), waard, kostbaar; mijne dierbaren! mijne geliefden! *-HEID, v. gmv.

[Dierenaanbidder]

Dierenaanbidder, m. (-s). *...AANBIDSTER, v. (-s). *...AANBIDDING, v. gmv. eeredienst aan de dieren bewezen (als bij de oude Egyptenaren). *...BESCHRIJVER, m. (-s). *...BESCHRIJFSTER, v. (-s). *...BESCHRIJVING, v. gmv. *...HUID, v. (-en). *...KENNER, m. (-s). *...KENSTER, v. (-s). *...KENNIS, v. gmv. zoölogie. *...PLANTSTEEN, m. (nat. hist.) zoöphiet. *...RIEM, m. gmv. (sterr.) al de sterrebeelden op den zonneweg; de 12 teekens van den -. *...RIJK, o. gmv. een der drie rijken van de natuur. *...TEMMER, m. (-s), *...TEMSTER, v. (-s), beestentemmer, -temster. *...TUIN, m. (-en), zie DIERGAARDE. *...VERSTAND, o. gmv. instinkt. *...ZIEKTE, v. gmv. ziekte alleen aan het dier en niet aan den mensch eigen.

[Diergaarde]

Diergaarde, v. (-n), plaats -, hof waar (meestal) vreemde dieren worden gehouden, zoölogische tuin. *...PERK, o. (-en). *...KRING, m. zie DIERENRIEM. *...KUNDE, v. gmv. beschrijving-, geschiedenis der dieren, zoölogie. *...LIJK, bn. en. bijw. (-er, -st), tot het dier behoorende; het - leven, stoffelijk leven (in tegenst. van het zieleleven); -e electriciteit; -e scheikunde; -e stof; -e vetten; -e warmte; -e zuren; -e (vleeschelijke, zinnelijke) lusten; dat is -, beestachtig. -HEID, v. gmv. beestachtigheid; in - verzonken. *...TJE, (B. -N), o. (-s), klein dier; de bloedelooze -s, de insekten. *...ZUUR, *...ZUURZOUT, o. (soort) chemisch zuur en zout.



[p. 271]

[Dies]

Dies, *-HALVE, vw. dus, weshalve.

[Diets]

Diets, bijw. gebruikelijk in: iem. iets - maken, wijsmaken, op de mouw spelden.

[Dieven]

Dieven, bw. gel. (ik diefde, heb gediefd), stelen, ontfutselen. *-AANGEZIGT, o. (-en), waaruit sluwheid of diefachtigheid spreekt, (ook fig.). *-BENDE, v. (-n). *-HERBERG, v. (-en). *-HOL, o. (-en), verblijf -, verzamelplaats der dieven. *-LANTAREN, v. (-s). -TJE, (B. -N), (-s), o. kleine lantaren met papieren wanden. *-LEIDER, m. (-s), politiedienaar. *-NEST, o. (-en), dievenhol. *-OOGEN, o. mv. oogen waaruit diefachtigheid spreekt; (ook fig.) sluwe -, slimme oogen. *-ROT, o. (-ten), dievenbende. *-SLEUTEL, m. (-s), valsche sleutel. *-TRONIE, v. (...ën), dievenaangezigt. *-TAAL, v. gmv. bar goensch, koeterwaalsch. *-VIJL, v. (-en).

[Dieverij]

Dieverij, v. (-en), diefstal. *-KOOPER, m. (-s), opkooper van gestolen goed.

[† Diffamant]

Diffamant, bn. eerroovend. *...FAMEREN, bw. gel. (ik diffameerde, heb gediffameerd), belasteren, eerrooven. *...FERENT, bn. verschillend, onderscheiden. *...FERENTIE, v. (-ën), verschil, onderscheid; (bij fondsenhandelaars) surplus. *...FERENTIAAL-REKENING, v. (tak der hoogere wiskunde). *...FEREREN, ow. gel. (ik differeerde, heb gediffereerd), verschillen; (ook) uitstellen, verschuiven. *...FICIEL, bn. (-er, -st), ongemakkelijk; gij zijt zeer -, moeijelijk te bevredigen. *...FICULTEREN, bw. gel. (ik difficulteerde, heb gedifficulteerd), bezwaren maken, - vinden. *...FICULTEIT, v. (-en), moeijelijkheid, bezwaar. *...FORM, bn. (-er, -st), wanstaltig, gebrekkig (van ledematen). *...FORMITEIT, v. (-en), wanstaltigheid, gebrekkigheid. *...FUUS, bn. (...user, -st), duister, wijdloopig (van stijl).

[† Digereren]

Digereren, bw. gel. (ik digereerde, heb gedigereerd), verteren (van spijzen); (fig.) verkroppen. *...GESTIE, v. gmv. oplossing; spijsvertering.

[Diggel]

Diggel, v. (B.m.) (-en), scherf; aan -en vallen, in scherven (stukken) vallen.

[† Digitigraden]

Digitigraden, m. mv. vingerloopers (zekere zoogdieren).

[† Dignitaris]

Dignitaris, m. (-sen), waardigheidsbekleeder. *...NITEIT; v. gmv. waardigheid.

[† Digressie]

Digressie, v. (...ën), uitwijding; uitspatting; tusschenspel.

[Digt]

Digt, (B. DICHT), bn. en bijw. (-er, -st), gedrongen, vast; zwaar zamengeperst; gesloten; dik; nabij; (fig.) geheimhoudend; een - ligchaam, met weinig poriën; -e stof, vast ineengeweven stof; - laken; een - bosch, met veel boomen bezet; - (ineengedrongen) schrift; een -e drom; eene -e mand; een - vat; het regent, sneeuwt - (hard); (zeew.) - bij den wind houden; doe de deur -, sluit de deur; dit vat is goed -, goed gekuipt; - zaaijen, goed bezaaijen; (fig.) die man is -, zoo - als een pot, geheimhoudend; mondje -! (toe!); zich - houden, zijn geheim goed bewaren; hij woont hier - bij, (nabij); wij zijn - bij de stad. *-EN, bw. gel. (ik digtte, heb gedigt), stoppen; (kuip.) een vat -; (zeew.) een schip -, kalfaten. *-HEID, v. gmv. vastheid, het goed gesloten zijn; geheimhouding;

[p. 272]

goud heeft meer - dan zilver; talrijkheid, dit bosch heeft veel -, telt veel boomen; heeft veel lommer; (fig.) nabijheid. *-JES, bijw.

[Dij]

Dij, (B. DIJE), v. (-en), deel van het menschelijk ligchaam tusschen de knie en de bil. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine dij. *-BEEN, o. (-deren). *-EN, ow. gel. (ik dijde, ben gedijd), opzwellen; uitdijen. *-GEN, ow. ong. (ik deeg, ben gedegen), opzwellen; gedegen goud, smeedbaar goud. *-HARNAS, o. (-sen), dekstuk der dijen (bij de oude ridders). *-HARST, m. (-en), achterbout van een dier. *-ING, v. (-en), zwelling.

[Dijk]

Dijk, m. (-en), opgeworpen aarden dam, waterkeering; het ijs breekt dammen en -en; eenen - maken, doorsteken; de - loopt over, het water loopt over de kruin van den dijk; (fig.) iem. aan den - jagen of zetten, in nood -, buiten bestaan brengen; (spr.) dat brengt geen zoden aan den -, dat helpt niet. *-AADJE, v. gmv. dijkwerken. *-AARDE, v. gmv. aarde geschikt tot vorming der dijken. *-BAAS, m. (...azen), opzigter der dijkwerken. *-BEZOEK, o. onderzoek der dijken. *-BREUK, v. (-en), doorbraak van eenen dijk. *-EN, ow. gel. (ik dijkte, heb gedijkt), eenen dijk maken. *-ER, m. (-s), dijkwerker. *-GELD, o. (-en), geld -, belasting tot onderhoud der dijken. *-GRAAF, m. (...aven), opzigter der dijken, voorzitter van den dijkstoel. -SCHAP, o. toezigt over de dijken, waardigheid van dijkgraaf. *-HEEMRAAD, m. (...aden), lid van den dijkstoel. -SCHAP, o. waardigheid van dijkheemraad. -, v. de vergadering van den dijkstoel. *-ING, v. het dijken. *-KISTING, v. (-en), aanvulling om eene dijkbreuk te stoppen. *-MEESTER, m. (-s), opziener over de dijken. *-OPENING, v. (-en). *-PAAL, m. (...alen). -WERK, o. (-en). *-PLIGTIG, bn. verpligt tot het onderhoud der dijken (door arbeid, belasting enz.). *-REGT, o. wijze van regtsvordering in dijkzaken. -EN, o. mv. belastingen tot onderhoud der dijken. *-SCHOUW, v. gmv. of -ING, v. (-en), onderzoek -, inspectie der dijken. *-SCHRIJVER, m. (-s), secretaris -, griffier van den dijkstoel. *-SVOLMAGT, m. (-en), lid van een dijkbestuur. *-STOEL, m. (-en), ligchaam -, vergadering der dijkheemraden; dijkbestuur. *-WERKER, m. (-s). *-WEZEN, o. gmv. al hetgeen de dijken en hun bestuur omvat. *-ZAKKING, v. (-en), verzakking in eenen dijk.

[Dijstuk]

Dijstuk, o. (-ken), dijharst, dijharnas. *...ZAK, m. (-ken), achterzak.

[Dijzig]

Dijzig, bn. (-er, -st), mistig, nevelig, dampig. *-HEID, v. gmv. dampigheid.

[Dik]

Dik, bn. en bijw. (tegenst. van dun), (-ker, -st), gezet, gevuld, digt, zwaar, massief; eene -ke plank; eene -ke boterham; een -ke buik; - worden; -ke wangen; een - (gezwollen) aangezigt; de lucht is -, met regenwolken bezet; een - boek; -ke inkt; -ke melk, geronnen (zure) melk; kort en -, ineengedrongen; hij is - en vet geworden; § (fig.) eene -ke tante, zwaarlijvige vrouw; (fig.) er - in zitten, rijk -, welgesteld zijn; zij zijn -ke (innige) vrienden; (fig.) hij is - (verlegen); (ook) digt; dikwijls. *-, o. gmv. het vette, bezinksel, grond; het - van het been, de kuit; (fig.) door - en dun gaan, door de plassen gaan, niets ontzien. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), (fig.) een

[p. 273]

weinig dik. § *-BAST, m. en v. dikbuik. -IG, bn. (-er, -st), dikbuikig. *-BEENIG, bn. met dikke beenen. *-BEK, m. en v. die een dikken bek of mond heeft. -KIG, bn. *-BLADIG, *-BLADERIG, bn. (-er, -st), met dikke -,