G.[G]G, v. 7e letter van het alfabet; (muz.) de toon sol; (rom. get.) 460; op recepten duidt G. of GG., gummi, gom, aan; [Gâ, Gade]Gâ, Gade, v. echtgenoot, vrouw, wederhelft. [Gaaf, Gave]Gaaf, Gave, v. (gaven), gift, geschenk, schenking; (fig.) bekwaamheid, talent. *-, bn. (gaver, -st), geheel, ongeschonden; - en goed, - en gezond. *-, bijw. - (van alles) rekening doen. *-HEID, v. gmv. toestand van volkomenheid. [Gaai]Gaai, v. *-KEN, o. mannetje, (ook) wijfje (van vogels). *-JEN, bw. ow. gel. (ik gaaide, heb of ben gegaaid), paren, bij elk. plaatsen
of stellen, vereenigen (twee gelijksoortige dingen); gepaard worden, zich vereenigen. *-JING, (B. -ING), v. gmv. paring, zamenkoppeling. *-TJEN, o. (B.) (-s), wijfje. [Gaal]Gaal, v. (galen), kale streep in laken. [Gaan]Gaan, ow. onr. (ik ging, heb of ben gegaan), zich voortbewegen, loopen; reizen, trekken; heengaan; gelukken; passen; gangbaar zijn; kunnen bevatten; doorgaan voor, gehouden worden voor; (zeew.) voor anker -, het anker werpen, - laten vallen; dit schip gaat vijftien voet diep; langs de huizen - met, te koop aanbieden, venten; dat gaat (gelukt) niet; tien onsen - in een pond; zoo gaat het, zoo gebeuren de dingen; het gaat om tien gulden, om tien gulden wordt gewed, - gespeeld; het water ging (kwam) hem tot aan de middel; deze sleutel gaat (past) niet op het slot; hij gaat (wordt gehouden) voor een Engelschman; het horologie gaat (loopt) te langzaam; deze weg gaat (leidt) naar Amsterdam; te boven -, overtreffen; zich te buiten -, meer doen dan vergund is; hoe gaat het met u? hoe bevindt gij u? hoe is het met den staat uwer gezondheid? *-, bw. zijnen gang -; zich moede -; zijns wegs of zijnen weg gaan. *-, o. de daad van gaan; het - en komen; ik ken hem aan zijn - (aan zijnen gang); een uur gaans. *-DE, bn. - maken, beginnen, aanleggen, opwekken; het schip raakt -; iem. - (toornig) maken; den winkel - houden, de winkelnering voortzetten; wat is er -? wat gebeurt er? de ballast raakt - (aan het rollen); hij is op - beenen, hij is - en staande, hij is ongesteld doch niet bedlegerig; het - werk, (van een uurwerk, eenen molen enz.); de -n en komenden, de - en komende man. *-ERIJ, v. (-en), zie GALERIJ. [Gaapster]Gaapster, v. (-s), zij die gaapt of geeuwt. [Gaar]Gaar, bn. en bijw. (-der, B. garer, -st), genoeg gekookt of gebraden; (zeew.) een schip - maken, zengen, braden. *-BOORD, o. (zeew.) naaste plank aan de kiel. [Gaard]Gaard, m. (B.v.) (-en), lusthof, afgesloten ruimte. *-E, v. rij, reeks (b.v. kramen of tenten); diergaarde, verzameling roofdieren. *-ENAAR, *-ENIER, m. (-s). *-ER, m. (-s), ontvanger. [Gaarheid]Gaarheid, v. gmv. toestand van iets dat genoeg gekookt of gebraden is. *...KEUKEN, v. (-s), open tafel, huis waar men kan middagmalen. *...KOK, m. (-s), *...KOOKSTER, v. (-s), houder-, houdster van zulk een huis. *...MAKEN, bw. gel. (ik maakte gaar, heb gaar gemaakt). [Gaarne]Gaarne, bijw. met genoegen, met lust, gewilliglijk. *-N, (beter GAREN), bn. van garen. [Gaas]Gaas, o. (gazen), zeker doorschijnend weefsel; een gazen kleed, een kleed van gaas. *-MAKER, m. (-s). *-WERKER, m. (-s). *-WEVER, m. (-s). *-WINKEL, m. (-s). [Gaats]Gaats, bijw. (zeew.) binnen-, buiten-, voor-, binnen -, buiten -, voor de haven. [Gaauw]Gaauw, bn. en bijw. (-er, -st), schielijk, haastig, vlug; schrander. *-DIEF, m. (...ven), schurk, bedrieger. *-DIEVERIJ, v. (-en). *-ERD, (B. *-AART, *-ERT), m. (-s), vlug mensch. *-HEID, *-IGHEID, v. gmv. vlugheid, snelheid; behendigheid, bekwaamheid. [† Gabaar, Gabare]† Gabaar, Gabare, v. (...baren), soort schuit, praam, plat roeivaartuig. *...BARRE, v. oploop, volksrumoer. [† Gabbro]† Gabbro, v. korrelachtige rotssoort. [Gabel]Gabel, v. (-s), tol; tolhek; zoutpakhuis. *-LE, v. belasting, impost (op het zout). [Gade]Gade, m. en v. gmv. echtgenoot, man, vrouw. *-LIJK, bn. gemakkelijk, ligt. *-LOOS, bn. zonder gade; (fig.) zonder weêrga, onvergelijkelijk. [Gader]Gader, TE -, bijw. te zamen, met elkander. *-EN, bw. gel. (ik gaderde, heb gegaderd), verzamelen, te zamen -, bijeenbrengen. *-GELD, o. (-en), bedrag eener inzameling, kollekte. *-MEESTER, m. (-s), ontvanger, gaarder. [Gadeslaan]Gadeslaan, bw. onr. (ik sloeg gade, heb gadegeslagen), waarnemen, oppassen; letten op, het oog gevestigd houden op, waken. [Gading]Gading, v. gmv. lust -, geneigdheid om iets te koopen of te huren; is dit van uwe -? alles is van zijne -, alles staat hem aan. [Gaffel]Gaffel, v. (B.m.), (-s), tweetandige hooivork. *-, (zeew.) spriet. *-STUK, o. (-ken), (zeew.). *-KRUIS, o. (...zen), deel van een wapenschild. *-VAL, m. (-len), talie waarmede de gaffel geheschen wordt. [Gagaath]Gagaath, v. steenkolen; zwarte barnsteen, git. [† Gage]† Gage, v. onderpand. *-, GAGIE, v. dienstloon, soldij; jaarwedde; pensioen. *-MENT, o. (-en), soort pensioen, wachtgeld. [Gagel]Gagel, m. (-s), zekere sterk riekende heester; (in Groningen) tandvleesch. *-BOOM, m. (-en). *-EN, GAGGELEN, ow. gel. (ik gagelde, heb gegageld), kakelen (van ganzen). [Gaillarde]Gaillarde, v. (boekdr.) zekere lettersoort. [Gal]Gal, (B. *-LE), v. gmv. vloeistof in het ligchaam van menschen en dieren; overloop van -, soort huiduitslag. *-, (fig.) boosheid, toorn; een duifje zonder -, iem. (inz. een meisje) die alles zonder erg of list doet; de pen in - doopen, scherp en bits (tegen iets of iem.) schrijven; zijne - uitbraken, aan zijnen toorn lucht geven. *-, v. (-len), knubbel of gezwel aan de beenen der paarden. *-, v. kale streep in laken. [Gala]Gala, o. hofstaatsie; in -, in feestgewaad, in staatsiekleeding; - voorstelling, tooneelvoorstelling waarbij in men hofkleeding verschijnt. [Galachtig]Galachtig, bn. als gal, naar gal gelijkende; (fig.) oploopend, toornig, driftig. *...AFSCHEIDING, v. gmv. [† Galactiet]† Galactiet, m. melksteen, melkjaspis (delfstof). *...TOMETER, m. (-s), melkmeter. [Galant]Galant, m. (-s), minnaar, vrijer, verliefde, cour-maker. *-, bn. (-er, -st), smaakvol gekleed; lief, aardig, hoffelijk, voorkomend; -e ziekte, venerische ziekte. *-ERIE, v. gmv. uiterst beleefd gedrag jegens vrouwen; boelering, minnehandel; geheime ziekte. *-ERIËN, v. mv. allerlei kramerijen, snuisterijen. *-ERIEHANDELAAR, m. (-s). *-ERIEWAREN, v. mv. *-ERIEWINKEL, m. (-s). [Galappel]Galappel, m. (-s), zie GALNOOT. *...BLAAS, v. (...azen). *...BUIS, (...zen), (ontl.). [† Galathea]† Galathea, v. (-as), (fig.) schoon -, melkwit meisje. *...TINE, o. wrongel, stremsel. [† Galbanum]† Galbanum, o. gmv. soort gomhars. [† Galeas]† Galeas, GALJAS, v. (-sen), soort vaartuig, galei, roeischip. [Galei]Galei, v. (-jen, B. -en), (oudt.) oorlogschip; groot roeischip (oudtijds met misdadigers bemand); (letterz.) zetplankje; tot de -jen veroordeeld. *-BANK, v. (-en). *-BOEF, m. (...ven), misdadiger tot de galeijen veroordeeld. *-ROEIJER, m. (-s). *-SLAAF, m. (...aven). *-SLOEP, v. (-en). *-STRAF, v. gmv. *-TAKEL, m. (-s), (zeew.). *-WACHTER, m. (-s), opziener -, bewaker van galeislaven. *-ZEIL, o. (-en). [Galerij]Galerij, (B. GALLERIJ), v. (-ën), gedeelte eener (schouwburg- of concert-)zaal, gaanderij, zaal met zuilen; traliegang, gang met hekken; overdekte wandelplaats; (fig.) kabinet schilderijen; onderaardsche gang (in mijnen). *-TJE, (B. -N), o. (-s). [Galg]Galg, v. (-en), strafwerktuig tot het ophangen van misdadigers, draagband, broekhouder; (boekdr.) zeker deel der pers; hout of ijzerwerk boven eenen katrolput; § loop naar de -! loop heen! maak dat je weg komt! daar staat - en rad op, dit wordt met den dood gestraft; (spr.) dat is boter aan de - gesmeerd, daar helpt niets aan; de - bekomt haar regt, vroeg of laat wordt de misdaad gestraft; eene - in het oog hebben, achterdocht -, kwaad vermoeden hebben; naar de - dingen, zich aan grove misdaden schuldig maken. [Galgen]Galgen, ow. gel. alleen gebr. in het spreekwoord: het galgt beter dan het burgemeestert, daar ligt meer gevaar dan voordeel in. *-AAS, o. (...azen). *-BROK, m. (-ken). *-LAPPER, m. (-s). *-SCHELM, m. (-en), iem. die de galg (of den dood) verdiend heeft, maar haar (hem) ontloopen is; (fig.) grappenmaker. *-STUK, o. (-ken), snood bedrijf. *-VELD, o. (-en), (oudt.) strafplaats. [Galgladder]Galgladder, v. (-s). *...PAAL, m. (...alen). [Galig]Galig, bn. (-er, -st), vol galen of strepen (van laken enz.). [Galijk]Galijk, bn. gemakkelijk. *-HEID, v. gmv. gemakkelijkheid. [† Galimatias, Gallimathias]† Galimatias, Gallimathias, o. brabbeltaal, wartaal, onzin. [† Galipot]† Galipot, o. soort fransche witte pijnhars. [Galjas]Galjas, v. zie GALEAS. *...JOEN, o. (-en), snuit van een zeeschip; spaansch koopvaardij- of oorlogschip. -BORDEN, o. mv. (zeew.) *...JOOT, v. (-en), (B. ...oten), kleine galei; bombardeer-. [Galkoorts]Galkoorts, v. (-en), zekere ziekte. [† Gallego]† Gallego, m. (-os), Galliciër, bewoner der spaansche provincie Gallicië; warme oostenwind. [Galleiders]Galleiders, m. mv. (ontl.) pijpjes of buizen tot afleiding van de gal. [Gallen]Gallen, bw. gel. (ik galde, heb gegald), de gal uit (visch) nemen. *...LIG, bn. (-er, -st), galachtig; galig, met galen of kale strepen. [† Gallicisme]† Gallicisme, *...MUS, m. fransch taaleigen. *...LIKAANSCH, bn. de -e kerk, naam der r.k. kerk in Prankrijk (in tegenstelling van de ultramontaansche). [† Gallitzensteen]† Gallitzensteen, m. witte of blaauwe vitriool. [† Gallomaan]† Gallomaan, m. (...anen), hartstogtelijk bewonderaar van al wat fransch is. *...MANIE, v. gmv. overdreven zucht voor al wat fransch is. [† Gallon]† Gallon, o. (-s), engelsche inhoudsmaat (= ruim 4.5 ned. kannen). [Galm]Galm, -m. gmv. voortdurend geluid; vreugde-. *-EN, ow. gel. (ik galmde, heb gegalmd), eenen - (een geluid) geven; deze zaal galmt vreeselijk. -, *-ING, v. *-GAT, o. (-en), geluidgat in eenen klokketoren. [Galmei]Galmei, v. (nat.) kalamijnsteen, cadmia. [Galnoot]Galnoot, v. (...oten), uitwas door den steek der galwespen (op de jonge takken, bloemen of bladeren van boomen) veroorzaakt. *...NOTENZUUR, o. gmv. [† Galon]† Galon, o. (-s), passementwerk, goud- of zilverboordsel. *-NEREN, bw. gel. (ik galonneerde, heb gegalonneerd), met goud- of zilverboordsel -, met franje -, met borduurwerk beleggen, boorden. [† Galop]† Galop, m. (B.m. en o.) het rennen, snelste loop van een paard enz. *-ADE, v. zekere engelsche dans. *-PEN, *-PEREN, (B. *-PEEREN), ow. gel. (ik galopte of galoppeerde, hebt gegalopt of gegaloppeerd), de galopade dansen; springende dansen, springende loopen, rennen; in galop rijden. [Galpen]Galpen, ow. gel. (ik galpte, hebt gegalpt), schreeuwen.*-, o. *...PING, v. gmv. het galpen (geluid geven) van den vos. [Galraatje]Galraatje, (B. -N), o. (-s), (ontl.). [Galvanisch]Galvanisch, bn. door de galvanische batterij voortgebragt; -e -e ontleding; -e polarisatie; -e schok; -e stroom; -e toestel; -e batterij; -e electriciteit; -e kolom; -e licht- en warmte-verschijnselen; -e vergulding en verzilvering; -e vonk; -e werking. *...NISEREN, bw. ow. gel. (ik galvaniseerde, heb of ben gegalvaniseerd), (gen.) een ligchaam aan den galvanischen stroom onderwerpen, metaalprikkels aanwenden. *...NISMUS, o. gmv. electriciteit (door Galvani ontdekt), die door de werking van twee verschillende metalen wordt opgewekt. *...NODURE, v. het vergulden op galvanischen weg. *...NOGRAPHIE, v. gmv. zekere wijze om teekeningen op metalen platen te brengen en vervolgens te copiëren. *...NOMETER, m. (-s), of *...NOSCOOP, v. (...open), toestel om het aanwezig zijn van galvanische stroomen en hunne sterkte te onderzoeken. *...NOPLASTIEK, of *...NOTECHNIEK, v. gmv. de (door Jacobi uitgevonden) kunst om voorwerpen door de chemische werking van den galvanischen stroom na te bootsen of te vormen. [Galvet]Galvet, o. gmv. cholestearine. *...WESP, v. (-en), zeker insekt. *...ZIEK, bn. aan galziekte lijdende; (fig.) droefgeestig, melankoliek, hypochonder. *...ZIEKE, m. en v. (-n). *...ZIEKTE, v. (-n). *...ZUCHTIG, bn. (-er, -st). [† Gambe]† Gambe, v. (-n), (muz.) knieviool, soort bas. *...BIR, o. gmv. afkooksel van zeker heestergewas (dienende tot geneesmiddel en in de looijerijen). *...BIT, *...BIET, v. zek. openingszet (in het schaakspel). [† Gamme]† Gamme, v. (-n), (muz.) toonladder, toonschaal. [Gang]Gang, m. gmv. beweging van iem. die gaat of loopt, het gaan; hij heeft een deftigen -; rigt gij uwen - derwaarts? *-, loop van zaken; dit alles gaat den geregelden -; ga uwen -, ga voort; hij kan niet aan den - komen, hij kan er geen begin mede maken. *-, m. (B. gang, als laan of streek, v.) (-en), weg, tred; doorgang, doorloop, laan; (zeew.) streek, wending (in het laveren); vaart, loop; naauwe straat, steeg; gedeelte eener mijn; bedrijf, daad, handeling;
(wev.) streng van twintig draden; (ontl.) kanaal; iemands gangen (daden) nagaan; aan den - zijn, in beweging zijn; (toon.) is het stuk reeds aan den -? heeft men reeds begonnen te spelen? gangen, (zeew.) doorgangen, molengangen. *-BAAR, bn. en bijw. (-der, -st), in omloop, koers hebbende (van munten); aftrek vindende (van koopwaren); begaanbaar. *-BOORD, o. (-en), (zeew.) doorloop (op schepen). *-JE, *-ETJE, (B. -N), o. (-s), ik heb nog maar een - te doen, ik moet nog maar weinig plaatsen bezoeken, ik heb nog maar weinig boodschappen te verrigten; dat gaat een -, dat schikt uitnemend; een - met iem. gaan, iem. streng behandelen. *-ER, m. (-s), voetganger. *-STER, v. (-s), voetgangster. [Gangliënkogels]Gangliënkogels, m. mv. (ontl.) zenuwcellen, microscopische ligchaampjes. [Gangpad]Gangpad, o. (-en), voetpad. *...SPIL, v. (-len), (zeew.) soort windas. *...STEEN, m. (-en), (mijnw). [† Ganoïden]† Ganoïden, v. mv. zekere visschen uit de voorwereld. [Gans]Gans, v. (...zen), zekere watervogel; (fig.) maak dat aan de ganzen wijs, hiermede kunt gij mij niet foppen. [Gansch]Gansch, (B. GANTSCH), bn. en bijw. geheel; alle; -en al, ten eenenmale, zonder eenige uitzondering, zonder dat er iets aan ontbreekt; van -er harte, met al mijn hart; een -e kerel, een braaf-, een rondborstig man; - niet, volstrekt niet. *-ELIJK, bijw. [Ganzedistel]Ganzedistel, v. (-s), zekere plant. [Ganzenbloem]Ganzenbloem, v. (-en). *...BORD, o. (-en), zeker gezelschapsspel. *...BOUT, m. (-en). *...DREK, o. gmv. *...HOK, o. (-ken). *...KIEKEN, *...KUIKEN, o. (-s). *...KRUID, o. gmv. zeker gewas, zilverkruid; (ook) zekere bloem. *...LEPEL, m. (-s), zeker heelmeesterswerktuig. *...MARKT, v. (-en). *...PEN, v. (-nen). *...PEPER, v. gmv. spijs uit ganzenvleesch bereid. *...POEL, m. (-en). *...POOT, m. (-en). *...SCHACHT, v. (-en). *...SMOUT, o. gmv. ganzenvet. *...SPEL, o. gmv. *...VEDER, v. (en). *...VEL, o. (-len). *...VELD, o. (-en). *...VET, o. gmv. *...VOET, m. (-en), ganzenpoot. -, gmv. zekere plant. [Ganzerik]Ganzerik, v. gmv. zilverkruid (zeker gewas). [Gapen]Gapen, ow. gel. (ik gaapte, heb gegaapt), den mond wijd openzetten, geeuwen; (fig.) niet wel sluiten; hij gaapt wijd, hij vraagt veel, zijne eischen zijn hoog; staan te -, met open mond stipt op iets staren; (spr.) tegen eenen oven staan te -, nutteloozen arbeid verrigten; monnikenwerk doen; eene -de wond, eene wond die wijd open staat; dat gaapt als een oven, dat is ontwijfelbaar valsch. *...PER, m. (-s), die gaapt. *...PING, v. gmv. het gapen. -, (-en), leemte, opening, gebrek. [Gaps]Gaps, v. (-en), eene dubbele handvol. [† Garanceren]† Garanceren, bw. gel. (ik garanceerde, heb gegaranceerd), met meekrap verwen. *...CINE, v. gmv. verfstof uit meekrap bereid. *...DEREN, bw. gel. (ik garandeerde, heb gegarandeerd), borg blijven, -staan (voor), waarborgen. [† Garant]† Garant, m. (-en), borg, waarborg. [† Garçon]† Garçon, m. (-s), koffijhuisknecht. [Garde]Garde, v. (-n), (B. GARD), roede, tuchtroede, hij moet de - nog hebben, hij gedraagt zich nog als een kind. GARDJE, (B. -N), o. (-s), kleine roede. [† Garde]† Garde, v. (-s), wacht, lijfwacht; - de corps, lijfwacht; zie KORTEGAARD; -robe, kleederkamer, kleêrenkast; voorraad kleedingstukken. [† Gardiaan]† Gardiaan, m. (...anen), opperste van een klooster; soldaat der garde. [Gareel]Gareel, o. (-en), de touwen waarin de paarden (voor een rijtuig) bespannen zijn, greel, haam; (fig.) huwelijksband; (fig.) in hetzelfde - loopen, altijd te zamen zijn. *-TUIGMAKER, m. (-s). [Garen]Garen, o. (-s), gesponnen draden (van vlas, hennep, zijde enz.); net (inz. om hazen en konijnen te vangen); in - en band doen, naaibenoodigdheden verkoopen; (fig.) voor het - zijn, op het punt zijn gevangen te worden genomen. *-, bn. van garen. *-KLOPPER, m. (-s). *-KLOS, m. (-sen). *-KOOPER, m. (-s). *-KOOPSTER, v. (-s). *-TWIJNDER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-WIEL, o. (-en). *-WINKEL, m. (-s). *-ZAK, m. (-ken). [Garf, Garve]Garf, Garve, v. (garven), (koren)schoof, afgesneden en zaâmgebonden halmen. [Garmond]Garmond, v. (boekdr.) zekere lettersoort. [Garnaal]Garnaal, v. (B.m.) (...alen), zekere kleine zeevisch. *-MAND, v. (-en). *-MARKT, v. (-en). *-WIJF, o. (...ven), verkoopster van garnalen. [† Garneren]† Garneren, bw. gel. (ik garneerde, heb gegarneerd), omzoomen, boorden, beleggen (met band enz.); voeren (kleedingstukken); optooijen. *...NISAIR, m. (-en), soldaat bij eenen belastingschuldige ingelegerd, om dezen tot het voldoen van het achterstallige te dwingen. *...NITUUR, o. (...uren), boordsel, omzooming, borduursel; volledig stel (diamanten enz., kleedingstukken, tafelgoed enz.). [† Garnizoen]† Garnizoen, o. (-en), bezetting (eener stad of vesting), ingelegerd krijgsvolk. *-SDIENST, v. (-en). *-SKERK, v. (-en), kerk waarin godsdienstoefening voor de militairen wordt gehouden. *-S-INFIRMERIE, v. (...ën), ziekenhuis -, ziekenzaal voor de militairen, hospitaal. [† Garou-bast]† Garou-bast, m. gmv. zeker vergiftig heestergewas, dat meestal als openhoudend middel gebezigd wordt. [Garst]Garst, v. gerst, zeker graangewas. *-IG, bn. - spek, -e boter, spek of boter met een bedorven of sterken smaak. *-IGHEID, v. gmv. [Garven]Garven, bw. gel. (ik garfde, heb gegarfd), (landb.) het koren in garven binden; de garven van het land voeren. *...VER, m. (-s), die de garven van het land voert; die de korenschoven in de schuur optast. *...VING, v. gmv. het garven. [† Gas, Gaz]† Gas, Gaz, o. gmv. (doch gassen in den zin van gassoorten), kunstlucht, zekere brandbare luchtvormige vloeistof. *-AARDIG, bn. (-er, -st). *-BATTERIJ, v. zekere inrigting van de galvanische batterij. *-BEK, m. (-ken), toestel waaruit brandend gas als lichtstof vloeit. *-COMPAGNIE, v. (...ën), maatschappij tot het leveren van
gaslicht. *-FABRIEK, v. (-en), fabriek waarin gas tot de verlichting bereid wordt. *-KAGCHEL, v. (-s), kagchel die met gas verwarmd wordt. *-HOUDER, m. (-s), gasmeter, gazometer. *-KRAAN, v. (...anen), kraan van eenen gasmeter. *-LICHT, o. gmv. *-METER, *-(Z)OMETER, m. (-s) toestel aanwijzende de hoeveelheid verbrand gas. *-ORNAMENT, o. (-en), fraaije gaslamp of gaskroon. *-OSPYRION, o. lucht-vuurtuig, werktuig om snel gas te ontwikkelen. *-PIJP, v. (-en), buis waardoor het gas geleid wordt. *-SOORTIG, bn. (-er, -st). [† Gascogner]† Gascogner, m. (-s), (fig.) praalhans, snoeshaan, pogcher. *...CONNADE, v. (-s), pralerij, snoeverij, grootspraak. [Gast]Gast, m. en v. (-en), genoodigde; vreemdeling die in een logement zijnen intrek komt nemen, - aan eene open tafel komt eten; dischgenoot; gezel, ambachtsman; vrolijke kwant, snaak; slimme vos; tooneelspeler die optreedt in eenen schouwburg waarbij hij niet vast verbonden is; hoop schoven; te - gaan, ergens gaan eten; -en zetten, open tafel houden; (fig.) slecht te - komen, onvriendelijk ontvangen worden; aan iets te - gaan, bijzonder vermaak in iets scheppen; dat is een - van een visch, een ontzaggelijk groote visch. *-EREREN, *-EREN, ow. gel. (ik gastereerde of gasteerde, heb gegastereerd of gegasteerd), smulpartij -, gastmaal houden. *-EREN, ow. (toon.) gastrollen geven, als acteur optreden op een tooneel waarbij men geene vaste verbindtenis heeft. *-ERIJ, v. (-en), gastmaal, smulpartij. [† Gasteromyctes]† Gasteromyctes, mv. (nat.) buikzwammen. *...PODA, mv. buik-pootigen, (zekere afdeeling van de weekdieren). [Gastheer]Gastheer, m. (-en), die vrienden aan zijnen disch onthaalt. *...HOUDER, m. (-s), herbergier. *...HOUDSTER, v. (-s), herbergierster. [Gasthuis]Gasthuis, o. (...zen), godshuis, huis tot verpleging van oude lieden of zieken; hospitaal, proveniershuis; (fig.) het is daar geheel een -, zij liggen daar allen ziek; (fig.) ik heb ook in dat - ziek gelegen, ik heb ook die dwaasheid begaan, ik heb er ook van geproefd, ik weet er ook van meê te spreken; (fig.) dat is de weg naar het -, zoo doende wordt men arm. *-KERK, v. (-en). *-KNECHT, m. (-en). *-LIEDEN, m. mv. personen die in een godshuis verpleegd worden. *-MAND, v. (-en), mand waarmede men lijders en lijken van en naar een gasthuis brengt. *-MEESTER, m. (-s), opzigter-, bestuurder van een gasthuis. *-MEID, v. (-en). *-MOEDER, v. (-s). *-VADER, m. (-s). [Gastmaal]Gastmaal, o. (...alen), feestdisch, maaltijd, banket. *...REGT, o. gmv. wederzijdsche gastvrijheid. *...VRIJ, bn. herbergzaam, bereid om bekenden en vreemden te onthalen. -HEID, v. gmv. herbergzaamheid. *...VROUW, v. (-en), vrouw des huizes. [† Gastriloog]† Gastriloog, m. (...ogen), buikspreker. [† Gastrisch]† Gastrisch, bn. het onderlijf-, de buik-, de maag betreffende. [Gastrol]Gastrol, v. (-len), (toon.) -len vervullen, zie GASTEREN. [† Gastromanie]† Gastromanie, v. gmv. het leiden van een wellustig leven, smullen. *...NOMIE, v. gmv. verfijnde kookkunst, lekkerbekkerij. *...NOOM, m. (...omen), kunstkok; lekkerbek. [Gasvulkaan]Gasvulkaan, m. (...anen), zekere plek op de aarde waar zich
waterstofgas uit den bodem ontwikkelt en dien ten gevolge brandende lichten en vuren gezien worden. [Gat]Gat, o. (-en), opening; holte; § aarsgat, aars; ingang (eener haven); opene wond; hol (van eenig dier); slechte -, bouwvallige -, ongezonde woning, krot; (fig.) § iem. eenen voet onder het - geven, iem. wegjagen; een - in den dag slapen, zeer laat opstaan; een - stoppen; eene schuld betalen; in het - zitten, in de gevangenis zitten, in angst verkeeren; ik zie er geen - in, ik weet er niet uit te komen, ik weet het niet klaar te spelen; voor iederen spijker een - weten, voor alles eene uitvlugt bij de hand hebben; door eene plank zonder - zien, op alles wat te zeggen of te vitten hebben; de nering zit op haar -, de nering vermindert, het debiet neemt af; iem. achter het - loopen, iem. overal volgen; § zijn - vol zuipen, zich dronken drinken; iem. in het - kruipen, op lafhartige en al te onderdanige wijze vleijen; op zijn - liggen, ten gronde zijn gegaan of gebragt; een schip op zijn - zetten, den achtersteven op het drooge zetten; iem. het vierkante - (d.i. de deur) wijzen, iem. de deur uitjagen; het is met hem uit mijn - in mijn -, hij is altijd bij mij over den vloer; die zijn - brandt, moet op de blaren zitten, wie eene fout begaat, moet er voor boeten; een gatje, klein achterste, kleine billen; een gaatje, eene kleine opening. [Gaten]Gaten, bw. gel. (ik gaatte, heb gegaat), gaten maken, - boren. *-PLATTEEL, of GATEPETIEL, o. (-en), doorslag, vergiettest (keukengereedschap). *...TIG, bn. (-er, -st), vol gaten, vol openingen. [§ Gatlikken]§ Gatlikken, bw. gel. (ik gatlikte, heb gegatlikt), laag -, kruipend vleijen. *...LIKKER, m. (-s), *...LIKSTER, v. (-s), lage vleijer, - vleister. *...LIKKERIJ, *...LIKKING, v. gmv. [† Gaucherie]† Gaucherie, v. linkschheid, lompe manieren, gebrek aan goede manieren. [Gave]Gave, v. (-n), zie GAAF. [Gazelle]Gazelle, v. (-n), zeker viervoetig dier. [Gazen]Gazen, bn. van gaas. [† Gazometer]† Gazometer, m. gasmeter, toestel ter aanwijzing van de verbruikte hoeveelheid gas. [Geaard]Geaard, 1) dw. en bn. wel -, kwalijk -, met eene goede of kwade inborst. *-HEID, v. gmv. natuurlijke gesteldheid, inborst. |
1) De verleden deelwoorden met GE aanvangende zijn kortheidshalve niet opgenomen; slechts voor enkele, die meer dan ééne beteekenis hebben, is eene uitzondering gemaakt. Zoo zie men b.v. GEBLONKEN op BLINKEN, GEBOGEN op BUIGEN, GEDOKEN op DUIKEN, enz. De verleden deelwoorden van vele uitheemsche werkwoorden zijn echter niet weggelaten, ten einde het gebruik van dit woordenboek gemakkelijker te maken.
|
[† Geabonneerd]† Geabonneerd, bn. verbonden door inteekening, ingeteekend. *-E, m. en v. (-n), die zich verbonden heeft door inteekening. *...ACCEPTEERD, bn. aangenomen; een -e wissel, wissel door den betrokkene geteekend (aangenomen te betalen). *...ACCORDEERD, bn. overeengekomen; toegestaan, vergund. *...ACCREDITEERD, bn.
toegelaten; de bij het nederlandsche hof -e gezanten. *...ACHARNEERD, bn. verbitterd, verwoed, gramstorig; verzot, sterk gezet (op). *...ACHEVEERD, bn. voltooid, geëindigd; (fig.) volkomen, uitmuntend; eene -e opvoeding, waaraan niets ontbreekt. *...ADOPTEERD, bn. aangenomen (als kind). *...AFFECTEERD, bn. gemaakt, gekunsteld, onopregt, -E, m. (-n), de -en bij het brandwezen, brandspuitgasten. *...AGGREGEERDE, m. (-n), toegevoegd ambtenaar. *...ALIMENTEERD, bn. bedeeld, ondersteund; de -en, de bedeelden (uit eene armenkas). *...ALLIËERDEN, m. mv. bondgenooten. *...ALTEREERD, bn. ontroerd, ontsteld. *...ASPHYXIËERD, bn. schijndood; gestikt. *...ASSORTEERD, bn. ruim voorzien (van koopwaren); (ook) bij elk. passende. *...ASSUREERD, bn. verzekerd (tegen brandschade enz.). *...AUTORISEERD, bn. van volmagt voorzien, gemagtigd, bevoegd. *...AVANCEERD, bn. vooruit gekomen, - geplaatst, gevorderd, bevorderd; geopperd, te berde gebragt; de -e partij, die krachtig handelt en niet met weinig tevreden is. [Gearmd]Gearmd, bn. van armen voorzien; arm in arm gaande. [Gebaar]Gebaar, v. (...aren), beweging van het ligchaam of van een of meer ligchaamsdeelen; leven, gedruisch, misbaar. *-MAKING, v. gesticulatie. *-D, bn. van eenen baard voorzien. -, dw. ter wereld gebragt. [† Gebadineerd]† Gebadineerd, bn. geschertst; daar is niet meê -, dat is ernst. [Gebabbel]Gebabbel, o. gmv. het babbelen 1) *...BAF, o. gmv. *...BAK, o. gmv. lekkernij, (koek, taart, banket enz.); zoo veel brood als op éénmaal gebakken wordt; het bakken. -JE, (B. -N), o. (-s). *...BAKEND, bn. van bakens voorziens; (fig.) het is daar anders -, de zaak staat daar anders. *...BALANCEERD, bn. in evenwigt gehouden, wederzijds opgewogen; afgesloten (van rekeningen). *...BALDER, o. gmv. *...BALK, o. gmv. *...BALLAST, bn. van ballast voorzien. |
1) Bij de zelfstandige naamwoorden, gevormd van het zakelijk deel der werkwoorden met het voorvoegsel GE, zoo als: GEBABBEL, GEBAF, GEBONS, GEBULDER, zijn, ter vermijding van herhalingen en kortheidshalve, de werkwoorden in de onbepaalde wijze niet opgegeven. Men zie de beteekenissen op die werkwoorden zelven, b.v. BAFFEN, BONZEN, BULDEREN enz.
|
[Gebarenkunst]Gebarenkunst, v. kunst om door middel van bewegingen der handen enz. zijne gedachten of gemoedsaandoeningen kenbaar te maken. *...MAKER, m. (-s). *...MAAKSTER, v. (-s). *...SPEL, o. gmv., *...SPRAAK, v. gmv., *...TAAL, v. gmv. gesticulatie. [Gebas]Gebas, o. gmv. *...BASEERD, bn. gegrond (op), steunende (op). [Gebbe]Gebbe, v. (-n), zeker vischnet. [Gebed]Gebed, o. (-en), lofspraak tot God, bede, smeeking; zijn - doen; in het - zijn; het - des Heeren, het Onze Vader; een dronkemans-, (als een dronkaard zijn geld telt). [Gebedel]Gebedel, o. gmv. het bedelen. [Gebeden]Gebeden, dw. *-BOEK, o. (-en). *-HUISJE, o. (-s), bidkapel. [Gebeef]Gebeef, o. het beven; rilling. *...BEEND, bn. beenen -, beenderen hebbende. *...BEENTE, o. gmv. beenderen (van eenen mensch of
een dier); doodsbeenderen; (fig.) stoffelijk overschot; graf; tot in het -, diep ingeworteld; schielijk in het - leggen (eenen haas) geheel en opeten. *...BEFT, bn. eene bef om den hals hebbende. *...BEKT, bn. van eenen bek voorzien; (fig.) stijf -, moeijelijk te overtuigen; spits - zijn, scherp van tong zijn, scherpe taal spreken; ieder vogel zingt zoo als hij - is, ieder doet volgens zijne gewoonte. *...BELGD, dw. beleedigd. *...BERGTE, o. bergreeks, bergketen; bergachtige landstreek. *...BETEN, dw. zie BIJTEN. -, bn. (fig.) boos, vertoornd; * zijn op iem. *...BEUK, o. het beuken; aanhoudende slagen. [Gebeuren]Gebeuren, onp. w. gel. (het gebeurde, is gebeurd), voorvallen, geschieden, zich voordoen. *...BEURLIJK, bn. (-er, -st), kunnende gebeuren. -HEID, v. gmv. *...BEURTENIS, v. (-sen), voorval. [Gebied]Gebied, o. gmv. heerschappij, magt, gezag; uitgestrektheid eener heerschappij; grondgebied, regtsgebied; terrein; (fig.) het - der historie, alles wat tot de geschiedenis en hare beoefening behoort. *-EN, bw. ow. ong. (ik gebood, heb geboden), bevelen, zijnen wil doen kennen (om dezen te doen uitvoeren), last geven; - over, heerschappij uitoefenen; (taalk.) de -de wijze. *-ENDERWIJS, bijw. op bevelenden toon. *-ENIS, v. (-sen), groet, kompliment; mijne - aan uwe vrouw, breng mijne groetenis aan uwe vrouw over. *-ER, m. (-s), bevelvoerder, regeerder, lastgever. *-STER, v. (s), bevelvoerster, beheerscheres; (fig.) de - van mijn hart, mijne aangebedene, uitverkorene. *-ING, v. gmv. het gebieden. *-VOERDER, m. (-s). *-VOERSTER, v. (-s). *-ZUCHTIG, bn. (-er, -st). [Gebild]Gebild, bn. dik van billen. *...BIND, *...BINDTE, *...BINT, o. (-en), (timm.) balkwerk. *...BIT, o. gmv. het vermogen om te bijten; al de tanden in den mond; bit, mondstuk van een paard. *...BLAARD, bn. van blaren voorzien; met eene vlak voor den kop, gespikkeld (van paarden enz.). *...BLAAS, o. gmv. *...BLAAT, o. gmv. gelnid der schapen. *...BLADERD, bn. (kruidk.) uit bladeren zamengesteld. *...BLADERTE, o. al de bladen van een of meer boomen. *...BLAF, o. gmv. *...BLAMEERD, bn. belasterd, gelasterd; in opspraak gebragt. *...BLASEERD, bn. ongevoelig (voor genot door overmatig gebruik). *...BLESSEERD, bn. gekwetst, bezeerd; geraakt, gekrenkt, beleedigd. *...BLIK, o. gmv. het aanhoudend blikken met de oogen. *...BLINDEERD, bn. -e schepen. *...BLOEMD, bn. met bloemen versierd; als bloemen bewerkt (stoffen enz.). *...BLOEMTE, o. gmv. allerlei bloemen te zamen. *...BLOKKEERD, bn. ingesloten (van havens), omsingeld (van vestingen). [Gebod]Gebod, o. (-en), bevel; de tien -en. *-, huwelijksafkondiging; onder de -en zijn of staan. *...BOEFTE, o. gmv. gespuis, janhagel, gemeen volk. *...BOEGD, bn. van eenen boeg voorzien. *...BOERT, -E, o. gmv. (dichtk.) de boeren, landlieden, boerenstand. *...BOGCHELD, bn. met eene bult op den rug; boogswijze gebogen (als een scheepskiel); een -e, een bultenaar. *...BOM, o. gmv. *...BOMBAM, o. gmv. *...BONDEN, dw. zie BINDEN. -, bn. eene -e saus, die niet te vloeibaar is; (nat.) -e warmtestof; - stijl, poëzij (tegenstelling van ongebonden stijl, proza). *...BONS, o. gmv. *...BOOMTE, o. gmv. vele boomen bij elkander staande, boschaadje. [Geboorte]Geboorte, v. gmv. het ter wereld komen; (fig.) aanvang, begin; een man van -, iem. van aanzienlijke afkomst; een man zonder - of van geene -, iem. van onbekenden oorsprong; een oproer in zijne - smoren, dempen of bedwingen pas nadat het is uitgebarsten. *-DAG, m. (-en). *-DICHT, o. (-en). *-GROET, m. (-en). *-JAAR, o. (...aren). *-LAND, o. *-LIED, o. (-eren). *-PLAATS, v. (-en). *-PUNT, o. (-en), horoscoop. *-REGISTER, o. (-s), boek waarin de geborenen worden opgeschreven. *-STAD, v. (...eden). *-STER, v. ster waaronder men is geboren. *-STOND, m. (-en). *-TIJD, m. (-en). *-UUR, o. (...uren). *-VLIES, o. (...zen). *-WENSCH, m. (-en). *...BOORTIG, bn. van waar is hij -? waar is hij geboren? *...BOREN, dw. ter wereld gekomen; hij is dichter -, reeds in zijne jeugd toonde hij veel aanleg om dichter te worden; een - Franschman, iem. die in Frankrijk is geboren; een stom- en doof-e. [† Geborneerd]† Geborneerd, bn. beperkt, begrensd; (fig.) bekrompen, kleingeestig; niet genoeg ontwikkeld. [Geborrekik]Geborrekik, o. het kwaken der kikvorschen. [Geborst]Geborst, bn. van borsten voorzien. *...BOSSELEERD, bn. gedreven (van goud- of zilverwerk). *...BOTS, o. gmv. *...BOUW, o. (-en), bouwwerk, gesticht, woonhuis. [Gebraad]Gebraad, o. gmv. gebraden vleesch. *...BRABBEL, o. gmv. *...BRANDMERKT, bn. *...BRAS, o. gmv. [Gebrek]Gebrek, o. (-en), behoefte, schaarschheid, mangel; ontstentenis; ligchamelijk ongemak; onvolledigheid, leemte; bij gebreke van, aangezien (iets of iem.) ontbreekt; in gebreke blijven, niet nakomen wat men beloofd heeft, niet doen wat men behoort te doen. *-ELOOS, *-KELOOS, bn. zonder gebreken. *-KELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), met gebreken, onvolmaakt. -HEID, v. gebrek aan de ledematen, zintuigen enz. *-KIG, bn. waaraan iets ontbreekt; onvolmaakt. -HEID, v. *...BRIESCH, o. gmv. [Gebroed]Gebroed, o. gmv. uitgebroeide kiekens van een nest. *-, *-SEL, o. gmv. (fig.) slecht -, gemeen volk; tirannen-; monniken-. *-ERLINGEN, mv. broederskinderen, neven. *-ERS, mv. twee of meer broeders. *-ERSCHAP, v. (-pen), vereeniging, genootschap. [Gebroekt]Gebroekt, bn. eene broek aan hebbende; (fig.) § beslapen. *...BROKEN, dw. zie BREKEN. -, bn. - zijn, eene breuk hebben; hij spreekt - (gebrekkig) Fransch. -, o. (rek.) gebroken getal. *...BROM, o. gmv. het geluid van dieren; ook gemor. *...BROUILLEERD, bn. in onmin. *...BRUL, o. gmv. geraas, getier, geweld. [Gebruik]Gebruik, o. (-en), aanwending, beschikking; gewoonte; -maken van; dit is niet meer in -; de zeden en -en van een land; het - wil het zoo. *-ELIJK, (B. *-LIJK), bn. (-er, -st), in algemeen gebruik. *-EN, bw. gel. (ik gebruikte, heb gebruikt), aanwenden, besteden, (zich iets) ten nutte maken; zich bedienen van; § beslapen; zich laten - (tot onbehoorlijke dingen). *-ER, m. (-s), die gebruik van iets maakt. [Gebruis]Gebruis, o. gmv. *...BRUL, o. gmv. *...BULDER, o. gmv. *...BULK, o. gmv. *...BUUR, m. en v. (...uren), buurman, buurvrouw. *...BUURSCHAP,
o. (B.v.) (-pen), buurt; omgang van buren. *...BUURTE, v. (-n), onderafdeeling eener stadswijk. [† Gecacheerd]† Gecacheerd, bn. verborgen, bedekt, geheim. *...CALANGEERD, bn. aangehaald, beboet. *...CALQUEERD, bn. doorgeteekend, nagetrokken (van teekeningen). *...CAMPEERD, bn. gelegerd, te veld liggende. *...CITEERD, bn. gedagvaard; aangehaald (eene plaats uit een boek enz.). *...COMMITTEERDE, m. (-n), lasthebber, gevolmagtigde; (ook) lid van een dijk- of polderbestuur. *...COMPLICEERD, ...QUEERD, bn. ingewikkeld. *...COMPROMITTEERD, bn. in opspraak -, in verlegenheid gebragt. *...CONSERVEERD, bn. bewaard, onderhouden; deze dame is goed -, men kan het haar niet aanzien dat zij reeds bejaard is. *...CONCESSIONNEERD, bn. bewilligd, ingeruimd, toegestaan, vergund; -e lijnen, spoorwegen aan bijzondere maatschappijen toebehoorende (in tegenstelling van staatsspoorwegen). *...CONDITIONNEERD, bn. goed -, in goeden toestand onderhouden (van boeken, andere voorwerpen enz.). *...CONFISQUEERD, bn. verbeurd verklaard, benaderd. *...CONSOLIDEERDEN, mv. fondsen op schulden voor welker rentebedrag zekere staatsinkomsten zijn aangewezen, gevestigde schuld (inz. in Engeland). *...CONSTATEERD, bn. gestaafd, bekrachtigd. *...CONSTERNEERD, bn. ontsteld, onthutst, verbaasd, uit het veld geslagen. *...CONSULTEERD, bn. geraadpleegd. *...CONSUMEERD, bn. verteerd, opgebruikt. *...CONTINUEERD, bn. voortgezet, vervolgd. *...CONTRARIEERD, bn. tegengewerkt, gedwarsboomd. *...CONTRASIGNEERD, bn. mede-onderteekend. *...CORRIGEERD, bn. verbeterd. *...COSTUMEERD, bn. naar behooren gekleed; (ook) in zekere kleederdragt (van ouden tijd) gedost; een - bal; een -e optogt. *...CULTIVEERD, bn. aangekweekt, beschaafd. [Gedaagde]Gedaagde, m. en v. (-n), die voor de regtbank geroepen is. [Gedaan]Gedaan, vd. zie DOEN; verrigt; volbragt; (fig.) geëindigd, afgeloopen; uit; het is met hem -, hij is dood, hij ligt op het uiterste; (ook) hij is ten gronde gerigt; er wel - uitzien, zich goed voordoen. [Gedaante]Gedaante, v. (-n), uiterlijk voorkomen; gelaatstrekken; (fig.) toedragt van zaken. *-VERANDERING, v. (-en). *-VERWISSELING, v. (-en). [Gedachte]Gedachte, v. (-n), (B. GEDACHT, o.) het denken; denkbeeld, begrip, opvatting, meening, gevoelen, oordeel; overleg, ontwerp, plan; herinnering; wat zijn uwe -n hierover? hoe denkt gij hierover? van - zijn, van meening zijn; in -n, denkend, peinzend, afgetrokken; dat is mij uit de - gegaan, dat heb ik vergeten. *-LOOS, bn. en bijw. onoplettend. *-ELOOSHEID, v. gmv. onoplettendheid. *-N-BEELD, o. (-en), denkbeeld. *-NIS, v. gmv. herinnering; (ook) geschenk tot aandenken; zaliger -, glorierijker -, vloekwaarder -. *...DACHTIG, bn. zich herinnerende, denkende aan. [Gedans]Gedans, o. gmv. *...DARMTE, o. gmv. al de darmen in het ligchaam (van menschen en dieren). *...DARTEL, o. gmv. *...DAVER, o. gmv. [† Gedebaucheerd]† Gedebaucheerd, bn. uitspattend, verdierlijkt. *...DECIDEERD, bn. besloten, vastberaden; stout, koen. *...DECOREERD, bn. met een ordelint versierd, getooid; versierd (van eene zaal enz. bij feestelijke gelegenheden). *...DECRETEERD, bn. bij besluit vastgesteld en afgekondigd. [Gedeelte]Gedeelte, o. (-n), deel van een geheel. *-LIJK, bn. en bijw. voor een deel; niet alles; deels. [† Gedegageerd]† Gedegageerd, bn. ongedwongen, los, vrijmoedig. [Gedegen]Gedegen, bn. echt, fijn, massief; - goud, - zilver. [† Gedegradeerd]† Gedegradeerd, bn. verlaagd, uit een ambt -, van eene waardigheid ontzet; uit de (krijgs-) dienst gejaagd. *...DELEGEERDEN, m. mv. afgevaardigden; regters bijzonder aangewezen ter beoordeeling van eene zaak; - (verkoopers in het klein) der staatsloterij. *...DELIBEREERD, bn. overwogen, beraadslaagd over. [Gedenkblad]Gedenkblad, o. (-en), *...BOEK, o. (-en), blad waarop -, boek waarin feiten tot duurzame herinnering vermeld staan; (ook) agenda, zakboekje, notitie-, aanteekenboekje. *...CEÊL, v. (-en), lijst ter herinnering; cedel waarop (bij de oude Israelieten) de tien geboden stonden geschreven. [Gedenken]Gedenken, bw. onr. (ik gedacht, heb gedacht), denken aan; iets in de gedachte houden; zich herinneren; melding maken -, gewagen van; zich voornemen; gedenk den armen; gedenk mijner, denk aan mij; gedachte (bovenbedoelde, bovengenoemde) persoon. [Gedenkpenning]Gedenkpenning, m. (-en), medaille. *...ROL, v. (-len). *...SCHRIFT, o. (-en). *...SPREUK, v. (-en). *...TEEKEN, o. (-en), monument. *...WAARDIG, bn. en bijw. (-er, -st), verdienende in herinnering te blijven. *...ZUIL, v. (-en), eerezuil, pyramide, obelisk. [† Gedeponeerd]† Gedeponeerd, bn. nedergelegd, overgelegd; in bewaring gegeven; afgeleverd bij de overheid (een bepaald getal exemplaren b.v. platen enz.). *...DEPORTEERD, bn. naar eene (overzeesche) strafkolonie overgebragt; de -en. *...DEPUTEERDE, m. (-n), volksafgevaardigde, lid eener wetgevende vergadering; (ook) lid van een dijk- of polderbestuur. *...DERANGEERD, bn. niet wel bij het hoofd, verbijsterd van zinnen; in ongunstige financiële omstandigheden. *...DESIGNEERD, bn. benoemd, aangewezen. *...DESILLUSIONNEERD, bn. uit den waan gebragt, - geholpen, beter ingelicht. *...DESTILLEERD, bn. overgehaald, gestookt; -e wateren, sterke dranken. -, o. geestrijke vochten. *...DESTINEERD, bn. bestemd. *...DETACHEERD, bn. losgemaakt; (mil.) afgezonderd en uitgaande. *...DETINEERD, bn. opgesloten, gevangen, in arrest. *...DETAILLEERD, bn. breedvoerig, omstandig, in bijzonderheden. *...DEVELOPPEERD, bn. ontwikkeld. *...DEVOLVEERD, bn. toegevallen, aangevallen (eene erfenis enz.). [Gedicht]GEDICHT, o. (-en), dichtstuk, opstel in gebonden stijl. *-JE, (B. -N), o. (-s). *-SEL, o. (-en, -s), verdichtsel, onwaar verhaal, verzonnen geschiedenis. [Gedienstig]Gedienstig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. dienstvaardig, behulpzaam. *-HEID, v. (...heden), dienstvaardigheid; dienstbetoon; behulpzaamheid. [Gedierte]Gedierte, o. de dieren, de redelooze schepselen. [Gedijen]Gedijen, ow. gel. (ik gedijde, heb gedijd), goed -, voorspoedig voortkomen, groeijen; goed uitvallen; toenemen; verstrekken; onregt goed gedijt niet, wat men op oneerlijke wijze verkregen heeft brengt geen geluk aan. [Geding]Geding, o. (-en), regtszaak, regtshandel, proces. *-BEZORGER, m. (-s), procureur. *-SCHRIJVER, m. (-s), griffier. *-STUK, o. (-ken), processtuk. *- ZAAL, v. (...alen), pleitzaal, geregtszaal. [† Gedirigeerd]† Gedirigeerd, bn. bestuurd, geregeld; in de rigting gebragt. *...DISCIPLINEERD, bn. aan orde en tucht gewend. *...DISCUTEERD, bn. overwogen, naauwkeurig onderzocht, behandeld. *...DISPENSEERD, bn. vrijgesteld, ontheven, verschoond. *...DISPERSEERD, bn. verstrooid, verspreid. *...DISPONEERD, bn. beschikt (over iem., over geldsommen; (fig.) hoe zijt gij -? zijt gij goed of kwaad geluimd? *...DISPUTEERD, bn. getwist, bestreden. *...DISTILLEERD, bn. zie GEDESTILLEERD. *...DISTINGEERD, bn. onderscheiden; aanzienlijk, voornaam, zeer fatsoenlijk; een -publiek; eene -e plaats. *...DIVERTEERD, bn. vermaakt, verlustigd. *...DIVIDEERD, bn. (rek.) gedeeld. [Gedoe]Gedoe, *-N, *-NTE, o. gmv. getier, leven; bezitting; omslag; wat een -! welk een leven en beweging! in een goed - zijn, zeer bemiddeld zijn; wat heb ik met al dat - (met al die lastige dingen) te maken! *-N (ZICH), ww. onr. (ik gedeed mij, heb mij gedaan), zich behelpen. [Gedommel]Gedommel, o. gmv. het gegons (b.v. der bijen), het zacht spreken, fluisteren. *...DONDER, o. gmv. *...DOOGEN, (B. GEDOGEN), bw. gel. (ik gedoogde, heb gedoogd), toelaten, vergunnen, gehengen, dulden. *...DOOGZAAM, bn. (...amer, -st), verdraagzaam. -HEID, v. verdraagzaamheid. [† Gedomiciliëerd]† Gedomiciliëerd, bn. gehuisvest, woonachtig (te), eene bepaalde woonplaats hebbende. *...DOTEERD, bn. begiftigd. [Gedrag]Gedrag, o. gmv. leefwijze, handelwijze; doen en laten. *-EN (ZICH), ww. ong. (ik gedroeg mij, heb mij gedragen); zich goed -, zijnen pligt doen; zich slecht -, zijnen pligt niet doen; zich - aan, zich beroepen op, verwijzen naar; ons gedragende aan onze missive van ...., met herinnering aan en bevestiging van hetgeen wij toen schreven. *-ING, v. (-en), gedrag. *...DRANG, o. gmv. het aanhoudend dringen; digt opeengepakte volksmenigte; (fig.) in het - komen, in groote verlegenheid gebragt worden. *...DREIG, o. gmv. bedreigingen. *...DREUN, o. gmv. [† Gedresseerd]† Gedresseerd, bn. afgerigt (van dieren); gedrild, goed geoefend (van soldaten). [Gedrogt]Gedrogt, (B. GEDROCHT), o. (-en), wanschepsel, monster; groot -, schrikwekkend dier. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), wanschapen, misvormd. *-ELIJKHEID, v. wanschapenheid, monsterachtigheid. *...DRONGEN, dw. zie DRINGEN. -, bn. digt opeengepakt. *...DRUISCH, o. gmv. groot geraas, getier, leven, geweld. [Geducht]Geducht, bn. en bijw. (-er, -st), vreeswekkend. [Geduld]Geduld, o. gmv. lijdzaamheid, gelatenheid, toegeeflijkheid. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st). *-IGLIJK, bijw. [Geduren]Geduren, ow. gel. zie DUREN. *-DE, vz. terwijl, tijdens, zoo lang iets duurt. *...RIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. aanhoudend, telkens geschiedende, steeds, altoos, zonder ophouden. *...RIGHEID v. gmv. [Geduurzaam]Geduurzaam, bn. (...amer, -st), gedurig. -HEID, v. gmv. [Gedwee]Gedwee, bn. (-ër, -st), buigzaam, handelbaar; (fig.) onderworpen, zachtzinnig, gehoorzaam. *-HEID, v. gmv. buigzaamheid, handelbaarheid. *...DWEIL, o. gmv. *...DWONGEN, dw. zie DWINGEN. -, bn. gemaakt, geveinsd, gekunsteld. -HEID, v. gmv. dwang, het noodzaken; (fig.) gemaaktheid, gekunsteldheid. [† Geëchappeerd]† Geëchappeerd, bn. ontsnapt, ontkomen; ontgaan, ontvallen. *...ECHAUFFEERD, bn. verhit, warm geworden; (fig.) driftig, boos. [Geef]Geef, TE -, bijw. voor niet, bijna om niet; men krijgt het te -, de voorraad is zoo ruim dat men er bijna geen geld voor behoeft te geven. *-s, bijw. goedgeefs, milddadig. *-STER, v. (-s), zij die geeft. [Geel]Geel, bn. (geler, B. -er, -st), *-, o. zekere kleur; de gele zucht, zekere ziekte. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), naar het gele overhellende, min of meer geel. *-ACHTIGHEID, v. gmv. *-BESSEN, v. mv. Avignon-bessen. *-BORSTJE, (B. -N), o. (-s), zeker vogeltje. *-GIETER, m. (-s), kopergieter. *-HEID, v. gmv. het gele, de gele kleur. *-HOOFDIG, bn. -e bijeneter, zekere vogel. *-KOPER, o. gmv. messing, zeker metaal. *-VINK, m. (-en), zekere vogel. *-WORTEL, m. curcuma. *-ZUCHT, o. gmv. zekere ziekte. *-ZUCHTIG, bn. (-er, -st). [† Geëmancipeerd]† Geëmancipeerd, bn. vrij gelaten, vrij gemaakt, vrij verklaard; gelijk gesteld (voor de wet); (fig.) hij heeft zich -, hij handelt reeds zelfstandig. *...EMIGREERD, bn. uitgeweken, naar een ander land vertrokken. *...EMPORTEERD, bn. oploopend, driftig. *...EMPRESSEERD, bn. haast hebbende, drok bezig. [Geen]Geen, *-E, bn. niet een, geen enkele; ik heb - geld; hij is - kind meer, hij is niet meer een kind; - mensch, niemand; in -en deele. *-, GENE, vnw. deze en gene; aan gene (die, de over-) zijde van den berg, van de rivier. *- ERHANDE, *-ERLEI, bn. op - wijze, volstrekt niet. *-SZINS, bijw. niet, volstrekt niet. [† Geëngageerd]† Geëngageerd, bn. verloofd, verzegd; verbonden, aangenomen. [Geep]Geep, v. (-en), zekere visch. [Geer]Geer, v. (B.m.) (-en), schuin gesneden strookje om de wijdte (in een hemd enz.) te krijgen; schuin gesneden stuk doek om de zeilen aan het eene einde breeder te krijgen. *-EN, ow. gel. (ik geerde, heb gegeerd), schuins loopen; (zeew.) afhouden. *-SE, v. (-n), (oudt.) zekere nederlandsche vlaktemaat. [Geesel]Geesel, (B. GEESSEL), m. (-en, -s), zweep, roede; (fig.) ramp, onheil, plaag, bezoeking; verwoesting; (ook) verwoester, vernieler. *-AAR, m. (-s), die geeselt. *-BROEDER, m. (-s), zekere dweeper, monnik. *-EN, bw. gel. (ik geeselde, heb gegeeseld), met roeden -, met eene zweep kastijden. *-ING, v. (-en), kastijding met roede- of zweepslagen. *-MONNIK, m. (-en). *-PAAL, m. (...alen), paal waaraan de tot geeseling veroordeelde misdadigers gebonden worden. *-ROEDE, v. (-n). [Geest]Geest, m. (-en), wezen zonder ligchaam, denkbeeldig voorwerp; genie; ziel, leven; zielsgesteldheid; verstand, vernuft; begrip; spook, schim; door gisting of overhaling verkregen vlugtig gedeelte van iets, spiritus; den - geven, sterven, overlijden; een groote -, een man van
buitengemeen veel verstand; een sterke -, een vrijdenker; (fig.) de kwade -en, de schuldeischers; tegenwoordigheid van -, beradenheid in gevaar, vlugheid in het geven van gepaste antwoorden; de - der wet, de ware meening der wet (in tegenstelling van de letter, of de bewoordingen); de - (heerschende meening) der vergadering; de - (de zin, de voornaamste inhoud) van het boek; - van wijn, - van zwavel, - van zout, - van vitriool, enz.; (H.S.) de heilige -; de bediening van den nieuwen -, de godsdienst van het Nieuwe Verbond. *-, v. zandige strook land. *-ACHTIG, bn. met veel geest of spiritus (van vochten). *-ACHTIGHEID, v. gmv. *-DRIFT, v. gmv. sterke-, blakende ijver, vuur. *-DRIJVER, m. (-s), *-DRIJFSTER, v. (-s), dweeper, dweepster. *-DRIJVERIJ, (B. ...YVERIJ), v. gmv. dweepzucht, dweeperij, valsche ijver. *-ELIJK, bn. niet ligchamelijk; (fig.) godvruchtig; kerkelijk, tot de kerk of godsdienst behoorende; God is een - wezen; een - (kerkelijk) ambt; -e goederen; een - gewaad, priestergewaad; eene -e orde, kerkelijke broederschap; eene -e dochter, non; het - (kanonieke) regt; het - gezag (in tegenstelling van het wereldlijke) van den paus; -e rangorde, kerkelijke hierarchie. *-ELIJKE, m. (-n), kerkleeraar, bedienaar der godsdienst. *-ELIJKHEID, v. gmv. al de geestelijken te zamen (als één ligchaam). *-ELOOS, bn. zonder geest. [Geestenbezweerder]Geestenbezweerder, m. (-s), *...BEZWEERSTER, v. (-s), *...BEZWERING, v. (-en), oproeper -, oproepster -, het oproepen der geesten of schimmen van afgestorvenen. *...DOM, o. gmv. de intellectuele wereld. *...LEER, v. gmv. *...RIJK, o. gmv. rijk der schimmen. *...WERELD, v. gmv. *...ZIENER, m. (-s), soort dweeper. [Geestig]Geestig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. geestachtig; vernuft -, geest aantoonende; een - antwoord, een - gezegde; dit boek is - geschreven. *-HEID, v. gmv. vernuftigheid. [Geestkracht]Geestkracht, v. gmv. kracht -, sterkte van den geest. *...KUNDE, v. gmv. geestenleer. *...MAKING, v. gmv. (scheik.) overhaling van een vast ligchaam tot geest, spiritualisatie. *...RIJK, bn. (-er, -st), veel geest of vernuft hebbende; met veel spiritus (in vochten); -e dranken. *...VERMOGEN, o. gmv. vermogen van het verstand. [Geët]Geët, o. gmv. hertenvleesch. [Geeuwen]Geeuwen, ow. gel. (ik geeuwde, heb gegeeuwd), gapen, onwillekeurig den mond opsperren. *...ER, *...ERD, *...AARD, m. (-s), *...HONGER, m. gmv. zenuwtoeval ten gevolge van het langdurig ontberen van voedsel. *...ING, v. gmv. het geeuwen. [† Geëvaporeerd]† Geëvaporeerd, bn. uitgedampt; (fig.) vol grillen en inbeeldingen. *...EXALTEERD, bn. overspannen. *...EXPIREERD, bn. overleden, ontzield; afgeloopen, vervallen, verschenen, verstreken (van eenen termijn). *...FARCEERD, bn. opgevuld (van worst enz.). [Gefemel]Gefemel, (B. *...FEEMEL, *...FIJMEL), o. gmv. *...FLEEM, (B. *...VLEEM), o. gmv. *...FLIKKER, o. gmv. *...FLONKER, o. gmv. *...FLUIT, o. gmv. *...FROMMEL, o. gmv. [† Gefigureerd]† Gefigureerd, bn. versierd; -e letters. *...FORCEERD, bn. gedwongen, genoodzaakt; met geweld of met bovenmatige inspanning
volbragt of verrigt. *...FORMALISEERD, bn. stijf aan vormen gehecht; ontevreden over een gebrek in den vorm, beleedigd. *...FORTUNEERD, bn. met vermogen, rijk. *...GENEERD, bn. belemmerd, gehinderd, verlegen (om geld enz.). [Gegadigde]Gegadigde, m. en v. (-en), die gading of lust in iets heeft (bij eene aanbesteding, verkooping, verpachting enz.). *...GEEUW, o. gmv. *...GIJBEL, o. gmv. *...GIL, o. gmv. *...GLIM, o. gmv. *...GLINSTER, o. gmv. *...GLUUR, o. gmv. *...GOED, bn. bemiddeld. *...GOLF, o. gmv. *...GONS, o. gmv. *...GOOI, o. gmv. *...GRIJNS, o. gmv. *...GRIM, o. gmv. [† Gegradueerd]† Gegradueerd, bn. met een akademischen graad; een -e, iem. die tot een akademischen graad is bevorderd. [Gehaard]Gehaard, bn. behaard, harig. *...HAKKEL, o. gmv. *...HAKT, dw. zie HAKKEN. -, o. gehakt vleesch; ossen-, kalfs-. *...HALTE, o. en v. gmv. allooi, innerlijke waarde van metalen; wedde, bezoldiging. *...HARD, dw. zie HARDEN. -, bn. (-er, -st), verhard. -HEID, v. gmv. *...HARNAST, bn. met een harnas of kuras bedekt; een - schip. *...HASSEBAS, o. gmv. [† Gehazardeerd]† Gehazardeerd, bn. gewaagd, gevaarlijk, vermetel. [Gehecht]Gehecht, bn. en bijw. (-er, -st), verbonden (aan), liefhebbend, getrouw. *-HEID, v. gmv. [Geheel]Geheel, bn. en bijw. zonder gebrek, zonder dat (er) iets (aan) ontbreekt; gaaf, ongeschonden; heel, zonder breuk, niet gedeeld, niet verdeeld, niet gesplitst; in het - niet of - niet, geenszins, volstrekt niet; een - (vol) uur. *-, o. gmv. het - is grooter dan zijne deelen; het - (totaal) van die sommen; de zaak is nog in haar -, er is nog niets in veranderd of van afgenomen; wij zijn nog in ons -; over het -, kortom, met één woord. *-AL, o. (beter heelal). *-LIJK, bw. ten volle, volkomen. [Geheim]Geheim, o. iets dat slechts aan één persoon of aan weinigen bekend is, verborgenheid; - houden; het - bewaren; er geen - van maken; in het -; achter het - komen; er steekt een - achter; de -en (mysteriën) der godsdienst. *-, bn. en bijw. (-er, -st), slechts aan één of weinigen bekend; bedekt; de -e deelen van het menschelijk ligchaam, de schaamdeelen; een -e (verborgen) trap. *-BEWAARDER, m. (-s), ...STER, v. (-s), vertrouwde, vertrouweling. *-ENIS, v. (B.v. en o.), (-sen), verborgenheid. *-HOUDEND, bn. niet veel vertellende. *-HOUDING, v. gmv. het niet vertellen van iets. *-KAMER, v. (-s), secretarie. *-RAAD, m. (...aden), lid van den den geheimen raad, (ook eenvoudig eeretitel). *-SCHRIJVER, m. (-s), secretaris, griffier. *-SCHRIJVERSCHAP, o. (-pen), secretariaat. *-SCHRIFT, o. gmv. geheime wijze van schrijven, cijfer-, beeldschrift. *-ZINNIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. niet te doorgronden, met bedekte bedoelingen. *-ZINNIGHEID, v. gmv. [Gehekel]Gehekel, o. gmv. *...HELMD, bn. van eenen helm voorzien, met eenen helm bedekt. *...HEMELTE, o. (-n), bovenste deel binnen den mond; hemel (van een ledekant); -letter, letter die met behulp van het gehemelte wordt uitgesproken. *...HENGEN, bw. gel. (ik gehengde, heb gehengd), gedoogen, toestaan. [† Gehenna]† Gehenna, v. gmv. de hel, de helsche poel, het verblijf der goddeloozen. [Geheugen]Geheugen, o. gmv. herinneringsvermogen; een goed, gelukkig, sterk, zwak -; (fig.) herinnering; ik heb daar geen - van, dit herinner ik mij niet; bij menschen -. *-, bw. en onp. w. (het geheugde, heeft geheugd), herinneren. *-IS, v. (B.v. en o.) herinnering. *-KUNST, *-LEER, v. gmv. mnemotechnie. [Geheveld]Geheveld, bn. gezuurd (van broodbakkersdeeg). *...HINNIK, *...HINNEK, o. gmv. geluid van paarden. *...HOEKT, bn. hoekig; een of meer hoeken hebben; van eenen vischhoek voorzien. *...HOETEL, o. gmv. getalm; gefutsel. †*...HONOREERD, bn. vereerd; aangenomen te betaald (van eenen wissel). [Gehoor]Gehoor, o. gmv. een der vijf zinnen; het hooren; (muz.) vermogen om de toonen wel te onderscheiden; ontvangst (ten hove, bij eenen minister enz.), audientie; oplettendheid, aandacht; toehoorders; gemeente (die eene predikatie aanhoort); auditorium; - geven, luisteren naar; - verleenen, iem. bij zich ontvangen tot het voordragen van diens belangen; geen - hebben, niet vatbaar voor onderwijs in de toonkunst; zijn - is weg, hij is doof geworden; hard van - zijn, niet goed hooren. *-BUIS, v. (...zen), (ontl.). *-GANG, m. gmv. (ontl.). *-GEVING, v. (-en), audientie. *-IG, bn. (-er, -st), eene -e kamer, waar men ligt kan hooren. *-KUNDE, *-LEER, v. gmv. kennis van de eigenschappen der geluiden. *-PLAATS, v. (-sen), auditorium. *-VLIES, o. (...zen), (ontl.). *-ZAAL, v. (...alen), audientie-zaal; aula, groote zaal (eener hoogeschool). *-ZENUW, v. (-en), (ontl.). [Gehoornd]Gehoornd, bn. van een of meer hoornen voorzien. [Gehoorzaam]Gehoorzaam, bn. en bijw. (...amer, -st), volgzaam, gezeggelijk; uw gehoorzame dienaar, (uitdrukking van beleefdheid aan het slot van eenen brief). *-HEID, v. gmv. volgzaamheid, gezeggelijkheid. *-LIJK, bijw. met gehoorzaamheid. *...ZAMEN, ow. gel. (ik gehoorzaamde, heb gehoorzaamd aan....), doen wat iem. bevolen of gelast wordt, volgzaam zijn. *...ZAMING, v. gmv. [Gehouden]Gehouden, bn. verpligt. *-HEID, v. gmv. verpligting; onder - van. *...HUCHT, o. (-en), een klein aantal huizen bij elkander, buurschap (zonder kerk). *...HUIL, o. gmv. kindergeschreeuw; geluid van sommige dieren (b.v. wolven enz.). *...HUISD, bn. van eene woning voorzien; naauw, ruim - zijn, eene bekrompene -, eene ruime woning hebben; de vijand heeft hier erg -, heeft hier veel verwoestingen aangerigt. *...HUISVEST, bn. woonachtig. *...HUNKER, o. gmv. begeerte, zucht. *...HUPPEL, o. gmv. [Gei]Gei, v. (zeew.) zeil in de -. *-BLOK, o. (-ken), (zeew.) blok tot het opgeijen. *-JEN, (B. GEIEN), bw. gel. (zeew.) (ik geide, heb gegeid), trekken (de zeilen). [Geijkt]Geijkt, bn. van een ijkmerk voorzien; (fig.) echt, waar, deugdelijk. [Geil]Geil, bn. (-er, -st), walgend vet (van vleesch en andere spijzen); overvloedig gemest (van den grond); weelderig groeijende (van boomen); (fig.) onkuisch; (heelk.) - vleesch, vleesch van wonden dat te welig groeit; - bier, bier dat niet opgehouden heeft te gesten.
*-HEID, v. gmv. overtollige vetheid; (fig.) onkuischheid. *-KUIP, v. (-en), kuip waarin men het bier laat bekoelen. [† Geïllimiteerd]† Geïllimiteerd, bn. onbeperkt. *...ÏLLUSTREERD, bn. met platen enz. voorzien; een - werk. *...ÏMPEGNEERD, bn. ik ben -, verpligt, verantwoordelijk. *...ÏMPLICEERD, bn. mede (in iets) betrokken. *...ÏNCENSEERD, bn. bewierookt. *...ÏNCRIMINEERD, bn. het -e artikel, een dagblad-artikel dat aanleiding heeft gegeven tot eene geregtelijke vervolging. *...ÏNDIGNEERD, bn. verontwaardigd, boos. *...ÏNDISCIPLINEERD, bn. zonder tucht; niet geoefend; ongeregeld. *...ÏNDISPONEERD, bn. ongenegen; ontstemd, in kwade luim; ongesteld. *...ÏNTERESSEERD, bn. ik ben er bij -, ik heb er belang bij. *...ÏSOLEERD, bn. op zich zelf staande. [Geinster]Geinster, m. (-s), glimmende vonk. [Geiser]Geiser, m. (-s), algemeene benaming van reusachtige springbronnen op het eiland IJsland. [Geïstiek]Geïstiek, v. gmv. aardkunde. [Geit]Geit, v. (-en), viervoetig dier, wijfje van den bok. *-ENBAARD, m. zekere plant. *-ENBLAD, o. gmv. zekere plant, drieblad, kamperfoelie. *-ENHAAR, (B. ...HAIR), o. geitenharen, van geitenhaar (vervaardigd). *-ENHOEDER, m. (-s). *-ENHOEDSTER, v. (-s). *-ENLEDER, *-ENLEÊR, o. gmv. geitenlederen, van geitenleêr (vervaardigd). *-ENMELK, v. gmv. *-ENMELKER, m. (-s), zekere nachtvogel. *-ENOOG, o. (-en), (gen.) oog met eene witte vlak. *-ENREGT, o. gmv. *-ENSTAL, m. (-len). *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine geit. [Geitouw]Geitouw, o. (-en), (zeew.) touw waarmede het zeil van de ra gehaald wordt. [Gejaag]Gejaag, o. gmv. vervolging; aanhoudende jagt; het heftig slaan van den pols. *...JAGT, o. het aanhoudend jagten of haasten. *...JAMMER, o. gmv. *...JANK, o. gmv. het huilen van honden. *...JEUK, o. gmv. *...JOK, o. gmv. *...JUICH, o. gmv. vreugdekreten, toejuichingen. *...JUWEELD, bn. met juweelen getooid. [Gek]Gek, bn. en bijw. (-er, -st), dwaas, zot, onverstandig, mal; (fig.) verwaand; verzot (op); dol verliefd; (fig.) dat is een - stuk, dat is eene leelijke geschiedenis. *-, m. (-ken), onverstandige, dwaas, zot; zinnelooze; verwaand mensch; (fig.) hansworst, potsenmaker; met iem. den - scheren of steken, iem. voor den - houden, foppen, verschalken. *-, m. (-ken), knie, wrik (van eene pomp); draaikap (op eenen schoorsteen), windwijzer. [Gekakel]Gekakel, o. gmv. *...KAL, o. gmv. *...KAMD, dw. zie KAMMEN. -, bn. van eenen kam voorzien (van vogels). *...KAMERD, bn. eene -e juffer, die eene kamer bewoont (voor de kosten van den minnaar). *...KAST, bn. gezet (van diamanten). *...KEF, o. gmv. *...KEPERD, bn. (van stoffen). *...KERM, o. gmv. *...KEUVEL, o. gmv. [Gekheid]Gekheid, v. (...heden), dwaasheid, zotheid, onverstand, zinneloosheid; gekke handeling, grap. *-, tw. kom! kom! praatjes! [Gekibbel]Gekibbel, o. gmv. *...KIJF, o. gmv. *...KIJK, o. gmv. *...KIR, o. gmv. geluid der duiven. *...KITTEL, o. gmv. [Gekkelijk]Gekkelijk, bn. en bijw. zie GEK. *...KEN, ow. gel. (ik gekte,
heb gegekt), schertsen, spotten; zonder -, in vollen ernst. *...KENHUIS, o. (...zen), krankzinnigengesticht. *...KER, m. (-s), spotter, grappenmaker. *...KERIJ, v. (-en), grap, boert. *...KIN, v. (-nen), gekke vrouw. [Geklag]Geklag, o. gmv. *...KLANK, o. gmv. het klinken. *...KLAP, o. gmv. *...KLAPPER, o. gmv. *...KLATER, o. gmv. het - van den donder. *...KLEP, o. gmv. het kleppen van een klokje; het geluid eens ooijevaars. *...KLETS, o. gmv. het slaan met eene zweep; (fig.) zotte praat, vervelend gebabbel. *...KLETTER, o. gmv. *...KLIKKLAK, o. gmv. het geluid der wapenen. *...KLINK, o. gmv. *...KLOK, o. gmv. het geluid der kippen. *...KLOP, o. gmv. *...KLOTS, o. gmv. het geluid der golven. *...KNAP, o. gmv. het geluid van brandende voorwerpen. *...KNARS, o. gmv. het tandenknarsen; het geluid van krakende of brekende beenderen. *...KNIBBEL, o. gmv. *...KNIJS, o. gmv. *...KNIK, o. gmv. *...KNOEI, o. gmv. het knoeijen, broddelen; (fig.) kwade praktijken, kuiperij. *...KNOR, o. gmv. *...KOPPELD, bn. twee aan twee; zaâm verbonden; een - huwelijk, dat niet uit wederzijdsche liefde ontstaan is. *...KOOK, o. gmv. het koken; (ook) kooksel. *...KORVEN, bn. ingesneden; -e dieren, insekten. *...KOUT, o. gmv. *...KRAAI, o. gmv. het geluid van den haan; (fig.) gebabbel, gesnap. *...KRAB, o. gmv. *...KRABBEL, o. gmv. het krabbelen; (fig.) onleesbaar schrift. *...KRAS, o. gmv. het geluid van de raaf. *...KRIEL, o. gmv. *...KRIEWEL, o. gmv. *...KRIJSCH, o. gmv. *...KRIJT, o. gmv. *...KRIOEL, o. gmv. het krioelen; (fig.) menigte, groote volkshoop. *...KRISTEND, *...CHRISTEND, bn. gedoopt. *...KROESD, bn. - haar. [Gekscheren]Gekscheren, (B. ...EEREN), ow. gel. (ik gekscheerde, heb gegekscheerd), (met iem.) den spot drijven, (iem.) voor het lapje houden. *...SCHEERDER, m. (-s), grappenmaker, pretmaker. [Gekskap]Gekskap, v. (-pen), zotskap, narrenmuts. *-, m. dwaas, onnoozele, domoor. [Gekuch]Gekuch, o. gmv. *...KUIFD, bn. eene kuif hebbende. *...KUISCHT, bn. sierlijk, gezuiverd; een -e stijl. *...KUNSTELD, bn. niet natuurlijk, gemaakt. *...KUS, o. gmv. *...KWAAK, o. gmv. het geluid der kikvorschen en eendvogels; (fig.) gebabbel, gesnap. *...KWAK, o. gmv. *...KWEEL, o. gmv. *...KWEEST, o. gmv. *...KWEL, o. gmv. *...KWIJL, o. gmv. *...KWIJN, o. gmv. [Gelaarsd]Gelaarsd, bn. laarzen aanhebbende. [Gelaat]Gelaat, o. gmv. aangezigt, voorkomen. *-KENNER, m. (-s). *-KUNDE, v. gmv. kunst om uit iemands gelaat zijn karakter en zijnen aanleg op te maken. *-KUNDIGE, m. (-n), physionomist. *-s-HOEK, m. gmv. hoek van het aangezigt ten aanzien van den schedel. *-SKLEUR, v. gmv. kleur van het aangezigt. *-STREK, m. (-ken). [Gelach]Gelach, o. gmv. het lagchen. *...LADEN, dw. zie LADEN; (fig.) het op iem. - (gemunt) hebben, boos op iem. zijn. *...LAG, o. (-en), vertering in eene herberg; het - betalen, (fig.) voor zich en anderen boeten, er voor opdraaijen; een hard -, (fig.) eene zware beproeving, eene netelige zaak; -en zetten, sterken drank tappen; spreek in uw eigen -, bemoei u met uwe eigene zaken. [Gelaleïsch jaar]Gelaleïsch jaar, bestendig zonnejaar bij de Perzen. [Gelang]Gelang, naar - (naar mate) der omstandigheden, al naar dat de zaken zich voordoen. *...LASTEN, bw. gel. (ik gelastte, heb gelast), gebieden, bevelen, last geven. *...LASTIGDE, m. (-n), gevolmagtigde, zaakwaarnemer. *...LATEN, bn. kalm, bedaard, onderworpen. - (ZICH), ww. ong. (ik geliet mij, heb mij gelaten), zich voordoen als, zich houden als, veinzen. *...LATENHEID, v. gmv. kalmte, bedaardheid, onderwerping, berusting (in). [† Gelatine]† Gelatine, v. gmv. geleistof. [Geld]Geld, o. (-en), gemunt metaal, muntstukken; (fig.) rijkdom, middelen, fortuin; goud-, zilver-, koper-, gouden-, zilveren-, koperen munt; pot-, munten die bewaard worden; klein -, pasmunt; ligt -, kleine muntstukken; hard -, grof -, de zwaarste of grootste geldstukken; afgezet -, dat buiten omloop is gebragt; papieren -, muntpapier, bankpapier; - opnemen, leenen; zijn - uitzetten, er zoodanig gebruik van maken dat het rente geeft; - op hand geven, voorloopig een zeker bedrag betalen (als waarborg van een gesloten koop enz.); ligt - ligte waar, of koperen - koperen zielmissen, voor weinig geld kan men niet veel hebben; goed - bij kwaad - gooijen, (misschien) vruchtelooze kosten maken om kwade schulden te innen; geen - geen zwitsers, zonder geld kan men nergens te regt; alle waar naar zijn -, hoe meer men betaalt hoe betere waar men krijgt. *-AFPERSER, m. (-s), knevelaar. *-AFPERSING, v. (-en), knevelarij. *-BANK, v. (-en), bankiersinstelling. *-BEURS, v. (...zen). *-BEZORGER, m. (-s), wisselmakelaar. *-BOETE, v. (-n), straf bestaande in het betalen eener geldsom. *-ELOOS, bn. zonder geld; het zijn geldelooze tijden, het geld is tegenwoordig schaarsch. *-ELOOSHEID, v. gmv. *-GEBREK, o. gmv. *-EN, ow. ong. (ik gold, heb gegolden), waard zijn, kosten; dienen tot, doorgaan voor; betreffen, raken; veel -, veel invloed hebben, een persoon van gewigt zijn; de meeste stemmen -, de meerderheid beslist; het geldt zijne eer, zijn leven, zijne eer -, zijn leven is er mede gemoeid, staat er bij op het spel. *-GEVEN, o. het - neemt geen einde, de uitgaven (aalmoezen) houden niet op. *-GIERIG, bn. (-er, -st), schrokkig, inhalig. *-GIERIGHEID, v. gmv. *-HANDELAAR, m. (-s), bankier. *-IG, bn. (-er, -st), hoog in prijs, veel kostende, duur; deugdelijk, echt. *-IGHEID, v. gmv. deugdelijkheid, echtheid; de - van een besluit enz. *-KAS, v. (-sen). *-KAST, v. (-en). *-KIST, v. (-en). *-LAST, m. (-en), belasting die in geld wordt opgebragt. *-MAKELAAR, m. (-s). *-MANDJE, (B -N), o. (-s). *-MIDDEL, o. de -en, de financiën. *-PLAKKAAT, o. (...aten). *-RIJK, bn. (-er, -st). *-SCHAALTJE, (B. -N), o. (-s), schaaltje om de muntstukken te wegen. *-SCHAARSCHTE, v. gmv. *-SNOEIJEN, o. het verminken van muntstukken. *-SNOEIJER, m. (-s). *-SNOEIJERIJ, v. gmv. *-SOORT, v. (-en), specie. *-STRAF, v. (-fen), geldboete. *-SWAARDE, v. *-VERKWISTER, m. (-s). *-ZAAK, v. (...aken). *-ZAK, m. (-ken), zak waarin geld wordt gedaan; (fig.) rijkaard, rijke vrek. *-ZUCHT, v. gmv. geldgierigheid. *-ZUCHTIG, bn. (-er, -st). [Geleed]Geleed, bn. gelede dieren, eene der vier groote afdeelingen van
het dierenrijk. *...LEDEN, dw. zie LIJDEN. -, bn. verloopen, voorbij; het is lang -. *...LEDEREN, (mv. van GELID), rijen, rangen; de - van het bataillon. *...DING, v. (-en), gewricht. [Geleerd]Geleerd, dw. zie LEEREN. *-, bn. en bijw. bekwaam, kunstig, ervaren, onderrigt. *-E, m. (-n), iem. die in de wetenschappen ervaren is. *-ELIJK, bijw. *-HEID, v. gmv. groote kunde. [Gelegen]Gelegen, dw. zie LIGGEN. *-, bn. liggende, te vinden (op eene aangeduide plaats); geschikt (van tijd); belangrijk, gewigtig; Amsterdam is - aan het Y; een huis staande en - op de Keizersgracht; zoo is het met de zaak - (gesteld); dit huis is zeer goed -, heeft eene aangename ligging; eene -e (geschikte) plaats; komt het u morgen -? schikt het u morgen? ter -er tijd; mij is daaraan veel -, ik heb veel belang daarbij; daarvan hangt voor mij veel af. *-HEID, v. (...heden), ligging; toestand; aanleiding; weg, middel; omstandigheid; de - maakt den dief. -SPREDIKATIE, v. (...ën), -SGEDICHT, o. (-en), predikatie -, gedicht bij eene bijzondere gebeurtenis of gelegenheid vervaardigd. -SROK, m. (-ken), rok dien men alleen bij feestvieringen enz. draagt. [† Gelei]† Gelei, o. (B.v.) (-jen), gestold nat, vlade. *-, gmv. zie GELEIDE. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als gelei; -e stoffen, algemeene bestanddeelen der planten. [Geleibrief]Geleibrief, m. (...ven), brief-, bewijs van vrijgeleide. [Geleidbaarheid]Geleidbaarheid, v. gmv. geschiktheid van warmte om voortgeleid te worden; (ook) geleidingsvermogen. [Geleide]Geleide, o. gmv. personen enz. die iem. (of iets) bij het vervoer vergezellen, als eerbewijzing of als maatregel van veiligheid of voorzorg, convooi, escorte; (ook) leiding. *-LIJK, bn. en bijw. (-er, -st), naar orde, geregeld, regelmatig. *-N, bw. gel. (ik geleidde, heb geleid), vergezellen. *-R, m. (-s), vergezeller; geleiders en niet-geleiders, (nat.) conductoren en isolatoren (der electriciteit). *...DING, v. gmv. - SVERMOGEN, o. gmv. [Geleidsman]Geleidsman, m. (-nen). *...VROUW, v. (-en). *...STER, v. (-s). [Geleigeest]Geleigeest, m. (-en), beschermengel. *...GELDEN, o. mv. loon voor het geleide, convooiloon. *...WIEREN, o. mv. soort wier, duinplant. [Gelel]Gelel, o. gmv. het veel en luid praten. [Gelen]Gelen, ow. bw. gel. (ik geelde, ben of heb gegeeld), geel worden, geel maken. [Geletterd]Geletterd, bn. letterkundig, bedreven in de letteren; een - man. *-HEID, v. gmv. bedrevenheid in de letteren. [Gelid]Gelid, o. (gelederen), beenderen-zamenvoeging; rij, rang (van soldaten); uit het -, verstuikt (b.v. van den arm). *-KNOOP, m. (-en), *-WERVEL, v. (-s), (ontl.) beenachtig uitsteeksel aan een gelid. *-SLUITER, m. (mil.) laatste man van een gelid. [Geliefd]Geliefd, bn. bemind. *-E, m. en v. (-n), beminde, vrijer, vrijster, aanstaande. *...LIEVEN, mv. een minnend paar. -, ow. onp. w. (het geliefde, heeft geliefd), behagen; het gelieve u enz.; gelieve te betalen, (gebruikelijke vorm op eenen wissel). [Gelijk]Gelijk, bn. eenerlei, zonder verschil, zonder onderscheid: hetzelfde;
regt, effen; even; (in de reken- en stelkunde aangeduid door het teeken =;) (hand.) pari; een - huwelijk, man en vrouw die bij elk. passen; -e monniken -e kappen, zoo heer zoo knecht; ik sta met hem op -en voet, er is geen verschil tusschen hem en mij in de behandeling. *-, bijw. op gelijke wijze, zonder onderscheid; te -, te zamen, gezamenlijk; - op spelen, niets winnen en niets verliezen; zich altijd - blijven, altoos dezelfde zijn; met den grond -, zonder verhevenheid; met den grond - maken, sloopen (een gebouw). *-, vw. als; - gezegd is, zoo als gezegd is. *-, o. regt; gij hebt -; - met - vergelden, met dezelfde munt betalen; zijns -e, haars -e. *-AARDIG, bn. (-er, -st), van dezelfde soort of natuur. *-AARDIGHEID, v. gmv. *-BEDUIDEND, *-BETEEKENEND, bn. synonyme of sinoniem (van woorden). *-BEDUIDENDHEID, v. gmv. (taalk.). *-BEENIG, bn. (meetk.) een -e driehoek. *-ELIJK, bijw. op gelijke wijze, op dezelfde wijze, zonder onderscheid. *-EN, ow. (B. bw.) gel. (ik geleek, heb geleken), gelijk zijn aan, overeenkomen met; gelijkenis hebben met; lijken; het gelijkt mij, ik heb er wel lust in; van -, hetzelfde, eveneens. *-ENIS, v. (-sen), het gelijken; beeldtenis, afbeeldsel, evenbeeld; vergelijking, beeldspraak; verdicht verhaal, leerrijke fabel, parabel. *-ERHANDE, bijw. allen tegelijk. *-erwijs, ...WIJZE, bijw. alsof. *-HEID, v. gmv. overeenstemming; eenvormigheid; evenredigheid van waarde; effenheid, vlakheid; - voor de wet; (gesch.) vrijheid, -, broederschap. -HOEKIG, bn. (meetk.). *-JARIG, bn. van denzelfden ouderdom. *-LUIDEND, bn. (-er, -st), eensluidend; een - woord, een homonyme. *-LUIDENDHEID, *-LUIDING, v. gmv. overeenkomst in geluid; overeenstemming in inhoud (van een kontrakt enz.). *-MAKEN, bw. gel. (ik maakte gelijk, heb gelijk gemaakt), effenen, evenen. *-MAKER, m. (-s), waterpasser. *-MAKING, v. (-en), effenmaking; afkanting (van hout, steen, metaal). *-MATIG, bn. (-er, -st), van dezelfde maat; (fig.) overeenkomstig, bij elkander passende. *-MATIGHEID, v. gmv. *-MOEDIG, bn. en bijw. (-er, -st), steeds van dezelfde inborst. *-MOEDIGHEID, v. gmv. *-NAMIG, bn. van denzelfden naam; (meetk.) evenredig. *-NAMIGHEID, v. gmv. *-SLACHTIG, bn. gelijksoortig, gelijkaardig, homogeen. *-SLACHTIGHEID, v. gmv. *-SOORTIG, bn. van dezelfde soort; -e grootheden. *-STALTIG, bn. van dezelfde gestalte. *-STANDIG, bn. in denzelfden stand of toestand. *-STATIG, bn. even statig of deftig. *-STEMMIG, bn. (muz.) consonnant. *-STRAATS, bijw. gelijk met de straat, rezde-chaussée. *-TIJDIG, bn. op denzelfden tijd. *-TIJDIGHEID, v. gmv. *-VLOEIJEND, bn. te zamen vloeijende; (taalk.) een - werkwoord, dat in de vervoeging niet van wortelklank verandert. *-VLOERS, bijw. geen trap op, gelijk met den grond. *-VORMIG, bn. en bijw. van denzelfden vorm; overeenstemmend; gelijke en gelijkvormige grootheden, (wisk.) figuren die zoowel in gedaante als in inhoud overeenkomen. *-VORMIGHEID, bijw. *-WAARDIG, bn. gelijk in waarde, - in kracht, - in heerlijkheid. *-WAARDIGHEID, v. gmv. *-WIJDIG, bn. evenwijdig. *- WIJDIGHEID, v. gmv. *-ZIJDIG, bn. aan alle kanten gelijk. *-ZIJDIGHEID. v. gmv. *-ZINNIG, bn. van dezelfde beteekenis. *-ZINNIGHEID, v. gmv. [† Geliniëerd]† Geliniëerd, bn. - papier, papier met lijnen betrokken; het -e, getrokken lijnen. [§ Gelletje]§ Gelletje, (B. -N), o. (-s), gekkernij; iem. tot een - maken, iem. voor het lapje houden. [Gellig]Gellig, bn. gallig; een - schaap, schaap welks gal bedorven is. *-HEID, v. gmv. [Gelling]Gelling, v. hennep zonder zaad. [Geloei]Geloei, o. gmv. het geluid der runderen enz.; - der golven, - van den wind. *...LOFTE, v. (-n), belofte aan het Opperwezen; vrijwillige verbindtenis; eene -gift, (r.k.) ex. voto. *...LOL, o. gmv. het geluid van katten; vervelend gezang. [Geloof, Geloove]Geloof, Geloove, o. gmv. vertrouwen op de waarheid van iets; godsdienst-waarheid, trouw; de geloofsartikelen; (r.k.) credo; - slaan, - hechten (aan iets); het - bidden, het credo opzeggen; op goed -, op vertrouwen. *-BAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), geloof verdienende. -HEID, v. gmv. *-ELIJK, (B. *-LIJK), bn. (-er, -st), te gelooven, geloofd kunnende worden. -HEID, v. gmv. [Geloofsartikel]Geloofsartikel, o. (-en), grondstelling des geloofs. *...BEKENTENIS, v. (-sen). *...BELIJDENIS, v. (-sen). *...BRIEF, m. (...ven), bewijs van aanstelling of benoeming (b.v. tot gezant aan een hof, tot lid eener vertegenwoordigende vergadering); kredietbrief. *...DWANG, m. gmv. onderdrukking, vervolging ter zake van het geloof. *...GENOOT, m. en v. (-en), die dezelfde godsdienst belijdt. *...GESCHIL, o. (-len), twist over een punt des geloofs. *...LEER, v. gmv. leerstuk. *...LEUS, v. symbool der apostelen. *...ONDERWIJS, o. gmv. onderwijs in de godsdienst. *...ONDERWIJZER, m. (-s), katechiseermeester. -ES, v. (-sen). *...ONDERZOEK, o. inquisitie. *...ONDERZOEKER, m. (-s), inquisiteur. *...PUNT, o. (-en), *...STUK, o. (-ken), artikel -, grondstelling des geloofs. *...REGTBANK, v. (-en), inquisitie. *...REGTER, m. (-s), inquisiteur. *...TEEKEN, o. (-en). *...VERWANT, m. (-en), medechristen van eene andere belijdenis. *...VRIJHEID, v. gmv. vrijheid van godsdienst, gewetensvrijheid. [Geloofwaardig]Geloofwaardig, bn. (-er, -st), geloof verdienende. *-HEID, v. gmv. [Geloogd]Geloogd, bn. door loog gehaald, met loog doortrokken. [Geloop]Geloop, o. gmv. het loopen; dat huis heeft veel -, het is daar zeer druk, er komen veel menschen. [Gelooven]Gelooven, bw. gel. (ik geloofde, heb geloofd), voor waar houden; denken; meenen; vertrouwen. *...VIG, bn. (-er, -st), godsdienst-geloof hebbende; de -en, de godvruchtigen. [Gelt]Gelt, bn. een - snoek, een mannetjes-snoek; een - varken, een ongesneden mannetjes-zwijn; eene -e koe, eene niet dragtige of onvruchtbare koe. *-, onvruchtbaar (van de zaadhuisjes der bloemen). [Gelubd]Gelubd, bn. gesneden (van de teeldeelen beroofd); een -e, gesnedene, kastraat. [Gelui]Gelui, o. gmv. het luiden der klokken. [Geluid]Geluid, o. (-en), gewaarwording die door het gehoor ondervonden
wordt; hetgeen gehoord wordt; geklank; geschreeuw. *-BREKER, m. (-s) klein werktuig tot demping van het geluid van sommige snaar- en blaasspeeltuigen. *-KUNDE, v. gmv. gehoorkunde. *-S-TRILLING, v. (-en). [Geluk]Geluk, o. gmv. toestand van volkomene tevredenheid; fortuin; voorspoed, welvaart, tevredenheid; onzekere uitkomst, kans; goede uitslag; bij -, gelukkigerwijze; - er mede! het ga u wel, wel bekome het u; - zeggen, waarzeggen. *-KEN, ow. gel. (het gelukte, is gelukt), wel uitvallen, goed afloopen. *-KIG, bn. (-er, -st), volkomen tevreden, zeer vergenoegd; wel uitgevallen, goed afgeloopen. -, -LIJK, bijw. *-SBODE, m. (-n), *-SBODES, v. (-sen), die eene gelukkige tijding brengt. *-SGODIN, v. (fab.) Fortuna. *-SGOEDEREN, o. mv. *-SKANS, v. (-en), kans der fortuin. *-SKIND, o. (-eren), iem. wien alles medeloopt, troetelkind der fortuin. *-SRAD, o. rad der fortuin. *-SSTER, v. (-ren), gesternte dat iemands voor- of tegenspoed bestemt *-SVOGEL, m. (-s), iem. die in alles gelukkig is. *-WENSCH, m. (-en), heilwensch, felicitatie. *-WENSCHING, v. (-en). *-WENSCHEN, bw. gel, (ik wenschte geluk, heb geluk gewenscht), feliciteren, komplimenteren. *-ZALIG, bn. (-er, -st), het loon hier namaals genietende; (fig.) voorspoedig. *-ZALIGHEID, v. gmv. *-ZALIGMAKEND, bn. *-ZEGGER, m. (-s), *-ZEGSTER, v. (-s), voorspeller -, voorspelster van iets goeds. *-ZOEKER, m. (-s), *-ZOEKSTER, v. (-s), avonturier, -ster. *-ZON, *-SZON, v. gmv. (fig.) zijne - is opgegaan, zijn geluk heeft een aanvang genomen. [§ Gelul]§ Gelul, o. gmv. nutteloos gepraat, zotteklap. [Gelusten]Gelusten, onp. w. gel. (het gelustte, heeft gelust), behagen, believen, genoegen vinden in. [Gemaakt]Gemaakt, vd. zie MAKEN. *-, bn. af, gereed, voltooid; gedaan; (fig.) geveinsd, gedwongen, geaffecteerd, onnatuurlijk; -e bloemen, kunstbloemen. *-HEID, v. gmv. gekunsteldheid. [Gemaal]Gemaal, m. man, echtgenoot. *-, o. het malen; wat gemalen wordt of is; belasting op het -, op de meelsoorten. *...MAAUW, o. het maauwen der katten. *...MACHT, o. teeldeelen (inz. de mannelijke). -BEEN, o. (ont.) schaambeen. *...MAGTIGDE, m. (-n), zaakgelastigde. [Gemak]Gemak, o. (-ken), toestand van rust; rust; het zitten; geschikte gelegenheid; genoegzame tijd; kamertje, vertrekje; geheim -, sekreet; neem uw -, ga zitten, rust wat uit; al met -, zachtjes aan. *-KELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), veel van gemak houdende; niet moeijelijk, ligt; ligtelijk, zonder inspanning; toegeeflijk, inschikkelijk; maak het u -, geef u niet veel moeite, (ook) trek uw huisgewaad aan. *-KELIJKHEID, v. (...heden). [Gemal]Gemal, o. gmv. het dartelen, pretmaken; houd op met uw - of gemaal, staak dien zotteklap, wees zoo lastig niet. [Gemalin]Gemalin, v. (-nen), vrouw, echtgenoot. [Gemanierd]Gemanierd, bn. (-er, -st), wellevend, beschaafd, wel opgevoed. *-HEID, v. gmv. wellevendheid. *...MANTELD, bn. van eenen mantel voorzien, eenen mantel omhebbende; - en gebeft. *...MAR, o. gmv. getalm. *...MARTEL, o. gmv. het folteren. *...MASKEERD, bn. bedekt, onzigtbaar. *...MASKERD, bn. een masker voorhebbende, verkleed,
vermomd; een - bal. *...MATIGD, dw. zie MATIGEN. -, bn. en bijw. (-er, -st), niet overdreven, ingetogen; (muz.) andante; een - man; de -e luchtstreek. -HEID, v. gmv. [Gember]Gember, v. gmv. zeker indisch gewas. *-BIER, o, *-POT, m. (-ten). *-WATER, o. [Gemediatiseerd]Gemediatiseerd, bn. schadeloos gesteld (voor verlies van grondgebied); de -e duitsche vorsten. [Gemeen]Gemeen, bn. en bijw. aan meer dan één persoon toebehoorende; openbaar, gewoon, alledaagsch; eenvoudig; gering, slecht, onfatsoenlijk, laag; al te vertrouwelijk; op -e kosten, op gezamenlijke kosten; niets - hebben met ..., niets hebben uit te staan met..., in geene betrekking staan tot...; een -e muur, muur tusschen twee perceelen voor beide tegelijk dienende; de -e weiden, weiden waarop de bewoners van eene of meer gemeenten het regt hebben hunne kudden te laten grazen; zich - maken, vertrouwelijken omgang hebben; zich te - maken, zijne achting verliezen door een te gemeenzamen omgang; door den druk - maken, in het licht geven, openbaar verspreiden; de -e haard, de groote gelagkamer (in eene herberg); - soldaat, eenvoudig soldaat (zonder eenigen rang); -e (onfatsoenlijke) uitdrukking; de -e man, het volk, de geringe burgerstand; een - (slecht) huis; aardbevingen zijn in Italië zeer - (geen zeldzaamheid); dit zegt men zoo in het -e leven, dit is eene volksuitdrukking; in het -, gewoonlijk, gemeenlijk. *-, o. de lage volksklasse. *-LANDSHUIS, o. waar voorheen de provinciale besturen vergaderden. *-LIJK, bijw. gewoonlijk, in den regel. [Gemeenebest]Gemeenebest, o. (-en), staat waar de regering bij eenige der aanzienlijkste personen berust, republiek. *-ELIJK, bn. en bijw. republiekeinsch. *-GEZINDE, m. en v. (-n), republiekein, voorstander-, voorstandster van den gemeenebestelijken regeringsvorm. *-GEZINDHEID, v. gmv. [Gemeenschap]Gemeenschap, v. (-pen), gezamenlijk bezit; vereeniging, verbindtenis; betrekking; verkeer; omgang; overeenkomst; de - Gods, der geloovigen, der kerk, der heiligen; in -, gezamenlijk. *-PELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), aan meer dan één behoorende; waarin door meer dan één persoon wordt voorzien; op -e kosten; -e pogingen. [Gemeensman]Gemeensman, m. (-nen, ...lieden), (rom. gesch.) volkstribuun. [Gemeente]Gemeente, v. (-n), stad, dorp; burgerij; kerkgenootschap; gehoor (toehoorders) van eenen predikant; gemeene weide; de -n of het huis der -n, Lagerhuis van het engelsche Parlement. *-BEGROOTING, v. (-en), raming van de ontvangsten en uitgaven der gemeente. *-BESTUUR, o. (...uren). *-BLAD, o. (-en), verzameling van alle gemeente-verordeningen. *-GROND, m. (-en), grond aan de gemeente toebehoorende. *-HUIS, o. (...zen), raadhuis, stadhuis. *-HUISHOUDING, v. beheer der gemeente. *-KAS, v. (-sen), geldmiddelen der gemeente. *-ONTVANGER, m. (-s). *-RAAD, m. (...aden), bestuur der gemeente. *-SECRETARIS, m. (-sen). *-VERORDENING, v. (-en), plaatselijke wet. *-WEIDE, v. (-n), weide tot gemeenschappelijk gebruik voor de burgers van een of meer gemeenten. *-WET, v. (-ten), wet regelende de bevoegdheid en den werkkring der gemeentebesturen.
*-WEZEN, o. al wat de gemeenten en haar bestuur treft. *-WATER, o. (-en), water aan de gemeente toebehoorende. [Gemeenzaam]Gemeenzaam, bn. en bijw. (...amer, -st), aan de zamenleving eigenaardig; welwillend, minzaam, niet trotsch; gemeenzame (alledaagsche) spreekwijze, uitdrukking; (ook) populair. *-LIJK, bijw. *-HEID, v. gmv. [Gemeld]Gemeld, dw. zie MELDEN. *-, bn. bovengenoemd, gezegd, bedoeld; -e persoon, -e zaak. [Gemelijk]Gemelijk, bn. en bijw. (-er, -st), verdrietig, knorrig, in eene kwade luim, verstoord, ontevreden, boos. *-HEID, v. gmv. [Gemergd]Gemergd, bn. merg hebbende. *...MERKT, dw. zie MERKEN. -, vw. naardien, vermits, daar. [Gemet]Gemet, o. (-ten), (oudt.) zekere vlaktemaat in Nederland. *-SEL, o. het metselen; metselwerk. *...MIDDELD, bn. in doorsnede, door-eengenomen. -E, o. (rek.) quotient van de som der produkten gedeeld door die der factoren. *...MIJMER, o. gmv. *...MIJTERD, bn. eenen mijter dragende. *...MIS, o. gmv. het ontbreken van iets, ontbering, gebrek. [† Gemodereerd]† Gemodereerd, bn. gematigd. [Gemoed]Gemoed, o. gmv. ziel, inborst, karakter; verstand, geweten. *-, (-eren), gezindheid; gevoelen; (fig.) mensch; de -eren zijn geschokt; de -eren zijn aan het gisten; in -e, opregtelijk, op (mijne) eer en (mijn) geweten; iem. iets te - voeren, iem, iets voorhouden, -onder het oog brengen. *-, bn. welgemoed. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), hij is een - mensch, een mensch die overeenkomstig pligt en geweten handelt. *-ELIJKHEID, v. gmv. goedheid des harten; opregtheid; hartelijkheid. *-ELOOS, bn. en bijw. (...zer, -st), gewetenloos. *-IG, bn. (-er, -st), vreedzaam, zachtmoedig, bedaard, stil; - (zacht) leder. [Gemoedsaard]Gemoedsaard, m, gmv. inborst, karakter. *...BEWEGING, v. (-en), zielsaandoening. *...GESTELDHEID, v. gmv. toestand der ziel. *...KALMTE, *...RUST, v. gmv. *...KRANKHEID, v. (...heden), *...KRANKTE, v. (-n), zielsziekte. [Gemoeid]Gemoeid, bn. deze zaak is er mede -, is er bij betrokken; hangt er van af. [Gemoet]Gemoet, bijw. te - gaan, te - komen, tot iem. gaan of komen, hem naderen; (fig.) te - komen, iem. helpen, bijstaan; iemands eischen voor een deel inwilligen; te - zien, afwachten, verbeiden. [Gemoffel]Gemoffel, o. gmv. *...MOK, o. gmv. *...MOMPEL, o. gmv. *...MOR, o. gmv. *...MORS, o. gmv. [Gems]Gems, v. (...zen), wilde geit (inz. op de Alpen). *-BALLEN, m. mv. zeker vergif in de maag der gemzen, duitsche bezoar. [Gemuit]Gemuit, o. gmv. muiterij. *...MUNT, vd. zie MUNTEN; het is op u -, men wil u, het oog is op u gevestigd, men moet u hebben. *...MURMEL, o. gmv. *...MUTST, bn. eene muts op het hoofd hebbende; (fig.) wel of kwalijk - zijn, in goede of slechte luim zijn. [Gemzenjager]Gemzenjager, m. (-s). *...JAGT, o. (-en). *...LEÊR, *...LEDER, o. gmv. *...LEDEREN, bn. van gemzenleder (vervaardigd). [Genaakbaar]Genaakbaar, bn. (-der, B. ...barer, ...brer, -st), toegankelijk, te naderen; (fig.) niet trotsch, minzaam, spraakzaam, vriendelijk. *-HEID, v. gmv. [Genaamd]Genaamd, bn. heetende, van zekeren naam; zoo -, beweerd; voorgewend; dus -, van dien naam. [Genade]Genade, v. gmv. onverpligt bewezene gunst; onverdiende weldaad; vergeving, barmhartigheid; verschooning, vergiffenis; kwijtschelding (van straf); zich op - en ongenade overgeven, zonder voorwaarde zich in 's vijands handen overleveren; op - laten drijven, (een schip) aan de golven ter prooi laten; om - (het leven) vragen; bij Gods -, (deze woorden behooren tot den titel van sommige keizers en koningen); uwe -, titel waarmede voorname heeren in Duitschland worden aangesproken. *-BRIEF, m. (...ven), besluit tot kwijtschelding eener straf. *-BROOD, o. gmv. kost dien men uit barmhartigheid ontvangt zonder er eenige dienst voor te doen. *-GIFT, v. (-en), geschenk uit barmhartigheid. *-LEER, v. gmv. (godg.) leer der goddelijke genade. *-LIJK, bijw. vol genade. *-SLAG, m. laatste slag; (fig.) dat was de - voor hem, dat was het laatste kwaad dat hem nog kon worden gedaan; nu is hij geheel verloren; iem. den - geven, iem. ombrengen. *-STOEL, m. gmv. (godg.) Gods regterstoel. *-TROON, m. gmv. (godg.). *-RIJK, o. gmv. (godg.) rijk der genade. -, bn. (-er, -st), vol genade, zeer genadig, zeer ba |